Besluit van 1 november 2006, houdende wijziging van het Besluit tot vaststelling van de maximale termijn gedurende welke subsidie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt gegeven voor de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 september 2006, nr. 5441979/06/6;

Gelet op artikel 15, derde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;

De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2006, nr. W03.06.0412/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 oktober 2006, nr. 5448226/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In artikel I van het Besluit tot vaststelling van de maximale termijn gedurende welke subsidie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt gegeven voor de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen wordt de zinsnede «10 jaren» vervangen door: vijftien jaren.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 1 november 2006

Beatrix

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Uitgegeven de veertiende november 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

In artikel 15, lid 3 van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (Stb. 1995, 198) is bepaald dat de Minister van Justitie gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn jaarlijks aan het Bureau ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de vervulling van de aan het LBIO opgedragen taken ter zake van de inning van onderhoudsbijdragen voor minderjarigen en meerderjarigen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

Bij Besluit van 31 januari 1997 tot vaststelling van de maximale termijn gedurende welke subsidie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt gegeven voor de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen (Stb. 1997, 55) is deze termijn gesteld op ten hoogste tien jaren, te rekenen vanaf 1 januari 1997.

Bij de vaststelling van deze termijn werd ervan uitgegaan dat het LBIO voor wat betreft de kosten van de werkzaamheden gemoeid met de inning van kinderalimentatie uiteindelijk kostendekkend zou gaan werken en dat de bijdrage vanuit het Ministerie van Justitie aflopend zou zijn. Deze bijdrage zou aanvullend zijn voorzover de kosten terzake van de inning van kinderalimentatie niet gedekt zouden worden door de kostenopslag die op grond van art. 408: lid 3 Boek 1 BW, verschuldigd is door de alimentatieplichtige ouder. (Kamerstukken II, 1994-95, 23938, nr. 3, blz.12 ). Inmiddels is uit een evaluatie naar de mate van kostendekkendheid van het LBIO gebleken, dat volledige kostendekkendheid niet gerealiseerd is en ook in de toekomst niet haalbaar zal zijn.

Alleen indien de invordering van kinderalimentatie wordt overgenomen door het LBIO, worden de kosten van invordering door het LBIO verhaald op de onderhoudsplichtige. Dit gebeurt door verhoging van de lopende betalingsverplichting. In het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties (Stb. 1993, 604) is bepaald dat deze opslag 10% van de periodieke betalingsverplichting is met een minimum van € 11,34.

Het LBIO verricht in het kader van de inning van kinderalimentatie ook activiteiten waarvoor geen kostenopslag in rekening kan worden gebracht, omdat er uiteindelijk geen invordering plaatsvindt.

Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor als het inningsverzoek niet (verder) in behandeling kan worden genomen omdat bijvoorbeeld niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan of de alimentatieplichtige onvindbaar is (in 2005 20% van de gevallen) of met de hulp van het LBIO de onderlinge betaling van kinderalimentatie (weer) op gang is gebracht (in 2005 in 55% van de resterende zaken). In 45% van de resterende zaken neemt het LBIO de invordering over, hetzij door de totstandkoming van een betalingsregeling, hetzij via (loon)beslag. In die gevallen wordt aan de alimentatieplichtige een kostenopslag in rekening gebracht.

Nu volledige kostendekkendheid niet te realiseren is, zal de in artikel 15, lid 3 Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen voorziene termijnstelling worden geschrapt. Een wetsvoorstel terzake is in voorbereiding. In afwachting daarvan moet de termijn van 10 jaren, die eind 2006 afloopt, verlengd worden. Voorts zal bevorderd worden dat de mate van kostendekkendheid wordt vergroot. Dit zal onder meer gebeuren door een verhoging van de kostenopslag in het hiervoor genoemde Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties.

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven