Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2006, 369AMvB

Besluit van 18 juli 2006, houdende wijziging van het Archiefbesluit 1995 in verband met een regeling omtrent de opleiding tot en het verkrijgen van diploma’s in de archivistiek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. C. van der Laan, van 10 mei 2006, nr. WJZ/2006/18070(8194), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 22 van de Archiefwet 1995;

De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2006, nr. W05.06.0154/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 13 juli 2006, nr. WJZ/2006/27687(8194), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Archiefbesluit 1995 wordt als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk VI van het Archiefbesluit 1995 komt te luiden:

HOOFDSTUK VI. OPLEIDING TOT EN HET VERKRIJGEN VAN DIPLOMA’S IN DE ARCHIVISTIEK

Artikel 15
  • 1. Er zijn twee diploma’s in de archivistiek:

    a. het diploma archivistiek A, dat wordt verkregen door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, dat is verbonden aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; en

    b. het diploma archivistiek B, dat wordt verkregen door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, dat is verbonden aan een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 2. Op aanvraag van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs kan Onze minister een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder a, aanwijzen als een opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek A, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar zijn oordeel in voldoende mate betreffen.

  • 3. Op aanvraag van een instelling voor hoger beroepsonderwijs kan Onze minister een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onder b, aanwijzen als een opleiding ter verkrijging van het diploma archivistiek B, indien de onderwijseenheden van die opleiding de archivistiek naar zijn oordeel in voldoende mate betreffen.

B

Na artikel 20 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 20a

Een besluit tot aanwijzing dat is genomen op grond van artikel 2, tweede lid, of artikel 3, tweede lid, van het Tijdelijk besluit opleidingen en diploma’s archivistiek, geldt als een besluit op grond van artikel 15, tweede, onderscheidenlijk derde lid.

Artikel 20b

Degene die de hoedanigheid bezit van middelbaar of hoger archiefambtenaar, bedoeld in artikel 9 van de Archiefwet 1962, voldoet aan de benoembaarheidsvereisten, bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, 26, tweede lid, 28, tweede lid, 32, eerste lid, en 37, eerste lid, van de Archiefwet 1995.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2006. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 augustus 2006, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 september 2006.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 18 juli 2006

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

Uitgegeven de zeventiende augustus 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de, uit artikel 22 van de Archiefwet 1995 voortvloeiende, opdracht tot het stellen van regels omtrent de opleiding tot en het verkrijgen van diploma’s in de archivistiek. Eerder is hieraan uitvoering gegeven met het Tijdelijk besluit opleidingen en diploma’s archivistiek (hierna te noemen «tijdelijk besluit»). Het tijdelijk besluit onderscheidt twee verschillende soorten diploma’s: een diploma archivistiek A en een diploma archivistiek B. Op basis van het tijdelijk besluit had de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot het studiejaar 2001–2002 de bevoegdheid om opleidingen aan te wijzen, waaraan deze diploma’s tot en met het studiejaar 2005–2006 kunnen worden behaald. Opleidingen konden slechts worden aangewezen, indien deze de archivistiek in voldoende mate betroffen. In totaal zijn er twee opleidingen aangewezen: een aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en een aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Beide instellingen werken daarbij nauw samen met de Stichting Archiefschool.

Het tijdelijke besluit vervalt met ingang van 1 september 2006. In verband met die vervaldatum dient een nieuwe regeling voor het archiefonderwijs tot stand te worden gebracht. Het is aangewezen om het stelsel van het Tijdelijk besluit opleidingen en diploma’s archivistiek vast te leggen in een regeling voor onbepaalde tijd, zonder daarbij overigens afbreuk te doen aan de wens en de mogelijkheid tot verdere ontwikkeling van dat stelsel. Dit besluit voorziet dan ook in handhaving van het bestaande stelsel van archiefopleidingen, door in het Archiefbesluit 1995 bepalingen op te nemen, waarin de strekking en essentie van het tijdelijk besluit ongewijzigd terugkomen.

Met deze wijziging wordt vorm gegeven aan één, onder de Archiefwet 1995 hangende, algemene maatregel van bestuur op het gebied van het archiefwezen. Dit past in het streven naar deregulering.

Artikelsgewijs

Artikel 15

Het eerste lid van artikel 15 vormt de kern van de huidige regeling van het archiefonderwijs: er bestaan twee typen opleidingen en diploma’s; één op universitair niveau en één op het niveau van het hoger beroepsonderwijs.

In het tweede lid en het derde lid van artikel 15 herleeft de ingevolge artikel 4 van het tijdelijk besluit geëxpireerde aanwijzingsbevoegdheid van de artikelen 2, tweede lid, onderscheidenlijk 3, tweede lid, van datzelfde besluit. Het brengt tot uitdrukking dat de bewindspersoon belast met het cultuurbeleid tot taak heeft om door middel van een aanwijzingsbevoegdheid te bepalen welke opleidingen uit een oogpunt van archivistiek «aan de maat» zijn. Het oordeel van de bewindspersoon zal mede worden bepaald door de opvattingen van de branche daaromtrent.

Door de aanwijzingsbevoegdheid opnieuw te introduceren is weer een compleet stelsel voor het archiefonderwijs tot stand gebracht, waarin ook andere onderwijsaanbieders dan de in het verleden aangewezen Universiteit van Amsterdam en Hogeschool van Amsterdam een kans krijgen. De aanvankelijke verwijzingen naar opleidingen op het terrein van boek- en informatiewetenschap met 168 studiepunten (diploma archivistiek A) en naar opleidingen op het terrein van bibliotheek en documentaire informatie met 168 studiepunten (diploma archivistiek B) zijn als gevolg van de tussentijdse invoering van de bachelor-masterstructuur niet meer actueel en om die reden niet opnieuw in artikel 15 opgenomen.

Artikel 20a

Met artikel 20a wordt beoogd de continuïteit van het archiefonderwijs bij de op grond van het tijdelijk besluit aangewezen opleidingen van de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam te waarborgen. Deze waarborg laat onverlet de beleidsmatige wens om het archiefonderwijs nog in deze cultuurnotaperiode te herzien.

Artikel 20b

Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor degenen die op grond van de inmiddels vervallen Archiefwet 1962 de hoedanigheid van middelbaar of hoger archiefambtenaar hebben verkregen.

Het komt inhoudelijk overeen met artikel 6 van het tijdelijk besluit.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 september 2006, nr. 177.