Besluit van 21 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, het Vuurwerkbesluit en het Arbeidsomstandighedenbesluit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 januari 2006, nr. DJZ2006224316, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 10), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2003 (PbEU L 345) en op de artikelen 1.1, derde lid, 8.40 en 8.44 van de Wet milieubeheer, 10a, derde lid, en 26 van de Wet rampen en zware ongevallen en 6, eerste lid, en 16 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 9 februari 2006, no. W08.06.0007/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 augustus 2006, nr. DJZ 2006285300, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel m door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:

n. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. De onderdelen c tot en met g worden geletterd b tot en met f.

C

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «De aanwijzing geschiedt in overeenstemming met:

a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

b. burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen, en

c. het bestuur van de regionale brandweer of de besturen van de regionale brandweren in wier gebied de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen».

2. In het tweede lid wordt na «in kennis.» een zin ingevoegd, luidende:

Het bevoegd gezag zendt een afschrift van die aanwijzing aan:

a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

b. burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen, en

c. het bestuur van de regionale brandweer of de besturen van de regionale brandweren in wier gebied de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen.

D

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11

  • 1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, desgewenst kennis kunnen nemen van het veiligheidsrapport en de wijziging daarvan, voorzover het betreft de onderdelen a, c, d, e, onder 1°, f, h tot en met l, n, p en q van bijlage III, onder 1, voorzover die onderdelen verband houden met de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf of de inrichting of een deel daarvan werkzame werknemers.

  • 2. De werkgever voert over de onderdelen van het veiligheidsrapport, genoemd in het eerste lid, en de wijziging daarvan, voorafgaand aan de toezending aan het bevoegd gezag, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, overleg met de belanghebbende werknemers.

E

Artikel 15, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen b en c vervallen.

2. De onderdelen d en e worden geletterd b en c.

F

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «hun oordeel over de aanvaardbaarheid van de in het rapport weergegeven risico’s» vervangen door: hun conclusies naar aanleiding van het veiligheidsrapport.

2. In het derde lid vervalt «, en na een op dat rapport gebaseerde inspectie ter plaatse».

3. In het vierde lid wordt «onvoldoende is om de aanvaardbaarheid te beoordelen» vervangen door: onvolledig is,.

4. Na het vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 5. Degene aan wie een verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan binnen de bij dat verzoek gestelde termijn te voldoen.

  • 6. Bij de conclusies, bedoeld in het eerste lid, en het verzoek, bedoeld in het vierde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid, onderlinge samenhang en tijdigheid van die conclusies of dat verzoek en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.

G

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bevindingen» telkens vervangen door: conclusies.

2. In het vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid wordt «individueel risico» telkens vervangen door: van het plaatsgebonden risico.

3. In het vierde lid, onderdeel e, wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;» vervangen door: het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, en.

H

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting is gelegen met het oog op de toepassing van het eerste lid een advies heeft uitgebracht, betrekt het bevoegd gezag dat advies bij de actualisering van de vergunning, bedoeld in het eerste lid.

I

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede zin, tweede lid, eerste zin, derde lid en in de aanhef van het vierde lid wordt «het interne noodplan» telkens vervangen door: het intern noodplan.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de bedrijfshulpverleners en de hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en de werknemers van andere werkgevers, die mede in de inrichting werkzaam zijn, desgewenst kennis kunnen nemen van het intern noodplan.

J

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «die in het kader van het inspectieprogramma wordt uitgevoerd,».

2. Na het zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 7. Bij het opstellen van het gezamenlijk rapport, bedoeld in het derde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid en onderlinge samenhang van het gezamenlijk rapport en tijdige toezending van dat rapport aan degene die de inrichting drijft en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.

K

Artikel 25 komt te luiden:

Artikel 25

  • 1. Handelen of nalaten in strijd met het krachtens artikel 10a, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen in de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vijfde lid, en 21, eerste lid, bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.

  • 2. Handelen of nalaten in strijd met het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandigenhedenwet 1998 in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 11, 13, tweede en derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vijfde lid, 17, 21, eerste lid, 22, eerste tot en met vierde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en het krachtens artikel 29 bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 3°, van de Wet op de economische delicten.

L

Bijlage I, Deel 2, wordt als volgt gewijzigd:

1. In kolom 1 wordt «6. Ontvlambaar 6», «7a. Licht ontvlambaar 7.1 en 7.2», «7b Licht ontvlambaar 7.3» en «8. Zeer licht ontvlambaar 8» vervangen door respectievelijk:

6. Ontvlambaar 10, 7a. Licht ontvlambaar 11.1 en 11.2, 7b. Licht ontvlambaar 11.3 en 8. Zeer licht ontvlambaar 12.

2. In kolom 1, wordt in nummer 9, onder b, voor «vergiftig» ingevoegd «zeer».

M

In Bijlage II wordt in onderdeel d «het toezicht op de uitvoering» vervangen door: de beheersing van de uitvoering.

N

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1, onder l en q, onder 4°, wordt «het interne noodplan» telkens vervangen door: het intern noodplan.

2. In onderdeel 2, onder c, wordt «de kans dat een persoon, die daar voortdurend in de buitenlucht zou verblijven, ten gevolge van enig ongewoon voorval in de inrichting binnen een jaar om het leven komt,» vervangen door: het plaatsgebonden risico.

O

In de aanhef van bijlage IV wordt «het interne noodplan» vervangen door: het intern noodplan.

ARTIKEL II

Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «van toepassing is» ingevoegd: en die verklaring betrekking heeft op het onderdeel externe veiligheid.

2. Onderdeel a komt te luiden:

a. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;.

B

In artikel 8.2, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, wordt «individueel risico» telkens vervangen door: van het plaatsgebonden risico.

ARTIKEL III

Het Vuurwerkbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1.1, vierde lid, wordt in de aanhef na «mede verstaan» ingevoegd: een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid of.

B

Aan artikel 1.1.3 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed.

C

Artikel 1.3.2, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt na «per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen» ingevoegd: of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen.

2. In onderdeel c wordt de punt aan het slot vervangen door een puntkomma.

3. In onderdeel d wordt na «overgeladen» ingevoegd: en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding.

D

In artikel 3.2.1, derde lid, wordt na «van toepassing is op die opslag» ingevoegd: of aan de vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, een voorschrift is verbonden, waarvan de inhoud overeenkomt met voorschrift 2.1.3 van de bijlage, onder B, bij dat besluit.

ARTIKEL IV

Artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij het opstellen of wijzigen van het intern noodplan wordt, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, overleg gevoerd met de belanghebbende werknemers. Over het intern noodplan en de wijziging daarvan wordt tevens overleg gevoerd met de werknemers van andere werkgevers, die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de bedrijfshulpverleners en de hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 2.16, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de wet, de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de wet, en de werknemers van andere werkgevers, die mede in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn, desgewenst kennis kunnen nemen van het intern noodplan.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 21 augustus 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de eenentwintigste september 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Het onderhavige besluit strekt tot wijziging van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (hierna: Brzo 1999), het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, het Vuurwerkbesluit en van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Doel van dit besluit is verbetering van enkele in de praktijk gebleken onvolkomenheden.

Het betreft met name de volgende verbeteringen:

a. reductie van de complexiteit van de uitvoering;

b. het completeren van de handhavingsmogelijkheden;

c. het explicieter maken van de één-loket gedachte ten behoeve van de betrokken bedrijven en de bijbehorende coördinerende taken van het bevoegd gezag, en

d. het beter informeren van werknemers.

§ 2. Effecten voor bedrijfsleven en overheden

2.1. Administratieve lasten

De verandering in administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven ten gevolge van dit besluit is marginaal. Ten eerste bevat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 al een algemene informatieplicht voor werkgevers om werknemers te informeren over te verrichten werkzaamheden, de daaraan verbonden risico’s en de maatregelen om die risico’s te beperken. Ten tweede zijn zowel het veiligheidsrapport als het intern noodplan al aanwezig en volstaat een mededeling dat beide documenten op een daartoe door de werkgever aangegeven plaats voor inzage aanwezig zijn. In dat licht zullen de wijzigingen van de artikelen 11 en 22 (zie artikel I, onderdelen D en H) naar verwachting leiden tot een toename van administratieve lasten van ten hoogste € 6.300,– per jaar, ofwel hooguit € 23,– per bedrijf.

Aangezien de toename van de administratieve lasten minder bedraagt dan de ondergrens van € 10.000,–, die het Adviescollege toetsing administratieve lasten hanteert bij het toetsen van ontwerpregelgeving, is dit besluit niet ter toetsing aan dat college voorgelegd.

2.2. Bedrijfseffecten

Dit besluit heeft betrekking op ca. 275 bedrijven, waarvan het merendeel al aan de gevraagde informatieverplichtingen voldoet. De feitelijke toename van de gemiddelde lasten per bedrijf zijn dan ook lager dan bovenstaand bedrag van € 23,–.

Dit besluit heeft geen effect op marktordening, marktstructuur en markttoetreding. Van dit besluit gaat ook geen marktverstorende werking uit. Het voorziet in algemene, voor alle betrokken bedrijven geldende regels, ongeacht of het Nederlandse of buitenlandse bedrijven zijn.

Door het expliciteren van de coördinatietaken van het bevoegd gezag zal de één-loket gedachte voor de betrokken bedrijven beter vorm kunnen krijgen. Te verwachten valt dat daardoor de contacten tussen bedrijf en de diensten efficiënter zullen verlopen.

2.3. Bestuurslasten

Dit besluit leidt niet tot lastenverzwaring voor de decentrale overheden.

§ 3. Milieu-effecten

Dit besluit heeft geen effecten voor het milieu.

§ 4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Met dit besluit is de complexiteit van de uitvoering door de veelheid aan betrokken ambtenaren en bestuurders en de voorheen voorgeschreven bestuurlijke afstemming gereduceerd, waar dat in de praktijk geen toegevoegde waarde bleek te hebben. Door de al eerder verplichte coördinatie tussen de diensten door het bevoegd gezag explicieter te maken, kan de efficiëncy van de uitvoering verder vergroot worden.

Ten slotte is door de aanvullende strafbaarstelling (zie artikel I, onderdeel J) de handhaafbaarheid van het Brzo 1999 gecompleteerd.

§ 5. Toepassing van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer

Ingevolge genoemd lid is het ontwerp van dit besluit in verband met de zogenaamde «inspraakronde» op 15 september 2005 gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 179, pag. 9) en in verband met de zogenaamde «voorhangprocedure» bij brieven van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 september 2005 aan de Voorzitters van de Tweede respectievelijk Eerste Kamer overgelegd aan de Staten-Generaal.

De inspraakronde en voorhangprocedure hebben niet tot reacties geleid.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Door het in dit besluit gebruiken van de term plaatsgebonden risico in plaats van individueel risico is aangesloten bij de in het Besluit externe veiligheid inrichtingen gehanteerde terminologie.

Onderdeel B

Gebleken is dat de formulering van het vervallen onderdeel b tot mogelijke misverstanden kon leiden, namelijk dat het Brzo 1999 in het geheel niet van toepassing is op inrichtingen waarop de Kernenergiewet van toepassing is. Uit artikel 22.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) volgt dat het mogelijk is dat op een inrichting zowel de Kernenergiewet als hoofdstuk 8 van de Wm van toepassing is. Dat betekent dat op inrichtingen gelijktijdig zowel het Brzo 1999 als de Kernenergiewet van toepassing kan zijn. Immers binnen een inrichting kan zowel sprake zijn van risico’s op het gebied van ioniserende straling als van risico’s op het gebied van gevaarlijke stoffen. Uit het bovenaangehaalde artikel 22.1, eerste lid, van de Wm volgt slechts dat het Brzo 1999 niet van toepassing is op inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet is vereist. Omdat de verhouding tussen hoofdstuk 8 van de Wm en de Kernenergiewet geregeld is in de Wm zelf, kan onderdeel b zonder bezwaar vervallen.

Onderdeel C

In de praktijk bleek de verplichting voor het bevoegd gezag om inrichtingen met domino-effecten in overeenstemming met de Arbeidsinspectie, burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin de inrichting is gelegen en de betrokken besturen van de regionale brandweer aan te wijzen, tot vertraging in de besluitvorming te leiden. Die verplichting tot het doen van een aanwijzing in overeenstemming met genoemde instanties was niet goed uitvoerbaar en had geen meerwaarde voor die aanwijzing.

In plaats daarvan zendt het bevoegd gezag voortaan een afschrift van die aanwijzing aan genoemde instanties.

Onderdeel D

In artikel 11 is geregeld dat de werknemers desgewenst kennis kunnen nemen van het veiligheidsrapport en wijzigingen daarvan. Datzelfde geldt voor de deskundigen en de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 13, 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Het inzagerecht is beperkt tot die onderdelen van het veiligheidsrapport die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden. Het veiligheidsrapport en de wijziging ervan vallen, voorzover het gaat om die onderdelen die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden, onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad en de personeelsvertegenwoordiging, zoals geregeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: WOR), alsmede onder het adviesrecht van de personeelsvergadering, zoals geregeld in artikel 35b, vijfde lid, van de WOR. De betrokkenheid van de werknemers bij de opstelling van het veiligheidsrapport en wijzigingen is derhalve geregeld. Omdat de betrokkenheid van werknemers in kleine ondernemingen in de WOR niet zonder meer verplicht is gesteld, is in aanvulling op de WOR in artikel 11, tweede lid, geregeld, dat bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, de werkgever over de opstelling van het veiligheidsrapport en wijzigingen daarvan overleg moet voeren met de belanghebbende werknemers.

Artikel 11 vindt zijn grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en richt zich tot de werkgever en niet zoals de meeste andere artikelen van het Brzo 1999 tot degene die de inrichting drijft. Praktisch gezien maakt dit alleen verschil indien degene die de inrichting drijft een ander is dan de werkgever. Veelal echter zal de werkgever tevens degene zijn die de inrichting drijft. Omdat de bepaling is gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zal op de naleving daarvan worden toegezien door de Arbeidsinspectie. In artikel 25, tweede lid, van het Brzo 1999 (zie artikel I, onderdeel J) is het handelen of nalaten in strijd met het ter uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in artikel 11 bepaalde, aangemerkt als economisch delict.

Onderdeel E

Bij het besluit van 19 maart 2004 tot onder meer aanpassing van diverse algemene maatregelen van bestuur in verband met de instelling van het Inspectoraat-Generaal VROM (Stb. 155) zijn in artikel 15, derde lid, onder b en c, opgenomen: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) alsmede de inspecteur van het ministerie van VROM. In artikel 16 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 wordt bepaald dat de in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen het veiligheidsrapport beoordelen en degene die de inrichting drijft schriftelijk in kennis stellen van hun oordeel over de aanvaardbaarheid van de in het rapport weergegeven risico’s.

Deze wijziging leidde tot een onbedoeld effect met een in de praktijk moeilijk werkbare situatie. Daarbij was het niet goed te verklaren dat de inspectie naast de Minister van VROM een oordeel diende te geven. In dit besluit is de wijziging daarom ongedaan gemaakt.

Onderdeel F

Onder 1:

In de praktijk bleek onduidelijkheid te bestaan over de betekenis die in verband met de beoordeling van veiligheidsrapporten aan het begrip «aanvaardbaarheid van de in het rapport weergegeven risico’s» moet worden toegekend. Voor de betrokken bedrijven en voor derden was ook niet duidelijk wat de status is van het oordeel over het veiligheidsrapport. Mede als gevolg van die onduidelijkheid liet de bestuurlijke afhandeling van het veiligheidsrapport in veel gevallen langer op zich wachten dan wenselijk is.

Door de onderhavige wijziging sluit de redactie van artikel 16 beter aan bij de bewoordingen van artikel 9, vierde lid, van de Seveso II-richtlijn. Dat betekent dat bij de beoordeling van een veiligheidsrapport dat ingevolge artikel 14 wordt ingediend, niet langer van het bevoegd gezag en de mede beoordelende instanties een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de risico’s wordt verlangd.

Het bevoegd gezag en die instanties beoordelen uitsluitend of de inhoud van het veiligheidsrapport voldoet aan de artikelen 9 en 10. Dat betekent dat het bevoegd gezag en die instanties beoordelen of het veiligheidsrapport de actuele stand van zaken met betrekking tot de veiligheidssituatie in het bedrijf weergeeft en de gegevens en beschrijvingen bevat die zijn genoemd in bijlage III.

Die instanties stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag de exploitant van de inrichting op de hoogte van hun conclusies naar aanleiding van het veiligheidsrapport.

Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 20 bezien of het veiligheidsrapport aanleiding geeft om de milieuvergunning te actualiseren.

Onder 2:

Omdat de beoordelende instanties door voorgaande inspecties ter plaatse in de meeste gevallen voldoende op de hoogte zijn van de situatie in het bedrijf, is het niet noodzakelijk om ter beoordeling van het veiligheidsrapport opnieuw een inspectie uit te voeren. Om een spoedige beoordeling van het veiligheidsrapport te bevorderen is daarom in het derde lid de koppeling tussen inspectie ter plaatse en de beoordeling van dat rapport geschrapt. De beoordelende instanties kunnen altijd besluiten tot een inspectie ter plaatse indien die instanties dat noodzakelijk achten om tot een conclusie te kunnen komen naar aanleiding van het veiligheidsrapport. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat maatregelen worden goedgekeurd die in de praktijk niet blijken te zijn uitgevoerd.

Onder 4:

In het vijfde lid is geregeld dat degene die de inrichting drijft, verplicht is om aan het verzoek van het bevoegd gezag om binnen de door dat gezag gestelde termijn aanvullende inlichtingen te verstrekken, te voldoen.

Met het Brzo 1999 is de één-loket gedachte geïntroduceerd ten aanzien van het gecoördineerd optreden van de beoordelende instanties jegens degene die de inrichting drijft. In de praktijk is gebleken dat er verschillende verwachtingen zijn ontstaan over de beoogde coördinatie door het bevoegd gezag. Door toevoeging van het zesde lid aan artikel 16 en het zevende lid aan artikel 24 wordt de coördinerende rol van het bevoegd gezag beter tot uitdrukking gebracht.

Het bevoegd gezag kan het initiatief nemen door het organiseren van overleg met de andere beoordelende instanties, indien dat gezag constateert dat er een knelpunt is ten aanzien van de eenduidigheid, onderlinge samenhang of tijdigheid van de conclusies (zie artikel 16, eerste lid), bij een verzoek om aanvullende informatie (zie artikel 16, vierde lid) of bij een gezamenlijk rapport (zie artikel 24, derde lid).

Onderdeel G

Onder 1 en 2:

Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de onderdelen A en F.

Onder 3:

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) beheert een archief met alle in Nederland ingediende veiligheidsrapporten en adviseert op verzoek van het bevoegd gezag over de in die veiligheidsrapporten beschreven risico’s. Het is derhalve gewenst dat het RIVM de veiligheidsrapporten rechtstreeks ontvangt van het bevoegd gezag.

Onderdeel H

De relatie tussen de bescherming van de burger tegen risico’s en de bestrijding van rampen en zware ongevallen kan het meest efficiënt gelegd worden in het begin van het proces van vergunningverlening, door de regionale brandweer hierbij te betrekken. In die lijn is het wenselijk dat het bestuur van de regionale brandweer tevens wordt betrokken bij de in artikel 20 bedoelde actualisering van de vergunning en dat het bestuur van de regionale brandweer of de daartoe gemandateerde commandant van de regionale brandweer in dat kader gevraagd of ongevraagd advies kan uitbrengen.

Onderdelen I, onder 1, N, onder 1, en O

Deze wijzigingen strekken ertoe de aanduiding van het intern noodplan in overeenstemming te brengen met de in het Arbeidsomstandighedenbesluit gehanteerde aanduiding.

Onderdeel I, onder 2

Omdat het van belang is dat werknemers het intern noodplan kunnen raadplegen is dat met zoveel woorden geregeld in artikel 22, vierde lid. Dat geldt ook voor de door de werkgever als bedrijfshulpverleners aangewezen werknemers, de externe hulpverleningsorganisaties, zoals brandweer en ambulancediensten, en de deskundigen of de arbodiensten, genoemd in de artikelen 13, 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

De in artikel 22 opgenomen verplichtingen met betrekking tot de opstelling van een intern noodplan zijn gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De verplichting tot het ter inzage leggen van het intern noodplan richt zich derhalve tot de werkgever en niet tot degene die de inrichting drijft. Praktisch gezien maakt dit alleen verschil indien degene die de inrichting drijft een ander is dan de werkgever. Veelal echter zal de werkgever tevens degene zijn die de inrichting drijft.

Omdat de bepaling is gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zal op de naleving daarvan worden toegezien door de Arbeidsinspectie. In artikel 25 van het Brzo 1999 is het handelen of nalaten in strijd met het ter uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in artikel 22 bepaalde, aangemerkt als economisch delict.

Onderdeel J

Onder 1:

In de praktijk bleek dat een bestuurlijke vaststelling van een gedetailleerd inspectieprogramma per inrichting nauwelijks uitvoerbaar is. De bestuurlijke procedure was te star en zwaar en leidde tot onnodige vertragingen. Derhalve moeten de uitvoeringsaspecten van de inspecties uit praktische overwegingen op ambtelijk niveau worden vastgesteld. Het inspectieprogramma omvat de beschrijving van doelen, prioriteiten, randvoorwaarden en uitgangspunten voor het planmatig en systematisch onderzoeken en inspecteren van de Brzo-inrichtingen. Het inspectieprogramma wordt per bevoegd gezag, in overleg met en afgestemd tussen de betrokken diensten, bestuurlijk vastgesteld voor meerdere jaren. In het inspectieprogramma wordt met redenen aangegeven wat wel en niet wordt geïnspecteerd.

In een ambtelijk vast te stellen inspectieplan en meerjareninspectieplan worden het beleid en de strategie per inrichting vastgelegd.

Omdat in het inspectieplan gedetailleerd wordt vastgelegd welke onderdelen van de desbetreffende inrichting worden geïnspecteerd, kan de verwijzing in het tweede lid naar het inspectieprogramma vervallen.

Onder 2:

Voor de toelichting op de toevoeging van het zevende lid wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel F, onder 4, tweede alinea.

Onderdeel K

Artikel 25 is opnieuw vastgesteld. In het eerste lid van dat artikel zijn de volgende wijzigingen aangebracht. In de eerste plaats ontbrak de aanduiding van overtreding van artikel 21, eerste lid, dat mede artikel 10a, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen als grondslag heeft, als een strafbaar feit. Met deze wijziging wordt die omissie hersteld. Ten tweede is de vermelding van artikel 14 in overeenstemming gebracht met het tweede lid. Ten derde is niet-nakoming van de nieuwe verplichting, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, aangeduid als een strafbaar feit.

In het tweede lid van artikel 25 is overtreding van de nieuwe verplichtingen, bedoeld in de artikelen 11, 16, vijfde lid, en 22, vierde lid, aangewezen als een strafbaar feit.

Bij het toezicht en de eventueel noodzakelijke handhaving gericht op de naleving van de bepalingen met betrekking tot het veiligheidsrapport, zoals het actueel houden van het veiligheidsrapport (zie artikel 9) en de periodieke toezending van het veiligheidsrapport (zie artikel 14), is het van belang dat de inhoud van het veiligheidsrapport, zoals gedefinieerd in artikel 1, onderdeel j, overeenkomt met artikel 10, eerste lid. Degene die een inrichting drijft kan alleen voldoen aan artikel 9 indien tevens wordt voldaan aan artikel 10, eerste lid. Overtreding van artikel 9 is reeds aangemerkt als een strafbaar feit. Separate aanwijzing van artikel 10 is derhalve niet noodzakelijk.

In afwijking van de algemene regel dat in uitvoeringsregelingen niet wordt aangegeven op welke wettelijke grondslag artikelen zijn gebaseerd – gevallen die daartoe in beginsel alleen aanleiding geven, zijn omschreven in aanwijzing 227 van de Aanwijzingen voor de regelgeving –, is in artikel 25 ervoor gekozen dat wel te doen. Reden om dat in dit specifieke geval te doen is dat daarmede in dat artikel zichtbaar wordt gemaakt dat de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gebaseerd op de Wet rampen en zware ongevallen en de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, zijn gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, is in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (hierna: Wed) als een economisch delict aangemerkt. Overtreding van de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, is in artikel 1, onder 3°, van de Wed als een economisch delict aangemerkt.

De economische delicten, bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wed, zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan; voorzover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen (zie artikel 2, eerste lid, van de Wed). De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, van de Wed, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als een misdrijf of overtreding zijn gekenmerkt (zie artikel 2, derde lid, van de Wed). Het niet naleven van de krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 gegeven voorschriften is in artikel 6, derde lid, tweede zin, van die wet aangemerkt als een overtreding.

Het Brzo 1999 is gebaseerd op drie wetten, namelijk de Wm, en zoals al aangegeven, de Wet rampen en zware ongevallen en de Arbeidsomstandighedenwet 1998. In het Brzo 1999 is uitvoering gegeven aan die wetten. In verband met de strafrechtelijke handhaving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 25, eerste en tweede lid, van het Brzo 1999 wordt, in aansluiting op de nota van toelichting bij dat besluit (zie pag. 40 en 41; Stb. 1999, 234), hierna aangegeven op welke wet of wetten de artikelen, genoemd in artikel 25, eerste en tweede lid, berusten.

De artikelen 13, eerste lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vierde en vijfde lid, en 21, eerste lid, berusten op de Wet rampen en zware ongevallen.

De artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 11, 13, tweede en derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vierde en vijfde lid, 17, 21, eerste lid, 22, eerste tot en met vierde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en 29 zijn gebaseerd op de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Onderdeel L

Bij het besluit van 24 juni 2005 tot wijziging van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen en het Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2003 tot wijziging van richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Stb. 429) zijn in Bijlage I, Deel 2, de noten 6, 7 en 8 vernummerd tot 10, 11 en 12. Daarbij is verzuimd de vermelding van die noten bij de stoffen in kolom 1 overeenkomstig aan te passen. Dit verzuim wordt thans hersteld.

Bij het evengenoemde besluit van 24 juni 2005 is in Bijlage I, Deel 2, nummer 9 vervangen. Helaas is daarbij in nummer 9, onderdeel b, het woordje «zeer» weggevallen. Deze omissie wordt thans hersteld.

Onderdeel M

Met de formulering «het toezicht op de uitvoering» in onderdeel d van bijlage II bij het Brzo 1999 was bijlage III, onderdeel c, onder iii, van de Seveso II-richtlijn, waar wordt gesproken over «de controle op de exploitatie» te beperkt geïmplementeerd. Met de nieuwe term «beheersing» wordt beter tot uitdrukking gebracht wat met «controle» wordt bedoeld.

Artikel II

Onderdeel A

Onder 1:

Met deze wijziging wordt beoogd dat uitsluitend verklaringen met betrekking tot inrichtingen waarop het Brzo 1999 van toepassing is, worden toegezonden, voorzover die verklaringen betrekking hebben op het aspect externe veiligheid.

Onder 2:

Verklaringen als bedoeld in artikel 6.4 moesten aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden toegezonden. De praktijk was dat deze minister die verklaringen doorzond aan het RIVM. Derhalve is het gewenst dat het RIVM die verklaringen rechtstreeks ontvangt van het betrokken bevoegd gezag.

Onderdeel B

Met het gebruik van de term plaatsgebonden risico in plaats van individueel risico is aangesloten bij de terminologie, zoals gehanteerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Artikel III

Onderdeel A

De aanhef van het vierde lid is aangepast om te bewerkstelligen dat onder het begrip particulier mede moet worden verstaan een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap of vennootschap onder firma.

Onderdeel B

Met de toevoeging van onderdeel d wordt een omissie hersteld. Vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals amorces (klappertjes), vallen niet onder het Vuurwerkbesluit. Daardoor kunnen die bedoelde kinderwaren, mits aan de bepalingen van het eerstgenoemde besluit is voldaan, gedurende het gehele jaar worden verkocht en gebruikt.

Onderdeel C

Onder 1:

Om beter aan te sluiten bij de praktijk zijn de mogelijkheden om het gewicht van het vuurwerk aan te geven verruimd. Hieruit vloeit een vermindering van de administratieve lastendruk bij bedrijven voort.

Onder 3:

Indien het vuurwerk rechtstreeks nadat het binnen Nederlands grondgebied is gebracht, wordt geleverd op een plaats van ontbranding, dient de locatie waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht te worden aangegeven.

Onderdeel D

Dat onderdeel betreft een wijziging die nodig is gebleken in verband met de omstandigheid dat er inrichtingen zijn die niet onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer vallen en waarin maximaal 25 kilogram theatervuurwerk wordt opgeslagen. Voor die inrichtingen gelden het eerste en tweede lid van artikel 3.2.1 evenmin, indien aan de milieuvergunning een voorschrift is verbonden inhoudende dat de opslag geschiedt onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn genoemd in voorschrift 2.1.3 van de bijlage, onder B, bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Dat betekent onder meer dat het desbetreffende theatervuurwerk in een speciale, niet voor het publiek toegankelijke ruimte wordt opgeslagen en dat de constructie van die opslagruimte en de wijze van opslag voldoen aan de eisen van de CPR 15-1 richtlijn.

Artikel IV

Onder 1:

Die wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit garandeert dat de belanghebbende werknemers en de werknemers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk in het bedrijf of de inrichting werkzaam zijn, indien er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is, worden betrokken bij het opstellen en wijzigen van het intern noodplan. Bij de redactie van het tweede lid is aangesloten bij artikel 22, derde lid, van het Brzo 1999.

Onder 2:

Bij de formulering van het vierde lid is aangesloten bij artikel 22, vierde lid, van het Brzo 1999 (zie artikel I, onderdeel I), als gevolg waarvan het desgewenst kennis kunnen nemen van het intern noodplan op uniforme wijze is geregeld.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven