Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2006, 591Wet

Wet van 20 november 2006, houdende regels omtrent instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364), noodzakelijk is regels te stellen inzake privaatrechtelijke en publiekrechtelijke handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. DEFINITIES

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. andere overheidsinstantie: een andere overheidsinstantie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening 2006/2004;

b. bevoegde autoriteit: een bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van verordening 2006/2004;

c. Consumentenautoriteit: de Consumentenautoriteit, bedoeld in artikel 2.1;

d. consumentenorganisaties: stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben het behartigen van de collectieve belangen van consumenten;

e. financiële dienst of activiteit:

1°. een financiële dienst als bedoeld in artikel 1 van de Wet financiële dienstverlening;

2°. het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of hebben van opvorderbare gelden, dan wel het in enigerlei vorm bemiddelen ter zake van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

3°. een geldtransactie als bedoeld in artikel 1 van de Wet inzake geldtransactiekantoren;

4°. het houden van een effectenbeurs als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

f. inbreuk: elk handelen of nalaten dat in strijd is met een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in de bijlage bij deze wet, en dat schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten;

g. intracommunautaire inbreuk: een intracommunautaire inbreuk als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van verordening 2006/2004;

h. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

i. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

j. overtreder: degene die een overtreding pleegt of medepleegt;

k. overtreding: een inbreuk of intracommunautaire inbreuk;

l. verbindingsbureau: verbindingsbureau als bedoeld in artikel 3, onderdeel d, van verordening 2006/2004;

m. verordening 2006/2004: verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364);

n. wettelijke bepalingen: de communautaire wetgeving ter bescherming van de belangen van de consument bedoeld in de bijlage bij deze wet, zoals geïmplementeerd in het Nederlands recht en het recht van de lidstaten.

HOOFDSTUK 2. DE CONSUMENTENAUTORITEIT

§ 1. Aanwijzing en taken

Artikel 2.1

  • 1. Onze Minister wijst een onder hem ressorterende ambtenaar als Consumentenautoriteit aan.

  • 2. Onze Minister kan één of meer onder hem ressorterende ambtenaren als plaatsvervanger van de Consumentenautoriteit aanwijzen.

Artikel 2.2

De Consumentenautoriteit is belast met de handhaving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij deze wet. Zij is niet bevoegd indien de overtreding betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.

Artikel 2.3

  • 1. De Consumentenautoriteit wordt aangewezen als het verbindingsbureau in Nederland.

  • 2. Met betrekking tot intracommunautaire inbreuken op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij deze wet, wordt de Consumentenautoriteit aangewezen als bevoegde autoriteit, tenzij de intracommunautaire inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.

  • 3. De Consumentenautoriteit heeft mede tot taak de coördinatie van activiteiten van communautair belang, administratieve samenwerking en verslaglegging, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 21 van verordening 2006/2004.

Artikel 2.4

  • 1. De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en andere personen zijn belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen waarvoor de Consumentenautoriteit is belast met de handhaving. Van dat besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2. Artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op geschriften gewisseld tussen een overtreder en een advocaat die is toegelaten tot de balie, die zich bij de overtreder bevinden, doch waarop, indien zij zich zouden bevinden bij die advocaat, artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zou zijn.

§ 2. Privaatrechtelijke handhaving

Artikel 2.5

  • 1. De Consumentenautoriteit kan een verzoekschrift als bedoeld in artikel 305d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek indienen indien naar haar oordeel sprake is van een overtreding van een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij deze wet, tenzij de overtreding betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.

  • 2. Alvorens de Consumentenautoriteit een verzoekschrift indient, stelt zij de overtreder een redelijke termijn om:

    a. de overtreding te staken;

    b. gegevens waarop het voornemen om een verzoekschrift in te dienen berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

Artikel 2.6

  • 1. Een overeenkomst strekkende tot vergoeding van schade die het gevolg is van een overtreding van één of meer wettelijke bepalingen met de handhaving waarvan de Consumentenautoriteit is belast, gesloten door de Consumentenautoriteit met één of meer andere partijen die deze bepalingen hebben overtreden en die zich bij deze overeenkomst hebben verbonden tot vergoeding van deze schade, kan door de rechter op verzoek van de partijen die de overeenkomst hebben gesloten verbindend worden verklaard voor personen aan wie de schade is veroorzaakt. Onder personen aan wie de schade is veroorzaakt worden mede begrepen personen die een vordering ter zake van deze schade onder algemene of bijzondere titel hebben verkregen.

  • 2. De artikelen 907, tweede tot en met zesde lid, en 908 tot en met 910 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en titel 14 van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Onze Minister geeft een aanwijzing aan de Consumentenautoriteit over de wijze waarop zij de in het eerste lid bedoelde overeenkomst tot stand brengt.

§ 3. Bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 2.7

  • 1. Deze paragraaf heeft, met uitzondering van artikel 2.10, tweede lid, uitsluitend betrekking op overtredingen van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel b van de bijlage bij deze wet.

  • 2. Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.8

  • 1. Indien ambtenaren of andere personen bedoeld in artikel 2.4, van oordeel zijn dat een overtreding heeft plaatsgevonden, maken zij een rapport op.

  • 2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt:

    a. de naam van de overtreder;

    b. de overtreding alsmede de wettelijke bepaling waarmee in strijd is gehandeld;

    c. feiten en omstandigheden op grond waarvan is vastgesteld dat een overtreding is gepleegd;

    d. waar en wanneer de onder c bedoelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan.

  • 3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.

  • 4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt en geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld, treedt dit voor de toepassing van dit artikel in de plaats van het rapport.

  • 5. De werkzaamheden in verband met het opleggen van de last onder dwangsom of bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het rapport.

Artikel 2.9

  • 1. Indien de Consumentenautoriteit van oordeel is dat een overtreding heeft plaatsgevonden, kan zij de overtreder opleggen:

    a. een last onder dwangsom;

    b. een bestuurlijke boete.

  • 2. Voor zover een last onder dwangsom of bestuurlijke boete verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan ’s Rijks schatkist.

Artikel 2.10

  • 1. Op het opleggen van een last onder dwangsom krachtens deze paragraaf zijn de artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2. De Consumentenautoriteit kan een last onder dwangsom opleggen, die strekt tot verzekering van de medewerking die krachtens artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden gevorderd bij de uitoefening van de bevoegdheden van de toezichthouders, bedoeld in artikel 2.4.

Artikel 2.11

  • 1. De Consumentenautoriteit stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de last onder dwangsom dan wel het voornemen daartoe berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

  • 2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Consumentenautoriteit er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 2.12

  • 1. De Consumentenautoriteit stelt de overtreder in de gelegenheid over het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom zijn zienswijze naar voren te brengen. Het rapport wordt reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt. Indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, zorgt de Consumentenautoriteit voor bijstand door een tolk.

  • 2. Indien de Consumentenautoriteit, nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:

    a. voor de overtreding geen last onder dwangsom zal worden opgelegd, of

    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd,

    wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 2.13

De Consumentenautoriteit beslist binnen dertien weken na dagtekening van het rapport, bedoeld in artikel 2.8, omtrent het opleggen van de last onder dwangsom.

Artikel 2.14

De beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom vermeldt:

a. de naam van de overtreder;

b. de inhoud van de last en de termijn waarvoor deze geldt;

c. het overtreden wettelijk voorschrift;

d. zo nodig de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

Artikel 2.15

De in artikel 2.9 bedoelde bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie geldboete, bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.16

  • 1. De Consumentenautoriteit legt geen last onder dwangsom of bestuurlijke boete op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

  • 2. De Consumentenautoriteit legt geen last onder dwangsom op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.

  • 3. Een last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

  • 4. De Consumentenautoriteit kan de geldsom invorderen bij dwangbevel.

  • 5. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

  • 6. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.17

  • 1. De Consumentenautoriteit stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete dan wel het voornemen daartoe berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

  • 2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Consumentenautoriteit er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

  • 3. De Consumentenautoriteit stelt de overtreder in de gelegenheid over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen. Het rapport wordt reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt. Indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, zorgt de Consumentenautoriteit voor bijstand door een tolk.

  • 4. Indien de Consumentenautoriteit, nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:

    a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of

    b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd,

    wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 2.18

  • 1. De Consumentenautoriteit beslist binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport, bedoeld in artikel 2.8, omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete.

  • 2. De beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd, tot de dag waarop de Consumentenautoriteit weer bevoegd wordt een last onder dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen.

  • 3. De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt:

    a. de naam van de overtreder;

    b. het bedrag van de boete;

    c. het overtreden wettelijk voorschrift;

    d. zo nodig de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

Artikel 2.19

  • 1. De Consumentenautoriteit legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

  • 2. De Consumentenautoriteit legt geen bestuurlijke boete op indien de overtreder is overleden.

  • 3. Een bestuurlijke boete vervalt indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.

  • 4. De Consumentenautoriteit legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, is bekendgemaakt.

  • 5. De Consumentenautoriteit legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde overtreding:

    a. een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of

    b. het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 of 74c van het Wetboek van Strafrecht.

  • 6. Indien de overtreding tevens een strafbaar feit is, legt de Consumentenautoriteit deze aan de officier van justitie voor. In het samenwerkingsprotocol met het College van Procureurs-Generaal, bedoeld in artikel 5.1, worden hierover nadere afspraken gemaakt.

  • 7. Voor een overtreding die aan de officier van justitie is voorgelegd, legt de Consumentenautoriteit slechts een bestuurlijke boete op indien:

    a. de officier van justitie aan de Consumentenautoriteit heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder zowel van strafvervolging als van toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht af te zien, of

    b. de Consumentenautoriteit niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

Artikel 2.20

  • 1. De bevoegdheid voor de Consumentenautoriteit tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.

  • 2. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 2.21

  • 1. De Consumentenautoriteit stemt de bestuurlijke boete af op de ernst en duur van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. De Consumentenautoriteit houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

  • 2. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.22

Een bestuurlijke boete die is opgelegd wegens een gedraging die tevens een strafbaar feit is, vervalt indien het gerechtshof met toepassing van artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt. Artikel 74b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.23

  • 1. De Consumentenautoriteit kan een beschikking openbaar maken omtrent het opleggen van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete, met inbegrip van een beschikking dat geen last onder dwangsom of bestuurlijke boete wordt opgelegd of een toezegging door de overtreder dat een overtreding zal worden gestaakt.

  • 2. De Consumentenautoriteit maakt een voornemen tot openbaarmaking van een beschikking als bedoeld in het eerste lid te voren bekend aan de overtreder; indien het een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete betreft geschiedt dit gelijktijdig met het in de gelegenheid stellen van de overtreder daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 3. De Consumentenautoriteit maakt een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet eigener beweging openbaar gedurende twee weken nadat het besluit op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, tenzij de overtreder de beschikking zelf heeft openbaar gemaakt, heeft doen openbaar maken of openbaarmaking met de overtreder is overeengekomen.

§ 4. Gegevensuitwisseling

Artikel 2.24

Gegevens die de Consumentenautoriteit verkrijgt van andere bevoegde autoriteiten en andere overheidsinstanties als bedoeld in hoofdstukken 3 en 4 van deze wet maakt de Consumentenautoriteit alleen openbaar met toestemming van de desbetreffende autoriteit of instantie.

HOOFDSTUK 3. ANDERE BEVOEGDE AUTORITEITEN

§ 1. Stichting Autoriteit Financiële Markten

Artikel 3.1

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in de onderdelen a en d van de bijlage bij deze wet, voor zover de intracommunautaire inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.

  • 2. De Stichting Autoriteit Financiële Markten wordt voorts aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen bedoeld in onderdeel c van de bijlage bij deze wet.

Artikel 3.2

  • 1. De bij besluit van de Stichting Autoriteit Financiële Markten aangewezen personen zijn belast met het toezicht op de naleving van:

    a. de wettelijke bepalingen, bedoeld in de onderdelen a en c van de bijlage bij deze wet, voor welke zij als bevoegde autoriteit is aangewezen, en

    b. de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel d van de bijlage bij deze wet.

    Van dat besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2. Artikel 2.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.3

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan een verzoekschrift als bedoeld in artikel 305d van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek indienen indien naar haar oordeel sprake is van een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij deze wet, en de intracommunautaire inbreuk betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit.

  • 2. De artikelen 2.5, tweede lid, en 4.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.4

  • 1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel c, sub c.1, van de bijlage bij deze wet, heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 2. Met betrekking tot de toepassing van het eerste lid zijn:

    a. de artikelen 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid, 2.10 tot en met 2.14, 2.16 tot en met 2.19 en 2.21, tweede lid, tot en met 2.24 van overeenkomstige toepassing;

    b. de artikelen 74 en 81 van de Wet financiële dienstverlening alsmede de bij die wet behorende bijlage van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel c, sub c.2, van de bijlage bij deze wet, heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 4. De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat een inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel d van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 5. Met betrekking tot de toepassing van het derde en vierde lid zijn de artikelen 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid, 2.10 tot en met 2.24 en 4.3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid

Artikel 3.5

Het Staatstoezicht op de volksgezondheid wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel e van de bijlage bij deze wet.

Artikel 3.6

  • 1. De krachtens artikel 97 van de Geneesmiddelenwet aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn belast met toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen inzake intracommunautaire inbreuken voor welke het als bevoegde autoriteit is aangewezen.

  • 2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan, indien naar zijn oordeel een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel e van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid, 2.10 tot en met 2.14 en 2.16 tot en met 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boete is het eerste lid van artikel 98 van de Geneesmiddelenwet van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Het Commissariaat voor de Media

Artikel 3.7

Het Commissariaat voor de Media wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel f van de bijlage bij deze wet.

Artikel 3.8

  • 1. De leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Mediawet, zijn belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen waarvoor het Commissariaat voor de Media als bevoegde autoriteit is aangewezen.

  • 2. Indien naar het oordeel van het Commissariaat voor de Media een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen als bedoeld in onderdeel f van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden, kan het Commissariaat voor de Media:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid, 2.10 tot en met 2.14 en 2.16 tot en met 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De artikelen 135, 138b en 139 van de Mediawet zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Inspectie Verkeer en Waterstaat

Artikel 3.9

De Inspectie Verkeer en Waterstaat wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de bijlage bij deze wet.

Artikel 3.10

  • 1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de bijlage bij deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren. Van dat besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 2. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, indien naar zijn oordeel een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel g van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid en 2.10 tot en met 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Voedsel en Warenautoriteit

Artikel 3.11

De Voedsel en Warenautoriteit wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij deze wet.

Artikel 3.12

  • 1. De krachtens artikel 13, eerste lid, van de Tabakswet benoemde ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen inzake intracommunautaire inbreuken voor welke de Voedsel en Warenautoriteit als bevoegde autoriteit is aangewezen.

  • 2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan, indien naar zijn oordeel een intracommunautaire inbreuk op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel h van de bijlage bij deze wet heeft plaatsgevonden:

    a. een bestuurlijke boete opleggen;

    b. een last onder dwangsom opleggen.

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.8, 2.9, tweede lid, 2.10 tot en met 2.14 en 2.16 tot en met 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Artikel 11b, tweede lid, van de Tabakswet is van overeenkomstige toepassing.

§ 6. Gegevensuitwisseling

Artikel 3.13

Alle informatie die een bevoegde autoriteit op grond van verordening 2006/2004 aan bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en de Commissie verstrekt, verstrekt de bevoegde instantie eveneens aan de Consumentenautoriteit als het verbindingsbureau.

HOOFDSTUK 4. ANDERE OVERHEIDSINSTANTIES

Artikel 4.1

  • 1. Als andere overheidsinstantie worden aangewezen:

    a. de Nederlandse Zorgautoriteit;

    b. de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit;

    c. de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit;

    d. de Belastingdienst/FIOD-ECD.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere overheidsinstanties worden aangewezen.

Artikel 4.2

  • 1. Indien zowel de Consumentenautoriteit als een andere overheidsinstantie bevoegd zijn toezicht uit te oefenen of handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van dezelfde gedraging, maakt de Consumentenautoriteit geen gebruik van de aan haar in deze wet toegekende bevoegdheden.

  • 2. In afwijking van het vorige lid kan de Consumentenautoriteit gebruik maken van de aan haar in deze wet toegekende bevoegdheden indien:

    a. de andere overheidsinstantie de Consumentenautoriteit daaromtrent verzoekt; of

    b. de andere overheidsinstantie niet aan de verplichting uit artikel 4.5, tweede lid, kan voldoen.

Artikel 4.3

  • 1. Voor zover door een andere overheidsinstantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden begrippen worden uitgelegd, die worden gehanteerd in een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage van deze wet, dan wordt deze uitleg afgestemd met de Consumentenautoriteit. In de samenwerkingsprotocollen, bedoeld in artikel 5.1, worden hierover nadere afspraken gemaakt.

  • 2. Voor zover door een andere overheidsinstantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden begrippen worden uitgelegd, die worden gehanteerd in een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel b van de bijlage van deze wet, dan vindt deze uitleg plaats in overeenstemming met de Consumentenautoriteit. In de samenwerkingsprotocollen, bedoeld in artikel 5.1, worden hierover nadere afspraken gemaakt.

Artikel 4.4

Indien een andere overheidsinstantie toezichts- of handhavingsmaatregelen neemt ten aanzien van een gedraging, die eveneens een intracommunautaire inbreuk op kan leveren, stelt zij de Consumentenautoriteit als het verbindingsbureau hiervan op de hoogte.

Artikel 4.5

  • 1. Indien de Consumentenautoriteit een verzoek om wederzijdse bijstand als bedoeld in verordening 2006/2004 krijgt ten aanzien van een gedraging waarvan ook een andere overheidsinstantie bevoegd is, verwijst de Consumentenautoriteit het verzoek door naar de desbetreffende overheidsinstantie.

  • 2. Indien de Consumentenautoriteit een verzoek om wederzijdse bijstand aan een andere overheidsinstantie doorverwijst, is de andere overheidsinstantie verplicht om toezicht uit te oefenen of handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de betrokken gedraging, tenzij sprake is van een van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 15 van verordening 2006/2004. Alle gegevens omtrent genomen toezichts- en handhavingsmaatregelen worden aan de Consumentenautoriteit als het verbindingsbureau bekend gemaakt.

HOOFDSTUK 5. SAMENWERKINGSPROTOCOLLEN

Artikel 5.1

  • 1. Onze Minister kan afspraken maken met:

    a. Onze Minister van Financiën, voor wat betreft de Belastingdienst/FIOD-ECD;

    b. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, voor wat betreft de Inspectie Verkeer en Waterstaat;

    c. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voor wat betreft de Voedsel en Waren Autoriteit;

    d. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor wat betreft het Staatstoezicht op de Volksgezondheid;

    e. andere in aanmerking komende Ministers.

  • 2. Onze Minister kan afspraken maken met het bevoegde gezag van:

    a. de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

    b. de Nederlandse Mededingingsautoriteit;

    c. het Commissariaat voor de Media;

    d. de Nederlandse Zorgautoriteit;

    e. de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit;

    f. het College van Procureurs-Generaal;

    g. de Stichting Het Juridisch Loket;

    h. andere overheidsinstellingen.

  • 3. De afspraken bedoeld in het eerste lid en het tweede lid, onderdelen b tot en met h, worden vastgelegd in samenwerkingsprotocollen en hebben onder meer betrekking op:

    a. effectief en doelmatig toezicht op en optreden tegen inbreuken;

    b. consumentenvoorlichting;

    c. de gemeenschappelijke activiteiten en verslaglegging, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 21 van verordening 2006/2004.

  • 4. De afspraken bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol en hebben betrekking op:

    a. de uitleg van begrippen als bedoeld in artikel 4.3;

    b. de samenwerking tussen de Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Consumentenautoriteit in de uitoefening van haar taak als het verbindingsbureau.

  • 5. Onze Minister doet mededeling van de samenwerkingsprotocollen in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 6. CONSUMENTENORGANISATIES EN INSTANTIES MET EEN RECHTMATIG BELANG

Artikel 6.1

  • 1. Onze Minister kan afspraken maken met consumentenorganisaties. De afspraken kunnen onder meer betrekking hebben op het doorverwijzen van consumenten voor wat betreft informatievoorziening, de behandeling van klachten en geschillenbeslechting.

  • 2. Onze Minister kan afspraken maken met stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben de behandeling van klachten van consumenten en geschillenbeslechting. De afspraken kunnen onder meer betrekking hebben op de behandeling van klachten en geschillenbeslechting.

  • 3. Afspraken zoals bedoeld in het eerste en tweede lid worden vastgelegd in samenwerkingsprotocollen. Onze Minister doet mededeling van de samenwerkingsprotocollen in de Staatscourant.

Artikel 6.2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen instanties worden aangewezen die een rechtmatig belang hebben bij de beëindiging van of het verbieden van intracommunautaire inbreuken als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening 2006/2004.

Artikel 6.3

  • 1. De Consumentenautoriteit organiseert een maatschappelijk overleg met consumentenorganisaties en centrale ondernemersverenigingen.

  • 2. Doelstelling van het maatschappelijk overleg is:

    a. de taken van de Consumentenautoriteit ter uitvoering van deze wet zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij private initiatieven ter bescherming van de consument;

    b. Onze Minister, de bevoegde autoriteiten en andere overheidsinstanties te informeren over de effecten en de doeltreffendheid van de uitvoering van deze wet.

  • 3. De Consumentenautoriteit nodigt ten minste elk kwartaal consumentenorganisaties en centrale ondernemersverenigingen uit voor het maatschappelijk overleg. Ook kunnen stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben de behandeling van klachten van consumenten en geschillenbeslechting als bedoeld in artikel 6.1 en aangewezen instanties die een rechtmatig belang hebben bij de beëindiging van overtredingen als bedoeld in artikel 6.2 voor het maatschappelijk overleg worden uitgenodigd.

  • 4. Andere bevoegde autoriteiten en andere overheidsinstanties kunnen toehoorders aanwijzen voor het maatschappelijk overleg.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over deelname aan het maatschappelijk overleg en de werkwijze en verslaglegging van het maatschappelijk overleg en over de vergoeding van reis- en onkosten van deelnemers aan het maatschappelijk overleg.

HOOFDSTUK 7. RECHTSBESCHERMING

Artikel 7.1

Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet is, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuurswet, de rechtbank te Rotterdam uitsluitend bevoegd.

Artikel 7.2

Consumentenorganisaties worden aangemerkt als belanghebbenden bij besluiten krachtens deze wet.

HOOFDSTUK 8. CONSUMENTENBESCHERMING

Artikel 8.1

  • 1. De in dit hoofdstuk neergelegde bepalingen gelden uitsluitend indien de wederpartij een consument is.

  • 2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    a. consument: een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf;

    b. algemene voorwaarden: een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.

Artikel 8.2

  • 1. Degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, neemt artikel 15d, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

  • 2. Indien commerciële communicatie als bedoeld in artikel 15e, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, deel uitmaakt van een dienst van de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt, zorgt degene in wiens opdracht de commerciële communicatie geschiedt, dat artikel 15e, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in acht wordt genomen.

  • 3. De dienstverlener, bedoeld in het eerste lid, neemt de artikelen 227b, eerste en tweede lid, en 227c, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

  • 4. Indien een wederpartij langs de elektronische weg een verklaring als bedoeld in artikel 227c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek uitbrengt die door de in het eerste lid bedoelde dienstverlener mag worden opgevat hetzij als een aanvaarding van een door hem langs de elektronische weg gedaan aanbod, hetzij als een aanbod naar aanleiding van een door hem langs de elektronische weg gedane uitnodiging om in onderhandeling te treden, bevestigt de dienstverlener de ontvangst van deze verklaring zo spoedig mogelijk langs elektronische weg aan de wederpartij.

  • 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing, indien een overeenkomst uitsluitend door middel van de uitwisseling van elektronische post of een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand komt.

Artikel 8.3

Degene die algemene voorwaarden gebruikt in een overeenkomst met een consument, bindt die consument niet aan een beding als bedoeld in artikel 236 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 8.4

Bij een consumentenkoop als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de verkoper artikel 6a, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

Artikel 8.5

  • 1. De toezending van een niet bestelde zaak of het verrichten van een niet opgedragen dienst met het verzoek tot betaling van een prijs, bedoeld in artikel 7, tweede en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is niet toegestaan.

  • 2. De verkoper of dienstverlener neemt bij een koop op afstand als bedoeld in artikel 46a, onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 46c en 46h, eerste, tweede, vierde, vijfde en zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

  • 3. Een ieder die elektronische contactgegevens voor elektronische berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van een zaak mag deze gegevens slechts gebruiken voor het overbrengen van communicatie ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige zaken, indien daarbij artikel 46h, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht wordt genomen.

  • 4. Degene die ongevraagd communicatie overbrengt of mededelingen doet ter bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand, neemt artikel 46h, zesde en zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

  • 5. Op het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid, is artikel 46i van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.6

  • 1. Een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die een koop aangaat als bedoeld in artikel 48a, onder a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek:

    a. draagt er zorg voor dat de koop schriftelijk wordt aangegaan;

    b. draagt er zorg voor dat de koopakte voldoet aan de bij of krachtens 48b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gestelde eisen, en

    c. neemt artikel 48b, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

  • 2. Een verkoper als bedoeld in het eerste lid, neemt artikel 48f van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in acht.

Artikel 8.7

Een reisorganisator als bedoeld in artikel 500 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek neemt de bij of krachtens de artikelen 501 en 502 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek gestelde eisen in acht.

HOOFDSTUK 9. WIJZIGING IN ANDERE WETTEN

Artikel 9.1

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 305c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 305d

  • 1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage kan op verzoek van:

    a. de Consumentenautoriteit;

    b. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, of

    c. een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens haar statuten tot taak heeft het behartigen van de collectieve belangen van consumenten,

    bevelen dat degene die een inbreuk of intracommunautaire inbreuk als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet handhaving consumentenbescherming maakt op de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming, die inbreuk staakt.

  • 2. Het gerechtshof kan eveneens op verzoek degene die de inbreuk of intracommunautaire inbreuk maakt veroordelen tot het openbaar maken of openbaar laten maken van de beschikking, zulks op een door het gerechtshof te bepalen wijze en op kosten van de door het gerechtshof aan te geven partij of partijen.

  • 3. Artikel 305a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, indien een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens haar statuten tot taak heeft het behartigen van de collectieve belangen van consumenten, een verzoek indient als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Het gerechtshof behandelt het verzoek onverwijld.

  • 5. Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging van de in de leden 1 en 2 bedoelde veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot betaling van een dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij uitsluiting door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage beslist.

Artikel 9.2

Aan de bijlage, bedoeld in artikel 20 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 17 door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

18. De Wet handhaving consumentenbescherming

Artikel 9.3

De Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1 onder 3° vervalt in de zinsnede met betrekking tot de Prijzenwet: «2b».

2. In artikel 1 onder 4° komt te vervallen: «de Colportagewet, de artikelen 6, 7, 8 en 24, tweede lid;».

Artikel 9.4

In artikel 12, tweede lid, van de Prijzenwet wordt: «in strijd met het bij of krachtens de artikelen 2b, 6b of – indien uitdrukkelijk aangeduid als strafbaar feit – 11 bepaalde» vervangen door: in strijd met het bij of krachtens artikel 11 bepaalde, indien uitdrukkelijk aangeduid als strafbaar feit.

Artikel 9.5

In artikel 7, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 wordt «voor de toepassing van deze wet, de Mededingingswet en de Gaswet,» vervangen door: «voor de toepassing van deze wet, de Mededingingswet en de Gaswet en voor de toepassing van artikelen 4.4 en 4.5 van de Wet handhaving consumentenbescherming».

Artikel 9.6

De Wet financiële dienstverlening wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het onderdeel ee wordt verletterd ff.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

ee. verordening 2006/2004: verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PbEU L 364);

B

Artikel 94 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De toezichthouder kan voorts, in afwijking van artikel 84, eerste lid, gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een intracommunautaire inbreuk als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet handhaving consumentenbescherming verstrekken aan een verbindingsbureau of bevoegde autoriteit als bedoeld in verordening 2006/2004, indien deze verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 7, eerste lid, van verordening 2006/2004 nodig is. Het eerste lid, onderdeel a en onderdelen c tot en met f, is van overeenkomstige toepassing.

2. In het nieuwe vierde lid wordt na «tweede lid» ingevoegd: of artikel 6, eerste lid, van verordening 2006/2004.

Artikel 9.7

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 juli 2005 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake marktordening, doelmatigheid en beheerste kostenontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg (Wet marktordening gezondheidszorg), Kamerstukken II, nr. 30 186, tot wet wordt verheven, wordt in artikel 64, tweede lid, van die wet, na het «College bescherming persoonsgegevens» ingevoegd: , de Consumentenautoriteit.

Artikel 9.8

In artikel 35 van de Gaswet wordt na «toepassing van de Mededingingswet» ingevoegd: , de artikelen 4.4 en 4.5 van de Wet handhaving consumentenbescherming.

Artikel 9.9

Zolang het bij koninklijke boodschap van 8 december 2003 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet, Kamerstukken II, nr. 29 359, nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden, zijn de krachtens artikel 22 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid belast met het toezicht, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1

Onze Minister brengt jaarlijks vóór 1 juni verslag uit over de werkzaamheden van de Consumentenautoriteit in het afgelopen jaar en brengt dit verslag ter kennis van de beide Kamers van de Staten-Generaal.

Artikel 10.2

  • 1. Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de wet en vervolgens na iedere vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van:

    a. het functioneren van de Consumentenautoriteit;

    b. de samenwerking en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten en andere overheidsinstanties, voor zover deze betrekking hebben op de handhaving van de wettelijke bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij deze wet.

  • 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, omvat mede een rapportage betreffende de bestuurlijke vormgeving van de Consumentenautoriteit.

Artikel 10.3

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 18 van verordening 2006/2004.

  • 2. Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden worden verleend aan een krachtens deze wet aangewezen bevoegde autoriteit.

Artikel 10.4

Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2004 ingediende voorstel van wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) (Kamerstukken II 2003/04, 29 702) tot wet wordt verheven en artikel I, onderdelen F tot en met I, van die wet in werking is getreden, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid van artikel 2.7 alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen;

b. Artikel 2.8 vervalt;

c. In artikel 2.10, eerste lid, wordt «zijn de artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing» vervangen door: zijn de artikelen 5:32, tweede lid, tot en met 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, zijn de artikelen 5.4.2.1 tot en met 5.4.2.4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing en is artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing;

d. De artikelen 2.11 tot en met 2.14 en 2.16 tot en met 2.22 vervallen;

e. Artikel 3.4, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Met betrekking tot de toepassing van het eerste lid:

    a. zijn de artikelen 2.10, 2.23 en 2.24 van overeenkomstige toepassing;

    b. is artikel 74 van de Wet financiële dienstverlening alsmede de bij die wet behorende bijlage van overeenkomstige toepassing.

f. Artikel 3.4, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. De artikelen 2.10, 2.15, 2.23, 2.24 en 4.3, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

g. de artikelen 3.6, derde lid, 3.8, derde lid, en 3.12, derde lid, komen telkens te luiden:

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.10, 2.23 en 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

h. artikel 3.10, derde lid, komt te luiden:

  • 3. De artikelen 2.4, tweede lid, 2.10, 2.15, 2.23 en 2.24 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10.5

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 10.6

Deze wet wordt aangehaald als: Wet handhaving consumentenbescherming.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 20 november 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

C. E. G. van Gennip

Uitgegeven de vijfde december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage bij de wet

Onderdeel a

Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PbEG L 250); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 290)

artikelen 194 tot en met artikel 196 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek

Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PbEG L 158)

het bepaalde bij of krachtens de artikelen 500 en 503 tot en met 513 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L 353)

artikelen 231 tot en met 235 en 237 tot en met 247 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de overtreder een beding als bedoeld in artikel 236 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek gebruikt

Richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (PbEG L 280)

het bepaalde bij of krachtens de artikelen 48a, 48c, 48d, 48e en 48g van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271).

artikelen 46a, 46b, 46d tot en met 46g, 46i, uitgezonderd de tweede volzin van het eerste lid, en 46j van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PbEG L 171)

artikelen 5, 6 en 6a, eerste, vierde en vijfde lid, artikelen 17 tot en met 19, artikelen 21 tot en met 23 en artikel 25 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG L 178)

artikelen 15a tot en met 15c en 15f van boek 3, artikel 196c en artikelen 227a, 227b, vierde, vijfde en zesde lid, en 227c, derde, vijfde en zesde lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek

Onderdeel b

Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PbEG L 372)

het bepaalde bij of krachtens de Colportagewet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PbEG L 80)

het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2b en 3, voor zover samenhangend met artikel 2b, van de Prijzenwet

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG L 178)

Artikel 8.2 van deze wet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L 353)

Artikel 8.3 van deze wet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PbEG L 171)

Artikel 8.4 van deze wet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271).

Artikel 8.5 van deze wet en artikelen 11.7 en 11.8 van de Telecommunicatiewet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (PbEG L 280)

Artikel 8.6 van deze wet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PbEG L 158)

Artikel 8.7 van deze wet, voor zover niet betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Onderdeel c

Sub c.1

Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PbEG L 42); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1998, L 101).

het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10, 31, 35 en 100 van de Wet financiële dienstverlening

Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten (PbEU L 271)

het bepaalde bij of krachtens de artikelen 31, 35, 40, 41 en 100 van de Wet financiële dienstverlening

Sub c.2

Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG L 178)

Artikel 8.2 van deze wet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG L 95); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2002/995/EG van de Commissie (PbEG L 353)

Artikel 8.3 van deze wet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PbEG L 171)

Artikel 8.4 van deze wet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PbEG L 144); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/65/EG (PbEG L 271).

Artikel 8.5 van deze wet en artikelen 11.7 en 11.8 van de Telecommunicatiewet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 26 oktober 1994 betreffende de bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (PbEG L 280)

Artikel 8.6 van deze wet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (PbEG L 158)

Artikel 8.7 van deze wet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Onderdeel d

Richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PbEG L 372)

het bepaalde bij of krachtens de Colportagewet, voor zover betrekking hebbend op een financiële dienst of activiteit

Onderdeel e

Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik: artikelen 86 tot 100 (PbEG L 311); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/27/EG (PbEU 2004, L 136).

Artikel 14, eerste en tweede lid, en 17, derde lid van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202)

artikelen 5 en 10a van het Reclamebesluit geneesmiddelen (totdat de Geneesmiddelenwet in werking treedt)

artikelen 82 en 93 van de Geneesmiddelenwet

Onderdeel f

Artikelen 10, 11, 17, eerste, tweede en vierde lid, 18 tot en met 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202)

het bepaalde bij of krachtens de volgende artikelen van de Mediawet: 13c, tweede lid, onderdeel c, 41a, 48, 50, achtste lid, 52, 52a, derde lid, 52b, eerste tot en met derde lid, 52c, 56a, vijfde lid, 64b, 64c, eerste en tweede lid, 71e, eerste lid, 71f tot en met 71k, eerste tot en met zesde lid, en 71m

Artikelen 12, 15 en 16 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L 298); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202)

De artikelen in de Nederlandse Reclame Code en de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken van de Stichting Reclame Code die dienen ter implementatie van de artikelen 12, 15 en 16 van Richtlijn 89/552/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, en waarop de artikelen 43b, tweede lid, 61a en 71r van de Mediawet, alsmede artikel 169 van de Mediawet van toepassing zijn.

Onderdeel g

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (PbEU L 46)

 
Onderdeel h

Artikelen 13 en 17, tweede lid van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PbEG L298 ); Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEG 1997, L 202)

artikelen 4 en 5 van de Tabakswet


XHistnoot

Kamerstuk 30 411