Wet van 2 november 2006 tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de invoering van een nieuw stelsel voor bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuw stelsel in te voeren voor de beveiliging van personen en de bewaking en beveiliging van objecten en diensten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde mede verstaan: het waken voor de veiligheid van personen.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid, onderdeel c, wordt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot door een komma, toegevoegd: alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Onze Minister van Justitie kan de commandant van de Koninklijke marechaussee de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven, voorzover het betreft:

    a. de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a en g;

    b. het waken voor de veiligheid van door Onze Minister van Justitie aangewezen personen als bedoeld in het eerste lid, onder b;

    c. de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder c, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart;

    d. de bewaking en beveiliging van de ambtswoning van Onze Minister-President, bedoeld in het eerste lid, onder e.

C

Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 15a

  • 1. Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie gezamenlijk kunnen objecten en diensten aanwijzen waarvan bewaking of beveiliging door de politie noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van de samenleving.

  • 2. De burgemeester draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid, voorzover dat geschiedt ter handhaving van de openbare orde.

  • 3. De officier van justitie draagt zorg voor de uitvoering van een besluit als bedoeld in het eerste lid, voorzover dat geschiedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

D

Artikel 16, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan de commissarissen van de Koning en de burgemeesters, zoveel mogelijk na overleg met hen, algemene en bijzondere aanwijzingen geven met betrekking tot de handhaving van de openbare orde, voorzover dat noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de Staat of de betrekkingen van Nederland met andere mogendheden, dan wel met het oog op zwaarwegende belangen van de samenleving.

E

In artikel 17, eerste lid, wordt «artikel 16» vervangen door: de artikelen 15a, tweede lid, en 16.

F

In artikel 38, eerste lid, onderdeel c, wordt «en andere door het bevoegd gezag aangewezen personen» vervangen door: en andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen.

G

Artikel 38a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien een regionaal politiekorps of de Koninklijke marechaussee bijstand verleent aan het Korps landelijke politiediensten ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder c, kan Onze Minister van Justitie, voorzover het de uitvoering van die bijstandstaak betreft, aan de korpschef van het regionale politiekorps, onderscheidenlijk de commandant van de Koninklijke marechaussee, de nodige algemene en bijzondere aanwijzingen geven.

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De korpschef verstrekt gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister van Justitie de inlichtingen die deze nodig heeft met het oog op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de uitvoering van de taken ten dienste van de justitie.

H

In artikel 53a, vierde lid, eerste volzin, wordt de zinsnede «de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de taken ten dienste van de justitie, dan wel de beveiliging van leden van het Koninklijk Huis en andere door het bevoegd gezag aan te wijzen personen» vervangen door: de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel de taken ten dienste van de justitie.

I

Aan artikel 57 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Behoeft het Korps landelijke politiediensten bijstand van regionale politiekorpsen bij de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder c, dan verstrekt Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gehoord het College van procureurs-generaal, aan de betrokken korpsbeheerders de nodige opdrachten.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 2 november 2006

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Defensie,

H. G. J. Kamp

Uitgegeven de eenentwintigste november 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 041

Naar boven