Besluit van 20 januari 2006, houdende wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met onder meer een technische wijziging van de kwijtscheldingsregeling en aanpassing aan de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, van 17 november 2005, nr. WJZ/2005/50120 (1737), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 3.14, derde lid, 6.2, derde lid en 10.6, zevende lid, van de Wet studiefinanciering 2000;

De Raad van State gehoord (advies van 1 december 2005, nr. W05.05.0508/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. M. Rutte, van 17 januari 2006, nr. WJZ/2006/280 (1737), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:

108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet over dat loon.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet» wordt ingevoegd: , voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder,.

2. Onderdeel e komt te luiden:

e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.

3. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op

    a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of

    b. een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd.

C

In de artikelen 7 tot en met 11 wordt «artikel 6» telkens vervangen door: artikel 6, eerste lid.

D

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 6» vervangen door «artikel 6, eerste lid» en wordt «de ontvangen alimentatie» vervangen door: het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.

E

Artikel 12a komt te luiden:

Artikel 12a. Reikwijdte partnerbegrip

In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat.

F

De artikelen 12b, 12c, 12d en 12e worden als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «in het eerste jaar van de aflosfase» wordt telkens vervangen door: in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.

2. «gecorrigeerd verzamelinkomen» wordt telkens vervangen door: toetsingsinkomen.

3. «gecorrigeerde verzamelinkomen» wordt telkens vervangen door: toetsingsinkomen.

4. «gecorrigeerde belastbare minimumloon» wordt telkens vervangen door: belastbaar minimumloon.

G

Artikel 12f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «van het tweede jaar van de aflosfase» vervangen door: van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De IB-Groep neemt slechts een aanvraag in behandeling die wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen 4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.

H

In artikel 17, tweede lid, wordt «4.17» vervangen door: 4.18.

I

In artikel 18, eerste lid, wordt «ten minste 10 studiepunten» vervangen door «ten minste 14 studiepunten» en wordt «studielast x 12 : 42» vervangen door: studielast x 12 : 60.

J

Artikel 30a komt te luiden:

Artikel 30a. Overgangsbepaling artikel 2

  • 1. Indien het derde jaar na het laatste studiefinancieringstijdvak vóór 2006 is gelegen, wordt voor de toepassing van artikel 2 onder belastbaar minimumloon verstaan:

    a. de som van:

    1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en

    2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld,

    b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, zoals die luidde op 31 december 2005, over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen, en

    c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31 december 2005.

  • 2. Indien ingevolge de Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31 december 2005, een premie is ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd.

  • 3. Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet, zoals die luidden op 31 december 2005, wijziging heeft ondergaan, wordt de hoogte van de premie of deze bijdrage over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en kan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 20 januari 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Rutte

Uitgegeven de zevende februari 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

1.1. Aanpassing kwijtscheldingsregeling

In hoofdstuk 3a van het Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000) is geregeld dat studerenden die hun diploma niet halen bij een beperkt inkomen hun aanvullende beurs krijgen kwijtgescholden. Bij het opstellen van dit hoofdstuk is als peiljaar voor het inkomen gekozen voor het derde jaar na beëindiging van de studie, zodat sprake is van een reëel en stabiel inkomen.

De wijze waarop de kwijtscheldingsregeling is opgenomen in het BSF 2000 kan op twee onderdelen ongewenste effecten opleveren. Daarom wordt de regeling op deze twee onderdelen gewijzigd:

1. Het peiljaar voor toetsing van het inkomen is gekoppeld aan een aaneengesloten periode van studiefinanciering. Onbedoeld gevolg hiervan is dat studerenden die de studie onderbreken te maken krijgen met meerdere peiljaren voor het toetsingsinkomen. Elke keer dat de studiefinanciering wordt stopgezet begint immers een terugbetalingsperiode te lopen. Deze wordt weliswaar geschorst op het moment dat de studerende weer begint met studeren, maar loopt door op het moment dat de studerende zijn studie weer onderbreekt (of stopzet). Elke aaneengesloten periode aanvullende beurs wordt hierdoor apart beoordeeld voor de kwijtschelding.

Studerenden die de studie onderbreken kunnen hiervan hinder ondervinden:

– zij moeten meerdere aanvragen indienen voor kwijtschelding van aanvullende beurs (onnodige administratieve lasten en complexe uitvoering),

– er gelden verschillende peiljaren voor het inkomen voor de verschillende studiefinancieringsperiodes.

De peiljaren voor het inkomen kunnen hierdoor overeenkomen met een jaar waarin de studerende ook een aantal maanden studeert. Dit is in strijd met de bedoeling van de kwijtscheldingsregeling. Bedoeling is te toetsen op een reëel en stabiel inkomen.

2. De maximale inlevertermijn van de aanvraag voor kwijtschelding is gekoppeld aan de diplomatermijn. Omdat het peiljaar voor het inkomen drie jaar na het einde van de studie ligt, kan dit na de diplomatermijn zijn. Sommige studerenden moeten dan dus een aanvraag indienen nog voordat zij weten of zij een inkomen onder de inkomensgrens hebben (en dus in aanmerking komen voor de regeling).

Bovengenoemde knelpunten worden met deze wijziging van de kwijtscheldingsregeling opgelost. In vrijwel alle gevallen is er dan sprake van één peiljaar en één aanvraag. Dat is ook het geval als de studerende de studie heeft onderbroken en daarna hervat. Dit peiljaar is voor studerenden die hun studiefinanciering aaneengesloten gebruiken gelijk aan het huidige peiljaar. Voor studerenden die de studiefinanciering over verschillende periodes opnemen wordt het peiljaar gekoppeld aan de laatste periode waarover studiefinanciering is ontvangen. Het peiljaar komt dus in ieder geval niet eerder te liggen dan nu het geval is. Pas bij een onderbreking van meer dan drie jaar ontstaat de mogelijkheid dat voor een studerende meer dan één kwijtscheldingsmoment van toepassing is. Gelet op de keuze voor het derde kalenderjaar na afstuderen als peiljaar is dit echter niet te vermijden.

Tevens wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat het peiljaar na de diplomatermijn ligt. In dat geval mag de studerende ook na de diplomatermijn nog een aanvraag indienen.

1.2. Aanpassing aan Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Op 1 september 2005 is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) (Stb. 2005, 344) ingevoerd. In deze wet wordt onder meer een nieuw partnerbegrip geïntroduceerd. Het BSF 2000 wordt hierop aangepast.

Tevens wordt voor de kwijtscheldingsregeling een nieuw inkomensbegrip gehanteerd: het toetsingsinkomen. Dit nieuwe begrip is met de Wet van 22 december 2005, houdende wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enige andere wetten (Stb. 2005, 691) in de Wet studiefinanciering 2000 opgenomen. De correctie op het verzamelinkomen komt hiermee te vervallen.

1.3. Uitvoeringsgevolgen

De technische aanpassing van de regeling van de kwijtschelding aanvullende beurs geschiedt mede op verzoek van de IB-Groep. De aanpassing draagt derhalve bij aan een betere uitvoerbaarheid door de IB-Groep.

1.4. Financiële gevolgen

De wijzigingen van dit besluit in het kader van de kwijtscheldingsregeling zijn wijzigingen om onbedoelde gevolgen tegen te gaan. Deze onbedoelde gevolgen zijn in de originele ramingsmethode uiteraard niet opgenomen. Omdat inhoudelijk niets wordt gewijzigd, zijn er geen budgettaire gevolgen.

De wijzigingen van dit besluit in het kader van de AWIR volgen uit de AWIR, de hieruit voortvloeiende Aanpassingswet AWIR en de daarmee verband houdende wijzigingswetten (waaronder de eerder genoemde Wet van 22 december 2005, houdende wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enige andere wetten (Stb. 2005, 691)). De financiële gevolgen daarvan zijn bij die wetten zelf in kaart gebracht.

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

In de aanpassingswet bij de AWIR (Stb. 2005, 343) wordt in de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) de correctie op het verzamelinkomen, het belastbaar loon en het belastbaar minimumloon in drie jaar afgebouwd. Uitzondering daarop vormt de kwijtscheldingsregeling. Omdat de kwijtscheldingsregeling een «nieuwe» regeling is (gaat feitelijk pas per 1 januari 2006 werken) en een eenmalige actie voor betrokkenen, is het niet logisch met een «afbouw» begrip te werken. Afbouw van de correctie is nodig om mensen niet te abrupt te confronteren met verschillen tussen een oud en een nieuw systeem en daar is in dit geval geen sprake van. Voor de kwijtscheldingsregeling wordt in de WSF 2000 dus uitgegaan van het belastbaar minimumloon. Dit begrip wordt in artikel 2 van het BSF 2000 ingevuld. Aangesloten wordt bij het begrip «drempelinkomen» zoals dat in de Wet op de zorgtoeslag (Stb. 2005, 369) wordt gehanteerd. Zie ook de toelichting bij artikel I, onderdeel J.

Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat de definitie van «belastbaar minimumloon» dient om een algemeen geldend niveau te bepalen. Dat algemeen geldende niveau wordt vervolgens gebruikt als drempelwaarde om te bepalen of iemand voor kwijtschelding in aanmerking komt of niet.

Artikel I, onderdeel B en C

In artikel 6 is verduidelijkt dat het bij aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14 van de wet slechts gaat om het deel van de aanvullende lening dat ontstaat uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder. Het kan immers zeer goed voorkomen dat er een ernstig conflict is met één van de ouders, maar dat de andere ouder, op basis van de inkomensgegevens van beide ouders, verondersteld wordt in de volledige bijdrage aan de studerende te voorzien. Voor zo’n geval is artikel 3.14 van de wet niet bedoeld.

Eén van de gevallen waarin de aan de student toegekende aanvullende lening kan worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, is onvindbaarheid van de ouder. Al doet de formulering van het oude onderdeel e anders vermoeden, het ging en gaat hier om de daadwerkelijk onvindbare ouder en niet om de ouder wiens inkomen niet is vast te stellen. Dit blijkt ook uit het reeds bestaande artikel 11, waarin onderdeel e wordt uitgewerkt. Bedoeld is de situatie te beschrijven waarin de verblijfplaats van een ouder onbekend is. Om verwarring te voorkomen is de redactie van onderdeel e aangepast. Mocht de verblijfplaats van een ouder wel bekend zijn, maar is zijn inkomen ondanks dat niet vast te stellen (de ouder bevindt zich bijvoorbeeld in het buitenland), kan de student geen succesvol beroep doen op onvindbaarheid van de ouder. Het staat de student dan overigens wel vrij een beroep te doen op een van de andere situaties, beschreven in artikel 6.

In het nieuwe tweede lid is geregeld dat tot maximaal twee jaar een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14 van de wet kan worden gedaan. Er moet over die periode wel een aanvullende beurs zijn aangevraagd.

Artikel I, onderdeel D

Het is voor de IB-Groep lastig vast te stellen wat de student feitelijk aan alimentatie ontvangt. In de praktijk wordt hiervoor het door de rechter vastgestelde bedrag gehanteerd. De redactie van artikel 12 is hierop aangepast.

Uit het tweede lid van artikel 12 volgt dat ontvangen alimentatie in de plaats van de ouderlijke bijdrage wordt gesteld vanaf de datum dat het verzoek bij de rechtbank is ingediend. In de meeste gevallen stelt de rechter een ingangsdatum vast die overeenkomt met de datum dat het verzoek bij hem is ingediend. Echter, in voorkomende gevallen wijkt hij af en stelt een eerdere of latere ingangsdatum vast. Om te voorkomen dat de alimentatie in dat geval voor de betrokkene te vroeg of te laat in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt gesteld, wordt dit artikel aangepast.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 12a is aangepast aan het nieuwe partnerbegrip van de AWIR.

Voor de toepassing van dit artikel wordt overigens geen onderscheid gemaakt tussen een debiteur met studerende partner en een debiteur met een niet-studerende partner.

Artikel I, onderdeel F

De correctie op het verzamelinkomen vervalt.

Om zoveel mogelijk te voorkomen dat meerdere aanvragen tot kwijtschelding moeten worden gedaan, is de omschrijving van peiljaar aangepast (zie algemeen deel toelichting, onder 1).

Artikel I, onderdeel G

Voor de beheersbaarheid en uitvoerbaarheid van de regeling is het van belang een einddatum van indiening te kennen. Het einde van de diplomatermijn als einddatum is onhandig en praktisch onuitvoerbaar voor studerenden die vlak voor het einde van deze termijn hun studie zonder diploma beëindigen. De einddatum van indiening wordt in zoverre verlengd dat de studerenden ook nog na het einde van de diplomatermijn, binnen een bepaalde termijn, een aanvraag kunnen indienen.

Artikel I, onderdeel H

In het tweede lid van artikel 17 werd per abuis naar het verkeerde artikel van de WSF 2000 verwezen. Dat wordt thans hersteld.

Artikel I, onderdeel I

In artikel 18, eerste lid, van het BSF 2000 wordt gesproken over 10 studiepunten. Dit zijn echter nog steeds de originele studiepunten van vóór de invoering van het nieuwe Europese studiepuntensysteem: het European Credit Transfer System (ECTS). De oude studiepunten moeten dan ook worden omgerekend naar ECTS-studiepunten. 10 studiepunten was destijds ongeveer een kwart van de nominale studiedruk per jaar (42 punten). Vergeleken met de huidige nominale studiedruk per jaar (60 ECTS) moeten deze 10 studiepunten (oud) gewijzigd worden in 14 studiepunten ECTS. Deze wijziging moet terugwerken tot en met 1 september 2002: het tijdstip waarop het ECTS werd ingevoerd.

Artikel I, onderdeel J

Het oude artikel 30a is uitgewerkt en kan dus vervallen.

Omdat het in de Wet op de zorgtoeslag (Stb. 2005, 369) gehanteerde «drempelinkomen», waarbij in dit besluit wordt aangesloten, pas gaat gelden voor inkomens vanaf 2006 en voor de kwijtscheldingsregeling een t-2 systematiek wordt gehanteerd (waardoor in 2006 aan de inkomens van 2004 getoetst wordt), kan het drempelinkomen niet zonder meer per 2006 in dit besluit worden overgenomen. Een nieuw overgangsartikel 30a regelt dat indien het peiljaar is gelegen vóór 2006, er, in afwijking van artikel 2, uitgegaan wordt van de «oude» invulling van het begrip (gecorrigeerd) belastbaar minimumloon, zij het dat de correctie is vervallen (zie de toelichting bij artikel I, onderdeel A).

Artikel II

Ingevolge artikel 6.2, zevende lid, WSF 2000, moet dit besluit voorhangen bij beide kamers der Staten-Generaal. Tevens moet de inwerkingtreding gekoppeld worden aan de inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2005, houdende wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enige andere wetten (Stb. 2005, 691), waarin geregeld is dat de correctie op het belastbaar minimumloon en de correctie op het verzamelinkomen voor de kwijtscheldingsregeling in één keer vervallen. Die wet is per 1 januari 2006 inwerking getreden; op het moment dat ook de AWIR feitelijk ging werken. Met de toepassing van terugwerkende kracht moet alsnog inwerkingtreding van het onderhavige besluit per 1 januari 2006 worden bereikt. Terugwerkende kracht is mogelijk; het gaat in dit geval niet om een belastende maatregel. Immers, de correctie op het toetsingsinkomen (het inkomen van de student en eventueel diens partner) en de correctie op het inkomensbegrip (de basis voor de inkomensgrens) vervallen. Hierdoor stijgen het inkomen van de debiteur en diens eventuele partner. Tevens stijgt de inkomensgrens. De stijging van het inkomen van debiteur en eventuele partner is nooit hoger dan de stijging van de inkomensgrens, waardoor niemand erop achteruit gaat.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. Rutte


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven