Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2006, 645AMvB

Besluit van 5 december 2006 tot uitvoering en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 10 juli 2006, Directie Wetgeving, nr. 5430382/06/6;

Gelet op de artikelen 3, tweede en derde lid, 5, eerste lid, onderdeel c, derde en vierde lid, 6, tweede lid, onderdeel b, 7, tweede lid, 13, vierde lid, 15, vierde, vijfde en zesde lid, 16, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 18, eerste, derde en vierde lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 23, vijfde lid, 28, 31, derde lid, 47, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 48, tweede lid, onderdelen a en b, en derde lid, 52, derde lid, 64, vierde lid, en 73 van de Wet inburgering en de artikelen 16a, tweede lid, 21, zesde lid, en 34, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 64, negende lid, en 67, derde lid, van de Wet werk en bijstand en artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2006, nr. W03.06.0323/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 1 december 2006, Directie Wetgeving, nr. 5451387/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet inburgering;

b. inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet;

c. Kwaliteitscentrum examinering inburgering: de krachtens artikel 3.17, eerste lid, aangewezen rechtspersoon;

d. onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet;

e. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet;

f. Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen: het bestand, bedoeld in artikel 48 van de wet;

g. potentiële inburgeringsplichtige: een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, tweede volzin, van de wet;

h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet;

i. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de wet, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 22, tweede lid, van de wet;

j. inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;

k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet;

l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;

m. prognose: de opgave van het college met betrekking tot:

1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

5°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;

n. budget: het budget dat in het jaar waarop de prognoses betrekking hebben beschikbaar is voor de verstrekking aan gemeenten van de voorschotten op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen;

o. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen.

HOOFDSTUK 2 INBURGERINGSPLICHT

AFDELING 1. INBURGERINGSPLICHT

Artikel 2.1

  • 1. Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:

    a. gezinsvorming of gezinshereniging met, dan wel verblijf als pleegkind bij, een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;

    b. familiebezoek;

    c. het verrichten van arbeid;

    d. verblijf als kennismigrant;

    e. het zoeken en verrichten van arbeid;

    f. verblijf als stagiair of als practicant;

    g. de voorbereiding op of het volgen van een studie;

    h. verblijf als au pair;

    i. verblijf in het kader van uitwisseling;

    j. het ondergaan van medische behandeling of afwachten van herstel;

    k. de vervolging van mensenhandel;

    l. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

    m. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling;

    n. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

  • 2. Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien zulks met toepassing van artikel 3.5, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is bepaald.

  • 3. Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 20, 28 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, nader worden uitgewerkt.

Artikel 2.2

  • 1. De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen. In deze gevallen wordt de inburgeringsplicht tijdens de termijn, bedoeld in artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geacht niet te zijn geëindigd.

  • 2. De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar:

    a. geen ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens was;

    b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel, of

    c. zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft onderbroken.

AFDELING 2. VRIJSTELLINGEN

Artikel 2.3

  • 1. Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over:

    a. het inburgeringsdiploma;

    b. een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal;

    c. een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal, programma I of II, als bedoeld in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    d. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

    e. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

    f. een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de Nederlandse Antillen of Aruba, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse opleiding, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

    g. het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, bedoeld in het Statuut van de Europese school (Trb. 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald;

    h. het getuigschrift International Baccalaureate Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald;

    i. het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, met daarop de in artikel 5, tweede lid, van dat besluit bedoelde aantekening dat de verzoeker beschikt over de vereiste kennis van de Nederlandse taal;

    j. het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:

    1°. de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal:

    – niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en

    – niveau 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven», en

    2°. voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie: het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, of

    k. het certificaat, bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste de volgende niveaus zijn behaald:

    1°. niveau NT2 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en

    2°. niveau NT2 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven»;

    l. het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste lid.

Artikel 2.4

  • 1. Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal zijn behaald:

    a. niveau 2 voor de onderdelen «Luisteren» en «Spreken», en

    b. niveau 1 voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven».

  • 2. Van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige:

    a. die beschikt over het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, alsmede de verklaring van het regionaal opleidingencentrum op grond waarvan dat certificaat is afgegeven, indien uit die verklaring blijkt dat voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie het niveau is behaald van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet;

    b. die kan aantonen dat hij in Nederland is geslaagd voor het toetsonderdeel van de kennis van de staatsinrichting en maatschappij van de naturalisatietoets.

Artikel 2.5

Geheel vrijgesteld van de inburgeringsplicht is degene:

a. ten aanzien van wie met toepassing van artikel 5, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers is besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten;

b. die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten, of

c. die kan aantonen dat hij ingevolge artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets is of was ontheven van de verplichting om alle in dat artikel bedoelde toetsonderdelen af te leggen.

AFDELING 3. VERBLIJF IN NEDERLAND TIJDENS DE LEERPLICHTIGE LEEFTIJD

Artikel 2.6

  • 1. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet, blijkt uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inschrijving in de bevolkingsboekhouding, bedoeld in het eerste lid, en kan van het eerste lid worden afgeweken op grond van concrete aanwijzingen dat de inschrijving kennelijk onjuist was.

AFDELING 4. VRIJSTELLING BIJ EVIDENTE INBURGERING

Artikel 2.7

  • 1. Als voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal onderscheidenlijk evidente kennis van de Nederlandse samenleving als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden aangemerkt:

    a. mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en

    b. kennis van de Nederlandse samenleving op het krachtens artikel 2.10, eerste lid, vastgestelde niveau.

  • 2. Door de IB-Groep wordt op aanvraag een document verstrekt aan degene die een toets heeft afgelegd, waaruit blijkt dat hij beschikt over de in het eerste lid bedoelde vaardigheden en kennis.

  • 3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid kan niet worden gedaan door degene:

    a. die reeds eerder de toets heeft afgelegd;

    b. die een lening heeft aangevraagd, of

    c. ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld.

  • 4. De toets wordt door Onze Minister vastgesteld en wordt afgenomen door middel van een door de IB-Groep beheerd geautomatiseerd systeem.

  • 5. De toets wordt onder toezicht van de IB-Groep afgelegd op een door de IB-Groep vast te stellen tijdstip en in een door de IB-Groep vast te stellen ruimte, nadat de aanvrager overeenkomstig door de IB-Groep gestelde regels de terzake verschuldigde kosten heeft voldaan en zich met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht heeft geïdentificeerd.

  • 6. De IB-Groep beoordeelt de resultaten van de toets door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het vierde lid. Deze resultaten worden niet herbeoordeeld.

  • 7. Bij regeling van Onze Minister worden het model van het document, bedoeld in het tweede lid, en de kosten, bedoeld in het vijfde lid, vastgesteld en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van dit artikel.

AFDELING 5. ONTHEFFING

Artikel 2.8

  • 1. Bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, legt de inburgeringsplichtige een advies over van een door het college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

  • 2. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 3. Indien het college, op grond van het advies, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden het betreft.

  • 4. De ontheffing kan worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent het advies, bedoeld in het eerste lid.

AFDELING 6. NIVEAU VAN KENNIS EN VAARDIGHEDEN

Artikel 2.9

  • 1. De inburgeringsplichtige verwerft de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen:

    a. spreekvaardigheid;

    b. luistervaardigheid;

    c. gespreksvaardigheid;

    d. schrijfvaardigheid;

    e. leesvaardigheid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen d en e, verwerft de oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, de daargenoemde schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.

Artikel 2.10

  • 1. De inburgeringsplichtige verwerft kennis van de Nederlandse samenleving, op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen eindtermen. De te verwerven kennis van de Nederlandse samenleving heeft in ieder geval betrekking op:

    a. werk en inkomen;

    b. omgangsvormen, waarden en normen;

    c. wonen;

    d. gezondheid en gezondheidszorg;

    e. geschiedenis en geografie;

    f. instanties;

    g. staatsinrichting en rechtsstaat;

    h. onderwijs en opvoeding.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, verwerft de inburgeringsplichtige die geestelijke bedienaar is, tevens op het niveau van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen eindtermen kennis van de Nederlandse samenleving die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is voor de vervulling van zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale taken.

AFDELING 7. VERLENGING VAN DE TERMIJN

Artikel 2.11

De termijnen, genoemd in artikel 7, eerste lid, van de wet worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.

HOOFDSTUK 3 INBURGERINGSEXAMEN

AFDELING 1. HET INBURGERINGSEXAMEN

§ 1. Algemeen

Artikel 3.1
  • 1. Degene die wenst te worden toegelaten tot het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe aan overeenkomstig de door de exameninstelling gestelde regels.

  • 2. De exameninstelling bevestigt de aanmelding schriftelijk.

Artikel 3.2
  • 1. Degene die wenst te worden toegelaten tot een examen van het centraal deel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe schriftelijk aan bij de IB-Groep overeenkomstig de door de IB-Groep gestelde regels.

  • 2. De IB-Groep bevestigt de aanmelding schriftelijk.

Artikel 3.3
  • 1. Voor toelating tot de bij de IB-Groep af te leggen examens is examengeld verschuldigd, dat overeenkomstig door de IB-Groep vastgestelde regels wordt voldaan.

  • 2. Het examengeld voor de examens die bij de IB-Groep worden afgelegd, wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister.

  • 3. Het examengeld voor de examens die bij een op grond van artikel 3.14, eerste lid, aangewezen exameninstelling worden afgelegd, wordt vastgesteld door die exameninstelling.

Artikel 3.4

Op verzoek van degene die het examen afneemt of daarop toezicht houdt, identificeert de kandidaat zich met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 3.5
  • 1. De IB-Groep stelt de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap op diens verzoek in de gelegenheid het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

  • 2. Indien het college bij de toepassing van artikel 2.8 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanvraag de beschikking, bedoeld in het derde lid van dat artikel over.

  • 3. In de overige gevallen legt de kandidaat een advies over van een onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waaruit blijkt dat hij het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 3.6
  • 1. Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig examen aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de examencommissie op voorstel van de desbetreffende examinator het examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen. De examinator doet het voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan hem bekend is geworden.

  • 2. Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan de exameninstelling de IB-Groep voorstellen, het examenresultaat ongeldig te verklaren. De exameninstelling doet het voorstel zo spoedig mogelijk nadat de onregelmatigheid aan haar bekend is geworden.

§ 2. Inhoud van het inburgeringsexamen

Artikel 3.7
  • 1. Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen omvat een beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in een aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap, werk alsmede onderwijs, gezondheid en opvoeding.

  • 2. Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een assessment, een portfolio dan wel een combinatie daarvan.

  • 3. Het assessment dan wel de combinatie van een assessment en een portfolio, wordt afgenomen door een exameninstelling die is aangewezen op grond van artikel 3.14, eerste lid.

  • 4. Het portfolio wordt beoordeeld door een exameninstelling die is aangewezen op grond van artikel 3.14, eerste lid, of de IB-Groep.

  • 5. Het resultaat van het praktijkdeel wordt vastgesteld door de exameninstelling en uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd».

  • 6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.

Artikel 3.8
  • 1. Onverminderd artikel 3.7 omvat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen van de kandidaat die geestelijke bedienaar is, tevens een examen in de kennis, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid.

  • 2. In afwijking van artikel 3.7, eerste lid, omvat het praktijkdeel een beoordeling van de taalvaardigheden, bedoeld in artikel 2.9, in een aantal praktijksituaties ontleend aan de domeinen burgerschap, werk alsmede sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening.

  • 3. In afwijking van artikel 3.7, derde en vierde lid, worden de daar genoemde onderdelen van het praktijkdeel afgenomen onderscheidenlijk beoordeeld door een door Onze Minister aan te wijzen exameninstelling.

  • 4. Het examen, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden afgelegd nadat de examens, bedoeld in artikel 3.7 en het tweede lid, alsmede het centraal deel van het inburgeringsexamen is afgelegd.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het examen, bedoeld in het eerste lid, en de exameninstelling, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3.9
  • 1. Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit:

    a. een elektronisch praktijkexamen,

    b. een toets gesproken Nederlands, en

    c. een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.

  • 2. De in het eerste lid genoemde examens worden afgelegd door middel van een door de IB-Groep beheerd geautomatiseerd systeem.

  • 3. De resultaten van de in het eerste lid genoemde examens worden door de IB-Groep beoordeeld door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede lid. De resultaten worden uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De resultaten worden niet herbeoordeeld.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examens, genoemd in het eerste lid.

Artikel 3.10
  • 1. Het inburgeringsdiploma wordt uitgereikt door de IB-Groep.

  • 2. Het inburgeringsdiploma wordt ondertekend door de IB-Groep.

  • 3. Duplicaten van inburgeringsdiploma’s worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door de IB-Groep verstrekt.

§ 3. Examencommissies en commissies van beroep

Artikel 3.11
  • 1. De exameninstelling stelt een examencommissie in, die bestaat uit ten minste drie leden, onder wie ten minste twee examinatoren.

  • 2. De examencommissie heeft tot taak het afnemen van een of meer van de examens van het inburgeringsexamen.

  • 3. De leden van de examencommissie beschikken over relevante deskundigheid op het gebied van examinering en taalvaardigheidsonderwijs.

  • 4. Een examinator kan slechts worden benoemd tot lid van de examencommissie, indien hij de bij regeling van Onze Minister vastgestelde training met goed gevolg heeft afgerond.

  • 5. Bij de uitoefening van de taak, bedoeld in het tweede lid, heeft ten minste een van de examinatoren, bedoeld in het eerste lid, niet het inburgeringsonderwijs van de kandidaat verzorgd.

  • 6. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de examencommissie.

Artikel 3.12
  • 1. De exameninstelling stelt een onafhankelijke commissie van beroep in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan.

  • 2. De commissie heeft tot taak de behandeling en beslechting van geschillen over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren terzake van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.

  • 3. De commissie bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een plaatsvervangend voorzitter.

  • 4. De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het bevoegd gezag van de exameninstelling of van een examencommissie als bedoeld in artikel 3.11.

  • 5. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.

  • 6. De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag van de exameninstelling en aan de IB-Groep.

  • 7. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. Zij kan bepalen dat opnieuw of alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de praktijkexamens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.

  • 8. Indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dit vereist, kan de commissie op verzoek van de kandidaat, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening treffen, na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans behoorlijk te hebben opgeroepen.

  • 9. Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

  • 10. De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie de inlichtingen die de commissie voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.

  • 11. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de commissie van beroep. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld omtrent de benoeming en het ontslag van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden.

§ 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen

Artikel 3.13

Bij regeling van Onze Minister worden normen voor de kwaliteit van de examinering vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op:

a. de afname van de examens;

b. de voorwaarden voor toelating tot de examens;

c. de deskundigheid van de examinatoren;

d. het vaststellen van de uitslag van de examens;

e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering.

AFDELING 2. AANWIJZING EXAMENINSTELLINGEN

Artikel 3.14

  • 1. Een instelling kan slechts als exameninstelling in de zin van artikel 15, eerste lid, van de wet worden aangewezen, indien:

    a. de instelling een in het handelsregister ingeschreven onderneming of rechtspersoon is;

    b. de continuïteit van de instelling en de examinering redelijkerwijs zijn gewaarborgd, en

    c. de instelling beschikt over een examenreglement, waaruit blijkt dat de instelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.

  • 2. Over de aanvraag tot aanwijzing wordt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering gehoord.

  • 3. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval het rapport van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, over.

  • 4. Op de aanvraag wordt beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid alsmede omtrent de aanvraag en de behandeling daarvan.

Artikel 3.15

  • 1. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de instelling bij zijn verzoek om een onderzoek als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, verschaft.

  • 2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering bevestigt de ontvangst van het verzoek om een onderzoek schriftelijk.

  • 3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt het rapport vast binnen zes weken na ontvangst van het verzoek om een onderzoek. Deze termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de instelling uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering gestelde termijn van ten hoogste vier weken ongebruikt is verstreken.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan de instelling.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van het onderzoek en het rapport.

Artikel 3.16

  • 1. De aanwijzing kan worden geschorst of ingetrokken, indien zij is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens of indien de exameninstelling niet voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen.

  • 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet genomen dan nadat de exameninstelling op grond van de bevindingen over de examinering een waarschuwing is gegeven, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.

  • 3. De instelling kan niet eerder dan na verloop van een jaar na de in het eerste lid bedoelde intrekking opnieuw overeenkomstig artikel 3.14 worden aangewezen.

AFDELING 3. TOEZICHT OP DE EXAMENINSTELLINGEN

§ 1. Kwaliteitscentrum examinering inburgering

Artikel 3.17
  • 1. Het toezicht op de exameninstellingen wordt uitgeoefend door een door Onze Minister aangewezen rechtspersoon (Kwaliteitscentrum examinering inburgering).

  • 2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering heeft tot taak het verrichten van onderzoek naar de mate waarin:

    a. een instelling die voornemens is een aanvraag tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.14 in te dienen, voldoet aan de bij en krachtens de wet aan een exameninstelling gestelde eisen;

    b. de exameninstellingen en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.

  • 3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verricht het onderzoek op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is.

Artikel 3.18
  • 1. Het bestuur van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering richt een stelsel van kwaliteitszorg in en draagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de taakuitoefening, met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen.

  • 2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag aan Onze Minister. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt in het jaarverslag de uitkomsten van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten bekend.

  • 3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 oktober een jaarwerkplan voor het daaropvolgende kalenderjaar aan Onze Minister.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het jaarverslag en het jaarwerkplan.

  • 5. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt jaarlijks voor 1 november een verslag op over zijn bevindingen over de exameninstellingen en de examinering in het voorafgaande studiejaar.

Artikel 3.19
  • 1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.

  • 2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering brengt jaarlijks voor 1 juli een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar uit, die vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt de stukken, bedoeld in de eerste volzin, algemeen verkrijgbaar.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de verstrekking door Onze Minister aan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering van een subsidie voor de op grond van artikel 3.17 uit te voeren taken, en omtrent de inrichting van de begroting, de jaarrekening en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 3.20
  • 1. Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen, waaronder het intrekken van de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, indien het Kwaliteitscentrum examinering inburgering naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.

  • 2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder getroffen dan nadat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

§ 2. De uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen

Artikel 3.21
  • 1. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel b, onderzoekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering jaarlijks de exameninstellingen en de examinering door de exameninstellingen.

  • 2. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt de exameninstelling in kennis van de aanvangsdatum alsmede van de planning van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening brengen van een vergoeding ter zake van het onderzoek door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan de exameninstelling.

Artikel 3.22
  • 1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt zijn oordeel na een onderzoek als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, vast in een verklaring. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt:

    a. een goedkeurende verklaring indien de exameninstelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen;

    b. een afkeurende verklaring indien de exameninstelling en de examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, waarbij het naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering niet aannemelijk is dat dit binnen een half jaar alsnog het geval zal zijn, alsmede in gevallen als bedoeld in het derde lid, of

    c. een voorwaardelijke verklaring indien de exameninstelling en de examinering niet voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, waarbij het naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aannemelijk is dat dit binnen een half jaar alsnog het geval zal zijn.

  • 2. Indien er naar het oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering op enig moment tijdens het onderzoek sprake is van een zodanige afwijking van de bij en krachtens de wet gestelde eisen, dat vaststaat dat zonder verbeteringen aan het eind van het onderzoek een afkeurende verklaring zal worden afgegeven, meldt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dit onverwijld aan Onze Minister.

  • 3. Indien na het afgeven van een voorwaardelijke verklaring bij het eerstvolgende onderzoek blijkt dat opnieuw niet wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, wordt een afkeurende verklaring afgegeven.

  • 4. Een verklaring wordt door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voorzien van een onderbouwing van het oordeel.

  • 5. Alvorens een verklaring vast te stellen, stelt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de exameninstelling in de gelegenheid van de ontwerpverklaring kennis te nemen en daarover overleg te voeren. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door de exameninstelling gewenste wijzigingen in de ontwerpverklaring, wordt de door de exameninstelling aangegeven zienswijze in een bij de verklaring behorende bijlage opgenomen.

  • 6. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zendt een verklaring onverwijld aan de exameninstelling. Indien het een goedkeurende verklaring betreft, meldt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dit aan Onze Minister. Indien het een afkeurende of voorwaardelijke verklaring betreft, zendt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering een afschrift van die verklaring onverwijld aan Onze Minister.

  • 7. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van de verklaring.

Artikel 3.23
  • 1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt een verklaring als bedoeld in artikel 3.22 in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.

  • 2. Tevens verstrekt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan derden op verzoek een afschrift van de verklaring. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering kan een vergoeding van de kosten vragen overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen tarief voor de afgifte van een verklaring.

  • 3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt een verklaring niet eerder aan derden dan nadat deze op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.

Artikel 3.24

Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering stelt een klachtenregeling vast inzake behandeling van klachten over gedragingen van personen die belast zijn met het uitoefenen van taken voor het Kwaliteitscentrum examinering inburgering.

Artikel 3.25
  • 1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitvoering van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

  • 2. De instelling en de exameninstelling verstrekken desgevraagd aan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering alle voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 3.17, benodigde inlichtingen.

Artikel 3.26
  • 1. De exameninstellingen zenden het Kwaliteitscentrum examinering inburgering jaarlijks een verslag over de afgenomen examens, waaruit blijkt op welke wijze de exameninstelling en de examinering voldoen aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting en openbaarmaking van de verslagen, bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 4 FACILITEITEN

AFDELING 1. LENING

§ 1. Vaststelling van de lening

Artikel 4.1
  • 1. De lening wordt verstrekt ten behoeve van:

    a. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot, alsmede het afleggen van:

    1°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus, en

    2°. indien de inburgeringsplichtige oudkomer is, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10, of

    b. het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c.

  • 2. De lening wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt of heeft gevolgd bij een cursusinstelling die op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige zich voor de cursus heeft aangemeld, in het bezit is van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat.

  • 3. De lening wordt niet verstrekt indien op enig moment voor de inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld.

  • 4. Een lening ten behoeve van het afleggen van het inburgeringsexamen wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige tevens een lening ontvangt ten behoeve van het volgen van een cursus.

Artikel 4.2
  • 1. De inburgeringsplichtige heeft aanspraak op de lening gedurende een periode van ten hoogste drie jaar gerekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de eerste verstrekking van de lening.

  • 2. Het geleende bedrag wordt niet uitgekeerd, indien de inburgeringsplichtige:

    a. niet langer ingezetene is in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

    b. als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel, in de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de hoogte en de betaling van de lening.

Artikel 4.3
  • 1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn sociaal-fiscaalnummer.

  • 2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende verklaring waarin hij de IB-Groep machtigt het bedrag van de maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 4.8 of 4.11 moet terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.

Artikel 4.4
  • 1. De IB-Groep geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 2. De beschikking vermeldt de hoogte van de lening alsmede de termijn waarbinnen de betaling door de IB-Groep moet plaatsvinden.

§ 2. Terugbetaling van de lening

Artikel 4.5
  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december ten behoeve van het daarop volgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd, zo dicht mogelijk bij 10 jaren, tussen 8 en 11 jaren.

  • 2. De renteberekening gaat in op de dag waarop het bedrag aan lening bij de IB-Groep is afgeschreven.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening.

  • 4. In afwijking van het eerste lid geldt voor 2007 een rentepercentage dat door Onze Minister is vastgesteld vóór 1 januari 2007.

Artikel 4.6
  • 1. De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste drie jaren.

  • 2. In geval van wijziging van het bedrag van de maandelijkse termijn naar aanleiding van een verzoek tot draagkrachtvaststelling als bedoeld in artikel 4.9, kan deze periode worden verlengd tot ten hoogste zeven jaren.

  • 3. De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.

  • 4. Gedurende de in artikel 17, eerste lid, van de wet bedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening.

Artikel 4.7
  • 1. De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnen, behoudens in de bij regeling van Onze Minister genoemde gevallen.

  • 2. Het bedrag van de maandelijkse termijn wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de hoogte van het bedrag van de maandelijkse termijn alsmede de wijze waarop deze wordt berekend.

Artikel 4.8
  • 1. Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 4.6, derde lid, tweede volzin, stelt de IB-Groep het bedrag vast dat de debiteur overeenkomstig de artikelen 4.5 tot en met 4.7 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde termijn.

Artikel 4.9

Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde bedrag van de termijn te voldoen, kan hij bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode.

Artikel 4.10
  • 1. Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

  • 2. Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld.

Artikel 4.11
  • 1. De IB-Groep geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 4.9, een beschikking.

  • 2. Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld met ingang van de maand daaropvolgend. Daarbij wordt tevens zijn resterende terugbetalingsperiode bepaald.

  • 3. Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de in artikel 4.8 vastgestelde termijn.

Artikel 4.12

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning en de invordering van de schuld.

Artikel 4.13
  • 1. De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door de IB-Groep in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.

  • 2. De IB-Groep geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag van een debiteur om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding een beschikking.

Artikel 4.14
  • 1. De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, de termijn opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnen.

  • 2. De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat op dat ogenblik teniet.

Artikel 4.15

De termijnen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet en artikel 4.2, eerste lid, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.

§ 3. Slotbepaling

Artikel 4.16

De artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2. VERGOEDING

Artikel 4.17

  • 1. De in artikel 18, eerste lid, van de wet bedoelde vergoeding bestaat uit:

    a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag, of

    b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte van de kosten die de gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt ten behoeve van:

    1°. het volgen van een cursus bij een cursusinstelling die op het tijdstip waarop de inburgeringsplichtige zich voor de cursus heeft aangemeld, over het in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk of certificaat beschikte, en

    2°. het inburgeringsexamen op de voor de betrokken inburgeringsplichtige op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet vastgestelde niveaus alsmede, indien de inburgeringsplichtige oudkomer is, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10.

  • 2. Indien een inburgeringsplichtige binnen drie jaar het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, heeft behaald, verstrekt de IB-Groep aan die gewezen inburgeringsplichtige:

    a. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag, of

    b. een bij regeling van Onze Minister vast te stellen gedeelte van de kosten die die gewezen inburgeringsplichtige heeft gemaakt ten behoeve van het volgen van een cursus bij een cursusinstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.

    Indien de gewezen inburgeringsplichtige oudkomer was, wordt de termijn van drie jaar berekend vanaf het tijdstip waarop het college ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de wet gaf.

  • 3. Onverminderd het eerste lid, verstrekt de IB-Groep een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag aan de gewezen oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, die binnen drie jaar nadat het college ten aanzien van hem toepassing aan artikel 26 van de wet heeft gegeven, het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste lid, en 2.10, heeft behaald.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 4.18

De termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet en artikel 4.17, tweede en derde lid, wordt verlengd met de duur van de periode, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.

Artikel 4.19

De IB-Groep verstrekt ambtshalve de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, bedoelde vergoeding binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald.

Artikel 4.20

  • 1. De IB-Groep verstrekt ambtshalve of op aanvraag de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding, voorzover het bedrag daarvan het in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel a, bedoelde bedrag te boven gaat.

  • 2. Ambtshalve verstrekking geschiedt binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald. Indien een aanvraag is gedaan, geeft de IB-Groep binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag en de betaling van de in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, bedoelde vergoedingen.

Artikel 4.21

  • 1. Geen recht op vergoeding heeft:

    a. de gewezen inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld;

    b. de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij het betreft een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000;

    c. degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen is behaald, niet inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

    d. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt.

  • 2. Het eerste lid, onderdelen a en c, is niet van toepassing op de vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, derde lid.

Artikel 4.22

  • 1. Indien op de gewezen inburgeringsplichtige nog een verplichting rust tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening, verrekent de IB-Groep de vergoeding met het terug te betalen bedrag.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent deze verrekening.

AFDELING 3. GEMEENTELIJK AANBOD AAN BIJSTANDS- EN UITKERINGSGERECHTIGDEN

Artikel 4.23

De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn:

a. de Werkloosheidswet;

b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

d. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

e. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

f. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

g. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

h. de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;

i. de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.

AFDELING 4. GEMEENTELIJK AANBOD AAN GEESTELIJKE BEDIENAREN

Artikel 4.24

  • 1. De inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van de wet, omvat een cursus die toeleidt naar de in ingevolge paragraaf 2 van hoofdstuk 3 voor geestelijke bedienaren geldende onderdelen van het inburgeringsexamen.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de cursus.

AFDELING 5. INBURGERINGSALTERNATIEF BIJ VERVAL INBURGERINGSVOORZIENING

Artikel 4.25

  • 1. Indien op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet een inburgeringsvoorziening vervalt, roept het college de inburgeringsplichtige binnen zes weken op voor het onderzoek.

  • 2. Binnen vier weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking waarin als gelijkwaardig inburgeringsalternatief een op dat tijdstip passende inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 22, eerste lid, en 23, eerste, tweede en derde lid, van de wet is van toepassing.

HOOFDSTUK 5 HANDHAVING

AFDELING 1. OPROEPEN VAN PERSONEN

Artikel 5.1

  • 1. Het college roept de vreemdeling die inburgeringsplichtig of potentieel inburgeringsplichtig is, met uitzondering van de oudkomer en de potentieel inburgeringsplichtige oudkomer, op voor het onderzoek:

    a. indien hij in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft, binnen zes weken nadat hij na vertrek uit het centrum voor de eerste keer aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan;

    b. in de overige gevallen, binnen zes weken na het ontstaan van de grond waarop de vreemdeling inburgeringsplichtig is geworden of waarop het college kan vermoeden dat de vreemdeling inburgeringsplichtig is geworden.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 5.2

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het aantal oudkomers wordt vastgesteld aan wie het college in een door Onze Minister te bepalen tijdvak een handhavingsbeschikking bekendmaakt.

Artikel 5.3

  • 1. Indien niet aan de inburgeringsplicht is voldaan, verstrekt het college informatie over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige die uit de wet voortvloeien.

  • 2. Binnen acht weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet.

  • 3. Indien ten aanzien van de inburgeringsplichtige geen beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet wordt gegeven, stelt het college hem binnen acht weken na het onderzoek schriftelijk in kennis van de voor hem geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.

AFDELING 2. TERMIJNVERLENGING EN ONTHEFFING VAN DE INBURGERINGSPLICHT

Artikel 5.4

  • 1. Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 2. In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.

  • 3. In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlenging van de termijn.

Artikel 5.5

  • 1. Een aanvraag tot verlening van ontheffing van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 2. In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college ambtshalve besluiten tot het verlenen van ontheffing. De beschikking kan niet eerder worden gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verlenen van de ontheffing.

HOOFDSTUK 6 INFORMATIEBEPALINGEN

AFDELING 1. HET INFORMATIESYSTEEM INBURGERING

Artikel 6.1

  • 1. Het Informatiesysteem Inburgering bevat uitsluitend persoonsgegevens van:

    a. inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen;

    b. andere dan de in onderdeel a bedoelde personen, die deelnemen aan het inburgeringsexamen;

    c. andere dan de in onderdeel a of b bedoelde personen, ten aanzien van wie een naar het inburgeringsexamen toeleidende inburgeringsvoorziening is vastgesteld op grond van:

    1°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31,

    2°. de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31,

    3°. de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal,

    4°. de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid, of

    5°. de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007;

    d. partners van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald;

    e. kinderen van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald en van deze debiteur geen inkomensgegevens bij de rijksbelastingdienst bekend zijn;

    f. personen ten aanzien van wie na een onderzoek als bedoeld in artikel 25 van de wet, dan wel na een onderzoek door de IB-Groep naar het bezit van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, is vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn;

    g. personen ten aanzien van wie is gebleken dat zij aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet;

    h. personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn.

  • 2. Het Informatiesysteem Inburgering bevat de in de bijlage bij dit besluit opgenomen gegevens. Persoonsgegevens worden opgenomen zoals deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kan de bijlage bij dit besluit worden gewijzigd.

Artikel 6.2

  • 1. De volgende instanties verstrekken ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering aan de beheerder daarvan uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de wet aan die instanties zijn opgedragen:

    a. het college;

    b. Onze Minister;

    c. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;

    d. de rijksbelastingdienst;

    e. de exameninstellingen;

    f. de cursusinstellingen;

    g. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;

    h. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;

    i. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

    j. de IB-Groep.

  • 2. Onverminderd de gegevensverstrekking aan het college, de IB-Groep en Onze Minister, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de wet worden gegevens die zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering slechts ter beschikking gesteld aan:

    a. de exameninstellingen;

    b. de cursusinstellingen;

    c. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk;

    d. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;

    e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

    Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in artikel 47, tweede lid, van de wet.

  • 3. De verstrekking, bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel c, van de wet geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.

  • 4. De instanties, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en e tot en met h, verstrekken de gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt.

  • 6. In opdracht van Onze Minister kunnen ten behoeve van het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoeken gegevens uit het Informatiesysteem Inburgering worden verstrekt die kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. In de rapportages over deze onderzoeken worden geen tot die persoon herleidbare gegevens opgenomen.

Artikel 6.3

  • 1. In het Informatiesysteem Inburgering opgenomen persoonsgegevens worden verwijderd:

    a. na verloop van twintig jaren, of

    b. indien de betrokken persoon is overleden.

  • 2. In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, verwijderd na verloop van vijftig jaar:

    a. sociaal-fiscaalnummer;

    b. naamgegevens;

    c. adresgegevens;

    d. woonplaats;

    e. geboortedatum;

    f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;

    g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de inburgeringsplicht;

    h. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald;

    i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake van een lening.

  • 3. In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, verwijderd na verloop van vijftig jaar:

    a. sociaal-fiscaalnummer;

    b. naamgegevens;

    c. adresgegevens;

    d. woonplaats;

    e. geboortedatum;

    f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald.

  • 4. De termijnen, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, en in de aanhef van het tweede en derde lid, vangen aan op de dag waarop de gegevens in het Informatiesysteem Inburgering zijn opgenomen.

AFDELING 2. HET BESTAND POTENTIËLE INBURGERINGSPLICHTIGEN

Artikel 6.4

  • 1. Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat de volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:

    a. sociaal-fiscaalnummer;

    b. A-nummer;

    c. naamgegevens;

    d. geslacht;

    e. geboortedatum;

    f. geboorteplaats;

    g. geboorteland of land van herkomst;

    h. adresgegevens;

    i. woonplaats;

    j. nationaliteit;

    k. gegevens inzake vestiging in en vertrek uit Nederland.

  • 2. Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen bevat tevens de volgende persoonsgegevens van potentiële inburgeringsplichtigen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister:

    a. gegevens inzake de aard van het verblijfsdoel;

    b. gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland.

Artikel 6.5

  • 1. De volgende instanties verstrekken aan de beheerder van het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het bijhouden dan wel schonen van dat bestand:

    a. het college;

    b. Onze Minister;

    c. Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;

    d. de IB-Groep.

  • 2. Persoonsgegevens die zijn opgenomen in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen worden slechts ter beschikking gesteld aan het college, de IB-Groep en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in artikel 48, tweede lid, van de wet.

  • 3. De verstrekking, bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel c, van de wet geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kunnen andere instanties worden aangewezen ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting eveneens geldt of waaraan eveneens gegevens uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen worden verstrekt.

Artikel 6.6

De IB-Groep verwijdert de gegevens van een in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen opgenomen persoon, indien de betrokkene:

a. is overleden;

b. blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of uit Nederland is vertrokken; of

c. in het Informatiesysteem Inburgering wordt opgenomen.

Artikel 6.7

Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen wordt opgeheven op 1 januari 2057.

AFDELING 3. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 6.8

Met betrekking tot het Informatiesysteem Inburgering en het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen is de hoofddirectie van de IB-Groep de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 6.9

Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een persoon wiens gegevens in het Informatiesysteem Inburgering of het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen zijn opgenomen, woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

HOOFDSTUK 7 FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 7.1

  • 1. De rijksbijdrage voor een gemeente omvat een vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel.

  • 2. Het vaste deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid.

  • 3. Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de grondslag van:

    a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    f. het aantal in onderdeel e bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    h. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    j. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen.

  • 4. Het variabele deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op de grondslag van:

    a. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;

    b. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, heeft verstrekt;

    c. het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;

    d. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    e. het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.

Artikel 7.2

  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks per gemeente een indicatief voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vast.

  • 2. Onze Minister stelt jaarlijks een verdeelsleutel vast ten behoeve van de vaststelling van het indicatieve voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage.

  • 3. Onze Minister maakt de indicatieve voorschotten tezamen met de verdeelsleutel jaarlijks voor 15 september van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognoses betrekking hebben, bekend.

Artikel 7.3

  • 1. Het college dient voor 15 oktober, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, een aanvraag tot verlening van het vaste en prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage in bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van de prognose, welke door het college wordt vastgesteld op basis van het indicatieve voorschot, bedoeld in artikel 7.2 en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.7.

  • 2. Onze Minister beoordeelt de door de gemeenten ingediende prognoses gezamenlijk en stelt een voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente vast aan de hand van het derde lid en met inachtneming van het vijfde lid.

  • 3. Het voorschot voor een gemeente wordt berekend:

    a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule:

    A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];

    b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule:

    A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ];

    c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule:

    A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].

  • 4. In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:

    – met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft;

    – met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening;

    – met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;

    – met de letter F: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    – met de letter G: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter F bedoelde inburgeringsvoorziening;

    – met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening;

    – met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter K: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter J bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;

    – met de letter L: het na toepassing van de in het derde lid, onderdelen a en b, genoemde formules resterende deel van het budget;

    – met de letter M: het relatieve aandeel van de gemeente, die een hogere prognose heeft ingediend dan het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot toelaat, in de overtekening van het budget.

  • 5. Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot.

  • 6. Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, kan Onze Minister besluiten het voorschot voor een gemeente te verhogen dan wel te verlagen indien de jaarlijkse vaststelling van de prijs, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, daartoe aanleiding geeft.

  • 7. Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.

  • 8. Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en wordt uiterlijk binnen zes maanden na de vaststelling ervan betaald.

Artikel 7.4

  • 1. Het college dient voor 15 oktober, voorafgaand aan het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, een aanvraag tot verlening van het vaste en het variabele deel van de rijksbijdrage in bij Onze Minister.

  • 2. Onze Minister stelt een voorschot op het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage vast aan de hand van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid.

  • 3. Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot voor 1 december, voorafgaand aan het jaar waarop het vaste deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, vast.

  • 4. Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en wordt uiterlijk binnen zes maanden na de vaststelling ervan betaald.

Artikel 7.5

  • 1. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule:

    A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [ P x Q ] ) + [ R x S ] + [ T x U ] ) x V

    waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;

    – met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    – met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L;

    – met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter N;

    – met de letter P: het aantal in de letter F bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter Q: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter P;

    – met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter R;

    – met de letter T: het aantal in de letter J bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter T;

    – met de letter V: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor.

  • 2. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F, H, J, L, N, P, R en T van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het tweede jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.

  • 3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, F, H, J, L, N en P in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.

  • 4. Onze Minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.

  • 5. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft.

  • 6. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot.

Artikel 7.6

  • 1. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule A = B + [ C x D ] + [ E x F ] + [ G x H ] + [ I x J ] + [ K x L ]

    waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter A: het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage;

    – met de letter B: het verleende voorschot op het vaste deel van de rijksbijdrage;

    – met de letter C: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een handhavingsbeschikking bekend heeft gemaakt;

    – met de letter D: de bijdragevergoeding ten aanzien van de bekendmaking van een handhavingsbeschikking;

    – met de letter E: het aantal inburgeringsplichtigen aan wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, heeft verstrekt;

    – met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid;

    – met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld;

    – met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar;

    – met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid;

    – met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid.

  • 2. Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.

  • 3. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul.

  • 4. Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarop het vaste en variabele deel betrekking hebben, vast.

  • 5. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting.

  • 6. Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop beide delen van de rijksbijdrage betrekking hebben. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot.

Artikel 7.7

  • 1. Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast.

  • 2. Onze Minister stelt jaarlijks de landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus vast. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop deze prijs wordt vastgesteld.

  • 3. Onze Minister stelt de voorschotvergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, en de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet.

  • 4. Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e, g en i, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f, h en j, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.

  • 5. Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.

  • 6. Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.

Artikel 7.8

  • 1. Gemeenten kunnen in onderling overleg besluiten tot een gezamenlijke aanwending van de aan hen te verstrekken rijksbijdragen.

  • 2. In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid dragen de deelnemende gemeenten de hen bij of krachtens dit hoofdstuk toekomende rechten en de bij of krachtens dit hoofdstuk op hen rustende verplichtingen over aan een van hen, dan wel aan een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 3. De colleges wie het betreft stellen Onze Minister voor 15 september, voorafgaand aan het jaar waarop de samenwerking betrekking heeft, in kennis van de samenwerking. Deze kennisgeving bevat in ieder geval:

    a. de namen van de deelnemende gemeenten;

    b. de naam van de gemeente dan wel het openbaar lichaam aan wie de in het tweede lid genoemde rechten en verplichtingen zijn overgedragen;

    c. een verklaring van de deelnemende gemeenten waaruit de in het tweede lid bedoelde overdracht van rechten en verplichtingen blijkt.

Artikel 7.9

  • 1. Onze Minister kan de vastgestelde rijksbijdrage binnen een periode van vijf jaar na de bekendmaking ervan intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen:

    a. indien er sprake is van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling van de rijksbijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld;

    b. indien de vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten;

    c. indien de gemeente na de vaststelling van de rijksbijdrage niet heeft voldaan aan de regels en voorschriften, vastgesteld bij en krachtens dit hoofdstuk.

  • 2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de rijksbijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 7.10

  • 1. Bij het geheel of gedeeltelijk intrekken van de rijksbijdrage op grond van artikel 7.9 besluit Onze Minister tot:

    a. het onmiddellijk terugvorderen van de middelen, of

    b. het verrekenen van de middelen met nog te betalen rijksbijdragen.

  • 2. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, onderdeel a, betaalt het college de middelen terug binnen drie maanden na de bekendmaking van het daartoe strekkende besluit van Onze Minister.

  • 3. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het tweede lid, is de gemeente zonder aanmaning of rechterlijke tussenkomst de wettelijke rente verschuldigd.

  • 4. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast.

HOOFDSTUK 8 WIJZIGING VAN ANDERE BESLUITEN

Artikel 8.1

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 3.51, vierde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Artikel 3.80a is van toepassing.

B

Na artikel 3.80 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.80a
  • 1. Een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf wordt afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, die het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:

    a. jonger dan 16 jaar of 65 jaar of ouder is;

    b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit inburgering;

    c. beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit;

    d. op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht is ontheven;

    e. verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld.

  • 3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.

  • 4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, en omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.

C

Artikel 3.81 komt te luiden:

Artikel 3.81

Onverminderd artikel 3.80a, wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.

D

Na artikel 3.96 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.96a
  • 1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:

    a. 65 jaar of ouder is;

    b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit inburgering;

    c. beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit;

    d. op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht is ontheven.

  • 3. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.

  • 4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.

E

Na artikel 3.107 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 1a. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Artikel 3.107a
  • 1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van de Wet, wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vreemdeling:

    a. 65 jaar of ouder is;

    b. ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit inburgering;

    c. beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van dat besluit;

    d. op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht is ontheven.

  • 3. Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing, voor zover de vreemdeling naar zijn oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.

  • 4. Onze Minister kan het eerste lid voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d, en derde lid.

Artikel 8.2

Het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel o komt te luiden:

o. inburgeringsdeel: het deel van de uitkering dat afkomstig is uit de middelen voor de inburgering van nieuwkomers en voor de inburgering van oudkomers, gedurende 2005 en 2006.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:

q. inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, bedoeld in de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20 van de Wet inburgering, aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van die wet is verstrekt, tenzij die lening is terugbetaald;

r. Nederlander: de Nederlander, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet inburgering;

s. inburgeraar: de Nederlander of de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft en onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, van Zwitserland of van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering kan worden opgelegd, en die

1°. ouder is dan 15 jaar;

2°. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven, en;

3°. niet beschikt over een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering;

4°. niet volledig leerplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering;

5°. geen overeenkomst heeft afgesloten op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, dan wel het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;

t. geestelijke bedienaar: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inburgering;

u. inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel j, van het Besluit inburgering;

v. gecombineerde inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit inburgering;

w. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de Wet inburgering, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 22, tweede lid, van die wet;

x. kennisgeving: de schriftelijke informatieverstrekking op grond van artikel 5.3, derde lid, van het Besluit inburgering.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «H x P» ingevoegd: + Q.

2. In het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel P door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

Q: het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering die gedurende 2007, 2008 en 2009 vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld.

3. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij of krachtens regeling van Onze Minister wordt de berekeningswijze vastgesteld volgens welke:

    a. de procentuele aandelen van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder de letters A tot en met H, worden bepaald;

    b. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder letter Q, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel zal bestaan uit:

    1°. een vast deel, en

    2°. een deel dat wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen.

C

Aan artikel 5 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders dient voor 15 april 2007 een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel Q. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

D

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt in onderdeel m «, en» en wordt, onder vervanging van de punt achter onderdeel n door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

o. inburgering van inburgeringsplichtigen en inburgeraars, te weten:

1°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;

2°. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie een handhavingsbeschikking zal worden bekendgemaakt dan wel een kennisgeving zal worden verstrekt;

3°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld;

4°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen.

2. In het tweede lid wordt «a tot en met n» vervangen door: a tot en met o.

E

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.

2. Aan het slot van het vierde lid (nieuw) wordt een zin toegevoegd, luidende:

Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot:

a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, een vast bedrag vermeld, bestaande uit:

1°. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°;

2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;

b. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, in plaats van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.

F

Artikel 18, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Binnen tien weken na de ontvangst ervan besluit Onze Minister of de wijziging van het ontwikkelingsprogramma kan worden bekrachtigd. Indien het gewijzigde ontwikkelingsprogramma wordt bekrachtigd, kan Onze Minister tevens besluiten het verleende programmadeel te verlagen.

G

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: met dien verstande dat bij het vaststellen van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningswijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°.

2. In het tweede lid komt de aanhef te luiden: Onze Minister stelt het programmadeel in afwijking van het eerste lid lager vast, indien:.

3. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven.

4. In het vijfde lid wordt «Onze Minister kan in afwijking van het vierde lid» vervangen door: Behalve ten aanzien van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan Onze Minister in afwijking van het vierde lid.

5. Onder vernummering van het zevende tot en met elfde lid tot achtste tot en met twaalfde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van het zesde lid wordt onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het programmadeel hoger vastgesteld indien de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven.

6. In het elfde lid (nieuw) wordt «Onze Minister geeft geen toepassing aan het tweede lid, onderdeel a» vervangen door: Onze Minister neemt geen beslissing als bedoeld in het derde lid, geen toepassing te geven aan het tweede lid, onderdeel a.

7. In het twaalfde lid (nieuw) wordt «tiende lid» vervangen door: elfde lid.

Artikel 8.3

Artikel 3 van het Besluit naturalisatietoets wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel f, vervalt aan het slot het woord «of».

2. In het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd:

h. hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering met daarop de vermelding dat de vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen zijn verworven, of

i. hij in het bezit is van het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit inburgering.

HOOFDSTUK 9 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 9.1

  • 1. Op een door een inburgeringsplichtige vóór 1 januari 2007 tijdig ingediende aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers of tot verlenging van de duur daarvan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van die wet, waarop vóór die datum nog niet is beslist, wordt alsnog beslist met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens die wet.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt afgewezen, blijft het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers op die inburgeringsplichtige van toepassing, onverminderd artikel 7 van de wet.

  • 3. Indien aan een inburgeringsplichtige met toepassing van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inburgering nieuwkomers een ontheffing voor bepaalde tijd is verleend, vangt de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn niet eerder aan dan nadat de duur van die ontheffing is verstreken.

  • 4. Voor de toepassing van artikel 64, eerste lid, van de wet wordt de inburgeringsplichtige die vóór 1 januari 2007 tijdig een aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inburgering nieuwkomers heeft ingediend, geacht te hebben voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van die wet bedoelde verplichting.

  • 5. Zolang het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers op de inburgeringsplichtige van toepassing is, is ten aanzien van hem § 1 van hoofdstuk 5 van de wet niet van toepassing.

  • 6. Ten aanzien van de inburgeringsplichtige op wie ingevolge artikel 64, eerste lid, van de wet dan wel het tweede of vierde lid van dit artikel het bepaalde bij en krachtens de Wet inburgering nieuwkomers van toepassing is, geldt dat in de artikelen 2.3, eerste lid, onderdeel j, subonderdeel 1°, tweede streepje, en 2.4, eerste lid, onderdeel b, in plaats van «niveau 1» wordt gelezen: niveau 2.

Artikel 9.2

  • 1. In afwijking van de artikelen 3.80a en 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 21 september 2008 en de vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een verblijfsvergunning.

  • 2. In afwijking van de artikelen 3.96a, 3.103 en 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de artikelen 20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 21 september 2008 en de vreemdeling op dat tijdstip vijf jaar houder was van een verblijfsvergunning.

Artikel 9.3

  • 1. De inburgeringsplichtige die op 1 januari 2007 deelneemt aan een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijft toegelaten tot deze opleiding.

  • 2. Het college kan de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, bekostigen uit het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage dat betrekking heeft op het jaar 2007.

  • 3. Indien het college toepassing geeft aan het tweede lid, doet het college opgave van het daarmee gemoeide bedrag, alsmede het aantal opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2007. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 9.4

  • 1. In afwijking van de artikelen 7.3 en 7.7 stelt Onze Minister de te hanteren voorschotvergoedingen en het voorschot voor een gemeente met betrekking tot het jaar 2007 ambtshalve vast.

  • 2. Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en het voorschot, bedoeld in het eerste lid, vóór 26 februari 2007 bekend.

Artikel 9.5

  • 1. In afwijking van artikel 7.5, eerste lid, wordt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage ten behoeve van het jaar 2007 berekend met de formule:

    A – U = { [ ( B x C ) + ( D x E ) + ( F x G ) + ( H x I ) + ( J x K ) + ( L x M ) + ( N x O ) + ( P x Q ) + ( R x S ) ] x T }.

  • 2. In de formule, genoemd in het eerste lid, wordt voorgesteld:

    – met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;

    – met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    – met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, tenzij die lening in zijn geheel is terugbetaald;

    – met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

    – met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L;

    – met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter N;

    – met de letter P: het aantal in de letter F bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter Q: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter P;

    – met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen;

    – met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter R;

    – met de letter T: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor;

    – met de letter U: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3, derde lid.

Artikel 9.6

  • 1. Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast, welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

  • 2. De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] – [ ( H x { I x J } ) + ( K x { L x M } ) ].

  • 3. In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld:

    – met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage;

    – met de letter B: het aantal door het college in 2006 ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    – met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in de letter B bedoelde verklaring;

    – met de letter D: het aantal door het college in 2006 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;

    – met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot het in de letter D bedoelde inburgeringsprogramma;

    – met de letter F: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    – met de letter G: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in de letter F bedoelde verklaring;

    – met de letter H: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor;

    – met de letter I: het aantal door het college in 2006 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    – met de letter J: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in letter I bedoelde verklaring;

    – met de letter K: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor;

    – met de letter L: het aantal door het college in 2005 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    – met de letter M: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot de in letter L bedoelde verklaring.

  • 4. Het college dient voor 1 april 2009 een schriftelijk verslag in over de activiteiten welke met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in 2007 en 2008 zijn verricht.

  • 5. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid, letters B, D, F, I en L, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet.

  • 6. Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september 2009 heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, F, I en L in de formule, genoemd in het derde lid, vast op nul.

  • 7. Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde eenmalige rijksbijdrage vast voor 1 oktober 2009.

  • 8. De eenmalige rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin de eenmalige rijksbijdrage wordt vastgesteld.

  • 9. Het bedrag van de vastgestelde eenmalige rijksbijdrage wordt binnen zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening met het voorschot dat ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers is verleend ten behoeve van het jaar 2006. Indien de vaststelling van de eenmalige rijksbijdrage of de verrekening met het voorschot leidt tot een negatief bedrag, is Onze Minister bevoegd dat bedrag terug te vorderen.

  • 10. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting van het in het vierde lid bedoelde verslag.

Artikel 9.7

Indien het bij koninklijke boodschap van 22 september 2005 ingediende voorstel van wet, houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Kamerstukken I 2005/06, 30 312, A) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt in de artikelen 4.3, eerste lid, 6.3, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, en 6.4, eerste lid, onderdeel a, alsmede in de bijlage «sociaal-fiscaalnummer» telkens vervangen door: burgerservicenummer.

AFDELING 2. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.8

  • 1. De wet en dit besluit treden in werking op 1 januari 2007.

  • 2. Artikel 65 van de wet werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 9.9

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inburgering.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 5 december 2006

Beatrix

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Uitgegeven de veertiende december 2006

De Minister voor Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

BIJLAGE BIJ ARTIKEL 6.1, TWEEDE LID

Onderdelen a en h (inburgeringsplichtigen, gewezen inburgeringsplichtigen en personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdelen a en h, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

Persoonsgegevens

– sociaal-fiscaalnummer;

– A-nummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– woonplaats;

– geboortedatum;

– geboorteplaats;

– datum overlijden;

– geslacht;

– nationaliteit;

– geboorteland / land van herkomst;

Voorts worden de volgende gegevens opgenomen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister:

– gegevens inzake de aard van het verblijfdoel;

– gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op de administratieve verwerking door het college van:

– de vaststelling dat de betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is;

– de vaststelling dat de betrokkene geestelijke bedienaar is;

– de vaststelling dat de betrokkene oudkomer of nieuwe inburgeringsplichtige is;

– de aanwezigheid van een vrijstelling van de inburgeringsplicht;

– de aanwezigheid van een ontheffing van de inburgeringsplicht;

– de aard van een ten aanzien van de betrokkene vastgestelde inburgeringsvoorziening;

– een handhavingsbeschikking;

– een verlenging van de inburgeringstermijn krachtens artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

– een krachtens hoofdstuk 6, paragraaf 2, van de wet opgelegde bestuurlijke boete;

– overige contactgegevens, waaronder in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op de administratieve verwerking door de IB-Groep van:

– een vrijstelling op grond van bij de IB-Groep bekende diploma’s, certificaten of andere documenten;

– een lening;

– het rekeningnummer voor automatische incasso in geval van lening;

– financiële vertegenwoordiging;

– wettelijke vertegenwoordiging;

– de vergoeding, bedoeld in artikel 18 van de wet;

– het inburgeringsexamen.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op:

– de gemeente;

– de exameninstelling;

– de cursusinstelling.

Onderdeel b (andere dan de in onderdeel a bedoelde personen die deelnemen aan het inburgeringsexamen)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– sociaal-fiscaalnummer;

– A-nummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– woonplaats;

– geboortedatum.

Verder worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op de administratieve verwerking door de IB-Groep van:

– het inburgeringsexamen;

– overige contactgegevens, waaronder in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.

Onderdeel c (andere dan de in onderdeel a of b bedoelde personen, ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld die toeleidt naar het inburgeringsexamen op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal, de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid of de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel c, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– sociaal-fiscaalnummer;

– A-nummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– woonplaats;

– geboortedatum;

– geboorteplaats;

– datum overlijden;

– geslacht;

– nationaliteit;

– geboorteland/land van herkomst;

– gegevens inzake vestiging in en vertrek uit Nederland;

Voorts worden opgenomen gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op de administratieve verwerking door het college van:

– de aanwezigheid van een gedeeltelijke vrijstelling

– de vaststelling dat de betrokkene geestelijke bedienaar is;

– de aard van een ten aanzien van de betrokkene vastgestelde inburgeringsvoorziening;

– overige contactgegevens, waaronder in ieder geval emailadressen en telefoonnummers.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op:

– de gemeente;

– de exameninstelling;

– de cursusinstelling.

Voorts kunnen de volgende gegevens opgenomen:

– de vaststelling dat een persoon aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet en dientengevolge niet inburgeringsplichtig is;

– de vaststelling dat een persoon reeds in het bezit is van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering.

Onderdeel d (partners van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10 indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel d, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– inkomensgegevens peiljaar;

– draagkrachtgegevens;

– sociaal-fiscaalnummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– woonplaats;

– geboortedatum.

Onderdeel e (kinderen van debiteuren als bedoeld in artikel 4.10, indien overeenkomstig dat artikel de draagkracht van de debiteur wordt bepaald en van deze debiteur geen inkomensgegevens bij de rijksbelastingdienst bekend zijn)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel e, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– sociaal-fiscaal nummer;

– A-nummer;

– geboortedatum.

Onderdeel f (personen ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel f, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– sociaal-fiscaalnummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– overige contactgegevens, waaronder in ieder geval emailadressen en telefoonnummers;

– woonplaats;

– geboortedatum;

– geboorteplaats;

– geslacht;

– nationaliteit.

Voorts worden de volgende gegevens opgenomen, zoals deze bekend zijn bij Onze Minister:

– gegevens inzake de aard van het verblijfsdoel;

– gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland.

Voorts worden gegevens opgenomen die betrekking hebben op de reden voor het ontbreken van de inburgeringsplicht.

Onderdeel g (personen waarvan is gebleken dat zij aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet)

Ten aanzien van de in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel g, bedoelde personen worden de volgende gegevens opgenomen:

– de vaststelling dat een persoon aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet en dientengevolge niet inburgeringsplichtig is;

– sociaal-fiscaalnummer;

– naamgegevens;

– adresgegevens;

– woonplaats;

– geboortedatum;

– geboorteplaats;

– gegevens inzake de aard van het verblijfsdoel;

– gegevens inzake het al dan niet rechtmatig verblijf in Nederland.

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Deze algemene maatregel van bestuur strekt tot uitvoering van de Wet inburgering (hierna ook aangeduid als: de wet), waarin met ingang van 1 januari 2007 een algemene plicht tot inburgering voor vreemdelingen wordt geïntroduceerd.

Het invoeren van deze inburgeringsplicht, af te sluiten met het behalen van een verplicht inburgeringsexamen, is de kern van het beleid van de regering om een meer verplichtend en resultaatgericht inburgeringsstelsel vorm te geven en in te voeren. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Balkenende II (zie Kamerstukken II 2002/03, 28 637, nr. 19, blz. 14). De voornemens uit het Hoofdlijnenakkoord met betrekking tot een nieuw inburgeringsstelsel zijn enerzijds uitgewerkt in de Wet inburgering in het buitenland en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waarin de voorwaarden voor bepaalde categorieën vreemdelingen om tot Nederland te worden toegelaten, zijn uitgebreid met een verplicht inburgeringsexamen in het land van herkomst, en anderzijds in de Wet inburgering, die bepalingen bevat voor de inburgering in Nederland en waarop dit besluit berust.

De wet legt een inburgeringsplicht op aan in beginsel alle vreemdelingen van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven, voorzover deze personen niet gedurende minstens acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland hebben verbleven en niet over bepaalde diploma’s, certificaten of andere (soortgelijke) bewijsstukken beschikken. Deze inburgeringsplicht geldt zowel voor nieuwkomers als voor oudkomers die tot deze doelgroep behoren.

Aan deze plicht is voldaan indien het inburgeringsexamen met goed gevolg is afgelegd. Het behalen van het inburgeringsexamen is niet zonder gevolgen: pas nadat het examen is behaald, kan de inburgeringsplichtige aanspraak maken op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en – in vele gevallen – op een tegemoetkoming in de kosten die voor het behalen van het examen moeten worden gemaakt. Bij het inburgeringsexamen worden de taalvaardigheid in het Nederlands en de kennis van de Nederlandse samenleving getest. Het inburgeringsexamen wordt hierna in paragraaf 8 nader toegelicht.

Voor een verdere toelichting op de inhoud en achtergronden van het nieuwe inburgeringsstelsel wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3), de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer(Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 7), de nota naar aanleiding van het nader verslag aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 16), de toelichtingen bij de nota’s van wijziging (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nrs. 8, 17, 64, 71 en 83), de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2006/07, 30 308, F) en de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2006/07, 30 308, H).

Naar aanleiding van de vierde nota van wijziging zij opgemerkt dat het onderhavige besluit geen uitvoering geeft aan de mogelijkheid die artikel 4 van de wet biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën Nederlanders aan te wijzen die eveneens inburgeringsplichtig zijn. Voor de redenen wordt kortheidshalve verwezen naar de brieven van ondergetekende aan de Tweede en Eerste Kamer van 25 augustus 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 105 en Kamerstukken I 2005/06, 30 308, C). Artikel 4 en daarmee samenhangende bepalingen worden geschrapt via het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Wet inburgering en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met het vervallen van de mogelijkheid om Nederlandse onderdanen tot inburgering te verplichten.

Het onderhavige besluit bevat regels over de volgende onderwerpen.

– Inburgeringsplicht van vreemdelingen (hoofdstuk 2, afdeling 1, van dit besluit; zie de artikelen 2.1 en 2.2). Dit betreft de aanwijzing van tijdelijke verblijfsdoelen van vreemdelingen, op grond waarvan geen inburgeringsplicht bestaat, behalve voorzover het geestelijke bedienaren betreft. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 3, derde lid, van de wet. Voorts gaat het om gevallen waarin de inburgeringsplicht, ondanks het feit dat gedurende enige tijd niet geheel wordt voldaan aan de criteria van artikel 3, eerste lid, van de wet (die de inburgeringsplicht vestigen), niet eindigt of geacht wordt te zijn geëindigd. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 3, tweede lid, van de wet.

– Vrijstellingen (hoofdstuk 2, afdeling 2, van dit besluit; zie de artikelen 2.3 tot en met 2.5). Dit betreft de aanwijzing van diploma’s, certificaten en andere documenten waarvan het bezit betekent dat geen inburgeringsplicht bestaat of sprake is van gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht en voorts verdere gehele of gedeeltelijke vrijstellingen van de inburgeringsplicht. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 5, eerste lid, onderdeel c, derde lid, en vierde lid, onderdeel a, van de wet.

– Verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd (hoofdstuk 2, afdeling 3, van dit besluit; zie artikel 2.6). Dit betreft regels over het in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet neergelegde criterium dat men ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven om niet onder de inburgeringsplicht te vallen. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 5, vierde lid, onderdeel b, van de wet.

– Korte vrijstellingstoets (hoofdstuk 2, afdeling 4, van dit besluit; zie artikel 2.7). Dit betreft regels over de toepassing van de in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, opgenomen vrijstelling van de inburgeringsplicht voor degene die heeft aangetoond te beschikken over voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en evidente kennis van de Nederlandse samenleving. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 5, vierde lid, onderdeel c, van de wet.

– Ontheffing van de inburgeringsplicht (hoofdstuk 2, afdeling 5, van dit besluit; zie artikel 2.8). Dit betreft regels over de toepassing van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om de inburgeringsplichtige te ontheffen van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

– Het niveau van de vereiste vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving (hoofdstuk 2, afdeling 6, van dit besluit; zie de artikelen 2.9 en 2.10). Daarbij wordt beperkt onderscheid gemaakt tussen oudkomers en andere inburgeringsplichtigen en tussen geestelijke bedienaren en andere inburgeringsplichtigen. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

– De verlenging van de termijnen waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald (hoofdstuk 2, afdeling 7, van dit besluit; zie artikel 2.11). Deze regeling is gebaseerd op artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

– Het inburgeringsexamen (hoofdstuk 3, afdeling 1, van dit besluit; zie de artikelen 3.1 tot en met 3.13. Dit betreft regels omtrent het inburgeringsexamen (o.a. over de aanmelding, de verschuldigde kosten, de identificatie van examinandi, de inhoud van het inburgeringsexamen, het inburgeringsdiploma, de examencommissies, de behandeling en beslechting van geschillen met betrekking tot het praktijkdeel en de kwaliteit van de examinering in het algemeen). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 13, vierde lid, van de wet. Daarnaast is in deze afdeling ondergebracht de delegatie aan de minister tot aanwijzing van de exameninstelling die de door geestelijke bedienaren af te leggen examens van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen afneemt. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15, vijfde lid, van de wet.

– De aanwijzing van exameninstellingen (hoofdstuk 3, afdeling 2, van dit besluit; zie artikelen 3.14 tot en met 3.16). Dit betreft regels over de aanwijzing van instellingen die het inburgeringsexamen afnemen (o.a. de eisen waaraan de exameninstelling moet voldoen, de aanvraag om als exameninstelling te worden aangewezen en de daarbij te verstrekken gegevens, de gronden voor weigering, schorsing of intrekking van een aanwijzing, de terzake van de aanwijzing verschuldigde kosten en de betaling daarvan en de door de exameninstelling aan bij de uitvoering van de wet betrokken instanties te verstrekken gegevens). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 15, vierde lid, van de wet.

– Het toezicht op exameninstellingen (hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit besluit; zie artikelen 3.17 tot en met 3.26). Dit betreft de aanwijzing van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering als rechtspersoon, belast met het toezicht op de exameninstellingen alsmede verdere regels omtrent dat toezicht. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 15, zesde lid, van de wet.

– Verstrekking van een lening aan inburgeringsplichtigen (hoofdstuk 4, afdeling 1, van dit besluit; zie de artikelen 4.1 tot en met 4.16). Dit betreft regels over de lening (o.a. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt, de renteberekening voor terugbetaling van de lening, de hoogte van de lening, de betaling en de terugbetaling van de lening en kwijtschelding). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 16, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van de wet.

– Verstrekking van een vergoeding aan de gewezen inburgeringsplichtige die binnen drie jaar het inburgeringsexamen heeft behaald (hoofdstuk 4, afdeling 2, van dit besluit; zie de artikelen 4.17 tot en met 4.22). Dit betreft regels over de vergoeding (o.a. de criteria voor het verstrekken van de vergoeding, de aanvraag van de vergoeding, de wijze waarop het bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de vergoeding, de betaling en de verrekening met de lening). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 18, eerste, derde en vierde lid, van de wet.

– Gemeentelijk aanbod aan bijstands- en uitkeringsgerechtigden (hoofdstuk 4, afdeling 3, van dit besluit; zie artikel 4.23). Dit betreft de aanwijzing van socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen die voorzien in een uitkering waarmee de ontvanger die inburgeringsplichtig is in aanmerking komt voor een inburgeringsvoorziening. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

– De inburgeringsvoorziening die van gemeentewege wordt aangeboden aan inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn (hoofdstuk 4, afdeling 4, van dit besluit; zie artikel 4.24). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 19, tweede lid, van de wet.

– Aanbieding van een inburgeringsalternatief indien na verhuizing de inburgeringsvoorziening vervalt (hoofdstuk 4, afdeling 5, van dit besluit; zie artikel 4.25). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 23, vijfde lid, van de wet.

– Oproepen door het college van burgemeester en wethouders van personen voor de intake (hoofdstuk 5, afdeling 1, van dit besluit; zie de artikelen 5.1 tot en met 5.3). Dit betreft regels die betrekking hebben op het oproepen van personen door het college van burgemeester en wethouders (zgn. intake). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 28 van de wet.

– Verlenging van de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet worden behaald en verlening van ontheffing van de inburgeringsplicht (hoofdstuk 5, afdeling 2, van dit besluit; zie de artikelen 5.4 en 5.5 ). Dit betreft regels over het door het college van burgemeester en wethouders verlengen van de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet worden behaald als de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet behalen van het inburgeringsexamen en voorts regels over het door het college verlenen van ontheffing als het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor de inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 31, derde lid, van de wet.

– Het Informatiesysteem Inburgering (hoofdstuk 6, afdelingen 1 en 3, van dit besluit; zie de artikelen 6.1 tot en met 6.3, 6.8 en 6.9 alsmede de bijlage bij het besluit). Dit betreft regels over dit in artikel 47 van de wet genoemde informatiesysteem, dat een systematische geordende verzameling van gegevens bevat die van belang zijn met betrekking tot de inburgering. Er worden onder andere regels gesteld met betrekking tot de in het Informatiesysteem op te nemen gegevens en de verwerking van die gegevens. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 47, derde lid, van de wet. Ook zijn in dit verband in de aanhef van dit besluit enkele voor de informatieverstrekking relevante delegatiebepalingen uit de Wet werk en bijstand als wettelijke grondslag genoemd.

– Het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen (hoofdstuk 6, afdelingen 2 en 3, van dit besluit; zie de artikelen 6.4 tot en met 6.9). Dit betreft regels over dit in artikel 48 van de wet genoemde bestand, dat persoonsgegevens bevat van personen van wie op basis van bepaalde gegevens niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn. Er worden onder andere regels gesteld met betrekking tot de in het Bestand op te nemen gegevens en de verwerking van die gegevens. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 48, derde lid, van de wet.

– De bekostiging van de gemeenten voor de uitvoering van de Wet inburgering (hoofdstuk 7 van dit besluit; zie de artikelen 7.1 tot en met 7.10). Deze regels zijn gebaseerd op artikel 52, derde lid, van de wet. In dit verband wordt tevens het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid gewijzigd (zie artikel 8.2). Deze wijzigingsbepalingen zijn gebaseerd op artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet.

– Het behalen van het inburgeringsexamen als voorwaarde om voor een zelfstandige verblijfsvergunning of verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen (hoofdstuk 8; zie artikel 8.1). Dit betreft wijzigingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de in de Vreemdelingenwet 2000 opgenomen voorwaarde van het behalen van het inburgeringsexamen om in aanmerking te komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, respectievelijk een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd. Deze regels zijn gebaseerd op de artikelen 16a, tweede lid, (nieuw), 21, zesde lid, en 34, tweede lid, (nieuw), van de Vreemdelingenwet 2000.

– Overgangsbepalingen (hoofdstuk 9, afdeling 1, van dit besluit; zie de artikelen 9.1 tot en met 9.7). Dit betreft onder andere een overgangsregeling voor ten tijde van inwerkingtreding van de wet lopende ontheffingsprocedures terzake van de Wet inburgering nieuwkomers. Deze regels zijn gebaseerd op artikel 64, vierde lid, van de wet.

– Slotbepalingen (hoofdstuk 9, afdeling 2, van dit besluit; zie de artikelen 9.8 en 9.9). Dit betreft onder andere het tijdstip van inwerkingtreding van de wet en dit besluit, dat is bepaald op 1 januari 2007.

Een algemene toelichting op bovengenoemde onderwerpen is te vinden in de paragrafen 3 tot en met 17 van dit algemeen deel. In de slotparagraaf (§ 18) van dit algemeen deel wordt ingegaan op de financiële aspecten en administratieve lasten voor burgers en bedrijven.

Zoals is aangekondigd in paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 32–33), is bij de noodzakelijke precisering in deze algemene maatregel van bestuur de nodige terughoudendheid en soberheid betracht en is waar mogelijk de nodige ruimte aan de gemeenten gelaten voor de invulling van hun uitvoeringstaken.

Overeenkomstig het gestelde in paragraaf 1.1 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer bij genoemd wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 7) geeft het onderhavige besluit uitvoering aan alle delegatiebepalingen van de wet op grond waarvan regels moeten worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Voor diverse onderwerpen is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt om in het besluit te voorzien in een opdracht of bevoegdheid om nadere regels te stellen bij ministeriële regeling (subdelegatie van regelgevende bevoegdheid). Daarbij is vanzelfsprekend acht geslagen op aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, op grond waarvan nadere regels op het niveau van ministeriële regeling moeten worden beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details en voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. Bij een geheel nieuw onderwerp als de invoering van een verplichtend inburgeringsstelsel is het onontkoombaar dat in dit opzicht niet alle regels op het niveau van wet en algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld. Met name voor gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften is uit het oogpunt van de noodzakelijke flexibiliteit regelgeving op het niveau van ministeriële regeling aangewezen. Uit het oogpunt van toegankelijkheid zijn al deze regels opgenomen in één regeling, de Regeling inburgering, die eveneens op 1 januari 2007 in werking treedt.

Wat betreft de opzet en indeling van dit besluit is, mede gelet op aanwijzing 104 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, nauw aangesloten bij de opzet en indeling van de wet. Dit betekent dat de hoofdstukindeling van de wet is gevolgd en dat in beginsel per delegatieartikel een afzonderlijke eenheid van artikelen (in de vorm van een afdeling of paragraaf) die daaraan uitvoering geven, in het besluit is opgenomen.

2. Voorbereiding van dit besluit

Over een op 14 oktober 2005 uitgebracht ontwerp van dit besluit zijn, naast de gebruikelijke interdepartementale consultaties, adviezen en reacties ontvangen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ), de Raad voor de rechtspraak, het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal), het College bescherming persoonsgegevens, de samenwerkingsverbanden die deel uitmaken van het Landelijk Overleg Minderheden (gezamenlijk commentaar), het Overlegorgaan Caribische Nederlanders, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Bve Raad, Paepon/Fotin (de brancheorganisatie van particuliere opleidingsinstituten), de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) alsmede het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Divosa (de landelijke vereniging van leidinggevenden bij Nederlandse overheidsorganisaties op het terrein van werk, inkomen en zorg), Borea (de brancheorganisatie voor private reïntegratiebedrijven en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVB). Daarnaast heeft Actal op 27 april 2006 nader advies uitgebracht. De uitgebrachte adviezen hebben tot diverse aanvullingen en verbeteringen geleid.

Diverse instanties hebben er terecht op gewezen dat het onderhavige besluit niet alle uitvoeringsregels bevat, omdat er diverse onderwerpen nader worden uitgewerkt bij ministeriële regeling (de Regeling inburgering). Zoals aan het slot van paragraaf 1 reeds is toegelicht, is het bij een omvangrijke wetgevingsoperatie als het creëren van een geheel nieuw inburgeringsstelsel vanzelfsprekend dat niet alle regels op het niveau wet of algemene maatregel van bestuur kunnen worden vastgesteld. Waar nodig, is over de in de Regeling inburgering opgenomen regels overleg gevoerd met de meest betrokken instanties. Aan de VNG, de IB-Groep, het UWV en de IND is uitdrukkelijk gevraagd om een uitvoeringstoets. Uit de commentaren bleek dat, onder het voorbehoud van de uitwerking op het niveau van de Regeling inburgering, de in de wet en het besluit gestelde regels uitvoerbaar werden geacht.

Overigens zij nog opgemerkt dat een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen is ingesteld ten behoeve van de vast te stellen inburgeringseisen (Regeling instelling adviescommissie normering inburgeringseisen; Stcrt. 2004, 14). Deze adviescommissie – naar haar voorzitter de Commissie Franssen genoemd – heeft in juni 2004 haar tweede deeladvies uitgebracht over het niveau van het nieuwe inburgeringsexamen in Nederland («Normering Inburgeringsexamen; Advies over het niveau van het nieuwe inburgeringsexamen in Nederland», Den Haag, juni 2004). In de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 7 december 2004 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2004/05, 29 543, nr. 4) is aangekondigd dat dit advies in hoofdlijnen wordt overgenomen. Over de wijze waarop dit is gebeurd, wordt hierna in paragraaf 7 ingegaan.

Voorafgaand aan de voordracht voor dit besluit ter fine van advisering door de Raad van State, werden aan de Tweede Kamer twee eerdere ontwerpen van het onderhavige besluit toegezonden. In het eerste ontwerp, gelijktijdig met de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet inburgering toegezonden bij brief van 23 december 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 8), was zoveel mogelijk rekening gehouden met de tot dan toe uitgebrachte adviezen. Het tweede ontwerp, toegezonden bij brief van 6 juni 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 26) met het oog op het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel Wet inburgering op 12 juni 2006, bevatte diverse wijzigingen ten opzichte van het eerste ontwerp, met name voortvloeiend uit de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel en de nota naar aanleiding van het nader verslag bij genoemd wetsvoorstel alsmede de op verzoek van de Tweede Kamer door het bureau BMC uitgevoerde uitvoeringstoets en de daarop gegeven reactie door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nrs. 16–18). Bij die gelegenheid werd ook, zoals reeds was aangekondigd, het ontwerp-Bekostigingsbesluit inburgering geïncorporeerd in het ontwerp-Besluit inburgering (nieuw hoofdstuk 7). Bij brief van 24 januari 2006 was een eerder ontwerp van het Bekostigingsbesluit inburgering reeds separaat aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 10).

Ten opzichte van het bij voornoemde brief van 6 juni 2006 aan de Tweede Kamer toegezonden ontwerp werden in het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp vervolgens wijzigingen aangebracht die voortvloeiden uit de derde, vierde en vijfde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nrs. 64, 71 en 83) en enkele door de Tweede Kamer aanvaarde amendementen op genoemd wetsvoorstel.

3. Inburgeringsplicht

3.1. Tijdelijke verblijfsdoelen

Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn vreemdelingen die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven, uitgezonderd van de inburgeringsplicht. De inburgeringsplicht geldt ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet wel voor de geestelijke bedienaar die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft. In dit verband wordt overigens gewezen op het voornemen om het tijdelijke karakter van het verblijf van geestelijke bedienaren die speciaal voor dat doel tot Nederland zijn toegelaten, te verlaten (zie de kabinetsreactie op het advies van de ACVZ «Toelating en verblijf voor religieuze doeleinden» (Kamerstukken II 2005/06, 19 637, nr. 1051). Op grond van het tweede lid van dat artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent het tijdelijke doel, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het verblijfsrecht van tijdelijke aard, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.

In artikel 2.1 van dit besluit wordt daaraan invulling gegeven. Op hoofdlijnen betreft het hier de voortzetting van het bestaande onderscheid tussen tijdelijke en niet tijdelijke verblijfsdoelen zoals dat sinds 1998 wordt gemaakt. Verwezen zij naar de op grond van de artikelen 1, tweede lid, onderdeel c en 3, zesde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers gebaseerde Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2001, 64). De tijdelijke verblijfsdoelen zoals die op grond van de Vreemdelingenwet 2000 in artikel 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn opgenomen, komen grotendeels overeen met die welke op grond van de Wet inburgering in deze afdeling zijn opgenomen. Er zijn ook enkele verschillen, met name ten aanzien van arbeids-, kennis- en asielmigranten, die verband houden met de verschillende doeleinden die met de twee regelingen worden beoogd. Voor de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 is het onderscheid tussen tijdelijke en niet-tijdelijke doelen relevant voor onder meer de vraag of een zelfstandige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden verleend; voor de toepassing van de Wet inburgering is dat onderscheid relevant voor de vraag of de betrokken persoon inburgeringsplichtig is.

Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat de zogeheten geprivilegieerde vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan bijvoorbeeld de Weense verdragen inzake het diplomatieke en consulaire verkeer, hoewel zij voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven, niet in deze afdeling zijn opgenomen, aangezien zij op grond van internationale verplichtingen reeds niet tot inburgering kunnen worden verplicht. Onder omstandigheden kunnen dergelijke vreemdelingen na een verblijf van tien jaar wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, in welk geval zij wel het inburgeringsexamen moeten hebben behaald. Kortheidshalve zij verwezen artikel 8.1 van dit besluit.

3.2. Tijdelijke onderbreking van de inburgeringsplicht

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de (in het eerste lid van dat artikel opgenomen) omstandigheden die voor vreemdelingen een inburgeringsplicht vestigen. Daarmee wordt de onwenselijke en onpraktische situatie voorkomen waarin de inburgeringsplicht tijdelijk eindigt, omdat tijdelijk geen meer sprake is van de in artikelen 3, eerste lid, van de wet genoemde omstandigheden die eerder een inburgeringsplicht vestigden, terwijl de voor de betrokken vreemdeling korte tijd later weer opnieuw een inburgeringsplicht ontstaat. Daardoor zou de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald, onbedoeld worden opgerekt en zou in de tussenliggende periode onzekerheid ontstaan over de vraag of de betrokken persoon in aanmerking kan worden gebracht voor bijvoorbeeld een lening of een inburgeringsvoorziening. Het gaat hier om gevallen waarin de inburgeringsplichtige tijdelijk ophoudt te voldoen aan de criteria die hem inburgeringsplichtig maakten en daarna weer aan die criteria gaat voldoen.

In artikel 2.2 van dit besluit wordt ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de wet voorzien in het «doorlopen» van de reeds gevestigde inburgeringsplicht van vreemdelingen die in afwachting van de beslissing op hun aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning (tijdelijk) geen rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning hebben, maar wel in Nederland (mogen) verblijven en in die periode hun reeds gestarte inburgeringsactiviteiten kunnen voorzetten. Zij blijven hangende de beslissing op hun aanvraag inburgeringsplichtig en kunnen als zodanig gebruik blijven maken van de lening- en vergoedingsfaciliteiten.

Vreemdelingen die tijdelijk in het buitenland hebben verbleven en na korte tijd (maximaal een jaar) weer naar Nederland zijn teruggekeerd, worden na terugkeer geacht inburgeringsplichtig te zijn gebleven. De termijn waarbinnen het inburgeringsexamen (na terugkeer naar Nederland) alsnog moet zijn behaald, de termijn waarbinnen de betrokkene gebruik kan maken van de leningfaciliteit van artikel 16 van de wet en de termijn waarbinnen de betrokkene in aanmerking kan komen voor een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de wet, worden in deze gevallen verlengd met de periode waarin de betrokkene geen ingezetene was.

4. Vrijstellingen

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de wet is degene die beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document, niet inburgeringsplichtig. Daarnaast bepaalt artikel 5, derde lid, van de wet dat de inburgeringsplichtige die beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diploma, certificaat of ander document, is vrijgesteld van een deel van het inburgeringsexamen. Tenslotte biedt artikel 5, vierde lid, onderdeel a, de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent verdere gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht.

Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het onderhavige besluit geeft aan het voorgaande uitvoering. Voornoemde vrijstellingen geven een verdere uitwerking aan het uitgangspunt dat in het nieuwe inburgeringsstelsel moet worden voorkomen dat personen die niet inburgeringsbehoeftig zijn toch tot inburgering zouden worden verplicht.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering is reeds vermeld dat de in dit besluit geregelde vrijstelling van de inburgeringsplicht met name bedoeld is voor bezitters van bepaalde Nederlandse diploma’s, waaronder diploma’s uit Suriname van voor 1975, bepaalde Antilliaanse of Arubaanse diploma’s en bepaalde Belgische diploma’s. Ook is vermeld dat wordt uitgegaan van documenten die aantonen dat de betrokkene een opleiding heeft afgerond van een niveau dat hoger is dan het basisonderwijs. Als uitgangspunt voor een volledige vrijstelling van de inburgeringsplicht is aangegeven dat in ieder geval zal moeten vaststaan dat de betrokkene reeds beschikt over voldoende taalvaardigheden in het Nederlands alsook over voldoende kennis van de Nederlandse samenleving. De gedeeltelijke vrijstelling is bedoeld voor gevallen waarbij uitsluitend sprake is van toereikende taalvaardigheden (maar niet van voldoende kennis van de Nederlandse samenleving) of uitsluitend sprake is van kennis van de Nederlandse samenleving (maar niet van de nodige taalvaardigheden), aldus de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 74–75).

Slechts diploma’s, certificaten en andere soortgelijke documenten die ten minste aan de in of krachtens afdeling 6 van hoofdstuk 2 van dit besluit (artikelen 2.9 en 2.10) vastgestelde niveaus van kennis van de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving voldoen, komen in aanmerking om bij of krachtens dit besluit te worden aangewezen als uitzonderingsgrond voor de inburgeringsplicht of vrijstellingsgrond voor een onderdeel van het inburgeringsexamen.

Het uitgangspunt dat moet worden voorkomen dat personen die niet inburgeringsbehoeftig zijn toch tot inburgering zouden worden verplicht, mag niet ten koste gaan van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wet- en regelgeving en mag geen fraude in de hand werken. Dit besluit bevat dan ook een in beginsel limitatieve opsomming van diploma’s, certificaten en andere documenten waarvan het bezit tot een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht kan leiden. Ten behoeve van de uitvoering van dit besluit is door de IB-Groep te Groningen een «modellenboek» ontwikkeld, waarin zoveel mogelijk Nederlandse diploma’s en getuigschriften staan vermeld die onder de in dit besluit genoemde vrijstellingen vallen. Dit modellenboek wordt ook op internet gepubliceerd (www.ib-groep.nl). Op grond hiervan kunnen betrokkenen in beginsel zelf vaststellen of men in het bezit is van een Nederlands diploma of getuigschrift waarvoor een vrijstelling geldt. Het enkele feit dat het document niet in het modellenboek voorkomt, betekent nog niet dat het document niet tot vrijstelling leidt. Wanneer het diploma niet in het modellenboek voorkomt, kan dit diploma aan de gemeente worden overgelegd en deze kan dan, zo nodig na raadpleging van de IB-Groep, antwoorden op de vraag of het diploma tot een vrijstelling leidt. Voor een beoordeling of het bezit van een niet-Nederlands diploma, certificaat of ander soortgelijk document onder een van de in deze afdeling geregelde vrijstellingen valt, zal de bezitter zo nodig een vergelijking kunnen laten uitvoeren door de IB-Groep. Voordat een vergelijking kan worden uitgevoerd, moet het desbetreffende document zijn gelegaliseerd. Na de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel zal een lijst ontstaan met daarop de niet-Nederlandse diploma’s, certificaten en andere documenten die in ieder geval onder de vrijstelling vallen. Ook deze lijst zal via de website van de IB-Groep raadpleegbaar kunnen zijn.

Op deze plek zij nog eens benadrukt dat de beoordeling of het bezit van een bepaald document al dan niet leidt tot een uitzondering op of vrijstelling van de inburgeringsplicht, niet uitmondt in een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Zoals is aangegeven in paragraaf 2.1.5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken I 2005/06, 30308, nr. 3, blz. 17) volgt de inburgeringsplicht rechtstreeks uit de wet en kan pas wanneer de overheid consequenties verbindt aan de inburgeringsplicht tegen de beschikking waarin die consequenties zijn neergelegd in rechte worden opgekomen, waarbij ook het achterliggende oordeel over de inburgeringsplicht aan de orde kan komen. Bij de keuze voor de in dit besluit opgenomen vrijstellingen is uitgegaan van de voorheen geldende vrijstellingen van de verplichting om zich aan te melden voor een inburgeringsonderzoek ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers (neergelegd in het Besluit opleidingseisen Nederlandse nieuwkomers) en de voorheen en thans geldende vrijstellingen van de naturalisatietoets (neergelegd in het Besluit naturalisatietoets). Wat het Besluit naturalisatietoets betreft, zij opgemerkt dat dat besluit in artikel 8.3 in overeenstemming is gebracht met de nieuwe inburgeringswetgeving. Voorts ligt het in het voornemen om per 1 april 2007 te voorzien in aanwijzing van het inburgeringsexamen als naturalisatietoets in Nederland via een daartoe strekkende wijziging van het Besluit naturalisatietoets.

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de wet geldt een vrijstelling van de inburgeringsplicht voor diegenen die hebben aangetoond te beschikken over voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en evidente kennis van de Nederlandse samenleving. Op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, van de wet is hieraan nadere uitwerking gegeven in artikel 2.7 van dit besluit.

5. Verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet is degene die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven, niet inburgeringsplichtig. Op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b, van de wet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent dit verblijf.

Ter uitvoering daarvan is in dit besluit als hoofdregel opgenomen dat dit verblijf moet blijken uit een inschrijving van ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding, zoals reeds was aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 76). Bij een aan de GBA voorafgaande bevolkingsboekhouding moet met name worden gedacht aan een persoonsregister als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442) of in voorkomend geval zelfs het daaraan voorafgaande besluit (Stb. 1936, 342).

6. Ontheffing wegens psychische of lichamelijke belemmeringen dan wel een verstandelijke handicap

Op grond van artikel 2.8 kan een inburgeringsplichtige door het college van burgemeester en wethouders worden ontheven van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap die zodanig is dat de inburgeringsplichtige het examen blijvend niet zal kunnen afleggen. De inburgeringsplichtige dient bij zijn aanvraag een advies van een door het college aangewezen onafhankelijke arts (medisch adviseur) voor te leggen aan het college van burgemeester en wethouders. Indien het college van oordeel is dat de inburgeringsplichtige het (gehele) inburgeringsexamen wel kan afleggen, maar slechts onder bijzondere examenomstandigheden – waarbij kan worden gedacht aan een aangepast toetsenbord, een groter lettertype of verlengde examentijd – wordt in de beschikking vermeld welke bijzondere examenomstandigheden nodig zijn om de betrokkene in staat te stellen het inburgeringsexamen af te leggen. Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking. Op grond van het vijfde lid kunnen nadere regels worden opgesteld omtrent de verlening van ontheffing en het medische advies dat moet worden overgelegd.

7. Het niveau van de vereiste vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving

De in dit besluit vastgelegde niveaus voor vaardigheden in de Nederlandse taal zijn op basis van het advies van de Commissie Franssen gerelateerd aan het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen (Common European Framework of Reference for Languages, CEF). Het Europees Raamwerk is het door de Raad van Europa vastgestelde referentiekader voor taalvaardigheidsbeschrijvingen die door de Nederlandse regering als zodanig is erkend. Voor gebruik in de context van het leren en onderwijzen van Nederlands als tweede taal is er een bewerking van gemaakt: het Raamwerk NT2. Het continuüm van taalontwikkeling, dat zich uitstrekt van volledige ongeletterdheid tot aan moedertaalsprekerniveau is in deze raamwerken ingedeeld in 6 globale fasen (A1 en A2, B1 en B2, C1 en C2).

Voor nieuwkomers is de norm van het inburgeringsexamen in Nederland bepaald op niveau A2 voor alle vijf taalvaardigheden (spreken, luisteren, gespreksvaardigheid, lezen en schrijven). Zij hebben in de regel het basisexamen inburgering in het buitenland met succes moeten afleggen om naar Nederland te kunnen komen, en hebben daarmee gedemonstreerd te beschikken over een zekere taalvaardigheid – zij het op een lager niveau, nl. A1-min – in het Nederlands.

Het niveau A2 biedt een redelijke basis om te kunnen functioneren in de samenleving en te communiceren over zaken in de directe omgeving van de inburgeringsplichtige. Iemand die op dit niveau het Nederlands beheerst, kan zichzelf in korte zinnen over werk, achtergrond, familie en vrije tijdsbesteding verstaanbaar maken. De uitspraak is over het algemeen helder genoeg om te worden verstaan ondanks een duidelijk buitenlands accent. Het niveau biedt, aldus de Commissie Franssen, een «goede uitgangspositie voor verdere integratie in de samenleving». De keus voor een norm op één niveau hoger (B1) zou naar verwachting voor veel personen een niet te nemen hindernis betekenen, en hen uitsluiten van het behalen van het inburgeringsexamen. Daarmee zou schade worden toegebracht aan hun perspectief op versterking van hun rechtspositie en op integratie.

Zoals aangegeven in de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Tweede Kamer van 27 oktober 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 29 543, nr. 13), wordt voor oudkomers voor de mondelinge vaardigheden de norm van het inburgeringsexamen in Nederland eveneens op A2 bepaald, maar wordt voor de schriftelijke vaardigheden volstaan met A1. Ook hier wordt dus het advies van de Commissie Franssen gevolgd. Overwegingen bij de keuze voor deze uitzondering waren als volgt. Verreweg de meeste communicatie vindt mondeling plaats. Het niveau A1 voor schriftelijke taalvaardigheid is voor deze groep aanvaardbaar geacht omdat het hier vaak gaat om oudere personen, die veelal minder opleiding hebben genoten en voor wie het leren lezen en schrijven in het Nederlands een onevenredig grote inspanning zal betekenen. Bovendien moet worden bedacht dat zich onder deze groep een relatief groot aantal (functioneel) analfabeten bevindt.

Voor het niveau van kennis van de Nederlandse samenleving bevat het besluit geen normering. Dit niveau wordt uitgewerkt in de Regeling inburgering. Het examenprogramma inzake kennis van de Nederlandse samenleving maakt deel uit van het centraal deel van het inburgeringsexamen. Hierop wordt hierna in paragraaf 8.3 nader ingegaan.

Ten slotte worden met het oog op de bijzondere maatschappelijke positie van geestelijke bedienaren aanvullende eisen gesteld aan de kennis van de Nederlandse samenleving van inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn. Ook die worden uitgewerkt in de Regeling inburgering.

8. Het inburgeringsexamen

8.1 Inburgeringsplicht

Degenen die inburgeringsplichtig zijn op grond van de Wet inburgering kunnen aan hun inburgeringsplicht voldoen door te slagen voor het inburgeringsexamen, dan wel voor die examens van het inburgeringsexamen waarvan zij niet zijn vrijgesteld. Het behalen van het inburgeringsexamen is een resultaatsverplichting die geldt voor iedere inburgeringsplichtige om zijn maatschappelijke positie – maar in veel gevallen ook zijn rechtspositie – in Nederland te kunnen versterken.

8.2 Eisen aan in het inburgeringsexamen

Bij de invulling van het inburgeringsexamen is, op advies van de Commissie Franssen, rekening gehouden met eisen van functionaliteit en haalbaarheid.

Functionaliteit

In het examen wordt taalvaardigheid getest die bijdraagt aan het functioneren in de samenleving. Deelnemen aan verschillende sectoren van het maatschappelijk leven stelt verschillende eisen aan taalvaardigheid. Het inburgeringsexamen is zo ingericht dat dit de taalvaardigheid test, gekoppeld aan het doel waarvoor deze is verworven, namelijk onder meer om te kunnen functioneren in de domeinen «werk» of «opvoeding». Dit gebeurt met name in het praktijkdeel van het inburgeringsexamen (zie hierna paragraaf 8.3).

Haalbaarheid

Het inburgeringsexamen kent voor het taaldeel een normering die voor inburgeringsplichtigen haalbaar geacht wordt. Deze normering is, in navolging van het advies van de Commissie Franssen, gerelateerd aan het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Kortheidshalve zij verwezen naar hetgeen daarover is gesteld in paragraaf 7 hierboven.

8.3 Inhoud van het inburgeringsexamen

In artikel 13, derde lid, van de wet is vastgelegd dat het inburgeringsexamen bestaat uit een praktijkdeel en een centraal deel. Het praktijkdeel omvat een examen in de functionele taalvaardigheid in het Nederlands, gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties. Het centraal deel omvat een elektronisch praktijkexamen, een toets gesproken Nederlands en een examen kennis van de Nederlandse samenleving.

Er is overigens geen vaste volgorde voorgeschreven waarin de onderdelen van het inburgeringsexamen moeten worden afgelegd. Hoewel verwacht wordt dat het praktijkdeel doorgaans eerst zal worden afgelegd, is dit dus niet verplicht.

In een schema ziet het inburgeringsexamen er als volgt uit:

 

Examenonderdeel

Examen wordt afgenomen door:

Praktijkdeel

Assessment of

Aangewezen exameninstelling

 

Portfolio of

Aangewezen exameninstelling of IB-Groep

 

Combinatie van assessments

en portfolio

Aangewezen exameninstelling

Centraal deel

Elektronisch praktijkexamen

IB-Groep

 

Toets gesproken Nederlands

IB-Groep

 

Examen Kennis van de

Nederlandse samenleving

IB-Groep

Praktijkdeel

Bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wordt de functionele taalvaardigheid van de inburgeringsplichtige in praktijksituaties getest. Daarvoor is een aantal praktijksituaties beschreven waarin men effectief in het Nederlands moet kunnen communiceren. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende sectoren van het maatschappelijk leven waaraan personen deelnemen. Er is onderscheid gemaakt tussen degenen die zich primair bezighouden met het opvoeden van kinderen en degenen die betaalde arbeid (gaan) verrichten. De praktijksituaties voor de eerste groep hebben betrekking op reëel voorkomende situaties binnen het domein opvoeding, waarbij ook aspecten van gezondheidszorg en onderwijs zijn meegenomen waar opvoeders vaak mee te maken krijgen. De drie onderwerpen opvoeding, gezondheidszorg en onderwijs worden vaak aangeduid met de afkorting OGO, die ook verder in deze tekst gebruikt zal worden. Ook zijn er voor deze eerste groep praktijksituaties met betrekking tot het zoeken naar werk toegevoegd, omdat dit ook voor hen op termijn aan de orde kan zijn. Voor de tweede groep zijn relevante praktijksituaties beschreven die betrekking hebben op het zoeken naar werk en het hebben van een baan. De kandidaat kan aangeven of het accent op werk dan wel opvoedingstaken moet komen te liggen.

Alle kandidaten moeten bovendien aantonen dat ze taalvaardig kunnen functioneren op het terrein van burgerschap. Hierbij kan het gaan om bijvoorbeeld het inschrijven in een nieuwe gemeente, aangifte doen van een geboorte, rijbewijs verlengen, documenten aanvragen, bank- en huisvestingszaken regelen, aangifte doen bij de politie en ook nabuurschap (contact met buren). Ook hiervoor is een aantal praktijksituaties beschreven.

De beschreven praktijksituaties op de terreinen werk, burgerschap en OGO vormen de basis voor het praktijkdeel van het inburgeringsexamen.

Wijze waarop het praktijkdeel wordt afgenomen

Het praktijkdeel kan op verschillende manieren worden afgenomen. Het kan worden afgenomen in de vorm van een assessment, een portfolio of een combinatie van een assessment en een portfolio. Een assessment is een beoordeling van de functionele taalvaardigheid in een praktijksituatie. Van de kandidaat wordt gevraagd bepaalde handelingen te verrichten of acties te ondernemen. Deze worden door ten minste twee examinatoren beoordeeld. Een assessment bestaat uit meer onderdelen, mede vanwege het feit dat de inburgeringsplichtige altijd op twee domeinen wordt getoetst. Binnen het domein «werk» kan bijvoorbeeld het voeren van een functioneringsgesprek een onderdeel zijn van het assessment.

Assessments worden altijd afgenomen door een aangewezen exameninstelling. Indien een opleidingsinstituut tevens exameninstelling is, kan het assessment in het onderwijs worden geïntegreerd. Overigens zijn exameninstellingen die tevens opleidingsinstituut zijn, niet verplicht de verschillende onderdelen van het assessment op een en dezelfde dag af te nemen. Doordat er vrijheid is om het onderwijs zodanig in te richten dat het praktijkdeel van het inburgeringsexamen daarin is geïntegreerd, is het denkbaar dat opleidingsinstituten ervoor kiezen om het assessment gespreid in de tijd af te nemen. Er zijn dan dus verschillende toetsingsmomenten. Deze keuze is gemaakt om opleidingsinstituten (die tevens exameninstelling zijn) maximale vrijheid te bieden in de wijze waarop zij inburgeringsplichtigen voorbereiden op het inburgeringsexamen.

Een portfolio bestaat uit een aantal bewijzen van taalvaardigheid. Deze taalvaardigheidsbewijzen worden door de inburgeringsplichtige, al dan niet met behulp van een opleidingsinstituut, in de praktijk «verzameld». Hij kan dit doen door bijvoorbeeld een gesprek te voeren op het consultatiebureau, bij het CWI een sollicitatieformulier in te vullen of door deel te nemen aan een ouderavond op de school van zijn kind.

Bij de keuze voor alleen het portfolio is een panelgesprek over het portfolio met twee examinatoren een verplicht onderdeel van het portfolio. In dit afsluitende gesprek wordt getoetst of iemand de vereiste taalvaardigheid bezit. De beoordeling van het portfolio door een aangewezen exameninstelling of de IB-Groep heeft dus niet louter een administratief, maar ook een inhoudelijk karakter. Naar verwachting zullen vooral inburgeringsplichtigen die zich geheel zelfstandig voorbereiden op het inburgeringsexamen ervoor kiezen om een portfolio samen te stellen.

Als gezegd, is het ook mogelijk om het praktijkexamen een combinatie van een portfolio en een assessment, te laten inhouden. Het ligt voor de hand dat dit vooral gebeurt bij inburgeringsplichtigen die een opleiding volgen en niet bij degenen die zich zelfstandig voorbereiden.

Hoe uitgebreid het assessment moet zijn, uit hoeveel opdrachten het kan bestaan, en hoeveel taalvaardigheidsbewijzen voldoende zijn om te slagen voor het praktijkdeel van het examen, wordt geregeld in de Regeling inburgering.

Een controle op de beoordeling van het praktijkdeel vindt plaats doordat 1) er een examen wordt afgelegd bij een aangewezen exameninstelling, die aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet of een portfolio wordt samengesteld dat wordt beoordeeld door een aangewezen exameninstelling dan wel de IB-Groep en 2) alle inburgeringsplichtigen binnen het centraal deel een elektronisch praktijkexamen afleggen.

Een kandidaat die wil deelnemen aan het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, meldt zich daartoe aan bij een exameninstelling. Kandidaten die geen cursus hebben gevolgd, kunnen het praktijkdeel in ieder geval afleggen door een portfolio te laten beoordelen door de IB-Groep, maar zij kunnen zich ook aanmelden voor het praktijkexamen bij een aangewezen exameninstelling. Welke inhoud het praktijkexamen in het laatste geval heeft (assessment, portfolio dan wel een combinatie van beide) hangt af van de betreffende aangewezen exameninstelling.

Na het afleggen van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, hoort de kandidaat of hij voor dat deel is geslaagd. Indien hij het niet eens is met de beslissing van de exameninstelling, kan hij gebruik maken van de geschillenregeling van de desbetreffende exameninstelling.

Aanvullend praktijkexamen voor geestelijke bedienaren

Met het oog op de bijzondere maatschappelijke positie van geestelijke bedienaren, worden aanvullende eisen gesteld aan de vaardigheden en de kennis van de Nederlandse samenleving van inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn. Zij moeten het Nederlands actief in woord en geschrift beheersen op een aan hun functie aangepaste wijze en beschikken over een behoorlijke kennis over andere in Nederland bestaande godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen en opvattingen, over de in Nederland beschikbare instellingen, diensten en organisaties, en over de methoden en technieken van pastorale dienstverlening. Deze aanvullende en kennis en vaardigheden worden getoetst in een aanvullend deel van het praktijkexamen. Ten behoeve van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, waarin de functionele taalvaardigheid van de inburgeringsplichtige wordt getoetst in een aantal praktijksituaties ontleend aan de verschillende sectoren van het maatschappelijk leven, is een apart domein «sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening» ontwikkeld. Daarnaast wordt in dat aanvullende deel van het praktijkexamen de vereiste aanvullende kennis van de Nederlandse samenleving getoetst. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen naar de kabinetsreactie op het advies «Toelating en Verblijf voor Religieuze doeleinden» van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken van 26 juli 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 19 637, nr. 1051) en paragraaf 3.3 van de nota naar aanleiding van het nader verslag aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 16, blz. 16-22).

Centraal deel

Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit een elektronisch praktijkexamen, een toets gesproken Nederlands en een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving. Het centraal deel van het inburgeringsexamen wordt zo georganiseerd dat kandidaten – als zij dat willen – deze examens gedurende één bezoek aan een examenlocatie van de IB-Groep kunnen afleggen. Er is geen vaste volgorde waarin de examens uit het centraal deel moeten worden afgelegd. In beginsel kunnen ze worden afgelegd in de volgorde die de voorkeur heeft van de kandidaat. Als de kandidaat verschillende examens van het centraal deel op dezelfde dag wil afleggen, bepaalt de IB-Groep de volgorde.

Als de kandidaat voor het praktijkdeel en voor de examens van het centraal deel is geslaagd, krijgt hij een inburgeringsdiploma. Is hij nog niet voor alle examens van het inburgeringsexamen geslaagd, dan moet hij de uitslagen van de examens waarvoor hij wel geslaagd is, bewaren.

De examens van het centraal deel kunnen alleen bij de IB-Groep worden afgelegd. Hiertoe is uit efficiency-overwegingen besloten. De IB-Groep heeft het meest complete aanbod en ervaring op het terrein van het afnemen van examens op een dergelijke schaal. Bovendien kent de IB-Groep reeds een organisatie voor het verstrekken van leningen en vergoedingen.

Het elektronisch praktijkexamen vormt een controle op het taalniveau van de kandidaat zoals dat is of wordt vastgesteld bij praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Evenals bij het praktijkdeel van het examen, wordt van de kandidaat verwacht dat hij aantoont te beschikken over functionele taalvaardigheid in die situaties waarmee iedere burger in Nederland te maken heeft. Bij dit examen worden derhalve ook de domeinen «burgerschap», «werk» en «onderwijs, gezondheid en opvoeding» getoetst.

Het elektronisch praktijkexamen wordt op gestandaardiseerde wijze afgenomen. De resultaten zijn daardoor onderling goed vergelijkbaar en zeer bruikbaar voor evaluatiedoeleinden, zoals die worden beschreven in artikel 71 van de wet.

Bij de toets gesproken Nederlands worden de mondelinge taalvaardigheden van de kandidaten getest. Van kandidaten wordt verwacht dat zij aantonen te beschikken over spreek- en luistervaardigheid op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen (Common European Framework of Reference for Languages (CEF). De kandidaat doet dit onder andere door het beantwoorden van korte vragen en het benoemen van tegenstellingen.

Het examen Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is opgenomen naar aanleiding van het advies van de Commissie Franssen om in het nieuwe inburgeringsbeleid meer aandacht te besteden aan Kennis van de Nederlandse samenleving dan in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers is gebeurd in het programma Maatschappij Oriëntatie. Het programma zou er volgens de commissie op gericht moeten zijn om kennis en vaardigheden te ontwikkelen over de volgende onderwerpen:

– eerste levensbehoeften;

– eenvoudige feitelijke kennis over Nederland;

– wegwijs in de Nederlandse samenleving;

– in eigen onderhoud voorzien;

– centrale waarden van de Nederlandse rechtsstaat (artikel 1 Grondwet).

Het kabinet heeft de onderwerpen ten behoeve van een programma KNS overgenomen en verder uitgewerkt. In opdracht van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft een communicatie- en adviesbureau inventarisaties gemaakt van onderwerpen die aan de orde zouden moeten komen in het programma, ter voorbereiding van de ontwikkeling van een examen . Deze inventarisaties zijn tot stand gekomen in zowel autochtone als allochtone gespreksgroepen in zes gemeenten in Nederland. De inventarisaties hebben geleid tot het vaststellen van acht verschillende domeinen, die de basis hebben gevormd voor de ontwikkeling van het examen:

a. werk en inkomen,

b. omgangsvormen, waarden en normen,

c. wonen,

d. gezondheid en gezondheidszorg,

e. geschiedenis en geografie,

f. instanties,

g. staatsinrichting en rechtsstaat, en

h. onderwijs en opvoeding.

De onderwerpen zijn zodanig gekozen dat het programma en het examen KNS zoveel mogelijk aansluiten bij de behoeften van inburgeringsplichtigen. De normen die gelden voor algemene redzaamheid zijn van belang in alle onderscheiden domeinen en liggen ten grondslag aan de eindtermen die worden vastgesteld. Anders dan de Commissie Franssen voorstelde, heeft het examen KNS een plaats gekregen in het centraal deel van het inburgeringsexamen. Hiertoe is besloten, vanwege de waarde die wordt toegekend aan het onderdeel KNS, en het feit dat het kabinet de kennis die hierin wordt getoetst als basiskennis voor iedere inburgeringsplichtige veronderstelt. De eindtermen waaraan kandidaten moeten voldoen, worden geregeld in de Regeling inburgering. De concept-eindtermen zijn bij brief van 2 juni 2006 aan de Tweede Kamer ter kennisneming toegezonden (Kamerstukken II 2005/2006, 30 308, nr. 25).

Om opleiders in de gelegenheid te stellen te starten met het samenstellen van onderwijstrajecten, is over een aantal zaken reeds ten tijde van de voorbereiding van dit besluit met hen gecommuniceerd. Het betreft de onderwerpen die in het KNS-deel van het inburgeringsexamen worden getoetst. Hierbij gaat het om de onderwerpen werk en inkomen, omgangsvormen, waarden en normen, wonen, gezondheid en gezondheidszorg, geschiedenis en geografie, instanties, staatsinrichting en rechtsstaat, en onderwijs en opvoeding. Ook de exameneisen met betrekking tot de taalvaardigheid zijn bekendgemaakt. Bij het vaststellen van het vereiste taalvaardigheidsniveau is aangesloten bij het advies van de commissie Franssen. De beschrijving van de verschillende taalniveaus binnen het Europees Raamwerk voor Vreemde Talen geeft eveneens houvast bij het samenstellen van een programma.

8.4 Uitslagen en diploma’s

Het resultaat van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wordt vastgesteld door de aangewezen exameninstellingen dan wel de IB-Groep. De resultaten van de examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen worden vastgesteld door de IB-Groep. Daarbij gaat het om het elektronisch praktijkexamen, de toets gesproken Nederlands en het KNS-examen. De uitslagen van het inburgeringsexamen en de afzonderlijke examens die deel uitmaken van het inburgeringsexamen, zijn besluiten in de zin van Awb. Die uitslag houdt een beoordeling in van het kennen en kunnen van de kandidaat die ter zake is geëxamineerd. Dat betekent dat op grond van artikel 8:4, onderdeel e, Awb geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk zijn tegen de uitslag van het inburgeringsexamen of van de afzonderlijke examens die daarvan deel uitmaken. Voor de centrale examens is ook daarnaast niet voorzien in rechtsbescherming aangezien deze examens – net als het basisexamen inburgering in het buitenland – door de computer worden afgenomen en de uitslag automatisch door het systeem wordt gegenereerd. Voor de praktijkexamens ligt dat anders aangezien zij door een examencommissie worden afgenomen waarbij menselijke beoordeling aan de orde is. Met het oog daarop is, overeenkomstig hetgeen is aangekondigd in de toelichting bij de derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 64, blz. 3) een regeling getroffen voor de instelling van beroep bij een (externe) commissie van beroep (artikel 3.12 van het besluit).

Kandidaten die geslaagd zijn voor hun inburgeringsexamen krijgen een inburgeringsdiploma en kandidaten die geslaagd zijn voor een examen van het inburgeringsexamen krijgen de uitslag daarvan toegezonden op grond van artikel 3:41, eerste lid, Awb. Bij kandidaten die vrijstelling hebben verkregen van een of meer examens van het inburgeringsexamen, gaat het uiteraard anders. Zij krijgen een inburgeringsdiploma als ze zijn geslaagd voor de examens waarvoor ze geen vrijstelling hebben gekregen. De IB-Groep stelt vast of de kandidaat het inburgeringsdiploma krijgt. Kandidaten die zijn vrijgesteld van alle examens van het inburgeringsexamen of van de inburgeringsplicht zijn ontheven, krijgen overigens geen inburgeringsdiploma.

In geval van verlies van het inburgeringsdiploma kan bij de IB-Groep tegen betaling een duplicaat worden verkregen.

Herkansingen

Wanneer een kandidaat voor een examen van het inburgeringsexamen onvoldoende resultaat haalt, moet hij dat examen opnieuw afleggen. Alle onderdelen van het inburgeringsexamen kunnen, indien nodig, meerdere keren worden afgelegd. De kandidaat zal zich in zo’n geval voor het betreffende examen/de betreffende examens opnieuw moeten aanmelden en opnieuw het examengeld moeten voldoen.

8.5 Kosten van het inburgeringsexamen

Het is mogelijk om de examens van het inburgeringsexamen afzonderlijk af te leggen, te weten: het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, het elektronisch praktijkexamen, het KNS examen en de toets gesproken Nederlands. Het aan de kandidaat door de IB-Groep in rekening te brengen examengeld (per examen) is in de Regeling inburgering opgenomen. De aangewezen exameninstellingen waar het praktijkexamen (eveneens) kan worden afgelegd, kunnen zelf de door hen in rekening te brengen prijzen vaststellen.

9. Exameninstellingen

9.1 Aanwijzing exameninstellingen

De examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen (het elektronisch praktijkexamen, de toets gesproken Nederlands en het examen in de kennis van de Nederlandse samenleving) kunnen alleen afgenomen worden door de IB-Groep, die hiertoe is aangewezen in artikel 15, tweede lid, van de wet. Hiertoe heeft de IB-Groep verspreid door het land meerdere examenlocaties ingericht.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de wet wordt het praktijkdeel van het inburgeringsexamen afgenomen door de IB-Groep of door een instelling die als exameninstelling is aangewezen. Bij de uitwerking van het stelsel van toekenning van het recht van examinering is er voor gekozen het onderzoek naar de vraag of een instelling voldoet aan de eisen om als exameninstelling te worden aangewezen, te laten uitvoeren door een onafhankelijke instantie (het Kwaliteitscentrum examinering inburgering), waarna de aanwijzing of weigering daarvan geschiedt bij besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Op deze wijze is geen sprake van betrokkenheid van de IB-Groep bij de aanwijzing van (andere) exameninstellingen. Dit geldt eveneens voor de aanwijzing (op grond van artikel 15, vijfde lid, van de wet) van de exameninstelling die bij uitsluiting van anderen het praktijkdeel van het inburgeringsexamen of een onderdeel daarvan afneemt, indien de kandidaat een geestelijke bedienaar is.

9.2 Toezicht op de exameninstellingen

In hoofdstuk 3, afdeling 3, van het besluit wordt uitvoering gegeven aan artikel 15, zesde lid, van de wet, op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het toezicht op de exameninstellingen door een onafhankelijke instantie.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid, wordt een instantie aangewezen die onder meer tot taak heeft erop toe te zien dat de examinering op grond van de Wet inburgering door de IB-Groep en de aangewezen exameninstellingen (waaronder de exameninstelling die bij de geestelijke bedienaren het praktijkdeel van het inburgeringsexamen afneemt) aan de wettelijke eisen voldoen, en jaarlijks verslag uit te brengen over zijn bevindingen. Het gaat naast bijvoorbeeld het onderzoek of de beoordeling van de tot het inburgeringsexamen behorende examens (waaronder ook de assessments en portfolio’s, niet het centrale deel van het examen) conform de normen heeft plaatsgevonden, ook om de exameninstellingen en de wijze waarop en omstandigheden waaronder deze de examens afnemen. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat een instantie, die beschikt over specifieke technische deskundigheid ter zake, een onafhankelijk oordeel uitbrengt over de kwaliteit van de exameninstellingen en examinering op grond van de Wet inburgering.

Dezelfde rechtspersoon die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs is aangewezen als Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen, zal op grond van artikel 3.17, eerste lid, van dit besluit worden aangewezen als Kwaliteitscentrum examinering inburgering. Daardoor kan gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige expertise. Uiteraard worden de taken die deze rechtspersoon verricht als Kwaliteitscentrum examinering inburgering strikt gescheiden van de taken die die rechtspersoon verricht als Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen. Overigens sluit de redactie van artikel 3.17, eerste lid, niet uit dat er (op termijn) een andere instantie kan worden aangewezen die de taken van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering (op grond van de Wet inburgering) zal uitoefenen.

Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering beoordeelt de realisatie van de kwaliteit van de exameninstellingen en de examinering in alle fasen van het examenproces en alle taken in de examenketen op conformiteit met de bij en krachtens de Wet inburgering gestelde eisen. Als mocht blijken dat daaraan niet of onvoldoende wordt voldaan, kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanwijzing als exameninstelling schorsen of intrekken en de exameninstelling daarmee het recht ontnemen om het praktijkdeel van het inburgeringsexamen te verzorgen. Het niet voldoen aan de normen kan dus vérstrekkende consequenties voor de aangewezen exameninstelling hebben. Daarmee wordt een effectieve mogelijkheid geïntroduceerd om in te grijpen bij onvoldoende kwaliteit van de praktijkexamens.

De aanwijzing van een instantie als het Kwaliteitscentrum examinering inburgering laat onverlet dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verantwoordelijk is en blijft voor de kwaliteit van het nieuwe inburgeringstelsel als geheel. De ministeriële verantwoordelijkheid blijft onaangetast. Slechts het feitelijke onderzoek naar de kwaliteit van de examinering wordt uitgevoerd door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt het resultaat van dat feitelijke onderzoek bij een exameninstelling vast in een verklaring. Daarmee beoogt het geen rechtsgevolgen in het leven te roepen; slechts de minister neemt besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verricht als expertisecentrum het feitelijke onderzoek voor de minister, zonder dat de wet aan dat Kwaliteitscentrum examinering inburgering openbaar gezag toekent. Met de aanwijzing van een instantie om als Kwaliteitscentrum examinering inburgering te functioneren wordt dan ook geen zelfstandig bestuursorgaan in het leven geroepen. Hierin verschilt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering op grond van de Wet inburgering niet van het bestaande, op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs aangewezen Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 205, nr. 3, blz. 12–13).

10. Lening

In principe draagt de inburgeringsplichtige zelf de kosten voor zijn inburgering. Om echter zoveel mogelijk inburgeringsplichtigen te stimuleren het inburgeringsexamen te behalen, is in de Wet inburgering een leningfaciliteit opgenomen die voor iedere inburgeringsplichtige openstaat. Deze leningfaciliteit stelt iedere inburgeringsplichtige in staat de kosten van de inburgeringscursus en het inburgeringsexamen te financieren. Financiële redenen kunnen dientengevolge niet in de weg staan aan het aanvangen van de inburgeringscursus. In de Contourennota «Herziening van het inburgeringsstelsel» is reeds naar voren gebracht dat aan de leningfaciliteit voorwaarden verbonden zullen worden (Kamerstukken II 2003/04, 29 543, nrs. 1–2, blz. 22). Deze voorwaarden zijn in dit besluit opgenomen. De lening is niet bedoeld ter financiering van de kosten voor kinderopvang noch als reiskostenvergoeding.

Naast criteria om voor de lening in aanmerking te komen, zijn in afdeling 1 van hoofdstuk 4 van dit besluit regels gesteld over de aanvraag van de lening, de hoogte van de lening, de betaling en de terugbetaling van de lening en kwijtschelding. Deze regels worden nader uitgewerkt in de Regeling inburgering.

Wat betreft de in dit besluit gebezigde begrippen die betrekking hebben op de terugbetaling van de lening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij die in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: AWIR). Deze wet beoogt alle bestaande en nieuwe inkomensafhankelijke regelingen te harmoniseren en te stroomlijnen. Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan de bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de tegemoetkoming in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht (artikel 1, derde lid, AWIR). Deze harmonisatie beperkt zich niet alleen tot de begrippen die een rol (kunnen) spelen bij de bepaling van de draagkracht van de belanghebbende. Zij strekt zich tevens uit tot de wijze waarop de draagkracht bepaald wordt (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 764, nr. 3, blz. 2). In het verlengde hiervan zijn in de artikelen 4.10, tweede lid, en 4.16 een aantal bepalingen uit de AWIR van overeenkomstige toepassing verklaard op de leningfaciliteit. De AWIR is niet rechtstreeks van toepassing op de leningfaciliteit, aangezien de hoogte van de lening niet afhankelijk is van de draagkracht maar van de gemaakte kosten in het kader van de inburgeringscursus. Alleen bij de terugbetalingsvoorziening is het mogelijk rekening te houden met de draagkracht, maar dat verandert niet de aard van de lening.

Zoals aangekondigd tijdens het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel Wet inburgering op 21 juni 2006, in de toelichting op de vierde nota van wijziging van 22 juni 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 71) en in de brief van 27 juni 2006 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 73), is voorzien in stimulansen voor inburgeringsplichtigen, zowel oud- als nieuwkomers, om het Staatsexamen Nederlands als tweede taal op niveau B1 of B2 te behalen, en voor oudkomers om een hoger schriftelijk taalvaardigheidsniveau dan het niveau A1 te bereiken. Een hoger taalniveau betekent immers een extra stap ten aanzien van de integratie, waardoor inburgeringsplichtigen hun kans op participatie kunnen vergroten.

Als uitwerking daarvan is de leningfaciliteit niet alleen opengesteld voor cursussen die opleiden tot het inburgeringsexamen op het niveau dat krachtens artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet voor de betreffende oud- of nieuwkomer is vastgesteld, maar daarnaast (op grond van artikel 16, vijfde lid, van de wet) ook voor cursussen die opleiden tot het staatsexamen NT2 (programma I of II) als bedoeld in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en voor cursussen die oudkomers opleiden tot het A2-niveau.

11. Vergoeding

Inburgeringsplichtigen die binnen drie jaar het inburgeringsexamen behalen, komen in aanmerking voor een vergoeding. Voor nieuwe inburgeringsplichtigen betekent dit dat zij binnen drie jaar na het moment waarop zij inburgeringsplichtig worden, het examen moeten hebben behaald. Voor oudkomers geldt dat de termijn gaat lopen op het tijdstip dat het college van burgemeester en wethouders bij beschikking op grond van artikel 26 van de wet uitdrukkelijk vaststelt. De oudkomer die op eigen initiatief de voorbereiding op het inburgeringsexamen ter hand heeft genomen en dat examen heeft behaald en ten aanzien van wie geen handhavingsbeschikking op grond van genoemd artikel 26 is genomen, kan uiteraard ook aanspraak maken op de vergoeding.

De termijn van drie jaar wordt met het oog op tussentijds verblijf in het buitenland van maximaal een jaar verlengd met de duur van de periode waarin de betrokkene geen ingezetene was.

Voor het verstrekken van de vergoeding bevat dit besluit twee modaliteiten, een forfaitaire vergoeding en een kostengerelateerde vergoeding. Regels over de criteria voor het verstrekken van de vergoeding, de aanvraag van de vergoeding, de wijze waarop het bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de vergoeding, de betaling en de verrekening met de lening, zijn in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van dit besluit opgenomen en worden nader uitgewerkt in de Regeling inburgering.

Voor de vergoeding geldt dat de AWIR daarop niet rechtstreeks van toepassing is, omdat de hoogte van de vergoeding niet afhankelijk is gesteld van draagkracht.

Naar aanleiding van de hierboven aan het slot van paragraaf 10 besproken wens om voor inburgeringsplichtigen stimulansen om een hoger taalvaardigheidsniveau te bereiken, is voorts voorzien in de verstrekking van een vergoeding aan inburgeringsplichtigen die binnen de gestelde termijn het staatsexamen NT2 (programma I of II) hebben behaald en daardoor zijn vrijgesteld van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen. Zij komen in aanmerking voor een forfaitaire en kostengerelateerde vergoeding. De oudkomer die tijdig het inburgeringsexamen heeft behaald met schriftelijke taalvaardigheid op het niveau A2, komt daarvoor, op de enkele grond dat hij dat inburgeringsexamen tijdig heeft behaald, uiteraard ook in aanmerking. Omdat deze gewezen oudkomer een hoger niveau heeft behaald dan dat waartoe hij was gehouden, komt hij daarnaast in aanmerking voor een extra (forfaitaire) vergoeding.

12. Oproep voor inburgeringsonderzoek

De Wet inburgering draagt de handhaving van de inburgeringsplicht in belangrijke mate aan gemeenten op. De belangrijkste sanctie is de bestuurlijke boete die gemeenten kunnen opleggen indien het inburgeringsexamen niet binnen de daarvoor gestelde termijn is behaald en de inburgeringsplichtige daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Gemeenten kunnen echter al veel eerder de vinger aan de pols houden, omdat zij de bevoegdheid hebben alle (potentiële) inburgeringsplichtigen op te roepen voor een eerste gesprek (een inburgeringsonderzoek).

Gemeenten kunnen via het Informatiesysteem Inburgering (ISI; zie artikel 47 van de wet en hoofdstuk 6 van dit besluit) nagaan of de betrokkene bijvoorbeeld al een diploma heeft behaald. Het niet-verschijnen bij een oproep door de inburgeringsplichtige kan door de gemeente met een bestuurlijke boete worden beboet.

Krachtens artikel 28 van de wet bevat dit besluit enkele nadere regels over de oproeping.

13. Termijnverlenging en ontheffingverlening

Op basis van artikel 31, derde lid, van de wet zijn in dit besluit nadere regels gesteld over:

a. de bevoegdheid van het college de termijn van de inburgeringsplicht te verlengen, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet behalen van het inburgeringsexamen;

b. de bevoegdheid van het college ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen, indien het college op grond van de door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.

14. Informatieverstrekking

14.1 Algemeen

Bij de uitvoering van de Wet inburgering is een groot aantal instanties betrokken. Naast alle gemeenten, hebben onder meer de IB-Groep, de exameninstellingen, de Uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (UWV) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) taken toegedeeld gekregen. Voor de uitvoering van de wet is het van essentieel belang dat iedere daarbij betrokken instantie tijdig en kosteloos kan beschikken over de juiste gegevens van andere instanties. Ook genereren deze instanties zelf gegevens die op hun beurt voor andere uitvoeringsinstanties van belang zijn.

Daarnaast dient de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als verantwoordelijk bewindspersoon te kunnen beschikken over relevante, niet tot personen herleidbare, beleidsinformatie die, al dan niet via een centraal informatiesysteem, door de diverse instanties moet worden aangeleverd.

In artikel 47 van de wet is ten behoeve van deze informatiestromen een Informatiesysteem inburgering (ISI) in het leven geroepen, dat wordt beheerd door de IB-Groep. Het ISI heeft ten doel om gegevens te verstrekken aan – onder andere – het college van burgemeester en wethouders, de IB-Groep en de IND die van belang zijn voor de wettelijke uitoefening van taken op basis van de Wet inburgering. Verder zal het ISI gegevens genereren die door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gebruikt worden met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid (artikel 47, tweede lid, onderdeel c, van de wet).

In artikel 48 van de wet is een Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen (BPI) in het leven geroepen, dat eveneens door de IB-Groep wordt beheerd. Dit bestand bevat persoonsgegevens van personen van wie de IB-Groep op basis van gegevens, vastgelegd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zo nodig aangevuld met gegevens uit het Vestigingsregister, bedoeld in artikel 112 van de Wet gemeentelijke basis administratie persoonsgegevens niet met zekerheid kan vaststellen dat zij niet inburgeringsplichtig zijn. Het BPI heeft primair tot doel om het college en de IB-Groep van zodanige informatie te voorzien dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een persoon ten onrechte als inburgeringsplichtige wordt aangemerkt.

Over deze informatiestromen zijn in hoofdstuk 6 van dit besluit regels gesteld. De verwerking van persoonsgegevens geschiedt uiteraard overeenkomstig de Wet bescherming persoonsgegevens.

14.2 Het Informatiesysteem Inburgering (ISI)

Het ISI wordt door de IB-Groep ontwikkeld om een effectieve en efficiënte uitvoering van de Wet inburgering mogelijk te maken door het uitwisselen van informatie tussen enerzijds het onderdeel van de IB-Groep dat beheerder is van het ISI en anderzijds de gemeenten, de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (feitelijk de IND), de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, de rijksbelastingdienst, de exameninstellingen, de cursusinstellingen, de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk, het Kwaliteitscentrum examinering inburgering, het UWV en andere onderdelen van de IB-Groep die een rol vervullen in het inburgeringsstelsel. Het ISI bevat gegevens over de in artikel 6.1 genoemde personen en het verloop van het inburgeringsproces die voor de uitvoering van de wet noodzakelijk zijn. Uit deze informatie kan ook niet op personen herleidbare sturingsinformatie over de (voortgang van de) uitvoering van het nieuwe inburgeringsstelsel ten behoeve van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie worden afgeleid.

Naast gegevens over inburgeringsplichtigen, worden ook gegevens opgenomen over personen die niet, niet meer of nog niet inburgeringsplichtig zijn. Dat betreft met name personen ten aanzien van wie – bijvoorbeeld uit onderzoek door de gemeente (artikel 25 van de wet – is gebleken dat zij niet of niet meer inburgeringsplichtig zijn. Met die registratie wordt voorkomen dat de geregistreerde nodeloos (wederom) door de gemeente zal worden opgeroepen om gegevens te verstrekken. Voorts gaat het om jongeren die na de datum van inwerkingtreding van de wet als minderjarige naar Nederland komen en die vanwege hun jonge leeftijd nog niet inburgeringsplichtig zijn, maar dat wel kunnen worden op het moment dat zij niet meer volledig leerplichtig zijn en niet aansluitend daarop een opleiding volgen waarvan de afronding leidt tot een vrijstellend diploma, aangezien zij niet voldoen aan het vrijstellende criterium van acht jaar verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd. Tenslotte worden ook personen, waarvan is gebleken dat ze aansluitend op de leerplichtige leeftijd een opleiding volgen en dientengevolge niet inburgeringsplichtig zijn, in het ISI opgenomen.

In hoofdstuk 6, afdeling 1, van dit besluit worden regels gesteld omtrent het ISI, die ondermeer betrekking hebben op de in het ISI op te nemen gegevens en de verstrekking en verwerking van die gegevens. Als bijzondere persoonsgegevens die in het ISI zijn opgenomen, kunnen worden aangemerkt persoonsgegevens betreffende geestelijkbedienaarschap, ontheffingen om medische redenen, bijzondere examenomstandigheden en opgelegde bestuurlijke boetes. Volgens artikel 50, eerste lid, van de wet kunnen deze gegevens worden verwerkt voorzover zij noodzakelijk zijn voor de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de wet. Op basis van artikel 50, tweede lid, van de wet worden hierover in de Regeling inburgering regels gesteld ter waarborging van de persoonlijke levenssfeer. Wat het ISI betreft, is uitgangspunt dat daarin slechts die gegevens worden opgenomen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de wettelijke taken. Ten aanzien van de genoemde bijzondere persoonsgegevens is deze noodzaak aanwezig.

14.3 Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen (BPI)

Personen die op de datum van inwerkingtreding van de wet al in Nederland verbleven en ten aanzien van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn, kunnen door de gemeente worden opgeroepen om gegevens te verstrekken die van belang zijn om te beoordelen of zij inburgeringsplichtig zijn. Waar mogelijk moet worden voorkomen dat niet-inburgeringsplichtigen die op dat moment in Nederland verblijven, onnodig door de gemeente worden opgeroepen om te verschijnen en gegevens te verstrekken die van belang zijn voor het inburgeringsproces.

Om te voorkomen dat personen onnodig worden opgeroepen, is op basis van bestaande gegevens, ontleend aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, een Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen aangelegd van gegevens van in Nederland gevestigde vreemdelingen. In hoofdstuk 6, afdeling 2, van het besluit zijn regels gesteld ten aanzien van de persoonsgegevens die in dit bestand worden opgenomen.

Het BPI kan geen rekening houden met gegevens die niet in de reeds bestaande gegevensbestanden zijn geregistreerd. De analyse laat dan ook onverlet de mogelijkheid dat een deel van de in het BPI geregistreerde personen (op grond van niet bekende gegevens) niet inburgeringsplichtig is. In het BPI worden dan ook personen geregistreerd die potentieel inburgeringsplichtig zijn.

Personen die met toepassing van artikel 25 van de wet worden opgeroepen, kunnen bij die gelegenheid gegevens verstrekken die niet bij de analyse konden worden betrokken en waaruit alsnog blijkt dat zij niet inburgeringsplichtig zijn. Ook kunnen zij door de gemeente van de inburgeringsplicht worden ontheven.

Het BPI bevat ook gegevens over jongeren die op het moment van inwerkingtreding van de wet in Nederland verbleven, op dat moment vanwege hun leeftijd nog niet inburgeringsplichtig zijn, maar dat wel kunnen worden omdat zij aan het einde van hun leerplichtige leeftijd niet acht jaar in Nederland zullen hebben gewoond.

De bestandsgegevens in het BPI worden beschikbaar gesteld aan de gemeente waar de betrokkene woonplaats heeft. Die kan deze bestandsgegevens gebruiken bij de uitvoering van de taken die haar bij of krachtens de Wet inburgering zijn opgedragen en de uitoefening van de haar bij of krachtens die wet gegeven bevoegdheden. Ook kunnen gemeenten het BPI gebruiken om bij het selecteren en benaderen van bijzondere groepen (artikel 19 van de wet) en bij de wijkgerichte aanpak van achterstanden te voorkomen dat personen ten onrechte als (potentieel) inburgeringsplichtigen worden benaderd. Daarnaast zijn de gegevens beschikbaar voor de IB-Groep ten behoeve van de uitvoering van haar taken in het kader van de wet. De IB-Groep gebruikt deze gegevens bij de beoordeling of personen die eigener beweging een inburgeringscursus willen volgen en daarvoor gebruik willen maken van de door de IB-Groep te verstrekken faciliteiten, daar als inburgeringsplichtige voor in aanmerking komen. De gegevens uit dit bestand worden niet aan anderen of voor andere doeleinden beschikbaar gesteld.

Tot mutaties van en toevoegingen aan het bestand is slechts bevoegd de beheerder daarvan (de IB-Groep), die daarbij gegevens verwerkt vanuit de GBA (verhuizing en overlijden). De IB-Groep voegt personen later toe als uit een vergelijking met de GBA alsnog blijkt dat deze personen op dat moment potentieel inburgeringsplichtig zijn. Gegevens worden uit het BPI verwijderd zodra zij in het ISI zijn opgenomen.

In hoofdstuk 6, afdeling 2, van dit besluit worden onder meer regels gesteld met betrekking tot onder meer de bewaartermijnen.

15. Bekostiging van gemeenten

15.1 Algemeen

Hoofdstuk 7 van het onderhavige besluit bevat de op basis van artikel 52, derde lid, van de wet gestelde regels met betrekking tot de rijksbijdrage aan gemeenten. Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet verstrekt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de gemeenten op de voet van artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet jaarlijks een rijksbijdrage ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 6, eerste lid, 19 tot en met 33, 47 en 51 van de wet en ten behoeve van de informatieverstrekking over de inburgeringsplicht. Dit eerste lid vormt de grondslag voor de bekostiging van de gemeenten.

Aan de gemeenten worden diverse wettelijke taken toegedeeld ter uitvoering van het nieuwe inburgeringsstelsel. Deze taken zijn: het nemen van besluiten inzake de ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van psychische of lichamelijke belemmeringen dan wel verstandelijke handicap (artikel 6, eerste lid), het aanbieden van een (gecombineerde) inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen, het oproepen van de inburgeringsplichtige, het verlengen van de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald, het ontheffen van de inburgeringsplicht op grond van artikel 31 van de wet, het opleggen van een bestuurlijke boete indien het inburgeringsexamen verwijtbaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn is behaald (de artikelen 19 tot en met 33), het verstrekken van informatie aan het ISI (artikel 47) en het verstrekken van beleidsinformatie (artikel 51). Uit de toedeling van deze wettelijke taken aan gemeenten vloeit voort dat gemeenten actief en passief informatie verstrekken over het nieuwe inburgeringsstelsel in het algemeen en de gemeentelijke taken in het bijzonder. Voor deze informatieverstrekking zullen de gemeenten eveneens een vergoeding ontvangen. Uitgangspunt van de bekostiging is dat gemeenten worden gestimuleerd om goede prestaties te leveren. Gemeenten worden daarbij afgerekend op die elementen waarvoor gemeenten, gezien hun positie, verantwoordelijk mogen worden gehouden. Artikel 52, tweede lid, van de wet zondert de steden die deel uitmaken van het Grotestedenbeleid uit van de bekostiging. De grote steden krijgen voor de duur van de derde periode van het Grotestedenbeleid – tot en met 31 december 2009 – financiële middelen toegekend via de brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (BDU-SIV). Hiertoe is in het onderhavige besluit voorzien in een aantal wijzigingen van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Besluit BDU-SIV). Voor afloop van de derde periode van de BDU-SIV zal worden bezien op welke wijze de grote steden na 2009 zullen worden voorzien van de benodigde middelen.

15.2. Uitgangspunten van het bekostigingsstelsel

15.2.1 Onderdelen van de rijksbijdrage

De rijksbijdrage bestaat uit drie onderdelen, te weten een vast, een prestatie-afhankelijk en een variabel deel.

Het vaste deel van de rijksbijdrage wordt verstrekt ten behoeve van de verstrekking van informatie omtrent het inburgeringsstelsel aan (potentiële) inburgeringsplichtigen.

Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt verstrekt ten behoeve van de gemeentelijke taken die betrekking hebben op het nemen van besluiten inzake de ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van psychische of lichamelijke belemmeringen dan wel verstandelijke handicap (artikel 6, eerste lid, van de wet), het aanbieden van een (gecombineerde) inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen (met uitzondering van de groep geestelijke bedienaren), het oproepen van de inburgeringsplichtige, het opleggen van een bestuurlijke boete indien het inburgeringsexamen verwijtbaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn is behaald (de artikelen 19 tot en met 33 van de wet), het verstrekken van informatie aan het ISI (artikel 47 van de wet) en het verstrekken van beleidsinformatie (artikel 51 van de wet). Voor de bekostiging van het prestatie-afhankelijke deel wordt de methode van outputfinanciering gehanteerd. Door de gemeente wordt vooraf een prognose geformuleerd met betrekking tot de door die gemeente in een bepaald jaar te realiseren prestaties. Deze prognose vormt, tezamen met het beschikbare budget en de vooraf vastgestelde voorschotvergoeding, de basis voor de vaststelling van het voorschot voor de gemeente. Achteraf wordt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vastgesteld op basis van de behaalde prestaties (de output), welke worden vermenigvuldigd met bijdragevergoedingen. Dit deel van de bijdrage wordt vervolgens betaald onder verrekening van het betaalde voorschot.

Het variabele deel van de rijksbijdrage wordt verstrekt met betrekking tot de vaststelling van inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van een bijzondere groep inburgeringsplichtigen, te weten de geestelijke bedienaren, alsmede de handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen aan wie geen inburgeringsvoorziening wordt aangeboden.

De totale rijksbijdrage voor de verschillende gemeentelijke taken wordt gezien als één rijksbijdrage. De financiële middelen voor alle gemeentelijke taken zijn vrij uitwisselbaar.

15.2.2 Het vaste en het variabele deel van de rijksbijdrage

Het vaste deel van de rijksbijdrage is een forfaitair bedrag en wordt vastgesteld met behulp van een verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel wordt ook gebruikt om de indicatieve voorschotten voor de gemeenten op te stellen. Dit wordt verder toegelicht bij de toelichting op artikel 7.2.

Het variabele deel van de rijksbijdrage is onder andere afhankelijk van het aantal inburgeringsvoorzieningen dat een gemeente vaststelt ten behoeve van geestelijke bedienaren en het aantal geestelijke bedienaren dat deelneemt aan het inburgeringsexamen en het voor hen geldende aanvullende praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Gemeenten zijn gelet op artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van de wet verplicht om deze groep een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het zal voor een gemeente moeilijk, zo niet onmogelijk, in te schatten zijn hoeveel van dergelijke inburgeringsvoorzieningen in een bepaald jaar zullen moeten worden aangeboden en vervolgens moeten worden vastgesteld. Gemeenten worden in staat gesteld jaarlijks bij de minister een opgave te doen van het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie zij een inburgeringsvoorziening hebben vastgesteld en van het aantal geestelijke bedienaren dat heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen en het aanvullende praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Vervolgens draagt de minister zorg voor de bekostiging.

Daarnaast is er om praktische redenen voor gekozen om ook de handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening aangeboden krijgen (deze categorie wordt in het besluit aangeduid als inburgeringsplichtigen aan wie een beschikking bekend wordt gemaakt, respectievelijk een kennisgeving wordt verstrekt) niet onder te brengen in het systeem van outputfinanciering. Aan gemeenten wordt gevraagd het aantal bekendgemaakte handhavingsbeschikkingen en verstrekte kennisgevingen mede te delen. Voor een goed begrip wordt er op gewezen dat de inburgeringsplichtige met de bekendmaking van de handhavingsbeschikking of kennisgeving op de hoogte wordt gesteld van de termijn waarbinnen hij het inburgeringexamen moet hebben behaald. De inburgeringsplichtige moet zich vervolgens zelf voorbereiden op dat examen, waarbij hij zelf kan bepalen hoe en wanneer hij dat doet, mits hij binnen de voor hem geldende termijn blijft (artikel 7 van de wet).

Gemeenten worden vooraf bevoorschot op basis van de hiervoor genoemde verdeelsleutel. Nadat de gemeenten de hiervoor genoemde gegevens hebben verstrekt, stelt de minister dit deel van de rijksbijdrage vast onder verrekening van het verleende voorschot.

15.2.3 Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage

Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage is bedoeld voor meerdere taken, welke hiervoor zijn omschreven.

Het prestatie-element grijpt echter slechts aan op één taak: het vaststellen van (gecombineerde) inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, alsmede het vaststellen van inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet. Aldus worden ten behoeve van de bekostiging van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage drie categorieën inburgeringsplichtigen gehanteerd.

Kort gezegd wordt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage per gemeente vastgesteld aan de hand van het aantal inburgeringsplichtigen voor wie in een bepaald jaar een (gecombineerde) inburgeringsvoorziening is vastgesteld en het aantal inburgeringsplichtigen dat daarna binnen drie kalenderjaren deelneemt aan het inburgeringsexamen. Hiertoe worden tien prestatie-indicatoren gehanteerd, die zijn opgesomd in artikel 7.1.

Ten behoeve van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt een stelsel van bevoorschotting en vaststelling gehanteerd. Het voor inburgering beschikbare macrobudget is vastgelegd in de Rijksbegroting. Vervolgens wordt het voor het prestatie-afhankelijke deel beschikbare deel van het macrobudget indicatief verdeelt over alle gemeenten via de eerder genoemde verdeelsleutel. Dit is het indicatieve voorschot dat door de minister per gemeente wordt vastgesteld. Vervolgens kan iedere gemeente reageren op het voor haar geldende indicatieve voorschot. Dit stelt de gemeente in staat ook haar eigen ambities met betrekking tot inburgering te formuleren. De gemeente legt die ambitie vast door aan te geven welke prestaties de gemeente het volgende jaar denkt te verwezenlijken, in termen van het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in onderscheidenlijk artikel 19, eerste lid, onderdeel a, artikel 19, eerste lid, onderdeel b, en artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie door de desbetreffende gemeente een (gecombineerde) inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld. Dit wordt de prognose genoemd.

Indien een gemeente een hoger ambitieniveau wenst, dan geeft de gemeente een prognose af die hoger is dan de prognose welke correspondeert met het indicatieve voorschot. Zowel een lagere prognose als een prognose die exact correspondeert met het indicatieve voorschot zal altijd leiden tot verlening van een voorschot dat overeenkomt met de gemeentelijke ambitie. Hogere prognoses worden zoveel mogelijk gehonoreerd, mits en voor zover er voldoende budget aanwezig is.

15.2.4 De prestatie-indicatoren

Om het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage te kunnen vaststellen en bevoorschotten, wordt gebruik gemaakt van tien prestatie-indicatoren. Voor iedere inburgeringsplichtige is er één indicator die wordt gehanteerd ter vaststelling van de start van de inburgering en één indicator die wordt gebruikt ter vaststelling van de afronding van de inburgering. De afronding van de inburgering wordt gemeten aan de hand van deelname aan het inburgeringsexamen (zowel het centrale deel als het praktijkdeel).

Ten behoeve van de bevoorschotting worden met de gemeente afspraken gemaakt ten aanzien van vijf prestatie-indicatoren, te weten de indicatoren welke worden gehanteerd voor de start van de inburgering. Drie jaren nadat een gemeente is bevoorschot ten behoeve van een cohort inburgeringsplichtigen worden van dat cohort de prestaties gemeten aan de hand van de indicatoren voor de start en de indicatoren voor de deelname aan het inburgeringsexamen. Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt vervolgens aan de hand van deze prestaties vastgesteld. De start van de inburgering en de deelname aan het inburgeringsexamen zal in het Informatiesysteem Inburgering, beheerd door de IB-Groep, worden geregistreerd.

15.2.5 De vergoedingen

Bevoorschotting en vaststelling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage geschiedt door de definitieve prognose, respectievelijk de prestaties per gemeente te vermenigvuldigen met twee vergoedingen: de voorschotvergoeding en de bijdragevergoeding. Bevoorschotting geschiedt telkens volledig: gemeenten krijgen vooraf het volledige bedrag waarop aanspraak kan worden gemaakt indien alle geprognosticeerde prestaties worden verricht.

Ten behoeve van de bevoorschotting kunnen meerdere voorschotvergoedingen worden gehanteerd, afhankelijk van de categorie inburgeringsplichtige en het type inburgeringsvoorziening. De voorschotvergoedingen strekken ertoe om gemeenten in staat te stellen om inburgeringscursussen in te kopen op een markt die wordt gekenmerkt door vrije concurrentie. De verwachting is dat door die concurrentie de kostprijs van deze inburgeringscursussen zal dalen. Om het effect van de marktwerking op de prijzen van de inburgeringscursussen te kunnen bepalen, wordt jaarlijks door middel van een prijsmonitor informatie met betrekking tot de door gemeenten betaalde prijzen bij de inkoop ingewonnen. De prijsgegevens worden jaarlijks verzameld en leiden tot een gerealiseerde landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus.

Voor het jaar waarop het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage betrekking heeft – het jaar ten behoeve waarvan aan de gemeente een voorschot is verstrekt en waarin de inburgeringsplichtigen beginnen met de inburgering – wordt op basis van de gerealiseerde landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus van het jaar daarvoor, de voorschotvergoedingen voor (gecombineerde) inburgeringsvoorzieningen voor de verschillende categorieën inburgeringsplichtigen bepaald. Daarnaast wordt in de voorschotvergoeding de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet verdisconteerd. Immers, de eigen bijdrage is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van de inburgeringsvoorziening en dat deel hoeft niet meer door het rijk te worden bekostigd.

De bijdragevergoeding wordt gebruikt om het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vast te stellen. Deze vergoeding wordt berekend op basis van de gerealiseerde landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus, waarbij vervolgens rekening wordt gehouden met een door de minister vastgestelde verhouding tussen de start- en deelname examen-indicatoren in relatie tot de bijdragevergoedingen, alsmede met een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. De verhouding tussen de start- en deelname examen-indicatoren zal vooralsnog worden vastgesteld op 30% start en 70% deelname examen. Het zwaartepunt van de bekostiging ligt derhalve op de deelname aan het inburgeringsexamen. Er is dus voor gemeenten een duidelijke stimulans om zoveel mogelijk inburgeringsplichtigen te laten deelnemen aan dat inburgeringsexamen. Tenslotte wordt ook in de bijdragevergoeding de hoogte van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige verdisconteerd.

Omdat er ten aanzien van de start van de inburgering geen sprake kan zijn van uitval zal, indien een gemeente minder (gecombineerde) inburgeringsvoorzieningen vaststelt, de gemeente het deel van het voorschot terug moeten betalen dat daarop betrekking heeft. Ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen wordt uitgegaan van een uitvalpercentage van 10%. Een gemeente die beter presteert dan dit gemiddelde krijgt een hogere vergoeding, en een gemeente die slechter presteert een lagere. Bovengenoemd uitvalpercentage van 10% is gebaseerd op ervaringsgegevens met betrekking tot de Wet inburgering nieuwkomers.

Zoals hiervoor al is opgemerkt, is het prestatie-afhankelijke deel tevens bedoeld voor de bekostiging van een aantal andere taken. De bijdragevergoedingen die in relatie tot de prestatie-indicatoren worden gehanteerd, worden op een dusdanige hoogte vastgesteld dat deze taken geacht worden hieruit te kunnen worden bekostigd.

Zowel voorschotvergoedingen als bijdragevergoedingen worden jaarlijks vóór 15 september bekendgemaakt.

15.2.6 Vaststelling, verrekening en betaling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage

De vaststelling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage geschiedt aan de hand van de gerealiseerde prestaties: de prestaties met betrekking tot de start zien op het kalenderjaar ten behoeve waarvan het voorschot is verleend; de prestaties met betrekking tot de deelname aan het inburgeringsexamen zien op drie kalenderjaren, te weten het hiervoor genoemde jaar en de twee daarop volgende kalenderjaren. Aldus wordt voor wat betreft de bekostiging van gemeenten een cohort inburgeringsplichtigen gevolgd: van de personen die zijn gestart met de inburgering wordt vastgesteld of zij in voornoemde termijn hebben deelgenomen aan het inburgeringsexamen

De bekostiging van gemeenten voor wat betreft de met het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage corresponderende taken wordt derhalve feitelijk beperkt tot drie jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin een cohort inburgeringsplichtigen begint met de inburgering. Hoewel de prestaties met betrekking tot de indicator «start» al na één jaar vastgesteld en met het verleende voorschot verrekend zouden kunnen worden, moet voor de prestaties met betrekking tot de indicator «deelname examen» een ruimere termijn gelden. Immers, niet van iedere inburgeringsplichtige kan worden verwacht dat hij al snel na het begin van zijn inburgering het inburgeringsexamen kan afleggen. Het examen dient in beginsel binnen ten hoogste vijf jaar te worden behaald, maar gemeenten mogen bij aanvang van de inburgering ook met de inburgeringsplichtige de afspraak maken dat hij eerder aan het examen deelneemt. Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/2006, 30 308, nr. 3, blz. 113), gaat de regering er mede op grond van het tweede deeladvies van de Commissie Franssen van uit dat het voor inburgeringsplichtigen haalbaar is om binnen drie jaar na het ontstaan van de inburgeringsplicht voor het inburgeringsexamen te slagen. Deelname aan het inburgeringsexamen binnen drie jaar wordt derhalve als een reële termijn beschouwd. Dit betekent dat de gemeente drie jaar de tijd heeft om 90% – zoals hiervoor al is aangegeven, is het uitvalpercentage 10% – van de inburgeringsplichtigen met wie in een cohort is gestart, aan het examen te laten deelnemen. Slaagt de gemeente er voor dat cohort in om meer dan 90% te laten deelnemen, met een maximum van 100%, dan krijgt de gemeente een bonus, zijn het er minder dan 90% dan krijgt de gemeente een malus. Drie jaren nadat een cohort is gestart met inburgeren, vindt de verrekening met het eerder ten behoeve van dit cohort verleende voorschot plaats en wordt een eventueel positief dan wel negatief verschil betaald dan wel geïnd.

De reden waarom de genoemde cohortbenadering wordt gevolgd, is tweeledig. In de eerste plaats is een cohortfinanciering eenvoudiger te hanteren, indien wordt gewerkt met bijdragevergoedingen die als gevolg van de marktwerking ten aanzien van de in te kopen inburgeringscursussen jaarlijks kunnen fluctueren. Het verleende voorschot kan aldus op eenvoudige worden verrekend met de prestaties van een cohort inburgeringsplichtigen dat in dat jaar is gestart. Aangezien in dat jaar de inburgeringscursussen zijn ingekocht, is er per cohort ook slechts sprake van één bijdragevergoeding per categorie inburgeringsplichtige.

In de tweede plaats is een cohortfinanciering eenvoudiger te hanteren bij de vaststelling van de rijksbijdrage en de verrekening met het verleende voorschot. Indien namelijk ten behoeve van een bepaald jaar wordt bevoorschot op basis van een aantal start-indicatoren en er na afloop van dat jaar wordt verrekend op basis van diezelfde start-indicatoren én op basis van examen-indicatoren kunnen de aantallen inburgeringsplichtigen die bij de bevoorschotting in acht zijn genomen en de aantallen inburgeringsplichtigen die bij de vaststelling en verrekening in acht dienen te worden genomen sterk van elkaar verschillen. Immers, in ieder jaar zullen inburgeringsplichtigen deelnemen aan het inburgeringsexamen die in verschillende jaren zijn gestart en dus uit verschillende cohorten voortkomen. Indien de bij de bevoorschotting te betrekken aantallen inburgeringsplichtigen enerzijds en bij de vaststelling en de verrekening te betrekken aantallen inburgeringsplichtigen anderzijds te sterk van elkaar verschillen, doen zich in het betalingsritme van rijk naar gemeenten ongewenste schommelingen voor. Bij een cohortfinanciering doet dit probleem zich niet voor: er kunnen nooit meer inburgeringsplichtigen deelnemen aan het examen dan er zijn begonnen met inburgering.

De hiervoor geschetste cohortfinanciering betekent tevens dat in de eerste jaren van het inburgeringsstelsel er met betrekking tot het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage enkel voorschotten worden verleend en betaald; verrekening vindt pas voor het eerst plaats in 2010. In dat jaar worden namelijk de prestaties van het cohort 2007 verrekend.

15.3 Bekostiging van de grote steden

Zoals al is gememoreerd, is hoofdstuk 7 van dit besluit niet van toepassing op gemeenten die op grond van het Besluit BDU-SIV een brede doeluitkering in het kader van het Grotestedenbeleid ontvangen. Om de wet te kunnen uitvoeren, dient inburgering voor de grote steden derhalve onderdeel uit te maken van deze brede doeluitkering.

In het besluit is een aantal wijzigingen van het Besluit BDU-SIV opgenomen. Ten dele zijn dit wijzigingen die alle onderdelen van de BDU-SIV raken en ten dele zijn het wijzigingen die specifiek samenhangen met inburgering. Met de laatstgenoemde wijzigingen wordt enerzijds beoogd zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het karakter van het bekostigingsstelsel zoals dat hiervoor is beschreven en anderzijds zoveel mogelijk recht te doen aan de uitgangspunten van het Grotestedenbeleid zoals deze zijn beschreven in de nota van toelichting bij het Besluit BDU-SIV (Stb. 2005, 264, blz. 15).

Het Rijk volgt gedurende de derde periode van het GSB de ontwikkelingen in de stad op het punt van de in het meerjaren ontwikkelingsprogramma (het MOP) opgenomen te bereiken resultaten. Aan het MOP worden de resultaten welke de steden op het gebied van inburgering dienen te bereiken toegevoegd.

De GSB-stad verstrekt daartoe gegevens over de voortgang van de realisatie van die te bereiken resultaten. In 2007 vindt een midterm review plaats, die kan leiden tot een verlaging van de verleende uitkering. Voor inburgering komt een midterm review in 2007 te vroeg, omdat het bekostigingsstelsel dan net van start is gegaan. Derhalve zal er voor inburgering een midterm review in 2008 komen. De GSB-stad zal op basis van artikel 12, onderdeel b, van het Besluit BDU-SIV gegevens moeten verstrekken ten behoeve van deze midterm review.

Het hiervoor beschreven bekostigingsstelsel en de BDU-SIV zijn beide gebaseerd op outputfinanciering. Artikel 26, eerste lid, van het Besluit BDU-SIV biedt de mogelijkheid dat het gemeentebestuur een periode kan worden gegeven om afgesproken maar ontbrekende resultaten alsnog te realiseren. Dit artikel ziet met name op grootschalige fysieke ingrepen (bijvoorbeeld herstructurering van woonwijken en bedrijfsterreinen). Bij dit soort ingrepen kan onvoorziene vertraging optreden als gevolg van bijvoorbeeld bodemverontreiniging of bezwaarprocedures van belanghebbenden. Dat soort onvoorziene omstandigheden doet zich in de praktijk bij inburgering niet voor. De «kan»-bepaling in het eerste lid van artikel 26 zal derhalve voor wat betreft inburgering niet worden toegepast.

16. Inburgeringsexamen en verblijfsvergunning

De vreemdeling die verblijf op permanente basis in Nederland beoogt, moet beschikken over voldoende (culturele) kennis en (taal)vaardigheden om volwaardig te kunnen deelnemen aan onze samenleving. Daarom wordt het behalen van het inburgeringsexamen op grond van de artikelen 16a, eerste lid, 21, eerste lid, onderdeel g, en 34, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals die luiden ingevolge artikel 54 van de Wet inburgering, als voorwaarde gesteld om voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, respectievelijk een verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen. In het belang van de sociale cohesie van onze samenleving en de ontplooiingsmogelijkheden van de betrokken vreemdeling waarborgt dat nieuwe inburgeringsvereiste, zoals gezegd, dat de vreemdeling aan wie het op basis van die vergunning wordt toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, ook daadwerkelijk beschikt over voldoende kennis om in onze samenleving te kunnen participeren. Zie hierover nader de paragrafen 2.7 van de algemene delen van de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 29–32 en nr. 7, blz. 116–122).

Op voorhand zij erop gewezen dat de door dit besluit aangebrachte wijzigingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 niet dwingen tot afwijzing van de aanvraag indien dat in strijd zou komen met internationale verplichtingen, zoals bijvoorbeeld voortvloeiende uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de diverse VN-verdragen.

17. Overgangsrecht

Artikel 64, vierde lid, van de Wet inburgering maakt het mogelijk om in aanvulling op het in de wet geregelde overgangsrecht nadere overgangsrechtelijke voorzieningen te treffen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. In hoofdstuk 9 is hiervan gebruik gemaakt door het treffen van een overgangsregeling voor de afwikkeling van ten tijde van inwerkingtreding van de wet lopende ontheffingsprocedures terzake van de Wet inburgering nieuwkomers, door het treffen van een overgangsregeling voor inburgeringsplichtigen die op het moment van inwerkingtreding van de wet een opleiding Nederlands als tweede taal volgen, alsmede door het treffen van een regeling met betrekking tot de financiële afwikkeling van de bekostiging van gemeenten op grond van de Wet inburgering nieuwkomers. Voorts zijn enkele bepalingen opgenomen die ten doel hebben het bekostigingsstelsel op een correcte wijze van start te laten gaan.

Tevens bevat hoofdstuk 9 het overgangsrecht bij de in hoofdstuk 8 van dit besluit opgenomen wijzigingen van het Vreemdelingenbesluit 2000.

18. Financiële aspecten en administratieve lasten

18.1 Financiële aspecten

Het nieuwe inburgeringsstelsel wordt gefinancierd op basis van de huidige begroting van het Ministerie van Justitie, aangevuld met over te hevelen educatiegelden vanaf de inwerkingtreding van de Wet inburgering in 2007 (vgl. de wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de wet van 16 februari 2006, Stb. 128). De berekeningen voor de kosten van het inburgeringsstelsel zijn gebaseerd op de te verwachten aantallen inburgeringsplichtigen en de kosten zoals deze voortvloeien uit de verschillende in de wet en dit besluit genoemde maatregelen en faciliteiten. Het spreekt voor zich dat bij deze kostenramingen in dit stadium deels aannames gedaan moeten worden. Dat betreft onder meer het aantal nieuwkomers en het aantal inburgeraars dat zich op eigen initiatief op het examen voorbereidt. Ook de ontwikkeling van de kosten van de inburgeringsvoorzieningen is niet op voorhand met zekerheid te ramen. Het financiële kader zal tegen deze achtergrond bezien moeten worden en is dan ook een startmodel. Het brengt met zich mee dat de feitelijke ontwikkelingen en de te realiseren aantallen gemonitord moeten worden om indien nodig het kader bij te stellen.

Het aantal nieuwkomers is per definitie variabel en is dus moeilijk vooraf exact te bepalen. Dit kunnen zowel personen zijn die een aanbod van de gemeente krijgen als personen die actief worden gehandhaafd, maar zelf de eigen inburgering moeten regelen (vooral gezinsvormers en -herenigers die in het land van herkomst reeds het inburgeringsexamen hebben behaald).

Binnen het beschikbare budget zijn financiële middelen vrijgemaakt om voorrang te kunnen geven aan de inburgering van de bijzondere groepen die in aanmerking komen voor een aangeboden inburgeringsvoorziening. Het gaat daarbij om personen zonder inkomsten uit arbeid of uitkering (met name allochtone vrouwen in een achterstandspositie), geestelijke bedienaren, asielmigranten en uitkeringsgerechtigden.

Voor het aanbieden van inburgeringscursussen is in de eerste jaren jaarlijks een bedrag van in totaal € 172 miljoen beschikbaar, waarmee naar verwachting aan bijna 47.000 inburgeringsplichtigen per jaar een cursusaanbod kan worden gedaan.

Voorts zijn middelen vrijgemaakt voor oudkomers die zelf het initiatief nemen om in te burgeren dan wel door de gemeente actief gehandhaafd worden zonder dat zij in aanmerking komen voor een aanbod. Vanzelfsprekend is op voorhand niet precies aan te geven hoeveel personen ook daadwerkelijk per jaar aan hun inburgeringsplicht zullen voldoen.

De gemeenten voeren in het nieuwe stelsel een aantal belangrijke taken uit. Het Rijk stelt aan de gemeenten daartoe toereikende middelen ter beschikking. De vergoeding aan de gemeenten heeft met name betrekking op de volgende taken:

– het handhaven van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen die geen aanbod krijgen (kosten voor selectie, intake, handhaving, vaststelling en inning boetes);

– het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan uitkeringsgerechtigden, asielmigranten, geestelijke bedienaren en inburgeringsplichtigen zonder inkomsten uit arbeid of met een uitkering (onder meer voor kosten voor selectie, intake, handhaving, de voorzieningen zelf, vaststelling en inning eigen bijdragen en boetes);

– het verstrekken van informatie.

Op basis van de huidige inzichten betreft het bedrag dat het Rijk aan gemeenten ter beschikking zal stellen ruim € 225 miljoen structureel per jaar.

18.2 Administratieve lasten voor burgers

In de paragrafen 5.2 en 5.3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering is aangegeven dat de inschatting van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven in het nieuwe inburgeringsstelsel opgenomen zou worden in de nota van toelichting bij het Besluit inburgering. De uren en bedragen die in deze paragraaf zijn opgenomen als administratieve lasten zijn de administratieve lasten die voortvloeien uit het wetsvoorstel en uit de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007 en de Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid in verband met de inwerkingtreding van de Wet inburgering. Laatstgenoemde regeling voor wat betreft de regeling voor de vrijwillige inburgering voor de G31 gemeenten. De twee hiervoor genoemde regelingen regelen de vrijwillige inburgering voor niet-inburgeringsplichtigen. Bij de inschatting van de administratieve lasten in de paragrafen 5.2 en 5.3 van de memorie van toelichting zijn de administratieve lasten die voortvloeien uit de Wet inburgering en de bovengenoemde regelingen samengenomen, omdat de gemeenten de vrijheid hebben de verdeling te bepalen van de aan te bieden inburgeringsvoorzieningen over inburgeringsplichtigen op grond van de Wet inburgering en (vrijwillige) inburgeraars op grond van de Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007 en de Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid in verband met de inwerkingtreding van de Wet inburgering. Hoe deze verdeling voor een bepaald jaar zal zijn, wordt pas achteraf bij de verantwoording duidelijk. Uit het besluit sec vloeien geen extra administratieve lasten voort ten opzichte van de wet.

Onder de Wet inburgering en de beide hierboven genoemde regelingen kan jaarlijks een grotere groep met de inburgering starten dan voorheen. De ramingen voor de administratieve lasten zijn in dit stadium echter nog nadrukkelijk gebaseerd op aannames. Dat geldt zowel voor de aantallen inburgeringsplichtigen en (vrijwillige) inburgeraars als de tijd en kosten die gemoeid zijn met de handelingen die onder de administratieve lasten vallen. De schattingen van het aantal inburgeringsplichtigen en (vrjiwillige) inburgeraars hebben betrekking op nieuwkomers en oudkomers die zich op verschillende wijzen voorbereiden op het inburgeringsexamen. De administratieve lasten onder dit stelsel verschillen per burger en per groep burgers: inburgeringsplichtigen en (vrijwillige) inburgeraars met een aanbod, inburgeringsplichtigen die worden gehandhaafd zonder aanbod en inburgeringsplichtigen die zich op eigen initiatief voorbereiden op het examen (zelfmelders). In de berekeningen is ervan uitgegaan dat per jaar circa 74.000 inburgeringsplichtigen en (vrijwillige) inburgeraars hun inburgering actief kunnen oppakken.

Voor de berekening van de administratieve lasten voor de burgers zijn de relevante handelingen geïnventariseerd. De daarbij gehanteerde aantallen zijn afhankelijk van handeling in kwestie. De volgende handelingen zijn in de berekening opgenomen:

– het verzamelen van informatie over de inburgeringsplicht door zelfmelders, inclusief de daarvoor benodigde reistijd;

– de intake ten behoeve van de handhaving (met of zonder aanbod), de voorbereiding van de intake en de reistijd;

– het verzamelen van gegevens en de reistijd voor het verkrijgen van een advies omtrent lichamelijke of psychische belemmeringen of een verstandelijke handicap ten behoeve van een ontheffing op grond van artikel 6, eerste lid, van de wet en artikel 2.8 van dit besluit, alsmede het aanvragen van deze ontheffing;

– de inschrijving bij een onderwijsinstelling en de daarbij behorende reistijd;

– het aanvragen van een lening als bedoeld in artikel 16 van de wet;

– de aflossing van de lening, het aanvragen van een draagkrachtmeting en/of het verzoeken om kwijtschelding van de schuld (op grond van de artikelen 16 en 17 van de wet en 4.9 en 4.13, eerste lid, van dit besluit);

– het aanvragen van een ontheffing (op grond van de artikelen 31, tweede lid, van de wet en 5.4.en 5.5. van dit besluit) in het geval dat de inburgeringsplichtige niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen of een verlenging van termijn waarbinnen het examen moet zijn behaald;

– het inschrijven voor het inburgeringsexamen of de korte vrijstellingstoets;

– het aanvragen van een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de wet;

– het indienen van een bezwaarschrift bij de gemeente of de IB-Groep, het bezoeken van de hoorzitting en het in beroep gaan bij de rechter terzake van besluiten die op grond van de wet kunnen worden genomen (bijv. beschikkingen n.a.v. de aanvraag om een ontheffing en beschikkingen tot oplegging van een bestuurlijke boete).

Naast geschatte tijdsbesteding ten behoeve van deze handelingen van ca 346.000 uur wordt een bedrag van € 158.000 aan out-of-pocketkosten voorzien. Bij een gemiddeld uurtarief van € 20 is dat in totaal ongeveer € 7.078.000. Dit is een vermindering ten opzichte van de kosten in de oude situatie, zoals vermeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (vermeld waren respectievelijk ca. 461.000 uur en € 295.000, in totaal € 9.515.000).

In de eerste jaren zullen de kosten lager liggen omdat een deel van de handelingen, zoals die ten behoeve van vergoedingen, aflossingen, termijnverlenging, examens en bezwaar en beroep, in het begin niet of minder aan de orde zullen zijn. De administratieve lasten voor de burgers hebben deels een tijdelijk karakter. Het deel van de lasten dat betrekking heeft op oudkomers zal na een aantal jaren vervallen, omdat deze groep dan het inburgeringsexamen zal hebben behaald. Als structurele administratieve lasten blijven uiteindelijk alleen de lasten die betrekking hebben op de nieuwkomers bestaan. De administratieve lasten die met deze groep van ca. 15.500 nieuwkomers per jaar samenhangen bedragen ca. 92.000 uur en ca. € 41.000 aan out-of-pocketkosten. Totaal ongeveer € 1.881.000.

De uitgangspunten voor het nieuwe inburgeringsstelsel vloeien voort uit het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Balkenende II. Ze leiden tot de invoering van een inburgeringsplicht voor oudkomers, die vreemdelingen zijn, naast de al bestaande inburgeringsplicht voor nieuwkomers en tot het doen van een aanbod voor een inburgeringsvoorziening voor diegenen die niet tot inburgering verplicht kunnen worden. Voor inburgeringsplichtigen geldt een eenduidige resultaatsverplichting: inburgeringsplichtigen moeten slagen voor het inburgeringsexamen. Daarbij staat de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan zich zonder inburgeringsvoorziening van de gemeente voorbereiden op het inburgeringsexamen. Om dit te mogelijk te maken worden verschillende faciliteiten in het leven geroepen: leningen en vergoedingen. Daarnaast speelt de gemeente een belangrijke rol waar het gaat om het verifiëren van de inburgeringsplicht, de handhaving van de inburgeringsplicht, het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan specifieke categorieën inburgeringsplichtigen en aan (vrijwillige) inburgeraars en het nemen van beslissingen op ontheffingsverzoeken.

De administratieve lasten voor de burger blijven in het nieuwe stelsel beperkt door de wijze waarop het stelsel wordt ingevuld. Omdat er voor inburgeringsplichtigen een resultaatsverplichting is, kan worden volstaan met een minimum aan procedurele verplichtingen. Daarnaast zijn bij de invulling van het nieuwe stelsel verschillende keuzes gemaakt die leiden tot een lagere administratieve lastendruk voor de burger, zoals:

– de keuze voor een centraal informatiesysteem voor inburgering met een relatie naar de GBA en andere relevante gegevensbestanden, waardoor inburgeringsplichtigen en (vrijwillige) inburgeraars dezelfde gegevens slechts één keer hoeven te verstrekken;

– de keuze voor een apart bestand met potentieel inburgeringsplichtigen, waardoor personen niet ten onrechte als inburgeringsplichtige worden benaderd als uit de beschikbare bestanden al blijkt dat ze niet inburgeringsplichtig kunnen zijn;

– de keuze voor centrale en onderling gerelateerde faciliteiten ten behoeve van leningen en vergoedingen, waardoor inburgeringsplichtigen niet worden belast met onnodige administratieve verplichtingen, zoals de verrekening van de vergoeding met de uitstaande lening en de uitbetaling van de forfaitaire vergoeding;

– de keuze voor geïntegreerde samenloopvoorzieningen reïntegratie-inburgering waar het gaat om het aanbieden van voorzieningen aan uitkeringsgerechtigden, waardoor inburgeringsplichtigen met een dergelijk aanbod één aanspreekpunt hebben.

Bij het inrichten van het nieuwe inburgeringsstelsel wordt de gegevensverstrekking door de inzet van geautomatiseerde systemen zoveel mogelijk beperkt tot een eenmalige handeling, waardoor de administratieve lasten laag zullen blijven. Per saldo leidt de invoering van de Wet inburgering en de regelingen voor vrijwillige inburgering tot een vermindering van de administratieve lastendruk voor burgers, ondanks de verwachting dat het aantal personen dat zal inburgeren toeneemt van ongeveer 40.000 in de oude situatie naar ongeveer 74.000 in de nieuwe situatie en het feit dat een inburgeringsplicht voor groepen oudkomers wordt ingevoerd.

18.3 Administratieve lasten voor bedrijven

De administratieve lasten die voor het bedrijfsleven uit de Wet inburgering voortvloeien, zijn beperkt. De bedrijven waar het om gaat zijn cursusinstellingen met een keurmerk of certificaat, aangewezen exameninstellingen en artsen die een advies afgeven omtrent lichamelijke of psychische belemmeringen of een verstandelijke handicap. De cursusinstellingen moeten gegevens over de cursuskosten die cursisten hebben gemaakt aanleveren bij de IB-Groep ten behoeve van het verstrekken van leningen en kostengerelateerde vergoedingen. Ook moeten cursusinstellingen gegevens over cursisten verstrekken aan gemeenten in verband met de door gemeenten aangeboden voorzieningen. De exameninstellingen moeten gegevens verstrekken met betrekking tot de examenresultaten en gegevens die van belang zijn voor het toezicht op de exameninstellingen.

De IB-Groep verzorgt binnen het nieuwe inburgeringsstelsel een aantal taken op het terrein van het verstrekken van leningen en vergoedingen en het afnemen van examens. De IB-Groep is echter een zelfstandig bestuursorgaan. Uit dien hoofde vallen de administratieve lasten van dit orgaan buiten het kader van de administratieve lasten voor bedrijven.

In de schatting van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zijn de volgende handelingen opgenomen:

– het verstrekken van informatie door cursusinstellingen aan de IB-Groep ten behoeve van het verstrekken van leningen;

– het door artsen opstellen en aan de gemeente verstrekken van een advies voor het vaststellen van lichamelijke of psychische belemmeringen of een verstandelijke handicap;

– het verstrekken van de resultaten van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen door aangewezen exameninstellingen aan de IB-Groep;

– het verstrekken van informatie door cursusinstellingen aan de IB-Groep ten behoeve van het vaststellen van de kostengerelateerde vergoeding;

– het verstrekken van informatie door cursusinstellingen aan de gemeente ten behoeve van het handhaven van de deelname aan de cursussen.

De aanbesteding van inburgeringscursussen door gemeenten heeft betrekking op onderwijsdiensten. Hiervoor geldt een regime waarbinnen een beperkt aantal partijen kan worden aangeschreven en publicatie vooraf niet verplicht is. Deze aanbestedingsprocedures leiden niet tot administratieve lasten bij de cursusinstellingen.

Naast de genoemde structurele lasten zijn voor de informatieverplichtingen geen eenmalige lasten bij het bedrijfsleven voorzien. De structurele administratieve lasten worden geschat op ca. € 2,7 miljoen per jaar. De eerste jaren zal ook het bedrag voor het bedrijfsleven overigens lager liggen. Ook hier zullen op termijn alleen de lasten ten behoeve van de nieuwkomers overblijven.

Ook ten aanzien van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven dragen de binnen de uitgangspunten van het nieuwe inburgeringsstelsel gemaakte keuzes bij aan het beperkt houden van deze lasten. De invoering van marktwerking is een centraal uitgangspunt van het nieuwe inburgeringsstelsel. Daarbij is gekozen voor een lichte vorm van regulering, die vrijwel geheel wordt overgelaten aan de marktpartijen zelf. Deze marktsituatie leidt tot een vermindering van de administratieve lastendruk, zeker in vergelijking met de Wet inburgering nieuwkomers. In die gevallen waarin een cursus- of exameninstelling informatie moet verstrekken aan de IB-Groep leiden de keuzes voor een centrale lening- en vergoedingenfaciliteit en een centraal informatiesysteem ertoe dat deze informatieverstrekking kan worden gestandaardiseerd en gestroomlijnd, waardoor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven beperkt blijven tot het hoogst noodzakelijke.

Uit het besluit sec vloeien extra administratieve lasten voort die samenhangen met het aanwijzen van exameninstellingen en het toezicht op deze instellingen. Deze administratieve lasten worden geschat op circa € 45.000 per jaar.

De verwachte administratieve lasten in het nieuwe inburgeringsstelsel zijn niet zonder meer vergelijkbaar met de administratieve lasten in de oude situatie. Dit komt in de eerste plaats omdat bij de Wet inburgering nieuwkomers geen sprake was van marktwerking, maar van gedwongen winkelnering. Daarnaast had het vroegere oudkomersbeleid geen verplichtend karakter voor burgers en marktpartijen. In beide gevallen gaat het derhalve niet om administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Omwille van de vergelijkbaarheid is echter toch een indicatieve inschatting van de lasten in de oude situatie gemaakt. Deze resulteert in een bedrag van ongeveer € 3 miljoen, waarvan € 1,7 miljoen voor nieuwkomers en 1,3 miljoen voor oudkomers. De lasten zijn met name te wijten aan de (verplichte) afname van toetsen en de verstrekking van informatie aan de gemeenten hierover en aan de verantwoordingsverplichting van de regionale opleidingencentra aan de gemeenten in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1.1 (definities)

In dit artikel zijn begrippen opgenomen die in dit besluit en de daarop berustende ministeriële regeling (de Regeling inburgering) worden gehanteerd. Daarmee is beoogd het formuleren van de bepalingen in deze regelgeving te vereenvoudigen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de in artikel 1 van de wet opgenomen definities doorwerken in het onderhavige besluit. Dit geldt bijvoorbeeld voor begrippen als «Onze Minister», «inburgeringsplichtige», «oudkomer», «inburgeringsplicht», «college», «exameninstelling», «cursusinstelling» en «sociaal-fiscaalnummer», die ook in dit besluit worden gehanteerd.

De in de onderdelen h tot en met o opgenomen begripsomschrijvingen bevatten de kernelementen van het in hoofdstuk 7 geregelde bekostigingsstelsel.

Met de in onderdeel i opgenomen begripsomschrijving wordt uitsluitend de beschikking op grond van artikel 26 van de wet bedoeld waarbij voor een oudkomer die niet een van gemeentewege aangeboden inburgeringsvoorziening heeft aanvaard, de aanvangsdatum van de in dit artikel genoemde termijnen wordt bepaald. De beschikking ingevolge artikel 20, tweede lid, van de wet tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening waarbij mede toepassing wordt gegeven aan artikel 26 van de wet, valt uitdrukkelijk niet onder deze begripsomschrijving.

HOOFDSTUK 2 INBURGERINGSPLICHT

AFDELING 1. INBURGERINGSPLICHT VAN VREEMDELINGEN

Artikel 2.1 (tijdelijke verblijfsdoelen vreemdelingen)

In dit artikel is geregeld in welke gevallen een vreemdeling voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft en om die reden niet inburgeringsplichtig is.

Eerste lid

Met het oog op het bovenstaande is in het eerste lid aangesloten bij artikel 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin is uitgewerkt in welke gevallen de houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000) een tijdelijk verblijfsrecht heeft en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000). De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend onder een beperking verband houdend met het doel waarvoor verblijf is toegestaan. Sommige van deze doelen zijn tijdelijk van aard (bijvoorbeeld verblijf als au pair of voor medische behandeling) en andere zijn dat niet (bijvoorbeeld verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming met een Nederlander of een vreemdeling die duurzaam in Nederland verblijft). In artikel 3.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is geregeld welke van deze doelen voor de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 tijdelijk zijn.

Familieleden (onderdeel a)

Het verblijf van een gezinslid van een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, is ook tijdelijk. Het verblijfsrecht van dat gezinslid is afhankelijk van dat van de persoon bij wie dat gezinslid verblijft. Datzelfde geldt ten aanzien van het pleegkind van een dergelijke persoon. Indien die persoon Nederland verlaat, zal ook het afhankelijke gezinslid Nederland moeten verlaten. Om die reden zijn ook de gezinsleden van personen die tijdelijk in Nederland verblijven, niet inburgeringsplichtig. Met dit onderdeel wordt de regeling van het tijdelijke verblijf van afhankelijke gezinsleden gecontinueerd die voorheen was opgenomen in artikel 2, tweede lid, van de voormalige Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel, en – wat betreft arbeidsmigranten – in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet inburgering nieuwkomers. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel a, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Anders dan in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt in artikel 2.1 van dit besluit niet verwezen naar de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie. Gelet op de leeftijdsgrenzen en het maximale leeftijdsverschil tussen het kind en de aspirant adoptiefouders in de artikelen 3 en 5 van die wet en op vereisten voor inburgeringsplichtigheid in artikel 3, eerste lid, van de Wet inburgering, is dat niet zinvol.

Voorts wordt in tegenstelling tot het reguliere vreemdelingenrecht het verblijf van asielmigranten voor de toepassing van de Wet inburgering in het belang van de noodzakelijke integratie niet als tijdelijk aangemerkt (zie het derde lid), hetgeen betekent dat deze vreemdelingen moeten inburgeren. Uit onderdeel a van het eerste lid volgt hetzelfde ten aanzien van hun gezinsleden. In het reguliere vreemdelingenrecht wordt het verblijf van (gezinsleden van) houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de toepassing van hoofdstuk III van het Vreemdelingenbesluit 2000 echter wel aangemerkt als tijdelijk van aard.

Familiebezoek (onderdeel b)

Aangezien verblijf in Nederland voor familiebezoek slechts voor korte duur wordt toegestaan en de betrokken vreemdeling Nederland na dat kortdurende bezoek weer moet verlaten, is ook zijn verblijf in ons land tijdelijk van aard en hoeft deze vreemdeling niet in te burgeren. Dat was voorheen opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel c, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Arbeid (onderdeel c)

Het verrichten van arbeid is voor de toepassing van de Wet inburgering een verblijfsdoel van tijdelijke aard. Daarmee wordt de beleidslijn gecontinueerd die voorheen was opgenomen in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet inburgering nieuwkomers (arbeid in loondienst en arbeid als zelfstandige) en artikel 2, tweede lid van de Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel (verblijf als niet-geprivilegieerd NAVO-vreemdeling).

Het verrichten van arbeid in onderdeel c is, zoals gezegd, een verzamelbegrip. Dat het doel van het verblijf van een vreemdeling in Nederland verband houdt met het verrichten van arbeid komt tot uitdrukking in de beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en die wordt aangetekend op het verblijfsdocument van de vreemdeling. Die aantekening kan afhankelijk van het geval in verschillende bewoordingen zijn gesteld. Naast het verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst of voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, kan daarbij bijvoorbeeld worden vermeld dat het gaat om niet-geprivilegieerde militairen of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel of om werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (zie in dit verband het besluit van 10 november 2005, Stb. 577, tot wijziging het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen en van het Vreemdelingenbesluit 2000). Op grond van het vierde lid kunnen de diverse varianten van de beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in lagere regelgeving worden uitgewerkt.

Arbeidsmigranten – houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige – en hun gezinsleden zijn dus niet vanaf de verlening van hun verblijfsvergunning inburgeringsplichtig. Voor de goede orde wordt er op gewezen dat het verblijf van arbeidsmigranten – houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige – voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 niet als tijdelijk wordt aangemerkt, zodat ook deze arbeidsmigranten en hun gezinsleden na verloop van vijf jaren in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In dat geval zullen zij wel moeten voldoen aan de voorwaarde dat het inburgeringsexamen is behaald en ook aan de overige voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gestelde eisen.

Kennismigranten (onderdeel d)

Zoals aangegeven in de nota van toelichting bij het Besluit van 27 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met kennismigratie (Stb. 2004, 482, blz. 5), is ook het verblijf van de zogeheten kennismigranten tijdelijk van aard. Hoewel kennismigratie een gekwalificeerde vorm van arbeidsmigratie is, komt in de omschrijving van de beperking het woord arbeid niet voor. Om misverstanden te voorkomen is het verblijf als kennismigrant daarom afzonderlijk in het eerste lid opgenomen. De tijdelijkheid van het verblijf van kennismigranten voor de toepassing van de integratiewetgeving was voorheen opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor tijdelijk doel (zoals gewijzigd ingevolge de wijzigingsregeling van 14 maart 2005, Stcrt. 2005, 53). Voor de toepassing van de immigratiewetgeving is het verblijf van de kennismigrant en zijn gezinsleden niet-tijdelijk van aard, zodat deze eerst na verloop van vijf jaar in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, uiteraard indien zij het inburgeringsexamen hebben behaald en ook aan de overige voorwaarden voor de verlening van deze vergunning voldoen.

Werkzoekenden (onderdeel e)

Het zogeheten «zoekjaar» (verblijf van een jaar voor het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst) kan bepaalde categorieën vreemdelingen – bijvoorbeeld gewezen werknemers op het continentale plat of aan boord van Nederlandse zeeschepen – worden verleend om gedurende een beperkte periode een arbeidsplaats te vinden en op grond daarvan hun verblijf te continueren. Gelet op de beperkte duur is dat verblijf tijdelijk van aard.

Stagiairs en practicanten (onderdeel f)

Aan vreemdelingen die voor een stage als of practicant naar Nederland komen kan gedurende en beperkte periode een verblijfsvergunning worden verleend. Omdat deze vreemdelingen en hun eventuele gezinsleden Nederland na afloop van de werkzaamheden als stagiair of practicant weer moeten verlaten, behoeven zij niet in te burgeren. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel h, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Studenten (onderdeel g)

Vreemdelingen die tot Nederland worden toegelaten om een studie of opleiding te volgen of zich gedurende een beperkte periode van maximaal een jaar op een studie voor te bereiden, verblijven tijdelijk in ons land en zullen Nederland bij voltooiing of tussentijdse beëindiging van de studie weer moeten verlaten. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdelen j en k, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Au pairs (onderdeel h)

Vreemdelingen kunnen, onder bepaalde omstandigheden, tijdelijk en niet langer dan een jaar als au pair in Nederland verblijven om in korte tijd kennis te maken met de Nederlandse taal en cultuur. Aansluitend zal de au pair Nederland weer moeten verlaten. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel l, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Uitwisselingsstudenten (onderdeel i)

Ook vreemdelingen die op basis van culturele akkoorden of andere, vergelijkbare bilaterale of multilaterale akkoorden, dan wel via uitwisselingsprogramma’s door of onder auspiciën van de centrale overheid worden uitgenodigd om in Nederland studeren, verblijven tijdelijk in ons land en behoeven niet in te burgeren. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel m, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Medische behandeling (onderdeel j)

Indien Nederland voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling het meest aangewezen land is – hetgeen kan voortvloeien uit de aard van de ziekte, het bestaan van een bijzondere specialisatie hier te lande of andere factoren waardoor behandeling elders voor de betrokkene minder aangewezen is – kan tijdelijk, voor de duur van de behandeling, verblijf in Nederland worden toegestaan voor het ondergaan van die medische behandeling. Aangezien de betrokken vreemdeling Nederland na afloop van die behandeling weer zal moeten verlaten, behoeft hij, ook indien hij daartoe ondanks de ziekte wel in staat zou zijn, niet in te burgeren. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel n, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Vervolging van mensenhandel (onderdeel k)

Aan slachtoffers van mensenhandel wordt opvang geboden gedurende de bedenktijd voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en de berechting in feitelijk aanleg na aangifte van vrouwenhandel. Hun verblijf is tijdelijk, zodat zij niet hoeven in te burgeren. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel o, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Verzoeken op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (onderdeel l)

Aan personen die bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap en derhalve stellen de Nederlandse nationaliteit te bezitten, worden in de regel niet als vreemdeling uit Nederland verwijderd alvorens de rechtbank en in voorkomende gevallen de Hoge Raad heeft geoordeeld, indien hun verzoek naar het oordeel van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. In die periode kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning. Het doel van hun verblijf – het afwachten van de uitspraak – is in deze periode tijdelijk van aard. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel p, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (onderdeel m)

Aan alleenstaande minderjarigen die niet voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking zijn gekomen, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Het gaat hier – evenals dat ingevolge artikel 2, eerste lid, van de regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel het geval was – om een tijdelijk verblijfsdoel, zodat de betrokken vreemdeling niet inburgeringsplichtig is. Indien de vreemdeling na drie jaar nog steeds op verblijf in Nederland is aangewezen, kan die vergunning worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf. In dat geval wordt de vreemdeling alsnog inburgeringsplichtig. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel q, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (onderdeel n)

De vreemdeling die na de afwijzing van zijn asielaanvraag geheel buiten zijn schuld niet uit Nederland kon vertrekken, kan om die reden tijdelijk op grond van een verblijfsvergunning regulier verblijf in Nederland worden toegestaan van maximaal drie jaar. Indien zijn vertrek uit ons land gedurende die periode mogelijk wordt, zal hij Nederland moeten verlaten. In die periode hoeft hij niet in te burgeren. Indien die situatie drie jaren heeft voortgeduurd en de vreemdeling nog steeds aan de verblijfsvoorwaarden voldoet (en nog altijd buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken), kan verblijf op een meer permanente basis worden aanvaard en kan de verblijfsvergunning worden gewijzigd in een vergunning voor voortgezet verblijf. In dat geval is het verblijfsdoel niet langer tijdelijk van aard en wordt de betrokken vreemdeling alsnog inburgeringsplichtig. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 2, tweede lid, onderdeel r, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Tweede lid

De artikelen 3.4 en 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bevatten geen limitatief overzicht van de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Zo biedt artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 de mogelijkheid om een vergunning onder een andere beperking te verlenen. Met het oog daarop is in het tweede lid opgenomen dat het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, eveneens tijdelijk is indien dat bij de verlening van die vergunning uitdrukkelijk is bepaald.

Derde lid

Voor de toepassing van de Wet inburgering geldt dat een vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000) niet voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft en derhalve inburgeringsplichtig is. Voorts verblijven uiteraard ook de houders van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor onbepaalde tijd (artikelen 20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000) niet voor een tijdelijk doel in Nederland en zijn zij, uiteraard voor zover zij ook overigens binnen de groep inburgeringsplichtigen als omschreven bij en krachtens de artikelen 3 en 5 van de wet vallen, inburgeringsplichtig. Dat is in het derde lid opgenomen.

De houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die aanvankelijk voor een tijdelijk doel naar Nederland is gekomen en na verloop van tijd besluit zijn verblijf in Nederland voor een niet tijdelijk doel voort te zetten, dient daarvoor wijziging van zijn verblijfsvergunning te vragen. Aangezien een dergelijke aanvraag bij de gemeente wordt ingediend, is de indiening van die aanvraag voor de gemeente aanstonds kenbaar. Indien die aanvraag wordt ingewilligd en de vreemdeling in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met een niet-tijdelijk doel, stelt de IND de gemeente daarvan in kennis.

Vierde lid

De beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt aangetekend op het verblijfsdocument van de vreemdeling. De daadwerkelijk op het verblijfsdocument aangetekende beperking kan concreter zijn verwoord dan is weergegeven in het eerste lid. In het eerste lid zijn de beperkingen namelijk geclusterd en in algemene termen weergegeven. Om onduidelijkheden te voorkomen, zijn de aldus verwoorde beperkingen op grond van het vierde lid in de Regeling inburgering nader gespecificeerd.

Artikel 2.2

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over het voortduren van de inburgeringsplicht in geval van tijdelijke beëindiging van de in artikel 3, eerste lid, van de wet bedoelde omstandigheden die bepalen welke vreemdelingen inburgeringsplichtig zijn. In het onderhavige artikel wordt bij de uitwerking hiervan onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de betrokkene in Nederland is gebleven, maar bijvoorbeeld hangende de beslissing op zijn aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning tijdelijk een andere vorm van rechtmatig verblijf heeft, en daarmee dus feitelijk in staat is zijn inburgeringsactiviteiten in Nederland voort te zetten, en gevallen waarin de betrokkene voor enige tijd (maximaal een jaar) Nederland heeft verlaten en daardoor feitelijk in de onmogelijkheid verkeert zijn inburgeringsactiviteiten in Nederland voort te zetten. Voor het onderscheid tussen verblijf in en buiten Nederland is de inschrijving in de GBA doorslaggevend.

In het eerste lid wordt geregeld dat de inburgeringsplicht niet eindigt, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft verkregen. Het gaat hierbij om vreemdelingen die na het verstrijken van de geldigheidsduur of de intrekking van hun verblijfsvergunning rechtmatig in Nederland verblijven in afwachting van de uitkomst van vervolgprocedures. In die periode blijven zij op grond van het eerste lid inburgeringsplichtig. Daarmee wordt voorkomen dat de voortgang van hun inburgering stagneert, hetgeen uiteraard onwenselijk als zij naderhand wederom in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning. De inburgeringsplicht eindigt uiteraard wel, indien zij uitgeprocedeerd raken en Nederland moeten verlaten. In het eerste lid wordt voorts geregeld dat de inburgeringsplicht niet eindigt, indien de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning weliswaar te laat, maar nog binnen de redelijke termijn van artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt ingediend. In die gevallen wordt de verlengingsaanvraag niet in alle opzichten aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating, maar veeleer als een aanvraag om voortgezet verblijf. In de korte periode tussen de expiratie van de verblijfsvergunning en de indiening van de verlengingsaanvraag wordt de inburgeringsplicht – achteraf bezien – geacht niet te zijn geëindigd.

Op grond van het tweede lid, onderdeel a, wordt de inburgeringsplicht – achteraf bezien – geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling die eerder op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig was, gedurende maximaal een jaar niet als ingezetene in de GBA ingeschreven was. Als gezegd, wordt op grond daarvan aangenomen dat hij in die periode niet in Nederland verbleef. Indien hij binnen een jaar weer als ingezetene in de GBA wordt ingeschreven en weer inburgeringsplichtig wordt, wordt hij geacht in de tussenliggende periode inburgeringsplichtig te zijn gebleven. De termijn waarbinnen hij het inburgeringsexamen moet hebben behaald, wordt in dat geval verlengd met de periode waarin hij niet als ingezetene in de GBA was ingeschreven.

De onderdelen b en c voorzien in een vergelijkbare regeling voor die – weinig voorkomende – situaties waarin de betrokken vreemdeling, nadat hij op grond van artikel 3, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtig is geweest, zijn verblijf in Nederland gedurende maximaal een jaar voortzet voor een tijdelijk doel of – indien zijn inburgeringsplicht is gebaseerd op het feit dat hij geestelijke bedienaar is – zijn werkzaamheden als zodanig geestelijke bedienaar maximaal een jaar onderbreekt. In de tussenliggende periode is de betrokken vreemdeling weliswaar niet inburgeringsplichtig, maar indien hij binnen een jaar wederom inburgeringsplichtig wordt – omdat hij wederom een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel krijgt of zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar hervat – wordt hij achteraf bezien geacht inburgeringsplichtig te zijn gebleven.

In de hier bedoelde gevallen wordt de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen, de termijn waarbinnen hij een beroep kan doen op de leningfaciliteit en de termijn waarbinnen hij in aanmerking kan komen voor een vergoeding, verlengd met de duur van de periode (van maximaal een jaar) waarin niet werd voldaan aan de criteria van artikel 3, eerste lid, van de wet, op grond waarvan hij aanvankelijk inburgeringsplichtig was (zie de artikelen 2.11, 4.15 en 4.18 van dit besluit).

AFDELING 2. VRIJSTELLINGEN

Artikel 2.3 (aanwijzing vrijstellende diploma’s, certificaten en andere documenten)

Eerste lid

Onderdeel a

In dit onderdeel wordt buiten twijfel gesteld dat de inburgeringsplicht niet meer bestaat nadat het inburgeringsexamen is behaald en aan de betrokkene overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de wet het inburgeringsdiploma is uitgereikt. Het inburgeringsdiploma is het bewijs dat alle tot het inburgeringsexamen behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd, of ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd (artikel 14, eerste lid, van de wet). Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat de inburgeringsplichtige alleen is vrijgesteld van de inburgeringsplicht met een inburgeringsdiploma waaruit blijkt dat hij de voor hem vereiste examens op het voor hem geldende niveau heeft behaald. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld de geestelijke bedienaar die het reguliere examen heeft behaald, niet van de inburgeringsplicht is ontheven.

Onderdeel b (Nederlands diploma)

Voor de formulering van deze vrijstelling is aansluiting gezocht bij de vrijstelling zoals deze is (en was) geformuleerd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit naturalisatietoets. Uitgangspunt hierbij is derhalve dat het moet gaan om een met goed gevolg volledig afgeronde opleiding van hoger niveau dan lager onderwijs. Bij een zodanig opleidingsresultaat mag van voldoende taalkennis en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgegaan. Bij een opleidingsniveau van slechts lagere school of basisschool of bij het niet met goed gevolg afronden van een daarop volgende opleiding is niet uit te sluiten dat die kennis in onvoldoende mate aanwezig is.

De meest voorkomende diploma’s en getuigschriften die onder de in onderdeel b bedoelde categorie vallen, zijn:

– een getuigschrift wetenschappelijk onderwijs (wo) of hoger beroepsonderwijs (hbo), uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de vroegere Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de vroegere Wet op het hoger beroepsonderwijs;

– een diploma voortgezet onderwijs (ook wel middelbaar onderwijs genoemd), uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;

– een diploma middelbaar beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs;

– een diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de vroegere Wet op het leerlingwezen of de vroegere Wet op het cursorisch beroepsonderwijs.

De eveneens in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit naturalisatietoets voorkomende zinsnede «op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding» impliceert dat het moet gaan om een officieel diploma of getuigschrift waarvan de verstrekking plaatsvindt op basis van een Nederlandse (onderwijs)wet, m.a.w. een officieel Nederlands diploma of getuigschrift.

Onderdeel c (oud diploma Staatsexamen NT2)

De vrijstelling voor personen die beschikken over een diploma staatsexamen Nederlands als Tweede Taal (NT2), programma I dan wel programma II, sluit aan op de vrijstelling van de naturalisatietoets. Zoals is vermeld in de nota van toelichting bij het Besluit naturalisatietoets (Stb. 2002, 197, blz. 6) wordt er, gelet op de vragen en opdrachten bij een dergelijk examen, van uitgegaan dat de bezitter van dit diploma beschikt over een voldoende taalkennis en kennis van de staatsinrichting en maatschappij.

Met deze volledige vrijstelling wordt het advies van de Staatsexamencommissie NT2 gevolgd. Deze commissie komt tot de conclusie dat alle kandidaten die slagen voor het Staatsexamen NT2, ook zullen voldoen aan de in het kader van het inburgeringsexamen vereiste kennis van de Nederlandse samenleving, zodat een gedeeltelijke vrijstelling uitsluitend voor de onderdelen van het examen die betrekking hebben op de verwerving van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, niet in de rede ligt.

Onderdeel d (Belgische diploma’s)

De vrijstelling voor bezitters van Belgische diploma’s of getuigschriften, behaald in Nederlandstalig onderwijs, was reeds aangekondigd in de memorie van toelichting. Opgemerkt wordt dat deze vrijstelling betrekking heeft op een zeer beperkte groep van inburgeringsplichtigen, aangezien ingezetenen met de Belgische nationaliteit zelf niet onder de inburgeringsplicht vallen. Op advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) is als aanvullende eis gesteld dat een voldoende moet zijn behaald voor het vak Nederlandse taal.

Onderdeel e (Surinaamse diploma’s)

De vrijstelling voor bezitters van Surinaamse diploma’s, behaald in Nederlandstalig onderwijs, was reeds aangekondigd in de memorie van toelichting. Het betreft diploma’s die na de onafhankelijkheidsdatum (25 november 1975) zijn afgegeven. Vóór die datum afgegeven diploma’s zijn Nederlandse diploma’s en vallen in voorkomende gevallen onder de vrijstelling op grond van onderdeel b.

Het Nederlands onderwijssysteem heeft model gestaan voor Suriname; ook na de onafhankelijkheid heeft dit land de trends in Nederland gevolgd. Na de onafhankelijkheid is door Nederland veel geïnvesteerd in het Surinaamse onderwijssysteem. Het onderwijs wordt ook na 1975 in de Nederlands taal gegeven. Het NUFFIC merkt Surinaamse diploma’s aan als gelijkwaardig aan Nederlandse diploma’s. Volgens het NUFFIC levert het bezit van de Surinaamse diploma van een opleiding hoger dan lager onderwijs voldoende kennis van Nederlandse taal en Nederlandse samenleving op, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal. Op advies van de ACVZ is dan ook als aanvullende eis gesteld dat een voldoende moet zijn behaald voor het vak Nederlandse taal.

Onderdeel f (Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse diploma’s)

Uit praktisch oogpunt worden de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse opleidingen waarvan bezit van het diploma of certificaat het gevolg heeft dat de inburgeringsplicht wordt opgeheven, aangewezen in de Regeling inburgering. Deze systematiek sluit aan op artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit opleidingseisen nieuwkomers, zoals dat gold onder het regime van de Wet inburgering nieuwkomers. De hierop gebaseerde Regeling overzicht Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse opleidingen en diplomavergelijking Nederlandse nieuwkomers staat model voor de op grond van onderdeel f vastgestelde bepalingen in de Regeling inburgering. Uitgangspunt daarbij is dat een Nederlands-Antilliaans of Arubaans diploma vwo, havo, mavo of mbo waarbij voor het vak Nederlandse taal een voldoende is behaald, een vrijstelling oplevert van de inburgeringsplicht.

Onderdeel g (diploma Europees baccalaureaat)

Blijkens artikel 1, tweede lid, van de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgestelde Regeling aanmelding en selectie hoger onderwijs is het diploma Europees baccalaureaat met het vak Nederlands als eerste of tweede taal gelijkwaardig aan een diploma van een Nederlandse VWO- of HAVO-opleiding of aan een diploma van een middenkaderopleiding- of specialistenopleiding uit het middelbaar beroepsonderwijs dat toegang verschaft tot wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs.

Europese scholen zijn met name opgericht voor kinderen van ambtenaren werkzaam bij de Europese Unie. Deze scholen zijn dan ook te vinden in diverse vestigingsplaatsen van organisaties van de Unie: Bergen, Brussel, Mol, Culham, Varese, München, Karlsruhe, Frankfurt, Alicante en Luxemburg. Aan deze scholen leggen de leerlingen een Europees baccalaureaat af. In alle vestigingen wordt in ieder geval het vak Nederlandse taal gegeven. De meeste van de vestiging hebben een volledig Nederlandse sectie, waar meerdere vakken in het Nederlands worden gegeven. Het Europees baccalaureaat geeft toegang tot alle universiteiten in de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel h (getuigschriften Internationale baccalaureaten)

Op de scholen waarop dit onderdeel betrekking heeft, wordt ingevolge een beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ieder geval voor Nederlandse kinderen voorzien in onderwijs in de Nederlandse taal en, bij de Engels-Nederlands cursus, in onderwijs in de Nederlandse cultuur (zie de artikelen 8, derde lid, en 9, vijfde lid, van de Regeling IGVO). Omdat een leerling met de Nederlandse nationaliteit op grond van genoemd artikel 9, vijfde lid, in de cursus Internationaal Baccalaureaat kan worden ontheven van de plicht tot het volgen van onderwijs in het vak Nederlands, is bepaald dat de betrokkene wel inburgeringsplichtig is indien hij geen onderwijs in het vak Nederlands heeft gevolgd.

Onderdeel i (certificaat naturalisatietoets)

In de paragrafen 2.1.4 en 4.7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3) werd reeds aangekondigd dat personen die met goed gevolg de sedert 1 april 2003 van kracht zijnde naturalisatietoets in het Nederlands hebben afgelegd, worden vrijgesteld van de verplichting om het inburgeringsexamen te behalen. Daarmee heeft het certificaat van de naturalisatietoets (waarvan het model voor Nederland is vastgesteld in de bijlage bij de Regeling naturalisatietoets) in het nieuwe inburgeringsstelsel dezelfde betekenis als de onderwijsdiploma’s die leiden tot vrijstelling van de inburgeringsplicht.

Onderdeel j (WIN-certificaat)

Vrijgesteld van de inburgeringsplicht is voorts degene die in het bezit is van een certificaat op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN), alsmede de desbetreffende verklaring van het regionaal opleidingencentrum (hierna: roc), indien uit (een van) deze documenten blijkt dat hij voor lees- en schrijfvaardigheden tenminste niveau 1 en voor mondelinge vaardigheden tenminste niveau 2 van het Referentiekader Nederlands als tweede taal heeft behaald alsmede voor Maatschappijoriëntatie niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE). Laatstgenoemd niveau is het in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de WIN bedoelde niveaus, dat is vastgelegd in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling vaststelling inhoud en niveaus inburgeringstoets nieuwkomers, zoals uitgewerkt in de bijlage bij de Regeling Eindtermen breed maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid. De genoemde niveaus sluiten aan bij de in de artikelen 2.9 en 2.10 genoemde niveaus van het inburgeringsexamen.

Het model van het zgn. WIN-certificaat is destijds vastgesteld in de Regeling certificaat inburgering (Stcrt. 1999, 132). Vereist voor de vrijstelling is dat op de verklaring, uitgereikt door het bevoegd gezag krachtens artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, is aangegeven welk niveau de nieuwkomer heeft behaald. Op het certificaat dat door de gemeente wordt uitgereikt, wordt alleen het behaalde niveau vermeld als uit de verklaring blijkt dat de deelnemer heeft voldaan aan een van de in artikel 11, eerste lid, van de WIN bedoelde niveaus (zie in dit verband de toelichting bij de regeling van 24 juli 1999, Stcrt. 132, houdende vaststelling van een model van het certificaat inburgering).

De aanvullende voorwaarde dat tevens deze verklaring moet worden overgelegd, heeft mede tot doel te voorkomen dat een blanco uitgereikt certificaat na de uitreiking door een onbevoegde is ingevuld met het vereiste niveau voor vrijstelling van de inburgeringsplicht.

Onderdeel k (oudkomerscertificaat)

Dit betreft het bij Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 7 september 2005, Stcrt. 195, vastgestelde certificaat voor destijds niet onder de Wet inburgering nieuwkomers vallende oudkomers die vóór de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringsstelsel succesvol een inburgeringsprogramma hebben voltooid (of een na de inwerkingtreding nog doorlopend inburgeringsprogramma voltooien) op basis van een zogeheten oudkomersregeling. Dit betreft bepaalde groepen oudkomers die op grond van een met de gemeente gesloten contract een inburgeringsprogramma hebben gevolgd of volgen. Aanvankelijk werden dergelijke programma’s niet met een certificaat afgesloten. Voor deze groepen is in de genoemde regeling alsnog voorzien in een certificaat, het oudkomerscertificaat. Het certificaat bevat alleen informatie over het niveau van NT2, aangezien de oudkomers geen Maatschappij Oriëntatie hebben gevolgd. Indien op het certificaat is aangetekend dat de betreffende oudkomer in ieder geval het niveau NT2 2 voor mondelinge vaardigheden en niveau NT2 1 voor schriftelijke vaardigheden heeft, dan wordt hij desalniettemin volledig vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Uit doelmatigheidsoverwegingen is hier gekozen voor een volledige vrijstelling.

Onderdeel l (document van de korte vrijstellingstoets)

Onderdeel l heeft betrekking op het document dat de inburgeringsplichtige van de IB-Groep verkrijgt, nadat hij op diens verzoek een korte toets heeft behaald en daarmee heeft aangetoond dat hij evident reeds voldoende is ingeburgerd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.7.

Artikel 2.4 (gedeeltelijke vrijstellingen)

De in het eerste lid opgenomen vrijstelling betreft uitsluitend een vrijstelling van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en de daarop betrekking hebbende onderdelen van het inburgeringsexamen te behalen. Dit betreft derhalve een vrijstelling van de verplichting tot het behalen van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen en van het centraal deel van het inburgeringsexamen deel uitmakende taalvaardigheidsexamens. Deze gedeeltelijke vrijstelling geldt voor degene die in het bezit is van een certificaat op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, met daarop de aantekening dat hij heeft voldaan aan niveau 2 of 3 van het onderdeel Nederlands als tweede taal, alsmede van de desbetreffende verklaring van het roc. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel 2.3, eerste lid, onderdeel j.

De in het tweede lid opgenomen vrijstelling betreft uitsluitend een vrijstelling van de verplichting om kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven en het daarop betrekking hebbende onderdeel van het inburgeringsexamen te behalen. Dit betreft derhalve een vrijstelling van de verplichting tot het behalen van het volgens artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van het centraal deel van het inburgeringsexamen deel uitmakende examen van de kennis van de Nederlandse samenleving.

Deze vrijstelling geldt in de eerste plaats voor diegenen die in het bezit zijn gesteld van een WIN-certificaat met aantekening Maatschappij Oriëntatie alsmede van de desbetreffende verklaring van het roc. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel 2.3, eerste lid, onderdeel j. In de tweede plaats geldt deze vrijstelling voor degenen die deel I van de naturalisatietoets (Maatschappij Oriëntatie) hebben behaald.

Artikel 2.5 (verdere gehele vrijstellingen)

Onderdeel a (besluit ex artikel 5, tweede lid, WIN)

Deze vrijstelling komt deels overeen met de vrijstelling van de naturalisatietoets, die is en was opgenomen in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit naturalisatietoets.

De Wet inburgering nieuwkomers (WIN) kende de mogelijkheid dat een nieuwkomer niet het inburgeringsprogramma behoefde te volgen, omdat werd vastgesteld dat de betrokkene reeds voldoende was ingeburgerd of binnen redelijke termijn zou zijn ingeburgerd. In die gevallen besloot het college van burgemeester en wethouders dat het vaststellen van een inburgeringsprogramma voor de betrokkene achterwege werd gelaten (artikel 5, tweede lid, WIN). Het ligt in de rede dat degene die op grond van zijn destijds reeds aanwezige kennis, inzicht en vaardigheden bij het inburgeringsonderzoek door het college van burgemeester en wethouders van het inburgeringsprogramma was vrijgesteld, niet alsnog aan de inburgeringsplicht op grond van het nieuwe inburgeringsstelsel behoeft te voldoen. Betrokkene dient als bewijs hiervan een beschikking van het college van burgemeester en wethouders te kunnen overleggen.

Anders dan bij de vrijstelling van de naturalisatietoets, heeft de onderhavige vrijstelling van de inburgeringsplicht ook betrekking op gevallen waarin de betrokkene een beschikking van het college van burgemeester en wethouders overlegt waaruit blijkt dat het vaststellen van een inburgeringsprogramma destijds achterwege is gelaten om de reden dat hij binnen een redelijke termijn in voldoende mate kennis, inzicht en vaardigheden zou verwerven. Deze ruimere vrijstelling houdt verband met het uitgangspunt om te vermijden dat personen tot inburgering worden verplicht die niet inburgeringsbehoeftig zijn.

Onderdeel b (besluit ex artikel 5, vierde lid, WIN)

Deze vrijstelling komt overeen met de vrijstelling van de naturalisatietoets, die is en was opgenomen in artikel 3, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit naturalisatietoets.

De oudkomer die destijds als nieuwkomers de in artikel 5, vierde lid, Wet inburgering nieuwkomers (WIN) bedoelde toets met goed gevolg heeft afgelegd en daarom het inburgeringsprogramma van de WIN niet behoefde te volgen, wordt in dit onderdeel volledig vrijgesteld van de inburgeringsplicht. De betrokkene had zich in dit geval vrijwillig gemeld voor een inburgeringstoets op grond van de WIN. Op grond van de resultaten van die toets werd door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld dat hij reeds voldeed aan de eisen voor inburgering.

Onderdeel c (volledige ontheffing ex artikel 4 Besluit naturalisatietoets)

Naturalisandi die op grond van artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets waren of zijn ontheven van de verplichting om alle onderdelen van de naturalisatietoets af te leggen, omdat zij door een belemmering daartoe niet in staat waren of zijn, vallen niet onder de inburgeringsplicht. Dit betreft in de eerste plaats personen die wegens psychische of lichamelijke redenen niet in staat waren of zijn om de volledige naturalisatietoets af te leggen.

Dat de betrokkene op grond van artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets is ontheven van de verplichting om de gehele naturalisatietoets af te leggen, blijkt uit het zogeheten adviesblad in het naturalisatiedossier, waarvan in voorkomende gevallen door de betrokkene dan wel het college van burgemeester en wethouders een kopie zal kunnen worden opgevraagd bij het Ministerie van Justitie (Immigratie- en Naturalisatiedienst), als bij de gemeente niet meer een kopie van het naturalisatiedossier aanwezig is.

Opgemerkt wordt nog dat uit doelmatigheidsoverwegingen de volledige vrijstelling ook geldt voor diegenen die op grond van artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets door een belemmering niet in staat zijn geweest om een of meer onderdelen van de naturalisatietoets af te leggen, maar andere onderdelen nog wel. Hiertoe behoren onder andere de toenmalige naturalisandi die ongeletterd waren en konden aantonen dat zij zich extra hadden ingespannen om het vereiste taalniveau van de naturalisatietoets te bereiken maar daarin niet waren geslaagd.

Aangezien de inburgeringsplicht alleen ziet op onderdanen van derde landen en personen die tot Nederlander genaturaliseerd zijn, niet inburgeringsplichtig zijn, gaat het hier om een zeer beperkte groep.

AFDELING 3. VERBLIJF IN NEDERLAND TIJDENS DE LEERPLICHTIGE LEEFTIJD

Artikel 2.6 (bewijs van verblijf in Nederland tijdens leerplichtige leeftijd)

Uit artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet vloeit voort dat degene die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd – dat wil zeggen tijdens de leeftijd waarop bij verblijf in Nederland sprake is van een verplichting tot inschrijving als bedoeld in artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 (zie artikel 1, onderdeel d, van de wet) – in Nederland heeft verbleven, niet inburgeringsplichtig is. Op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b, van de wet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent dit verblijf.

Ter uitvoering daarvan is in artikel 2.6 als hoofdregel opgenomen dat dit verblijf moet blijken uit een inschrijving van ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding, zoals bijvoorbeeld een persoonsregister, als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit Bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442) of in een voorkomend geval het Besluit bevolkingsboekhouding (Stb. 1936, 342). Die inschrijving wordt als uitgangspunt genomen bij de beoordeling of destijds sprake was van verblijf in Nederland. Voor de toepassing van dit artikel is niet vereist dat het hierbij gaat om een ononderbroken inschrijving van acht jaar; ook de betrokken persoon die tijdens zijn leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is niet inburgeringsplichtig.

Aangezien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er in een individueel geval concrete aanwijzingen kunnen zijn dat de inschrijving in het verleden of juist het ontbreken daarvan kennelijk onjuist was, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent de inschrijving in de bevolkingsboekhouding, bedoeld in het eerste lid, en kan van het eerste lid worden afgeweken op grond van concrete aanwijzingen dat de inschrijving kennelijk onjuist was. Voorshands is hieraan in de Regeling inburgering geen uitvoering gegeven.

AFDELING 4. VRIJSTELLING BIJ EVIDENTE INBURGERING

Artikel 2.7 (korte vrijstellingstoets)

Artikel 2.7 bevat een voorziening op grond waarvan door de IB-Groep kan worden vastgesteld dat personen reeds evident voldoende zijn ingeburgerd, met als gevolg dat zij zijn vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Deze voorziening is aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 7, blz. 31 en 40) en is in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de wet vastgelegd via de derde nota van wijziging bij voornoemd wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 64). Bij amendement is het aanvankelijk in het wetsvoorstel opgenomen tijdelijke karakter van deze vrijstellingsregeling vervallen (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 70).

Bij de omschrijving van de doelgroep van de inburgeringsplichtigen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de inburgeringsbehoefte van de betreffende personen. Het spreekt voor zich dat de inburgeringsplicht zoveel mogelijk beperkt moet blijven tot die personen die daadwerkelijk inburgeringsbehoeftig zijn. Getracht is die doelgroep met formele, aan het door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) over het wetsvoorstel uitgebrachte advies ontleende en algemeen geformuleerde criteria zo nauw mogelijk bij de daadwerkelijke inburgeringsbehoefte aan te laten sluiten en zo te voorkomen dat personen die wel over de nodige kennis en vaardigheden beschikken nodeloos in het kader van de Wet inburgering worden lastig gevallen (zie onder meer artikel 5, eerste lid, van de wet). Desondanks is het vanwege de grote verschillen in de mate van achterstand en integratie tussen minderheidsgroeperingen en de individuele verschillen binnen die groepen niet mogelijk om met algemene regels de groep inburgeringsplichtigen zodanig nauw bij de daadwerkelijke inburgeringsbehoefte aan te laten sluiten, dat uitgesloten is dat personen die evident niet inburgeringsplichtig zijn, toch onder de inburgeringsplicht vallen. Dat kan slechts worden uitgesloten aan de hand van een individuele beoordeling van de persoonlijke kennis en vaardigheden.

Het doel van de regeling is niet om te beoordelen of de individuele inburgeringsplichtige heeft voldaan aan zijn uit zijn inburgeringsplicht voortvloeiende verplichting om binnen de daartoe gestelde termijn van drieëneenhalf of vijf jaar de vereiste taalvaardigheden en de vereiste kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven – dat geschiedt aan de hand van het inburgeringsexamen – maar om te beoordelen of hij al evident zodanig is ingeburgerd, dat de resultaatgerichte inburgerings- en examenplicht in zijn geval zinloos is. Deze toets vormt aldus het op de individuele inburgeringsbehoefte toegespitste sluitstuk van het nieuwe inburgeringstelsel waarin aan de hand van de formele, door de ACVZ aangereikte criteria is geregeld in welke algemeen geduide gevallen inburgeringsbehoefte wordt aangenomen en een inburgeringsplicht gepast is.

De toets is, zoals gezegd, gericht op een snelle, eenvoudige en uniforme beoordeling van de vraag of iemand evident reeds voldoende is ingeburgerd. Dat is iets anders dan de vraag of iemand precies beschikt over de voor maatschappelijke participatie minimaal vereiste kennis en vaardigheden. Voor dat laatste is een inburgeringsexamen ontwikkeld, dat uit diverse deelexamens bestaat (zie hoofdstuk 3 van dit besluit) en op meer uitgebreide wijze meet of de betrokken inburgeringsplichtige zich inderdaad die minimaal vereiste kennis en vaardigheden eigen heeft gemaakt. Aangezien de toets snel en eenvoudig moet zijn, bevat zij minder meetpunten dan het inburgeringsexamen. Om die reden is de lat voor de beoordeling of iemand evident voldoende is ingeburgerd, hoger gelegd dan die van het inburgeringsexamen (niveau B1 in plaats van A2).

De toets is uiteraard met name van belang voor inburgeringsplichtigen die oudkomer zijn. Met name onder deze groep zullen zich immers personen bevinden, die, hoewel zij niet aan de hand van de formele criteria kunnen aantonen reeds voldoende te zijn ingeburgerd, dat feitelijk wel zijn. In die gevallen zou de resultaatsverplichting om de minimaal vereiste kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving te verwerven en het inburgeringsexamen af te leggen, zinledig zijn. Tegen een in de Regeling inburgering vastgestelde bijdrage kunnen zij bij de IB-Groep een toets afleggen die vervolgens een vrijstelling van de inburgeringsplicht kan opleveren. Daardoor wordt een nog betere aansluiting van de inburgeringsplicht (het middel) bij de beoogde overbrugging van de bestaande achterstanden (het doel) bereikt.

Hoewel van verreweg de meeste inburgeringsplichtige nieuwkomers kan worden aangenomen dat zij niet reeds evident ingeburgerd kunnen zijn, omdat zij nog niet lang genoeg in Nederland hebben verbleven om de nodige kennis van onze taal en samenleving te hebben opgedaan, kan niet worden uitgesloten dat in een voorkomend geval ook een nieuwkomer – bijvoorbeeld een terugkeeroptant, die eerder langdurig in Nederland heeft verbleven – evident voldoende is ingeburgerd. Om die reden worden nieuwkomers niet uitgesloten van de mogelijkheid om op deze grond een toets af te leggen en voor een vrijstelling in aanmerking te komen.

Daarnaast is de korte vrijstellingstoets ook van belang voor personen die nog niet inburgeringsplichtig zijn, maar dat wel kunnen worden. Daarbij valt te denken aan vreemdelingen die al in Nederland verblijven, maar na verloop van tijd, bijvoorbeeld door het bereiken van de 16-jarige leeftijd of door wijziging van hun verblijfsvergunning, alsnog inburgeringsplichtig zullen worden.

Voorts is de korte vrijstellingstoets van belang voor vreemdelingen die niet inburgeringsplichtig zijn, maar wel ingeburgerd moeten zijn om voor een zelfstandige verblijfsvergunning of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen. Indien deze vreemdelingen aantonen evident voldoende te zijn ingeburgerd, hoeven zij voor de verkrijging van die verblijfsvergunning niet eerst het inburgeringsexamen af te leggen. Zij zullen daarvan op grond van het bezit van het door de IB-Groep afgegeven document zijn vrijgesteld (zie de artikelen 3.80a, tweede lid, 3.96a, tweede lid, en 3.107a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000).

Gelet op de zeer diverse groep personen die er in het nieuwe inburgeringsstelsel belang bij kunnen hebben aan de hand van de toets aan te tonen dat zij evident voldoende zijn ingeburgerd, is er voor gekozen in beginsel iedereen die dat wil de mogelijkheid te bieden daarvan gebruik te maken. Degene die deze toets wil afleggen, zal zelf moeten inschatten of hij voldoet aan de maatstaf die is aangelegd voor de beoordeling van de vraag of iemand evident voldoende is ingeburgerd. Dat is, zoals gezegd, de beheersing van de Nederlandse taal op het niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving.

In het eerste lid is het in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de wet opgenomen criterium dat men moet beschikken over «voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en evidente kennis van de Nederlandse samenleving», geconcretiseerd door het vereist dat men moet beschikken over vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en over dezelfde kennis van de Nederlandse samenleving als die welke is vereist voor het behalen van het inburgeringsexamen.

Indien men blijkens een korte toets aan deze vereisten voldoet, komt men involge het tweede lid in aanmerking voor een door de IB-Groep af te geven document, dat ingevolge artikel 2.3, eerste lid, onderdeel l, vrijstelling oplevert van de inburgeringsplicht. Aanvankelijk was overwogen om te voorzien in een door gemeenten te verlenen ontheffing, maar uit praktische overwegingen is besloten om de beslissing geheel bij de IB-Groep neer te leggen, omdat de vraag of de betrokken inburgeringsplichtige het Nederlands op B1-niveau beheerst en voldoende kennis van onze samenleving heeft, uitsluitend wordt beoordeeld aan de hand van de uitslag van de door de IB-Groep af te nemen toets.

Zoals gezegd, is slechts een beperkt aantal categorieën personen uitgezonderd van de mogelijkheid om een toets af te leggen. Deze zijn in het derde lid opgenomen. Het gaat het daarbij in eerste plaats om personen die al eerder zonder succes een toets hebben afgelegd en dus niet in aanmerking zijn gekomen voor een document. Het doel van de toets is immers om diegene die evident voldoende is ingeburgerd en zich dus geen inspanningen hoeft te getroosten om zich de nog ontbrekende kennis en vaardigheden eigen te maken, op snelle en eenvoudige wijze vrij te kunnen stellen van de inburgeringsplicht. Anderen, waaronder zij die blijkens die toets niet reeds evident voldoende zijn ingeburgerd, blijven inburgeringsplichtig of kunnen dat alsnog worden, en zullen dan gewoon het inburgeringsexamen moeten afleggen. Ingevolge onderdeel a kunnen zij niet keer op keer de toets afleggen.

Op grond van de onderdelen b en c worden zij die als inburgeringsplichtige een lening hebben aangevraagd om hun inburgeringsactiviteiten te financieren (artikel 16 van de wet) of een gemeentelijk aanbod van een inburgeringsvoorziening hebben aanvaard (artikel 19 van de wet) om hun inburgeringsverplichting te kunnen realiseren, uitgesloten van deze toetsmogelijkheid. Deze personen hebben immers met de aanvraag om een lening of de aanvaarding van de aangeboden inburgeringsvoorziening aangegeven dat zij een inburgeringscursus of -voorziening nodig hebben om het inburgeringsexamen te kunnen behalen en daarmee dat zij niet evident zijn ingeburgerd. Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat uit de onderdelen b en c niet voortvloeit dat de inburgeringsplichtigen die blijkens de toets niet evident zijn ingeburgerd, niet in aanmerking kunnen komen voor een lening of vergoeding, of dat zij geen gemeentelijk aanbod van een inburgeringsvoorziening kunnen krijgen. Zij blijven inburgeringsplichtig en behouden daardoor uiteraard toegang tot de faciliteiten die het nieuwe inburgeringsstelsel voor inburgeringsplichtigen openstelt.

De toets wordt door Onze Minister vastgesteld door middel van een door de IB-Groep beheerd geautomatiseerd systeem (vierde lid), aan de hand waarvan de IB-Groep ook de resultaten van de toets vaststelt (zesde lid). De toets is een geïntegreerde toets van de Nederlandse taalvaardigheid en van de kennis van de Nederlandse samenleving en wordt elektronisch afgenomen. Daarin lijkt zij op het elektronische praktijkexamen van het centrale deel van het inburgeringsexamen (zie artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit). De uitslagen van de toets worden elektronisch gegenereerd door middel van het geautomatiseerde systeem. De uitslagen zijn in de regel binnen korte tijd beschikbaar en worden schriftelijk bekend gemaakt. De uitslagen worden uitgedrukt in termen van «geslaagd» of «niet geslaagd».

Tegen de uitslag van de toets staat geen bezwaar of beroep open. In dit verband wordt er op gewezen dat ingevolge artikel 8:4, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. De resultaten worden ook anderszins niet heroverwogen. Dat heeft weinig zin, aangezien de resultaten tot stand zijn gekomen door middel van een geautomatiseerd systeem, dat bij iedere (her)beoordeling van een prestatie dezelfde resultaten genereert.

Het vijfde lid geeft op hoofdlijnen de gang van zaken bij het afnemen van de toets. De toets wordt afgenomen op één van de examenlokaties die de IB-Groep voor de afname van de inburgeringsexamens (zie hoofdstuk 3 van dit besluit) beheert. Deze examenlokaties bevinden zich verspreid over het land. Hun aantal kan door de IB-Groep naar gelang het aanbod van kandidaten voor de toets en het inburgeringsexamen worden verhoogd of verlaagd. Nadat de kandidaat zich heeft aangemeld en de terzake verschuldigde kosten heeft voldaan, bepaalt de IB-Groep wanneer en op welke lokatie de toets wordt afgenomen. Zij zal daarbij zo veel mogelijk rekening houden met de afstand tot de woonplaats van de kandidaat. Om zoveel mogelijk te waarborgen dat degene die de toets aflegt dezelfde persoon is die wordt vrijgesteld, zal iedere kandidaat, voordat de toets daadwerkelijk wordt afgenomen, zijn identiteit met een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht moeten aantonen.

Het zevende lid voorziet erin dat noodzakelijke regels ter uitvoering van de tijdelijke voorziening worden gesteld in de Regeling inburgering. Daarbij worden in ieder geval de kosten vastgesteld die voor het afleggen van de toets verschuldigd zijn en wordt het model van het document vastgesteld dat de geslaagden van de inburgeringsplicht vrijstelt (zie artikel 2.3, eerste lid, onderdeel l, van dit besluit).

AFDELING 5. ONTHEFFING

Artikel 2.8 (procedure ontheffing wegens psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap)

Inburgeringsplichtigen die aantonen dat zij een zodanig ernstige psychische of lichamelijke belemmering dan wel zodanige verstandelijke handicap hebben, dat zij blijvend niet in staat zijn het inburgeringsexamen af te leggen, komen ingevolge artikel 6, eerste lid, van de wet in aanmerking voor ontheffing van de inburgeringsplicht. Uit artikel 1, onderdeel f, juncto artikel 6, eerste lid, van de wet en artikel 4:1 Awb vloeit voort dat de inburgeringsplichtige de aanvraag om ontheffing moet indienen bij het college waar hij in de zin van titel 3 van Boek 1 BW woonplaats heeft. Een asielgerechtigde heeft conform titel 3 van Boek 1 BW, na inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, woonplaats in de plaats waar het opvangcentrum is gevestigd. Het verzoek tot ontheffing kan, indien de belemmering later duidelijk wordt, worden ingediend in de gemeente waarin hij zich heeft gevestigd na het verblijf in een opvangcentrum.

Het is aan de inburgeringsplichtige die zich op een dergelijke belemmering of handicap beroept, om die bij de aanvraag om ontheffing aan te tonen. Het is vervolgens aan het college van burgermeester en wethouders om de aanvraag te beoordelen en de gevraagde ontheffing te verlenen dan wel te weigeren. Op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de wet bevat artikel 2.8 regels over de toepassing van deze ontheffingsgrond, die op grond van het vijfde lid bij ministeriële regeling nader kunnen worden uitgewerkt.

In het eerste lid, is vastgelegd dat de inburgeringsplichtige zijn aanvraag tot ontheffing moet onderbouwen met behulp van een (medisch) advies van een door het college van burgemeester en wethouders van de eigen gemeente aangewezen onafhankelijke arts. Daarbij ligt het voor de hand, zoals ook het Adviescollege toetsing administratieve lasten in zijn advies over het besluit heeft aangegeven, dat de onafhankelijk arts zich bij het afgeven van het advies en het verrichten van het benodigde onderzoek, ook zal baseren op eerdere verrichte onderzoeken en adviezen of verklaringen die iemand al in bezit heeft.

Iedere gemeente zal ten minste één arts moeten aanwijzen die is ingeschreven in het BIG-register van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, die terzake van de ontheffingsaanvraag aan de inburgeringsplichtige advies uitbrengt. Daarnaast staat het het college vrij om extra eisen te stellen aan de aan te wijzen onafhankelijk arts. Het college kan hiertoe besluiten, omdat het belang heeft bij deskundige en kwalitatief goede onafhankelijk artsen (medische adviseurs). Het college baseert immers de beslissing op de aanvraag tot ontheffing op het advies van deze arts. Bij samenwerkingsverbanden kunnen meerdere (kleine) gemeenten uiteraard ook één arts aanwijzen. Hiermee wordt aangesloten bij de reeds op andere regelingen gebaseerde werkwijzen.

Het eerste lid beperkt de kring van onafhankelijke artsen die het (medisch) advies kunnen afgeven tot de arts die hiertoe door het college van burgemeester en wethouders van iedere gemeente wordt aangewezen. Alleen op basis van het advies van deze onafhankelijk arts (medisch adviseur), kan het college ontheffing verlenen van de inburgeringsplicht op grond van een lichamelijke of psychische belemmering dan wel verstandelijke handicap.

Het aanwijzen van een onafhankelijk arts (medisch adviseur) door het college sluit aan bij de spilfunctie die de gemeente binnen het inburgeringsproces vervult en de taak die het college heeft ten aanzien van het verstrekken van ontheffingen. Daarnaast biedt dit model waarbij het college van burgemeester en wethouders een onafhankelijk arts (medisch adviseur) aanwijst, andere voordelen. Door de brede spreiding van deze artsen over het land, is de geografische toegankelijkheid gewaarborgd. Tegelijkertijd wordt het aantal artsen dat een advies mag afgeven beperkt tot de aangewezen onafhankelijk artsen. Door deze beperking van het aantal artsen dat een advies mag afgeven, krijgen de artsen gemiddeld met een hoger aantal aanvragen voor een advies te maken dan het geval zal zijn zonder deze beperking en kan gerichte training, scholing en voorlichting aan de artsen plaatsvinden met het oog op het afgeven van het advies, waardoor de kwaliteit van deze adviezen kan worden verhoogd. Tevens zal op deze wijze de uniformiteit in het opstellen van de adviezen worden vergroot.

Aan deze onafhankelijke arts wordt als gezegd in ieder geval als kwaliteitseis gesteld dat hij is ingeschreven in het BIG-register. Dit BIG-register is het conform artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register. De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg regelt de zorgverlening door beroepsbeoefenaren. Alleen wie in het register is ingeschreven, mag de door die wet beschermde titel voeren. De deskundigheid van de geregistreerde beroepsbeoefenaren is hiermee voor iedereen herkenbaar.

De aangewezen arts zal uiteraard, naast diens medische kennis, ook moeten beschikken over de nodige kennis van onder meer de structuur en de eindtermen van het inburgeringsexamen en de mogelijkheden om dat examen af te leggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan de belemmering of de handicap van de kandidaat. Voor de aangewezen artsen is een protocol ontwikkeld, dat op grond van het vijfde lid is opgenomen in de Regeling inburgering.

Aangezien ontheffing op grond van een wezenlijke belemmering of handicap als hier bedoeld gedurende de gehele periode waarin de inburgeringsplicht bestaat, relevant is en ook op ieder moment tijdens die periode kan ontstaan, worden geen regels gesteld over de termijn waarbinnen een ontheffingsverzoek moet worden ingediend. De aanvraag kan dus aan het begin, tijdens of aan het einde van de termijn waarbinnen aan de inburgeringsplicht moet zijn voldaan – en ook na verlenging daarvan op grond van artikel 31, tweede lid, van de wet – worden ingediend.

Het college neemt de beslissing op de aanvraag tot ontheffing op basis van de aanvraag van de inburgeringsplichtige en het advies van de onafhankelijk arts. Met het woord «onafhankelijke» in dit artikel wordt gedoeld op de arts die niet de behandelend arts van de inburgeringsplichtige is. Omdat de gemeenteambtenaar die namens het college de ontheffingsaanvraag beoordeelt, in de regel niet zal beschikken over de vereiste (medische) kennis om de belemmering of handicap te kunnen beoordelen, is advisering noodzakelijk.

De gemeente treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van het (medisch) advies. Wel dient de gemeente te controleren of de formulieren juist en volledig zijn ingevuld. De gemeente heeft met andere woorden een vergewisplicht waarbij de gemeente moet nagaan of aan het medisch advies niet zodanige gebreken kleven dat op basis van dit advies geen ontheffing kan worden verleend (vgl. artikel 3:9 Awb).

De in het tweede lid opgenomen beslistermijn van acht weken sluit aan bij de redelijke beslistermijn van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien bij de aanvraag niet alle benodigde gegevens zijn geleverd, dan wordt op grond van artikel 4:15 Awb de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan, in dit geval het college, krachtens artikel 4:5 Awb de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Voor zover het college van burgemeester en wethouders, op basis van de het advies van de onafhankelijke arts, tot de conclusie komt dat de inburgeringsplichtige weliswaar niet in aanmerking komt voor ontheffing van de inburgeringsplicht, maar één of meer examenonderdelen slechts kan afleggen onder bijzondere examenomstandigheden die zijn aangepast aan zijn belemmering of handicap, is in het derde lid expliciet vastgelegd dat het college in de beschikking op de aanvraag aangeeft om welke bijzondere examenomstandigheden het gaat. Aan de hand daarvan kan de IB-Groep de aangegeven bijzondere examenomstandigheden verzorgen. In dit verband wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 3.5 van dit besluit.

Uit artikel 6, eerste lid, van de wet volgt dat, om in aanmerking te komen voor een ontheffing, de aard en de ernst van de belemmering zodanig moeten zijn, dat het afleggen van een inburgeringsexamen of een gedeelte daarvan, feitelijk en blijvend onmogelijk is. In dat kader wordt er van uitgegaan dat indien te verwachten is dat de inburgeringsplichtige wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap niet binnen vijf jaar het examen kan behalen, in ieder geval reden tot ontheffing bestaat. Zulks is duidelijkheidshalve in het vierde lid vastgelegd.

Het vijfde lid geeft de basis om in de Regeling inburgering nadere regels te stellen omtrent de procedure voor verlening van ontheffing en het advies van de arts.

AFDELING 6. NIVEAU VAN KENNIS EN VAARDIGHEDEN

Artikel 2.9 (niveau vaardigheden Nederlandse taal)

Dit artikel regelt de inhoud van de inburgeringsplicht voor wat de beheersing van de Nederlandse taal betreft. In navolging van de aanbevelingen in het Tweede deeladvies van de Commissie Franssen is gekozen voor het taalvaardigheidsniveau A2 uit het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen (Common European Framework of Reference for Languages, CEF). Het Europees Raamwerk gaat uit van vijf taalvaardigheden: spreken, luisteren, gesprekken voeren, schrijven en lezen. Inburgeringsplichtigen moeten zich al deze vaardigheden eigen maken.

Voor oudkomers wordt in het tweede lid een uitzondering gemaakt. Hun schriftelijke vaardigheden (lezen en schrijven) hoeven in het algemeen niet hoger te zijn dan het niveau A1 van het Europees Raamwerk. De mondelinge vaardigheden (spreken, luisteren en gesprekken voeren) moeten wel op het niveau A2 zijn. Zie hierover nader de brieven van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Tweede Kamer van 7 december 2004 en van 27 oktober 2005 (Kamerstukken II 2004/05, 29 543, nr. 4, blz. 3, en nr. 13). Ook hier is het advies van de Commissie Franssen gevolgd. Dat ligt anders ten aanzien van oudkomers die geestelijke bedienaar zijn. De eindtermen van het aanvullend examen «kennis van de Nederlandse samenleving» voor geestelijke bedienaren zijn gebaseerd op de functie die deze inburgeringsplichtigen binnen de Nederlandse samenleving vervullen. De onderwerpen die in de cursus behandeld worden, vergen minimaal beheersing van de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Er wordt geen gebruik gemaakt van steuntalen. Ook de examinering van deze aanvullende kennis van de Nederlandse samenleving vergt beheersing van de Nederlandse taal op dit niveau (A2). Zoals ook is aangegeven in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken I 2006/07, 30 308, F, blz. 25), geldt dit eveneens voor geestelijke bedienaren die oudkomer zijn. Ook deze uitzondering is in het tweede lid tot uitdrukking gebracht.

Artikel 2.10 (niveau kennis van de Nederlandse samenleving)

Artikel 2.10 regelt de inhoud van de inburgeringsplicht voor wat betreft de kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) die van inburgeringsplichtigen wordt verwacht. De inburgeringsplichtige moet bij het onderdeel KNS kunnen aantonen te beschikken over kennis van en inzicht in de Nederlandse samenleving. Bij het opstellen van de eindtermen voor KNS zijn acht verschillende domeinen onderscheiden, waarvan iedere inburgeringsplichtige kennis moet hebben.

Het gaat hier om de volgende cruciale domeinen:

– werk en inkomen;

– omgangsvormen, waarden en normen;

– wonen;

– gezondheid en gezondheidszorg;

– geschiedenis en geografie;

– instanties;

– staatsinrichting en rechtsstaat;

– onderwijs en opvoeding.

Het uitgangspunt is dat van alle inburgeringsplichtigen wordt verwacht dat zij niet alleen kennis hebben van de Nederlandse samenleving, maar ook inzicht in voor hen relevante situaties. Binnen de onderscheiden domeinen worden situaties beschreven die belangrijk zijn voor het volwaardig kunnen deelnemen aan de Nederlandse samenleving. Binnen bijvoorbeeld het specifieke domein staatsinrichting en rechtsstaat behoort de inburgeringsplichtige te weten dat Nederland een constitutionele monarchie is. Hij weet bijvoorbeeld wat de belangrijkste onderdelen van de Grondwet zijn en waar de regering zetelt. De situaties gekoppeld aan de bijbehorende kennis waarover de inburgeringsplichtige dient te beschikken, vormen samen de basis van de opgaven zoals die kunnen worden opgenomen in het examen KNS. De eindtermen KNS voor alle inburgeringsplichtigen zijn op grond van het eerste lid van dit artikel in de Regeling inburgering vastgesteld.

In het tweede lid zijn op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet aanvullende eindtermen opgenomen voor inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn. Geestelijke bedienaren vormen in het nieuwe inburgeringsstelsel een aparte categorie inburgeringsplichtigen. Geestelijke bedienaren oefenen naast hun taken van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, een scala aan taken uit op het gebied van maatschappelijk werk en geestelijke verzorging binnen de groepering aan wie zij zijn verbonden. Daarnaast vertegenwoordigen zij die groepering vaak in interreligieuze dialogen. De geestelijke bedienaar begeleidt leden van de geloofsgemeenschap die in verschillende situaties – thuis, op school of op het werk – met vragen en problemen te maken krijgen, bemiddelt bij instanties als politie, justitie en de plaatselijke overheid, verzorgt de geestelijke verzorging in penitentiaire inrichtingen en intramurale gezondheidszorginstellingen en geeft de achterban steun bij het bepalen van een houding ten aanzien van de ontvangende Nederlandse samenleving. Daarbij speelt hij een belangrijke rol in het bijdragen aan een juiste beeldvorming en het ontkrachten van vooroordelen. De leden van etnische minderheidsgroepen die hij in ons land bedient, moeten zich staande houden in de Nederlandse samenleving, die nu eenmaal aanzienlijk verschilt van die in het land van herkomst. De Nederlandse wetgeving, voorzieningen en instellingen, waarden, normen en gebruiken, onder meer wat betreft de «rites de passage» en andere leefgewoonten, in ons land zijn anders dan die in de herkomstlanden van de migrantengemeenschappen in Nederland. Tegelijkertijd zijn voor migranten de sociale verbanden van het herkomstland vaak weggevallen. Daarom wordt de geestelijke bedienaar ook benaderd om geestelijke bijstand te bieden in bijvoorbeeld conflictbemiddeling bij echtelijke twisten, generatieconflicten en ten aanzien van aangelegenheden die nauw verbonden zijn met het leven in een nog onbekende omgeving en met het integratieproces waarin nieuwkomers en andere allochtonen zich bevinden. Door deze intensieve sociaal-maatschappelijke en pastorale taken is de geestelijke bedienaar in belangrijke mate medebepalend voor de houding van minderheden ten opzichte van de Nederlandse samenleving en daarmee voor de integratie van die minderheidsgroepen. Om die reden moet aan inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn in ieder geval een inburgeringsvoorziening worden aangeboden (artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van de wet) en moet hij naast de kennis van de Nederlandse samenleving, die iedere inburgeringsplichtige moet verwerven (zie het eerste lid van artikel 2.10), ook aanvullende kennis verwerven die specifiek is gericht op de uitoefening van zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale taken in de Nederlandse samenleving. Ook de eindtermen daarvan zijn op grond van artikel 2.10, tweede lid, in de Regeling inburgering vastgesteld.

AFDELING 7. VERLENGING VAN DE TERMIJN

Artikel 2.11

In de toelichting op artikel 2.2 is reeds ingegaan op de situatie waarin inburgeringsplichtigen tijdelijk ophouden te voldoen aan de (in de artikelen 3 en 5 van de wet neergelegde) criteria die hen voorheen inburgeringsplichtig maakten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de betrokkene zijn inburgeringsactiviteiten in Nederland kan voortzetten en gevallen waarin dat niet of nauwelijks het geval is. In die laatste gevallen wordt de betrokkene achteraf bezien geacht inburgeringsplichtig te zijn gebleven en ten aanzien van hen bepaalt artikel 2.11 dat de termijnen waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald worden verlengd met de met de duur van de periode (van maximaal een jaar) waarin zij geen ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waren. Hetzelfde geldt voor de korte tussenliggende periode waarin zij in Nederland verbleven voor een tijdelijk doel of waarin zij hun werkzaamheden als geestelijke bedienaar tijdelijk hebben onderbroken.

HOOFDSTUK 3 INBURGERINGSEXAMEN

AFDELING 1. HET INBURGERINGSEXAMEN

§ 1. Algemeen

Artikel 3.1 (aanmelding praktijkdeel inburgeringsexamen)

Dit artikel heeft betrekking op de aanmelding voor het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Het praktijkdeel kan worden afgelegd bij exameninstellingen. De term exameninstelling is in artikel 1 van de wet gedefinieerd en omvat zowel de op grond van artikel 3.14 van dit besluit aangewezen exameninstellingen, als de IB-Groep. De aanmelding voor het praktijkdeel geschiedt volgens de daartoe opgestelde regels in het examenreglement van de desbetreffende exameninstelling. Kandidaten die geen cursus hebben gevolgd (zelfmelders) en kandidaten die elders een cursus hebben gevolgd, kunnen het praktijkdeel eveneens afleggen bij een aangewezen exameninstelling. In alle gevallen geschiedt de aanmelding volgens de regels van de exameninstelling.

Indien het praktijkexamen bestaat uit het overleggen van een portfolio, kunnen kandidaten er ook voor kiezen om het portfolio te laten beoordelen door de IB-Groep. Artikel 3.1 heeft tevens betrekking op de aanmelding voor het praktijkexamen bij de IB-Groep; deze is op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet immers ook een exameninstelling.

De exameninstelling zal de noodzakelijke voorbereidingen treffen voor het afnemen van het examen, de datum en tijd waarop de kandidaat wordt verwacht, maar ook voor het inroosteren van het toezichthoudend personeel en voor het betalen van de kosten van het examen.

Alle aanmeldingen worden schriftelijk bevestigd (tweede lid). Aangezien onder een schriftelijk stuk ook een elektronisch stuk wordt begrepen (vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 6), houdt dit in dat een aanmelding niet alleen per post, maar ook per e-mail kan worden bevestigd.

Artikel 3.2 (aanmelding centraal deel inburgeringsexamen)

Artikel 3.2 heeft betrekking op de aanmelding voor het centrale deel van het inburgeringsexamen. Aanmeldingen voor het centrale deel worden schriftelijk gedaan (desgewenst dus ook elektronisch) en volgens de regels die de IB-Groep heeft opgesteld. Voor het tweede lid geldt hetzelfde als hierboven is toegelicht bij het tweede lid van artikel 3.1.

Artikel 3.3 (examengeld)

Voor het afleggen van het inburgeringsexamen is examengeld verschuldigd dat vooraf moet worden voldaan. Voor zover de examens bij de IB-Groep worden afgelegd wordt het examengeld voor het gehele inburgeringsexamen, alsmede voor de verschillende examens van het inburgeringsexamen vastgesteld in de Regeling inburgering. Er wordt door de minister geen examengeld vastgesteld voor het afleggen van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bij een aangewezen instelling. Aangewezen instellingen kunnen zelf de hoogte van het examengeld bepalen. Daardoor kunnen zij het examengeld verwerken in de kosten voor een opleiding. Desgewenst kunnen zij de hoogte van het examengeld vastleggen in het examenreglement. Met name indien exameninstellingen het praktijkexamen ook los aanbieden (bijvoorbeeld aan kandidaten die eerder gezakt zijn of aan inburgeringsplichtigen die zich zelfstandig voorbereiden op het inburgeringsexamen), zal aan deze mogelijkheid behoefte kunnen bestaan. De hoogte van het door een aangewezen instelling vastgestelde examengeld kan worden opgenomen in het examenreglement dan wel op andere wijze worden bekendgemaakt.

Artikel 3.4 (identificatie bij inburgeringsexamen)

Nadat de kandidaat het examengeld heeft voldaan, meldt hij zich op de afgesproken datum en tijd bij de examenlocatie. Aldaar wordt de identiteit vastgesteld en wordt betrokkene geregistreerd.

Artikel 3.5 (bijzondere examenomstandigheden)

Een kandidaat die door een belemmering of handicap niet in staat is om het inburgeringsexamen op de gebruikelijke wijze af te leggen, kan door de IB-Groep in de gelegenheid worden gesteld om het examen op een aan zijn belemmering of handicap aangepaste manier af te leggen. De mogelijke aanpassingen van de examenomstandigheden zijn op basis van het vierde lid limitatief omschreven in de Regeling inburgering.

Er zijn twee mogelijkheden om in aanmerking te komen voor het afleggen van een examen onder bijzondere examenomstandigheden. Allereerst is het mogelijk dat de medisch adviseur in het kader van een aanvraag om ontheffing (zie artikel 2.8) na onderzoek heeft vastgesteld dat de kandidaat het examen wel kan afleggen (en daarom heeft geadviseerd de betrokkene niet in aanmerking te brengen voor ontheffing), maar dat bijzondere examenomstandigheden noodzakelijk zijn. In dat geval zal hij dit opnemen in zijn advies aan het college, dat zulks in de beschikking op de ontheffingsaanvraag vermeldt (zie artikel 2.8, derde lid). De kandidaat kan die beschikking bij zijn aanmelding voor het examen overleggen aan de IB-Groep en eventueel aan de exameninstelling waar het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wordt afgelegd. In de tweede plaats kan de IB-Groep zelfstandig op basis van het door de kandidaat gevraagde advies van een medisch adviseur tot de conclusie komen dat de betrokkene slechts onder bijzondere examenomstandigheden het examen kan afleggen. In dat geval stuurt de kandidaat het advies van de onafhankelijke arts mee bij de inschrijving voor het examen. De IB-Groep beslist vervolgens over de bijzondere examenomstandigheden. Dit is gelijk aan de wijze waarop de IB-Groep ook bij andere examens te werk gaat. Dat wordt beschreven in het examenreglement.

Het besluit voorziet niet in de voorwaarde dat exameninstellingen slechts als zodanig kunnen worden aangewezen, indien zij dezelfde mogelijkheden als de IB-Groep kunnen bieden om het praktijkdeel van het examen op een aan de belemmering of handicap van de kandidaat aangepaste manier af te leggen. Veel examen- en opleidingsinstellingen beschikken al over bepaalde randvoorwaardelijke voorzieningen voor gehandicapten zoals locaties op de begane grond, of rolstoelliften. Bovendien kan het praktijkdeel van het examen op verschillende wijzen worden afgenomen en kunnen exameninstellingen hieraan zelf invulling geven voor kandidaten met een belemmering. Dit kan in overleg met de kandidaat worden vastgesteld. Het praktijkdeel in de vorm van het portfolio kan in ieder geval bij de IB-Groep worden afgelegd onder aangepaste omstandigheden.

Artikel 3.6 (examenfraude)

In artikel 3.6 wordt geregeld hoe wordt omgegaan met onregelmatigheden. Indien tijdens of na het examen wordt ontdekt dat een kandidaat heeft gefraudeerd bij het examen, kan het examen ongeldig worden verklaard. De examinator doet het voorstel daartoe aan de examencommissie van de exameninstelling en de examencommissie neemt vervolgens de beslissing. Voor examens die worden afgenomen door de IB-Groep beslist derhalve de examencommissie van de IB-Groep en voor examens die worden afgenomen door aangewezen exameninstellingen, beslist de examencommissie van de desbetreffende exameninstelling. Overigens dient hierbij een goed onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende examens van het inburgeringsexamen. Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit drie afzonderlijke examens: het elektronisch praktijkexamen, de toets gesproken Nederlands en het examen in de kennis van de Nederlandse samenleving. Indien wordt geconstateerd dat de kandidaat fraudeert bij het examen kennis van de Nederlandse samenleving, moet hij alleen dat examen overdoen en dus niet – als hij die andere examens al heeft afgelegd – ook het elektronisch praktijkexamen en de toets gesproken Nederlands.

De mogelijkheid bestaat dat de onregelmatigheid pas wordt ontdekt na afloop van het examen. In dergelijke gevallen kan de IB-Groep het examenresultaat ongeldig verklaren (tweede lid). De kandidaat krijgt dan uiteraard geen diploma en in het ISI wordt niet aangetekend dat hij geslaagd is.

Indien het examenresultaat ongeldig is verklaard of indien de kandidaat het diploma is onthouden, moet het desbetreffende examen opnieuw worden afgelegd. Het spreekt voor zich dat de kandidaat dan ook opnieuw inschrijfgeld voor dit examen moet betalen.

§ 2. Inhoud van het examen

Artikel 3.7 (praktijkdeel van het inburgeringsexamen)

Bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wordt de functionele taalvaardigheid van de kandidaat beoordeeld in verschillende praktijksituaties. De praktijksituaties zullen in ieder geval betrekking hebben op het onderwerp «burgerschap». Daarnaast wordt de functionele taalvaardigheid van de kandidaat beoordeeld op de domeinen «werk» en «onderwijs, gezondheid en opvoeding». Dit zijn de belangrijkste onderwerpen waarmee burgers in Nederland, en dus ook inburgeringsplichtigen, te maken kunnen krijgen. Kandidaten zullen daarom moeten aantonen dat zij in staat zijn om in verschillende situaties op de genoemde terreinen, zelfstandig te functioneren. Bij het onderwerp burgerschap kan worden gedacht aan het aanvragen van een paspoort, het verlengen van een rijbewijs of het oplossen van problemen met de buren. Bij het onderwerp werk is het van belang dat de kandidaat weet hoe een sollicitatiebrief wordt geschreven en hoe een functioneringsgesprek wordt gevoerd. Voorbeelden van praktijksituaties die in het kader van het onderwerp opvoeding aan de orde kunnen komen, zijn het voeren van een tien-minutengesprek op school, een bezoek aan een consultatiebureau of een bezoek aan de huisarts.

Het praktijkexamen kan op verschillende manieren worden afgenomen: door middel van een assessment, een portfolio of een combinatie van een assessment en een portfolio. In het algemeen deel van deze toelichting is al aangegeven dat exameninstellingen die tevens opleidingsinstituut zijn, niet verplicht zijn om de verschillende onderdelen van het assessment op een en dezelfde dag af te nemen. Dit is gedaan om de opleidingsinstituten maximale vrijheid te bieden in de wijze waarop zij kandidaten voorbereiden op het inburgeringsexamen.

Assessments kunnen uitsluitend worden afgelegd bij een aangewezen exameninstelling. Portfolio’s kunnen zowel door een aangewezen exameninstelling als door de IB-Groep worden beoordeeld. Op deze wijze wordt cursusinstellingen zoveel mogelijk vrijheid gelaten bij de inrichting van het inburgeringsonderwijs. Ook gemeenten en inburgeringsplichtigen die zich zelfstandig voorbereiden op het inburgeringsexamen (de zgn. zelfmelders) wordt op deze wijze zoveel mogelijk vrijheid geboden.

Verwacht wordt dat zelfmelders als praktijkdeel van het inburgeringsexamen een portfolio zullen samenstellen en dit ter beoordeling voorleggen aan de IB-Groep. De reden hiervoor is dat zij op deze manier – als het portfolio eenmaal is gevuld – in een dag het gehele inburgeringsexamen kunnen afleggen. Zij kunnen er evenwel ook voor kiezen om het portfolio bij een aangewezen exameninstelling te laten beoordelen en zelfs om aldaar tevens een assessment af te leggen. Deze keuze zal echter wel meer tijd van de kandidaat vergen. Aangezien aan het afnemen van assessments hogere kosten verbonden zijn, zal het examengeld dat bij deze keuze moet worden betaald, hoger uitvallen. Om die reden wordt verwacht dat zelfmelders zullen kiezen voor het samenstellen van een portfolio, dat wordt beoordeeld door de IB-Groep.

Indien de inburgeringsplichtige een van gemeentewege aangeboden inburgeringsvoorziening heeft aanvaard, is de wijze waarop het praktijkdeel wordt afgenomen afhankelijk van de gemeentelijke inburgeringsvoorziening. Gemeenten kunnen verschillende soorten trajecten inkopen. Als de cursusinstelling tevens aangewezen exameninstelling is, kan het praktijkexamen aldaar worden afgelegd. Over de vorm waarin het examen wordt afgelegd (assessment, portfolio of een combinatie daarvan) zullen de gemeente en de cursus c.q. exameninstelling afspraken moeten maken. Het is echter ook mogelijk dat de gemeente de cursussen en de praktijkexamens afzonderlijk inkoopt. Dit betekent dat er bijvoorbeeld cursussen kunnen worden ingekocht bij cursusinstellingen die niet tevens als exameninstelling zijn aangewezen. Het samenstellen van een portfolio (dat naar keuze van de gemeente of de cursusinstelling wordt beoordeeld door hetzij een aangewezen exameninstelling, hetzij de IB-Groep) zou een onderdeel kunnen zijn van een dergelijke cursus. Denkbaar is echter ook dat de gemeente uitsluitend cursussen bij de cursusinstelling inkoopt en elders examens in de vorm van een assessment of een combinatie van een assessment en een portfolio.

In het vijfde lid is bepaald dat het resultaat van het praktijkdeel wordt vastgesteld door de exameninstelling en uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De examenuitslag is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb geschiedt de bekendmaking van de examenuitslag door toezending of uitreiking. In de praktijk zal dit veelal betekenen dat de betrokkene de uitslag toegezonden krijgt.

Op grond van het zesde lid is in de Regeling inburgering bepaald welke eisen worden gesteld aan het portfiolio, aan de combinatie van het portfolio en het assessment en aan het assesment.

Artikel 3.8 (aanvullend en bijzonder praktijkdeel voor geestelijke bedienaren)

De aanvullende kennis van de Nederlandse samenleving die geestelijke bedienaren zich eigen moeten maken – zie artikel 2.10, tweede lid, van dit besluit – wordt in het praktijkdeel van het inburgeringsexamen beoordeeld. Hierop heeft het eerste lid betrekking. Het is een aanvullende eis, die verder gaat dan hetgeen nodig is voor de persoonlijke inburgering van de geestelijke bedienaar. Op grond van het vijfde lid kunnen daarover bij ministeriële regeling regels worden gesteld.

Het tweede lid heeft eveneens betrekking op het praktijkexamen van inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn. Met het oog op hun bijzondere positie in de Nederlandse samenleving en – in aansluiting daarop – het nieuwe inburgeringsstelsel is voor inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn een apart domein voor het praktijkdeel van het inburgeringsexamen ontwikkeld. Aangezien de geestelijke bedienaar door zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale taken in belangrijke mate medebepalend is voor de houding van minderheden ten opzichte van de Nederlandse samenleving en daarmee ook voor de integratie van die minderheidsgroepen, wordt zijn taalvaardigheid in het praktijkdeel ook beoordeeld in een aantal praktijksituaties die zijn ontleend aan het domein sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening. Met de plaatsing van dit domein in een apart tweede lid, wordt tot uitdrukking gebracht dat dit onderdeel niet ter vrije keuze is aan de inburgeringsplichtige geestelijke bedienaar. Daarin verschilt zijn positie in het praktijkdeel van het inburgeringsexamen van die van andere inburgeringsplichtigen, die naast het domein burgerschap (eerste lid, aanhef) kunnen kiezen uit de domeinen werk (artikel 3.7, eerste lid, onderdeel a) en onderwijs, gezondheid en opvoeding (artikel 3.7, eerste lid, onderdeel b).

Het derde lid delegeert de aanwijzing van een specifieke exameninstelling voor de afneming van de examens van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, op basis van artikel 15, vijfde lid, van de wet.

Het vierde lid heeft betrekking op de volgtijdelijkheid van het inburgeringsexamen voor inburgeringsplichtigen die geestelijke bedienaar zijn. Het voor de geestelijke bedienaar geldende KNS-examen zoals bedoeld in het eerste lid kan slechts worden afgelegd nadat de andere examens zijn afgelegd.

Artikel 3.9 (centraal deel van het inburgeringsexamen)

Het centraal deel van het inburgeringsexamen bestaat uit drie afzonderlijke examens: een elektronisch praktijkexamen, een toets gesproken Nederlands en een examen in de kennis van de Nederlandse samenleving.

Het elektronisch praktijkexamen vormt in feite een controle op het taalniveau van de kandidaat zoals dat is vastgesteld bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. In de praktijk zal het worden afgenomen als het praktijkdeel van het inburgeringsexamen met goed gevolg is afgelegd. Evenals bij het praktijkdeel van het examen, wordt van de kandidaat verwacht dat hij aantoont te beschikken over functionele taalvaardigheid in die situaties waarmee iedere burger in Nederland te maken heeft. Bij het elektronisch praktijkexamen worden dus ook de domeinen «burgerschap», «werk» en «onderwijs, gezondheid en opvoeding» getoetst. Het elektronisch praktijkexamen wordt op gestandaardiseerde wijze afgenomen. De resultaten zijn daardoor onderling goed vergelijkbaar en zeer bruikbaar voor evaluatiedoeleinden, zoals die worden beschreven in artikel 71 van de wet.

Het centraal deel van het examen bestaat tevens uit een toets kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) en een toets gesproken Nederlands. KNS richt zich op onderwerpen als instanties, werk en inkomen, geschiedenis en geografie alsmede staatsinrichting en rechtsstaat. Bij de toets gesproken Nederlands worden de spreek- en luistervaardigheid van de kandidaat getoetst.

Overigens geldt er geen vaste volgorde voor het afleggen van de examens van het centraal deel. In welke volgorde de kandidaat de examens aflegt, zal vooral afhangen van organisatorische factoren. De IB-Groep zal er daarbij wel voor zorgen dat kandidaten de examens waarvoor ze zich hebben ingeschreven op één dag kunnen afleggen.

In het derde lid is bepaald dat het resultaat van het centraal deel wordt vastgesteld door de IB-Groep en wordt uitgedrukt in «geslaagd» of «niet geslaagd». De examenuitslag is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, Awb geschiedt de bekendmaking van de examenuitslag door toezending of uitreiking. In de praktijk zal dit betekenen dat de betrokkene de uitslag toegezonden zal krijgen. Voorts is bepaald dat de resultaten niet worden herbeoordeeld. Een herbeoordeling zou niet zinvol zijn omdat de centrale examens door de computer worden afgenomen en de uitslag automatisch wordt gegenereerd.

Artikel 3.10 (inburgeringsdiploma)

In de Wet inburgering is bepaald dat de kandidaat die is geslaagd voor het inburgeringsexamen een diploma krijgt. Het diploma wordt blijkens het eerste lid van artikel 3.10 als regel uitgereikt door de IB-Groep. Dat de IB-Groep als enige verantwoordelijk is voor de uitreiking van het diploma, staat er niet aan in de weg dat het diploma in voorkomende gevallen ook bijvoorbeeld tijdens een door de gemeente georganiseerde ceremoniële plechtigheid kan worden uitgereikt. De IB-Groep blijft echter verantwoordelijk. Kandidaten die vrijstelling hebben voor het gehele inburgeringsexamen, krijgen geen diploma. Kandidaten die vrijstelling hebben voor een of enkele examens van het inburgeringsexamen krijgen een diploma, indien zij de vrijstellingsbewijzen overleggen tezamen met de (positieve) uitslagen van de examens waarvan ze niet zijn vrijgesteld.

In het derde lid is bepaald dat duplicaten van diploma’s uitsluitend door de IB-Groep worden verstrekt. De IB-Groep zal de kosten die zijn gemoeid met de verstrekking van duplicaten doorberekenen aan de aanvrager.

§ 3. Examencommissies en commissies van beroep

Artikel 3.11 (examencommissies van exameninstellingen)

Elke exameninstelling moet beschikken over een examencommissie die de examens afneemt en die de kennis, het inzicht en de vaardigheden beoordeelt, waarover de kandidaat voor het desbetreffende examen dient te beschikken. Het onderhavige artikel heeft betrekking op zowel de examencommissie van de IB-Groep, als op examencommissies van de aangewezen exameninstellingen. Omdat aangewezen exameninstellingen uitsluitend bevoegd zijn het praktijkdeel van het inburgeringsexamen af te nemen en de IB-Groep bevoegd is om alle examens van het inburgeringsexamen af te nemen, wordt in artikel 3.11 in algemene zin gesproken over «een of meer van de examens van het inburgeringsexamen».

Kennis van de Nederlandse taal vormt een zeer essentieel onderdeel van het inburgeringsexamen. Om die reden dienen examencommissies behalve over deskundigheid op het gebied van taalvaardigheidsonderwijs. Daarom is op basis van het vierde lid in de Regeling inburgering bepaald dat aan de training voor examinatoren slechts kan worden deelgenomen, indien examinatoren bepaalde in die regeling genoemde opleidingen hebben afgerond.

De examencommissie bestaat uit ten minste drie leden, onder wie ten minste twee examinatoren. Door het minimumaantal laag te houden kunnen ook kleinere instellingen in aanmerking komen om te worden aangewezen als exameninstelling. Als waarborg voor onpartijdigheid is in het vijfde lid vastgelegd dat ten minste één examinator niet betrokken mag zijn geweest bij het geven van onderwijs aan de inburgeringsplichtige.

Artikel 3.12 (commissies van beroep van exameninstellingen)

Uit artikel 13, vierde lid, onderdeel e, van de wet vloeit voort dat er beroep moet kunnen worden ingesteld tegen de uitslag van het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Hieraan is vorm gegeven door de verplichting voor exameninstellingen om een externe, onafhankelijke commissie van beroep in te stellen of zich bij een zodanig door een andere exameninstelling ingestelde commissie van beroep aan te sluiten. Deze verplichting geldt voor alle exameninstellingen, dus zowel voor de ingevolge artikel 3.14, eerste lid, aangewezen examenstellingen als voor de IB-Groep.

In artikel 3.12 zijn de nodige voorzieningen getroffen ter waarborging van onafhankelijkheid van en een goede taakuitvoering door de commissies van beroep. Deze regels zijn in hoofdzaak ontleend aan de regeling over de commissie van beroep voor de examens in hoofdstuk 7, titel 5, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

§ 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen

Artikel 3.13 (normen voor de kwaliteit van de examinering)

Om te kunnen vaststellen of de kwaliteit van de examinering van de tot het inburgeringsexamen behorende examens – zowel die van het praktijkdeel als die van het centrale deel – en daarmee ook die van de exameninstellingen voldoende is, moet eenduidig zijn vastgelegd aan welke kwaliteitseisen de exameninstellingen en de examinering ten minste moeten voldoen. Dit wordt vastgelegd in kwaliteitsnormen, die in de Regeling inburgering worden vastgesteld en waaraan de IB-Groep en de aangewezen exameninstellingen (waaronder de exameninstelling die bij uitsluiting van andere exameninstellingen het praktijkdeel van het inburgeringsexamen afneemt, indien de betrokkene een geestelijke bedienaar is) moeten voldoen.

De normen gelden voor het totale inburgeringsexamen en alle daartoe behoren examens (de portfolio’s, de assessments en de combinaties daarvan in het praktijkdeel van het inburgeringsexamen, en het elektronische praktijkexamen, de toets gesproken Nederlands en het KNS-examen in het centrale deel) en de totale examenketen (alle examentaken, van de inrichting van de werkorganisatie voor de examens tot het bepalen van de einduitslag). Het gaat daarbij onder meer om de kwaliteit van het examenproces en de examenprocedures, om de voorwaarden waaronder de verschillende examens worden afgenomen en om de vaststelling van de uitslag van de examens. De normen dienen enerzijds globaal genoeg geformuleerd te zijn om ruimte te bieden voor variëteit in exameninrichting en -organisatie, en anderzijds specifiek genoeg om aan de hand daarvan te kunnen beoordelen of tenminste een eenduidig kwaliteitsniveau van de tot het inburgeringsexamen behorende examens wordt gerealiseerd. Deze normen betreffen niet de afstemming van de inhoud en het niveau van de portfolio’s en assessments op de eindtermen en het vereiste niveau van taalvaardigheid en kennis van de Nederlandse samenleving (artikelen 2.9 en 2.10 van dit besluit). De portfolio’s en assessments van het praktijkdeel worden – evenals het elektronische praktijkexamen, de toets gesproken Nederlands en het KNS-examen in het centrale deel – door de rijksoverheid ontwikkeld en ter beschikking van de exameninstellingen gesteld. Wel wordt er in het kader van het toezicht op de exameninstelling op toegezien dat in het kader van het inburgeringsexamen alleen die portfolio’s, assessments, examens en toetsen worden gebruikt.

AFDELING 2. EXAMENINSTELLINGEN

Artikel 3.14 (aanwijzing exameninstellingen)

Zoals vermeld in paragraaf 9.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting, wordt de aanwijzing van exameninstellingen die bevoegd zijn om het praktijkdeel van het inburgeringsexamen af te nemen in handen gelegd van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Over elke door een instelling ingediende aanvraag tot aanwijzing wordt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering gehoord. Een aangewezen exameninstelling is bevoegd om zowel assessments af te nemen als portfolio’s te beoordelen. In artikel 3.14, eerste lid, is geregeld aan welke voorwaarden een instelling moet voldoen om te kunnen worden aangewezen als exameninstelling. De instelling moet in het handelsregister zijn ingeschreven en de continuïteit van de instelling en de examinering moeten redelijkerwijs zijn gewaarborgd. Voorts moet de exameninstelling beschikken over een examenreglement, waaruit blijkt dat aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen wordt voldaan. Daartoe behoren, naast de eisen die specifiek voor de aangewezen exameninstellingen gelden (onderdelen a en b), ook de algemene eisen voor alle exameninstellingen waaraan dus ook de IB-Groep zich moet houden (onderdeel c). Die laatste omvatten onder meer het voldoen aan de normen voor de kwaliteit van de examinering (artikel 3.13), het instellen van een examencommissie (artikel 3.11) en het instellen van een commissie van beroep of het daarbij aangesloten zijn (artikel 3.12). De vraag in hoeverre de instelling aan deze eisen voldoet, wordt beoordeeld door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering, dat terzake een rapport opstelt dat bij de aanvraag om aanwijzing als exameninstelling moet worden gevoegd.

Voor aanwijzing als exameninstelling kunnen instellingen in aanmerking komen die alleen het praktijkdeel van het inburgeringsexamen willen afnemen, maar ook instellingen die naast het praktijkexamen tevens inburgeringsonderwijs of inburgeringsvoorzieningen aanbieden. Op die manier wordt het mogelijk om kandidaten een pakket aan te bieden met daarin een inburgeringsvoorziening of inburgeringsonderwijs en het praktijkexamen. Voor de inburgeringsplichtige heeft dit als voordeel dat hij het praktijkexamen in een hem vertrouwde omgeving kan afleggen. Indien de aanbieder tevens praktijkexamens afneemt, zal de inhoud van het onderwijs naar verwachting worden afgestemd op het praktijkexamen.

Bij ministeriële regeling kunnen ingevolge het vijfde lid nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde eisen en de (behandeling van de) aanvraag om aanwijzing als exameninstelling. Het betreft hier nadere uitvoeringsvoorschriften die vanwege het administratieve karakter ervan op het niveau van ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld. Het vijfde lid voorziet niet in de bevoegdheid om aanvullende eisen te stellen. Voorshands zijn in de Regeling inburgering alleen enkele voorschriften opgenomen over de inhoud van het door de exameninstelling vast te stellen examenreglement.

Artikel 3.15 (voorafgaand onderzoek)

Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering onderzoekt, als gezegd, in hoeverre een instelling die het praktijkdeel van het inburgeringsexamen wil afnemen, voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens de wet zijn gesteld. Dit onderzoek vindt plaats op verzoek van de instelling, die daarvoor een vergoeding in rekening kan worden gebracht. Het onderzoek zal grotendeels aan de hand van het examenreglement van de instelling plaatsvinden, aangezien de instelling vóór de aanwijzing als exameninstelling nog geen (tot het praktijkdeel van het inburgeringsexamen behorende) examens kan afnemen.

Het kwaliteitscentrum moet het onderzoek in beginsel binnen zes weken hebben voltooid. Indien de door de instelling aangeleverde gegevens en bescheiden ontoereikend zijn om een zorgvuldig advies uit te brengen, kan die termijn met maximaal vier weken worden opgeschort om de instelling de gelegenheid te bieden het ontbrekende alsnog aan te leveren. In de Regeling inburgering wordt geregeld welke gegevens en bescheiden de instelling bij zijn verzoek om een onderzoek moet verschaffen. In die regeling kunnen ook regels worden gesteld omtrent de inrichting van het onderzoek en het rapport van het kwaliteitscentrum.

Artikel 3.16 (schorsing en intrekking)

Het niet voldoen aan de wettelijke eisen blijft niet zonder gevolgen voor de aangewezen exameninstelling. Voordat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (de tot aanwijzing van een instelling als exameninstelling bevoegde instantie) het recht op examinering ontneemt – dus de aanwijzing intrekt – geeft hij dan ook een waarschuwing af. In voorkomende gevallen kan de aanwijzing ook tijdelijk worden geschorst. Als de aangewezen exameninstelling niet tijdig verbeteringen heeft aangebracht, kan de minister aan de aangewezen exameninstelling het recht op het examineren ontnemen. Bij dat besluit wordt tevens aangegeven met ingang van welk moment de ontneming een feit is. De minister betrekt bij zijn besluit het feitelijke oordeel van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering, waarin wordt geconstateerd dat de kwaliteit onvoldoende is.

Als een aangewezen exameninstelling het recht op examinering is ontnomen, mag die exameninstelling gedurende ten minste een jaar niet het praktijkexamen verzorgen. Aan deze termijn liggen de volgende motieven ten grondslag. De sanctie is een ultieme remedie, die zo min mogelijk aan de orde moet zijn. Exameninstellingen worden geacht zelf de kwaliteit van de examinering te bewaken en tijdig tekortkomingen te signaleren en verbeteringen te treffen zodat de kwaliteit intern gewaarborgd is.

Als de exameninstelling geen verantwoord gebruik maakt van haar recht op het verzorgen van het praktijkexamen, door het leveren van onvoldoende examenkwaliteit, is er een duidelijke consequentie: de exameninstelling verliest het recht op examinering. Er moet niet een situatie ontstaan waarbij strategisch gedrag van exameninstellingen optreedt en zij zich afwachtend opstellen ten aanzien van verbetering op eigen initiatief. De sanctie op onvoldoende kwaliteit bij de examens moet daarom stevig zijn en minimaal één jaar duren. Bovengenoemd strategisch gedrag zou bovendien veel tussentijds onderzoek door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering vereisen, met de daaraan verbonden kosten.

In de meeste gevallen zal aan de intrekking van de aanwijzing een afkeurende verklaring van het kwaliteitscentrum examinering inburgering ten grondslag liggen omdat dat kwaliteitscentrum heeft geconstateerd dat de kwaliteit van het examen onder de maat is, en ook naar verwachting niet binnen een half jaar weer voldoende zal zijn. De minister moet evenwel, net als bij andere sanctiemogelijkheden het geval is, telkens een bestuurlijke afweging maken, waarbij niet alleen de afkeurende verklaring een rol speelt. Er kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden.

In alle gevallen gaat aan een sanctie een waarschuwing vooraf. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een exameninstelling een voorwaardelijke verklaring heeft gekregen; de exameninstelling dient dan binnen het eerstvolgende halfjaar na afgifte van die verklaring de geconstateerde tekortkomingen weg te werken. Indien dat niet is gebeurd, volgt een afkeurende verklaring bij het eerstvolgende onderzoek. Een andere mogelijkheid is dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering al bij de voorbereiding of aanvang van het onderzoek constateert dat sprake is van zeer ernstige tekortkomingen. Dan moet voorkomen worden dat de exameninstelling nog een periode door kan gaan met een zeer ondeugdelijk examen. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering maakt daar dan direct melding van aan de minister. Wanneer de minister besluit tot het geven van een waarschuwing aan de exameninstelling, wordt daarbij de exameninstelling opgedragen om binnen een door de minister te bepalen termijn de nodige verbeteringen aan te brengen. In de regel zullen deze verbeteringen op zeer korte termijn voltooid dienen te zijn. Daarbij wijst de minister op het feit dat als de tekortkomingen niet tijdig zijn weggewerkt hij de exameninstelling het recht op examinering kan afnemen. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering aan het eind van de verbetertermijn zal het Kwaliteitscentrum examinering inburgering beslissen tot afgifte van respectievelijk een goedkeurende verklaring (in geval het examen dan aan de normen voldoet), of een afkeurende verklaring (in geval het examen niet aan de normen voldoet en het Kwaliteitscentrum examinering inburgering niet de verwachting heeft dat hier binnen een half jaar aan zal zijn voldaan), of een voorwaardelijke verklaring (als er niet meer sprake is van zeer ernstige tekortkomingen en als het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de verwachting heeft dat binnen een half jaar de nog resterende tekortkomingen kunnen zijn weggewerkt).

AFDELING 3. TOEZICHT OP DE EXAMENINSTELLINGEN

§ 1. Kwaliteitscentrum examinering inburgering

Artikel 3.17 (taken)

De instantie die is aangewezen als het Kwaliteitscentrum examinering inburgering beoordeelt of een instelling die op grond van de Wet inburgering wenst te worden aangewezen als exameninstelling, voldoet aan de daaraan gestelde eisen (zie artikel 3.14). Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt zijn bevindingen neer in een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag om aanwijzing als exameninstelling moet voegen. De kosten van dit toelatingsonderzoek kunnen voor rekening komen van de instelling die als exameninstelling wil worden aangewezen.

Daarnaast beoordeelt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering of de exameninstellingen en de examinering voldoen aan de eisen die de Wet inburgering en de daarop gebaseerde bepalingen daaraan stellen. Die eisen zijn onder meer neergelegd in de artikelen 3.11, 3.12 en 3.14 van dit besluit en in de Regeling inburgering, (in het bijzonder de daarin op grond van artikel 3.13 vastgelegde kwaliteitsnormen). Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt zijn oordeel neer in een verklaring (zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 3.22). Hiervoor voert het Kwaliteitscentrum examinering inburgering vooral een procescertificering uit. De uitvoering van deze onderzoeken moet proportioneel zijn (zie het derde lid). Dat betekent dat de intensiteit ervan mede wordt bepaald door de kwaliteit(zorg) van de exameninstelling. Het proportioneel toezicht komt onder meer tot uitdrukking in de intensiteit van het onderzoek, die niet ieder jaar het zelfde behoeft te zijn, en in de omvang van de steekproef van de te onderzoeken producten, die ligt binnen de vooraf bepaalde bandbreedte met een minimum en maximum omvang.

Artikel 3.18 (jaarverslag; jaarwerkplan; verslag examens)

In dit artikel is geregeld dat het kwaliteitscentrum de verplichting heeft regelmatig een zelfevaluatie te houden. De uitkomsten daarvan worden neergelegd in het jaarverslag van het kwaliteitscentrum. Dit geeft de minister en andere belanghebbenden inzicht in de realisatie van de voornemens uit het jaarwerkplan alsmede de uitkomsten van de zelfevaluatie. In het derde lid is geregeld dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering tevens een jaarwerkplan opstelt. In dat plan wordt de planning van de onderzoeken vastgelegd. Daaruit moet onder meer blijken dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zich houdt aan de formele taakopdracht dat jaarlijks een onderzoek bij alle instellingen wordt uitgevoerd.

In het vijfde lid wordt voorgeschreven dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering jaarlijks voor 1 november een verslag met bevindingen over de kwaliteit van de examens uitbrengt, dat wil zeggen een verslag over de examinering in het voorafgaande studiejaar. Het spreekt voor zich dat de instantie die als Kwaliteitscentrum examinering inburgering is aangewezen, de taken op grond van de Wet inburgering goed gescheiden moet houden van andere (wettelijke) taken.

Artikel 3.19 (begroting; jaarrekening)

Jaarlijks moet het Kwaliteitscentrum examinering inburgering zijn begroting indienen, op basis waarvan de subsidieverlening kan geschieden. De financiële verantwoording geschiedt op de gebruikelijke wijze via de jaarrekening, vergezeld gaand van een accountantsverklaring. Omdat de kosten van de uitvoering van de wettelijke taken door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering niet volledig gedekt kunnen worden door de opbrengsten, zal de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het Kwaliteitscentrum examinering inburgering subsidie verlenen voor de uitvoering van de taken op grond van de Wet inburgering. Op grond van het derde lid van artikel 3.19 kunnen daarover bij ministeriële regeling regels worden gesteld. In de Regeling inburgering is van deze regelgevende bevoegdheid voorshands geen gebruik gemaakt. Wel zijn op grond van het derde lid regels opgenomen over de subsidiëring van het Kwaliteitscentrum voor de uitoefening van zijn wettelijke taken.

Artikel 3.20 (taakverwaarlozing)

In dit artikel is een taakverwaarlozingsregeling, geënt op het model van artikel 7.4.9c van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web), opgenomen, waarbij de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de noodzakelijke voorzieningen kan treffen. Die voorzieningen kunnen uiteenlopen van het geven van algemene aanwijzingen tot zelfs intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, alsmede de gevolgen daarvan. Uiteraard wordt – alvorens tot voorzieningen over te gaan – het Kwaliteitscentrum examinering inburgering in de gelegenheid gesteld orde op zaken te stellen.

§ 2. De uitvoering van het toezicht op de exameninstellingen

Artikel 3.21 (jaarlijks kwaliteitsonderzoek examinering inburgering)

In dit artikel wordt naar het model van de regeling van artikel 7.4.9g Web de basis gelegd voor de jaarlijkse onderzoeken die het kwaliteitscentrum examinering inburgering moet afleggen bij alle exameninstellingen om de kwaliteit van de examinering te beoordelen.

In principe komt elke exameninstelling jaarlijks aan de beurt, zij het dat dit niet ieder jaar met dezelfde intensiteit zal geschieden. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering neemt het initiatief voor het onderzoek; de instelling hoeft dus geen aanvraag tot onderzoek in te dienen. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering kondigt ten minste vier weken van tevoren aan bij de instelling dat zij een onderzoek zal uitvoeren naar de kwaliteit van de inburgeringsexamens. Hierbij informeert het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de instelling ook over de wijze van uitvoering van het onderzoek, waaronder de planning van onderscheiden onderdelen van het onderzoek. Uiteraard kan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering al eerder afspraken hierover maken met de instelling.

Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voert de externe controle uit op de kwaliteit van de exameninstellingen en hun examinering, en levert een onafhankelijk oordeel daarover aan de hand van de bij of krachtens de wet gestelde eisen. Uitgangspunten voor de uitvoering van dit toezicht is permanente borging van de kwaliteit van de examinering en actieve openbaarmaking van de onafhankelijke beoordeling van de examenkwaliteit door het Kwaliteitscentrum. De mate van intensiteit van de externe kwaliteitsbewaking door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering bij een exameninstelling is mede afhankelijk van de vertrouwenwekkendheid en dekkendheid van interne kwaliteitsbewaking van die instelling en de hieruit naar voren komende beoordeling van de kwaliteit van de examens waarvoor de exameninstelling de verantwoordelijkheid draagt. Het toezicht door het Kwaliteitscentrum wordt dus vooral daar ingezet waar dat het meest nodig is (proportionaliteitsbeginsel). Met een doelmatige vormgeving wordt ook de beheerslast voor de exameninstellingen zo beperkt mogelijk. Het toezicht vindt gericht plaats. Hoewel voor een sluitend toezicht op de examinering het Kwaliteitscentrum jaarlijks een onderzoek dient uit te voeren, kan – en hoeft – niet ieder examen bij iedere instelling door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering te worden gecontroleerd. De intensiteit en de steekproefomvang kunnen – gelet op het proportionaliteitsbeginsel – variëren binnen een bepaalde bandbreedte.

Op grond van het derde lid kan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tarieven vaststellen op grond waarvan een vergoeding wordt berekend die de instelling verschuldigd is voor het onderzoek. Indien de minister daartoe overgaat, ligt het in de rede dat de vergoeding die het Kwaliteitscentrum examinering inburgering in rekening kan brengen, afhankelijk wordt gesteld van de hoeveelheid werk die het kwaliteitscentrum heeft aan de uitvoering van het onderzoek bij de instelling. Daarbij kan worden gedacht aan het hanteren van een aantal parameters, bijvoorbeeld het aantal examenlocaties en aantal afgenomen examens en toetsen, waaraan tarieven zijn gekoppeld. Op basis van door de exameninstelling aangeleverde informatie kan het kwaliteitscentrum examinering inburgering dan voorafgaand aan het onderzoek de vergoeding berekenen en vaststellen. Instellingen kunnen dan ook zelf vooraf berekenen wat de kosten zullen zijn die aan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering moeten worden vergoed. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dient dan niet achteraf een declaratie in op basis van werkelijk bestede uren. Alleen in geval een instelling tijdens het onderzoek niet alle vereiste informatie levert, waardoor door het kwaliteitscentrum examinering inburgering meerwerk verricht moet worden, zou het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de meerkosten hiervan in rekening brengen bij de instelling.

Artikel 3.22 (verklaringen)

Naar het model van artikel 7.4.9h Web legt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de bevindingen van een onderzoek in het kader van het toezicht op de aangewezen exameninstellingen (artikel 3.17, tweede lid, onderdeel b) vast in een verklaring.

Een goedkeurende verklaring wordt afgegeven indien het Kwaliteitscentrum examinering inburgering van mening is dat de exameninstelling en de examinering in overeenstemming zijn met de eisen die daaraan bij en krachtens de Wet inburgering zijn gesteld.

Een voorwaardelijke verklaring wordt afgegeven als weliswaar niet geheel wordt voldaan aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen, maar de afwijkingen zo gering zijn dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verwacht dat het binnen een half jaar wel in orde kan zijn. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voert een half jaar nadat de voorwaardelijke verklaring is afgegeven opnieuw onderzoek uit en geeft daarna op grond van het eerste lid een goedkeurende of op grond van het derde lid een afkeurende verklaring af. Het is niet mogelijk een voorwaardelijke verklaring te laten volgen door opnieuw een voorwaardelijke verklaring.

Een afkeurende verklaring wordt afgegeven:

a. als bij de exameninstelling of de examinering door die instelling sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in relatie tot de daartoe vastgestelde eisen, dat het – naar de inschatting van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering – ook niet aannemelijk is dat de exameninstelling binnen een half jaar de zaak wel op orde heeft, dan wel

b. na een onderzoek na een voorwaardelijke verklaring, indien het Kwaliteitscentrum examinering inburgering opnieuw van oordeel is dat de kwaliteit nog altijd onvoldoende is voor een goedkeurende verklaring.

Indien kort na de start van een onderzoek al blijkt dat er sprake is van zeer ernstige tekortkomingen, stuurt het Kwaliteitscentrum examinering inburgering op grond van het tweede lid hiervan direct een melding aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, die vervolgens op grond van artikel 3.16 de aangewezen instelling een waarschuwing zal geven en zo nodig het recht van examinering schorst of intrekt. Indien niet op zeer korte termijn door de instelling verbeteringen worden aangebracht, is het zo goed als zeker dat na afronding van het onderzoek een afkeurende verklaring zal volgen.

In het vierde lid is geregeld dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering verklaringen moet onderbouwen. De onderbouwing bij een voorwaardelijke of een afkeurende verklaring bevat dus de motivering waarom het Kwaliteitscentrum examinering inburgering van mening is dat niet of niet geheel wordt voldaan aan de eisen waaraan de exameninstelling en de examinering moeten voldoen. Daarin zal exact moeten worden aangegeven waar de tekortkomingen zitten.

In het vijfde lid is bepaald dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de exameninstelling in de gelegenheid moet stellen kennis te nemen van de concept-verklaring, inclusief bijlage. Tevens moet de instelling in staat worden gesteld hierover in overleg te treden met het Kwaliteitscentrum examinering inburgering. Indien de exameninstelling en het Kwaliteitscentrum examinering inburgering het niet eens worden, wordt de afwijkende mening van de instelling eveneens opgenomen in een bij de verklaring behorende bijlage.

Zodra de verklaring is vastgesteld, worden zowel de instelling als de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie voorzien van een exemplaar (inclusief eventuele bijbehorende bijlagen).

Artikel 3.23 (openbaarmaking verklaringen)

In dit artikel wordt naar het model van artikel 7.4.9i Web bepaald dat de vastgestelde verklaringen geheel, dat wil zeggen inclusief bijbehorende bijlagen, openbaar worden gemaakt in de vijfde week na de vaststelling. Dit stelt de exameninstelling in staat in die periode haar bestuurlijke reactie met eventuele verbeteracties op te stellen en gelijktijdig openbaar te maken. Naar verwachting zal het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de verklaringen op zijn internetsite publiceren. Naast de actieve openbaarmaking blijft het mogelijk een afschrift van een verklaring op te vragen. Indien derden een verklaring op schrift willen ontvangen, kan het Kwaliteitscentrum examinering inburgering daarvoor een vergoeding verlangen ter hoogte van een door de minister vastgesteld tarief. Uiteraard zal een afschrift niet worden verstrekt, voordat de verklaring openbaar is gemaakt.

Artikel 3.24 (klachtenbehandeling)

Klachten vormen een belangrijke bron van informatie voor het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voor zijn verdere kwaliteitsverbetering. Voor de betrokkenen bij de externe kwaliteitsbewaking vormt een klachtprocedure niet alleen een waarborg dat hun klachten ook daadwerkelijk en serieus worden gehoord, maar het is tevens een manier om invloed uit te oefenen op de wijze waarop de externe kwaliteitsbewaking plaatsvindt. Dit sluit aan bij de regeling in artikel 7.4.9j Web.

Artikel 3.25 (inlichtingenplicht)

Aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moeten, opdat die zijn ministeriële verantwoordelijkheid kan effectueren, voldoende bevoegdheden worden toegekend in de verhouding tot het Kwaliteitscentrum examinering inburgering. Het eerste lid regelt daarom dat het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de minister alle inlichtingen verstrekt die deze voor de uitvoering van zijn taak nodig heeft en dat de minister inzage kan vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.

In het tweede lid is de pendant van het eerste lid te vinden: exameninstellingen waarbij het Kwaliteitscentrum examinering inburgering de examinering komt beoordelen, dienen het centrum tijdig alle inlichtingen te verschaffen die het nodig heeft om de wettelijke taak – het uitoefenen van toezicht op naleving van de voorwaarden die bij of krachtens artikel 3.17 zijn gesteld – goed uit te kunnen voeren.

Artikel 3.26 (jaarlijks verslag over de examinering)

De aangewezen exameninstellingen (waaronder de exameninstelling die de geestelijke bedienaar het praktijkdeel van het inburgeringsexamen afneemt) en de IB-Groep stellen jaarlijks een verslag op van de afgenomen examens. Voor de aangewezen exameninstellingen gaat het daarbij om de tot het praktijkdeel van het inburgeringsexamen behorende portfolio’s en assessments; voor de IB-Groep gaat het daarnaast ook om de afgenomen elektronische praktijkexamens, de toetsen gesproken Nederlands de examens in de kennis van de Nederlandse samenleving en de korte vrijstellingstoetsen.

Uit die jaarlijkse verslagen moet blijken op welke wijze de examinering door de verschillende exameninstellingen voldoet aan de bij en krachtens de wet gestelde eisen. Daarbij gaat het onder meer om de normen die op grond van artikel 3.13 bij ministeriële regeling zijn vastgesteld, maar ook om bijvoorbeeld het functioneren van de examencommissies en de commissies van beroep (artikelen 3.11 en 3.12) en de inschrijving in het handelsregister (artikel 3.14, eerste lid). Deze verslagen vormen voor het Kwaliteitscentrum examinering inburgering een belangrijk aanknopingspunt voor de beoordeling van de kwaliteit van de examinering in het nieuwe inburgeringsstelsel. Op grond van het tweede lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting en openbaarmaking van deze verslagen. In de Regeling inburgering is van deze regelgevende bevoegdheid voorshands geen gebruik gemaakt.

HOOFDSTUK 4 FACILITEITEN

AFDELING 1. LENING

§ 1. Vaststelling van de lening

Artikel 4.1 (voorwaarden voor verstrekking van de lening)

Uit het eerste lid vloeit voort dat de lening niet alleen kan worden verstrekt voor de financiering van de kosten van een inburgeringscursus, maar ook ter financiering van de kosten van het inburgeringsexamen zelf.

In het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, is tot uitdrukking gebracht dat de leningfaciliteit openstaat voor het volgen van een cursus die de inburgeringsplichtige opleidt tot het inburgeringsexamen op het voorgeschreven niveau en het afleggen van dit examen. In het eerste lid subonderdeel 2°, is tot uitdrukking gebracht dat de leningfaciliteit ook openstaat voor het volgen van cursussen die oudkomers opleiden tot het inburgeringsexamen op het – hogere – schriftelijke niveau A2 en het afleggen van dit examen (subonderdeel 2°).

Met betrekking tot het staatsexamen NT2 wordt de lening alleen toegekend voor de kosten van de cursus (eerste lid, onderdeel b). De kosten voor het afleggen van het staatsexamen zelf worden immers reeds gesubsidieerd door de overheid.

Uit het in het eerste lid gebezigde begrip «cursusinstelling», zoals dat in artikel 1, onderdeel j, van de wet is gedefinieerd, vloeit voort dat de lening alleen kan worden verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus inkoopt bij een instelling waarvan de kwaliteit middels een keurmerk dan wel certificaat is gewaarborgd.

In het tweede lid is vastgelegd dat de cursusinstelling over het keurmerk dan wel certificaat moest beschikken ten tijde van de aanmelding door de cursist. Later verlies van het keurmerk of certificaat heeft dus geen gevolgen voor een aangegane lening.

De inburgeringsplichtige aan wie op enig moment een inburgeringsvoorziening is aangeboden en deze ook heeft aanvaard, waarna de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, komt op grond van het derde lid niet in aanmerking voor een lening. Opgemerkt wordt dat onder «inburgeringsvoorziening» ingevolge artikel 1.1, onderdeel j, niet alleen de in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Wet inburgering bedoelde inburgeringsvoorziening wordt verstaan, maar ook de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in de Regelingen inburgering allochtone vrouwen G31 en niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal.

Personen ten aanzien van wie een inburgeringsvoorziening op basis van een van voornoemde regelingen is vastgesteld, worden al voldoende financieel ondersteund.

Op het voorgaande geldt een uitzondering voor de inburgeringsplichtige wiens inburgeringsvoorziening als gevolg van verhuizing is vervallen en die het door de gemeente aangeboden gelijkwaardig inburgeringsalternatief niet heeft aanvaard. Deze inburgeringsplichtige moet in de gelegenheid worden gesteld de inburgeringscursus op eigen kracht voort te zetten en komen dus wel in aanmerking voor een lening. Voorts wordt opgemerkt dat de inburgeringsplichtige vrouw die een overeenkomst heeft gesloten op grond van het intensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal wel in aanmerking komt voor een vergoeding.

Uit het vierde lid volgt dat de lening slechts ten behoeve van het inburgeringsexamen (daaronder vanzelfsprekend begrepen het inburgeringsexamen op A2-niveau voor oudkomers) wordt verstrekt indien eveneens voor het volgen van de inburgeringscursus een lening wordt verkregen. De inburgeringsplichtige die geen cursus volgt of voor eigen rekening een cursus volgt, is dus uitgesloten van de leningsfaciliteit. Hiermee wordt beoogd de leningfaciliteit uit te sluiten ten aanzien van bedragen die verhoudingswijs niet groot zijn te noemen, mede in verband met de kosten die met het verlenen van de lening zijn gemoeid.

Artikel 4.2 (duur, hoogte en betaling van de lening)

In artikel 4.2 is neergelegd dat na afloop van de termijn van drie jaar er geen aanspraak meer op de lening bestaat. De lening wordt aangegaan voor ten hoogste drie jaar (dat wil zeggen 36 kalendermaanden) gerekend vanaf de eerste van de maand volgend op de eerste uitbetaling.

Het is wenselijk om de leenperiode te beperken, immers zonder een beperking van de leenperiode zou het mogelijk zijn voor onbeperkte duur (binnen het in de Regeling inburgering vastgestelde maximale leenbedrag) te lenen. Dit zou – mede gezien het feit dat de lening rentedragend wordt verstrekt – voor de inburgeringsplichtige financieel onverantwoord zijn.

Bij het beperken van de leenperiode is gekozen voor een termijn van maximaal drie jaar omdat binnen deze termijn het inburgeringsexamen moet kunnen worden behaald. Verder is dit het moment waarop de aanloopfase, die voorafgaat aan de terugbetalingsperiode, aanvangt.

De terugbetalingsperiode begint op grond van artikel 17, eerste lid, van de wet jo. artikel 4.6, derde lid, van dit besluit op de eerste dag van de maand volgend op zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de eerste verstrekking van de lening. Indien eerder het inburgeringsexamen is behaald, is dat op de eerste dag van de maand volgend op zes maanden nadat het inburgeringsexamen is behaald. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur ook aanvangen op een eerder tijdstip.

Door de maximale termijn van de lening op drie jaar te stellen is er geen overlap met de terugbetalingsperiode. Het aflossen doorkruist daarmee niet het verstrekken van de lening. Bij het einde van de leenperiode is duidelijk welk bedrag de inburgeringsplichtige in totaal heeft geleend. Op basis daarvan kan dan de in totaal verschuldigde rente worden berekend en de maandelijkse aflossingstermijnen worden bepaald. Belangrijk voordeel is dat er geen afspraken hoeven worden gemaakt over de terugbetaling van het geld dat geleend is in de periode na de eerste drie jaren. Verder wordt hiermee voorkomen dat het leenbedrag aan het einde van de terugbetalingperiode het hoogst is (de laatste termijnen moeten aan het einde van de terugbetalingsperiode nog worden betaald).

De termijn van de lening is hard, dit betekent dat er geen uitzonderingen mogelijk zijn, met uitzondering van de situatie waarin de inburgeringsplichtige zijn verblijf in Nederland tijdelijk onderbreekt (maximaal een jaar) en waarbij de inburgeringsplicht die daardoor reeds was gevestigd, na terugkeer naar Nederland geacht wordt niet te zijn geëindigd, indien de betrokkene na terugkeer wederom inburgeringsplichtig is overeenkomstig artikel 4.15 van dit besluit.

Er wordt een lening verstrekt indien de betrokken persoon op het moment van de aanvraag inburgeringsplichtig is. De aanspraak op de lening vervalt niet indien nadien de inburgeringsplicht eindigt.

In de Regeling inburgering wordt de omvang van de lening nader geregeld. Deze bedraagt ten hoogste € 5000, waarbij de precieze omvang van het bedrag per persoon afhangt van de kosten die de inburgeringsplichtige ten behoeve van zijn cursus of examen maakt.

Artikel 4.3 (aanvraag van de lening)

In dit artikel zijn enkele formaliteiten rondom de aanvraag vastgelegd in aanvulling op de algemene regels die reeds zijn neergelegd in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit de genoemde regels in de Awb vloeit voort dat de aanvraag voor een lening moet worden ingediend bij de IB-Groep, dat de aanvraag moet worden ondertekend en dat daarin naam, adres, dagtekening en het verzoek om een lening moeten worden vermeld. De lening kan in beginsel te allen tijde worden aangevraagd. De nieuwkomer zal waarschijnlijk na aanvang van de inburgeringsplicht de lening aanvragen. De oudkomer ten aanzien van wie een handhavingsbeschikking op grond van artikel 26 van de wet is vastgesteld, zal dat in het algemeen doen na aanvang van de in die beschikking vermelde termijn. Voor de oudkomer ten aanzien van wie nog geen handhavingsbeschikking is vastgesteld, geldt er nog geen termijn; deze vangt pas aan als er een handhavingsbeschikking wordt gegeven. Deze oudkomer zal dan ook op een later tijdstip kunnen beginnen met het volgen een inburgeringscursus en in dat verband een lening aanvragen. Ook kan de lening worden aangevraagd op een moment dat de inburgeringsplichtige reeds één of meerdere cursusonderdelen heeft gevolgd.

Omdat inburgeringsplichtigen aan wie een gedeeltelijke vrijstelling op de inburgeringsplicht is verleend wel inburgeringscursussen volgen en het examen afleggen, kunnen zij eveneens de lening aanvragen.

In aanvulling op artikel 4:2 Awb is bepaald dat de aanvrager ook zijn sociaal-fiscaalnummer moet verstrekken. Tezamen met de aanvraag moet hij voorts een ondertekende verklaring indienen waarin hij de IB-Groep machtigt de maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 4.8 of 4.11 van dit besluit moet terugbetalen automatisch van zijn bankrekening af te schrijven (tweede lid). Daardoor wordt een meer efficiënte terugvordering van de lening vergemakkelijkt.

Op de aanvraagprocedure is ook overigens titel 4.1 van hoofdstuk 4 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat indien bij de aanvraag verzuimd is de vereiste gegevens over te leggen, de IB-Groep kan besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten. Hiertoe kan echter alleen worden besloten nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een bepaalde termijn de gegevens alsnog te verstrekken (artikel 4:5, eerste lid, Awb). De termijn waarbinnen de IB-Groep op grond van artikel 4.4 een beschikking moet geven, wordt alsdan opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld met de verzochte gegevens (artikel 4:15 Awb).

Artikel 4.4 (vaststelling van de lening)

De IB-Groep bepaalt binnen acht weken of de aanvraag voor de lening wordt ingewilligd. Daarbij is aangesloten bij de termijnen die ook in de Wet studiefinanciering 2000 worden gehanteerd (vgl. artikel 3.19, tweede lid, van die wet wat betreft de toekenning van de studiefinanciering en artikel 6.10, vierde lid, van die wet wat betreft de vaststelling van de draagkracht van de debiteur).

Overeenkomstig artikel 4.4.1.3 van de (vierde tranche) Awb (Kamerstukken II 2004/05, 29 702, nrs. 1–2) vermeldt de beschikking de maximale hoogte van de lening. In de Regeling inburgering wordt bepaald dat de lening maximaal € 5000 kan bedragen. De wijze waarop de lening door de IB-Groep moet worden betaald, wordt eveneens geregeld in de Regeling inburgering. De termijn waarbinnen de lening moet worden betaald bedraagt ten hoogste 36 maanden vanaf het moment van de eerste uitbetaling (artikel 4.2).

§ 2. Terugbetaling van de lening

Artikel 4.5 (rente)

In dit artikel is bepaald op welke wijze het rentepercentage dat over de lening moet worden betaald, wordt vastgesteld (eerste lid). De rente is gelijk aan de rente die de Staat betaalt op de kapitaalmarkt voor staatsleningen met een resterende looptijd van circa tien jaar. Aangezien de resterende looptijd van openbare leningen uitgegeven door de Staat over de maand oktober van exact tien jaar niet is vast te stellen, wordt uitgegaan van een resterende looptijd die daar zo dicht mogelijk bij aansluit. Deze rente is marktconform, maar niet commercieel. Voor dit rentepercentage is gekozen met het oog op de kosten die gemoeid zijn met de voorziening van de draagkrachtvaststelling, bedoeld in artikel 4.9 en verder, en de mogelijkheid onder omstandigheden de schuld van rechtswege teniet doen gaan, bedoeld in artikel 4.14. De rente is verschuldigd vanaf het moment dat de lening wordt verstrekt en het bedrag aan lening bij de IB-Groep is afgeschreven. De wijze waarop de rente berekend wordt, is geregeld in de Regeling inburgering.

Artikel 4.6 (terugbetalingsperiode lening)

Artikel 16, derde lid, van de wet bepaalt dat de verstrekte lening, vermeerderd met de daarover berekende rente, door de inburgeringsplichtige moet worden terugbetaald.

In het eerste lid van het onderhavige artikel is de duur van de terugbetalingsperiode geregeld. Deze is bepaald op ten hoogste drie jaar, dus 36 kalendermaanden. De toevoeging «ten hoogste» maakt het mogelijk bij een geringe schuld een kortere terugbetalingsperiode af te spreken.

Op grond van het tweede lid kan de terugbetalingsperiode door de IB-Groep worden verlengd indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen en de IB-Groep naar aanleiding van een verzoek van de debiteur om draagkrachtvaststelling, de maandelijkse termijn aanpast. De terugbetalingsperiode kan in dat geval ten hoogste zeven jaar beslaan.

De aanvang van de terugbetalingsperiode is geregeld in artikel 17, eerste lid, van de wet jo. artikel 4.6, derde lid, van dit besluit. De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de eerste verstrekking van de lening. Indien eerder het inburgeringsexamen is behaald, is dat op de eerste dag van de maand volgend op zes maanden nadat het inburgeringsexamen is behaald. De periode van zes maanden is een aanloopfase die voorafgaat aan de terugbetalingsperiode. De aanloopfase begint dus op de eerste van de maand drie jaar na verstrekking van de lening dan wel, indien eerder het inburgeringsexamen is behaald, op de eerste van de maand nadat het inburgeringsexamen is behaald. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur ook aanvangen op een eerder tijdstip.

Door het vervallen van de aanspraak op de lening op grond van het derde lid wordt geregeld dat er net als in de andere gevallen geen overlap is met de terugbetalingsperiode. Het aflossen doorkruist daarmee niet het verstrekken van de lening. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in de toelichting op artikel 4.2 is opgemerkt.

In het vierde lid is vastgelegd dat gedurende de aanloopfase geen aflossingsplicht bestaat, maar dat de inburgeringsplichtige wel verplicht is rente te betalen over zijn opgebouwde schuld. Aflossen mag wel gedurende de aanloopfase. De aanloopfase stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid voorafgaand aan de terugbetalingsperiode een draagkrachtmeting aan te vragen.

Artikel 4.7 (maandelijkse termijn)

De aflossing geschiedt in beginsel op annuïteitenbasis: een vast bedrag dat maandelijks wordt betaald. Daarbij neemt overeenkomstig het geval is bij hypotheken op annuïteitenbasis het in het aflossingsbedrag begrepen rentebestanddeel maandelijks af en het in dat bedrag begrepen aflossingsbestanddeel maandelijks toe (vgl. de annuïteitensystematiek in de terugbetalingsfase van het studiefinancieringsstelsel). Voor de debiteur die onvoldoende draagkrachtig is om de overeenkomstig dit artikel berekende maandelijks termijn te voldoen, is in de artikelen 4.9 en verder van dit besluit een aparte procedure opgenomen. Deze procedure voorziet erin bij het bepalen van de hoogte van de maandelijkse termijn rekening te houden met zijn inkomenssituatie.

In het derde lid wordt voorzien in de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere voorschriften te geven ten aanzien van de hoogte van de maandelijkse termijnen en de wijze waarop deze worden berekend. Teneinde te voorkomen dat de kosten die met het innen van de aflossingsbedragen gemoeid zijn hoger zijn dan de bedragen die afgelost moeten worden, is in de Regeling inburgering een minimaal bedrag dat maandelijks moet worden afgelost vastgesteld, te weten € 15.

Artikel 4.8 (beschikking tot terugbetaling)

In dit artikel en de volgende artikelen wordt de inburgeringsplichtige ten aanzien van wie op grond van de artikelen 4.8 en 4.11 van dit besluit een beschikking tot terugbetaling van zijn lening is genomen, als «debiteur» aangeduid.

Binnen acht weken na aanvang van de aanloopfase (dus twee maanden nadat het examen is behaald dan wel drie jaar nadat de lening is verstrekt), krijgt de debiteur van de IB-Groep een beschikking waarin het bedrag dat moet worden terugbetaald alsmede de termijn waarbinnen dat moet gebeuren, is vastgesteld. Omdat de terugbetalingsverplichting pas over vier maanden in gaat heeft de debiteur nog ruimschoots de tijd een verzoek om draagkrachtvaststelling te doen (zie artikel 4.9 van dit besluit). Op dit verzoek moet de IB-Groep binnen acht weken beslissen. Als de debiteur vanaf de eerste termijn op basis van draagkracht wil betalen heeft hij dus twee maanden de tijd om deze aan te vragen. De debiteur kan hier overigens ook gedurende de terugbetalingsperiode om vragen.

Zo nodig kan de debiteur in deze periode ook overwegen tegen de beschikking overeenkomstig de Awb in bezwaar of beroep te gaan. Dit betekent dat hij binnen zes weken alsdan bij de IB-Groep bezwaar tegen deze beschikking kan aantekenen (artikel 6:4 Awb e.v.). Het bezwaar schort niet de werking van de beschikking waartegen het is gericht (artikel 6:16 Awb). Indien het bezwaar ongegrond is verklaard, kan hij in beroep gaan bij de administratieve rechter (artikel 8:1 Awb e.v.).

Artikel 4.9 (aanvraag vaststelling draagkracht debiteur)

De debiteur die op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt in staat gesteld het bedrag op basis van zijn draagkracht in plaats van de vastgestelde termijn te betalen. Het kan dan gaan om een debiteur die van aanvang af daartoe onvoldoende draagkrachtig blijkt te zijn dan wel tijdens de terugbetalingsperiode een terugval in inkomen ondervindt.

De debiteur kan dan bij de IB-Groep een verzoek indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode. Indien blijkt dat zijn draagkracht lager is dan de vastgestelde termijn, zal deze termijn daaraan worden aangepast. De woorden «voor de resterende terugbetalingsperiode» sluiten een aanpassing met terugwerkende kracht uit. Deze bepaling moet in verband met de garantiebepaling van artikel 4.14 worden bezien. Van laatstgenoemd artikel kan gebruik worden gemaakt indien gedurende de aflosfase de draagkracht van de debiteur dusdanig is gebleken, dat hij niet het volle bedrag van alle vastgestelde termijnen heeft kunnen betalen. De schuld die resteert bij het einde van de terugbetalingsperiode gaat op grond van die bepaling van rechtswege teniet. Achterstallige termijnen vallen hier niet onder (artikel 4.14, eerste lid).

Artikel 4.10 (berekening draagkracht debiteur)

Ten aanzien van de berekening van de draagkracht van de debiteur wordt het systeem van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) gevolgd. Dit houdt in dat ter bepaling van de draagkracht het toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner in aanmerking wordt genomen. Onder toetsingsinkomen wordt op grond van artikel 8, eerste lid, AWIR verstaan:

a. indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is opgenomen;

b. indien over het berekeningsjaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het belastbare loon, zoals dat blijkt uit de op het berekeningsjaar betrekking hebbende jaaropgaven.

In het derde lid van genoemd artikel 8 AWIR is een voorziening opgenomen voor de in het buitenland werkende partner van de debiteur.

In de Regeling inburgering worden op grond van artikel 4.10, derde lid, nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt berekend en de wijze waarop het toetsingsinkomen van de partner daarbij wordt meegenomen.

Volgens artikel 4.6 van dit besluit kan in geval van wijziging van het bedrag van de maandelijkse termijn naar aanleiding van een verzoek tot draagkrachtvaststelling als bedoeld in artikel 4.9, de terugbetalingsperiode worden verlengd tot ten hoogste zeven jaren.

Ook is in de Regeling inburgering op grond van het derde lid een voorziening opgenomen voor bijstandsgerechtigden. Voor deze personen wordt het maandelijks te betalen aflossingsbedrag op een vast bedrag vastgesteld (thans op grond van het vierde lid in de Regeling inburgering vastgesteld op € 15,– voor ten hoogste drie jaren). De kosten die deze groep dan voor het volgen van de inburgeringscursus en het doen van het examen moet maken zijn dan in verhouding met de kosten die worden gemaakt door hen die door de gemeente een inburgeringsvoorziening aangeboden krijgen en daarvoor uitsluitend een eigen bijdrage behoeven te betalen.

Artikel 4.11 (beschikking aanpassing draagkracht)

Dit artikel stelt de debiteur die op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, in staat het bedrag van zijn draagkracht in plaats van de vastgestelde termijn te betalen. Indien blijkt dat zijn draagkracht hoger is dan de vastgestelde termijn, betaalt hij het bedrag van de vastgestelde termijn (vgl. de draagkrachtregeling in de terugbetalingsfase van het studiefinancieringsstelsel; artikel 6.10, vierde lid, WSF 2000). Tegen deze beschikking staat bezwaar en beroep open overeenkomstig de Awb (zie de toelichting bij artikel 4.8)

Artikel 4.12 (verzuim, aanmaning en invordering)

In de Regeling inburgering worden regels gesteld omtrent de gevallen waarin de debiteur in verzuim is, de IB-Groep de debiteur kan aanmanen en vervolgens tot (dwang-)invordering kan overgaan.

Artikel 4.13 (kwijtschelding)

Artikel 4.13 voorziet in een procedure om het resterende bedrag dat moet worden terugbetaald, kwijt te schelden. De inburgeringsplichtige dient hiertoe een aanvraag in te dienen.

In de Regeling Inburgering wordt de kwijtscheldingsregeling beperkt tot het geval waarin een inburgeringsplichtige asielzoeker niet meer inburgeringsplichtig is omdat het land van herkomst veilig is. In dit geval dient het mogelijk te zijn de rest van de schuld kwijt te schelden.

Op grond van artikel 17, derde lid, van de wet gaat bij kwijtschelding de over het kwijtgescholden bedrag opgebouwde rente op het tijdstip van kwijtschelding teniet.

Artikel 4.14 (van rechtswege tenietgaan schuld)

Nog resterende schuld gaat in twee situaties teniet. Allereerst bij het einde van de terugbetalingsperiode voor zover er nog een schuld resteert omdat de maandelijkse termijn is verlaagd naar aanleiding van een draagkrachtmeting (artikel 4.11, tweede lid). Achterstallige termijnen die de debiteur overeenkomstig artikel 4.8 of 4.11 nog heeft te voldoen, vallen hier uiteraard niet onder. Voorts gaat de schuld teniet in geval van overlijden van de debiteur. In dat geval gaat de volledige, nog resterende schuld teniet, dus ook mogelijke achterstallige termijnen. Indien de schuld teniet gaat, gaat eveneens de over dat bedrag opgebouwde rente op dat tijdstip teniet (vgl. artikel 17, derde lid, van de wet).

Artikel 4.15 (termijnverlenging)

Bij tijdelijke onderbreking (van maximaal een jaar) van het verblijf in Nederland wordt de inburgeringsplicht die daardoor reeds was gevestigd, na terugkeer naar Nederland geacht niet te zijn geëindigd indien de betrokkene na terugkeer wederom inburgeringsplichtig is. Aangezien hij tijdens zijn verblijf in het buitenland uiteraard niet in de gelegenheid was zijn inburgering in Nederland voort te zetten, is het redelijk om de termijn waarbinnen hij het inburgeringsexamen moet hebben behaald om voor de lening in aanmerking te kunnen komen, te verlengen met de duur van de periode (van maximaal een jaar) waarin hij buiten Nederland verbleef. De duur daarvan wordt bepaald door de inschrijving in het GBA. Om dezelfde redenen is het redelijk de termijn voor het gebruik van de vergoedingfaciliteit en het tijdstip waarop de terugbetaling van de lening aanvangt, eveneens te verlengen met die duur.

§ 3. Slotbepaling

Artikel 4.16 (toepasselijkheid AWIR)

In artikel 4.16 worden de artikelen 3, 4 en 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) van overeenkomstige toepassing verklaard. De AWIR is niet rechtstreeks van toepassing op de leningfaciliteit (zie hierover paragraaf 10 van het algemeen deel van deze toelichting).

In artikel 3 AWIR is het partnerbegrip gedefinieerd. Dit is nodig voor de draagkrachtberekening. Dit geldt eveneens voor de definitie van het begrip kind in artikel 4 AWIR. In artikel 6, eerste lid, AWIR wordt een voorziening getroffen voor iemand die in het buitenland woonachtig is en dus niet ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland. Voor een nadere toelichting zij kortheidshalve verwezen naar de toelichting op deze artikelen van de AWIR.

Artikel 10, eerste lid, AWIR gaat over minderjarigheid. Artikel 2 van de wet voorziet in een uitzondering op de algemene handelingsonbekwaamheid van minderjarigen. Artikel 1:234, eerste lid, BW biedt hiertoe de mogelijkheid. Het is van belang dat een minderjarige die recht heeft op een lening, deze faciliteiten zelf kan aanvragen en voor het ontvangen van de lening zelf een giro- of bankrekening kan openen.

AFDELING 2. VERGOEDING

Artikelen 4.17, eerste lid, en 4.18 tot en met 4.20 (vergoedingsvarianten)

De vergoeding die kan worden verstrekt kent twee varianten.

De eerste variant is een forfaitair bedrag van € 650 (dit is het bedrag dat thans op grond van artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, in de Regeling inburgering is vastgesteld). Deze vergoeding wordt ingevolge artikel 4.19 verstrekt binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen heeft behaald of, indien het een oudkomer betreft, het examen op A2-niveau. Deze modaliteit is opgenomen in onderdeel a.

De tweede variant van de vergoeding is opgenomen in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b, en verder uitgewerkt in artikel 4.20. Deze vergoeding is gerelateerd aan de gemaakte kosten. Hieraan ligt ten grondslag het gegeven dat de hoogte van de kosten, gemoeid met de voorbereiding op het inburgeringsexamen, niet voor alle inburgeringsplichtigen gelijk is, aangezien de inspanningen om het examen te behalen kunnen verschillen naar gelang de persoonlijke omstandigheden, het beginniveau en de leercompetenties van de betrokkene.

Uit het in onderdeel b gebezigde begrip «cursusinstelling», zoals dat in artikel 1, onderdeel j, van de wet is gedefinieerd, vloeit voort dat uitsluitend de inburgeringsplichtige die een cursus inkoopt bij een aanbieder die in het bezit is van een keurmerk dan wel certificaat, in aanmerking komt voor deze vergoeding. In onderdeel b is vastgelegd dat de cursusinstelling over het keurmerk dan wel certificaat moest beschikken ten tijde van de aanmelding door de cursist. Later verlies van het keurmerk of certificaat heeft dus geen gevolgen voor de vergoeding.

De kostengerelateerde vergoeding wordt slechts toegekend voor de kosten van het inburgeringsexamen samen met de kosten van de cursus. Op basis van het eerste lid, onderdeel b, is de omvang van deze vergoeding thans in de Regeling inburgering bepaald op 70% van de gemaakte kosten met een maximum van € 3000. Dit betreft uitsluitend de kosten die de inburgeringsplichtige heeft gemaakt op het moment dat hij inburgeringsplichtig was. In artikel 4.20 is vastgelegd dat deze vergoedingsvariant ambtshalve of op aanvraag wordt verstrekt. Ambtshalve verstrekking is mogelijk indien de IB-Groep al facturen in haar bezit heeft ten behoeve van de lening. Evenals de forfaitaire vergoeding wordt de kostengerelateerde vergoeding verstrekt binnen acht weken nadat de gewezen inburgeringsplichtige het examen heeft behaald. Een eventueel resterend gedeelte van de vergoeding kan op aanvraag worden verstrekt. Dit kan het geval zijn, indien de inburgeringsplichtige een gedeelte van zijn cursus zelf heeft betaald en een gedeelte uit de lening heeft bekostigd. Indien de IB-Groep nog geen facturen van de inburgeringsplichtige heeft ontvangen, wordt de gehele kostengerelateerde vergoeding op aanvraag toegekend. Op een aanvraag wordt binnen acht weken beslist.

De kostengerelateerde vergoeding wordt slechts toegekend voorzover het bedrag daarvan de forfaitaire vergoeding te boven gaat (artikel 4.20, eerste lid). Er is geen sprake van cumulatie van vergoedingen. De inburgeringsplichtige heeft dus slechts recht op één vergoeding.

Om voor de vergoeding in aanmerking te komen, moet de gewezen inburgeringsplichtige binnen de in artikel 18, eerste lid, van de wet genoemde termijn van drie jaar het inburgeringsexamen (indien het een oudkomer betreft desgewenst op A2-niveau) hebben behaald. Geen recht op vergoeding bestaat indien weliswaar het examen is behaald, maar betrokkene niet inburgeringsplichtig was op het moment dat het inburgeringsexamen is behaald. Dit betreft bijvoorbeeld EU-onderdanen en minderjarigen jonger dan 16 jaar.

Omdat inburgeringsplichtigen aan wie een gedeeltelijke vrijstelling op de inburgeringsplicht is verleend wel het inburgeringsexamen moeten afleggen, komen zij eveneens in aanmerking voor de vergoeding. De vergoeding wordt eenmalig verstrekt.

Artikel 4.17, tweede, derde en vierde lid

Tweede lid

Het tweede lid bevat een positieve prikkel voor inburgeringsplichtigen om een hoger niveau te bereiken dan waartoe zij zijn verplicht. Indien zij binnen drie jaar het Staatsexamen NT2 (Programma I of II) behalen, komen ook zij, hoewel zij daarmee van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld (zie artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, van dit besluit) en het inburgeringsexamen niet meer hoeven te behalen, in aanmerking voor een forfaitaire of kostengerelateerde vergoeding.

In de Regeling inburgering is dit bedrag bepaald op 70% van de gemaakte kosten met een maximum van € 3000. In tegenstelling tot de kostengerelateerde vergoeding voor het behalen van het inburgeringsexamen, worden de kosten die de inburgeringsplichtige maakt voor het afleggen van het Staatsexamen zelf niet meegenomen bij het vaststellen van deze vergoeding. Alleen de cursuskosten worden meegenomen bij het vaststellen van de vergoeding. De kosten van het Staatsexamen zelf worden namelijk al gesubsidieerd door de overheid, waardoor de kosten relatief laag zijn.

Derde lid

De oudkomer die binnen drie jaar het inburgeringsexamen (desgewenst geheel op A2-niveau) heeft afgelegd, komt reeds op grond van het eerste lid in aanmerking voor de forfaitaire of kostengerelateerde vergoeding. Indien hij geen geestelijke bedienaar is en het taalvaardigheidsniveau A2 voor schriftelijke vaardigheden heeft behaald – dus een hoger niveau dan het voorgeschreven A1 niveau – komt hij daarnaast in aanmerking voor een extra forfaitaire vergoeding. Dat laatste is geregeld in het derde lid.

Voor geestelijke bedienaren is vastgesteld dat het behalen van de eindtermen van het aanvullend KNS examen een beheersing van de Nederlandse taal op A2-niveau vergt (zie artikel 2.9, tweede lid). Het verplichte niveau voor de schriftelijke vaardigheden voor de oudkomer die geestelijke bedienaar is, is daarom vastgesteld op het A2-niveau. Geestelijke bedienaren komen daarom niet in aanmerking voor de extra forfaitaire vergoeding.

Vierde lid

Op grond van het vierde lid zijn in de Regeling inburgering nadere regels gesteld over de verstrekking van de hiervoor genoemde vergoedingen.

Artikel 4.21 (geen recht op vergoeding)

Eerste lid

De inburgeringsplichtige aan wie op enig moment een inburgeringsvoorziening is aangeboden en deze ook heeft aanvaard komt niet in aanmerking voor een vergoeding. Deze persoon wordt immers al voldoende financieel ondersteund. Hierop geldt een uitzondering voor de inburgeringsplichtige wiens inburgeringsvoorziening als gevolg van verhuizing is vervallen. Deze inburgeringsplichtige moet in de gelegenheid worden gesteld de inburgeringscursus op eigen kracht voort te zetten indien bij verhuizing het aanbod niet door de nieuwe gemeente wordt voortgezet.

Opgemerkt wordt dat onder «inburgeringsvoorziening» ingevolge artikel 1.1, onderdeel j, niet alleen de in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de Wet inburgering bedoelde inburgeringsvoorziening wordt verstaan, maar ook de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in de Regelingen inburgering allochtone vrouwen G31 en niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal. Dit laatste betekent dat de inburgeringsplichtige vrouw die een overeenkomst heeft gesloten op grond van het intensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal wel in aanmerking kan komen voor een vergoeding als zij zich zelf voorbereidt op het inburgeringsexamen en dus geen nieuw aanbod van de gemeente heeft ontvangen en aanvaard.

Het is ongewenst om illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen in aanmerking te brengen voor een vergoeding van de overheid. Daartoe is in onderdeel b van artikel 4.21, eerste lid, van het recht op vergoeding uitgesloten de gewezen inburgeringsplichtige die geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 in Nederland (meer) heeft. Dit betekent dat de gezinsmigrant wiens afhankelijke verblijfsrecht wegens verbreking van de (huwelijks)relatie is vervallen en aan wie geen voortgezet verblijf in Nederland is toegestaan, geen vergoeding zal worden uitgekeerd, zolang hij geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 in Nederland heeft.

Hoewel dat voor zichzelf spreekt aangezien de vergoeding dient als stimulans voor de inburgeringsplichtige om het inburgeringsexamen (snel) te behalen, is in onderdeel c volledigheidshalve opgenomen dat degene die als niet-inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen behaalt, niet voor een vergoeding in aanmerking komt. De reden daarvoor is dat een ieder, ongeacht de vraag of hij inburgeringsplichtig is, het inburgeringsexamen – uiteraard tegen betaling van de daarvoor verschuldigde kosten – kan afleggen. In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de arbeidsmigrant die, hoewel hij niet inburgeringsplichtig is, wel het inburgeringsexamen moet hebben behaald om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In dit verband wordt er volledigheidshalve nog op gewezen dat de vergoeding slechts wordt uitgekeerd indien het inburgeringsexamen is behaald. Dat examen is ingevolge artikel 14, eerste lid, van de wet behaald, indien alle daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd, of ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. Indien de betrokkene van de inburgeringsplicht is ontheven of geheel daarvan is vrijgesteld, is derhalve geen sprake van dat hij als inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen heeft behaald en komt hij niet in aanmerking voor een vergoeding.

Een uitzondering wordt gemaakt voor degene wiens inburgeringsplicht is geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Deze persoon wordt ook na het eindigen van zijn inburgeringsplicht in de gelegenheid gesteld zijn inburgeringsexamen te behalen en daarvoor een vergoeding te ontvangen.

Tweede lid

Op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, heeft de gewezen inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, als regel geen recht op vergoeding, tenzij deze voorziening wegens verhuizing naar een andere gemeente is vervallen en de inburgeringsplichtige het door het college aangeboden gelijkwaardig alternatief niet heeft aanvaard. Op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel c heeft degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen is behaald niet inburgeringsplichtig was eveneens geen recht op een vergoeding, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het tweede lid bevat een uitzondering op deze regels; de personen, bedoeld in de onderdelen a en c, komen wel in aanmerking voor de extra forfaitaire vergoeding, indien zij bij het inburgeringsexamen het taalvaardigheidsniveau A2 voor schriftelijke vaardigheden en dus een hoger niveau dan het voorgeschreven A1 niveau hebben behaald.

Artikel 4.22 (verrekening vergoeding met terugbetaling lening)

In dit artikel is bepaald dat – indien de gewezen inburgeringsplichtige een verplichting tot terugbetaling van de lening heeft – de vergoeding uitsluitend wordt betaald na verrekening met het bedrag dat voortvloeit uit deze terugbetalingsverplichting. Daarmee wordt deze verrekeningsbevoegdheid van een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4.4.1.9 Awb (vierde tranche Awb) voorzien. De gewezen inburgeringsplichtige kan bezwaar en beroep instellen tegen een beschikking omtrent verrekening (zie de toelichting bij artikel 4.8).

AFDELING 3. GEMEENTELIJK AANBOD AAN BIJSTANDS- EN UITKERINGSGERECHTIGDEN

Artikel 4.23 (aanwijzing socialezekerheidswetten of -regelingen)

Dit artikel betreft de aanwijzing van socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen die voorzien in een uitkering waarmee de ontvanger die inburgeringsplichtig is in aanmerking komt voor een gemeentelijk aanbod voor een inburgeringsvoorziening.

AFDELING 4. GEMEENTELIJK AANBOD AAN GEESTELIJKE BEDIENAREN

Artikel 4.24 (aanbod geestelijke bedienaren)

In de toelichting op artikel 2.10 is reeds ingegaan op de specifieke positie van de geestelijke bedienaar in de Nederlandse samenleving en, in aansluiting daarop, in het nieuwe inburgeringsstelsel. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de wet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de aan geestelijke bedienaren aan te bieden inburgeringsvoorziening. Dit vormt een beperkte afwijking van de gemeentelijke beleidsvrijheid om de inburgeringsvoorziening naar eigen inzicht in te richten, zolang die voorziening maar toeleidt tot het examen. In artikel 4.24 is voorgeschreven dat de inburgeringsvoorziening die aan geestelijke bedienaren wordt aangeboden, in ieder geval een inburgeringscursus omvat die de geestelijke bedienaar toeleidt naar het totale inburgeringsexamen waarin de aanvullende kennis van de Nederlandse samenleving zoals bedoeld in het aanvullende praktijkdeel wordt beoordeeld. Het gaat hierbij om aanvullende kennis die noodzakelijk is voor de vervulling door de geestelijke bedienaar van zijn sociaal-maatschappelijke en pastorale taken in de Nederlandse samenleving. Hiervoor heeft de rijksoverheid niet alleen de eindtermen geformuleerd, maar tevens het cursusmateriaal ontwikkeld. Daarbij is een zwaar accent gelegd op de interreligieuze dialoog en op contacten met geestelijke bedienaren van andere geloofsrichtingen. Gelet daarop, alsmede gelet op het betrekkelijk geringe aantal geestelijke bedienaren, wordt die cursus verzorgd door één cursusinstelling. Over deze verdiepingscursus worden in de Regeling inburgering regels gesteld.

AFDELING 5. INBURGERINGSALTERNATIEF BIJ VERVAL INBURGERINGSVOORZIENING

Artikel 4.25 (gelijkwaardig inburgeringsalternatief na verhuizing)

Ingevolge artikel 23, vierde lid, van de wet wordt een inburgeringsvoorziening na verhuizing van de inburgeringsplichtige in beginsel voortgezet door de nieuwe gemeente, tenzij het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe gemeente binnen zes weken na inschrijving in het GBA te kennen heeft gegeven dat de inburgeringsvoorziening vervalt. In dat laatste geval moet dat college een gelijkwaardig inburgeringsalternatief aanbieden. Artikel 4.25 geeft een nadere uitwerking aan (de procedure met betrekking tot het aanbieden van) dit gelijkwaardige inburgeringsalternatief.

Indien het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe gemeente te kennen heeft gegeven dat de inburgeringsvoorziening is vervallen, moet het college de inburgeringsplichtige ingevolge het eerste lid binnen zes weken oproepen om te verschijnen en de nodige gegevens te verstrekken (het zgn. «onderzoek»). Voor deze termijn is aangesloten bij de termijn die geldt voor de oproep tot onderzoek voor nieuwkomers, bedoeld in artikel 5.1 van dit besluit. De reden hiervan is dat, evenals bij de nieuwkomers, de termijn waarbinnen deze groep inburgeringsplichtigen het inburgeringsexamen moet behalen reeds is gestart. Voorts loopt deze termijn na verhuizing en na het vervallen van de inburgeringsvoorziening door. Op grond van het voorgaande dient de oproep tot onderzoek door de nieuwe gemeente zo snel mogelijk plaats te vinden. In dit verband zij opgemerkt dat een op grond van (artikel 22, tweede lid, jo.) artikel 26 van de wet door het college van de oude gemeente gegeven handhavingsbeschikking van kracht blijft. Het onderzoek heeft als doel om op basis van de beschikbare informatie na te gaan wat de inhoud was van de vervallen inburgeringsvoorziening, over welk kennis- en vaardighedenniveau de inburgeringsplichtige op dat moment beschikt, welke kennis en vaardigheden de inburgeringsplichtige nog moet verwerven om het inburgeringsexamen te behalen en binnen welke resterende termijn de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. Dit inzicht is vereist om aan de inburgeringsplichtige een gelijkwaardig inburgeringsalternatief te kunnen aanbieden.

Na het onderzoek moet het college van burgemeester en wethouders, nadat de inburgeringsplichtige het aanbod van een gelijkwaardig inburgeringsalternatief heeft aanvaard, dit gelijkwaardig inburgeringsalternatief vaststellen. Het tweede lid stelt voor het vaststellen van het gelijkwaardig inburgeringsalternatief een termijn van vier weken. Deze termijn is de helft van de termijn die in normale gevallen, dus los van een verhuizing, voor het vaststellen van een inburgeringsvoorziening geldt (zie artikel 5.3, tweede lid). De reden hiervoor is dat de periode tussen de vervallen inburgeringsvoorziening en de start van het gelijkwaardig inburgeringsalternatief zo kort mogelijk moet zijn. Het is van belang dat de reeds verworven kennis en vaardigheden niet verloren gaan, doordat er teveel tijd zit tussen de vervallen inburgeringsvoorziening en het starten van het gelijkwaardige inburgeringsalternatief. Voorts is een korte periode van belang omdat, zoals al in de toelichting bij het eerste lid is aangegeven, de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben behaald, na verhuizing en na het vervallen van de inburgeringsvoorziening, doorloopt.

Het tweede lid legt tevens – analoog aan artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, van de wet – vast dat sprake moet zijn van een passende inburgeringsvoorziening. De nieuwe inburgeringsvoorziening moet passend zijn op het tijdstip waarop het college de beschikking vaststelt. Een passende inburgeringsvoorziening is een inburgeringsvoorziening die zoveel mogelijk aansluit én bij de vervallen inburgeringsvoorziening én bij de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige.

Indien de inburgeringsplichtige het door het college aangeboden gelijkwaardig inburgeringsalternatief weigert, dient hij zichzelf verder voor te bereiden op het inburgeringsexamen. De inburgeringsplichtige kan in die situatie aanspraak maken op lening en vergoeding.

HOOFDSTUK 5 HANDHAVING

AFDELING 1. OPROEPEN VAN PERSONEN

Artikel 5.1 (oproep van «nieuwkomers» t.b.v. intake)

Om te voorkomen dat er nieuwe achterstanden bij de inburgering van groepen vreemdelingen ontstaan, acht de regering het van groot belang dat de gemeenten onder de Wet inburgering de inburgeringsplicht van alle nieuwe inburgeringsplichtigen handhaven. Dit betreft die inburgeringsplichtige vreemdelingen die na de inwerkingtreding van de wet tot Nederland worden toegelaten.

Zoals ook is aangegeven in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 67) en de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2006/07, 30 308, H, blz. 4–5), vangt de inburgeringsplicht voor nieuwkomers aan op het tijdstip waarop zij op basis van een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel in Nederland mogen verblijven. Dat is vanaf de bekendmaking van de inwilligende beschikking (de verlening van de verblijfsvergunning). Indien de vergunning met terugwerkende kracht wordt verleend, heeft de vreemdeling in de periode tussen de ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning en de latere bekendmaking van de inwilligende beschikking, als regel rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Die vorm van rechtmatig verblijf vestigt geen inburgeringsplicht. De betrokken vreemdeling wordt eerst inburgeringsplichtig op het moment waarop de inwilligende beschikking wordt bekendgemaakt. De terugwerkende kracht waarmee de verblijfsvergunning is verleend, vestigt niet tevens een inburgeringsplicht met terugwerkende kracht. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich daartegen. Op het moment waarop de inwilligende beslissing aan de vreemdeling of diens gemachtigde wordt bekendgemaakt, is het voor de vreemdeling duidelijk dat hem een verblijfsvergunning is verleend, en daarmee verkrijgt hij rechtmatig verblijf in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet inburgering. Deze vreemdeling kan aan de hand van de artikelen 3 en 5 van de wet vaststellen of hij inburgeringsplichtig is. Aangezien hij zelf weet of hij vóór zijn komst naar Nederland het basisexamen inburgering in het buitenland heeft behaald, kan hij voorts aan de hand van artikel 7, eerste lid, van de wet bepalen of hij het inburgeringsexamen binnen drieënhalf of binnen vijf jaar moet hebben behaald.

In artikel 5.1 is geregeld dat gemeenten binnen zes weken deze nieuwe inburgeringsplichtigen moeten oproepen voor een intake. Deze termijn is conform de termijn van de Wet inburgering nieuwkomers. In laatstgenoemde wet was geregeld dat de nieuwkomer zich binnen zes weken nadat hij inburgeringsplichtig is geworden bij de gemeente moet melden. De praktijk van deze wet was echter dat weinig nieuwkomers zich melden, maar dat de gemeente, ondanks de meldplicht, hen opriep voor een inburgeringsonderzoek. Hoewel de verplichting van nieuwkomers om zich bij de gemeente te melden beter aansluit bij een belangrijk uitgangspunt van het nieuwe stelsel, namelijk de eigen verantwoordelijkheid, is gelet op genoemde praktijk er toch voor gekozen om gemeenten de nieuwe inburgeringsplichtige te laten oproepen.

Hoewel ook voor asielgerechtigden de inburgeringsplicht aanvangt nadat zij in het opvangcentrum de beschikking van de IND hebben ontvangen, waarbij hen een verblijfsvergunning asiel is verleend, op grond waarvan zij rechtmatig verblijf hebben in Nederland, worden zij pas door de gemeente van uitplaatsing opgeroepen. In artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, wordt geregeld dat asielgerechtigden worden opgeroepen door het college van de gemeente waar zij na de uitplaatsing naar een gemeente voor de eerste keer aangifte hebben gedaan van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet GBA. Asielgerechtigden, die al tijdens het verblijf in het opvangcentrum, aangifte hebben gedaan van verblijf en adres in de gemeente waar het opvangcentrum was gevestigd, worden dus niet opgeroepen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het opvangcentrum is gevestigd, maar door het college van de gemeente van uitplaatsing. Nadat hun inburgeringsplicht in het opvangcentrum is aangevangen, kunnen deze asielmigranten echter al starten met hun inburgering door middel van de inburgeringsvoorzieningen die hen in het opvangcentrum worden aangeboden. Asielgerechtigden worden na uitplaatsing in een gemeente door die gemeente opgeroepen en krijgen van de gemeente een inburgeringsvoorziening aangeboden. Bij dat aanbod wordt rekening gehouden met het gedeelte van de inburgeringsvoorziening dat de betrokkenen in het opvangcentrum reeds hebben gevolgd. In dit artikel wordt voor de definitie van opvangcentrum verwezen naar de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Deze definitie luidt: een opvangvoorziening niet zijnde een woning, hotel, of pension, waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers aan asielzoekers opvang wordt geboden.

In de meeste gevallen ontstaat de inburgeringsplicht, als gezegd, bij de bekendmaking van de beschikking waarbij een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel wordt verleend of waarbij de verblijfsvergunning voor een tijdelijk doel wordt gewijzigd in een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel. De inburgeringsplicht kan echter ook ontstaan door, bijvoorbeeld, het bereiken van de zestienjarige leeftijd, door het staken van een vervolgopleiding of door het beginnen van werkzaamheden als geestelijke bedienaar door een vreemdeling die al langer voor een tijdelijk doel in Nederland verbleef maar tot dan toe niet inburgeringsplichtig was.

Op grond van het tweede lid kunnen deze gronden bij ministeriële regeling nader worden uitgewerkt. Voorshands is in de Regeling inburgering geen behoefte gebleken aan dergelijke nadere regels. Het betreft hier mogelijke uitvoeringsvoorschriften van administratieve aard, die gelet op het karakter daarvan op het niveau van een ministeriële regeling kunnen worden getroffen.

Indien de opgeroepene geen gehoor geeft aan de oproep kan een bestuurlijke boete (ten hoogste € 250) worden opgelegd op grond van artikel 29 juncto artikel 34, onderdeel a, van de wet. Tegen de boetebeschikking staat bezwaar en beroep open.

Artikel 5.2 (oproep van oudkomers t.b.v. intake)

Dit artikel bepaalt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op de wijze waarop het aantal oudkomers wordt vastgesteld aan wie het college een handhavingsbeschikking bekendmaakt. De oudkomers waarop in dit artikel wordt gedoeld, zijn de oudkomers die geen aanbod voor een (gecombineerde reïntegratie- en) inburgeringsvoorziening ontvangen.

Anders dan bij de nieuwkomers,is voor het oproepen van de oudkomers een fasering nodig, gezien de grote omvang van deze groep. Dat niet alle inburgeringsplichtige oudkomers tegelijk gehandhaafd worden, vloeit voort uit de beschikbare capaciteit en de beschikbare middelen.

Het is het college dat bepaalt welke oudkomer wanneer wordt opgeroepen. Wel kunnen als gezegd bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent het aantal oudkomers dat jaarlijks of meerjaarlijks per gemeente door het college wordt opgeroepen.

De oudkomer is op straffe van een boete verplicht om mee te werken aan de intake waartoe hij wordt opgeroepen. Indien de opgeroepene geen gehoor geeft aan de oproep of anderszins geen medewerking verleent, kan een bestuurlijke boete (van ten hoogste € 250) worden opgelegd op grond van artikel 29 juncto artikel 34, onderdeel a, van de wet. Tegen de boetebeschikking staat bezwaar en beroep open. In deze intake wordt nagegaan of betrokkene inderdaad inburgeringsplichtig is. Is dat het geval dan stelt de gemeente een handhavingsbeschikking op en start de handhavingstermijn. Ten aanzien van deze oudkomers handhaaft de gemeente vervolgens de naleving van de inburgeringsplicht.

De inburgeringsplicht is voor alle oudkomers gevestigd met de inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007. Een groot deel van deze inburgeringsplichtige oudkomers zal zonder een aanbod van de gemeente moeten inburgeren. Voor de naleving van de inburgeringsplicht is ook handhaving noodzakelijk. Deze handhaving is een prikkel voor inburgeringsplichtigen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De overheid laat door handhaving bovendien zien dat aan het behalen van het inburgeringsexamen groot belang wordt gehecht. Bij het vaststellen van de hoogte van het aantal binnen een nader te bepalen tijdvak te handhaven inburgeringsplichtigen zal met name ook een rol spelen het aantal inburgeringsplichtigen dat op eigen initiatief (dus zonder handhaving en ook zonder aanbod) de inburgeringsplicht vervult. Het doel is immers dat alle inburgeringsplichtigen aan hun inburgeringsplicht voldoen. Indien dit onvoldoende op eigen initiatief gebeurt dan zal ten aanzien van een groter aantal inburgeringsplichtigen handhaving van de inburgeringsplicht noodzakelijk zijn. Voor gemeenten is het van belang een helder handhavingsbeleid te formuleren en zo nodig neer te leggen in een verordening.

Artikel 5.3 (acties bij intake)

In het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet, (intake) gaat het college na of de betrokkene aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. Daartoe dient als eerste de identiteit van de betrokkene te worden vastgesteld. Het kan bij de intake gaan om twee categorieën personen. De eerste categorie betreft de groep personen van wie het college op redelijke gronden vermoedt – maar geen zekerheid heeft – dat zij inburgeringsplichtig zijn. De intake dient er in dat geval mede toe dat gegevens kunnen worden vergaard die van belang zijn om te kunnen beoordelen of de betrokkene op grond van de artikelen 3 en 5 van de wet inburgeringsplichtig is. De tweede categorie betreft de groep personen ten aanzien van wie het college er als regel van kan uitgaan dat deze inburgeringsplichtig zijn. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel krijgen (gezinsvormers, -herenigers, asielgerechtigden).

De gegevens die nodig zijn voor het inburgeringsproces van de betrokkene dienen door het college op grond van artikel 6.2 van dit besluit aan de IB-Groep te worden verstrekt ten behoeve van opneming in het Informatiesysteem Inburgering. Zoals al is aangegeven kan het college ook een persoon oproepen, van wie het college op redelijke gronden vermoedt dat hij inburgeringsplichtig is. Indien tijdens de intake blijkt dat betrokkene niet inburgeringsplichtig is dient het college ook de gegevens van deze persoon te verstrekken aan de IB-Groep om in het Informatiesysteem Inburgering op te nemen. De reden hiervan is dat bij verhuizing van deze persoon de nieuwe gemeente beschikt over deze gegevens, zodat de nieuwe gemeente de betreffende persoon niet opnieuw oproept voor een intake in het kader van de inburgeringsplicht.

Indien uit de intake blijkt dat de betrokkene in principe inburgeringsplichtig is, dient het college de inburgeringsplichtige op grond van het eerste lid te informeren over diens rechten en plichten die uit de wet voortvloeien. Dat betreft bijvoorbeeld de mogelijkheid om een aanvraag om ontheffing van de inburgeringsplicht in te dienen op grond van psychische of lichamelijke belemmeringen, dan wel een verstandelijke handicap. Tevens onderzoekt het college of de betrokkene is vrijgesteld voor een onderdeel van het inburgeringsexamen. De betrokkene wordt voorts geïnformeerd over de termijn van de inburgeringsplicht, over de termijn van de vergoeding, over het inburgeringsexamen en het niveau dat moet worden behaald om te slagen voor de onderdelen Nederlandse taal en Kennis van de Nederlandse samenleving, over de regels die betrekking hebben op de bestuurlijke boete, over mogelijke verblijfsrechtelijke gevolgen indien niet voldaan wordt aan de inburgeringsplicht enz. Tijdens de intake gaat de gemeente na of betrokkene in aanmerking komt voor een gemeentelijk aanbod voor een (al dan niet met een reïntegratievoorziening gecombineerde) inburgeringsvoorziening.

In het tweede lid is geregeld dat, indien de inburgeringsplichtige door de gemeente een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden en hij deze aanvaardt, dit aanbod en de daaraan verbonden rechten en plichten in een beschikking op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet worden neergelegd. In het geval van een oudkomer die een van gemeentewege aangeboden inburgeringsvoorziening heeft aanvaard, wordt in die beschikking tevens het startmoment voor de termijn van vijf jaar bepaald (zie artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 van de wet). Indien het gaat om een oudkomer die niet in aanmerking is gebracht voor een dergelijke voorziening of deze niet heeft aanvaard, worden in de handhavingsbeschikking de termijnen vermeld waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald en daarmee waarna een bestuurlijke boete kan worden opgelegd (vijf jaar), en waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald om in aanmerking te kunnen komen voor een vergoeding (drie jaar). Voor de beslistermijn van deze beschikking is aangesloten bij de termijn van artikel 4:13 Awb.

Tegen deze handhavingsbeschikking kan bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Ten aanzien van nieuwe inburgeringsplichtigen die niet in aanmerking komen voor een aanbod, geeft de gemeente geen handhavingsbeschikking. De termijnen voor de inburgeringsplicht en daarmee van het kunnen opleggen van een boete (3,5 of 5 jaar) en voor de vergoeding (3 jaar) vloeien rechtstreeks voort uit de wet.

Het derde lid van dit artikel bepaalt duidelijkheidshalve wel dat de nieuwe inburgeringsplichtige schriftelijk door de gemeente over deze zaken wordt geïnformeerd. Omdat in dit geval geen sprake is van een beschikking kan tegen deze schriftelijke informatie geen bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.

Wanneer de opgeroepene niet verschijnt of onvoldoende medewerking verleent aan de intake, kan het college een bestuurlijke boete opleggen (artikel 25, vierde lid, juncto artikel 29 van de wet). Op grond van artikel 34, onderdeel a, van de wet bedraagt deze boete ten hoogste € 250.

AFDELING 2. TERMIJNVERLENGING EN ONTHEFFING VAN DE INBURGERINGSPLICHT

Artikel 5.4 (verlenging van de termijn van de inburgeringsplicht)

Op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, jo. derde lid, van de wet kan het college, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, de termijn verlengen waarbinnen een inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet hebben voldaan. De inburgeringsplichtige dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. Bij die aanvraag dient de inburgeringsplichtige aannemelijk te maken dat hem geen verwijt treft voor het niet behalen van het inburgeringsexamen binnen de gestelde termijn.

Het begrip «niet verwijtbaar» heeft hier dezelfde betekenis als bij de beoordeling van de verwijtbaarheid bij het opleggen van een bestuurlijke boete.

Indien het college van mening is dat er sprake is van verwijtbaarheid in verband met het niet behalen van het inburgeringsexamen, legt het college een bestuurlijke boete op. Zoals uiteengezet in de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Tweede Kamer van 28 oktober 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 29 543, nr. 12) behoeft het college de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar zal het steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moeten besluiten of de verwijtbaarheid ontbreekt.

Zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting, de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer en de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 89, en nr. 7, blz. 154; Kamerstukken I 2006/07, 30 308, F, blz. 32) vormt schuld in de zin van verwijtbaarheid bij bestuursrechtelijk gesanctioneerde overtredingen – als het niet binnen de daartoe gestelde termijn behalen van het inburgeringexamen – doorgaans geen bestanddeel van het delict. Dit betekent dat het college de verwijtbaarheid niet behoeft te bewijzen, maar deze mag veronderstellen als het daderschap vaststaat. Om aan het opleggen van een boete te ontkomen, zal de inburgeringsplichtige zelf een beroep moeten doen op afwezigheid van alle schuld en deze afwezigheid aannemelijk moeten maken. Zoals ook in de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Tweede Kamer van 7 december 2004 (Kamerstukken 2004/05, 29 543, nr. 4, blz. 15) en in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 7, blz. 154) is aangegeven, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel echter met zich mee dat het college, indien het uit andere hoofde reeds weet zou hebben van bijzondere omstandigheden die de afwezigheid van schuld zouden impliceren, daarmee rekening moet houden, ook als de inburgeringsplichtige zich daarop niet uitdrukkelijk beroept. Dit sluit aan bij de regeling van de bestuurlijke boete in het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. In dit verband wordt nog verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel (Kamerstukken II 2005/06, 29 702, nr. 7, blz. 49, terzake van artikel 5.4.1.2 Awb).

Indien het college van mening is dat de verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd. Het college dient dan echter wel de termijn waarbinnen aan de inburgeringsplicht moet worden voldaan te verlengen. Bij het verlengen van de termijn houdt het college rekening met een termijn die een redelijke periode biedt om alsnog aan de inburgeringsplicht te voldoen.

Als gezegd dient de inburgeringsplichtige bij zijn aanvraag aannemelijk te maken dat het niet voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn hem niet te verwijten valt. Aangezien pas tegen de tijd dat die termijn afloopt aannemelijk gemaakt kan worden dat het inburgeringsexamen niet binnen de termijn gehaald kan worden, kan de inburgeringsplichtige zijn aanvraag niet eerder indienen dan zes maanden voor het verstrijken van de termijn waarbinnen aan de inburgeringsplicht moet zijn voldaan. Eerder wordt niet zinvol geacht, omdat het altijd nog mogelijk is om binnen de resterende periode het inburgeringsexamen te behalen.

De in het eerste lid opgenomen beslistermijn van acht weken sluit aan bij de redelijke beslistermijn van artikel 4:13 Awb.

Aangezien de inburgeringsplichtige aannemelijk moet maken dat hem geen verwijt treft, doet hij er goed aan bewijzen hiervoor te verzamelen en te overleggen aan het college.

In de hierboven genoemde brief van 28 oktober 2005 en de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is vermeld dat een inburgeringsplichtige in het algemeen niet verwijtbaar heeft gehandeld, als hij bijvoorbeeld:

– tijdig en voldoende heeft meegewerkt aan de intake;

– tijdig een cursus heeft ingekocht die opleidt naar het vereiste niveau voor het inburgeringsexamen, tenzij er sprake was van goede redenen waardoor het tijdig inkopen van de cursus niet mogelijk of nodig was;

– een cursus heeft gevolgd en afgerond, tenzij er sprake was van goede redenen waardoor het volgen en afronden van de cursus niet mogelijk of nodig was;

– ten minste één keer het inburgeringsexamen heeft afgelegd, tenzij er sprake was van goede redenen waardoor dit niet mogelijk was.

Zoals vermeld, vormen bovengenoemde criteria geen limitatieve opsomming. Bovendien zullen bovengenoemde criteria niet in alle gevallen relevant zijn. Het college bepaalt in het individuele geval of die uitzonderingssituatie zich voordoet.

Het tweede lid regelt dat het college in bijzondere gevallen ambtshalve kan overgaan tot verlenging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen, wanneer het college in het kader van het opleggen van de bestuurlijke boete vanwege het niet behalen van het inburgeringsexamen, concludeert dat er in dit geval geen sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van de inburgeringsplichtige. Indien de inburgeringsplichtige niet zelf een verzoek tot verlenging van de inburgeringstermijn heeft ingediend, dan kan het college ambtshalve de termijn verlengen. Naar aanleiding van het commentaar van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken is met de woorden «die de inburgeringsplichtige betreffen» de mogelijkheid tot ambtshalve verlenging enigszins gespecificeerd. Hiermee wordt duidelijk dat een ambtshalve verlenging om redenen van beperking van werklast niet mogelijk is. Er is geen limiet gesteld aan het aantal verlengingen. In beginsel kan het college de inburgeringstermijn verlengen tot betrokkene 65 jaar is geworden en niet langer inburgeringsplichtig is. In de praktijk zal het aantal verlengingen mogelijk beperkt kunnen blijven, omdat het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de wet kan besluiten tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Tenslotte wordt in het vierde lid geregeld dat er bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de termijnverlenging. Van deze mogelijkheid is in de Regeling inburgering voorshands geen gebruik gemaakt.

Artikel 5.5 (ontheffing van de inburgeringsplicht)

In dit artikel wordt een nadere regeling gegeven van de ontheffingsmogelijkheid uit artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de wet. Op grond van dit artikel kan het college, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, de inburgeringsplichtige ontheffen van de inburgeringsplicht, indien het op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor die inburgeringsplichtige redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Het gaat hier om een andere ontheffingsmogelijkheid dan die uit artikel 6, eerste lid, van de wet, die ziet op ontheffing op grond van psychische en lichamelijke belemmeringen, dan wel een verstandelijke handicap (zie artikel 2.8 van dit besluit).

In het eerste lid is aangegeven dat de aanvraag om ontheffing niet eerder kan worden ingediend dan zes maanden voor de termijn waarbinnen aan de inburgeringsplicht moet zijn voldaan. Hiervoor is gekozen, omdat de inburgeringsplichtige moet aantonen dat hij voldoende inspanningen heeft geleverd om het inburgeringsexamen te behalen en bovendien dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is om dat examen te behalen.

De inburgeringsplichtige die op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven wil worden, moet aantonen dat hij gedurende de voor hem geldende termijn van 3,5 of 5 jaar wel voldoende inspanningen heeft geleverd. Vanaf een half jaar voor het aflopen van die termijn kan een aanvraag om ontheffing worden ingediend. De aanvraag kan uiteraard wel later, maar niet eerder worden ingediend. Op een eerder tijdstip kan nog geen goede beoordeling plaatsvinden. Door de termijn een half jaar te plaatsen voor het daadwerkelijk verlopen van de inburgeringstermijn, kan een goede beoordeling plaatsvinden van de geleverde inspanningen en van de vraag of betrokkene redelijkerwijs niet in staat zal zijn het inburgeringsexamen te behalen.

De in het eerste lid opgenomen beslistermijn van acht weken sluit aan bij de redelijke beslistermijn van artikel 4:13 Awb.

Ontheffing wordt in beginsel verleend op aanvraag van de inburgeringsplichtige. Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen echter ook overgaan tot ambtshalve ontheffing. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie waarin de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen alsnog moet zijn behaald reeds meerdere malen is verlengd en de inburgeringsplichtige ondanks allerlei inspanningen er om hem niet verwijtbare redenen niet in is geslaagd het inburgeringsexamen te behalen. In dat geval kan het college besluiten om in plaats van de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald opnieuw te verlengen, ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen. Met de woorden «die de inburgeringsplichtige betreffen» in het tweede lid wordt naar aanleiding van het commentaar van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken tot uitdrukking gebracht dat ambtshalve ontheffing om redenen van beperking van de werklast niet mogelijk is.

Het college zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten besluiten of er sprake is van voldoende inspanningen en een beoordeling moeten maken of het voor de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van «aantoonbare inspanningen» kan betekenis worden toegekend aan bijvoorbeeld het feit dat de betrokken inburgeringsplichtige heeft aangetoond een cursus te hebben ingekocht die opleidt naar het vereiste niveau, dat deze heeft aangetoond daadwerkelijk aan die cursus te hebben deelgenomen en deze te hebben afgerond, en dat deze heeft aangetoond ten minste één maal aan het examen te hebben deelgenomen.

Bij de beoordeling van de vraag of betrokkene redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, kan betekenis worden toegekend aan bijvoorbeeld het feit dat betrokkene ten minste één maal het inburgeringsexamen heeft afgelegd en daarmee resultaten heeft bereikt die aanleiding geven om te veronderstellen dat hij blijvend niet in staat zal zijn het inburgeringsexamen te behalen en aan het feit dat de betrokkene een verklaring heeft overgelegd van een instelling of deskundige, waarin aangegeven wordt dat hij het leervermogen ontbeert om het inburgeringsexamen te behalen.

Bovengenoemde criteria vormen geen limitatieve opsomming. Bovendien zullen deze criteria niet in alle gevallen relevant zijn.

Op grond van het derde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent deze ontheffingverlening. Van deze mogelijkheid is in de Regeling inburgering voorshands geen gebruik gemaakt.

HOOFDSTUK 6 INFORMATIEBEPALINGEN

AFDELING 1. HET INFORMATIESYSTEEM INBURGERING

Artikel 6.1 (inhoud ISI)

In de in dit artikel bedoelde bijlage wordt geregeld welke gegevens worden geregistreerd in het ISI teneinde de verscheidene actoren in staat te stellen hun taken in het nieuwe inburgeringsstelsel naar behoren uit te voeren. Ten overvloede zij opgemerkt dat degene op wie een in het ISI opgenomen persoonsgegeven betrekking heeft, alle rechten heeft die hem zijn toegekend in de Wet bescherming persoonsgegevens.

In het eerste lid wordt aangegeven ten aanzien van welke categorieën van personen persoonsgegevens worden opgenomen in het ISI.

In onderdeel a wordt verwezen naar persoonsgegevens van inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen. Onder gewezen inburgeringsplichtigen worden begrepen zij die als inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen hebben behaald en zij die in het bezit zijn van een ontheffing van de inburgeringsplicht, verleend ingevolge artikel 6 of 31, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

In onderdeel b wordt verwezen naar persoonsgegevens van andere personen dan in onderdeel a bedoeld die deelnemen aan het inburgeringsexamen. Hierbij kan worden gedacht aan niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen die het inburgeringsexamen dienen te behalen om in aanmerking te komen voor een zelfstandige vergunning voor voortgezet verblijf of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (kennismigranten en hun partners). Een voorbeeld hiervan zijn arbeids- en kennismigranten en hun afhankelijke gezinsleden. Zij zijn vanwege het tijdelijke karakter van hun verblijf in ons land niet inburgeringsplichtig. Echter zij zullen met goed gevolg het inburgeringsexamen moeten hebben behaald, indien zij toch duurzaam deel van onze samenleving willen uitmaken en in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Zie voor andere voorbeelden in dit verband de toelichting op artikel 8.1. Daarnaast kan het gaan om niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen die het inburgeringsexamen (op niveau A2) willen afleggen om voor naturalisatie in aanmerking te komen.

Onderdeel c heeft betrekking op andere personen dan (gewezen) inburgeringsplichtigen en dan de in onderdeel b bedoelde categorie van vrijwillige inburgeraars, voor wie een inburgeringsvoorziening geldt op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal of een van de regelingen voor vrijwillige inburgering voor G31 respectievelijk niet-G31.

In onderdeel d wordt verwezen naar persoonsgegevens van de partner van een inburgeringsplichtige ingeval sprake is van een draagkrachtmeting die moet plaatsvinden als de inburgeringsplichtige niet in staat is een verstrekte lening in de vastgestelde termijnen terug te betalen.

In onderdeel e wordt verwezen naar kinderen van de debiteur. Dit gegeven kan nodig zijn als er handmatig een berekening moet plaatsvinden van het toetsingsinkomen en de draagkracht van de debiteur, omdat de betreffende inkomensgegevens niet bekend zijn bij de rijksbelastingdienst. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een terugval in inkomen. De aanwezigheid van een kind is van belang omdat dit van invloed kan zijn op de hoogte van het toetsingsinkomen en de hoogte van de draagkracht.

In onderdeel f wordt verwezen naar personen ten aanzien van wie na een onderzoek door het college op grond van artikel 25 van de wet of na een onderzoek door de IB-Groep aan de hand van het door de IB-Groep beheerde diplomaregister, is vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn.

In onderdeel g wordt verwezen naar personen waarvan is gebleken dat zij aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet, op grond waarvan zij niet inburgeringsplichtig zijn. Er zal door de IB-Groep aan de hand van de door haar beheerde registraties met gegevens over inschrijvingen op opleidingsinstellingen, waaronder het Basisregister Onderwijs en het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs, worden gecontroleerd of een persoon (die op grond van de overige bepalingen van de wet inburgeringsplichtig is) aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt waarvan de succesvolle afronding leidt tot uitreiking van een vrijstellend diploma. De uitkomst van deze controle zal worden opgenomen in het ISI en ter beschikking worden gesteld aan de gemeenten en de IB-Groep ten behoeve van de vaststelling van de inburgeringsplicht

In onderdeel h wordt verwezen naar personen ten aanzien van wie op redelijke gronden kan worden vermoed dat zij inburgeringsplichtig zijn. Het gaat hierbij onder meer om nieuwe inburgeringsplichtigen die niet nog niet zijn opgeroepen door het college maar die mogelijk wel inburgeringsplichtig zijn of kunnen worden, of personen die geen medewerking hebben verleend aan de oproep van het college (op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet) om gegevens te verstrekken. Aangezien het niet gaat om potentiële oudkomers die uit het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen naar voren komen, worden zij in het ISI geregistreerd.

Personen die na de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering naar Nederland komen en inburgeringsplichtig worden, kunnen aanstonds als zodanig worden geïdentificeerd. De gemeente registreert deze personen, net als anderen, in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en stelt vast wie inburgeringsplichtig is. Vervolgens neemt de gemeente aanstonds de handhaving van de inburgeringsplicht van deze personen ter hand. Daarvan wordt melding gemaakt bij de IB-Groep in haar hoedanigheid als beheerder van het ISI, die de relevante gegevens over deze personen in dat systeem registreert. Uit de GBA kunnen overigens ook nieuwe inburgeringsplichtigen naar voren komen, die nog niet door de gemeente in ISI zijn ingevoerd. In dat geval wordt dit aan de desbetreffende gemeente gesignaleerd en worden de personen alsnog geregistreerd in het ISI.

Personen die zich op het moment van inwerkingtreding van de Wet inburgering al in Nederland bevinden, worden opgenomen in het ISI, wanneer een gemeente:

– een inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 22 van de wet vaststelt;

– een handhavingsbeschikking als bedoeld in artikel 26 van de wet geeft;

– ontheffing van de inburgeringsplicht verleent;

– constateert dat van rechtswege een (gedeeltelijke) vrijstelling geldt;

– constateert dat een potentieel inburgeringsplichtige bij nader inzien niet inburgeringsplichtig is;

– constateert dat een persoon (vooralsnog) niet inburgeringsplichtig is omdat hij aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een vrijstellend diploma, certificaat of ander document (artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de wet).

Personen die zich op eigen initiatief voorbereiden op het examen worden door de IB-Groep opgenomen in het ISI wanneer zij een lening aanvragen of, indien zij geen lening aanvragen, wanneer zij zich inschrijven voor het inburgeringsexamen.

Het tweede lid verwijst naar de bijlage bij dit besluit, waarin is aangegeven welke (persoons)gegevens van de in het eerste lid bedoelde personen worden opgenomen in het ISI.

Daarbij zij opgemerkt dat de geregistreerde op aanvraag schriftelijk of elektronisch een overzicht van de IB-Groep kan ontvangen van alle hem betreffende gegevens die in het ISI zijn verwerkt. Hiertoe heeft de inburgeringsplichtige het recht op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Het derde lid van artikel 6.1 bevat de mogelijkheid om de bijlage bij dit besluit te wijzigen bij ministeriële regeling. Met het oog op de flexibiliteit is gekozen voor een systeem waarbij de essentialia van de in het ISI op te nemen gegevens op amvb-niveau worden vastgelegd, maar eventuele latere noodzakelijke wijzigingen bij ministeriële regeling kunnen worden doorgevoerd.

Artikel 6.2 (gegevensverstrekkingen aan en uit ISI)

In het eerste lid is de plicht opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders, de Ministers voor Vreemdelingenzaken en Integratie (IND) en voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, de rijksbelastingdienst, de examen- en cursusinstellingen, de organisatie belast met het beheer van het keurmerk voor de cursusinstellingen, het Kwaliteitscentrum examinering inburgering en de IB-Groep om alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens de Wet inburgering aan deze instanties zijn opgedragen te verstrekken aan de IB-Groep ten behoeve van opneming in het ISI.

Het college neemt het merendeel van de gegevensverstrekking aan de IB-Groep ten behoeve van het ISI voor zijn rekening, ofwel door verstrekking uit de GBA ofwel door rechtstreekse invoer in het ISI via een elektronische applicatie. De gegevens uit de GBA hebben ondermeer betrekking op de persoon van de inburgeringsplichtige. Door middel van een koppeling tussen het ISI en de GBA worden de gegevens continu geactualiseerd. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt daarnaast rechtstreeks gegevens aan het ISI over zijn taakuitoefening in het kader van de wet. Daarbij gaat in de eerste plaats om gegevens die betrekking hebben op de handhaving door de gemeenten, zoals relevante data, boetegegevens, en gegevens met betrekking tot termijnverlenging in de zin van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet. In de tweede plaats betreft het gegevens die betrekking hebben op het gemeentelijk aanbod, zoals de indicatie dat een gemeentelijk aanbod in de zin van artikel 19 van de wet bestaat, de datum van een inburgeringsvoorzieningsbeschikking in de zin van artikel 22 van de wet, en de aanbodcategorie. Ten behoeve van deze taakuitoefening worden ook gegevens over de gemeente zelf bijgehouden.

De organisatie die belast is met het beheer van het keurmerk voor de cursusinstellingen verstrekt gegevens betreffende de cursusinstellingen (zie voor de omschrijving van deze begrippen artikel 1, onderdeel j, van de wet), zoals de naam en de contactgegevens van de instelling, maar ook de gegevens die betrekking hebben op de certificering van de cursusinstelling (zoals de datum van uitgifte van het keurmerk of certificaat en, indien van toepassing, de datum van intrekking van dit keurmerk). In het kader van fraudepreventie kan de IB-Groep informatie vragen aan cursusinstellingen. Gegevensverstrekking heeft betrekking op controle of de persoon die op basis van een verstrekte lening de rekeningen van de cursusinstelling door de IB-Groep aan de cursusinstelling wil laten betalen daadwerkelijk ingeschreven staat als cursist en of de gegevens van de rekening correct zijn. De cursusinstelling is verplicht deze gegevens te verstrekken.

Tot de cursusinstellingen behoort ook de cursusinstelling die de cursus voor geestelijke bedienaren verzorgt (zie artikel 4.24 van dit besluit).

De gegevensverstrekking door het Kwaliteitscentrum examinering inburgering betreft onder andere namen en contactgegevens van de overeenkomstig artikel 15, eerste lid, van de wet aangewezen exameninstellingen, maar ook de gegevens die betrekking hebben op de aanwijzing van de exameninstelling (zoals de datum van aanwijzing en, indien van toepassing, de datum van intrekking van deze aanwijzing).

Aangewezen exameninstellingen die het praktijkexamen afnemen (een onderwijsinstelling of een andere aangewezen instelling) geven het resultaat door aan de IB-Groep. De IB-Groep registreert dit gegeven in het ISI, evenals het resultaat van een door haar zelf beoordeeld portfolio. Tot de exameninstellingen behoort ook de exameninstelling die het aanvullend praktijkdeel voor geestelijke bedienaren afneemt (zie artikel 3.8, derde lid, van dit besluit).

De verplichting tot de gegevensverstrekking van de IB-Groep aan de IB-Groep is gelegen in de strikte taakscheiding tussen de taken die de IB-Groep uitvoert in opdracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de taken die de IB-Groep uitvoert in opdracht van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Op grond van deze bepaling kunnen de gegevens die worden beheerd ter uitvoering van taken voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden gebruikt voor uitvoering van de taken van de IB-Groep voor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Het gaat dan om de controle door de IB-Groep aan de hand van de door haar beheerde registraties met gegevens over inschrijvingen op opleidingsinstellingen, waaronder het Basisregister Onderwijs en het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs, of een persoon aansluitend op de volledige leerplicht een opleiding volgt waarvan de succesvolle afronding leidt tot uitreiking van een vrijstellend diploma. De IB-Groep controleert tevens aan de hand van de haar bekende gegevens inzake krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de wet aangewezen diploma’s certificaten of andere documenten en de inschrijvingsregisters of een persoon reeds over een vrijstellend diploma, certificaat of ander document beschikt. De uitkomst van deze controles zal worden opgenomen in het ISI en ter beschikking worden gesteld aan de gemeenten en de IB-Groep ten behoeve van de vaststelling van de inburgeringsplicht.

De IB-Groep verstrekt zelf gegevens aan het ISI over haar taakuitoefening in het kader van de wet die betrekking hebben op de organisatie en de logistiek van het inburgeringsexamen zoals de inschrijving voor (deel-)examens, de oproeping voor (deel-)examens, de deelname aan (deel-)examens, de resultaten van (deel-)examens, maar ook logistieke gegevens.

Daarnaast verstrekt de IB-Groep gegevens over de uitvoering van de lening- en vergoedingenfaciliteit voor zelfmelders en voor inburgeringsplichtigen die door een gemeente worden gehandhaafd. Wat betreft de (terugbetaling van) lening gaat het onder andere om relevante data, facturen en bedragen. In geval van een schuld van de inburgeringsplichtige zullen ook gegevens worden opgenomen die betrekking hebben op de hoogte van de schuld, rentegegevens, (de hoogte van) termijnbedragen, extra betalingen, retourbetalingen, aflossingen, herinneringen, aanmaningen, overdracht aan een deurwaarder, kwijtscheldingen e.d. Gegevens over de vergoeding betreffen gegevens inzake gemaximeerde vergoedingen en forfaitaire vergoedingen, alsmede het bestaan van openstaande schulden.

De inburgeringsplichtigen die zelf het initiatief nemen voor hun inburgeringsproces zullen zich rechtstreeks bij de IB-Groep melden. De IB-Groep vervult voor de registratie in ISI ten aanzien van deze personen een rol die vergelijkbaar is met die van het college. Dat betekent dat de IB-Groep van deze personen gegevens invoert in het ISI.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (feitelijk de IND) is de bron van de gegevens over verblijfsdoel en rechtmatigheid van verblijf ten behoeve van het vaststellen van de inburgeringsplicht. De gegevens over het verblijfsdoel worden verstrekt via de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). De gegevens over de rechtmatigheid van het verblijf worden verstrekt via de GBA. Ook zal de gegevensverstrekking door de IND in voorkomend geval betrekking kunnen hebben op de verstrekking van gegevens inzake het bestaan van een certificaat van de naturalisatietoets, dat op grond van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel i, van het besluit vrijstelling oplevert van de inburgeringsplicht.

De rijksbelastingdienst heeft eveneens de verplichting gegevens aan de IB-Groep ten behoeve van het ISI te verstrekken. Dit betreft het op verzoek van de IB-Groep verstrekken van inkomensgegevens wanneer de persoon, die een in het kader van de inburgering verstrekte lening moet terugbetalen, een verzoek heeft ingediend voor een draagkrachttoets.

In dit artikel wordt de situatie waarin de inburgeringsplichtige verhuist niet expliciet geregeld. In de praktijk zal het proces echter als volgt verlopen. De inschrijving van een inburgeringsplichtige bij een nieuwe gemeente zal worden geregistreerd in de GBA. De GBA zal deze verhuizing doorgeven aan het ISI. Vervolgens signaleert het ISI,de intergemeentelijke verhuizing aan de gemeente waar de inburgeringsplichtige zijn nieuwe woonplaats heeft gekozen. Het elektronische dossier van de inburgeringsplichtige in het ISI zal toegankelijk worden gemaakt voor de nieuwe gemeente. De laatstgenoemde gemeente zal contact opnemen met de gemeente waar de inburgeringsplichtige voorheen stond ingeschreven zodat ook het schriftelijke dossier van de inburgeringsplichtige overdragen kan worden aan de gemeente waar de inburgeringsplichtige zijn nieuwe woonplaats heeft gekozen.

Het tweede lid heeft betrekking op het navolgende. In artikel 47, tweede lid, van de wet is reeds opgesomd aan welke instanties en met welk doel de gegevens uit het ISI kunnen worden verstrekt. Als «afnemers» van gegevens uit het ISI zijn daarin genoemd het college van burgemeester en wethouders, de IB-Groep en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. In aanvulling hierop maakt het tweede lid verstrekking van gegevens aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de cursusinstellingen, de organisatie die belast is met het beheer van het keurmerk voor de cursusinstellingen, de exameninstellingen en de organisatie die belast is met het toezicht op de exameninstellingen mogelijk voor zover dit van belang is voor de uitvoering van de wet, De verplichting tot gegevensverstrekking aan deze instanties richt zich uiteraard tot de IB-Groep als beheerder van het ISI.

Het college kan via de elektronische applicatie continu de gegevens in het ISI, met uitzondering van gegevens over de hoogte van een openstaande lening en de uitkering van vergoedingen, raadplegen van de personen die woonachtig zijn in de betreffende gemeente.

De IB-Groep kan op verzoek van het UWV gegevens aan het UWV verstrekken ten behoeve van de uitvoering de gecombineerde voorziening.

De IB-Groep verstrekt aan de IND examenresultaten, vrijstellingen op grond van diploma’s, certificaten of andere documenten en/of ontheffingen van personen die een verzoek tot naturalisatie doen of een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf of een verblijfsvergunning onbepaalde tijd om te kunnen verifiëren of de persoon heeft voldaan aan de plicht tot het behalen van het inburgeringsexamen voor het verzoek tot naturalisatie of voor de aangevraagde verblijfsvergunning.

De IB-Groep verstrekt gegevens met betrekking tot examendeelname en examenresultaten aan de cursusinstellingen, de organisatie die belast is met het beheer van het keurmerk, exameninstellingen en de organisatie die belast is met de aanwijzing van exameninstellingen ten behoeve van de verantwoording in het kader van het toegekende keurmerk of de aanwijzing als exameninstelling. De laatste volzin van het tweede lid heeft betrekking op aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te verstrekken informatie met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid. Deze informatie zal volgens deze bepaling niet op personen herleidbare informatie mogen betreffen. Het Informatiesysteem inburgering levert tevens bij het Rijk de inburgeringsprestaties van de gemeenten aan die deel uitmaken van het grotestedenbeleid (GSB III) ten behoeve van opname in de GSB-monitor.

De in het vierde lid genoemde termijn van twee weken is gesteld vanwege de sterke afhankelijkheid tussen de beslissingen van de IB-Groep over het toekennen van een lening of vergoeding en het oordeel van het college over de inburgeringsplicht en het bestaan van een aanbodvoorziening en omgekeerd. Daarnaast zijn gegevens met betrekking tot het keurmerk van cursusinstellingen zijn bepalend voor het al dan niet toekennen van een lening. Examenuitslagen van de aangewezen exameninstellingen met betrekking tot het decentraal deel van het inburgeringsexamen zijn nodig om het inburgeringsdiploma tijdig te kunnen afgeven. De termijn van twee weken start vanaf het moment dat aan de in het eerste lid bedoelde organen een omstandigheid bekend is geworden die moet leiden tot een wijziging van de in het Informatiesysteem inburgering opgenomen gegevens.

In het vijfde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling andere instanties dan genoemd in het eerste lid en tweede lid kunnen worden aangewezen als leveranciers respectievelijk afnemers van het ISI. Voorshands wordt in de Regeling inburgering niet in een dergelijke aanvulling voorzien, zodat alle leveranciers en afnemers van het ISI op het moment van inwerkingtreding van de wet op het niveau van wet en algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Aan een mogelijkheid om eventuele andere leveranciers of afnemers bij ministeriële regeling aan te wijzen, is echter wel behoefte, omdat gelet op de complexiteit van het nieuwe inburgeringstelsel ten tijde van de inwerkingtreding daarvan niet volledig is te overzien of er mogelijk nog andere instanties die die gegevens aan het ISI zouden moeten leveren of daaruit gegevens zouden moeten kunnen afnemen.

Verder zij in dit verband verwezen naar artikel 44 van de Wet bescherming persoonsgegevens, op grond waarvan ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd in het ISI opgeslagen gegevens kunnen worden verstrekt. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer dienen de uit het ISI afkomstige gegevens te worden geanonimiseerd alvorens deze worden afgestaan voor wetenschappelijke of statistische doeleinden. Bovendien zal moeten worden zorggedragen voor een zodanige verstrekking van deze gegevens dat toevallige herkenning wordt voorkomen.

In het zesde lid is aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de bevoegdheid gegeven om instanties rechtmatigheids- en doelmatigheidscontroles te laten uitvoeren. Daarvoor zal het nodig zijn dat dossieronderzoek plaatsvindt en dat daarbij dus op een natuurlijk persoon herleidbare gegevens betrokken kunnen worden. In deze bepaling is verder voorzien dat in de rapportages over deze onderzoeken de op de natuurlijke persoon herleidbare persoonsgegevens weer geanonimiseerd worden.

Artikel 6.3 (bewaartermijnen ISI)

Artikel 10 van de Wet bescherming persoonsgegevens inzake de bewaring van persoonsgegevens wordt geconcretiseerd in artikel 6.3 van het besluit. Daarin wordt bepaald dat de in het ISI opgenomen persoonsgegevens in ieder geval na ommekomst van een bepaalde periode uit het systeem worden verwijderd. De bewaartermijn bedraagt in beginsel twintig jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de gegevens in het ISI zijn vastgelegd. Na het verstrijken van de termijn mogen de kenmerken van de gegevens, die herleidbaar zijn tot een individuele natuurlijke persoon niet meer in het systeem voorkomen. Dit betekent dus niet dat de van persoonskenmerken ontdane gegevens moeten worden vernietigd. Gegevens die anoniem zijn gemaakt, vallen niet onder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze gegevens kunnen zonodig beschikbaar blijven voor wetenschappelijk onderzoek. Iets anders is dat dezelfde gegevens met persoonskenmerken langer kunnen worden bewaard op grond van de Archiefwet 1995. De gegevens zullen dan bewaard moeten worden overeenkomstig de bepalingen van die wet. Alsdan gelden ook de privacy beschermende maatregelen van die wet.

De op individuele natuurlijke personen herleidbare gegevens worden eveneens verwijderd indien de betrokken persoon is overleden.

Ten aanzien van in het Informatiesysteem inburgering opgeslagen gegevens over personen die niet (langer) inburgeringsplichtig zijn (als gevolg van vrijstellingen, ontheffingen of behaalde examenresultaten), is een afzonderlijke bewaartermijn van vijftig jaren neergelegd. Deze langere bewaartermijn is gebaseerd op de gedachte dat de desbetreffende persoon gedurende het tijdvak van zijn leven dat hij inburgeringsplichtig kan zijn (van zijn 16e tot zijn 65e levensjaar) niet meer opgeroepen wordt op basis van uit de wet voortvloeiende verplichtingen.

Daarnaast worden gegevens die betrekking hebben op een tijdelijk of definitief niet invorderbare schuld langer bewaard. Gerekend vanaf de dag waarop de gegevens van deze persoon in het ISI zijn opgenomen, is het mogelijk dat de bewaartermijn van 20 jaar hiervoor te kort is.

AFDELING 2. HET BESTAND POTENTIËLE INBURGERINGSPLICHTIGEN

Artikel 6.4 (inhoud BPI)

Nu de Wet inburgering voor bij de wet bedoelde personen een individuele inburgeringsplicht kent, is het van belang dat de personen die inburgeringsplichtig zijn op enig moment kunnen worden geïdentificeerd en vervolgens, voorzover zij niet zelf al het initiatief hebben genomen om aan hun inburgeringsplicht te voldoen, via handhavingsmaatregelen aan hun inburgeringsplicht kunnen worden gehouden.

Personen die na de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering naar Nederland komen en inburgeringsplichtig zijn, kunnen direct geïdentificeerd worden.

Voor de personen die op de datum van inwerkingtreding van de wet al in Nederland woonachtig zijn en inburgeringsplichtig zijn, is deze identificatie minder eenvoudig. Uiteraard zal de overheid zoveel mogelijk in het werk dienen te stellen om te bewerkstelligen dat personen van wie op basis van gegevens uit bestaande bestanden zonder persoonlijk contact met de persoon al kan worden vastgesteld dat zij zeker niet inburgeringsplichtig zijn, niet worden benaderd in het kader van de handhaving. Daartoe zal met behulp van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zonodig aangevuld met gegevens uit het Vestigingsregister en beschikbare diplomagegevens, een bestand worden gemaakt, waarin gegevens worden opgenomen over personen van wie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zij niet inburgeringsplichtig zijn. Deze personen worden aangemerkt als «potentieel inburgeringsplichtigen» (een begrip dat ook is omschreven in artikel 1 van dit besluit). De term potentieel maakt duidelijk dat op grond van nadere informatie alsnog kan blijken dat de betrokkene niet inburgeringsplichtig is. Deze nadere informatie zal als regel alleen beschikbaar kunnen komen door persoonlijk contact met de betrokken persoon. Daarnaast duidt de term potentieel erop, dat de persoon op het moment van inwerkingtreding van de wet nog niet inburgeringsplichtig is, maar door wijziging van de persoonlijke situatie wel inburgeringsplichtig kan worden.

Het bestand van deze potentiële inburgeringsplichtigen is aangeduid als «Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen», zoals vermeld in artikel 48 van de wet.

Bij de opbouw van dit bestand – de zogeheten bestandsanalyse – wordt primair uitgegaan van de GBA-gegevens, die gefilterd worden op basis van de bepalingen van de Wet inburgering. Met deze filters zullen personen die op basis van de wet niet inburgeringsplichtig zijn, voorzover de GBA-gegevens bij die toetsing kunnen worden toegepast, niet in het bestand worden opgenomen. Omdat de GBA niet alle gegevens bevat die leiden tot het niet-inburgeringsplichtig zijn, zal het bestand van personen dat resteert na de GBA-filtering nog worden vergeleken met bij de IB-Groep berustende gegevens inzake vrijstellende diploma’s certificaten of andere documenten. Het bestand wordt tevens vergeleken met de gegevens uit de inschrijvingsregisters waarmee wordt gecontroleerd of personen staan ingeschreven voor een opleiding waarvan de afronding leidt tot een diploma of certificaat dat vrijstelt voor de inburgeringsplicht. Personen bij wie een (tijdelijke) vrijstelling is geconstateerd, worden uit het BPI verwijderd en opgevoerd in het ISI.

Al deze filters zullen overigens niet kunnen leiden tot de absolute zekerheid over de inburgeringsplichtigheid van de resterende groep potentiële inburgeringsplichtigen; deze zekerheid kan alleen worden verkregen door informatie van die potentiële inburgeringsplichtigen zelf, via een rechtstreeks contact op enig moment van de gemeente met die potentieel inburgeringsplichtige. Dat hierbij personen ten onrechte worden benaderd is niet te vermijden. Door de toegepaste filters is de kans dat een persoon onterecht wordt lastig gevallen echter wel aanzienlijk kleiner gemaakt.

Om de bestandsanalyse te kunnen uitvoeren zal in beginsel de volledige set van GBA-gegevens beschikbaar komen voor toetsing aan de voorwaarden van de Wet inburgering. Nadat de analyse heeft plaatsgevonden zullen in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen alleen die gegevens bewaard worden die genoemd zijn in artikel 6.4 en die relevant zijn voor de verdere uitvoering van het inburgeringsproces.

De IB-Groep is met het uitvoeren van de initiële bestandsanalyse belast. Ook berust bij de IB-Groep het beheer van het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen.

Artikel 6.5 (gegevensverstrekkingen aan en uit BPI)

Het eerste lid regelt dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (lees: de Immigratie- en Naturalisatiedienst), de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, het college van burgemeester en wethouders en de IB-Groep gegevens verschaffen aan de beheerder van het BPI ten behoeve van de wijziging dan wel schoning van het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen. Alleen de IB-Groep als beheerder zal wijzigingen in het BPI kunnen aanbrengen. Aan het BPI kunnen gegevens over personen worden toegevoegd. Immers, na inwerkingtreding van de wet kan blijken dat personen door veranderde omstandigheden (bijv. wijzigingen in de GBA-gegevens) potentieel inburgeringsplichtig blijken te zijn en op het moment van initiële vulling van het BPI ten onrechte niet in het BPI waren opgenomen. Dit kan blijken uit periodieke vergelijkingen met de GBA.

Het tweede lid ziet op de verstrekking van gegevens uit het BPI aan gemeenten, de IB-Groep en het UWV. De in het BPI opgenomen gegevens worden, uitgesplitst naar individuele gemeenten, beschikbaar gesteld aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de potentieel inburgeringsplichtige woonachtig is. Het college kan alle persoonsgegevens van personen die in de desbetreffende gemeente woonachtig zijn, continu raadplegen in het BPI. De gemeente kan deze bestandsgegevens gebruiken bij de uitvoering van de Wet inburgering, met name de intake. Ook de IB-Groep kan de gegevens gebruiken om vast te stellen of een persoon die zelf het initiatief neemt voor zijn inburgeringsproces en daarbij gebruik wil maken van de beschikbare faciliteiten inderdaad inburgeringsplichtig is. Aan het UWV kunnen gegevens worden verstrekt die van belang zijn voor de voorbereiding van een aanbod van een gecombineerde reïntegratie/inburgeringsvoorziening. Voor andere instanties en voor andere doeleinden zijn de gegevens van dit bestand niet beschikbaar.

Het derde lid ziet op de verstrekking van gegevens uit het BPI aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ten behoeve van een evaluatie van bestaand beleid en een voorbereiding van toekomstig beleid. Verstrekking zal altijd zodanig geschieden dat de gegevens niet tot een specifiek persoon herleidbaar zijn.

In het vierde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling andere instanties dan genoemd in het eerste lid en tweede lid kunnen worden aangewezen als leveranciers respectievelijk afnemers van het BPI. Voorshands wordt in de Regeling inburgering niet in een dergelijke aanvulling voorzien, zodat alle leveranciers en afnemers van het ISI op het moment van inwerkingtreding van de wet op het niveau van wet en algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Aan een mogelijkheid om eventuele andere leveranciers of afnemers bij ministeriële regeling aan te wijzen, is echter wel behoefte, omdat gelet op de complexiteit van het nieuwe inburgeringstelsel ten tijde van de inwerkingtreding daarvan niet volledig is te overzien of er mogelijk nog andere instanties die die gegevens aan het ISI zouden moeten leveren of daaruit gegevens zouden moeten kunnen afnemen.

Artikel 6.6 (schoning BPI)

Gegevens van een in het BPI opgenomen persoon worden uit dit bestand geschoond indien de gegevens van de betrokkene zijn opgenomen in het ISI. De overige categorieën zien op situaties dat betrokkene nooit is opgeroepen voor een intake bij de gemeente omdat reeds kon worden vastgesteld dat betrokkene niet (langer) inburgeringsplichtig is, ofwel door het bereiken van de 65-jarige leeftijd, ofwel door overlijden, ofwel door vertrek uit Nederland, ofwel vanwege bij de IB-Groep berustende gegevens inzake documenten als bedoeld in artikel 2.3.

Artikel 6.7 (bewaartermijnen BPI)

De bewaartermijn van deze eenmalig verzamelde gegevens is gesteld op vijftig jaar. Daarmee bestaat zekerheid dat gedurende de periode dat een persoon inburgeringsplichtig kan zijn (tussen het 16e en 65e levensjaar), de gegevens beschikbaar blijven. Deze termijn is noodzakelijk om te voorkomen dat personen, die eerder als niet inburgeringsplichtig zijn aangemerkt, later alsnog worden opgeroepen. Als gegevens niet langer relevant zijn voor dit doel worden ze geschoond. Na vijftig jaar kan met zekerheid worden gesteld dat alle personen die nu worden opgenomen in het BPI op grond van hun leeftijd niet meer inburgeringsplichtig zijn, waarmee het bestand zijn functie heeft verloren.

AFDELING 3. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 6.8 (verantwoordelijke voor ISI en BPI)

Dit artikel bepaalt dat de hoofddirectie van de IB-Groep is aangewezen als verantwoordelijke voor het ISI en het BPI in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Op basis van artikel 11, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens zal de hoofddirectie van de IB-Groep de nodige maatregelen treffen opdat de in het ISI en het BPI opgenomen gegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

Artikel 6.9 (begrip «college»)

Dit artikel heeft een wetstechnische achtergrond. In artikel 1, onderdeel f, van de wet is «college» gedefinieerd als: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft in de zin van titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat hoofdstuk 6 ook betrekking heeft op gegevensverstrekking door en aan het college van burgemeester en wethouders van de woonplaats van niet-inburgeringsplichtigen (bijvoorbeeld potentiële en gewezen inburgeringsplichtigen) is de omschrijving voor de toepassing van dit hoofdstuk verruimd.

HOOFDSTUK 7 FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 7.1 (grondslag rijksbijdrage)

Dit artikel bevat de grondslagen voor de bekostiging van de gemeenten en benoemt de drie onderdelen waaruit de rijksbijdrage bestaat.

Het prestatie-afhankelijke deel wordt vastgesteld aan de hand van een aantal prestatie-indicatoren. De indicatoren, genoemd in de onderdelen a, c, e, g en i, markeren de start van de inburgering van een inburgeringsplichtige. De indicatoren, genoemd in de onderdelen b, d, f , h en j markeren de beëindiging daarvan. De indicatoren zijn voorts zo geformuleerd dat de bekostiging aan een aantal restricties is gebonden. Enkel de inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld, tellen mee voor de bekostiging. Uit artikel 1.1, onderdeel j, van het besluit vloeit voort dat onder inburgeringsvoorzieningen in dit verband tevens de inburgeringsvoorzieningen moeten worden begrepen die zijn vastgesteld op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal. Aan inburgeringsplichtigen die hebben deelgenomen aan het intensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen kan wel een door het rijk bekostigde inburgeringsvoorziening worden aangeboden.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de wet omvat de inburgeringsvoorziening ook het eenmaal kosteloos afleggen van het inburgeringsexamen. Indien een inburgeringsplichtige niet slaagt voor het inburgeringsexamen is hij zelf financieel verantwoordelijk voor het vervolg.

Ook de inburgeringsplichtigen aan wie een lening is verstrekt die nog niet in zijn geheel is terug betaald tellen niet mee voor de bekostiging. De (rijks)overheid zou anders dubbele kosten maken. Tenslotte geldt voor de bekostiging van de deelname aan het inburgeringsexamen de restrictie dat aan dit examen moet zijn deelgenomen binnen drie jaren nadat de inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Zodoende wordt een tijdige deelname aan het inburgeringsexamen gestimuleerd.

Het variabele deel wordt achteraf vastgesteld aan de hand van vijf indicatoren: de indicatoren, genoemd in de onderdelen a, b en c markeren wederom de start van de inburgering van een inburgeringsplichtige, de indicatoren genoemd in onderdeel d en e markeren de beëindiging ervan. Dit betekent dat ten aanzien van de handhaving van de inburgeringsplicht de bekostiging niet mede plaats vindt aan de hand van deelname aan het inburgeringsexamen door de desbetreffende inburgeringsplichtigen. Voorts tellen ook bij het variabele deel enkel de inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld, mee voor de bekostiging.

Artikel 7.2 (verdeelsleutel; indicatief voorschot op het vaste en het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage)

Dit artikel beschrijft het begin van de bekostigingscyclus. De cyclus begint in de zomer welke voorafgaat aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft. Aan de hand van de voor inburgering gereserveerde middelen in de rijksbegroting stelt de minister het macrobudget vast, alsmede de verdeling van dat macrobudget over de drie onderdelen van de rijksbijdrage. Vervolgens wordt de verdeelsleutel vastgesteld waarmee het deel van het budget dat beschikbaar is voor het vaste en het variabele deel (voorzover het betreft de handhaving van de inburgeringsplicht) van de rijksbijdrage wordt verdeeld over alle gemeenten en waarmee het deel van het budget dat beschikbaar is voor het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage indicatief wordt verdeeld. Deze verdeelsleutel wordt vastgesteld naar evenredigheid van het geraamde aantal inburgeringsplichtigen per gemeente ten opzichte van het totaal van de in alle gemeenten woonachtige inburgeringsplichtigen. In de eerste jaren na inwerkingtreding van de wet zullen hiertoe naar verwachting CBS-gegevens als bronbestand worden gebruikt. Op het moment dat het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen voldoende met gegevens is gevuld, zal dit bestand worden gebruikt.

Het voorschot met betrekking tot het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage wordt ambtshalve vastgesteld aan de hand van de reeds genoemde verdeelsleutel.

Artikel 7.3 (aanvraag vaste en prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage, prognose en betaling voorschot)

De gemeente kan de door haar te realiseren prestaties – en daarmee het te verkrijgen voorschot – op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage beïnvloeden door te reageren op het indicatieve voorschot en een eigen prognose in te dienen die niet noodzakelijkerwijs hoeft te corresponderen met het indicatieve voorschot. Op het moment dat alle prognoses binnen zijn, kan het deel van het macrobudget dat beschikbaar is voor het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen worden verdeeld over de gemeenten en kunnen de voorschotten worden berekend en bekend worden gemaakt.

In het derde lid zijn de formules weergegeven waarmee het voorschot voor een gemeente wordt berekend. Drie factoren zijn hier primair van belang: het indicatieve voorschot, de prognose en de hoogte van het beschikbare budget. Indien alle ingediende prognoses overeenstemmen met de indicatieve voorschotten, dan hoeft de indicatieve verdeling van het budget niet te worden aangepast en komt het indicatieve voorschot overeen met het definitieve voorschot.

Indien een gemeente een lagere prognose indient dan kan worden afgeleid uit het indicatieve voorschot ontvangt die gemeente een met die lagere prognose corresponderend voorschot. Een gemeente krijgt derhalve niet meer financiële middelen toegewezen dan gevraagd.

Indien een gemeente een hogere prognose indient, ontvangt die gemeente een met die hogere prognose corresponderend voorschot, mits het budget toereikend is. Dit betekent dat een hogere prognose alleen dan kan worden gehonoreerd indien één of meer andere gemeenten een lagere prognose hebben ingediend. Immers, alleen dan is er voldoende budget beschikbaar om middelen te herverdelen.

Indien het budget niet toereikend is om de volledige overtekening ervan te honoreren, kan slechts een beperkte hoeveelheid middelen worden herverdeeld. De gemeente krijgt in ieder geval het indicatieve voorschot. Het bedrag dat daar bovenop wordt verstrekt is het relatieve aandeel van de gemeente in de middelen welke resteren van de gemeenten die een lagere prognose hebben ingediend. Dit bedrag wordt door de minister ambtshalve verdeeld in een aantal inburgeringsplichtigen per indicator, dit aan de hand van de verhouding tussen de vijf indicatoren, welke in de door de gemeente ingediende prognose besloten ligt.

Het vijfde lid bepaalt dat het voorschot voor een gemeente niet hoger is dan het met het door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot. De regel dat de herverdeling van middelen geschiedt overeenkomstig het relatieve aandeel van de gemeenten die overtekenen, kan er derhalve niet toe leiden dat een gemeente meer middelen krijgt dan gevraagd.

Het zesde lid maakt het mogelijk dat het te verlenen voorschot wordt aangepast aan de hand van de vastgestelde landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus. Indien gemeenten bijvoorbeeld, gelet op de prijsontwikkeling, in een vorig jaar te weinig bevoorschot hebben gekregen, kan dit zonodig tussentijds worden gecompenseerd.

Het zevende en achtste lid bepalen dat de hoogte van het voorschot voor 1 december bekend wordt gemaakt en dat het voorschot binnen zes maanden daarna zal worden betaald. Betaling kan geschieden in termijnen.

Artikel 7.4 (aanvraag vaste en variabele deel van de rijksbijdrage; vaststelling en betaling voorschot op het vaste deel van de rijksbijdrage)

Dit artikel bevat de regels welke gelden voor de aanvraag, de vaststelling en de bevoorschotting van het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage. Zoals reeds aangegeven, wordt het voorschot ambtshalve vastgesteld aan de hand van de verdeelsleutel, genoemd in artikel 7.2.

Artikel 7.5 (vaststelling en betaling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage)

Dit artikel bevat de regels welke gelden voor de vaststelling en betaling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage. Uit de in het eerste lid weergegeven formule blijkt dat dit deel van de rijksbijdrage afhankelijk is van de door een gemeente daadwerkelijk geleverde prestaties op de eerder genoemde tien prestatie-indicatoren. Zoals in het algemene deel van deze nota van toelichting al is opgemerkt, zullen bij toepassing van de formule verschillende bijdragevergoedingen worden gehanteerd, afhankelijk van het cohort inburgeringsplichtigen. In een willekeurig jaar zal immers worden deelgenomen aan een inburgeringsexamen door inburgeringsplichtigen die in verschillende jaren zijn gestart met hun inburgering.

Het staat gemeenten vrij om na verlening van het voorschot met financiële middelen te schuiven tussen de categorieën inburgeringsplichtigen. Op deze manier kan een gemeente tegemoet komen aan zijn wettelijke verplichting om houders van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 in ieder geval een inburgeringsvoorziening aan te bieden.

Toepassing van de formule dient er echter wel toe te leiden dat de uiteindelijke bijdrage slechts dan hoger is dan het verleende voorschot indien de gemeente er in is geslaagd het gerealiseerde uitvalpercentage kleiner te laten zijn dan het uitvalpercentage, dan wel indien de bijdragevergoedingen hoger zijn dan de corresponderende voorschotvergoedingen.

In alle andere gevallen kan de uiteindelijke bijdrage niet hoger zijn dan het verleende voorschot. Om dit te bereiken, bevat de formule een correctiefactor. De correctiefactor wordt per gemeente concreet ingevuld aan de hand van het verschil tussen de bijdrage die uit de formule volgt en de hoogte van het verleende voorschot. Indien na toepassing van de formule blijkt dat de bijdrage niet hoger uitvalt dan het verleende voorschot is geen correctie nodig. De correctiefactor is dan 1. Indien na toepassing van de formule blijkt dat de bijdrage hoger uitvalt dan het verleende voorschot (bijvoorbeeld omdat de gemeente meer inburgeringsvoorzieningen heeft vastgesteld dan vooraf geprognosticeerd) volgt een correctie. De correctiefactor is dan kleiner dan 1. De exacte hoogte van de correctiefactor is afhankelijk van de mate waarin een gemeente is afgeweken van de met het verleende voorschot corresponderende prognose. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat het voor inburgering beschikbare macrobudget niet in belangrijke mate wordt overschreden.

Het tweede lid bevat de verplichting voor gemeenten om de prestatiegegevens tezamen met de jaarrekening, voorzien van een accountantsverklaring, in te dienen. De gegevens dienen overeen te stemmen met de gegevens zoals deze in het Informatiesysteem Inburgering zijn opgenomen, zodat er geen discrepantie kan bestaan tussen de prestatiegegevens welke de gemeente indient en de gegevens welke in het Informatiesysteem Inburgering zijn ingevoerd.

Het derde lid ziet op de situatie dat een gemeente niet tijdig voldoet aan de verplichting om de prestatiegegevens en de accountantsverklaring in te dienen. De minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage dan vast op nul. In een stelsel van outputfinanciering is dit ook voor de hand liggend: indien geen prestatie kan worden vastgesteld, kan er ook niet worden bekostigd.

Het bedrag van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt na drie jaren vastgesteld en wordt, per cohort inburgeringsplichtigen, verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarin het cohort is begonnen met de inburgering. Vervolgens vindt betaling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage plaats onder verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot.

Artikel 7.6 (vaststelling en betaling van het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage)

Dit artikel bevat de regels welke gelden voor de vaststelling en betaling van het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage. Het variabele deel wordt telkens vastgesteld op basis van de inburgeringsresultaten van het voorgaande kalenderjaar. Daartoe dient de gemeente jaarlijks tezamen met de jaarrekening een opgave van de resultaten zoals verwoord in het tweede lid. Deze gegevens dienen ook hier overeen te stemmen met de opgave in het Informatiesysteem inburgering.

Indien de gemeente de gegevens niet tijdig mededeelt, wordt dit deel van de rijksbijdrage vastgesteld op nul. Zie in dit verband tevens de toelichting bij artikel 7.5.

Anders dan bij het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage geldt er voor het variabele deel geen bovengrens bij de vaststelling van dit deel van de rijksbijdrage.

Artikel 7.7 (vaststelling voorschot- en bijdragevergoedingen, landelijke gemiddelde prijs)

De hiervoor beschreven bekostigingscyclus hanteert voorschotvergoedingen en bijdragevergoedingen welke onder invloed van de uit de prijsmonitor verkregen gerealiseerde landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus qua hoogte van elkaar kunnen verschillen. Het is van belang te onderkennen dat voorschot- en bijdragevergoedingen niet per se overeenkomen met de prijs van een inburgeringscursus. Een inburgeringsvoorziening omvat immers doorgaans meer elementen dan enkel de inburgeringscursus.

De verhouding die zal gelden tussen de prestatie-indicatoren met betrekking tot de start van de inburgering en de prestatie-indicatoren met betrekking tot de deelname aan het inburgeringsexamen, wordt vastgesteld door de Minister. Deze verhouding wordt zodanig gekozen dat de nadruk van de bekostiging komt te liggen op de deelname aan het inburgeringsexamen. Met andere woorden, gemeenten worden gestimuleerd om inburgeringsplichtigen ook daadwerkelijk aan dat examen te laten deelnemen. Daarbij is ook het uitvalpercentage van belang: niet kan worden uitgesloten dat niet iedere inburgeringsplichtige binnen drie jaren zal deelnemen aan het examen. De bijdragevergoedingen met betrekking tot de deelname aan het examen worden dan ook op een dusdanige wijze vastgesteld dat gemeenten financieel niet worden benadeeld indien 10% van de inburgeringsplichtigen die beginnen met hun inburgering afvalt en niet deelneemt aan het examen. Tegelijkertijd is er ook een stimulans voor gemeenten om te trachten alle gestarte inburgeringsplichtigen te laten deelnemen aan het inburgeringsexamen.

De vergoedingen worden jaarlijks voor 15 september bekend gemaakt, de voorschotvergoedingen voorafgaand aan het jaar waarop zij betrekking hebben en de bijdragevergoedingen in het jaar waarop zij betrekking hebben.

Artikel 7.8 (gemeentelijke samenwerking)

De rijksbijdragen voor inburgering kunnen eveneens worden ingezet door samenwerkende gemeenten. Samenwerking biedt de mogelijkheid om de inburgering van inburgeringsplichtigen op een meer efficiënte wijze gestalte te geven. Er kan beter worden gereageerd op fluctuaties in aantallen en achtergrond van de inburgeringsplichtigen.

Samenwerking zal telkens voor ten minste een geheel kalenderjaar dienen te gelden. Alle in hoofdstuk 7 van dit besluit vervatte rechten en plichten voor een gemeente dienen over te gaan naar een centrumgemeente of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikelen 7.9 en 7.10 (intrekking of wijziging van de rijksbijdrage; terugvordering van de rijksbijdrage bij intrekking)

Deze artikelen regelen de mogelijkheid tot intrekking of wijziging van de beschikking tot vaststelling van de rijksbijdrage en de daarop volgende terugvordering van de rijksbijdrage.

HOOFDSTUK 8 WIJZIGING VAN ANDERE BESLUITEN

Artikel 8.1 (Wijziging Vreemdelingenbesluit 2000)

Onderdelen A, B en C (artikelen 3.51, 3.80a en 3.81)

Artikel 16a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kent de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de bevoegdheid toe aanvragen tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald. In artikel 3.81 van het Vreemdelingenbesluit 2000 worden op grond van artikel 16a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 regels gesteld over de toepassing van die bevoegdheid.

De artikelen 3.51, 3.80a en 3.81 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zien voornamelijk op wijzigingsaanvragen die zijn ingediend door (huwelijks-)partners van personen die voor een niet-tijdelijk doel in Nederland verblijven. Aan hen kan na drie jaar verblijf in Nederland op grond van een afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een zelfstandige verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend (artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000). In die gevallen wordt de verblijfsvergunning die onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming was verleend, gewijzigd in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf. Aangezien die vergunning niet kan worden ingetrokken op de grond dat niet langer aan de voorwaarden waaronder verblijf was toegestaan (gezinshereniging of -vorming) wordt voldaan, verkrijgt de desbetreffende vreemdeling daarmee een sterkere verblijfsrechtelijke positie in Nederland. Hoewel die sterkere verblijfsrechtelijke positie mede in het belang is van de emancipatie van de betrokken vreemdeling, kan zij de (met de nieuwe inburgeringvoorwaarde voor de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd beoogde) verblijfsrechtelijke prikkel tot verdere inburgering aantasten. Om dat te voorkomen acht de regering het onmisbaar om in deze gevallen ook de wijziging van een verblijfsvergunning afhankelijk te stellen van het behalen van het inburgeringsexamen. Inburgering zal op deze wijze tevens een emancipatorisch effect hebben voor de positie van allochtone vrouwen. Zij moeten direct vanaf de eerste verblijfsaanvaarding – en niet pas na een aantal jaar als de verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning tot de mogelijkheden gaat behoren – beginnen met inburgering, waardoor zij eerder effectief kunnen participeren in de Nederlandse maatschappij. Overigens zij verwezen naar de uiteenzettingen dienaangaande in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, blz. 29–32 en 112–114.

Overigens moet worden benadrukt dat een huwelijksmigrant niet zal worden uitgezet om de enkele reden dat het inburgeringsexamen niet is behaald. Zoals ook is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel Wet inburgering in het buitenland (Kamerstukken II 2004/05, 29 700, nr. 6, blz. 7–8), zou verblijfsbeëindiging op de enkele grond dat het inburgeringsexamen niet is behaald betekenen dat het betreffende gezinslid, dat zich eerder met toestemming van de Nederlandse overheid bij zijn of haar gezin in Nederland heeft mogen vestigen en waarop anderszins niets ten nadele is aan te merken, uit dat gezinsverband zal worden gehaald en naar het land van herkomst worden uitgezet. Dat is niet alleen in het kader van het Nederlandse bestuursrecht, maar ook in het kader van artikel 8 EVRM, niet te rechtvaardigen. De desbetreffende vreemdeling zal dan ook gerechtigd zijn te blijven in Nederland op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 19, zesde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) zij het volgende opgemerkt. Artikel 19, zesde lid, van het ESH bepaalt dat gezinshereniging met migrerende werknemers zoveel mogelijk moet worden vergemakkelijkt. Deze bepaling dient niet zo ruim te worden uitgelegd dat ook bij achterblijvende integratie een voortdurende gezinsmigratie naar Nederland, ongeacht of het gezinshereniging of -vorming betreft, moet worden toegestaan met alle sociale gevolgen en risico’s van dien. Gelet op de problematiek als gevolg van achterblijvende integratie bij voortdurende immigratie zijn de mogelijkheden om gezinsmigratie naar Nederland toe te staan immers niet onbeperkt. Daarbij wordt verwezen naar artikel 31 van het ESH, dat voorziet in de mogelijkheid om het recht op gezinshereniging te beperken indien zulks in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden. In dat kader is van belang dat er sedert jaren sprake is van grootschalige immigratie die de integratie van migranten in de Nederlandse samenleving op groepsniveau ernstig belemmert en de normale processen van de inpassing van deze migranten in de samenleving verstoort. Bijna de helft van de niet-Nederlandse immigranten bestaat de afgelopen jaren uit gezinsmigranten. Daarbij wordt op grote schaal gekozen voor een nieuwe huwelijkspartner uit het land van herkomst van de in Nederland gevestigde persoon. Omdat een belangrijk deel van deze groep kenmerken heeft die ongunstig zijn voor een goede integratie in de Nederlandse samenleving, moet het integratieproces bij elke nieuwe generatie weer opnieuw beginnen. Bij onverminderd aanhoudende gezinsmigratie en achterblijvende integratie leidt overdracht van achterstand van generatie op generatie er op den duur toe dat bepaalde groepen migranten marginaliseren. Daardoor neemt de kans toe op onder meer afkeer van deze migranten van de samenleving, op segregatie en de ontwikkeling van anti-westerse gevoelens en op delinquentie, waarbij naast de veiligheid ook fundamentele waarden als de gelijkwaardigheid van personen ongeachte sekse, herkomst of seksuele voorkeur, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van meningsuiting en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, in geding kunnen komen. Algemeen wordt ervaren dat de achterblijvende integratie van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving in de afgelopen jaren is uitgegroeid tot een centraal sociaal probleem, zowel voor de migranten zelf die daardoor op groepsniveau worden belemmerd in hun ontplooiingsmogelijkheden en in hun volwaardige deelname aan de Nederlandse samenleving, als ook voor de samenleving als geheel. De door dit besluit aangebrachte koppeling tussen het behalen van een inburgeringsexamen en de vergunningverlening moet op den duur leiden tot een aanzienlijke en structurele verbetering van de sociaal-maatschappelijke positie van (gezins-)migranten in Nederland. Zonder tekort te willen doen aan de vele vreemdelingen die zich op eigen kracht met succes daaraan weten te onttrekken, wenst de regering met de door dit besluit aangebrachte stimulans om het inburgeringsexamen te behalen het proces van voortdurende immigratie bij achterblijvende integratie te doorbreken en marginalisering van bepaalde groepen migranten in de zin van segregatie, delinquentie, achterstand in arbeidsmarktpositie, structurele uitkeringsafhankelijkheid en afnemend vermogen tot maatschappelijke participatie te voorkomen. Het nieuwe artikel 3.80a heeft, zoals gezegd, voornamelijk betrekking op huwelijksmigranten.

Het eerste lid schrijft als hoofdregel imperatief voor dat de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning in deze gevallen moet worden afgewezen, indien het inburgeringsexamen niet is behaald. Daarbij is niet volledig aangesloten bij de inburgeringsplicht op grond van de artikelen 3, 5 en 6 van de Wet inburgering. Ook (huwelijks)partners van arbeids- of kennismigranten moeten, hoewel zij op grond van de Wet inburgering vanwege het tijdelijke karakter van hun verblijf in ons land niet inburgeringsplichtig zijn, wel met goed gevolg het nieuwe inburgeringsexamen hebben afgelegd, indien zij in aanmerking willen komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning.

Het tweede lid voorziet in een aantal uitzonderingen. Het gaat daarbij om situaties waarin, overeenkomstig hetgeen reeds is gesteld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 113), een koppeling tussen de inwilliging van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning en het behalen van het inburgeringsexamen niet aangewezen is. In de formulering van de uitzonderingen is rekening gehouden met het feit dat de uitzonderingen niet alleen van toepassing zijn op vreemdelingen die onder de werkingssfeer van de Wet inburgering vallen, maar ook op de niet inburgeringsplichtige arbeidsmigranten. De in onderdelen a tot en met d opgenomen uitzonderingen vloeien rechtstreeks voort uit de werkingssfeer van de Wet inburgering. De vreemdelingen bedoeld in deze onderdelen zijn ofwel niet inburgeringsplichtig, ofwel zij zijn ontheven dan wel vrijgesteld van het behalen van het inburgeringsexamen.

Ten aanzien van onderdeel a kan nog het volgende worden opgemerkt. De vreemdeling die als minderjarige toegelaten is in het kader van gezinshereniging, kan reeds na een jaar verblijf in aanmerking komen voor een titel in het kader van voortgezet verblijf, op grond van artikel 3.50, eerste lid, onderdelen a en b. Zolang deze vreemdeling nog volledig leerplichtig is, is hij nog niet inburgeringsplichtig en bestaat niet de koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verkrijgen van een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf. De inburgeringsplicht vangt aan op de dag waarop de vreemdeling niet meer volledig leerplichtig is. Voor het verkrijgen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zal wel de koppeling met de inburgeringseis worden gehandhaafd.

Ten aanzien van onderdeel c kan worden opgemerkt dat, indien de vreemdeling voldoet aan een van de criteria voor gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht, genoemd in artikel 2.4 van het Besluit inburgering, de in het eerste lid gestelde voorwaarde blijft gelden voor het deel van het inburgeringsexamen waarop de vrijstelling geen betrekking heeft. Uit artikel 14, eerste lid, van de Wet inburgering volgt immers dat het inburgeringsexamen (pas) is behaald, indien alle daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd, of ingeval van gedeeltelijke vrijstelling de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. De vreemdeling die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht is vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet heeft behaald, heeft het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering dan ook nog niet behaald. Om die reden zijn de gedeeltelijke vrijstellingen, genoemd in artikel 2.4 van het Besluit inburgering, niet in artikel 3.80a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen. Ook de niet-inburgeringsplichtige partner van de arbeids- of kennismigrant die beschikt over een van de in artikel 2.4 van het Besluit inburgering opgenomen diploma’s, zal eerst de resterende examens moeten behalen voordat hij of zij in aanmerking kan komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning.

In onderdeel d is de situatie geregeld dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van burgemeester en wethouders van de inburgeringsplicht ontheven (artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie in dit verband artikel 2.8 van het Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft voor deze (gewezen) inburgeringsplichtige op grond van onderdeel d dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing zal blijken uit een afschrift van de beschikking waarbij het college de ontheffing heeft verleend, dat de vreemdeling bij de aanvraag over zal moeten leggen; op termijn zal de IND hierover het ISI kunnen raadplegen. In dit verband wordt er nog op het derde lid gewezen. Ook aan de niet-inburgeringsplichtige vreemdeling die wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, wordt het inburgeringsvereiste niet gesteld, zij het dat de ontheffing niet wordt verleend door het college maar door de IND (namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) die bij de beoordeling eveneens gebruik maakt van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8 van het Besluit inburgering).

In onderdeel e wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard. De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen echter nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld zou worden, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.

Het vierde lid voorziet in een hardheidsclausule, overeenkomstig hetgeen is aangekondigd in eerdergenoemde passage in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering. Indien klemmende redenen van humanitaire aard – waarbij gedacht kan worden aan situaties waarin het huwelijk is ontbonden door het overlijden van de hoofdpersoon – tot afgifte van een zelfstandige verblijfsvergunning nopen, zal niet gevergd worden dat de betrokken vreemdeling eerst het inburgeringsexamen behaalt. Indien de oorspronkelijke verblijfsvergunning niet kan worden verlengd omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder die was verleend, en deze vergunning door de nieuwe inburgeringsvoorwaarde ook niet kan worden gewijzigd in een zelfstandige verblijfsvergunning, zouden, ondanks de klemmende redenen van humanitaire aard, toch verblijfsbeëindiging en uitzetting dreigen.

De in het vierde lid neergelegde hardheidsclausule zou bijvoorbeeld toegepast kunnen worden met betrekking tot slachtoffers van mensenhandel, voorzover zij ingereisd zijn als gezinsmigrant en nadien in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking genoemd in hoofdstuk B9 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op dit moment is deze situatie nog vrij hypothetisch, aangezien de meeste slachtoffers Nederland niet inreizen als gezinsmigrant. Echter, op 1 januari 2005 is de relevante delictsomschrijving uitgebreid tot alle ernstige vormen van uitbuiting. Het is derhalve mogelijk dat de samenstelling van de categorie slachtoffers in de toekomst wijzigt.

Voorts kan bij de toepassing van het vierde lid worden gedacht aan situaties waarin de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op grond van door de niet-inburgeringsplichtige vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. De inburgeringsplichtige vreemdeling kan om die redenen op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inburgering door het college van burgermeester en wethouders worden ontheven van de inburgeringsplicht, welke ontheffing ook van belang is bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning (artikel 3.80a, tweede lid, onderdeel d, van het Vreemdelingenbesluit 2000).

De hardheidsclausule zou ook toepassing kunnen vinden bij vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking voor gezinshereniging of gezinsvorming, die onvrijwillig in het land van herkomst zijn achtergelaten, en die niet meer kunnen beschikken over hun verblijfspapieren. Onder deze vreemdelingen kunnen zich ook personen bevinden met een zelfstandig verblijfsrecht voor Nederland. Wanneer deze vreemdelingen binnen zes maanden (of verschoonbaar later) na achterlating een verzoek doen tot wedertoelating, is voortgezet verblijf feitelijk de enige vergunning waarvoor zij in aanmerking komen. Het vereiste van het behalen van het inburgeringsexamen voor voortgezet verblijf zou voor deze vreemdelingen betekenen dat wedertoelating onmogelijk is, aangezien zij veelal nog niet in staat zijn geweest het inburgeringsexamen te behalen vanwege hun verblijfsduur. Naast wijziging van de afhankelijke verblijfsvergunning van huwelijksmigranten in een zelfstandige verblijfsvergunning, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ook in andere situaties worden gewijzigd.

Op grond van het vijfde lid kunnen voor die andere gevallen bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning.

De in de bestaande artikelen 3.51, vierde lid, en 3.81 aangebrachte verwijzingen naar het nieuwe artikel 3.80a stellen veilig dat er geen enkel misverstand over kan bestaan dat het behalen van het inburgeringsexamen als regel is vereist voor de afgifte van de zelfstandige verblijfsvergunning aan huwelijksmigranten.

Verschillende beslistermijnen

Op grond van de Wet inburgering is de termijn voor het behalen van het inburgeringsexamen maximaal drieëneenhalf jaar voor inburgeringsplichtigen die in het buitenland het basisexamen inburgering in het buitenland hebben behaald en voor overige inburgeringsplichtigen maximaal vijf jaar. De termijn voor het ontvangen van een gemaximeerde vergoeding (de financiële prikkel) bedraagt maximaal drie jaar. Deze termijnen vangen aan bij de verlening van de verblijfsvergunning en werken niet terug.

Op basis van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn waarna een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan worden verkregen eveneens drie jaar. Deze termijn vangt aan bij verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar werkt veelal terug tot de datum waarop de aanvraag is ingediend. Het verschil in deze driejaarstermijnen wordt veroorzaakt door de terugwerkende kracht waarmee de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend. Hoe groot dat verschil is, wordt bepaald door de tijd die de IND daadwerkelijk gebruikt om te beslissen. Omdat de gronden voor het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf dezelfde zijn als voor het verkrijgen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier mag worden verwacht dat de IND snel kan beslissen ten aanzien van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier. Indien er geen machtiging tot voorlopig verblijf nodig was kan de beslissing van de IND langer duren, omdat in dat geval voor de eerste keer wordt getoetst of aan alle voorwaarden is voldaan. De aanvrager kan aan een snelle beslissing bijdragen door direct een volledige aanvraag in te dienen.

Van belang is hierbij om op te merken dat de termijnen bij inburgering maximale termijnen betreffen. Uiteraard kan men eerder een inburgeringsexamen behalen. Voorts is het aanvragen van een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf uiteraard geen verplichting, maar een keuze van de betrokkene. Het gaat om de wens van de betrokkene om een sterkere verblijfsvergunning te verkrijgen. Aan die sterkere verblijfsvergunning wordt het vereiste verbonden dat het inburgeringsexamen is behaald. Zolang het inburgeringsexamen niet is behaald kan de betrokkene in Nederland verblijven op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

De verschillende beslistermijnen spelen minder een rol bij de koppeling aan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, omdat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd pas na vijf jaar kan worden verleend.

Onderdelen D en E (artikelen 3.96a en 3.107a)

In het Hoofdlijnenakkoord (Kamerstukken II 2002/03, 28 637, nr. 19, blz. 14) is opgenomen dat asielmigranten eerst na het behalen van het inburgeringsexamen in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat is geregeld in het nieuwe artikel 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het nieuwe inburgeringsvereiste voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd geldt ook voor reguliere migranten die niet op asielgerelateerde gronden naar Nederland zijn gekomen en die in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Dat is geregeld in het nieuwe artikel 3.96a van het Vreemdelingenbesluit 2000. In beide gevallen strekt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd er toe dat de betreffende vreemdeling zich duurzaam vestigt in Nederland. Van beide groepen wordt gelijkelijk verwacht dat zij tijdens hun verblijf in Nederland aan hun inburgering hebben gewerkt en het inburgeringsexamen hebben behaald. Op het tijdstip waarop zij de aanvraag om een permanente verblijfsvergunning indienen, hebben zij daartoe ook geruime tijd de gelegenheid gehad. De nieuwe artikelen 3.96a en 3.107a strekken er toe dat de aanvraag om een verblijfsvergunning (regulier of asiel) voor onbepaalde tijd als regel wordt afgewezen indien de betrokken vreemdeling op dat moment het inburgeringsexamen niet met goed gevolg heeft afgelegd. In het belang van de sociale cohesie van onze samenleving en de ontplooiingsmogelijkheden van de betrokken burger, waarborgt het inburgeringsvereiste dat de betrokken burger, aan wie het op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt toegestaan in Nederland te verblijven, ook daadwerkelijk beschikt over voldoende kennis om in onze samenleving te kunnen participeren. Voor inburgeringsplichtigen vormt deze nieuwe voorwaarde een extra stimulans om zich daadwerkelijk in te zetten voor hun inburgering. Verwezen zij naar hetgeen hierover reeds is gesteld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 111–112).

Ook hier dient te worden benadrukt dat het recht van de vreemdeling om in Nederland te mogen verblijven niet afhankelijk wordt gesteld van het behalen van het inburgeringsexamen. Het verblijfsrecht, ongeacht of dat bij beschikking door de Nederlandse overheid of van rechtswege door bepalingen van internationaal recht (zoals artikel 6 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije) wordt toegekend, wordt niet beëindigd op de enkele grond dat het inburgeringsexamen niet is behaald. In een dergelijk geval kan de vreemdeling zijn verblijf in Nederland voortzetten op basis van de hem of haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, zolang hij of zij aan de daaraan gestelde voorwaarden blijft voldoen.

Voor de asielmigrant die er niet in is geslaagd het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen, betekent dit dat de geldigheid van diens verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden verlengd zolang de rechtsgrond voor de verlening van die tijdelijke verblijfsvergunning asiel nog steeds aanwezig is en er ook overigens geen redenen, bijvoorbeeld in de sfeer van de openbare orde of nationale veiligheid, aanwezig zijn om het verblijf te beëindigen. Daarmee worden situaties die onverenigbaar zijn met het internationale recht (men denke aan artikel 3 EVRM) en de daarin opgenomen refoulementsverboden voorkomen. Voor de vreemdeling die het inburgeringsexamen niet heeft behaald, heeft dat wel tot gevolg dat diens verblijf in ons land gedurende een langere periode kan worden beëindigd indien de situatie in het land van herkomst zodanig is verbeterd dat diens terugkeer onder veilige omstandigheden weer mogelijk is.

Het eerste lid schrijft als hoofdregel imperatief voor dat de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet worden afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald. Deze nieuwe inburgeringsvoorwaarde voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is een zelfstandige voorwaarde voor vergunningverlening. Zoals reeds aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 112), geldt deze voorwaarde niet slechts voor vreemdelingen die inburgeringsplichtig zijn (geweest) op grond van de artikelen 3 en 5 van de wet. Ook arbeids- of kennismigranten en hun afhankelijke gezinsleden, die vanwege het tijdelijke karakter van hun verblijf in ons land niet inburgeringsplichtig op grond van de Wet inburgering zijn, zullen wel met goed gevolg het nieuwe inburgeringsexamen moeten hebben afgelegd indien zij toch duurzaam deel van onze samenleving willen uitmaken en in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Voorts zullen ook vreemdelingen die tien jaren in Nederland hebben verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel of particulier bediende in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post of als afhankelijk gezinslid van een dergelijke vreemdeling, pas in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning nadat zij het inburgeringsexamen hebben behaald. Langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, die voor de verkrijging van die status in een andere EU-lidstaat reeds aan integratievoorwaarden hebben moeten voldoen, zullen het volledige inburgeringsexamen met goed gevolg moeten hebben afgelegd om na verloop van vijf jaren ook in Nederland de status van langdurig ingezetene (een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd) te kunnen verwerven. Dat is op grond van artikel 23, eerste lid, in samenhang met artikel 5, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG aanvaardbaar.

De hoofdregel, zoals neergelegd in het eerste lid, zal eveneens van toepassing zijn op vreemdelingen die nog volledig leerplichtig zijn. Hiermee wordt afgeweken van artikel 3.80a, tweede lid, onderdeel a. De reden hiervoor is gelegen in het volgende. Minderjarigen die in het kader van gezinshereniging zijn toegelaten kunnen na meer dan een jaar verblijf in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf. Indien zij nog volledig leerplichtig zijn, bestaat voor hen geen inburgeringsplicht en is het behalen van het inburgeringsexamen niet een voorwaarde voor het verkrijgen van een zelfstandige verblijfstitel.

Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt de koppeling met het inburgeringsvereiste onverkort gehandhaafd voor de als minderjarige toegelaten vreemdeling, ongeacht of deze in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel of regulier. De reden daarvoor is dat de vreemdeling die voor deze verblijfsstatus in aanmerking wenst te komen, aangeeft permanent in Nederland te willen verblijven. Inburgering is dan een voorwaarde die overeenkomstig de hoofdregel voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de nieuwe artikelen 3.96a en 3.107a, wordt gesteld.

Het verkrijgen van een zelfstandige verblijfstitel komt echter niet in gevaar omdat voor deze vreemdelingen de mogelijkheid tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf bestaat. Bovendien wordt de situatie voorkomen waarin het kind van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, en zijn ouders niet omdat ze het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Een dergelijke ongelijkheid in verblijfsstatus, waarin de afhankelijke vreemdeling de sterkere status zou bezitten, wordt als onwenselijk beschouwd.

Het tweede en derde lid voorzien in een aantal uitzonderingen, die grotendeels overeenkomen met de uitzonderingen die in het tweede en derde lid van nieuwe artikel 3.80a zijn opgenomen. Kortheidshalve wordt verwezen naar de hierboven gegeven toelichting daarop.

Het vierde lid bevat een hardheidsclausule om onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen, zoals deze ook is opgenomen in het hierboven toegelichte artikel 3.80a, vierde lid.

Tenslotte wordt gewezen op het overgangsrecht met betrekking tot de koppeling tussen het inburgeringsexamen en de vergunningverlening, zoals neergelegd in artikel 9.3, eerste en tweede lid. Zie daarover nader de artikelsgewijze toelichting op dat artikel.

Artikel 8.2 (wijziging Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid)

Artikel 8.2 voorziet in de noodzakelijke aanpassingen van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Besluit BDU-SIV). Zie hierover nader § 15.3 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel A (artikel 1)

De inburgering wordt met inwerkingtreding van de Wet inburgering een onderdeel van het ontwikkelingsprogramma en dus van het programmadeel van de BDU-SIV. Om het onderscheid met de inburgering «oude stijl» te benadrukken wordt aan de definitie van «inburgeringsdeel» de periode toegevoegd waarvoor dit deel gelding heeft, te weten de jaren 2005 en 2006.

Aan artikel 1 wordt voorts een aantal begripsomschrijvingen toegevoegd dat specifiek van belang is voor de bekostiging van de gemeenten.

Onderdeel B (artikel 4)

Aan de formule welke wordt gebruikt voor de berekening van de uitkering dient de inburgering voor het restant van de derde periode van het Grotestedenbeleid te worden toegevoegd. De exacte berekeningswijze van het aandeel van de gemeenten in de middelen voor inburgering wordt geregeld in de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.

Onderdelen C en E (artikelen 5 en 9)

Dit betreft een aantal procedurele aanpassingen. Het nieuwe vierde lid van artikel 9 bewerkstelligt dat bij de verlening van het onderdeel inburgering van de BDU-SIV wordt uitgegaan van enerzijds een vast bedrag en anderzijds een deel dat wordt bepaald met behulp van voorschotvergoedingen in plaats van de bijdragevergoedingen welke worden gehanteerd bij de vaststelling van dit onderdeel.

Onderdeel D (artikel 7)

Aan het ontwikkelingsprogramma dienen de resultaten welke de steden op het gebied van inburgering gedurende 2007, 2008 en 2009 dienen te bereiken te worden toegevoegd.

De gemeente kan voorts besluiten de opleidingen educatie, waaraan op het moment van inwerkingtreding van de Wet inburgering door inburgeringsplichtigen en inburgeraars wordt deelgenomen, te bekostigen uit het aandeel in de middelen voor inburgering. De opgave van het daarmee gemoeide bedrag wordt toegevoegd aan het meerjaren ontwikkelingsprogramma (MOP), echter enkel voorzover de bekostiging van die opleidingen betrekking heeft op het jaar 2007.

Onderdeel F (artikel 18)

Artikel 18 van het Besluit BDU-SIV maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de in het MOP opgenomen resultaten wijzigt nadat de uitkering is verleend. Het oorspronkelijke MOP is door het Rijk positief beoordeeld en op basis daarvan is tussen de GSB-gemeente en het Rijk een convenant gesloten dat geldt voor de gehele GSB III periode. Met deze aanpassing van het derde lid van artikel 18 wordt tot uitdrukking gebracht dat een wijziging van het MOP door de gemeenteraad ook door het Rijk dient te worden beoordeeld en bekrachtigd daar een dergelijke wijziging tevens een wijziging van het reeds gesloten convenant inhoudt.

Voor wat betreft inburgering zal er, behoudens de eerder genoemde midterm review in 2008, geen ruimte zijn om het MOP tussentijds te wijzigen. Indien een stad bij de midterm review in 2008 de prestaties verlaagt en de minister dat bekrachtigt, leidt dat tot een verlaging van het verleende programmadeel.

Onderdeel G (artikel 27)

In het tweede lid van artikel 27 van het Besluit BDU-SIV wordt nu vastgelegd dat de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties het programmadeel imperatief lager vaststelt indien aan een van de in de onderdelen a tot en met c genoemde voorwaarden is voldaan. In het licht van het bepaalde in het derde lid – de hardheidsclausule – is dit ook logischer. Daarnaast wordt een onderdeel d toegevoegd, dat regelt dat het aandeel in de middelen voor inburgering lager wordt vastgesteld indien de gemeente lagere resultaten te zien heeft gegeven, met inachtneming van de in de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid vastgestelde berekeningswijze.

Het vijfde lid van artikel 27 maakt het mogelijk dat de lagere vaststelling van het programmadeel in het geval de resultaten niet volledig zijn bereikt, wordt bepaald aan de hand van de relatieve verdeling van de besteding van de verleende voorschotten over alle in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten ten aanzien van alle bijbehorende indicatoren. Met de hier opgenomen wijziging wordt inburgering van deze mogelijkheid uitgezonderd, wederom om eenheid van beleid te garanderen met de kleinere gemeenten. Ten aanzien van deze gemeenten is in het onderhavige besluit voor wat betreft de bekostiging een directe relatie aangelegd tussen bevoorschotting, prestaties en vaststelling.

Het spiegelbeeld van het nieuwe onderdeel d van het tweede lid wordt gevormd door het nieuwe zevende lid. Ook een hogere prestatie van de gemeente komt, met inachtneming van de voornoemde berekeningswijze, direct tot uitdrukking in een hogere vaststelling van dat deel van de uitkering.

Voorts wordt in het nieuwe elfde lid een verband gelegd tussen de toepassing van de hardheidsclausule en het oordeel van een deskundige met betrekking tot de redengeving voor het niet volledig bereiken van de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten.

Artikel 8.3 (wijziging Besluit naturalisatietoets)

Dit artikel voorziet in de aanpassing van het Besluit naturalisatietoets. Het Besluit naturalisatietoets geeft nadere invulling aan de inburgeringseis waaraan een vreemdeling die om naturalisatie verzoekt op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap dient te voldoen. De inburgeringseis kent twee onderdelen: kennis van de (lands)taal en kennis van de staatsinrichting en maatschappij. In artikel 3 van het Besluit naturalisatietoets worden de vrijstellingen van het afleggen van de naturalisatietoets op grond van diploma’s en certificaten nader geregeld.

Op grond van het nieuwe onderdeel h is vrijgesteld de verzoeker om naturalisatie die in het bezit is van het inburgeringsdiploma met alle taalvaardigheden op het niveau A2 van het Raamwerk Moderne Vreemde Talen.

Het nieuwe onderdeel i correspondeert met artikel 2.3, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit inburgering. Vrijgesteld van de naturalisatietoets zijn de bezitters van het document dat de IB-Groep uitreikt, nadat op eigen initiatief de korte vrijstellingstoets is afgelegd en behaald waarmee evident voldoende inburgering is aangetoond, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inburgering. Bij de korte vrijstellingstoets ligt de maatstaf voor beheersing van de Nederlandse taal op niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.

Zoals vermeld in het algemeen deel van deze toelichting ligt het in het voornemen per 1 april 2007 te voorzien in aanwijzing van het inburgeringsexamen als naturalisatietoets in Nederland.

HOOFDSTUK 9 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 9.1 (Toepasselijkheid Wet inburgering nieuwkomers)

Eerste en tweede lid

Uit artikel 64, eerste lid, van de wet vloeit voort dat nieuwkomers in de zin van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) op wie ingevolge de Wet inburgering een inburgeringsplicht komt te rusten, hun WIN-traject kunnen (en moeten) afmaken. Het eerste en tweede lid van het onderhavige artikel 9.1 bevat nog een beperkte aanvullende voorziening voor personen die vóór de inwerkingtreding van de Wet inburgering tijdig (volgens artikel 3, tweede lid, WIN betekent dit: binnen de termijn waarvoor men zich voor het inburgeringsonderzoek op basis van de WIN had moeten aanmelden) een ontheffing op lichamelijke of psychische gronden op grond van de WIN hebben aangevraagd, maar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering nog geen beslissing op hun aanvraag hebben gekregen. Het ligt in de rede dat personen die niet in aanmerking komen voor een ontheffing onder hetzelfde regime vallen als personen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet inburgering nog een lopend WIN-traject volgen. Om dit te bewerkstelligen, voorziet dit artikel erin dat ook na de inwerkingtreding van de Wet inburgering nog op lopende aanvragen om deze WIN-ontheffingen moet worden beslist en dat een afwijzende beschikking ertoe leidt dat men alsnog het WIN-traject moet volgen. Als gezegd geldt dit regime alleen voor tijdig aangevraagde WIN-ontheffingen. Op niet tijdig aangevraagde ontheffingen wordt na 1 januari 2007 niet meer inhoudelijk beslist. Inburgeringsplichtige aanvragers vallen geheel onder het regime van de nieuwe wet en kunnen dus geen WIN-traject meer volgen.

Het voorgaande geldt ook voor lopende aanvragen om verlenging van een voor bepaalde tijd verleende ontheffing op lichamelijke of psychische gronden.

Een positieve beslissing op een aanvraag om een WIN-ontheffing op psychische of lichamelijke gronden, heeft, als de ontheffing voor onbepaalde tijd wordt verleend, tot gevolg dat deze wordt gelijkgesteld met een ontheffing in de zin van artikel 6, eerste lid, van de wet (zie artikel 64, tweede lid, van de wet). Indien een dergelijke ontheffing voor bepaalde tijd wordt verleend (onderscheidenlijk verlengd) – volgens artikel 3, derde lid, tweede volzin, onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin, WIN) kan dit voor maximaal een jaar – gaan de inburgeringstermijnen van de Wet inburgering pas in als de duur van de WIN-ontheffing is verstreken. Dat vloeit voort uit het hierna nader toe te lichten derde lid van het onderhavige artikel 9.1.

Voor de goede orde zij vermeld dat op basis van de WIN verleende ontheffingen op andere gronden dan lichamelijke of psychische gronden (dus op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel c, WIN) van rechtswege vervallen op 1 januari 2007, aangezien daaraan met de intrekking van de WIN de rechtsbasis is komen te ontvallen en evenmin voor deze categorie overgangsrechtelijke voorzieningen zijn getroffen.

Derde lid

Het derde lid bevat als gezegd een overgangsvoorziening voor inburgeringsplichtigen die beschikken over een WIN-ontheffing op lichamelijke of psychische gronden voor bepaalde tijd. Het kan gaan om een ontheffing die vóór 1 januari 2007 is verleend (en eventueel is verlengd) of om een ontheffing die met toepassing van artikel 9.1, eerste lid, op of na 1 januari 2007 is verleend of verlengd. In die gevallen vangt de uit artikel 7, eerste lid, van de wet voortvloeiende termijn van de inburgeringsplicht pas aan als de duur van de ontheffing is verstreken.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat op of na 1 januari 2007 geen aanvraag meer kan worden gedaan tot verlenging van een WIN-ontheffing. Afgezien van eventuele verlenging op grond van het derde lid (aanvraag ingediend vóór 1 januari 2007, maar daarop op 1 januari 2007 nog niet beslist) kan de duur van een WIN-ontheffing dus niet (verder) worden verlengd. Vanzelfsprekend staat het de inburgeringsplichtige vrij om een ontheffing op basis van artikel 6, eerste lid, van de wet aan te vragen, waarop met inachtneming van het daarvoor geldende toetsingskader zal worden beslist.

Vierde lid

Om dezelfde redenen als waarom bij een vóór 1 januari 2007 tijdig ingediende, doch op of na 1 januari 2007 afgewezen aanvraag om WIN-ontheffing om psychische of lichamelijke gronden de WIN op de betrokken inburgeringsplichtige van toepassing blijft (tweede lid), ligt het in de rede dat de WIN ook van toepassing blijft als er vóór 1 januari 2007 een WIN-ontheffing op andere gronden (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, WIN) is aangevraagd, waarop op 1 januari 2007 nog niet is beslist. In dat geval behoeft er, anders dan bij de aanvraag om WIN-ontheffing om psychische of lichamelijke gronden, na 1 januari 2007 geen beslissing meer te worden genomen, omdat voor deze categorie van ontheffingen geen overgangsvoorziening geldt.

De toepasselijkheid van de WIN wordt bewerkstelligd door een tijdig ingediende ontheffingsaanvraag voor de toepassing van artikel 64, eerste lid, onderdeel b, van de wet gelijk te stellen met een aanmelding voor het inburgeringsonderzoek op basis van de WIN. Dat betekent dat de overgangsbepaling van artikel 64, eerste lid, van de wet ook op deze categorie van toepassing is.

Ook deze voorziening geldt alleen voor tijdig ingediende ontheffingsaanvragen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, WIN zijn dit aanvragen die zijn ingediend binnen de termijn waarvoor men zich voor het inburgeringsonderzoek op basis van de WIN had moeten aanmelden.

Vijfde lid

Duidelijkheidshalve is in het vijfde lid vastgelegd dat inburgeringsplichtigen niet voor de lening- en vergoedingfaciliteit in aanmerking komen, zolang zij krachtens het overgangsrecht aan een WIN-traject deelnemen.

Zesde lid

De inburgeringsplichtige vreemdeling die op 1 januari 2007 legaal in Nederland verbleef en op 31 december 2006 een nieuwkomer in de zin van de WIN was, is geen oudkomer in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de wet. Dat betekent dat deze inburgeringsplichtige moet beschikken over schriftelijke taalvaardigheden op het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Ook indien de WIN (ingevolge artikel 64, eerste lid, van de wet, of artikel 9.1, tweede of vierde lid, van dit besluit) op hem van toepassing blijft, is deze inburgeringsplichtige pas vrijgesteld van de verplichting om het inburgeringsexamen te behalen, indien uit de verklaring van het regionaal opleidingencentrum (op grond waarvan het certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de WIN wordt afgegeven) blijkt dat voor de onderdelen «Lezen» en «Schrijven» ten minste niveau 2 is behaald.

Artikel 9.2 (overgangsrecht bij wijzigingen Vreemdelingenbesluit 2000)

Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering (Kamerstukken II 2005/06, 30 308, nr. 3, blz. 113), gaat de regering er op grond van het tweede deeladvies van de Commissie Franssen van uit dat het voor inburgeringsplichtigen haalbaar is om binnen drie jaar na het ontstaan van de inburgeringsplicht voor het inburgeringsexamen te slagen. De vreemdeling die op het moment van inwerkingtreding van de Wet inburgering aan alle eisen voor de verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voldoet, zou bij onmiddellijke werking feitelijk met een wachttermijn van drie jaar worden geconfronteerd. Aangezien het in de rede ligt om bij het effectueren van de koppeling tussen inburgering en verblijf aanknoping te zoeken bij de termijn van drie jaar waarbinnen het inburgeringsexamen kan worden behaald, wordt aan het oude recht een zekere eerbiedigende werking toegekend. In dit besluit is er, zoals aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet inburgering, voor gekozen om aan te sluiten bij de datum van indiening van het wetsvoorstel Wet inburgering bij de Tweede Kamer, te weten 21 september 2005. Immers, vanaf dat moment is afdoende bekendheid gegeven aan het voornemen om het beleid terzake aan te passen. Vanaf dat moment was de betrokken vreemdeling derhalve in staat te anticiperen op de nieuwe wettelijke regeling, inclusief de koppeling tussen het inburgeringsexamen en de vergunningverlening.

Artikel 9.3 (overgangsrecht lopende opleidingen Nederlands als tweede taal)

Dit artikel stelt veilig dat inburgeringsplichtigen die vóór de inwerkingtreding van de wet een opleiding Nederlands als tweede taal, niveaus A1 en A2 van het Raamwerk NT2, op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs zijn begonnen, deze opleiding kunnen afmaken. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zal zorg dragen voor de bekostiging van het deel van de opleidingen dat betrekking heeft op 2007. De financiële consequenties van deze overgangsbepaling komen daarmee ten laste van het inburgeringsbudget, echter enkel gedurende het jaar 2007.

Artikel 9.4 (invoeringsrecht ten behoeve van het jaar 2007)

In de artikelen 7.2 tot en met 7.7 is de bekostigingscyclus beschreven. Een dergelijke cyclus kan echter niet direct onverkort worden toegepast; bij aanvang zijn er enkele uitzonderingen noodzakelijk met betrekking tot het jaar 2007. De voorschotvergoedingen ten behoeve van het jaar 2007 worden ambtshalve vastgesteld, omdat er nog geen landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus kan worden vastgesteld. De hoogte van het voorschot ten behoeve van het jaar 2007 wordt eveneens ambtshalve vastgesteld. Beide worden binnen acht weken na inwerkingtreding van het besluit bekend gemaakt.

Artikel 9.5 (invoeringsrecht ten behoeve van de vaststelling van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage, betrekking hebbende op het jaar 2007)

Met betrekking tot de vaststelling van het cohort 2007 van het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage is een uitzonderingsbepaling opgenomen. Aan de formule van artikel 7.5 is een factor U toegevoegd, zodat het deel van de rijksbijdrage dat de gemeente in 2007 heeft bestemd voor de financiering van de opleidingen educatie, bedoeld in artikel 9.3, kan worden vastgesteld.

Uit de formule blijkt dat de middelen welke worden bestemd voor de opleidingen educatie ten koste dienen te gaan van de middelen welke worden bestemd voor het aanbieden van (gecombineerde) inburgeringsvoorzieningen.

Artikel 9.6 (overgangsrecht rijksbijdrage Wet inburgering nieuwkomers)

Dit artikel bevat een bepaling waarmee de bekostiging van gemeenten op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) financieel wordt afgewikkeld. Deze afwikkeling bevat drie componenten: de vaststelling van de rijksbijdrage die is verleend ten behoeve van 2006, de financiering van in 2007 en 2008 af te ronden inburgeringsprogramma’s en de verdiscontering daarin van een element van «dubbele bekostiging» welke stamt uit het verleden. Hieronder wordt een en ander toegelicht.

Sedert de inwerkingtreding van de WIN in 1998 zijn gemeenten verplicht geweest nieuwkomers een inburgeringsprogramma aan te bieden. Voor de uitvoering van deze wettelijke plicht zijn gemeenten door het rijk bekostigd overeenkomstig het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers. Tot 1 januari 2005 werd hierbij een zogenaamde t-2 bekostigingssystematiek gehanteerd: het voor de inburgering van nieuwkomers beschikbare budget werd jaarlijks over de gemeenten verdeeld naar rato van de twee jaar eerder geleverde prestaties, in termen van het aantal gestarte inburgeringsprogramma’s (door de gemeente afgegeven beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma) respectievelijk het aantal afgeronde inburgeringsprogramma’s (door een onderwijsinstelling afgegeven verklaringen). In deze systematiek bestond geen directe relatie tussen de door gemeenten geleverde prestaties met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers en de door het rijk beschikbaar gestelde middelen. Vanaf 1 januari 2005 geldt voor de bekostiging van de inburgering van nieuwkomers op grond van de WIN een systeem van outputfinanciering. In dit systeem wordt de bekostiging in enig jaar bepaald door de in dat jaar geleverde prestaties met betrekking tot het aantal gestarte en het aantal afgeronde inburgeringsprogramma’s. Gemeenten ontvangen jaarlijks een voorschot, gebaseerd op de verwachte instroom van nieuwkomers en verdeeld op basis van de twee jaar eerder geleverde prestaties. Na afloop van ieder jaar wordt de definitieve rijksbijdrage bepaald op basis van de geleverde prestaties en met de vastgestelde rijksbijdrage wordt vervolgens het verleende voorschot verrekend.

Volgens de tot 1 januari 2005 gehanteerde t-2 systematiek zouden gemeenten die in 2003 en of in 2004 bovengemiddelde prestaties hebben geleverd hiervoor in de jaren 2005 en of 2006 een hoger aandeel in de rijksbijdrage hebben ontvangen. Door de overgang naar een systeem van outputfinanciering in 2005 verviel dit recht op een hogere rijksbijdrage. Om deze gemeenten hiervoor te compenseren, is voorzien in een overgangsbepaling op grond waarvan een aanvullende rijksbijdrage is verstrekt (artikel 12 van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers).

Aldus is bereikt dat de bekostiging door het rijk voor de periode van 1998 tot en met 2004 – gedurende welke periode de t-2 systematiek gold – volledig is afgewikkeld.

Het hiervoor genoemde element van «dubbele bekostiging» heeft zijn oorsprong in de overgang van de t-2 financieringssystematiek naar de systematiek van outputfinanciering. Immers, de in 2005 afgegeven verklaringen hebben in veel gevallen betrekking op in 2003 of in 2004 gestarte inburgeringsprogramma’s. Deze programma’s zijn in die jaren echter reeds volledig bekostigd vanuit de rijksbijdrage 2003 respectievelijk 2004 welke was gebaseerd op de oude t-2 bekostigingssystematiek. Het kabinet is van mening dat deze «dubbele bekostiging» ongerechtvaardigd is.

De uitloop van de onder de vigeur van de WIN gestarte inburgeringsprogramma’s behoeft eveneens een nadere regeling. Slechts een deel van de in 2005 en 2006 gestarte inburgeringsprogramma’s is afgerond voor 1 januari 2007, de datum van inwerkingtreding van de Wet inburgering, terwijl de bekostiging van die programma’s – conform de geldende systematiek van outputfinanciering – ten dele plaats zou moeten vinden in 2007 en 2008. Daar het artikel van de WIN dat betrekking heeft op de bekostiging van gemeenten met de inwerkingtreding van de Wet inburgering vervalt, vindt bekostiging van deze programma’s echter niet meer plaats. Het kabinet is van mening dat gemeenten op deze wijze te kort zouden worden gedaan.

Tot slot dient de op grond van de WIN voor het jaar 2006 verleende rijksbijdrage nog formeel te worden vastgesteld. Deze vaststelling wordt met dit artikel uitgesteld tot het jaar 2009. Tevens dient een verrekening plaats te vinden met het ten behoeve van 2006 verleende voorschot.

Er is voor gekozen om onder de vigeur van de Wet inburgering aan gemeenten een eenmalige aanvullende rijksbijdrage te verstrekken waarmee een oplossing wordt gevonden voor de beide hierboven uiteengezette vraagstukken: de afrekening van het jaar 2006, de dubbele bekostiging van in 2003 en 2004 gestarte WIN-inburgeringsprogramma’s en de bekostiging van de WIN-inburgeringsprogramma’s welke na 1 januari 2007 worden afgerond.

De grondslag van deze eenmalige aanvullende rijksbijdrage is gelegen in het aantal in het jaar 2006 door onderwijsinstellingen afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s en door het college van burgemeester en wethouders gegeven beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma, het aantal in de jaren 2007 en 2008 afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s, alsmede de in 2005 en 2006 afgegeven verklaringen met betrekking tot inburgeringsprogramma’s. Van die laatste verklaringen heeft een deel betrekking op de jaren 2003 en 2004, welke reeds volledig zijn bekostigd. Derhalve wordt een nog vast te stellen percentage in mindering gebracht op het deel van de aanvullende bijdrage, namelijk dat deel van de in 2005 en 2006 afgegeven aantal verklaringen dat al is bekostigd via de rijksbijdragen 2003 en 2004.

Het kabinet verwacht dat de combinatie van deze maatregelen voor gemeenten, op macroniveau, budgettair neutraal zal uitpakken.

Artikel 9.7 (burgerservicenummer)

Er wordt in dit besluit meermalen verwezen naar het sociaal-fiscaalnummer. In het licht van het wetsvoorstel Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Kamerstukken II 2005/06, 30 312, nrs. 1–2) is artikel 9.7 opgenomen teneinde eventuele onduidelijkheid weg te nemen. Een gelijksoortige afstemmingsbepaling is via de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel Wet inburgering opgenomen in die wet (artikel 69).

AFDELING 2. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9.8 (inwerkingtredingsbepaling)

Uit praktisch oogpunt wordt in dit besluit tevens het tijdstip van inwerkingtreding van de wet vastgesteld.

Aan artikel 65 van de wet is met gebruikmaking van artikel 73, tweede volzin, van de wet terugwerkende kracht verleend vanaf de in die artikelen genoemde datum van 1 januari 2006. Gemeenten hebben hun op dat tijdstip eventueel aanwezige WIN-reserves kunnen aanwenden voor het aanbieden van inburgeringsprogramma’s aan oudkomers volgens de ministeriële oudkomersregelingen.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 januari 2007, nr. 6.