Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2006, 585AMvB

Besluit van 23 november 2006 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L 16 en 2006, L 169)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 10 januari 2006, nr. 5393437/05/6;

Gelet op de artikelen 14, tweede lid, 16, tweede lid, 18, tweede lid, 21, tweede lid, 21a, derde lid, 22, derde lid, artikel 24, eerste lid, onder a, en 112 van de Vreemdelingenwet 2000;

De Raad van State gehoord (adviezen van 9 februari 2006, nrs. W03.05.0595/I en W03.05.0596/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 15 mei 2006, nr.5414583/06/6 en het nader rapport van 22 november 2006, nr. 5454480/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 2.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.1a

De toegang wordt niet geweigerd, indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet en die na verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap uit die staat naar Nederland terugkeert.

B

Artikel 3.3, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel d wordt geletterd e.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. voor de houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dan wel voor de echtgenoot of het minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was gevormd in die staat: drie maanden;.

C

Aan artikel 3.4, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt in onderdeel z door een punt komma een onderdeel toegevoegd, luidende:

aa. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene.

D

Na artikel 3.23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.23a

  • 1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of langdurig ingezetene, indien dat kind, die echtgenoot of partner:

    a. in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene;

    b. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

    c. al dan niet tezamen met de langdurig ingezetene duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a;

    d. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78; en

    e. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

  • 2. De verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, aan het ongehuwde meerderjarige kind van de langdurig ingezetene, de echtgenoot of partner, bedoeld in het eerste lid, indien de achterlating van dat kind naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. De onderdelen a tot en met e van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de verblijfsvergunning niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.

E

Na artikel 3.29 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.29a

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:

a. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

b. duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a;

c. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78; en

d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

F

Aan artikel 3.30 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De verblijfsvergunning kan aan een langdurig ingezetene worden verleend in afwijking van het eerste lid, onder a.

G

Aan artikel 3.31 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in het tweede lid, onder a of d.

H

Aan artikel 3.41 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene die in Nederland hoger of beroepsonderwijs als bedoeld in het eerste lid, onder a, wil volgen wordt niet afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en evenmin op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c.

I

Aan artikel 3.67 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van artikel 3.57 wordt de verblijfsvergunning aan de echtgenoot van een langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en het minderjarige kind van die echtgenoot of die langdurig ingezetene, verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van die langdurig ingezetene.

J

In artikel 3.77 worden, onder vernummering van het vierde lid tot zevende lid, drie leden ingevoegd, luidende:

  • 4. In geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst.

  • 5. In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat.

  • 6. Bij de toepassing van het vijfde lid houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.

K

Aan artikel 3.79, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt door een komma toegevoegd: langdurig ingezetene is dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegelaten.

L

In artikel 3.86 worden, onder vernummering van het negende lid tot twaalfde lid, drie leden ingevoegd, luidende:

  • 9. In geval de verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid, is verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming houdt Onze Minister bij de toepassing van de voorgaande leden ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst.

  • 10. In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat.

  • 11. Bij de toepassing van het tiende lid houdt Onze Minister rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.

M

Afdeling 3 van Hoofdstuk 3 komt te luiden:

AFDELING 3 DE VERBLIJFSVERGUNNING VOOR ONBEPAALDE TIJD

Paragraaf 1 Toekenning Europese status van langdurig ingezetene
Artikel 3.92
  • 1. De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt niet op grond van 21, eerste lid, onder a, van de Wet afgewezen, om reden dat het rechtmatige verblijf, bedoeld in artikel 8 onder a, b, dan wel l, van de Wet niet vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien:

    a. de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die:

    1°. tussen het vierde en het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en wiens aanvraag is ontvangen voor het drieëntwintigste levensjaar, of

    2°. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is;

    b. de vreemdeling niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.

  • 2. De aanvraag, ingediend door vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht, wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, indien de duur van het niet-tijdelijke verblijfsrecht en de helft van het verblijf op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met studie, waaronder begrepen beroepsopleiding, tezamen ten minste vijf jaar bedraagt.

  • 3. De aanvraag wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a of c, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling:

    a. buiten Nederland heeft verbleven in verband met beroepsmatige detachering in een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

    b. als langdurig ingezetene houder is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet en deze vergunning heeft verloren wegens:

    1°. verblijf voor studie of beroepsopleiding in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zonder in die staat de status van langdurig ingezetene te hebben verkregen, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de verblijfstitel in die staat,

    2°. verblijf buiten het grondgebied van de Gemeenschap gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies, of

    3°. verkrijging van de status van langdurig ingezetene in een andere staat als bedoeld onder 1°, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies.

  • 4. Voor de toepassing van artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet, zijn de artikelen 3.73 tot en met 3.76 van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Behoudens gevallen als bedoeld in artikel 3.87, kan de aanvraag slechts op grond van artikel 21, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid. Artikel 3.86, derde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Bij de toepassing van het vijfde lid houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling uitgaat en het bestaan van banden met Nederland.

  • 7. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar buiten beschouwing gelaten het gedeelte van het verblijf buiten Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland zes maanden te boven gaat.

Paragraaf 2 Verlening op nationale voorwaarden
Artikel 3.93
  • 1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet wordt niet op grond van 21, eerste lid, onder a, van de Wet afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven:

    a. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is verloren;

    b. op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als:

    1°. geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post,

    2°. geaccrediteerd lid van het hoogste kader, het hoofd inbegrepen, van een internationale organisatie, van het geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel van een internationale organisatie, of

    c. als afhankelijk gezinslid van een vreemdeling als bedoeld onder a of b.

  • 2. De aanvraag wordt niet op grond van 21, eerste lid, onder b, afgewezen, indien de vreemdeling op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft en in de periode van vijf aaneengesloten jaren direct voorafgaande aan dat tijdstip rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet had.

  • 3. De aanvraag wordt niet op grond van 21, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling:

    a. als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder a, of

    b. die duurzaam beschikt over een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 4. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet afgewezen op de in artikel 21, eerste lid, onder h, van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken.

  • 5. In afwijking van artikel 3.92, vierde lid, zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid duurzaam indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.

  • 6. Bij de berekening van de in het eerste lid bedoelde periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, onder 2°, alsmede zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld in onderdeel c, mede in aanmerking genomen perioden waarin die vreemdeling respectievelijk dat afhankelijke gezinslid rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet heeft gehad.

Artikel 3.94

De artikelen 3.92, eerste en zesde lid, en 3.93, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet en die direct voorafgaande aan de remigratie:

a. als Nederlander in Nederland verbleef;

b. rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet in Nederland had; of

c. gedurende vijf jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de Wet in Nederland had.

Paragraaf 3 Intrekking en wijziging
Artikel 3.95
  • 1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet met toepassing van artikel 22, eerste lid, onder a, van de Wet ingetrokken, indien de vreemdeling:

    a. niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;

    b. aantoont dat hij langer dan zes jaar voor studie verblijft in een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; of

    c. aantoont dat hij, in geval van verblijf gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of meer buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gedurende die periode op het grondgebied heeft verbleven van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel de Zwitserse Bondsstaat, tenzij hij langer dan zes jaar afwezig is geweest van het Nederlands grondgebied.

  • 2. Indien de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, op frauduleuze wijze is verkregen, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond, tenzij sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken, in welk geval de verblijfsvergunning wordt gewijzigd, indien daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene» was gesteld.

  • 3. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan slechts op grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan een of meer van de toepasselijke normen, bedoeld in artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid. Artikel 3.86, derde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Onze Minister houdt bij de toepassing van het derde lid mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling of dat gezinslid uitgaat.

  • 5. Bij de toepassing van het derde lid houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.

  • 6. Indien de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, overeenkomstig het derde lid niet leidt tot verwijdering, wordt de verblijfsvergunning gewijzigd, in geval daarop de aantekening «EG-langdurig inzetene» was gesteld, door die aantekening te vervangen door de aantekening «II».

N

Na artikel 3.103 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.103a

  • 1. Indien Onze Minister een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet verleent aan of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ter uitvoering van artikel 8 van de Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te trekken of niet te verlengen.

  • 3. Indien Onze Minister overweegt een vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat, bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige informatie met betrekking tot de uitzetting.

  • 4. Onze Minister vormt het contactpunt dat door een staat als bedoeld in het eerste lid kan worden geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden.

O

Aan artikel 3.104 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt de aanvrager meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens de Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16).

P

In artikel 4.44 wordt «het rechtmatige verblijf» vervangen door: het rechtmatig verblijf.

Q

Artikel 5.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wet en houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap anders dan om redenen van veiligheid.

R

In artikel 8.12, zevende lid, eerste volzin, wordt «de wettelijke vertegenwoordiger» vervangen door: de wettelijk vertegenwoordiger.

S

Artikel 8.13 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het derde lid, aanhef, komt te luiden:

  • 3. Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling over:.

2. In het zevende lid, eerste volzin, wordt «de wettelijke vertegenwoordiger» vervangen door: de wettelijk vertegenwoordiger.

T

In de artikelen 8.14 tot en met 8.16 en 8.21 tot en met 8.24 wordt: «het rechtmatige verblijf» telkens vervangen door: het rechtmatig verblijf.

ARTIKEL II

In artikel III van het besluit van 24 april 2006 (Stb. 215), houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU L158 en L 229) wordt «als bedoeld in 8.20» vervangen door: als bedoeld in artikel 8.20.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 mei 2006 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L16) (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 567) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 23 november 2006

Beatrix

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Uitgegeven de dertigste november 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De richtlijn noodzaakt tot aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in verband waarmee bij koninklijke boodschap van 19 mei 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30567, nr. 1) een wetsvoorstel aanhangig is gemaakt, houdende wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU L16). De implementatie van de richtlijn, zoals die op hoofdlijnen in de wet is uitgezet, noopt voorts tot bijstelling van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het onderhavige besluit strekt daartoe.

De implementatie van de richtlijn

De richtlijn geeft materiële en procedurele normen voor de toekenning en intrekking van een Europese verblijfstitel voor langdurig ingezetenen, de daarbijbehorende rechten en de voorwaarden waaronder langdurig ingezetenen in andere lidstaten van de Europese Unie mogen verblijven. Zij is niet van toepassing op verdragsvluchtelingen en subsidiair en categoriaal beschermden, die in het Nederlandse systeem houder zijn van de uniforme verblijfsvergunning asiel; hun rechtspositie zal worden geregeld in een afzonderlijke Europese richtlijn. Kenmerkend voor de nieuwe status voor langdurig verblijvende onderdanen van derde landen is onder meer het bijbehorende recht van deze vreemdelingen en hun gezinsleden om zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in andere EU-lidstaten te vestigen. Harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene is daarvoor vereist om het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten bij het aanvaarden van het verblijf van de langdurig ingezetene uit de andere lidstaten te bevorderen. In artikel 21 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn op hoofdlijnen de voorwaarden voor de verkrijging van de (Europese) status van langdurig ingezetene opgenomen. Deze zijn op grond van het tweede lid van dat artikel nader uitgewerkt in het onderhavige besluit (zie artikel 3.92). Indien aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt op het verblijfsdocument de aantekening «EG-langdurig ingezetene» geplaatst (artikel 21, derde lid, Vw 2000). Daarmee wordt de status van langdurig ingezetene, zowel voor de Nederlandse immigratieautoriteiten als ook die van de andere lidstaten, duidelijk kenbaar.

Sommige lidstaten, waaronder Nederland, hanteren gunstiger voorwaarden voor de afgifte van permanente verblijfstitels of verblijftitels met een onbeperkte geldigheidsduur dan de normen van de richtlijn voorschrijven. Indien die gunstiger voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in zijn geheel zouden worden vervangen door de nieuwe (minder gunstige) voorwaarden voor de verlening van de Europese status van langdurig ingezetene, zou dat een aanzienlijke achteruitgang in de rechtspositie van een groot aantal langdurig in Nederland verblijvende vreemdelingen meebrengen. Daar is niet voor gekozen. Een dergelijke keuze zou bijvoorbeeld meebrengen dat de vreemdeling die al enkele jaren op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een tijdelijk verblijfsdoel in Nederland heeft verbleven en dat verblijf na wijziging van die verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel in Nederland mag voortzetten, nog vijf jaar zou moeten wachten voordat hij in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Een dergelijke keuze is niet goed te verenigen met het doel van de Europese samenwerking om de positie van langdurig verblijvende derdelanders en hun integratie in de lidstaten juist te bevorderen. Tijdens de buitengewone bijeenkomst in Tampere van 15 en 16 oktober 1999 is door de Europese Raad verklaard dat de juridische status van onderdanen van derde landen juist meer en niet minder in overeenstemming moet worden gebracht met die van de onderdanen van de lidstaten. Een dergelijke keuze is ook niet noodzakelijk of bevorderlijk voor de integratie van langdurig legaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. Dat is wel het geval waar het gaat om het stellen van een inburgeringsvereiste als voorwaarde voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Een mede daartoe strekkend wetsvoorstel ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord is aanhangig gemaakt bij koninklijke boodschap van 21 september 2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 308, nr. 1) en zal ook leiden tot nadere aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Met het oog op het voorgaande wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 13 van de richtlijn biedt. Artikel 13 laat de lidstaten de bevoegdheid om de permanente status onder gunstiger voorwaarden af te geven, met dien verstande dat in dat geval geen verblijfsrecht in andere lidstaten op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn ontstaat. Artikel 13 biedt derhalve de mogelijkheid om de vreemdeling, die wél voldoet aan de huidige voorwaarden voor verlening van de Nederlandse verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, maar niet aan de hogere normen voor verlening van de nieuwe Europese status van langdurig ingezetene, toch in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Om in deze gevallen voldoende kenbaar te maken dat er geen recht is ontstaan om zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in andere lidstaten te vestigen, wordt op het verblijfsdocument de ook voorheen gangbare aanduiding «II» geplaatst. In artikel 21a van de Vreemdelingenwet 2000 is een aantal gevallen opgenomen waarin de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met toepassing van artikel 13 van de richtlijn kan worden verleend. Die waren ook voorheen op het niveau van de wet geregeld. Op grond van het tweede lid van artikel 21a van de Vreemdelingenwet 2000 zijn in het onderhavige besluit voorts enkele andere gevallen opgenomen (artikel 3.93) die voorheen in het Vreemdelingenbesluit 2000 waren opgenomen.

Het systeem werkt als volgt. De nieuwe status van langdurig ingezetene wordt, evenals de Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, op aanvraag verleend. De aanvraag strekt tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Het model van de aanvraag wordt daartoe aangepast (bijlage bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000).

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie beoordeelt die aanvraag aan de hand van de (hogere) Europese vereisten voor verlening van de status van langdurig ingezetene en – indien daaraan niet wordt voldaan – aan de (bestaande) Nederlandse vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Indien de vreemdeling voldoet aan de Europese vereisten, wordt dat tot uitdrukking gebracht in de aantekening «EG-langdurig ingezetene» op het verblijfsdocument. Indien de vreemdeling niet voldoet aan de Europese vereisten, maar wèl aan de bestaande voorwaarden voor de Nederlandse verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, wordt op het verblijfsdocument – zoals dat ook thans het geval is – de aantekening «II» geplaatst. In dat geval wordt in de beschikking op de aanvraag aangegeven aan welke Europese voorwaarde(n) niet wordt voldaan en daarmee waarom niet de aantekening «EG-langdurig ingezetene» op het document is geplaatst.

Anders dan voorheen, kan voortaan ook de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden gewijzigd. Voorheen was dat slechts mogelijk ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Indien de houder van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening «II» op het verblijfsdocument op enig later tijdstip meent te voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene, kan deze een aanvraag indienen om de reeds verleende vergunning voor onbepaalde tijd te wijzigen. Die aanvraag wordt getoetst aan de hogere Europese vereisten. Indien daaraan wordt voldaan, wordt de aantekening «II» op het verblijfsdocument vervangen door de aantekening «EG-langdurig ingezetene». De mogelijkheid om een verblijfsvergunning te wijzigen is reeds bekend in het reguliere vreemdelingenrecht, zij het dat die mogelijkheid thans nog beperkt is tot de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het hierboven bedoelde model van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zal ook hiertoe worden aangepast (bijlage bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000).

Verder zijn zowel op grond van artikel 22, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 als artikel 3.95 van dit besluit de bepalingen omtrent de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aangepast. Voorts zijn diverse kleinere aanpassingen aangebracht.

Beperkingen van het verblijfsrecht op grond van de openbare orde en veiligheid

De langdurig ingezetene, die gebruik maakt of heeft gemaakt van het recht van verblijf in andere lidstaten, kan, totdat ook de tweede lidstaat hem de status van langdurig ingezetene toekent, van het grondgebied van de tweede lidstaat worden verwijderd. Hem kan immers een verblijfsvergunning worden geweigerd, indien hij een bedreiging voor de openbare orde of openbare veiligheid vormt (artikel 17 van de richtlijn). Zodra hem ook door de tweede lidstaat de status van langdurig ingezetene is toegekend, geniet hij in de tweede lidstaat de bescherming van artikel 12 van de richtlijn. Verwijdering is ingevolge bedoeld artikel 12 nog slechts mogelijk indien de langdurig ingezetene een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of openbare veiligheid vormt. Daarmee verkrijgt de langdurig ingezetene indachtig overweging 2 van de considerans van de richtlijn ook in de tweede lidstaat een bescherming die zo dicht mogelijk aanligt tegen, maar niet gelijk is aan, de bescherming die burgers van de Unie, die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer en verblijf in andere lidstaten, genieten. Voor burgers van de Unie geldt immers als extra vereiste dat door de bedreiging, die zij door hun persoonlijk gedrag vormen, een fundamenteel belang van de samenleving wordt aangetast, gelet op artikel 27, tweede lid, van de richtlijn 2004/38/EG (en waaraan artikel 8.22, eerste lid, Vb 2000 uitvoering geeft). In geval van een langdurig ingezetene die al dan niet zijn recht op verblijf in een andere lidstaat uitoefent, geldt dat niet, gelet op overweging 8 van de considerans in samenhang met de artikelen 9, 12 en 17 van de richtlijn. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat de Europese Commissie in het oorspronkelijke voorstel tot vaststelling van de richtlijn 2003/109/EG weliswaar heeft voorgesteld om op langdurig ingezetenen en hun familieleden het openbare orde criterium van richtlijn 64/221/EEG en de daarop gebaseerde jurisprudentie toe te passen in geval van voorgenomen weigering van verblijf, verblijfsbeëindiging of verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, maar de Raad van de Europese Unie is daarin niet meegegaan. Voorts heeft de Europese Commissie medegedeeld naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september 2001 een studie te hebben verricht teneinde na te gaan of de bepalingen over de openbare orde een afdoend beschermingsniveau zouden bieden en is de Commissie op haar voorstel teruggekomen1. Derhalve zijn niet alle elementen en principes van richtlijn 64/221/EEG en daarop gebaseerde jurisprudentie in de richtlijn overgenomen. Bij de redactie van zowel artikel 6 als 17 van de richtlijn is vervolgens aangesloten bij artikel 6 van de richtlijn gezinshereniging (2003/86/EG).

Het beschermingsniveau van artikel 12 van de richtlijn ligt derhalve lager dan dat van de nu vervallen richtlijn 64/221/EEG (en van artikel 27, tweede lid, van de richtlijn 2004/38/EG), omdat het niet alle elementen en principes daarvan bevat, en de richtlijn 2003/109/EG van toepassing is op een andere doelgroep.

Tot het moment waarop Nederland de status van langdurig ingezetene toekent, althans een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleent, geldt een niveau van bescherming tegen verwijdering dat op zijn beurt lager is dan het niveau van artikel 12 van de richtlijn. Zo zijn de lidstaten bevoegd om redenen, die verband houden met de openbare orde of de openbare veiligheid, zoals bepaald in artikel 17, te beslissen de verblijfsvergunning niet te verlengen of deze in te trekken en de betrokkene en de leden van zijn gezin verplichten, overeenkomstig de procedures van de nationale wetgeving, verwijderingprocedures daaronder begrepen, het grondgebied te verlaten (artikel 22, eerste lid, onder a, van de richtlijn). Daarom kunnen de artikelen 3.77 en 3.78, alsmede 3.86 en 3.87, op hoofdlijnen gehandhaafd blijven. Weliswaar laat, gelet op de ruime formulering van artikel 17, de richtlijn aan de tweede lidstaat voldoende ruimte om het nationale openbare ordebeleid toe te passen, maar, omdat het niettemin gaat om een langdurig ingezetene, is, in geval van verblijfsbeëindiging door de tweede lidstaat, in de regel niet verwijdering naar het land van herkomst aan de orde, maar verwijdering naar de lidstaat die (eerder) de status van langdurig ingezetene heeft toegekend. De langdurig ingezetene bezit immers de nog geldige EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, afgegeven door de eerste lidstaat, en die heeft immers de verplichting om de langdurig ingezetene onmiddellijk en zonder formaliteiten terug te nemen (artikel 22, tweede lid, van de richtlijn).

In geval sprake is van ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid kan de tweede lidstaat besluiten tot verwijdering van de onderdaan van het derde land van het grondgebied van de Unie, overeenkomstig en met toepassing van de waarborgen van artikel 12 (artikel 22, derde lid, eerste alinea, van de richtlijn). In dat geval is vereist dat de betrokkene een actuele en (voldoende) ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt en is de tweede lidstaat verplicht om contact op te nemen met de eerste lidstaat (artikel 22, derde lid, derde alinea, van de richtlijn). Daarmee wordt recht gedaan aan het feit dat het gaat om een langdurig ingezetene, ook al heeft die niet ook in Nederland die status verkregen. Het gevolg is dat, indien verblijfsbeëindiging uitsluitend plaatsvindt op grond van het nationale, Nederlandse recht inzake de openbare orde of veiligheid op basis van artikel 18, eerste lid onder e, in samenhang met artikel 19 Vw 2000, uitzetting van de langdurig ingezetene naar de eerste lidstaat plaats moet vinden, of naar een derde lidstaat die bereid is de langdurig ingezetene verblijf toe te staan, en dat verwijdering van het grondgebied van de Unie slechts mogelijk is indien sprake is van een actuele bedreiging in de zin van artikel 12 van de richtlijn en artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet.

Beperking van de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezetenen

Voor de totstandkoming van de richtlijn hadden onderdanen van derde landen, die tot enige EU-lidstaat waren toegelaten, niet zonder meer het recht zich naar een andere lidstaat te begeven; elke lidstaat bepaalde zelfstandig in hoeverre deze bereid was derdelanders toe te laten – dus ook derdelanders die al tot een andere EU-lidstaat waren toegelaten. De richtlijn brengt hierin in zoverre verandering, dat nu in beginsel aan onderdanen van derde landen die langdurig ingezetene zijn van enige EU-lidstaat het recht wordt verleend om zich naar een andere EU-staat te begeven en zich daar te vestigen (artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn). Dit recht is evenwel niet onbeperkt. Krachtens artikel 14, derde lid, van de richtlijn mag de ontvangende lidstaat zijn wettelijke regelingen handhaven met betrekking tot de vacaturevervulling en de toegang tot de arbeidsmarkt, en mag om redenen van arbeidsmarktbeleid bij de vacaturevervulling de voorkeur worden gegeven aan EU-onderdanen en reeds eerder tot het land toegelaten onderdanen van derde landen. Voorts mogen krachtens artikel 14, vierde lid, van de richtlijn EU-lidstaten die op het tijdstip van vaststelling een quoteringsregeling hanteerden met betrekking tot de toelating van derdelanders, deze regeling handhaven.

De toegang van vreemdelingen tot de arbeidsmarkt is in Nederland geregeld in de Wet arbeid vreemdelingen. Krachtens artikel 2 van die wet behoeft de werkgever die een onderdaan van een derde land in Nederland arbeid wil laten verrichten een tewerkstellingsvergunning, welke vergunning, krachtens artikel 8 van de wet, niet wordt verleend indien voor de betrokken arbeidsplaats prioriteitgenietend arbeidsaanbod beschikbaar is van de kant van de eigen onderdanen, onderdanen van andere EU-lidstaten waarvoor het vrij werknemersverkeer geldt, en reeds eerder tot het land toegelaten derdelanders waarvoor geen beperkingen met betrekking tot de toelating tot de arbeidsmarkt meer gelden.

Er is geen aanleiding gezien om deze regeling aan te passen in verband met de totstandkoming en implementatie van de richtlijn. Dit betekent dat ook derdelanders die in een andere EU-lidstaat de status van langdurig ingezetene hebben verworven zich slechts op de Nederlandse arbeidsmarkt zullen kunnen begeven binnen het regiem van de Wet arbeid vreemdelingen. Hierdoor wordt bevorderd dat de in Nederland aanwezige werkgelegenheid primair ten goede komt aan Nederlanders, andere EU-onderdanen en niet-Nederlanders die zich reeds in Nederland hebben gevestigd. Bovendien is er een link met de uitbreiding van de Europese Unie. Jegens de Oost-Europese staten worden voorlopig nog beperkingen gehandhaafd ten aanzien van het vrij werknemersverkeer vanuit die staten naar Nederland. Dit is overeenkomstig de mogelijkheden die de met die staten gesloten Toetredingsverdragen bieden, doch die verdragen houden eveneens in dat de arbeidsmarktbeperkingen jegens de onderdanen van de betrokken EU-lidstaten niet restrictiever mogen zijn dan de beperkingen die jegens derdelanders worden aangelegd. Een en ander impliceert dat het verruimen van de toegang tot de arbeidsmarkt voor derdelanders die in enige EU-lidstaat de status van langdurig ingezetene hebben verkregen niet aan de orde kan komen, zolang een overeenkomstige verruiming niet heeft plaatsgevonden jegens de onderdanen van de Oost-Europese EU-lidstaten in de overgangsperiode. Wel zal, krachtens artikel 21, tweede lid, van de richtlijn juncto artikel 3, eerste lid onder a, van de Wet arbeid vreemdelingen, de tewerkstellingsvergunningsplicht voor uit andere EU-lidstaten afkomstige langdurig verblijvende derdelanders slechts gelden gedurende het eerste jaar na de toelating tot Nederland; een overeenkomstige regeling geldt, krachtens de Toetredingsverdragen, met de Oost-Europese EU-lidstaten.

Bestuurslasten

Een zekere stijging van de bestuurslasten is inherent aan de keuze om de bestaande rechtspositie van de groep langdurig in Nederland verblijvende vreemdelingen die wel in aanmerking komen voor de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd maar niet voor de (Europese) status van langdurig ingezetene niet onnodig aan te tasten. Bij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vindt in die gevallen voortaan immers een aanvullende, zij het betrekkelijk eenvoudige, toetsing plaats.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met aanvragen tot het wijzigen van de (Nederlandse) verblijfsvergunning in de Europese status van langdurig ingezetene. Het aantal wijzigingsaanvragen zal afhangen van onder meer het aantal houders van een (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (aantekening «II») die zich vanuit Nederland in een andere lidstaat wensen te vestigen en het percentage daarvan dat niet het alternatief van naturalisatie tot Nederlander verkiest. Tevens moet rekening worden gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures in zaken waarin wél aan de bestaande (Nederlandse) vereisten voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt voldaan, maar niet aan de (hogere) Europese vereisten voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene. Thans wordt in deze gevallen een geheel inwilligende beslissing genomen, maar voortaan zal die beslissing tevens een gedeeltelijke afwijzing behelzen, namelijk van de status van langdurig ingezetene. Het percentage van deze gevallen waarin rechtsmiddelen worden aangewend zal onder meer afhankelijk zijn van de wens en mogelijkheden om zich in een andere lidstaten te vestigen dan wel het Nederlanderschap te verkrijgen.

De bestuurslasten zijn in kaart gebracht door middel van een Ex Ante Uitvoeringstoets (EAUT), in februari 2005 verricht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

De extra bestuurslasten, behorende bij een instroom van 1000 van de zogenoemde circulanten (houders van de Europese status langdurig ingezetene uit andere lidstaten die in Nederland een aanvraag doen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, inclusief hun gezinsleden) zijn dat kader begroot op € 862.661. Deze cijfers waren gebaseerd op de veronderstelling dat ten aanzien van deze categorie het mvv-vereiste zou gelden. Dat wordt echter niet voorgesteld. Indien het mvv-vereiste niet wordt gesteld, kan worden uitgegaan van € 558.880 per jaar.

De additionele kosten (direct en indirect) van de uitgebreide toets met betrekking tot het aantal te verwachten aanvragen tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn in het kader van de EAUT becijferd op € 226.000 bij 4000 aanvragen per jaar. De extra tijd die benodigd zou zijn bij het behandelen van een aanvraag zou verband houden met a. de ziektekostenverzekering als voorwaarde in plaats van voorschrift, b. het huisvestingsvereiste en c. de gewijzigde afwezigheidtoets. Het wetsvoorstel houdt echter niet in om tot invoering of herinvoering over te gaan van het huisvestingsvereiste.

Er zijn circa 140.000 houders van een Nederlandse verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met daarop de aantekening «II». Het aantal dat daarvan een aanvraag zal doen tot het wijzigen van deze vergunning ter verkrijging van de aantekening «EG-langdurig ingezetene», is in het kader van de EAUT te verwaarlozen klein geacht, omdat deze nieuwe status vanuit het perspectief van deze houders in Nederland geen nieuwe rechten oplevert. Over het aantal te verwachten huidige houders van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dat een aanvraag om wijziging doet om zich met de Europese status in een andere lidstaat te vestigen zijn in het kader van de EAUT geen uitspraken gedaan.

De eenmalige kosten ter zake van de aanpassing van de systemen: INDIS (basisregistratiesysteem), BOS (beslisondersteunend systeem), REGIS (vergunningverlening en -verlengingsysteem), BAK (titelleveringsysteem) en DAS (documentleveringsysteem) konden tijdens de EAUT niet worden ingeschat.

Administratieve lasten voor burgers en bedrijfsleven

In het voorgestelde systeem is ervoor gekozen om de status van EG-langdurig ingezetene op te nemen in het stelsel van volgtijdelijke, nationale verblijfsvergunningen.

De aanvraag tot het verlenen van de status EG-langdurig ingezetene maakt in dit systeem deel uit van de – enkelvoudige – aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Het bestuursorgaan voert zonodig een meervoudige toets uit. Er wordt in elk geval getoetst of aan de Europese voorwaarden is voldaan en, indien daaraan niet is voldaan, of aan de Nederlandse voorwaarden is voldaan. De burger behoeft bij die enkelvoudige aanvraag op één uitzondering na geen andere of meer gegevens te verstrekken dan thans reeds het geval is. Die uitzondering is dat voortaan als voorwaarde geldt dat bij de aanvraag bewijs moet worden overgelegd dat de vreemdeling over een toereikende ziektekostenverzekering beschikt voor zich zelf en de te zijnen laste komende gezinsleden. Deze extra last is beperkt, omdat het bewijs van een toereikende ziektekostenverzekering reeds als voorschrift pleegt te worden verbonden aan de daaraan doorgaans voorafgaand verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de burger op die grond veelal reeds over een zodanig bewijs zal beschikken en het bewijs ook bij zich zal dragen. De extra last wordt hierna niet nader becijferd, omdat bij de berekening van de administratieve lasten voor de verblijfsvergunning onbepaalde tijd wordt uitgegaan van de – gemiddelde – lasten die zijn verbonden aan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en die extra last in dat kader verwaarloosbaar is. Daarbij verdient de aandacht dat er circa 26 uiteenlopende verblijfsdoelen zijn waarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden aangevraagd en ter zake waarvan door de aanvrager ook weer verschillende sets van gegevens en bescheiden dienen te worden verstrekt.

Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de Europese status, dan wel indien hij niet alle daartoe benodigde gegevens en bescheiden verstrekt, bijvoorbeeld omdat hij niet de Europese status wenst, maar slechts de Nederlandse vergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening «II», zal hij ook in dat geval voortaan het bewijs moeten leveren dat hij beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering voor zich zelf en de te zijnen laste komende gezinsleden. Die gegevens en bescheiden zijn, voor zover hier relevant, dezelfde als voor de toekenning van de Europese status langdurig ingezetene en behoeven bij de aanvraag dus maar eenmaal te worden verstrekt. De invoering van de voorwaarde van het beschikken over een toereikende ziektekostenverzekering voor de Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening «II» betekent daarom geen extra administratieve last bovenop de last die door de enkele invoering van de Europese status ontstaat.

Indien wordt beslist dat niet aan de Europese voorwaarden is voldaan, maar wel aan de nationale, Nederlandse voorwaarden, kan de vreemdeling vanzelfsprekend tegen die beslissing bezwaar maken.

Uitgaande van de Nulmeting AL Burger Justitie 1.0 bedragen de administratieve lasten voor de burger bij het in bezwaar gaan (schriftelijke bezwaarprocedure Vreemdelingenwet) 2,33 uur en € 0,39 aan externe kosten (out of pocket).

Van het totaal van de thans afgegeven beslissingen op aanvragen om vergunningen voor onbepaalde tijd valt circa 60% negatief uit. Het aantal dat in bezwaar en beroep kan gaan bedraagt bij een verwachte instroom (=aanvragen) van 4.000 dan maximaal 2.400.

De administratieve lasten van het in bezwaar gaan bedragen:

T (tijd in uren) x Q (kwantiteit) = 2,33 x 2.400 = 5.592 uur, en: K (kosten in €) x Q = € 0,39 x 2.400 = € 936.

Met een hoorzitting zijn blijkens de Nulmeting AL Burger Justitie 1.0 voor de burger gemiddeld 4,08 uur gemoeid en aan externe kosten € 1,28. Voorts wordt ervan uitgegaan dat in 80% van de gevallen een hoorzitting plaatsvindt, derhalve in 1.920 gevallen.

De administratieve lasten van de hoorzittingen bedragen:

T x Q = 4,08 x 1.920 = 7.834 uur, en: K x Q = € 1,28 x 1.920 = € 2.458.

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is, zoals gezegd, te vergelijken met de – gemiddelde – aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De daarbij behorende administratieve lasten voor de burger bedragen 15 uur en € 6,40 aan externe kosten. Bron: Nulmeting AL Burger Justitie 1.0.

De administratieve lasten voor de burger met betrekking tot de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd bedragen derhalve thans:

T x Q = 15 uur x 4000 = 60.000 uur en: K x Q = € 6,40 x 4000 = € 25.600.

Gevolg van de invoering van de status EG-langdurig ingezetene en de keuze van het daarbij te hanteren systeem is dat vreemdelingen, die thans houder zijn of na inwerkingtreding houder worden van een nationale verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met daarop de aantekening «II», voortaan een aanvraag kunnen doen tot wijziging, teneinde daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene» te verkrijgen, om een eventueel gewenste vestiging in een andere lidstaat te vergemakkelijken, op grond van hoofdstuk III van de richtlijn.

Naar de aard der zaak zijn aan het indienen van een zodanige wijzigingsaanvraag administratieve lasten voor de burger verbonden.

Deze zijn echter vergelijkbaar met die van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, omdat immers moet worden beslist op basis van de gegevens en bescheiden die de actuele situatie weergeven ten tijde van de aanvraag tot wijziging.

De vreemdeling zal moeten aantonen dat (alsnog) aan de Europese voorwaarden is voldaan, bijvoorbeeld dat hij nu wel ononderbroken rechtmatig verblijf van voldoende duur in Nederland heeft gehad, anders dan op basis van bijvoorbeeld een geprivilegieerde status dan wel anders dan tijdelijk of formeel beperkt verblijf. Hij zal daarbij ook moeten aantonen dat (nog steeds) aan de overige Europese voorwaarden is voldaan, waaraan eerder eventueel ook al was voldaan.

In het kader van de Ante Uitvoeringstoets (EAUT), uitgevoerd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst in februari 2005, is aangenomen dat van de in ons land thans woonachtige houders van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (circa 140.000) slechts een te verwaarlozen aantal een aanvraag om wijziging zal indienen na inwerkingtreding van de thans voorgestelde wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de Europese status in Nederland geen extra rechten geeft. Over het aantal te verwachten huidige houders van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dat een aanvraag om wijziging doet om zich met de Europese status in een andere lidstaat te vestigen zijn in het kader van de EAUT geen uitspraken gedaan.

De te verwachten instroom van langdurig ingezetenen uit andere lidstaten met hun gezinsleden is het kader van de EAUT geschat op circa 1000 per jaar. Die instroom levert op zijn vroegst pas vijf jaren na de hier voorgestelde wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 extra aanvragen op tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en zijn daarom in dit verband niet berekend.

Tegen de eventuele afwijzing van de aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd staat bezwaar open. Van het totaal aantal momenteel afgegeven beslissingen op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is circa 60% negatief. Bij een verwachte instroom van 1000 per jaar is het aantal gevallen waarin bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld circa 600.

De administratieve lasten van het in bezwaar gaan bedragen derhalve:

T x Q = 2,33 x 600 = 1.398 uur, en: K x Q = € 0,39 x 600 = € 234.

Met een hoorzitting zijn blijkens de Nulmeting AL Burger Justitie 1.0 voor de burger gemiddeld 4,08 uur gemoeid en aan externe kosten € 1,28. Voorts wordt ervan uitgegaan dat in 80% van de gevallen een hoorzitting plaatsvindt, derhalve in 480 gevallen.

De administratieve lasten van de hoorzittingen bedragen:

T x Q = 4,08 x 480 = 1.958 uur, en: K x Q = € 1,28 x 480 = € 614. De administratieve lasten van beroep zijn niet in kaart gebracht.

Omdat artikel 15, eerste lid, van de richtlijn niet toestaat om als voorwaarde voor verblijf een geldige machtiging tot voorlopig verblijf te verlangen, zullen de langdurig ingezetenen uit andere lidstaten die zich in Nederland wensen te vestigen van die voorwaarde worden vrijgesteld.

Hetzelfde geldt op grond van artikel 16, derde lid, van de richtlijn voor de gezinsleden van de langdurig ingezetene, voor zover het gezin reeds is gevormd in de andere lidstaat.

Deze vrijstelling wordt gerealiseerd door wijziging van artikel 17 van de Wet.

Weliswaar heeft de vrijstelling betrekking op vreemdelingen die nog niet zijn ingeschreven in de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie en zijn deze personen niet aan te merken als burger in het kader van de toetsing administratieve lasten, maar er kan niettemin wel een verzoek om advies worden ingediend om de onverplichte afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf door hier te lande wonende referenten, zoals een derde persoon, een werkgever of onderwijsinstelling.

In de gevallen waar het hier om kan gaan, zal als regel een verzoek om advies niet door een werkgever of onderwijsinstelling worden gedaan, maar door de langdurig ingezetene, die hetzij zelf ook nog in de eerste lidstaat verblijft en niet is ingeschreven in de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie (in geval hij met zijn gezin tegelijkertijd naar Nederland wenst te komen) dan wel een langdurig ingezetene die al wel is ingeschreven in de Nederlandse Gemeentelijke Basisadministratie en vervolgens zijn gezin naar Nederland wenst te laten overkomen. Hier is uitsluitend de laatste categorie langdurig ingezetenen van belang.

Met de vrijstelling van het mvv-vereiste, welke wordt geregeld door middel van wijziging van artikel 17 van de Wet, vervalt logischerwijs de incentive voor de referent om onverplicht een advies te vragen omtrent eventuele afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn gezinsleden, in geval het gezin reeds was gevormd in de eerste lidstaat.

De uit de vrijstelling voortvloeiende besparing van administratieve lasten voor burgers is, conform de berekening in de zogenoemde nulmeting, becijferd als volgt.

Het aantal verzoeken om advies omtrent afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf bedraagt, uitgaande van het aantal verzoeken om advies in de jaren 2003, 2004 en de eerste helft van 2005, voor de onderhavige categorie op jaarbasis circa 1100. De tijd die met deze onverplichte mvv-referentenprocedure is gemoeid, bedraagt voor de referent 11 uur per procedure. Voor het vergaren van informatie wordt aan externe kosten (out-of-pocket) een bedrag gehanteerd van € 3,84 per keer (bron: Nulmeting AL Burger Justitie 1.0).

Dit leidt tot de volgende besparing:

T x Q = 11 x 1100 = 12.100 uur, en K x Q = € 3,84 x 1100 = € 4.224.

Aangezien tegen een (negatief) advies geen bezwaar kan worden gemaakt, kan er niet worden bespaard op bezwaar tegen een negatief advies.

Evenmin zijn als burger in het kader van de toetsing administratieve lasten aan te merken – omdat zij nog niet zijn ingeschreven in de Nederlandse Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens: vreemdelingen die na binnenkomst in Nederland een aanvraag wensen te doen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene, voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst of het volgen van een studie of beroepsopleiding als langdurig ingezetene, dan wel in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming met een langdurig ingezetene, tot het moment van indiening van de aanvraag.

Hetzelfde geldt voor een vreemdeling die houder is geweest van een Nederlandse status EG-langdurig ingezetene en die deze status heeft verloren door verkrijging van een zodanige status in een andere lidstaat, door verblijf buiten de Gemeenschap gedurende meer dan twaalf maanden of een verblijf buiten Nederland van meer dan zes jaren, en die vraagt om herverkrijging van de Nederlandse status EG-langdurig ingezetene (en van zijn verblijf aangifte doet ter herinschrijving in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens).

Ter zake van die groepen worden derhalve geen administratieve lasten voor de burger aangenomen.

De totale toename van de administratieve lasten als gevolg van de implementatie van de richtlijn bedragen in de Nederlandse situatie voor de burger in tijd 31.782 uur en geld € 10.642. Daar staat tegenover een besparing wegens vrijstelling mvv-vereiste van 12.100 uur en geld € 4.224. Na aftrek van deze besparingen bedraagt de toename van de administratieve lasten in tijd 19.682 uur en geld € 6.418.

Tabel:

Omschrijving

T

Q

TxQ

K

Q

KxQ

 

In uren

Aantal

In uren

In Euro’s

Aantal

In Euro’s

In bezwaar gaan tegen weigering toekenning

2,33

2400

5592

0,39

2400

936

Hoorzitting in bezwaar

4,08

1920

7834

1,28

1920

2458

Aanvraag tot wijziging

15

1000

15000

6,40

1000

6400

In bezwaar gaan tegen afwijzing wijziging

2,33

600

1398

0,39

600

234

Hoorzitting in bezwaar

4,08

480

1958

1,28

480

614

Besparing vrijstelling mvv-referentprocedure

11

1100

12100

3,84

440

4224

Totale extra AL

  

19682

  

6418

Totstandkoming

Het ontwerpbesluit is op 15 juni 2005 voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). Actal heeft op 1 september 2005 geadviseerd het ontwerp vast te stellen, nadat met zijn opmerkingen rekening is gehouden. Het advies is verwerkt in de paragraaf Administratieve lasten voor burgers en bedrijfsleven.

Over het ontwerpbesluit is op 16 juni 2005 advies gevraagd van de Raad voor de Rechtspraak, die bij brief d.d. 24 augustus 2005 heeft meegedeeld dat het ontwerpbesluit op dat moment geen aanleiding gaf tot het maken van op- en aanmerkingen

Over het ontwerpbesluit is advies ingewonnen van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ). Het advies van de ACVZ van 13 juli 2005 is (zoveel mogelijk) verwerkt in (de toelichting op) het onderhavige besluit.

Artikelen

Artikel I

Onderdeel A (artikel 2.1a)

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de richtlijn kunnen andere EU-lidstaten onder omstandigheden besluiten de verblijfsvergunning van de uit Nederland afkomstige langdurig ingezetene die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn op hun grondgebied bevindt, niet te verlengen of die vergunning in te trekken en de betrokkene en zijn gezinsleden te verplichten het land te verlaten. In een dergelijk geval moet Nederland als eerste lidstaat ingevolge artikel 22, tweede lid, van de richtlijn de langdurig ingezetene en zijn gezinsleden onmiddellijk en zonder formaliteiten terugnemen. De toegang tot Nederland van de langdurig ingezetene, die op grond van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onder b, van de wet, is reeds voldoende gewaarborgd. Datzelfde geldt ten aanzien van zijn gezinsleden, voor zover die nog houder zijn van een geldige Nederlandse verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en daarmee rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, van de wet hebben. Dat is anders indien de Nederlandse verblijfsvergunning van het gezinslid tijdens het verblijf in de andere lidstaat is verlopen. Ook in dat geval verplicht de richtlijn het desbetreffende gezinslid weer toegang tot Nederland te verschaffen. Voor die gevallen voorziet het nieuwe artikel 2.1a in een waarborg dat de toegang niet zal worden geweigerd. In de tekst is onder meer tot uitdrukking gebracht dat deze uitzondering is beperkt tot het gezinslid van de «Nederlandse» langdurig ingezetene (dus van de houder van een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000) en wel in die gevallen waarin sprake is van een terugkeer met die «Nederlandse» langdurig ingezetene uit een andere lidstaat na diens verblijfsbeëindiging aldaar.

Onderdeel B (artikel 3.3)

Omdat het de langdurig ingezetene en de echtgenote en minderjarige kinderen met wie het gezin reeds was gevormd in de eerste lidstaat, gelet op artikel 15, eerste lid, en 16, derde lid, van de richtlijn is toegestaan de aanvraag ter regeling van het verblijf in de tweede lidstaat te doen uiterlijk drie maanden na aankomst op het grondgebied van de tweede lidstaat, is het noodzakelijk om de bepalingen inzake het rechtmatig verblijf in de vrije termijn voor deze categorie aan te passen. Zonder die aanpassing zou hun verblijf ingevolge het huidige onderdeel d van artikel 3.3, eerste lid, immers na acht dagen illegaal worden, hetgeen niet aansluit op bedoelde periode van drie maanden na aankomst. Daarom wordt in artikel 3.3, eerste lid, een onderdeel opgenomen, inhoudende dat het de langdurig ingezetene (en diens echtgenote en minderjarige kinderen met wie het gezin al in de eerste lidstaat was gevormd) een vrije termijn toekomt van drie maanden, zijnde rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder i, Vw 2000.

Voor hen geldt overigens wel onverkort de verplichting, bedoeld in artikel 4.47, om zich binnen drie dagen aan te melden bij de korpschef. Deze verplichting noopt er immers niet toe om bij die gelegenheid al een aanvraag te doen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000. Die moet immers als regel worden aangevraagd bij Onze Minister (althans bij de burgemeester als frontoffice van de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Onderdeel C (artikel 3.4)

Ingevolge artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn krijgt de langdurig ingezetene het recht om onder bepaalde voorwaarden gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat om een economische activiteit uit te oefenen als werknemer of als zelfstandige, om een studie of beroepsopleiding te volgen, of om andere redenen. In artikel 3.4, eerste lid, is een (overigens niet-limitatief) aantal verblijfsdoelen opgenomen waarmee de aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verbinden beperkingen verband houden. In dat artikel zijn reeds opgenomen verblijfsdoelen verband houdend met verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, arbeid in loondienst en studie. Teneinde het verblijf – om andere redenen – in de zin van artikel 14, tweede lid, onder c, van de richtlijn mogelijk te maken, is daaraan thans toegevoegd het verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene (het nieuwe onderdeel aa). De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder daarmee verband houdende beperkingen zal worden verleend, zijn opgenomen in het nieuwe artikel 3.29a. Die voorwaarden zijn ontleend aan hoofdstuk III van de richtlijn. Kortheidshalve verwijs ik naar de toelichting op dat artikel 3.29a.

Omdat het verblijf op grond van een verblijfsvergunning als economisch niet-actieve langdurig ingezetene naar zijn aard niet-tijdelijk is, is het nieuwe verblijfsdoel niet opgenomen in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit. De houder is derhalve in Nederland inburgeringsplichtig en kan op den duur ook in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, de status van langdurig ingezetene en het Nederlanderschap. Uit het feit dat het in artikel 3.4, eerste lid, van het besluit gaat om de verblijfsdoelen waarmee de aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verbinden beperkingen verband houden, volgt reeds dat het hier gaat om een langdurig ingezetene die die status in een andere lidstaat dan Nederland heeft verkregen en die op die grond met een Nederlandse verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland verblijft. De in de andere lidstaat verkregen status wordt derhalve niet direct omgezet in een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarvoor is vereist dat de langdurig ingezetene uit een andere lidstaat vijf jaar op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland heeft verbleven en ook aan de overige voorwaarden voor verlening van die permanente vergunning voldoet.

Onderdeel D (artikel 3.23a)

Artikel 3.23a heeft betrekking op de toelating van gezinsleden van langdurig ingezetenen die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in Nederland hebben gevestigd of willen vestigen. Het gaat om een regeling op basis van artikel 16, eerste en tweede lid, van de richtlijn. De regeling is beperkt tot gezinshereniging met de echtgenoot, de geregistreerde partner, de ongehuwde partner ende minderjarige kinderen die reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene verbleven (artikel 16, eerste en tweede lid, alsmede vierde lid, onder a, van de richtlijn in samenhang met artikel 4, eerste en derde lid, van de richtlijn 2003/86/EG, PbEU L 251 (hierna: de richtlijn gezinshereniging) en aldaar waren toegelaten. Op andere aanvragen, bijvoorbeeld om gezinsvorming of om verruimde gezinshereniging met andere familieleden dan de meerderjarige kinderen, bedoeld in het tweede lid, zijn de algemene regels (artikelen 3.13 tot en met 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en hoofdstuk B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000) van toepassing, die eerder zijn aangepast aan de richtlijn gezinshereniging.

In het eerste lid, onderdeel a, is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om gevallen waarin de echtgenoot, geregistreerde partner, de ongehuwde partner of het kind reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene was toegelaten. Ten bewijze daarvan zal bij de aanvraag op grond van artikel 16, vierde lid, onder a, overlegging van de «andere» verblijfsvergunning die door de eerste lidstaat is afgegeven worden verlangd, alsmede zal op grond van artikel 16, vierde lid, onder b, van de richtlijn worden gevraagd om bewijs dat de vreemdeling als echtgenoot, partner of minderjarig kind van een langdurig ingezetene in de eerste lidstaat heeft verbleven. Indien het gezin nog niet was gevormd in de eerste lidstaat, zijn de gewone regels – die aan de minimumnormen van de richtlijn gezinshereniging moeten voldoen – van toepassing (artikel 16, vijfde lid, van de richtlijn).

Onderdeel b heeft betrekking op het paspoortvereiste. Ingevolge artikel 16, vierde lid, onder a, van de richtlijn mag Nederland in deze gevallen als tweede lidstaat van een gezinslid van een langdurig ingezetene verlangen dat met de aanvraag een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften ervan worden overgelegd. Indien de aanvraag om gezinshereniging met de langdurig ingezetene wordt gedaan na aankomst in Nederland wordt als regel overlegging van het geldige reisdocument verlangd. Indien de aanvraag plaatsvindt terwijl de vreemdeling zich nog in een andere lidstaat bevindt (onverplichte aanvraag mvv dan wel de evenzeer onverplichte mvv-referentenprocedure), kan worden volstaan met overlegging van afschrift van het geldige reisdocument, opdat nog in het bezit van het originele reisdocument kan worden gereisd. Er wordt daarbij niet verlangd dat de over te leggen afschriften gewaarmerkt zijn. De verificatie van het reisdocument vindt immers plaats bij gelegenheid van de aanmelding bij de korpschef en uiterlijk bij de indiening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning. In het laatste geval wordt door de frontoffice IND afschrift genomen van het reisdocument. Indien in het kader van de – onverplichte – mvv-procedure afschrift is overgelegd, wordt dat door de frontoffice vergeleken met het overgelegde reisdocument.

Onderdeel c ziet op het middelenvereiste. Op grond van artikel 16, vierde lid, onder c, van de richtlijn kan Nederland als tweede lidstaat het gezinslid van een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat vragen om bij de aanvraag bewijs te overleggen dat de langdurig ingezetene financieel voor hem instaat of dat hijzelf beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging wordt gehanteerd.

De onderdelen d en e zien op de openbare orde en nationale veiligheid. Op grond van artikel 17, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn kunnen de lidstaten weigeren een verblijfsvergunning toe te kennen aan langdurig ingezetenen of aan hun gezinsleden indien de betrokkene een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt. Bij de besluitvorming wordt daarbij op grond van de tweede alinea rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of zijn gezinslid op de openbare orde of de openbare veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat. In dit verband is van belang dat het ingeval van commune delicten op grond van artikel 3.77, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 moet gaan om een misdrijf; ingeval van een als overtreding strafbaar gesteld feit blijft toepassing van dat artikel achterwege. Verder zijn bij de toepassing van artikel 3.77 de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van belang, die een zorgvuldige gegevensvergaring en belangenafweging waarborgen. De richtlijn maakt melding van «openbare veiligheid». Feit is echter dat «nationale veiligheid» de standaardterm is waarmee het soort gevallen wordt aangeduid dat in de richtlijnen wordt bedoeld met «openbare veiligheid».

Het tweede lid strekt er toe om artikel 16, tweede lid, van de richtlijn om te zetten, in samenhang met artikel 4, derde lid, van de richtlijn gezinshereniging, voor zover dat laatste artikel ziet op de meerderjarige, niet-gehuwde kinderen die wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien. Ingevolge het tweede lid kan aan die kinderen van de langdurig ingezetene, diens echtgenote of partner een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met verruimde gezinshereniging worden verleend.

Het derde lid stelt veilig dat de verblijfsvergunning niet wordt verleend aan een ongehuwde partner van de langdurig ingezetene, indien de relatie niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd. Daarmee wordt aangesloten bij artikel 4, derde lid, eerste alinea, van de richtlijn gezinshereniging, voor zover daar is bepaald dat de lidstaten toestemming tot toegang en verblijf kunnen verlenen aan de ongehuwde levenspartner die onderdaan is van een derde land en met wie de gezinshereniger een naar behoren geattesteerde duurzame relatie onderhoudt, alsmede aan de minderjarige, niet-gehuwde kinderen en de meerderjarige, ongehuwde kinderen die wegens hun gezondheidstoestand kennelijk niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien. Logischerwijs wordt de verblijfsvergunning, in geval de relatie tussen de partner en de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd en mitsdien aan die partner geen verblijfsvergunning wordt verleend, evenmin verleend aan het kind van een dergelijke partner.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, onder b, van de richtlijn kan het verblijf van de langdurig ingezetene en het gezinslid, voordat deze zelf de status van langdurig ingezetene in Nederland hebben verkregen, onder omstandigheden worden beëindigd, indien niet meer aan de voorwaarden van de artikelen 14, 15 en 16 van de richtlijn wordt voldaan.

Onderdeel E (artikel 3.29a)

De langdurig ingezetene die die status in een andere lidstaat heeft verkregen, kan zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn voor het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, voor het volgen van een studie of beroepsopleiding, of voor een ander doel (om andere redenen) in Nederland vestigen. Daaraan kunnen bepaalde algemene en doelgebonden voorwaarden worden gesteld. De algemene vereisten die kunnen worden gesteld, hebben betrekking op de bestaansmiddelen, een ziektekostenverzekering, een document voor grensoverschrijding en passende huisvesting, op het voldoen aan integratiecriteria en op afwezigheid van gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid. Een stelselmatige TBC-keuring, zoals Nederland die kent (artikel 3.79) is daarbij niet toegestaan. De doelgebonden vereisten hebben betrekking op een toetsing op de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod en het overleggen van een (concept-) arbeidsovereenkomst of werkgeversverklaring (loondienstarbeid), het beschikken over het benodigde kapitaal en vergunningen (arbeid als zelfstandige), dan wel de inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling (studie). De voorwaarden voor toelating voor het verrichten van arbeid zijn geregeld in de artikelen 3.30 en 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en zijn nader uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire 2000. De toelating voor het volgen van een studie of beroepsopleiding is geregeld in de artikelen 3.41 en 3.42 van het besluit en zijn eveneens nader uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire 2000. Het nieuwe artikel 3.29a bevat de voorwaarden voor verblijf in Nederland – om andere redenen –, te weten verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene.

Onderdeel a ziet op het vereiste van een geldig document voor grensoverschrijding. Ingevolge artikel 15, vierde lid, eerste alinea, van de richtlijn gaat de aanvraag van de langdurig ingezetene uit een andere lidstaat om een verblijfsvergunning in Nederland vergezeld van onder meer een geldig reisdocument of gewaarmerkte afschriften ervan. Het ligt voor de hand dat de langdurig ingezetene bij de indiening van de aanvraag het originele reisdocument toont, en dat een kopie daarvan bij de overige bescheiden wordt gevoegd. Indien de aanvraag door de langdurig ingezetene wordt gedaan na aankomst in Nederland wordt als regel overlegging van het geldige reisdocument verlangd. Indien de aanvraag plaatsvindt terwijl de langdurig ingezetene zich nog in een andere lidstaat bevindt (onverplichte aanvraag mvv), kan worden volstaan met overlegging van afschrift van het geldige reisdocument, opdat nog in het bezit van het originele reisdocument kan worden gereisd. Er wordt daarbij niet verlangd dat de over te leggen afschriften gewaarmerkt zijn. De verificatie van het reisdocument vindt immers plaats bij gelegenheid van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning. Daarbij wordt door de frontoffice IND afschrift genomen van het reisdocument. Indien in het kader van de – onverplichte – mvv-procedure afschrift is overgelegd, wordt dat door de frontoffice vergeleken met het overgelegde reisdocument.

Onderdeel b heeft betrekking op het middelenvereiste. Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder a, van de richtlijn kan Nederland de langdurig ingezetene vragen bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging, niet zijnde gezinsvorming, wordt gehanteerd.

De onderdelen c en d zien op de voorwaarde dat de langdurig ingezetene geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid mag vormen. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn kan Nederland weigeren een verblijfsvergunning toe te kennen aan langdurig ingezetenen of aan hun gezinsleden indien de betrokkene een bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt. Daarbij wordt ingevolge de tweede alinea rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of zijn gezinslid op de openbare orde of de openbare veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat. In het algemeen kan de verblijfsvergunning slechts worden geweigerd, indien sprake is van een misdrijf en een bestraffing of transactie (artikel 3.77 Vb 2000). Daarbij zijn de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van belang, die een zorgvuldige gegevensvergaring en belangenafweging waarborgen. De richtlijn maakt melding van «openbare veiligheid». «Nationale veiligheid» is de Nederlandse standaardterm waarmee het soort gevallen wordt aangeduid dat in de richtlijnen wordt bedoeld met «openbare veiligheid».

Voorts mag Nederland op grond van artikel 15, derde lid, eerste en tweede alinea, van de richtlijn verlangen dat onderdanen van derde landen overeenkomstig het nationaal recht voldoen aan integratievoorwaarden, tenzij de betrokken vreemdeling reeds aan integratievoorwaarden heeft moeten voldoen om de status van langdurig ingezetene te verwerven. In dat geval kan ingevolge de derde alinea van artikel 15, derde lid, van de richtlijn wel worden verlangd dat de vreemdeling deelneemt aan taalcursussen. In dit verband wijs ik onder meer op de Wet inburgering in het buitenland (Stb. 2006, 28) die op dit punt tot aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft geleid met ingang van 15 maart 2006.

Onderdeel F (artikel 3.30)

Het nieuwe vijfde lid van artikel 3.30 volgt rechtstreeks uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn. Daarin is bepaald dat, wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als werknemer of als zelfstandige, de lidstaten de situatie van hun arbeidsmarkt mogen bezien en hun nationale procedures (mogen) hanteren ten aanzien van de vereisten voor, respectievelijk, het vervullen van een vacature en het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt. Deze bevoegdheidstoedeling aan de lidstaten is echter – ondanks de tekst ervan – in de Nederlandse situatie niet van toepassing op arbeid als zelfstandige, omdat in de Nederlandse situatie bij arbeid als zelfstandige geen sprake is van vervulling van een vacature, noch ook van toegang tot de arbeidsmarkt. Op grond daarvan mag de voorwaarde, dat met de aanwezigheid van de arbeid die door de vreemdeling als zelfstandige in Nederland wordt verricht een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, niet worden gesteld.

De ACVZ is van oordeel dat artikel 15, tweede lid, onder a, van de richtlijn met betrekking tot de middelen van bestaan slechts vereist dat de vreemdeling beschikt over vaste en regelmatige inkomsten, op grond waarvan de voorwaarde, vermeld in artikel 3.30, eerste lid, onder b, inhoudend dat de middelen worden verkregen uit de arbeid als zelfstandige, niet zou kunnen worden gehandhaafd ten aanzien van de langdurig ingezetene die arbeid als zelfstandige in Nederland wenst te verrichten.

De lidstaten mogen echter ingevolge artikel 15, tweede lid, onder a, tweede zin, van de richtlijn beoordelen of de middelen vast, regelmatig en voldoende zijn, afgaande op de aard en de regelmatigheid van de inkomsten: in casu arbeid als zelfstandige. In vrijwel al die gevallen zal de zelfstandige door middel van een ondernemingsplan (met inbegrip van een financieringsplan en prognose) zijn aankomende inkomsten uit onderneming aantonen of aannemelijk kunnen maken.

Artikel 15, vierde lid, onder ii, van de richtlijn bepaalt voorts dat de aanvraag vergezeld gaat van overeenkomstig de nationale wetgeving vereiste bewijsstukken waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de desbetreffende voorwaarden, in het bijzonder wanneer het gaat om de uitoefening van een economische activiteit als zelfstandige: het bewijs dat hij beschikt over de volgens het nationale recht noodzakelijke middelen om een dergelijke economische activiteit uit te oefenen. Als zodanig worden aangemerkt de volgens het artikel 3.30, eerste lid, onder b, omschreven middelen.

Indien de langdurig ingezetene – voor zover hier van belang – over middelen van bestaan beschikt anders dan uit arbeid als zelfstandige, kan hem op voet van artikel 14, tweede lid, onder c, van de richtlijn om andere redenen verblijf worden toegestaan, namelijk als economisch niet-actieve, met toepassing van het nieuwe artikel 3.29a. Na verlening van die verblijfsvergunning geniet hij voorts, gelet op artikel 21, eerste lid, in samenhang met artikel 11 van de richtlijn, voor werk als zelfstandige dezelfde behandeling als eigen onderdanen, op grond waarvan het hem is toegestaan arbeid als zelfstandige te verrichten, onder dezelfde voorwaarden als waaronder dat aan Nederlanders wordt toegestaan.

Onderdeel G (artikel 3.31)

Bij de implementatie van de richtlijn is ervoor gekozen om het huidige arbeidsmigratiebeleid, zoals neergelegd in de Wet arbeid vreemdelingen, voor langdurig ingezeten onderdanen van derde landen onverkort van toepassing te laten. De motivering voor deze keuze is gelegen in de grote diversiteit van het immigratiebeleid in de verschillende EU-lidstaten. Dit beleid varieert van zeer restrictief tot zeer liberaal. Er zijn EU-lidstaten die vrijwel uitsluitend hooggekwalificeerde migranten toelaten, en er zijn ook lidstaten die op grote schaal laaggekwalificeerde migranten toelaten c.q. via regularisaties van grote aantallen illegale migranten. Het is niet denkbeeldig dat bij een vrije toelating van langdurig ingezeten derdelanders tot de arbeidsmarkt het toelatingsbeleid van andere EU-lidstaten op langere termijn via doormigratie van deze vreemdelingen minder gunstige effecten heeft voor de Nederlandse arbeidsmarkt.

Dit geldt te meer nu er een relatie is met de uitbreiding van de EU en de invoering van het vrij verkeer van werknemers dat, afhankelijk van de politieke besluitvorming, op kortere dan wel langere termijn zal worden ingevoerd. Hiermee zal het prioriteit genietend arbeidsaanbod aanzienlijk worden uitgebreid. Dit arbeidsaanbod van werknemers met de nationaliteit van een van de EU-lidstaten behoort voorrang te hebben boven werknemers met een andere nationaliteit die vanuit een andere EU-lidstaat naar Nederland komen om hier werk te vinden.

Zolang het vrij verkeer van werknemers met de nieuwe lidstaten nog niet is ingevoerd, blijven de werknemers met de nationaliteit van een van de nieuwe lidstaten prioriteit hebben boven andere arbeidsmigranten in die sectoren/beroepen waar in Nederland een tekort aan nationaal arbeidsaanbod bestaat. Het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) wijst op grond van paragraaf 19a van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen deze sectoren/beroepen aan. Mede als gevolg hiervan is er een duidelijke tendens waarneembaar dat arbeidsmigranten uit de nieuwe EU-lidstaten een steeds groter aandeel vormen van de totale categorie arbeidsmigranten. In 2003 bedroeg dit aandeel 33%, in 2005 is dit gestegen tot 64%.

Er zijn thans drie verschillende categorieën arbeidsmigranten in de Wav onderscheiden. In de eerste plaats zijn dat de arbeidsmigranten met een nationaliteit van de «oude» EU-lidstaten en Malta en Cyprus. Deze zijn vrij op de Nederlandse arbeidsmarkt. In de tweede plaats zijn dat de arbeidsmigranten uit de acht nieuwe EU-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa. Deze werknemers hebben voorrang boven arbeidsmigranten uit niet-EU-lidstaten wanneer het de door CWI aangewezen beroepen of functies betreft waarvoor een tekort bestaat aan arbeidsaanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.

In de derde plaats zijn dat de arbeidsmigranten uit niet-EU-lidstaten op wie de Wav volledig van toepassing is. Introductie van een nieuwe categorie vreemdelingen in de Wav, namelijk de langdurig ingezeten derdelanders, is niet wenselijk en niet noodzakelijk. Niet wenselijk, omdat het de transparantie van de regelgeving niet ten goede komt. Niet noodzakelijk, omdat de Richtlijn in artikel 14, derde lid, tweede alinea, aan de lidstaten de ruimte laat om het bestaande toelatingsbeleid tot de arbeidsmarkt te handhaven.

Bij het vorenstaande zij nog vermeld dat de bijlagen bij het toetredingsverdrag regels bevatten voor de situatie die wordt behandeld in hoofdstuk III van de richtlijn 2003/109/EG: het verblijf van langdurig ingezetenen in andere lidstaten. Zolang een «oude» lidstaat overgangsmaatregelen toepast ten aanzien van onderdanen uit de nieuwe lidstaten, moet aan onderdanen van de nieuwe lidstaten voorrang worden gegeven boven onderdanen van derde landen. Dat kan in Nederland slechts met handhaving van de tewerkstellingsvergunningplicht voor werkgevers van langdurig ingezetenen die zich op grond van hoofdstuk III van de richtlijn in Nederland vestigen.

Het nieuwe vijfde lid van artikel 3.31 volgt enerzijds uit artikel 15, eerste lid, van de richtlijn, op grond waarvan van de langdurig ingezetene niet mag worden verlangd dat hij over een geldige mvv beschikt als voorwaarde voor toelating, en anderzijds uit artikel 18, vierde lid, van de richtlijn, op grond waarvan een stelselmatig medisch onderzoek naar de aanwezigheid van TBC niet als voorwaarde voor de toelating van langdurig ingezetenen en hun gezinsleden kan worden gesteld. Ik verwijs naar de hierna opgenomen toelichting op het gewijzigde artikel 3.79.

Onderdeel H (artikel 3.41)

De richtlijn biedt geen basis om de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met studie te onthouden aan de langdurig ingezeten derdelander die zich op de voet van hoofdstuk III voor studie of beroepsopleiding naar Nederland wil komen, op de grond dat diens tijdige terugkeer niet redelijkerwijs gewaarborgd is. Om die reden zal dat vereiste niet van toepassing zijn op deze langdurig ingezeten derdelanders uit andere lidstaten. Evenmin kan de verblijfsvergunning aan de langdurig ingezetene worden onthouden op grond dat hij niet voltijds, maar in deeltijd wenst te studeren.

Onderdeel I (artikel 3.67)

Op grond van artikel 19, derde lid, van de richtlijn, moet de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die Nederland verstrekt aan de gezinsleden van de langdurig ingezetene die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn vanuit een andere lidstaat in Nederland vestigt, dezelfde geldigheidsduur hebben als de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd) die aan die langdurig ingezetene is verleend. Het nieuwe derde lid van artikel 3.67 strekt daartoe.

Onderdeel K (artikel 3.79)

Ingevolge het gewijzigde tweede lid van artikel 3.79 wordt van de langdurig ingezetene uit een andere EU-lidstaat en zijn gezinslid dat in die andere lidstaat als gezinslid was toegelaten, geen bereidheid tot medewerking aan een TBC-keuring meer verwacht. Ingevolge artikel 18, vierde lid, van de richtlijn kan Nederland van de onder de richtlijn vallende personen weliswaar een medisch onderzoek eisen, maar stelselmatig medisch onderzoek naar de aanwezigheid van TBC als voorwaarde voor de toelating van vreemdelingen die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezitten, zoals opgenomen in artikel 3.79 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.18 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, is niet toegestaan ten aanzien van langdurig ingezetenen en hun gezinsleden die zich vanuit een andere lidstaat in Nederland willen vestigen. Een dergelijke keuring kan worden gemist, nu het hier gaat om vreemdelingen die feitelijk afkomstig zijn uit andere EU-lidstaten waar TBC aanzienlijk minder vaak voorkomt. Om die reden wordt van de onderdanen van die lidstaten ook geen medewerking aan de TBC-keuring verlangd als voorwaarde voor verblijf.

Onderdelen J en L (artikelen 3.77 en 3.86)

Deze onderdelen vloeien voort uit de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer vergaderjaar 2005–2006, 30 567, nr. 8). Hiermee wordt beoogd buiten twijfel te stellen dat het bestuursorgaan in elk geval rekening houdt met de hier vermelde factoren, indien het overweegt tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, over te gaan, op grond dat de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde, en indien het gaat om een vreemdeling die in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming is toegelaten, dan wel indien het een langdurig ingezetene betreft die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning «EG-langdurig ingezetene». Met name betreft het de factoren, vermeld in artikel 17 van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 betreffende het recht op gezinshereniging (PbEU L 251) (artikel 3.77, vierde lid en 3.86, negende lid) en de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, 12, derde lid, en 17, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn 2003/109/EG (artikel 3.77, vijfde en zesde lid, en artikel 3.86, tiende en elfde lid). Deze bepalingen worden beschouwd als verbijzondering van hetgeen uit de artikelen 3:2 en 3:4 Algemene wet bestuursrecht reeds voortvloeit.

Onderdeel M (hoofdstuk 3, afdeling 3)

Artikel 3.92

In artikel 3.92 zijn de (in artikel 21 van de wet opgenomen) algemene voorwaarden voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene nader uitgewerkt. Aan deze uitgewerkte voorwaarden wordt getoetst bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of – indien de aanvrager reeds houder is van een dergelijke vergunning met de aantekening «II» op het verblijfsdocument – bij de aanvraag tot het wijzigen daarvan. De uitwerkingen in dit artikel voldoen aan de normen die de richtlijn stelt aan de toekenning van de status van langdurig ingezetene. Indien de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van artikel 3.92 kan worden verleend, brengt dat derhalve mee dat geen toepassing wordt gegeven aan artikel 13 van de richtlijn, en dat op het verblijfsdocument de aantekening «EG-langdurig ingezetene» kan worden geplaatst. De houder van deze verblijfsvergunning kan zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in een andere lidstaat vestigen.

Het eerste lid ziet op de toekenning van de status van langdurig ingezetene aan enkele categorieën vreemdelingen wier langdurige rechtmatige verblijf in ons land niet geheel aaneengesloten is geweest. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de richtlijn kennen de lidstaten de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven. Deze hoofdregel is neergelegd in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet. Dat bepaalt, voor zover hier relevant, dat de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8 van de Wet. Van de verblijfstermijn van vijf jaren kan niet zonder toepassing aan artikel 13 van de richtlijn te geven, worden afgeweken; bij een rechtmatig verblijf van minder dan vijf jaren kan de status van langdurig ingezetene in geen geval worden verkregen. Van het vereiste dat moet gaan om ononderbroken verblijf direct voorafgaande aan de aanvraag, kan wél zonder toepassing van artikel 13 van de richtlijn worden afgeweken. De status van langdurig ingezetene wordt in enkele gevallen dan ook niet onthouden indien het rechtmatige verblijf van vijf jaar niet aaneensluitend is geweest. In artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet is reeds op grond van artikel 4, derde lid, eerste alinea van de richtlijn voorzien in de uitzondering dat verblijf buiten Nederland in die periode van maximaal zes achtereenvolgende maanden of maximaal tien maanden in de gehele periode onvoldoende is om de aanvraag af te wijzen. Daarnaast zijn in het eerste lid van artikel 3.92 enkele gevallen benoemd waarin de aanvraag niet wordt afgewezen om de enkele reden dat het verblijf in Nederland niet geheel aaneengesloten is. Deze perioden tellen, voor zover zij langer zijn dan zes of tien maanden (zie artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet), echter niet mee voor de berekening van de totale verblijfsduur van vijf jaren (zie artikel 4, derde lid, tweede alinea, laatste zin, van de richtlijn).

Onderdeel a is ontleend aan het eerste lid van het voormalige artikel 3.92. Het heeft betrekking op de zogeheten terugkeeroptanten die meerderjarig zijn, die voorafgaande aan hun remigratie uit Nederland ten minste vijf jaren rechtmatig verblijf van niet-tijdelijke aard in Nederland hebben gehad en die na de mislukte remigratie weer naar Nederland mogen komen. Op grond van artikel 4, derde lid, tweede alinea, van de richtlijn kan de vergunning worden verleend zonder dat daarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 13 van de richtlijn. Op het verblijfsdocument kan de aantekening «EG-langdurig ingezetene» worden geplaatst. Daarbij is wel van belang dat het verblijf buiten Nederland niet meetelt voor de berekening van de verblijfsduur (zie artikel 4, derde lid, tweede alinea, laatste zin, van de richtlijn en het zevende lid van artikel 3.92 Vb 2000). Voorts is van belang dat het hier uitsluitend gaat om een afwijking van artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de wet, die niet meebrengt dat tevens wordt afgeweken van andere voorwaarden, bijvoorbeeld het middelenvereiste. Omdat de richtlijn geen ruimte biedt om aan het middelenvereiste voorbij te gaan, kan de status van langdurig ingezetene uitsluitend worden verleend, indien de terugkeeroptant ook aan het middelenvereiste voldoet. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat een dergelijke vreemdeling kort na zijn hernieuwde verblijfsaanvaarding aan het middelenvereiste gaat voldoen; in dat geval is onderdeel a van belang, aangezien de voor de status van langdurig ingezetene vereiste verblijfsduur niet met de hernieuwde verblijfsaanvaarding opnieuw gaat lopen en bij de berekening het eerdere verblijf in Nederland voorafgaand aan de remigratie kan worden betrokken.

Daarnaast geldt de uitzondering ook voor de terugkeeroptanten die hun terugkeeroptie ontlenen aan artikel 8 van de Remigratiewet, die wordt opgenomen in artikel 3.94.

Onderdeel b heeft betrekking op vreemdelingen die weliswaar langer dan de in artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet genoemde periode van zes of tien maanden buiten Nederland hebben verbleven, maar daarbij niet het hoofdverblijf buiten Nederland hebben verplaatst. In die gevallen worden de perioden van verblijf buiten Nederland die langer zijn dan zes, respectievelijk tien maanden, weliswaar niet meegeteld, maar wordt het daaraan voorafgaande verblijf in Nederland wel betrokken bij de berekening van de totale verblijfsduur. De beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst, vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen.

Het tweede lid bevat een uitzondering op de hoofdregel dat het rechtmatige verblijf voor een tijdelijk verblijfsdoel (zie artikel 3.5 van het besluit) niet meetelt voor de berekening van de voor toekenning van de status van langdurig ingezetene vereiste verblijfsduur. Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder b, van de wet kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling in het tijdvak van vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad. Deze op artikel 4, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn gebaseerde afwijzingsgrond lijdt slechts dan uitzondering, indien de tweede alinea van dat artikel van toepassing is. Indien de betrokken vreemdeling na zijn verblijf voor studiedoeleinden een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft verkregen die hem in staat stelt de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, mag de daaraan voorafgaande periode van verblijf voor studiedoeleinden voor de helft worden meegerekend bij de berekening van de vereiste verblijfsduur van vijf jaar. In de overige gevallen laat de richtlijn geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen, indien in de vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag sprake is geweest van tijdelijk verblijfsrecht, een formeel beperkt verblijfsrecht, dan wel verblijf als werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende diensten of als verlener van grensoverschrijdende diensten. Wel zal in dergelijke gevallen met toepassing van artikel 13 van de richtlijn een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend, die echter geen recht geeft om zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn als langdurig ingezetene in een andere lidstaat te vestigen (zie artikel 3.93, tweede lid).

Het derde lid geeft een uitzondering op de hoofdregel dat verblijf buiten Nederland bij de toekenning van de status van langdurig ingezetene niet meetelt bij de berekening van de duur van het aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland.

Onderdeel a ziet op afwezigheid wegens beroepsmatige detachering. Met langere periodes van afwezigheid dan de aaneengesloten periode van zes maanden of diverse periodes van in totaal tien maanden (artikel 21, eerste lid, onder c, van de wet) mag ingevolge artikel 4, derde lid, derde alinea, van de richtlijn bij de berekening van de totale verblijfsduur van vijf jaar rekening worden gehouden, indien die afwezigheid verband houdt met beroepsmatige detachering, ook als dat in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening is. Van deze facultatieve bevoegdheid om dergelijke tijdvakken te betrekken bij de berekening van de verblijfsduur, wordt slechts gebruik gemaakt in het geval van beroepsmatige detachering in een andere EU-lidstaat. Niet alleen komt die beperking de handhaafbaarheid van deze mogelijkheid ten goede, maar ook stelt het veilig dat de betrokken vreemdeling inderdaad lange tijd in Nederland en andere Europese lidstaten heeft gewoond en deel is blijven uitmaken van de westerse samenleving.

Onderdeel b is van belang voor de herkrijging van de status van langdurig ingezetenen na verlies wegens verblijf buiten Nederland of buiten de Unie. Langdurig ingezetenen mogen hun status ingevolge artikel 9, eerste lid, onder c, van de richtlijn niet behouden, indien zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven. Ook mag de langdurig ingezetene zijn status ingevolge artikel 9, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn niet behouden, indien hij zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat. Voor specifieke gevallen mogen op grond van artikel 9, tweede lid en vierde lid, derde alinea, van de richtlijn in het nationale recht uitzonderingen worden geformuleerd. In geen geval mag de langdurig ingezetene die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in een andere lidstaat heeft gevestigd en ook daar overeenkomstig artikel 23 van de richtlijn de status van langdurig ingezetene heeft verkregen, zijn in de eerste lidstaat verkregen status behouden (artikel 9, vierde lid, eerste alinea, van de richtlijn). Voor deze gevallen, in het bijzonder voor personen die om studieredenen in een tweede lidstaat hebben verbleven, moet op grond van artikel 9, vijfde lid, van de richtlijn worden voorzien in een vereenvoudigde procedure voor het opnieuw verkrijgen van de status van langdurig ingezetene. De in het eerste lid opgenomen uitzondering voorziet reeds in een beperkte regeling. Daarnaast strekt onderdeel b van het derde lid er toe dat de langdurig ingezetene die zich voor studiedoeleinden in een andere lidstaat heeft gevestigd en daardoor zijn status van langdurig ingezetene heeft verloren, die status kan herkrijgen, doordat het verblijf voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland – dat per definitie vijf jaar of langer is – wordt betrokken bij de berekening van de vereiste verblijfsduur. Deze uitzondering geldt slechts voor vreemdelingen die eerder houder zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Daarmee wordt gewaarborgd dat de betreffende vreemdeling in ieder geval ten minste vijf jaren een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel in Nederland heeft gehad. De voorwaarde dat deze vreemdeling houder moet zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de wet stelt veilig dat het alleen gaat om «Nederlandse» langdurig ingezetenen en dat deze uitzondering niet wordt gemaakt ten aanzien van voormalige langdurig ingezetenen uit andere EU-lidstaten. Verder moet de afwezigheid uit Nederland verband houden met verblijf in tenminste één andere lidstaat voor studie of beroepsopleiding, welk verblijf in totaal langer moet hebben geduurd dan zes jaren. Er zal in die gevallen immers als regel sprake zijn geweest van intrekking van de «Nederlandse» status van langdurig ingezetene, op grond van artikel 9, vierde lid, tweede alinea, van de richtlijn, zonder dat de status van langdurig ingezetene door een andere lidstaat is verleend. Aangezien verblijf voor studie of beroepsopleiding naar zijn aard tijdelijk is, wordt in dat geval als voorwaarde gesteld dat de aanvraag tot herverkrijging van de status van langdurig ingezetene wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van de studie of opleiding.

Conform artikel 9, vijfde lid, eerste zin, van de richtlijn voorziet het derde lid, onder b, van artikel 3.92 ook in een vereenvoudigde procedure voor de herverkrijging van de «Nederlandse» status na verlies ervan wegens verblijf gedurende een aaneengesloten periode van tenminste twaalf maanden buiten het grondgebied van de Gemeenschap, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, en het vijfde lid, eerste alinea, evenals in gevallen waarin de «Nederlandse» status is ingetrokken op grond dat de status van langdurig ingezetene is verleend door een andere lidstaat. In die beide gevallen wordt het redelijk geacht te verlangen dat de aanvraag tot herverkrijging wordt ingediend binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van het verlies van de eerder verleende «Nederlandse» status van langdurig ingezetene.

Ingevolge het vierde lid zijn bij de toekenning van de status van langdurig ingezetene de reeds bestaande inkomensvereisten van toepassing. Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de richtlijn moet de vreemdeling die de Europese status van langdurig ingezetene aanvraagt, bewijs overleggen dat hij voor zichzelf en zijn gezinsleden beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en het gezin te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand. Deze inkomsten moeten op hun aard en regelmaat worden beoordeeld, waarbij rekening mag worden gehouden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen. De bestaansmiddelen worden beoordeeld op hun zelfstandigheid, hoogte en duurzaamheid (artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb 2000).

Het vijfde lid bevat dezelfde regeling die voorheen in het voormalige artikel 3.95 van het Vreemdelingenbesluit 2000 was opgenomen omtrent de openbare orde. Toepassing van deze afwijzingsgrond kan aan de orde zijn, indien de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd, waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Dergelijke misdrijven zijn, gelet op de strafbedreiging, reeds in abstracto als ernstig aangemerkt. Voor de beoordeling van de ernst van het misdrijf in het concrete geval wordt aangesloten bij de duur van de door de strafrechter opgelegde straf of maatregel. Die wordt gerelateerd aan de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland (de zogeheten glijdende schaal van artikel 3.86 Vb 2000). Bij een voornemen tot verblijfsbeëindiging op grond van een inbreuk op de openbare orde, wordt in ieder individueel geval getoetst of die in het licht van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gerechtvaardigd is. Ingevolge de vaste rechtspraak van het Europese Hof van de rechten van de mens vergt die beoordeling een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging.

Het zesde lid strekt tot uitvoering van artikel 6, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn. Daarmee wordt voorgeschreven dat bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat op de openbare orde of de openbare veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat, de duur van het verblijf en de banden met het land van verblijf, welke factoren bij de toetsing aan artikel 8 van het EVRM worden betrokken om tot een evenwichtige belangenafweging te kunnen komen. Daarnaast waarborgen ook de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de toepassing van het vijfde en zesde lid een zorgvuldige gegevensvergaring en belangenafweging.

Het zevende lid ziet op de berekening van de voor toekenning van de status van langdurig ingezetene vereiste verblijfsduur van vijf jaar. Als uitgangspunt moet dat verblijf ononderbroken zijn, waarbij perioden van afwezigheid die korter dan zes achtereenvolgende maanden zijn of in totaal niet langer dan tien maanden geen onderbreking vormen (artikel 4, derde lid, eerste alinea, van de richtlijn). Ingevolge de tweede alinea van artikel 4, derde lid, van de richtlijn mag Nederland voor gevallen van specifieke of buitengewone redenen van tijdelijke aard, in het nationale recht bepalen dat een langere periode van afwezigheid evenmin een onderbreking vormt van het verblijf van vijf jaar. Van die bevoegdheid om (zonder toepassing van artikel 13 van de richtlijn) in het nationale recht uitzonderingen te formuleren, is gebruik gemaakt om de groepen terugkeeroptanten die aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ook de status van langdurig ingezetene te kunnen verlenen (zie onderdeel a van het eerste lid, en artikel 3.94). Ook is van die mogelijkheid gebruik gemaakt om vreemdelingen wier verblijf in Nederland weliswaar niet geheel aaneengesloten is, maar die het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst, de status van langdurig ingezetene te kunnen toekennen (zie onderdeel b van het eerste lid). Met de periodes van verblijf buiten Nederland mag bij de berekening van de totale duur van het verblijf ingevolge de tweede alinea van artikel 4, derde lid, van de richtlijn echter geen rekening worden gehouden. Ingevolge het zevende lid wordt in de hier bedoelde gevallen bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar buiten beschouwing gelaten dat gedeelte van het verblijf buiten Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland het tijdvak van zes maanden te boven gaat.

Artikel 3.93

In artikel 3.93 is, ter uitwerking van artikel 21a van de Wet, opgenomen in welke gevallen met toepassing van artikel 13 van de richtlijn een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden verleend. Toepassing van artikel 13 betekent dat de vreemdeling niet de status van langdurig ingezetene verkrijgt, maar wèl in het bezit kan worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In dat geval wordt op het verblijfsdocument de aantekening «II» (niet de aantekening «EG-langdurig ingezetene») gesteld en verkrijgt de vreemdeling niet het recht om zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in een andere lidstaat te vestigen.

Het eerste lid van artikel 3.93 ziet op geprivilegieerde vreemdelingen. Op hen is de richtlijn niet van toepassing (artikel 3, tweede lid, onder f, van de richtlijn). Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is ingediend door een meerderjarige die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status of als afhankelijk gezinslid van een dergelijke vreemdeling, wordt die aanvraag niet afgewezen om de enkele reden dat deze vreemdeling niet vijf jaar achtereen rechtmatig verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning heeft gehad. Het eerste lid is ontleend aan het voormalige artikel 3.93, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het ziet op voormalig geprivilegieerden, die weliswaar lange tijd in Nederland hebben verbleven, maar niet onder de werking van de Vreemdelingenwet 2000 vallen en derhalve niet beschikken over een verblijfsvergunning op grond van die wet. Vreemdelingen die ten minste tien jaren in Nederland hebben verbleven op grond van een bijzondere status op grond van het op 18 april 1961 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101) en het op 24 april 1963 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake consulaire betrekkingen (Trb. 1965, 40), kunnen na verlies van die bijzondere status in aanmerking komen voor een verblijfstitel op grond van de Nederlandse vreemdelingenwetgeving. Als vereiste geldt daarbij dat zij de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen mogen hebben verloren. In de praktijk gaat het hier met name om leeftijdsontslag. Voor invoering van de Vreemdelingenwet 2000 kwamen dergelijke vreemdelingen in aanmerking voor een vergunning tot vestiging. Thans kunnen zij onder dezelfde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de wet. Het tweede subonderdeel (b onder 1°) is gebaseerd op de gewijzigde invulling van het begrip «duurzaam verblijf» (artikel 37 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer) per 1 januari 2000 en de verblijfsrechtelijke gevolgen daarvan voor administratief, technisch en bedienend personeel, particuliere bedienden van ambassades of consulaten, en hun afhankelijke gezinsleden. Op deze groepen is de richtlijn niet van toepassing (artikel 3, tweede lid, onder f, van de richtlijn). Omdat de hier bedoelde vreemdelingen niet eerder in het bezit zijn geweest van enige verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet (2000), impliceert verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan deze groep tevens toepassing van artikel 13 van de richtlijn. In subonderdeel b zijn onder 2° afzonderlijk de geaccrediteerde leden van het personeel van in Nederland zetelende internationale organisaties opgenomen, omdat ten aanzien van hen op onderdelen andere voorwaarden van toepassing zijn. Ten aanzien van het hoogste kader, het hoofd inbegrepen, en het administratief, technisch en bedienend personeel en de afhankelijke meerderjarige gezinsleden geldt niet als voorwaarde dat zij de zogeheten uitgezonden status niet door eigen toedoen mogen hebben verloren doordat zij in subonderdeel b zijn ondergebracht. Ook indien zij deze status nog wel bezitten, kunnen zij in aanmerking komen voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met toepassing van artikel 13 van de richtlijn. Voorts geldt ten aanzien van hen dat bij de berekening van de periode van verblijf op basis van de uitgezonden status perioden van verblijf waarin zij eventueel rechtmatig verblijf genoten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet mede in aanmerking worden genomen. Dat is geregeld in het zesde lid.

Een en ander betekent dat de betrokken vreemdeling niet de status van langdurig ingezetene verkrijgt met het recht om zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in een andere lidstaat te vestigen – daarvoor kan hij pas na verloop van vijf jaar in aanmerking komen – en dat op het verblijfsdocument de aantekening «II» wordt geplaatst. Wat betreft de duurzaamheid van de middelen van bestaan wordt verwezen naar de toelichting op het vijfde lid.

Bij de berekening van de verblijfsduur van vijf jaar mogen ingevolge artikel 4, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn perioden van verblijf voor tijdelijke verblijfsdoelen niet in aanmerking worden genomen (artikel 4, tweede lid, van de richtlijn). Een gunstiger regeling zoals die sedert jaren in het Nederlandse recht wordt gehanteerd, is slechts mogelijk met toepassing van artikel 13 van de richtlijn. Die regeling is derhalve in artikel 3.93, tweede lid, opgenomen: de aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat het verblijfsrecht van de vreemdeling, die op het moment van de aanvraag niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft, in de voorgaande periode van vijf aaneengesloten jaren gedeeltelijk een tijdelijk karakter heeft gehad. In dat verband kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan de buitenlandse student die na vier jaar verblijf op grond van een verblijfsvergunning voor studie deze vergunning heeft laten wijzigen in een vergunning voor gezinsvorming met een Nederlandse partner. In dat geval kan hij ingevolge het tweede lid, als tevoren, reeds na een jaar verblijf in het kader van gezinsvorming in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, zij het dat in dat geval de aantekening «II» op het verblijfsdocument wordt geplaatst. Uiteraard zal hij wel moeten voldoen aan de overige vereisten, waartoe op termijn ook een inburgeringsvereiste zal behoren. Ook bij de beoordeling van de aanvraag van de voormalige houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die zijn verblijf in ons land voor een regulier en niet-tijdelijk verblijfsdoel heeft voortgezet, kan het eerdere verblijf als asielmigrant bij de berekening van de verblijfsduur worden betrokken.

Het derde lid is ontleend aan de voormalige artikelen 3.92, eerste lid, en 3.94, tweede lid, en benoemt, in aanvulling op artikel 21a, tweede en derde lid, nadere gevallen waarin de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet wordt afgewezen op grond van het feit dat zij niet beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Uit artikel 21a, tweede en derde lid, van de wet volgt reeds dat aanvragen van zogeheten tweede generatie vreemdelingen en vreemdelingen die gedurende een tijdvak van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad, niet op deze grond worden afgewezen. Deze gevallen veronderstellen noodzakelijkerwijs toepassing van artikel 13 van de richtlijn, aangezien de vreemdeling die de Europese status van langdurig ingezetene aanvraagt ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de richtlijn bewijs moet overleggen dat hij voor zichzelf en zijn gezinsleden beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en het gezin te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand, en de richtlijn daarop geen uitzonderingen toelaat. In dergelijke gevallen waarin aan het middelenvereiste wordt voorbijgegaan, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd uitsluitend met toepassing van artikel 13 van de richtlijn worden verleend. Op het verblijfsdocument wordt derhalve de aantekening «II» geplaatst.

Op grond van het vierde lid, dat inhoudelijk overeenkomt met het voormalige artikel 3.96, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat er eerder onjuiste gegevens zijn verstrekt die ten onrechte tot verlening, verlenging of wijziging van de vergunning hebben geleid, indien er sinds dat onterechte besluit twaalf jaar is verstreken. In die gevallen weegt het algemene belang om de rechtens onjuiste situatie te corrigeren niet (langer) op tegen het belang van de vreemdeling bij voortzetting van zijn inmiddels zeer lange verblijf in Nederland. De termijn van twaalf jaren sluit aan bij de strafrechtelijke verjaringstermijn en bij de termijn die is opgenomen in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 891 (R1609), nrs 1–6) omtrent de ongedaanmaking van het op onjuiste gegevens ten onrechte verkregen Nederlanderschap.

Het vijfde lid komt inhoudelijk overeen met het voormalige tweede lid van artikel 3.93, dat verwees naar het voormalige artikel 3.94. Op grond van het vijfde lid worden de middelen van bestaan van een bijzonder geprivilegieerde vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 3.92, vierde lid, als duurzaam aangemerkt indien zij nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.

In het zesde lid is geregeld dat voor leden van door Nederland geaccrediteerd personeel van in Nederland zetelende internationale organisaties de perioden van verblijf op basis van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Wet worden betrokken bij de berekening van de vereiste verblijfsperiode van tien aaneengesloten jaren. Hetzelfde geldt voor de afhankelijke gezinsleden van dat lid van het personeel, ook in geval het personeelslid van wie zij afhankelijk zijn, de bijzondere status nog bezit of uit Nederland is vertrokken.

Artikel 3.94

Ingevolge het nieuwe artikel 3.94 zijn de artikelen 3.92, eerste en zesde lid, en 3.93, derde lid, van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet en die direct voorafgaande aan de remigratie als Nederlander in Nederland verbleef, rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de wet in Nederland had, of gedurende vijf jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de wet in Nederland had. Deze terugkeeroptanten konden voorheen op grond van het voormalige artikel 3.92, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Ook thans wordt aan hen na terugkeer naar Nederland niet tegengeworpen dat zij niet vijf aaneengesloten jaren direct voorafgaande aan de aanvraag om een dergelijke vergunning in ons land hebben verbleven. Voor de verkrijging van de Europese status van langdurig ingezetene is overigens wel vereist dat zij beschikken over middelen van bestaan. Indien niet aan het middelenvereiste, maar wel aan de overige voorwaarden, wordt voldaan, wordt op het verblijfsdocument de aantekening «II» geplaatst. Verwezen wordt naar de toelichting bij onderdeel a van artikel 3.92, eerste lid.

Artikel 3.95

Artikel 3.95 bevat een uitwerking van de (in artikel 22, eerste lid, van de wet opgenomen) gronden waarop de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, ongeacht de vraag of de houder een langdurig ingezetene is (met de aantekening «EG-langdurig ingezetene» op het verblijfsdocument) of niet (met de aantekening «II» op het document) kan worden ingetrokken.

Het eerste lid ziet op intrekking van de verblijfsvergunning wegens langdurig verblijf buiten Nederland. Op grond van het gewijzigde artikel 22, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken, indien de vreemdeling twaalf maanden buiten het grondgebied van de gemeenschap of zes jaar buiten Nederland heeft verbleven. Met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de richtlijn, kan in het nationale recht worden bepaald dat afwezigheid van meer dan twaalf maanden buiten het grondgebied van de gemeenschap of afwezigheid om specifieke of uitzonderlijke redenen niet leidt tot intrekking van de status. Ingevolge artikel 9, vierde lid, derde alinea, van de richtlijn mag de betrokken lidstaat ten aanzien van de langdurig ingezetene die zes jaar afwezig is geweest van het grondgebied van de lidstaat die die status heeft verstrekt, bepalen dat die status om specifieke redenen mag worden behouden. Het eerste lid bevat dergelijke uitzonderingen. Deze zijn echter beperkt.

Onderdeel a sluit aan bij het voormalige artikel 22, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Ingevolge die bepaling kon de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken, indien sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland. Indien daarvan geen sprake is, zal de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wegens afwezigheid worden ingetrokken. Bij een verblijf van twaalf maanden of langer buiten de gemeenschap en zeker bij een verblijf van zes jaar buiten Nederland, zal in zeer veel gevallen wel sprake zijn van verplaatsing van het hoofdverblijf.

Onderdeel b ziet op het volgende. Indien de houder van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, ongeacht of het gaat om een langdurig ingezetene, langer dan zes jaar voor studiedoeleinden in een of meer andere lidstaten verblijft, vormt dat geen reden om de verblijfsvergunning in te trekken. De betrokken vreemdeling kan in de andere lidstaat niet de status van langdurig ingezetene verkrijgen – op studenten is de richtlijn immers niet van toepassing (artikel 3, tweede lid, onder a, van de richtlijn) – en van een dreigend verlies van de verblijfstatus in Nederland kan een ongunstige werking uitgaan op de ontplooiingsmogelijkheden van de betrokken vreemdeling en diens bereidheid en mogelijkheden om bij te dragen aan de Nederlandse samenleving en kenniseconomie.

Onderdeel c strekt ertoe gebruik te maken van de bevoegdheid die artikel 9, tweede lid, van de richtlijn aan de lidstaten laat om, in afwijking van artikel 9, eerste lid, onder c, van de richtlijn te bepalen dat afwezigheid van meer dan twaalf aaneensluitende maanden of afwezigheid om specifieke of uitzonderlijke redenen niet leidt tot intrekking van de status.

Gelet op het feit dat Nederland zowel deel uitmaakt van de Europese Unie als van de Europese Economische Ruimte, terwijl de Europese Gemeenschap en haar lidstaten een Overeenkomst zijn aangegaan met de Zwitserse Bondsstaat inzake het vrij verkeer van personen, wordt het niet redelijk geacht om tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan, om de enkele reden dat de houder van de verblijfsvergunning meer dan twaalf aaneensluitende maanden buiten het grondgebied van de Gemeenschap heeft verbleven, in geval hij in die periode niet buiten dat van de Europese Economische Ruimte dan wel Zwitserland heeft verbleven, tenzij hij in totaal meer dan zes jaar afwezig is geweest uit Nederland. Bij dat laatste wordt aangesloten bij artikel 9, vierde lid, eerste alinea, van de richtlijn.

Op grond van het tweede lid van artikel 3.95, dat is ontleend aan het voormalige artikel 3.97, wordt thans dwingend voorgeschreven gebruik te maken van de in artikel 22, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 gegeven bevoegdheid om de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in te trekken op grond dat status van langdurig ingezetene dan wel de met toepassing van artikel 13 van de richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16) verleende verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de richtlijn mogen langdurig ingezetenen die status immers niet behouden, indien wordt vastgesteld dat die op frauduleuze wijze is verkregen. Artikel 9, zevende lid, van de richtlijn geeft de lidstaten echter wel nog de bevoegdheid en de verplichting om de langdurig ingezetene toestemming te geven in een dergelijk geval op het grondgebied te blijven, indien de intrekking of het verlies ervan niet leidt tot verwijdering, indien de langdurig ingezetene voldoet aan de voorwaarden die in de wetgeving van de lidstaat worden gesteld en/of hij geen gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid. Van die bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door te bepalen dat de vergunning niet wordt ingetrokken op deze grond, indien sedert de verkrijging ervan een periode van twaalf jaren is verstreken. In die gevallen wordt de verblijfsvergunning – indien daarop de aantekening was geplaatst «EG-langdurig ingezetene» – gewijzigd, waarbij die aantekening wordt vervangen door de aantekening «II». In die gevallen weegt het algemene belang niet (langer) op tegen het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het verblijf in Nederland. De termijn van twaalf jaren sluit aan bij de strafrechtelijke verjaringstermijn en bij de termijn die is opgenomen in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 891 (R1609), nrs 1–6) omtrent de ongedaanmaking van het op onjuiste gegevens ten onrechte verkregen Nederlanderschap. Wel vervalt door die wijziging het recht om zich op grond van hoofdstuk III van de richtlijn in andere lidstaten te vestigen.

Het derde lid heeft betrekking op intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd op grond van de openbare orde. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan slechts op die grond worden ingetrokken, indien de houder daarvan een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Het derde lid is ontleend aan het voormalige artikel 3.98 van het besluit en regelt in welke gevallen van die bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt. De toepasselijkheid van de zogeheten glijdende schaal, die is neergelegd in artikel 3.86, betekent dat in het concrete geval waarin de opgelegde strafmaat niet de met de verblijfsduur corresponderende norm in de glijdende schaal evenaart, geen gebruik wordt gemaakt van de intrekkingbevoegdheid. Dat blijft gehandhaafd. Nieuw ten opzichte van de voorheen geldende situatie is dat er ingevolge artikel 22, eerste lid, onder c, van de wet (op grond van de artikelen 9, eerste lid, onder b, en 12, eerste lid, van de richtlijn) sprake moet zijn van een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde.

Voordat van de bevoegdheid tot intrekking gebruik wordt gemaakt, zal op grond van het vierde en vijfde lid rekening moeten worden gehouden met onder meer de in artikel 12, derde lid, van de richtlijn genoemde verblijfsduur en leeftijd van de betrokken vreemdeling, de gevolgen van verblijfsbeëindiging voor hem en zijn gezinsleden, en zijn banden met Nederland en het land van herkomst, welke factoren overigens ook van belang zijn voor de op de individuele zaak toegespitste belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM. Ook artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft een zorgvuldige belangenafweging voor bij de voorbereiding van een eventueel besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning.

Onderdeel N (artikel 3.103a)

Op grond van de laatste volzin van artikel 19, tweede lid, van de richtlijn moet Nederland, indien een verblijfsvergunning wordt verleend aan of verlengd van een langdurig ingezetene die die status in een andere lidstaat heeft verkregen en die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in Nederland heeft gevestigd, die andere lidstaat van die vergunningverlening of verlenging in kennis stellen.

Dat procedurevoorschrift is opgenomen in het eerste lid van het nieuwe artikel 3.103a.

Indien Nederland als tweede lidstaat de status van langdurig ingezetene toekent aan een vreemdeling aan wie reeds door een andere (eerste) lidstaat die status is toegekend, dient Nederland die (eerste) lidstaat daarvan in kennis te stellen, ingevolge artikel 23, eerste lid, tweede zin, van de richtlijn. Het eerste lid van artikel 3.103a ziet ook op die situatie, nu daarin is bepaald dat die kennisgeving geldt voor het verlenen van een verblijfsvergunning, en de toekenning van de Europese status in Nederland geschiedt door het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de wet, met daarop de aantekening «EG-langdurig ingezetene», met toepassing van artikel 21 van de wet.

Het tweede lid bevat een procedurele waarborg die strekt tot uitvoering van artikel 22, tweede lid, tweede zin, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de eerste lidstaat in kennis wordt gesteld van het besluit om de verblijfsvergunning van een langdurig ingezetene in te trekken of niet te verlengen, om redenen die verband houden met de openbare orde of de openbare veiligheid, wanneer niet langer aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan of wanneer de onderdaan van het derde land niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft. In die gevallen is de eerste lidstaat verplicht om de langdurig ingezetene onmiddellijk en zonder formaliteiten terug te nemen en kan de langdurig ingezetene naar die lidstaat worden verwijderd.

Het derde lid bevat eveneens een procedurele waarborg met betrekking van de uitzetting van de langdurig ingezetene uit een andere EU-lidstaat die zich op de voet van hoofdstuk III van de richtlijn in Nederland heeft gevestigd. De minister kan deze vreemdeling om ernstige redenen in verband met de openbare orde of de openbare veiligheid verwijderen van het grondgebied van de Unie. Van zodanige redenen is sprake indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid vormt in de zin van artikel 12 van de richtlijn. Bij de voorbereiding van een dergelijk besluit moet de minister ingevolge artikel 22, derde lid, tweede alinea, van de richtlijn de autoriteiten van die andere lidstaat raadplegen. Indien die autoriteiten of de autoriteiten van een derde lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeling tot hun grondgebied toe te laten, kan Nederland volstaan met de minder ingrijpende maatregel van intrekking van de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van de waarborgen van artikel 12 van de richtlijn en met verwijdering van de vreemdeling naar die lidstaat in plaats van het land van herkomst. Indien de minister na de raadpleging besluit de vreemdeling te verwijderen van het grondgebied van de Unie, neemt de minister ingevolge artikel 22, derde lid, derde alinea, van de richtlijn alle maatregelen die nodig zijn voor de effectieve uitvoering van dat besluit en verstrekt de minister de eerste lidstaat alle benodigde informatie met betrekking tot de uitvoering van het verwijderingsbesluit. Deze verplichting is neergelegd in de tweede volzin van het derde lid.

Het vierde lid is een procedurele bepaling die ertoe strekt uitvoering te geven aan artikel 25, eerste lid, van de richtlijn, waarin de lidstaten wordt voorgeschreven contactpunten aan te wijzen die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en toezenden van de in artikel 19, tweede lid, artikel 22, tweede lid, en artikel 23, eerste lid, van de richtlijn bedoelde informatie. Daartoe wordt de minister aangewezen. In de praktijk zal het Koppelingsbureau van de Immigratie- en Naturalisatiedienst als zodanig fungeren.

Onderdeel O( (artikel 3.104)

Het nieuwe vijfde lid van artikel 3.104 strekt tot implementatie van artikel 7, tweede lid, derde alinea, van de richtlijn, inhoudende dat bij de schriftelijke mededeling, bedoeld in de eerste alinea ervan, wordt meegedeeld welke rechten en plichten de betrokkene krachtens de richtlijn heeft.

Onderdeel Q (artikel 5.1)

Door middel van deze wijziging wordt beoogd veilig te stellen dat de langdurig ingezetene die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning «EG-langdurig ingezetene» en tevens houder van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, niet de vrijheid van beweging wordt beperkt, anders dan om redenen van veiligheid die door de nationale wetgeving worden opgelegd, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder h, juncto artikel 21, eerste lid, van de richtlijn.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Transponeringstabel

Richtlijn

Vreemdelingenbesluit 2000

4 lid 2, tweede alinea

3.92 lid 2

4 lid 3, tweede alinea

3.92 lid 1 en 7

4 lid 3, derde alinea

3.92 lid 3 onder a

5 lid 1, onder a

3.92 lid 4 j° 3.73 t/m 3.76

6 lid 1, tweede alinea

3.92 lid 5 en 6

7 lid 2, derde alinea

3.104 lid 5

9 lid 1, onder a

3.95 lid 2

9 lid 1, onder b

3.95 lid 3

9 lid 2

3.95 lid 1 onder a, b en c

9 lid 4, derde alinea

3.95 lid 1 onder a en b

9 lid 5

3.95 lid 1 onder a en b, 3.92 lid 1, 3.92 lid 3, 3.94

9 lid 7

3.95 lid 2

11 lid 1 onder h j° 21 lid 1

5.1 lid 2

12 lid 1

3.95 lid 3

12 lid 3

3.95 lid 5

14 lid 2

3.4, lid 1, aa, 3.29a, 3.30, 3.31, 3.41

15 lid 1, eerste alinea

3.3 lid 1 onder e

16 lid 1 t/m 4

3.23a, 3.24

17 lid 1, tweede alinea

3.77 lid 5

18 lid 2

3.79 lid 1

18 lid 4

3.79 lid 2

19 lid 2

3.103a lid 1

19 lid 3

3.67 lid 3

22 lid 1, onder a

3.86 lid 10

22 lid 2, eerste zin

2.1a

22 lid 2, tweede zin

3.103a lid 2

22 lid 3, eerste alinea

3.103a lid 3

22 lid 3, tweede alinea

3.103a lid 2

22 lid 3, derde alinea

3.103a lid 3

23, eerste lid, tweede zin

3.103a lid 1

25, eerste alinea

3.103a lid 4


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 december 2006, nr. 242.

XNoot
1

[doss. 2001/0074(CNS)] d.d. 22 maart 2002, 5580/02, MIGR 6.