Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2006, 348AMvB

Besluit van 7 juli 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van asbest (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 24 maart 2006, Directie Arbeidsomstandigheden, Nr. ARBO/P&G/2006/23349, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op richtlijn nr. 2003/18/EG, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, van 27 maart 2003, tot wijziging van richtlijn nr. 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU L 97);

Gelet op de artikelen 16 en 31 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 2006, nr. W12.06.0080/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2006/55715, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.1a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «en crocidoliet of crocidoliethoudende producten».

2. Na het derde lid wordt onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Artikel 4.10e is niet van toepassing op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk 4.

B

In artikel 4.2, vijfde lid, onderdeel d, wordt «de artikelen 4.8b, 4.16, 4.46 of 4.56» vervangen door: de artikelen 4.8b, 4.16 of 4.46.

C

In artikel 4.10e, eerste lid, onderdeel c, wordt «de artikelen 4.8b, 4.16 en 4.46» vervangen door: de artikelen 4.8b en 4.16.

D

Artikel 4.37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Definitie asbest

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na onderdeel 5° een onderdeel toegevoegd, luidende:

6°. crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4);.

3. De onderdelen b en d van het eerste lid vervallen, onder verlettering van de onderdelen c, e en f tot b, c en d.

4. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

E

In artikel 4.37a wordt de zinsnede «, crocidoliet of crocidoliethoudende producten, zijn» vervangen door: is.

F

Artikel 4.37b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 4.16 worden de artikelen 4.46 en 4.47a toegepast.

2. Onder vernummering van het derde tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van artikel 4.19, onderdelen d en e, wordt artikel 4.45, tweede lid, onderdelen c en d toegepast.

G

Artikel 4.37c komt te luiden:

Artikel 4.37c Toepasselijkheid

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden met betrekking tot asbest of asbesthoudende producten indien de concentratie asbest hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest.

H

Artikel 4.44 komt te luiden:

Artikel 4.44 Risicoklasse 1

Deze paragraaf is van toepassing, indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, lager is dan of gelijk is aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46.

I

Artikel 4.45 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden: Preventieve maatregelen

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De concentratie van asbeststof in de lucht wordt zo laag mogelijk onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, gehouden.

3. In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen a tot en met d tot b tot en met e een onderdeel ingevoegd, luidende:

a. de werkmethoden zijn zo ingericht dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat geen asbeststof in de lucht vrijkomt;.

4. In het tot b verletterde onderdeel van het tweede lid wordt de zinsnede «worden zoveel mogelijk vrij van stof gehouden» vervangen door: worden doeltreffend en regelmatig gereinigd en onderhouden.

5. In het tot c verletterde onderdeel van het tweede lid wordt de zinsnede «asbest als grondstof wordt» vervangen door: asbest, een asbesthoudend product en een product waaruit asbeststof vrijkomt worden.

6. Het tot e verletterde onderdeel van het tweede lid vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

7. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Artikel 4.20, vierde lid, voorzover het de beschikbaarheid van douches betreft, is niet van toepassing indien de concentratie van asbeststof in de lucht is ingedeeld in risicoklasse 1.

J

Artikel 4.45a komt te luiden:

Artikel 4.45a Voorlichting

Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof bestaat, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over:

a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof;

b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;

c. de maatregelen inzake de hygiëne, bedoeld in artikel 4.51;

d. maatregelen om de blootstelling aan asbeststof zo laag mogelijk te houden;

e. het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en kleding.

K

Na artikel 4.45a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.45b Onderricht

  • 1. Voor alle werknemers die werkzaamheden verrichten waarbij zij aan asbeststof worden of kunnen worden blootgesteld wordt met regelmatige tussenpozen een passende opleiding verzorgd.

  • 2. Deze opleiding is toegespitst op het kennisniveau en de ervaring van de werknemers en verschaft hen de nodige kennis en vaardigheden inzake veiligheid en preventie met name met betrekking tot:

    a. eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken;

    b. soorten producten en materialen die asbest kunnen bevatten;

    c. handelingen die kunnen leiden tot bloostelling aan asbest en het belang van preventieve controles om blootstelling tot een minimum te beperken;

    d. veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;

    e. de keuze en selectie, de beperkingen en het juiste gebruik van ademhalingsapparatuur;

    f. noodprocedures;

    g. ontsmettingsprocédés;

    h. de wijze waarop de verwijdering van afvalstoffen veilig kan worden uitgevoerd;

    i. de eisen inzake medisch toezicht.

L

Artikel 4.46 komt te luiden:

Artikel 4.46 Grenswaarde

De concentratie van asbeststof in de lucht overschrijdt niet de grenswaarde van 0,01 vezel per kubieke centimeter, berekend over een referentieperiode van acht uur.

M

Artikel 4.47 komt te luiden:

Artikel 4.47 Meten en monsterneming

  • 1. Om de naleving van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, te kunnen waarborgen, wordt, in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, de concentratie asbeststof in de lucht waaraan de werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, gemeten.

  • 2. Het meten geschiedt op gezette tijden, afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2.

  • 3. De meting wordt uitgevoerd overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen methode of een andere methode, indien deze gelijkwaardige resultaten oplevert.

  • 4. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel over de wijze van monsterneming kenbaar te maken.

  • 5. De monsterneming is representatief voor de individuele blootstelling van de werknemers aan asbeststof.

  • 6. De monsterneming wordt zodanig uitgevoerd dat door meting, of door berekening van deze meting, gewogen in de tijd, de blootstelling van werknemers aan asbeststof kan worden vastgesteld die representatief is voor een referentieperiode van 8 uur.

  • 7. Het nemen van monsters wordt uitgevoerd door een persoon die de daarvoor vereiste deskundigheid bezit.

  • 8. De na het nemen van monsters uit te voeren monsteranalyse wordt uitgevoerd in een laboratorium dat daarvoor adequaat is toegerust alsmede ervaring heeft met de vereiste identificatietechnieken.

  • 9. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers kunnen de resultaten van de metingen inzien en kunnen over de betekenis van deze resultaten uitleg krijgen.

N

Na artikel 4.47 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.47a Maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde

  • 1. Bij overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, worden de oorzaken voor de overschrijding opgespoord en worden zo spoedig mogelijk doeltreffende maatregelen genomen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.

  • 2. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de overschrijding, van de oorzaak daarvan en de te nemen maatregelen. Daarnaast wordt hen de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, tenzij sprake is van spoedeisende redenen om zonder deze gelegenheid te bieden, deze maatregelen te nemen. In dat geval worden zij ingelicht over de getroffen maatregelen.

  • 3. Zolang de in het eerste lid bedoelde maatregelen om de concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, wordt de arbeid op de betreffende arbeidsplaats alleen voortgezet indien de betrokken werknemers doeltreffend zijn beschermd tegen blootstelling aan asbeststof.

  • 4. Wanneer in de situatie, bedoeld in het derde lid, de blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en de grenswaarde het dragen van individuele ademhalingsapparatuur vereist, wordt de duur van het dragen daarvan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke beperkt.

  • 5. Wanneer individuele ademhalingsapparatuur wordt gebruikt, wordt voorzien in rustpauzes.

  • 6. Het aantal rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, en de duur daarvan wordt bepaald door de fysieke en klimatologische belasting waaronder de werknemer de werkzaamheden moet verrichten.

  • 7. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging worden de rustpauzes, bedoeld in het vijfde lid, zo nodig vastgesteld in samenspraak met de belanghebbende werknemers.

  • 8. Nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen wordt de concentratie van asbeststof in de lucht gemeten overeenkomstig artikel 4.47 en wordt de indeling in een risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a opnieuw bepaald.

  • 9. Indien uit de meting, bedoeld in het achtste lid, blijkt dat de concentratie in een hogere risicoklasse wordt ingedeeld, is tevens paragraaf 4 of 5 van deze afdeling van toepassing.

Artikel 4.47b Visuele inspectie

  • 1. Na werkzaamheden met asbest wordt, voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende arbeidsplaats een eindbeoordeling uitgevoerd.

  • 2. De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele inspectie waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van asbest niet meer visueel waarneembaar is.

Artikel 4.47c Melding

  • 1. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt tijdig door de werkgever schriftelijk een melding gedaan aan een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet. Deze melding bevat tenminste een beknopte beschrijving van:

    a. de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;

    b. de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten;

    c. de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentratie asbeststof in de lucht in een risicoklasse;

    d. het aantal betrokken werknemers;

    e. de datum en het tijdstip waarop de werkzaamheden aanvangen, alsmede de duur ervan;

    f. de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken.

  • 2. Telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende producten, wordt een nieuwe melding gedaan.

  • 3. De op grond van het eerste en tweede lid gemelde gegevens kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.

  • 4. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.

O

Artikel 4.48 komt te luiden:

Artikel 4.48 Risicoklasse 2

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, maar lager is dan of gelijk is aan 1 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is in aanvulling op paragraaf 3 tevens deze paragraaf van toepassing.

P

Na artikel 4.48 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.48a Aanvullende maatregelen

  • 1. Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers.

  • 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:

    a. het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende ademhalingsapperatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen;

    b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van de in artikel 4.46 genoemde grenswaarde kan worden verwacht;

    c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden.

  • 3. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden.

Q

Artikel 4.49 vervalt.

R

Artikel 4.50 komt te luiden:

Artikel 4.50 Werkplan

  • 1. Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers.

  • 2. Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het werkplan.

  • 3. In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, zich ervan vergewist dat na de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, er geen risico’s van bloostelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn.

  • 4. In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen:

    a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.3a, aanhef en onderdeel d, 4.6a, vierde lid, onderdelen b, c en e, en vijfde lid, 4.18, 4.19, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid, onderdelen a, b, en d, 4.48a, tweede en vierde lid, en 4.51.

    b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode;

    c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt;

    d. de namen van de werknemers en personen, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid.

  • 5. De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd.

  • 6. Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

S

Na artikel 4.51 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.51a Eindbeoordeling

  • 1. Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende arbeidsplaats in een binnenruimte een eindbeoordeling uitgevoerd waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in artikel 4.47, zevende lid, en de monsteranalyse door een laboratorium als bedoeld in artikel 4.47, achtste lid.

  • 2. De eindbeoordeling, bedoeld in het eerste lid, betreft een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, teneinde vast te stellen of de concentratie van asbeststof in de lucht lager is dan 0,01 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van twee uur.

  • 3. Na de werkzaamheden wordt na reiniging van de arbeidsplaats en voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, op de betreffende arbeidsplaats in de buitenlucht door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust een visuele inspectie uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat de aanwezigheid van asbest niet meer visueel waarneembaar is.

  • 4. Indien de werkzaamheden in de buitenlucht betrekking hebben op asbesthoudende grond, wordt na het beëindigen van die werkzaamheden door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, een visuele inspectie uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te stellen dat de concentratie asbest niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de monsterneming, bedoeld in het eerste lid, de eindmeting, bedoeld in het tweede lid, en de visuele inspectie, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.

T

Artikel 4.52, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. In aanvulling op artikel 4.10a, vierde lid, kan een deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst verklaren dat het medisch toezicht na de beëindiging van de blootstelling zolang moet worden voortgezet als voor de gezondheid van de betrokkene noodzakelijk wordt geacht.

U

Artikel 4.53 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De gegevens die in het register zijn vermeld kunnen worden ingezien door de deskundige persoon, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, of de arbodienst.

2. In het derde lid (nieuw) wordt de zinsnede «wordt in kennis gesteld van» vervangen door: krijgt inzage in.

3. Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 4. De gegevens in het register, voorzien van een toelichting, in statistische niet tot individuen herleidbare vorm, kunnen worden ingezien door de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, door de belanghebbende werknemers.

V

Het opschrift van paragraaf vijf van afdeling vijf van hoofdstuk vier komt te luiden:

§ 5. Extra aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten

W

Na artikel 4.53 wordt in paragraaf 5 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.53a Risicoklasse 3

Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan 1 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, is in aanvulling op de paragrafen 3 en 4 tevens deze paragraaf van toepassing.

X

Artikel 4.54 komt te luiden:

Artikel 4.54 Verzwaarde eindbeoordeling

In aanvulling op artikel 4.51a, eerste en tweede lid, wordt er tevens een eindbeoordeling uitgevoerd in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten. Artikel 4.51a, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Y

Na artikel 4.54 wordt in afdeling 5 van hoofdstuk 4 een paragraaf met opschrift ingevoegd, luidende:

§ 6. Certificatie

Z

Artikel 4.54a komt te luiden:

Artikel 4.54a Asbestinventarisatie

  • 1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden:

    a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt;

    b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a;

    c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen.

  • 2. Op grond van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, door het bedrijf, bedoeld in het vierde lid, bepaald in welke risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a de werkzaamheden vallen.

  • 3. De resultaten van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en de indeling in een risicoklasse, bedoeld in het tweede lid, worden opgenomen in een inventarisatierapport.

  • 4. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en het inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

  • 5. Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan het bedrijf dat asbest verwijdert.

  • 6. Het certificaat asbestinventarisatie of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

AA

Artikel 4.54b komt te luiden:

Artikel 4.54b Uitzonderingen asbestinventarisatie

Artikel 4.54a is niet van toepassing indien de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, betrekking hebben op:

a. handelingen die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd;

b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestcementhoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen of delen daarvan, voorzover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet;

c. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem- en frictiematerialen;

d. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;

e. het als een geheel verwijderen van asbesthoudende verwarmingstoestellen;

f. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;

g. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen uit verbrandingsmotoren;

h. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen dan wel delen daarvan uit procesinstallaties dan wel verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen lager dan 2250 kilowatt;

i. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit wegen als bedoeld in het Besluit asbestwegen Wms.

BB

Artikel 4.54c vervalt.

CC

Artikel 4.54d komt te luiden:

Artikel 4.54d Deskundigheid bij het werken met asbest

  • 1. De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbeststof is ingedeeld in risicoklasse 2 of 3, worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling:

    a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid;

    b. het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd.

  • 2. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest is het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54a, vijfde lid, in het bezit van een afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, voorzover van toepassing.

  • 4. Bij de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, de indeling van de risicoklasse in het inventarisatierapport als ondergrens gehanteerd.

  • 5. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

  • 6. Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is ten minste één persoon als bedoeld in het vijfde lid werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst.

  • 7. Voorzover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

  • 8. Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest betrekking hebben op werkzaamheden met asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.

  • 9. De certificaten, bedoeld in het eerste, vijfde en zevende lid, of afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 24 van de wet.

DD

De artikelen 4.55 en 4.55a vervallen.

EE

§ 6. Bijzondere bepalingen inzake crocidoliet en crocidoliethoudende producten, van afdeling 5 van hoofdstuk 4 vervalt.

FF

§ 7. Bijzondere bepalingen inzake voorlichting en onderricht, van afdeling 5 van hoofdstuk 4 vervalt.

GG

In artikel 9.3, tweede lid, onderdeel c, wordt in de opsomming «4.46, vijfde lid, 4.47, eerste lid, 4.51, 4.54, derde lid, 4.54d, derde, vierde, en zesde lid, 4.56, derde lid» vervangen door «4.47a, derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en zesde lid, 4.51, 4.54d, vijfde, zevende en negende lid voorzover het de certificaten uit het vijfde en zevende lid betreft» en vervalt de zinsnede «en crocidoliet of crocidoliethoudende producten».

HH

In artikel 9.5, onderdeel c, wordt in de opsomming «4.45a, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.54, tweede tot en met het vierde lid, 4.54a, met dien verstande dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is, 4.54d, 4.55, 4,55a, 4.56, tweede lid» vervangen door: 4.46, 4.47b, 4.48a, tweede lid, onderdelen b en c, en vierde lid, 4.51a, eerste en derde tot en met vijfde lid, 4.54, 4.54a, met inachtneming van artikel 4.54b, 4.54d.

II

Artikel 9.9b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt in de opsomming «4.45a, eerste lid, 4.46, derde lid, 4.49, 4.50, eerste, tweede en vierde lid, en zevende tot en met negende lid, 4.51, 4.52, eerste en vierde lid, 4.53, eerste en tweede lid, 4.54, tweede en vierde lid, 4.54a, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.54c, vijfde en zesde lid, 4.54d, 4.55, eerste, derde, vierde en zesde lid, 4.55a, derde lid, 4.57» vervangen door: 4.45a, 4.45b, 4.47, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, 4.47a, vierde tot en met zesde en achtste lid, 4.47c, 4.48a, tweede lid, 4.50, eerste tot en met vierde en zesde lid, 4.51, 4.51a, derde lid, 4.52, eerste en vierde lid, 4.53, eerste tot en met derde lid, 4.54a, 4.54d.

2. In onderdeel g wordt «7.25, eerste tot en met zevende lid» vervangen door: 7.25, eerste tot en met vijfde en zevende lid.

JJ

Artikel 9.9c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt in de opsomming «4.45a, tweede lid, 4.46, eerste, tweede en vijfde lid, 4.47, eerste lid, 4.52, derde lid, 4.54, derde tot en met het vijfde lid, 4.55, vijfde lid, 4.55a, eerste, tweede en derde lid, 4.56, tweede en derde lid» vervangen door: 4.46, 4.47a, eerste en derde lid, 4.47b, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde lid, 4.51a, eerste, tweede en vierde lid, 4.52, derde lid, 4.54.

2. In onderdeel g vervalt: 7.33,.

KK

In artikel 9.37b wordt «Artikel 4.54d, vierde lid» vervangen door: Artikel 4.54d, zevende lid.

ARTIKEL II

Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «artikel 4.54a, eerste en derde lid» vervangen door: artikel 4.54a, eerste, derde en vierde lid.

B

In artikel 6, eerste lid, wordt de zinsnede «De volgende handelingen» vervangen door: De volgende handelingen, indien de concentratie van asbeststof is ingedeeld in risicoklasse 2 of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit,.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 4.55a, eerste, tweede en vierde lid» vervangen door: artikel 4.51a, eerste, tweede en vijfde lid.

2. In het tweede lid wordt «artikel 4.55a, derde en vierde lid» vervangen door: 4.51a, derde en vijfde lid.

ARTIKEL III

Artikel 2, onderdeel d, van het Productenbesluit asbest komt te luiden:

d. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit deze bouwwerken of objecten voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens het Arbeidsomstandighedenbesluit.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 7 juli 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de zevenentwintigste juli 2006

De Minister van Justitie a.i.,

S. M. Dekker

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

1.1 Inleiding

Het inademen van asbestvezels kan leiden tot gezondheidseffecten die onomkeerbaar zijn. Het meest ernstige ziektebeeld is kanker van het borst- of buikvlies (mesothelioom), of van de longen. Ingeval van mesothelioomkanker is dit ziektebeeld doorgaans een specifiek gevolg van blootstelling aan asbest. Bij longkanker is dit minder eenduidig omdat deze ziekte ook als gevolg van de inademing van andere kankerverwekkende stoffen kan worden veroorzaakt. De genoemde ziektebeelden treden doorgaans op na een langere periode na het moment van blootstelling aan asbest. Voor mesothelioomkanker kan die tijdstermijn tientallen jaren betreffen. De ziektegevallen die zich nu openbaren zijn aldus veroorzaakt door de blootstelling aan asbest in het verleden. Het betreffen doorgaans personen die beroepsmatig met asbest werkten of op een andere wijze met asbest werden geconfronteerd bij de uitvoering van het werk. Momenteel zijn er jaarlijks 400 gevallen van mesothelioomkanker. Het totale aantal kankergevallen, dus inclusief longkanker wordt jaarlijks op 800 geschat. Dit jaarlijkse aantal zal naar verwachting nog jaren op dit niveau blijven, voordat het een dalende tendens zal laten zien.

Vanwege de ernstige gezondheidseffecten en de omvang waarmee deze zich voordoen, is het gebruik van asbest sinds 1993 volledig verboden in ons land. De Europese Gemeenschap vaardigde meer recent een dergelijk verbod uit dat per 1 januari 2005 in alle lidstaten van kracht is geworden.

Asbest is een verzamelbegrip voor een zestal vezelvormige silicaten die nog steeds in sommige delen van de wereld worden gewonnen uit asbestmijnen. Asbest is om reden van technische eigenschappen als nagenoeg zuiver product maar voornamelijk als grondstof gebruikt in producten die in een omvangrijke diversiteit en op grote schaal zijn toegepast. Zo bestaan de meeste producten uit asbestcement die in de afgelopen eeuw veelvuldig in de bouw zijn toegepast. Maar ook in industriële en vele andere bedrijfssectoren is asbest in combinatie met andere stoffen gebruikt. Omdat dit asbest nog voor een belangrijk deel aanwezig is in gebouwen, installaties en andere objecten, is het in verband met de maatschappelijke bedrijvigheid een onderwerp waar men vaak mee wordt geconfronteerd. Het blijft de komende tientallen jaren van belang om zorgvuldig om te gaan met dit asbest teneinde de potentiële risico’s van blootstelling aan asbest zoveel mogelijk te beheersen. Hiertoe is sinds 1992 specifieke regelgeving op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet) van kracht geworden om werknemers die betrokken zijn bij de verwijdering van asbest te beschermen.

Dit voorstel tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) strekt tot verdere uitvoering van richtlijn 2003/18/EG van het Europese Parlement en de Raad van 27 maart 2003 tot wijziging van richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG 2003, L 97), hierna: de richtlijn of de wijzigingsrichtlijn. De richtlijn is een wijziging van de zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr. 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk (PbEG 1989, L 183), de zogenoemde kaderrichtlijn. De bepalingen van deze bijzondere richtlijn, die gebaseerd is op artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), gelden derhalve naast en als verbijzondering van de bepalingen van de kaderrichtlijn. De kaderrichtlijn is in de Arbowet ten uitvoer gelegd.

Aanleiding voor de wijziging van richtlijn 83/477/EEG is de invoering van een verbod per 1 januari 2005 van het in de handel brengen en het gebruik van chrysotiel asbest. Voor crocidoliet was een dergelijk verbod al ingevoerd. Dit betekent dat na de genoemde datum, het in de handel brengen en het gebruik van alle asbestsoorten in Europa niet langer is toegestaan. Het chrysotielverbod, opgenomen in richtlijn 99/77/EG betreft een wijziging van richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten. Dit verbod zal bijdragen aan een aanzienlijke vermindering van de blootstelling van werknemers aan asbest, omdat het nieuwgebruik van asbesthoudende producten niet langer mogelijk is vanaf de genoemde datum waarop het asbestverbod in werking is getreden in Europa. Het verbod is geïmplementeerd in artikel 4 van het Productenbesluit asbest. Het verbod leidde tot de noodzaak om ook richtlijn 83/477/EEG te herzien, betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk. Deze wijziging heeft geleid tot richtlijn 2003/18/EG die met het thans liggende voorstel (verder) wordt geïmplementeerd. In deze richtlijn is een verdergaand asbestverbod opgenomen dat onder meer het hergebruik van asbesthoudende producten nagenoeg onmogelijk maakt. Ook dit, in onderdeel 5 van de richtlijn opgenomen (verdergaande) asbestverbod, is geïmplementeerd in artikel 4 van het Productenbesluit asbest. Richtlijn 2003/18/EG is mede op grond van de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 7 april 1998 tot stand gekomen waarin specifieke aandacht werd gevraagd voor een betere bescherming van werknemers die het grootste risico lopen, met name werknemers die asbest verwijderen of die bij andere handelingen als reparatie of onderhoud aan asbesthoudende producten, met asbest in aanraking kunnen komen. Daarnaast stelde de Raad voor om de wettelijke grenswaarden voor chrysotiel asbest te herzien, evenals de meetmethode voor het meten van asbest in de lucht. Ook was er unanimiteit onder de lidstaten over de Nederlandse verklaring dat een asbestverbod de beste waarborgen zou bieden voor de bescherming van de gezondheid van werknemers.

Het onderhavige voorstel tot wijziging van het Arbobesluit volgt op een wijziging van het Arbobesluit die is doorgevoerd bij de inwerkingtreding per 8 maart 2005 van het Productenbesluit asbest. Bij de genoemde implementatie van de asbestverbodsbepalingen van de richtlijnen 99/77/EG en 2003/18/EG in artikel 4 van het Productenbesluit asbest zijn de bestaande asbestverboden van het Arbobesluit komen te vervallen. Verder sluit het onderhavige voorstel tot wijziging van het Arbobesluit aan bij een wijziging van afdeling 5 (aanvullende voorschriften asbest), van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit die per 1 maart 2006 in werking is getreden (Asbestverwijderingsbesluit 2005 met een hiermee samenhangende wijziging van het Arbobesluit). Bij die wijziging is een aantal wettelijke voorschriften dat betrekking heeft op certificatie in de asbestverwijdering overgegaan van het inmiddels ingetrokken Asbest-verwijderingsbesluit, dat gebaseerd was op de milieuregelgeving, naar het Arbobesluit. Deze overheveling van regelgeving diende vooraf te gaan aan de (verdere) implementatie van de genoemde richtlijn 2003/18/EG door middel van het thans voorliggende voorstel. De richtlijn schrijft voor dat bedrijven die asbest verwijderen, hun bekwaamheid aan dienen te tonen op dit gebied. Door het voorschrijven van certificatie van deze bedrijvigheid, wordt voldaan aan artikel 1, onderdeel 14, van de richtlijn dat voorschrijft dat lidstaten een kwaliteitssysteem vast dienen te stellen waarmee asbestverwijderingsbedrijven hun deskundigheid kunnen aantonen. Hiermee is voornoemde richtlijn met als implementatiedatum 15 april 2006, gedeeltelijk geïmplementeerd. Dit geldt ook voor artikel 1, onderdelen 11 en 13, eerste alinea, van de richtlijn. Onderdeel 11 schrijft voor dat de werkgever er zich van dient te vergewissen dat voordat sloopwerkzaamheden of andere handelingen worden uitgevoerd, er sprake is of kan zijn van handelingen met asbest, waardoor de betrokken werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan asbestvezels. De werkgever dient dan de nodige maatregelen te treffen ter bescherming van de werknemers. Hieraan wordt invulling gegeven door voorafgaand aan asbestverwijderingshandelingen, een asbestinventarisatie uit te voeren door een daartoe gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf. Indien andere handelingen met asbest worden uitgevoerd, dient de werkgever van het bedrijf dat die handelingen uit zal voeren, op grond van de algemene risico-inventarisatie en -evaluatie voor gevaarlijke stoffen een dergelijke inventarisatie (identificatie) uit te voeren. Onderdeel 13, eerste alinea, van de richtlijn heeft betrekking op het selectief verwijderen van asbest. Een vergelijkbare verplichting was al in de nationale regelgeving opgenomen. De formulering werd aangepast aan de tekst van de richtlijn. Het overige deel van de richtlijn wordt met dit voorstel geïmplementeerd.

De consequenties van de overschrijding van de eerder genoemde implementatiedatum (15 april 2006) van de richtlijn zijn verwaarloosbaar omdat de richtlijn al gedeeltelijk is geïmplementeerd voor deze datum. Het betreft implementatie van artikel 1, onderdeel 5, van de richtlijn in het Productenbesluit asbest dat met ingang van 8 maart 2005 in werking is getreden (Stb. 2005,6). Vervolgens is artikel 1, de onderdelen 11, 13 en 14, van de richtlijn geïmplementeerd door middel van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005,704), dat met ingang van 1 maart 2006 in werking is getreden. Daarnaast kan worden gesteld dat de nieuwe verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn, tot gevolg hebben dat het Europese beschermingsniveau meer op het nationale beschermingsniveau wordt gebracht, omdat de nationale asbestregelgeving al verdergaande verplichtingen kende dan de Europese richtlijn.

De richtlijn leidt tot een verdergaande bescherming van werknemers dan de richtlijn uit 1983. Het Europese beschermingsniveau komt ten gevolge hiervan meer op het nationale niveau. Een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige asbestbeleid die met het voorstel wordt ingevoerd, betreft de introductie van een meer op de risico’s gerichte beheersing van de mogelijke blootstelling van werknemers aan asbest. Tot dusver waren in de regelgeving de handelingen die met asbest worden uitgevoerd bepalend voor de te nemen arbeidsbeschermende maatregelen. In de aangepaste opzet, zullen de risico’s op blootstelling van werknemers aan asbest maatgevend zijn voor de in acht te nemen maatregelen. In paragraaf 1.4 is hier een nadere beschrijving over opgenomen.

1.2 De richtlijn

De Europese richtlijn 2003/18/EG zal ertoe leiden dat het beschermingsniveau dat deze aan werknemers biedt, meer op het nationale niveau komt. Voorbeelden hiervan zijn:

– het verbod op het beroepsmatig werken met asbest dat op grond van de Arbowet in 1993 in Nederland werd ingevoerd. Het asbestverbod dat in de richtlijn is opgenomen is thans geïmplementeerd in artikel 4 van het Productenbesluit asbest;

– de specifieke voorschriften voor de bescherming van werknemers bij het verwijderen van asbest. De nationale regelgeving kent vergelijkbare voorschriften sinds 1992.

Met de invoering van deze regelgeving in de beginjaren negentig behoorde ons land internationaal gezien tot een middengroep.

De belangrijkste wijzigingen die met de implementatie van de wijzigingsrichtlijn 2003/18/EG inmiddels zijn doorgevoerd in het Productenbesluit asbest, het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de hiermee samenhangende wijziging van het Arbobesluit en in de onderhavige wijziging van het Arbobesluit worden doorgevoerd, betreffen de volgende:

a. Invoering van een verdergaand asbestverbod;

b. Invoering risicobeleid (1) en één wettelijke grenswaarde voor alle asbestsoorten (2);

c. Identificatie van asbesthoudende materialen;

d. Opleiding van werknemers die aan asbest blootgesteld kunnen worden;

e. Deskundigheid van bedrijven die asbest verwijderen;

f. Continuering medisch toezicht na beëindiging blootstelling.

ad a Invoering van een asbestverbod

In navolging van de invoering van het verbod per 1 januari 2005, van het in de handel brengen en het gebruik van chrysotiel asbest (99/77/EG), is in richtlijn 2003/18/EG ook een asbestverbod opgenomen dat in aanvulling hierop, de winning, productie en verwerking van asbesthoudende producten waaraan asbest doelbewust is toegevoegd, niet langer mogelijk maakt. Dit verbod leidt tot een absoluut verbod op asbest, waaronder het tweedehandse gebruik van asbesthoudende producten en materialen.

De verbodstekst van richtlijn 2003/18/EG maakt het gebruik van asbesthoudende producten waarin niet doelbewust asbest is toegevoegd, bijvoorbeeld het gebruik van puingranulaat als wegfunderingmateriaal, nog steeds mogelijk mits het asbestgehalte de zogenoemde restconcentratienorm niet overschrijdt. De restconcentratienorm is ingevoerd bij de inwerkingtreding van het Productenbesluit asbest, per 8 maart 2005. Wanneer werkzaamheden met producten worden uitgevoerd met een asbestgehalte lager dan deze restconcentratienorm, treedt geen aantoonbare verhoging van het asbestgehalte in de lucht op en is er geen sprake van extra risico’s voor de gezondheid van de betrokken werknemers.

De asbestverbodsbepalingen van de beide genoemde Europese richtlijnen zijn bij de inwerkingtreding van het Productenbesluit asbest in de nationale regelgeving geïmplementeerd. Het Productenbesluit asbest is mede gebaseerd op de Arbowet.

ad b Invoering risicobeleid (1) en één wettelijke grenswaarde voor alle asbestsoorten (2)

ad b.1 Invoering risicobeleid

De richtlijn gaat bij het beheersen van de risico’s op blootstelling aan asbest van werknemers, niet langer uit van een systematiek waarbij de actieniveaus als criterium gelden ter vaststelling van de arbeidsbeschermende maatregelen. Actieniveaus zijn wettelijke normen voor de hoeveelheid asbestvezels in de lucht. Bij de uitvoering van werkzaamheden waarbij het asbestgehalte in de lucht de actieniveaus niet overschrijdt, dienden bepaalde basisvoorschriften in acht genomen te worden. Ingeval deze waarde wel kon worden overschreden diende voldaan te worden aan additionele wettelijke maatregelen. In de richtlijn zijn de actiewaarden komen te vervallen. Ter vervanging van deze systematiek stelt de richtlijn dat bij incidentele werkzaamheden, waarbij een lage blootstelling aan asbest op kan treden en in ieder geval de wettelijke grenswaarde niet zal overschrijden, bepaalde voorschriften niet in acht genomen hoeven te worden. Het betreffen de meldingsplicht aan de bevoegde autoriteiten van geplande werkzaamheden met asbest, de verplichting om werknemers een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aan te bieden, de verplichting om van de individuele werknemers dossiers bij te houden van de uitgevoerde gezondheidskundige onderzoeken en om aantekening te houden in een register van iedere werknemer waarin de aard en de duur van de arbeid alsmede de mate van de blootstelling worden vermeld. In de richtlijn wordt een aantal handelingen genoemd dat onder dit verlicht regime in acht genomen dient te worden. Omdat dit geen limitatieve opsomming is van werkzaamheden, schrijft de richtlijn in verband met het verkrijgen van de noodzakelijke duidelijkheid voor dat de lidstaten na overleg met de sociale partners, praktische richtsnoeren op dienen te stellen volgens de nationale wetgeving en praktijken. Nederland heeft hiertoe een risicosystematiek ontwikkeld die met het onderhavige besluit wordt doorgevoerd en die in paragraaf 1.4 nader wordt beschreven.

ad b.2 Eén wettelijke grenswaarde voor alle asbestsoorten

Het onderscheid in de wettelijke grenswaarden en beheersmaatregelen tussen asbest enerzijds en crocidoliet anderzijds vervalt. Dit houdt in dat voor alle asbestsoorten, dus ook voor crocidoliet, één wettelijke grenswaarde en één beheersregime wordt ingevoerd. De wettelijke grenswaarde is tevens verlaagd (strikter geworden). Nationaal is ervoor gekozen om met het onderhavige voorstel een wettelijke grenswaarde in te voeren die tien maal strikter is dan de Europese waarde. Het betreft de getalswaarde, de zogenoemde vrijgavenorm, die op grond van de vigerende regelgeving als toetscriterium dient om vast te stellen of een ruimte waaruit asbest is verwijderd, betreden kan worden door onbeschermde werknemers zonder gevaar op blootstelling aan asbest te lopen. Deze waarde heeft de afgelopen jaren steeds meer belang gekregen om een tweetal hierna genoemde redenen die hebben geleid tot het besluit deze waarde tot wettelijke grenswaarde te verheffen:

a. De vrijgavenorm sluit beter aan bij de gezondheidskundige inzichten zoals die op grond van de normen ter bescherming van de volksgezondheid zijn vastgesteld;

b. Sinds de inwerkingtreding van het verbod om asbest te gebruiken is de meest voorkomende nog toegestane handeling met asbest, het verwijderen daarvan. De vrijgavenorm wordt hierbij vaker gebruikt dan de minder scherpe wettelijke grenswaarde voor asbest. De wettelijke grenswaarde is om reden hiervan steeds meer in onbruik geraakt.

De vaststelling van de vrijgavenorm tot wettelijke grenswaarde houdt in dat deze waarde, zoals in het algemeen het uitgangspunt is voor de toepassing van de meeste wettelijke grenswaarden, over een tijdgewogen gemiddelde van acht uur niet mag worden overschreden. Deze norm is tevens het onderscheidscriterium tussen de twee laagste risicoklassen als bedoeld in ad b.1. In verband met de functie van deze norm als toetscriterium na asbestverwijdering, betekent dit dat deze niet mag worden overschreden over de meetduur van de toegepaste meetmethode.

De wettelijke actiewaarden voor asbest zijn als onder ad b.1 vermeld, komen te vervallen.

ad c Identificatie van asbesthoudende materialen

Voordat een aanvang wordt gemaakt met sloop- of onderhoudswerkzaamheden, dient er met het oog op blootstelling aan asbest duidelijkheid te bestaan over de locatie en de aard van de te verwijderen materialen of constructies. In feite betreft het een verbijzondering van de algemene verplichting van de werkgever om arbeidsgerelateerde risico’s in kaart te brengen en adequate maatregelen te treffen om die risico’s te voorkomen danwel zoveel als mogelijk te beperken. Deze informatie kan worden verkregen door het uitvoeren van nader onderzoek aan de asbestverdachte materialen of indien voorhanden, gebruik te maken van informatie van de gebouweigenaar of -beheerder. Indien er ook maar de geringste twijfel blijft bestaan over de aanwezigheid van asbest in een materiaal dat, of een constructie die wordt verwijderd of waaraan handelingen uitgevoerd dienen te worden, schrijft de richtlijn voor dat de voorschriften van de richtlijn in acht genomen dienen te worden. Dit betekent dat al het mogelijke in het werk dient te worden gesteld om de identiteit van asbestverdachte materialen definitief vast te stellen.

Ook op dit punt sluit de richtlijn meer aan op het nationale beleid waarin is vastgesteld dat voorafgaand aan asbestverwijdering of het opruimen van asbesthoudende materialen, het asbesthoudende materiaal in kaart gebracht diende te worden. De richtlijn schrijft nu voor dat dat ook voor andere dan genoemde handelingen dient te gebeuren. Ingeval van voorgenomen verwijdering van asbest, is dit voorschrift al geïmplementeerd in het Arbobesluit.

Ter naleving van het eerder genoemde risicobeleid zal ingeval in de nationale regelgeving een asbestinventarisatie door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is voorgeschreven, dit bedrijf ook een risico-inschatting maken van de werkzaamheden die worden uitgevoerd met het asbesthoudend materiaal (risicogericht asbestbeleid). Het bedrijf dat de vervolgwerkzaamheden met het asbesthoudende materiaal uitvoert zal ten behoeve van de bescherming van de betrokken werknemers de maatregelen behorend bij de desbetreffende risicoklasse hanteren. In de situatie dat geen asbestinventarisatie door een gecertificeerd bedrijf behoeft te worden uitgevoerd, zal de werkgever op grond van de algemene risico-inventarisatie en -evaluatie voor gevaarlijke stoffen een inventarisatie en evaluatie van de blootstelling aan asbest dienen te maken. Op grond van die gegevens zal de werkgever tot indeling van de werkzaamheden in één van de risicoklassen komen (zie paragraaf 1.4).

ad d Opleiding van werknemers die aan asbest blootgesteld kunnen worden

Werknemers die blootgesteld kunnen worden aan asbest dienen met regelmatige tussenpozen een passende opleiding aangeboden te krijgen. De opleiding dient voor de werknemers toegankelijk te zijn en is gericht op preventie en veiligheid, zowel in theoretische zin als in praktische vaardigheden. Onderdelen van deze opleiding dienen te bestaan uit algemene kennis omtrent asbest, de herkenning van asbesthoudende materialen, veilige werkwijzen, het gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen, persoonlijke hygiëne, verwijdering van afvalstoffen en kennis omtrent het arbeidsgezondheidskundig onderzoek.

Nationaal gold al een wettelijke verplichting die voorschreef dat werknemers volgens een schriftelijk opleidingsplan opgeleid en geïnstrueerd dienden te zijn, waarbij een aantal nader gespecificeerde onderwerpen behandeld dienden te worden. De Europese wijzigingsrichtlijn breidt het aantal onderwerpen uit. In feite betreffen het aspecten die ingeval van een opleiding door een onderwijsinstelling al werden behandeld in de curricula. De Europese regelgeving sluit nu dus meer aan bij het gangbare opleidingsniveau. Daarnaast gaat de richtlijn ook uit van een bepaalde periodiciteit waarmee de opleiding gegeven dient te worden. Dit is een verdergaande bepaling dan tot dusver in de nationale regelgeving was opgenomen.

ad e Deskundigheid van bedrijven die asbest verwijderen

Asbestverwijderingsbedrijven dienen hun deskundigheid aan te kunnen tonen op grond van de nationale wetgeving en/of praktijken. Nederland heeft in dit verband gekozen voor het instrument certificatie. Dit systeem is medio jaren negentig ingevoerd op grond van bouw- en milieuregelgeving. Recentelijk is deze certificatieregelgeving overgegaan van het voormalige Asbest-verwijderingsbesluit naar het Arbobesluit (Asbestverwijderingsbesluit 2005). De wijziging van het Arbobesluit werd doorgevoerd bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Daarbij is dit deel van de richtlijn geïmplementeerd. De Europese richtlijn sluit ook op dit punt meer aan bij het vigerende nationale beleid.

Voor bedrijven die asbest inventariseren geldt op grond van de nationale regelgeving eveneens een dergelijke certificatieverplichting. In verband met de hoge risico’s op blootstelling aan asbest bij de verwijdering van asbest, geldt sinds beginjaren negentig ook een certificatieplicht van vakbekwaamheid van de persoon die toezicht houdt op de asbestverwijdering, de zogenoemde DTA-A (deskundig toezichthouder asbest). In aanvulling hierop zal per 1 januari 2008 ook een dergelijke vakbekwaamheidscertificatie worden ingevoerd voor de werknemers die asbest verwijderen of andere handelingen met een vergelijkbaar risico op blootstelling aan asbest uitvoeren.

ad f Continuering medisch toezicht na beëindiging blootstelling

De bedrijfsarts kan verklaren dat het medische toezicht na het einde van de blootstelling zolang moet worden voortgezet, als hij voor de gezondheid van de betrokken werknemer noodzakelijk acht. In Nederland kan in dergelijke gevallen een beroep worden gedaan op de algemene gezondheidszorg. De bedrijfsarts kan indien nodig de betrokkene conform geldend medisch oordeel doorverwijzen naar een medisch specialist.

1.3 Implementatie

Hoewel de richtlijn minimumvoorschriften bevat en een lidstaat dus verdergaande of striktere beschermingsmaatregelen kan handhaven of invoeren, is er als gebruikelijk naar gestreefd de richtlijn één op één te implementeren. Dit is in overeenstemming met de Industriebrief1 waarin het kabinet heeft aangegeven dat nieuwe EU-wet- en regelgeving, ter voorkoming van extra administratieve lasten en (nalevings)kosten, in beginsel één op één zal worden overgenomen. In de brief aan de Tweede Kamer van 4 oktober 20052 over de nationale kop in de arbeidsomstandighedenwetgeving is aangegeven dat het internationale regelgevingkader in beginsel ook op nationaal niveau maatgevend dient te zijn en dat dus nationaal met aanvullende normering zeer terughoudend dient te worden omgegaan.

Van deze implementatielijn is ten aanzien van een beperkt aantal onderwerpen afgeweken, omdat de richtlijn voorschrijft dat lidstaten zelf richtsnoeren dienen vast te stellen. Om reden hiervan zijn op deze onderwerpen bepaalde nationale keuzes gemaakt. Het betreffen: (1) handelingen waarbij de blootstelling van werknemers aan asbest sporadisch en laag is en (2) de deskundigheid van bedrijven die asbest verwijderen en (3) melding van handelingen aan de Arbeidsinspectie die in de laagste risicoklasse zijn ingedeeld en (4) de vaststelling van de wettelijke grenswaarde voor asbest op een niveau, tien maal strikter dan in de richtlijn is voorgesteld. In paragraaf 1.4 is de argumentatie en de nationale uitwerking van de richtlijn op het genoemde onderwerp (punt 1) toegelicht. Punt 2 kwam eerder aan de orde in paragraaf 1.2, onderdeel e. Voor het melden van asbestwerkzaamheden in de laagste risicoklasse (punt 3) is besloten geen volledig gebruik te maken van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om deze verplichting te laten vervallen. Melding van asbestwerkzaamheden in de laagste risicoklasse blijft verplicht, behalve voor werkzaamheden die vrijgesteld zijn van de inventarisatieverplichting (de handelingen in artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a indien er asbest wordt aangetroffen) en die sinds 1992 zijn vrijgesteld van de meldingsplicht. Dit wordt toegelicht in paragraaf 1.4.4. en in de toelichting op artikel 4.47c. Een toelichting op de vaststelling van een striktere grenswaarde (punt 4) is opgenomen in paragraaf 1.2, onder ad b.2.

De kern van de richtlijn is geïmplementeerd door in hoofdstuk 4, afdeling 5 (aanvullende voorschriften asbest), van het Arbobesluit, de bestaande bepalingen aan te passen aan de wijzigingen van de richtlijn.

De risicobenadering leidt tot meer maatwerk, waardoor ook het draagvlak voor de regels zal toenemen, omdat ze minder knellend worden. Ook leidt het voorstel tot deregulering, omdat specifieke regels in het Arbobesluit kunnen vervallen en tot vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van partijen voor het nemen van arbeidsbeschermende maatregelen, waardoor de afhankelijkheid van steeds verdere overheidsregulering sterk zal verminderen.

De voorgestelde risicobenadering is in lijn met het overheidsbrede streven naar risicobeleid, waarin de regels meer in verhouding tot de daadwerkelijke risico’s komen te staan.

De nadere precisering van het asbestverbod en de hierop nog toegestane uitzonderingen zijn geïmplementeerd in het Productenbesluit asbest. Een dergelijk voorschrift was sinds juli 1993 opgenomen in hoofdstuk 4, afdeling 5, paragraaf 2, van het Arbobesluit.

1.4 De risicobenadering (klassensysteem)

1.4.1 Inleiding

Als gesteld onder paragraaf 2, ad b.2, schrijft de richtlijn voor dat lidstaten richtsnoeren op dienen te stellen voor de omschrijving van sporadische blootstelling met een geringe intensiteit. Hiermee wordt gedoeld op werkzaamheden die onder een verlicht arbeidsbeschermingsregime kunnen worden uitgevoerd. Het betreffen ondermeer incidentele onderhoudsactiviteiten en het als één geheel, zonder breuk, verwijderen en inkapselen van asbesthoudende materialen die niet beschadigd zijn en in een goede conditie verkeren, en het nemen van lucht- of asbestmateriaalmonsters.

Omdat een duurzame, eenduidige en generieke beschrijving van alle handelingen die onder een verlicht regime kunnen worden uitgevoerd niet kan worden gegeven is gekozen voor een systematiek waarbij de risico’s op blootstelling de arbeidsbeschermende maatregelen bepalen. Een alternatief zou kunnen bestaan uit het vaststellen van een lijst waarin dergelijke laagrisicovolle handelingen zijn opgenomen. Een dergelijke lijst zou echter nooit uitputtend kunnen zijn en periodieke bijstelling behoeven. Deze werkwijze zou meer bewerkelijk zijn, ook omdat ze noodzaakt tot extra communicatie en informatievoorziening met uitvoerende bedrijven en handhavende instellingen.

Om de voorgaande redenen is gekozen voor een generieke benadering in het asbestbeleid die meer uitgaat van risico’s bij handelingen met asbest. Dit is in feite ook het uitgangspunt dat in de richtlijn is gehanteerd. Met het onderhavige besluit wordt een dergelijke risicosystematiek ingevoerd. Vergelijkbare systemen zijn in de ons omringende landen gangbaar.

Een risicogerichte aanpak van het asbestbeleid maakt het ook mogelijk dat arbeidsbeschermende maatregelen meer op maat kunnen worden toegesneden. De maatregelen kunnen meer in proportie met de risico’s worden gebracht, waardoor een voor iedere arbeidssituatie passende bescherming wordt geboden.

Het tot dusver gehanteerd asbestbeleid heeft een absoluut karakter, waarbij op grond van de toentertijd bestaande inzichten is uitgegaan van hoge blootstellingen bij met name het verwijderen van asbest. Deze regelgeving heeft geleid tot steeds meer en gedetailleerde regels voor specifieke arbeidssituaties. Voorbeelden hiervan zijn uitzonderingen of vrijstellingen van de asbestverwijderingsregelgeving omdat deze te strikt was of onvoldoende rekening hield met ontwikkelingen van de stand van de wetenschap van beheerstechnieken. Een generieke risicobenadering maakt het mogelijk om innovatieve beheerstechnieken toe te passen, zonder dat dit noodzaakt tot aanpassing van de regelgeving.

Het beschermingsniveau voor werknemers zal ingevolge het voorgestelde risicogerichte asbestbeleid niet worden verminderd. De regels zullen meer in verhouding tot de daadwerkelijke risico’s staan. Voor situaties waarvoor op grond van opgedane ervaringen meer waarborgen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld voor de verwijdering van niet-hechtgebonden asbesthoudend materiaal waarvan asbestvezels makkelijk vrij kunnen komen, zal het beschermingsniveau meer adequaat worden door de eindcontrole aan te scherpen, na afronding van het werk.

1.4.2 Het risicomodel

Aan het risicogerichte asbestbeleid ligt een risicomodel ten grondslag dat ontleend is aan de richtlijn. Ter uitvoering van dit model werd een studie in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgevoerd. De studie resulteerde in een rapport met de titel: «Risicogerichte classificatie van werkzaamheden met asbest» dat bij brief van 29 april 2005 aan het Parlement werd gezonden3, onder gelijktijdige publicatie van een persbericht. Hierin werd bekend gemaakt dat via de internetsite van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kennis genomen kan worden van de inhoud van het rapport. Op 6 september 2005 werd in een vervolgbrief aan het Parlement een beleidsstandpunt kenbaar gemaakt dat gebaseerd is op de conclusies van het genoemde studierapport4. Het Parlement heeft de stukken ter kennisneming aangenomen.

Het studierapport is op een interactieve wijze tot stand gekomen. Zo is met werkgevers en werknemers overleg gevoerd over een tussenrapport van de studie waarin de belangrijkste keuzes zijn gemaakt ten behoeve van de uitwerking van het finale rapport. Een ander onderdeel van de studie betrof een evaluatie van de asbestregelgeving waarbij werkgevers en werknemers van de betrokken bedrijfssectoren in de asbestverwijdering, waaronder de uitvoerende bedrijven, asbestlaboratoria en de betrokken overheidsinstellingen werden geënquêteerd. Een overgrote meerderheid van de respondenten bleken voorstander te zijn van een risicobenadering omdat die meer ruimte biedt voor maatwerk.

Het risicomodel gaat uit van een risicosystematiek bestaande uit drie risicocategorieën waarin alle handelingen met asbest kunnen worden ingedeeld. Per risicocategorie zijn de bijbehorende arbeidsbeschermende maatregelen vastgesteld. Deze benadering is in lijn met de conclusies van het eerder genoemde studierapport die werden gebaseerd op de genoemde evaluatiestudie van het nationale asbestbeleid en op een verkenning van het asbestbeleid en de ervaringen daarmee in het buitenland, waar een risicogerichte benadering al gangbaar is (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten).

Uit ervaringen sinds de inwerkingtreding van de asbestverwijderingsregelgeving in het Arbobesluit in 1992, is gebleken dat de risico’s waaraan werknemers kunnen worden blootgesteld, goed zijn te karakteriseren in drie risiconiveaus. Wanneer asbest hechtgebonden is en in goede staat verkeert, waardoor er bij beroering, trillingen en dergelijke geen asbestvezels vrij kunnen komen, en het werk eenvoudig, routinematig en zonder breuk kan worden uitgevoerd, zal er nagenoeg geen asbest vrijkomen. Ingeval van asbestverwijdering betekent dit dat met inachtneming van de andere in de vorige zin genoemde randvoorwaarden, het materiaal zonder breuk kan worden gedemonteerd. De concentratie asbestvezels in de inademingslucht mag in die gevallen niet uitstijgen boven 0,01 vezels per kubieke centimeter lucht (v/cm3) over een acht uurs tijdgewogen gemiddelde. Voor een veilige werkwijze dienen de voorschriften in acht genomen te worden die een adequate bescherming bieden voor de uitvoering van werkzaamheden die ressorteren in deze risicoklasse 1. Het betreffen de basisvoorschriften die tot dusver ook verplicht waren gesteld ingeval sprake is van het uitvoeren van reparatie- of onderhoudshandelingen aan asbesthoudende materialen, waarbij de concentratie asbestvezels in de inademingslucht de actieniveaus niet overschrijden. Wanneer de werkzaamheden met asbest in zeer uiteenlopende en/of complexe omstandigheden plaatsvinden en niet kan worden voldaan aan de eerder in risicoklasse 1 genoemde randvoorwaarden, is het vrijkomen van asbestvezels evident. De betrokken werknemers dienen verdergaand te worden beschermd. De concentratie asbestvezels in de inademingslucht mag in die gevallen niet uitstijgen boven 1 vezel per kubieke centimeter lucht (v/cm3) over een achtuurs tijdgewogen gemiddelde. Om dit te bereiken dienen de maatregelen van risicocategorie 2 in acht genomen te worden. Dit betreft de regelgeving die tot dusver in acht genomen diende te worden ingeval van bijvoorbeeld het verwijderen van asbest. Wanneer bij handelingen asbestvezels nagenoeg spontaan en in grote hoeveelheden vrij kunnen komen, zoals ingeval van het werk aan niet-hechtgebonden asbest, dienen bij de oplevering van het werk op grond van artikel 4.53a, ook de aanliggende ruimten van de ruimte waaruit het asbest is verwijderd, beoordeeld te worden op het asbestgehalte in de lucht. Dit risiconiveau wordt aangeduid als risicoklasse 3.

1.4.3 De certificatieverplichtingen in relatie tot het risicomodel

In de asbestregelgeving wordt onderscheid gemaakt in vier certificatiesystemen die bij de wijziging van Arbobesluit ingevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn ingevoerd:

a. Certificatie van een bedrijf dat asbest inventariseert en op grond hiervan een indeling maakt in de risicoklasse 1, 2 of 3 in verband met een veilige uitvoering van de handelingen;

b. Certificatie van een bedrijf dat handelingen met asbest uitvoert;

c. Certificatie van de werknemer die toezicht houdt op de handelingen met asbest of deze zelf uitvoert;

d. Certificatie van de persoon die handelingen met asbest uitvoert. Deze certificatieverplichting is in verband met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 doorgevoerd in het Arbobesluit en treedt per 1 januari 2008 in werking.

Per risicoklasse zijn bovengenoemde certificatieverplichtingen onverkort of slechts gedeeltelijk van kracht.

ad a Asbestinventarisatie en risicoschatting door een gecertificeerd bedrijf

Een inventarisatie van asbest en een indeling van de uit te voeren handeling met asbest in een risicoklasse, dient voorafgaand aan de verwijdering van asbest uitgevoerd te worden door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf. Deze verplichting geldt voor alle asbestverwijderingshandelingen in de risicoklassen 1, 2 en 3, met uitzondering van die handelingen die nu in risicoklasse 1 zouden worden ingedeeld en waarvoor een dergelijke verplichting tot dusver ook niet in acht genomen hoefde te worden. Het betreft bijvoorbeeld het verwijderen van water-, gas- en rioolleidingen uit het openbare leidingnet, het verwijderen van asbesthoudende kit uit kassen, het verwijderen van pakkingen uit bepaalde typen verwarmingsketels of uit verbrandingsmotoren. Voor andere handelingen met asbest dan verwijdering of opruimen, waarvoor gecertificeerde asbestverwijdering niet van toepassing is, zoals bijvoorbeeld voor laboratoriumonderzoek aan (verdachte) asbesthoudende materialen, geldt dat het bedrijf dat die handelingen met het asbest uitvoert, de asbestinventarisatie en de risico-inschatting zelf dient op te stellen op grond van artikel 4.2 (risico-inventarisatie en -evaluatie).

De risico-indeling in één van de risicoklassen is voor de desbetreffende bedrijven een nieuw onderwerp als onderdeel van de risico-inventarisatie.

ad b, c en d Handelingen met asbest door een bedrijf en door personen die hiertoe specifiek zijn gecertificeerd

Hierbij gaat het om handelingen die met inachtneming van de beschermingsmaatregelen als vastgesteld in de risicoklassen 2 en 3, worden uitgevoerd door een gecertificeerd asbestbedrijf, door een gecertificeerde toezichthouder die de handelingen ook zelf kan uitvoeren en door een persoon die de handelingen met asbest verricht. Deze verplichtingen gelden dus niet voor handelingen die onder het beschermingsniveau van risicoklasse 1 zijn ingedeeld. Dit houdt verband met de lage risico’s die geassocieerd zijn met deze handelingen. Dit betekent overigens niet dat er geen kenniseisen gelden voor werknemers die de betreffende handelingen uitvoeren. Zoals vastgesteld in de nationale regelgeving en door middel van de richtlijn nu ook Europees voorgeschreven, dienen werknemers die aan asbest blootgesteld kunnen worden een passende opleiding te hebben gevolg. De opleiding dient op regelmatige basis gegeven te worden over een aantal nader vastgestelde kennisaspecten en praktische vaardigheden die van belang zijn voor de eigen veiligheid en voor die van collega’s en andere personen.

Personen die betrokken worden bij handelingen met inachtneming van de beschermingsmaatregelen in de risicoklassen 2 of 3, dienen voor het verwerven van een persoonscertificaat een examen met goed gevolg af te leggen. Het is dus in verband met het verwerven van het certificaat niet noodzakelijk dat voorafgaand aan het examen een opleiding wordt gevolgd. De verplichting voor het volgen van een opleiding geldt wel op basis van het opleidingsartikel dat voortvloeit uit de implementatie van de EG-Richtlijn. De inhoud van de opleidingen dient specifiek te zijn gericht op een veilige uitvoering van de handelingen die met asbest worden uitgevoerd. In die zin wordt gewaarborgd dat de specifieke opleiding voor asbestverwijdering aansluit op de exameneisen.

Het voorschrift dat asbestverwijderingswerkzaamheden die in risicoklasse 1 worden ingedeeld, niet behoeven te worden uitgevoerd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf heeft geleid tot Kamervragen en opmerkingen van de Raad van State, de asbestverwijderingsbranches en van de vakbond FNV. Met name werd aandacht gevraagd voor het risico dat men zag dat:

– er vanwege commerciële belangen een negatieve druk ontstaat om het werk ingedeeld te krijgen in de laagste risicoklasse

– een niet-gecertificeerd bedrijf, bij het uitvoeren van werkzaamheden in de laagste risicoklasse 1, te maken krijgt met onvoorziene omstandigheden die leiden tot indeling in risicoklasse 2, en daardoor onder andere nopen tot het inschakelen van een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Het betreffende niet-gecertificeerde bedrijf moet in dat geval het werk stilleggen en de opdracht teruggeven aan de opdrachtgever. Er is op gewezen dat een dergelijke procesgang moeizaam zou kunnen verlopen.

In het ontwerpbesluit dat voor advies heeft voorgelegen bij de Raad van State was geen meldingsplicht opgenomen van asbestverwijderingshandelingen die ingedeeld worden in risicoklasse 1. Melding dient te geschieden voorafgaand aan de asbestverwijdering door de werkgever van het uitvoerend bedrijf aan de Arbeidsinspectie. De Raad van State wees in zijn advies op het ontbreken van de meldingsplicht in de laagste risicoklasse en stelde dat niet duidelijk was of het bestaande toezicht voldoende waarborgen zou bieden dat in een overgangssituatie zoals boven geschetst, de werkzaamheden zullen worden overgedragen aan een gecertificeerd bedrijf. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerpbesluit door de meldingsplicht voor werkzaamheden in risicoklasse 1 in stand te houden, met uitzondering van die handelingen waarvoor sinds 1992 geen meldingsplicht geldt (dit betreft de handelingen in artikel 4.54b, met uitzondering van de handelingen in onderdeel a; zie ook de toelichting op artikel 4.47c). Hierdoor blijft het voor de handhaving mogelijk een compleet overzicht te houden van asbestwerkzaamheden, zodat ook bij de asbestwerkzaamheden door een niet-gecertificeerd bedrijf in de laagste risicoklasse, eenvoudiger handhavend opgetreden zal kunnen worden op basis van de ontvangen melding van voorgenomen asbestverwijderingswerkzaamheden.

De hierboven geschetste discussie onderstreept dat het van belang is dat de kwaliteit van het inventarisatierapport onomstreden is. Eventuele onzekerheden (bijvoorbeeld doordat sommige delen van een gebouw niet toegankelijk zijn) zullen zo weinig mogelijk moeten voorkomen. In de certificeringsregeling voor asbestinventarisatiebedrijven kan over deze en andere uitvoeringsaspecten worden opgenomen hoe er gehandeld moet worden.

Om tot een zo goed mogelijk functionerende uitvoering van de inventarisatie- en verwijderingspraktijk te komen, zal in overleg met de inventarisatiebranche de certificeringsregeling op dit punt worden ingevuld, en eventueel andere maatregelen worden afgesproken. Daarnaast is overleg voorgenomen met de organisaties van (niet-gecertificeerde) bouw- en sloopbedrijven.

1.4.4 Implementatie van het risicobeleid

Het voorgestelde risicobeleid maakt het noodzakelijk dat voordat met de handelingen met asbest een aanvang wordt gemaakt, duidelijkheid dient te bestaan over de plaats en de hoeveelheden van het asbesthoudende materiaal in of aan een bouwwerk of een object. Vervolgens dient ook helder te zijn met inachtneming van welke arbeidsbeschermende maatregelen de handelingen met het asbest uitgevoerd kunnen worden. Deze gegevens zijn zowel voor de opdrachtgever, in verband met de financieel-economische consequenties, als ook voor het uitvoerende bedrijf dat de handelingen met asbest uit zal voeren van belang in verband met de veilige uitvoering van de handelingen en de daarbij in acht te nemen beschermende maatregelen. Deze gegevens zullen, met inachtneming van het gestelde in paragraaf 1.4.3, in opdracht van de opdrachtgever worden opgeleverd door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf of door het bedrijf zelf dat de handelingen met asbest uitvoert. Ingeval een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is betrokken, is de asbestinventarisatie en de risico-inschatting in klasse 1, 2 of 3 maatgevend voor de te nemen maatregelen door het bedrijf dat de handelingen met asbest uitvoert.

Ter ondersteuning van de bedrijven die de werkzaamheden in dienen te delen in een van de risicoklassen 1, 2 of 3 en om te voorkomen dat ten behoeve van de risico-indeling voortdurend metingen moeten worden uitgevoerd, is in het eerdergenoemde studierapport waarop het risicogerichte asbestbeleid is gebaseerd, een beslissingsdocument opgenomen. Dit document kan eenvoudig worden doorlopen, waardoor op een snelle wijze gekomen kan worden tot een indeling van de uit te voeren handelingen in een risicoklasse. Dit systeem is gebaseerd op een omvangrijk aantal geïnventariseerde meetgegevens uit de nationale en internationale literatuur en van individuele laboratoria die met regelmaat asbestmetingen in de lucht uitvoeren. Alle meetgegevens zijn gevalideerd en voldoen aan de kwaliteitseisen die op grond van de stand van de wetenschap gesteld worden aan dergelijke metingen. Voor meer dan 95% van alle handelingen met asbest zijn meetgegevens aangetroffen en geïnventariseerd. Voor een handzamer gebruik van deze systematiek, zullen de meetgegevens in een geautomatiseerd databestand worden opgenomen, waardoor ook de toegankelijkheid zal worden verbeterd. Deze automatiseringsactie wordt onder verantwoordelijkheid van de Stichting Certificatie Asbest (SCA) uitgevoerd op grond van de stimuleringsregeling VASt (Versterking Arbobeleid Stoffen). SCA beheert de asbestcertificatieregelingen. SCA zal ook verantwoordelijk worden voor het beheer en het onderhoud van dit systeem.

Dit systeem eigent zich ook voor terugdringing van de administratieve lasten. Zo zal het elektronische systeem zodanig worden ingericht dat hieruit ook het wettelijk voorgeschreven werkplan kan worden gegenereerd. Deze vigerende verplichting regardeert de werkgever van het bedrijf dat de handelingen met asbest uitvoert ter voorbereiding van de uitvoering van die handelingen.

Indien blijkt dat van bepaalde handelingen niet bekend is met welk risico ze gepaard gaan, zal het betreffende bedrijf dat de werkzaamheden uitvoert, of de opdrachtgever via de inzet van een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf, er zorg voor dienen te dragen dat de noodzakelijke gegevens worden gegenereerd, eventueel door metingen uit te voeren. De aldus verworven kennis kan worden opgenomen in de database, waardoor die actualiteitswaarde houdt.

1.4.5 Een voorbeeld van de nieuwe werkwijze

Onderstaand voorbeeld dient slechts ter illustratie van de hantering van het risicobeleid voor de uitvoering van handelingen met asbest.

Een opdrachtgever wil een deel van zijn woningen renoveren van rond de jaren zeventig. Een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf onderzoekt de woningen in opdracht van de opdrachtgever op de aanwezigheid en de hoeveelheid asbest. Het bedrijf constateert twee vierkante meter asbesthoudend plaatmateriaal dat aan de binnenzijde van de woningen is aangebracht. Het plaatmateriaal blijkt nog in goede conditie te verkeren en met houten lijsten te zijn ingeklemd. Door de lijsten weg te nemen, kunnen de platen worden weggenomen zonder breuk (demontage), verpakt en afgevoerd.

«Oude» situatie

De inventarisatie dient als basis voor het offerteverzoek van de opdrachtgever. Alle wettelijke voorgeschreven maatregelen worden door het bedrijf dat de handelingen met asbest uitvoert in acht genomen, waaronder (niet volledige opsomming):

1. Inschakeling van een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf;

2. Melding van het werk aan de Arbeidsinspectie;

3. Afscherming van de asbestbevattende platen door de plaatsing van een fysieke afscherming (een gesloten constructie);

4. Registratie van de aard, mate en duur van de blootstelling (asbestgehalte in de lucht) per werknemer;

5. Aanbieden van arbeidsgezondheidskundig onderzoek door de werkgever aan de betrokken werknemer, voor aanvang van de eerste blootstelling (indiensttreding) en vervolgens minimaal één maal per drie jaar;

6. Het bijhouden van een gezondheidskundig dossier en van de blootstellingsregistraties per werknemer;

7. De werknemers die kunnen worden blootgesteld dienen op regelmatige basis een adequate opleiding te hebben gevolgd waarbij aandacht is besteed aan een aantal vastgestelde kenniseisen en praktische vaardigheden voor zijn eigen veiligheid en voor die van anderen.

Nieuwe situatie; met inachtneming van het risicobeleid

Het inventarisatiebedrijf stelt op grond van onderstaande omstandigheden en keuzes vast dat het bedrijf dat de handelingen met het asbest uit zal voeren, de arbeidsbeschermende maatregelen die in risicoklasse 1 zijn vastgesteld in acht dient te nemen. Uitgaande van de bovenstaande opsomming 1 tot en met 7, dient het uitvoerende bedrijf uitsluitend de maatregelen 2 en 7 in acht te nemen.

Hoe komt de keuze voor de risicoklasse tot stand?

Het risico-instrument leidt het bedrijf naar de juiste risicoklasse door de volgende toetscriteria in acht te nemen:

a. Materiaal:

Waarneming: hechtgebonden asbestcement, vlakke plaat, in goede staat, twee vierkante meter per woning, ingeklemd in houten lijsten

b. Uiterlijk:

Waarneming: grijs met wafelstructuur

c. Vervolghandeling:

Demontage van de asbesthoudende platen door het verwijderen van de houten lijsten

d. Locatie:

Binnenlucht

Op grond van een uitgewerkt voorbeeld uit het studierapport of uit het databestand met meetgegevens volgt uit a t/m d dat de arbeidsbeschermende maatregelen van risicoklasse 1 in acht genomen dienen te worden.

1.5 Financieel-economische gevolgen; administratieve lasten

De risicobenadering die met het onderhavige voorstel wordt doorgevoerd, zaltot deregulering (Arbobesluit en Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling)) en tot vermindering van de regel- en lastendruk leiden. In totaal besparen de asbestbedrijven hierdoor netto ca. € 4,4 miljoen, waaronder € 0,4 miljoen op de administratieve lasten.

Tot dusver was in de regelgeving een strikt arbeidsbeschermingsregime vastgesteld dat bij de verwijdering van asbest, een van de meest voorkomende handelingen met asbest, in acht genomen diende te worden. Bij deze handelingen kan om een aantal redenen, het risico op blootstelling van werknemers aan asbest sterk uiteen lopen. Het generieke risicomodel anticipeert hier op omdat die risico’s voortaan centraal staan bij de vaststelling van de arbeidsbeschermende maatregelen. Hierdoor is maatwerk beter mogelijk.

Voor een aantal asbestverwijderingshandelingen waren per handeling verschillende uitzonderingen in de regelgeving gecreëerd (zoals omschreven in het oude artikel 4.54c). Deze kunnen nu worden geschrapt, omdat het risicobeleid niet langer uitgaat van handelingen maar van de daadwerkelijke risico’s. In de nieuwe systematiek zullen de handelingen op grond van de te verwachten risico’s worden ingedeeld in één van de risicoklassen waarvoor per klasse een bepaald maatregelenniveau is vastgesteld.

Kostenreductie

De te verwachten kostenreductie van het onderhavige voorstel wordt voornamelijk bepaald door het gegeven dat bij het werk in de laagste risicoklasse (1) niet langer voldaan behoeft te worden aan een aantal strikte voorschriften. Zo vervallen de fysieke afscherming (op onderdruk) van handelingen, de uitvoering van de handelingen door een gecertificeerd bedrijf onder toezicht van een deskundige en door gecertificeerde personen en het aanbieden van arbeidsgezondheidskundig onderzoek door de werkgever aan de werknemer. Ook behoeven de registers van het arbeidsgezondheidskundig toezicht en van de aard, mate en duur van de blootstelling voor iedere werknemer niet meer te worden bijgehouden. Bovendien wordt het opstellen van een uitgebreid werkplan vervangen door een standaardbeschrijving van de uitvoering van het routinewerk en vervalt de eindmeting (na asbestverwijdering). Het betreft een lichter regime van regelgeving dat ook al van kracht was voor een aantal nader aangeduide eenvoudige en routinematige handelingen met een laag risico op blootstelling aan asbest.

De totale reductie van de bedrijfslasten die hiermee gemoeid is, wordt geschat op € 5,7 miljoen per jaar.

De administratieve lastendruk zal ook dalen, ten eerste omdat deadministratieve verplichtingen in risicoklasse 1,2 en 3 afnemen. Hiermee is een verlaging van ca. € 234.000 voorzien5.

Ten tweede wordt een verlaging van de administratieve lasten gerealiseerd vanwege het gebruik van een elektronisch databestand, waaruit ook een werkplan kan worden gegenereerd door een bedrijf dat handelingen met asbest verricht die in risicoklasse 2 en 3 zijn ingedeeld (ca. 50% van het aantal handelingen met asbest). Hiervoor is een verlaging van ca. € 177.000 geraamd6. Deze kostenreductie zal met ingang van 1 januari 2007 merkbaar zijn, omdat de genoemde elektronische faciliteit dan beschikbaar komt.

De totale reductie van de administratieve lasten bedraagt dus ca. € 410.000.

Kostenverhoging

In de hoogste risicoklasse (3) zal de eindmeting na de handelingen metasbest voortaan ook uitgevoerd worden in de aanliggende ruimte(n) van de ruimte waaruit het asbest is verwijderd. De kosten per eindmeting zullen ca. € 500,– bedragen. Hieruit resulteert een jaarlijkse kostenverhoging van € 1.125.0007.

Ook de op maat toegesneden opleiding van de ca. 4.500 werknemers die aan asbest kunnen worden blootgesteld en die op gezette tijden zal worden herhaald, zal tot een verhoging van de bedrijfslasten leiden8. De kosten worden geschat op € 563.000.

Netto bedragen

Netto levert het onderhavige voorstel een reductie van de bedrijfslasten op van ca. € 4.000.000 per jaar, omdat de handelingen in de laagste risicoklasse 1 (kostenverlaging) zich vaker voordoen (ca. 30%) dan in de hoogste risicoklasse 3 (ca. 10%), (kostenverhoging) en de kostenverlaging per handeling in risicoklasse 1 hoger is dan de kostenverlaging in risicoklasse 3.

Ten aanzien van de administratieve lasten geldt eenzelfde redenering. Ook hiervoor wordt het netto-effect geraamd op € 410.000 vermindering van de lastendruk.

1.6 Handhaving en uitvoering

1.6.1 Handhaving

De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidsbeschermingsregelgeving. In dit verband voert de Arbeidsinspectie al jaren handhavingsbeleid ter naleving van de regelgeving met betrekking tot het beleidsonderwerp asbest. Een van de aangrijpingspunten is de melding van voorgenomen asbestverwijderingshandelingen. Om asbestverwijderingswerken te traceren die niet vooraf zijn gemeld aan de Arbeidsinspectie en waarvan onvoldoende beeld bestaat of de asbestregelgeving in acht wordt genomen, verlegt de handhaving van de Arbeidsinspectie zich de laatste jaren steeds meer naar ketenbenadering. Het betreft een meer integrale benadering van de asbestverwijderingsketen, waarbij de kans wordt vergroot dat men op werken stuit die niet (geheel) met inachtneming van de regelgeving worden uitgevoerd. Hierbij wordt samengewerkt met de VROM-Inspectie.

Daarnaast bestaat het werk ook uit inspectieonderzoek dat het gevolg is van ingediende klachten.

Op het internationale vlak zal de Arbeidsinspectie in 2006 meewerken aan een initiatief van de Europese Commissie om in gezamenlijkheid met de Europese collega-instellingen een handhavingsproject op het beleidsonderwerp asbest uit te voeren.

1.6.2 Uitvoering

De werkwijze van de Arbeidsinspectie zal ten gevolge van het voorstel wijzigen ten opzichte van de huidige. Dit houdt verband met de navolgende consequenties die het gevolg zijn van de wijzigingen van het voorstel ten opzichte van het tot dusver gevoerde beleid:

(1) een effectievere handhaving wordt beter mogelijk voor de Arbeidsinspectie op grond van de ontvangen meldingen van handelingen waarbij de hoogste risico’s kunnen ontstaan, die moeilijk zijn te beheersen;

(2) meer maatwerk van risicobeheerregimes biedt kans op een eenduidiger handhavingsbeleid omdat maatregelen meer in verhouding staan tot de daadwerkelijk optredende risico’s;

(3) betere acceptatie van de regelgeving door de normadressant, waardoor de handhaving wordt gefaciliteerd.

In het Arbobesluit is vastgesteld dat een bedrijf dat een asbestinventarisatie of handelingen met asbest uitvoert, een persoon die toezicht houdt op die handelingen en een persoon die die handelingen zelf uitvoert, hiertoe gecertificeerd dienen te zijn. Aan de certificatieverplichtingen liggen certificatieschema’s ten grondslag. In de certificatieschema’s zijn onder meer de verantwoordelijkheden en taken van de genoemde bedrijven en personen neergelegd. Het risicobeleid zal in de genoemde certificatieschema’s worden opgenomen voor asbestinventarisatiebedrijven, alsook in de overige certificatieschema’s voor bedrijven en personen die handelingen met asbest uitvoeren in de hoogste risicoklassen 2 en 3.

In de Arboregeling wordt verwezen naar deze schema’s. De Arbeidsinspectie zal zich bij de handhaving mede baseren op de aanwezigheid van certificaten.

In verband met de handhaving van handelingen die in risicoklasse 1 zijn ingedeeld, is de Arbeidsinspectie aangewezen op de vigerende algemene risico-inventarisatie- en risico-evaluatieplicht. Indien werknemers blootgesteld kunnen worden aan asbest, dient op grond van deze verplichting, dit risico in kaart gebracht te worden en aangegeven te zijn hoe dit te beheersen. In aanvulling hierop zal ook de versterkte rol van werkgevers en werknemers voor het eigen arbeidsomstandighedenbeleid een belangrijke bijdrage leveren, die voortvloeit uit het lopende wetgevingstraject voor vernieuwing van het algemene arbeidsomstandighedenbeleid. In dit stelsel zullen sociale partners van bedrijfssectoren meer verantwoordelijkheid dragen voor het opstellen van richtlijnen als nadere invulling van de arbeidsomstandighedenregelgeving. De Arbeidsinspectie zal zich bij haar handhavende taak op deze richtlijnen baseren.

In verband met de handhaving van de asbestinventarisatie en van de handelingen met asbest, is het voor de Arbeidsinspectie van belang om zich een oordeel te vormen van de indeling van die handelingen in één van de risicoklassen door een asbestinventarisatiebedrijf. Om reden hiervan zal de Arbeidsinspectie, in overeenstemming met de informatiebehoeften van een asbestinventarisatiebedrijf, ook het afwegingsschema moeten kunnen hanteren op grond waarvan de risicoklasse van de te inspecteren handeling is vastgesteld.

1.7 Overig

Omdat dit wijzigingsbesluit slechts betrekking heeft op de noodzakelijke implementatie van de richtlijn, is op grond van artikel 1:7 van de Algemene wet bestuursrecht, over het wijzigingsbesluit geen advies gevraagd aan de SER.

Hierna wordt artikelsgewijs ingegaan op de wijze waarop in het onderhavige besluit uitvoering is gegeven aan de richtlijn. Bij deze toelichting is een transponeringstabel gevoegd, waarin is aangegeven in welke artikelen van het Arbobesluit de verschillende bepalingen uit de richtlijn zijn verwerkt.

2. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A: artikel 4.1a (Toepasselijkheid)

Naar aanleiding van het toevoegen van crocidoliet aan de definitie van asbest vervalt in het eerste lid van artikel 4.1a de term «crocidoliet of crocidoliethoudende producten» (zie de toelichting op de onderdelen D en E).

Verder wordt er een nieuw vierde lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat artikel 4.10e niet van toepassing is op asbest (of asbesthoudende producten). Dit omdat in afdeling 5 (aanvullende voorschriften asbest) al twee meer specifieke bepalingen (de artikelen 4.45a en 4.45b) over voorlichting en onderricht zijn opgenomen die voortvloeien uit de wijzigingsrichtlijn en die afwijken van het bepaalde in artikel 4.10e (zie ook de toelichting op de onderdelen J en K).

Onderdeel B: artikel 4.2 (Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, beoordelen)

De verwijzing in artikel 4.2, vijfde lid, onderdeel d, naar artikel 4.56 kan worden geschrapt aangezien artikel 4.56 is vervallen. (Zie de toelichting op de onderdelen EE en FF).

Onderdeel C: artikel 4.10e (Voorlichting en onderricht)

Artikel 4.10e is niet meer van toepassing op arbeid met asbest (zie de toelichting op onderdeel A), waardoor de verwijzing naar artikel 4.46 is geschrapt.

Onderdelen D en E; artikelen 4.37en 4.37a (Definitie)

In artikel 4.37 wordt crocidoliet toegevoegd aan de definitie van asbest. Door deze wijziging vervalt het onderscheid tussen crocidoliet en andere asbestsoorten en dus ook het onderscheid tussen asbest en crocidoliet voor wat betreft de wettelijke grenswaarden en beheersmaatregelen. Deze wijziging dient ter implementatie van artikel 1, onderdeel 2, van de wijzigingsrichtlijn. Als gevolg van deze wijziging vervalt de term «crocidoliet of crocidoliethoudende producten» in artikel 4.37a.

Onderdeel F; Artikel 4.37b (Afwijkende bepalingen)

In dit artikel zijn de afwijkende bepalingen vermeld die specifiek gelden voor het werken met asbest en in afwijking van de bepalingen die van toepassing zijn op arbeid met kankerverwekkende stoffen in het algemeen. In plaats van artikel 4.16 (grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen) moeten de artikelen 4.46 en 4.47a worden toegepast. Thans wordt alleen verwezen naar artikel 4.46, maar in het onderhavige besluit wordt de inhoud van artikel 4.46 verdeeld over twee artikelen. In artikel 4.46 is de grenswaarde opgenomen en in artikel 4.47a de maatregelen die getroffen moeten worden indien de grenswaarde overschreden wordt (thans het tweede lid van artikel 4.46).

Verder wordt er een nieuw lid toegevoegd aan artikel 4.37b waarin wordt bepaald dat in afwijking van artikel 4.19, onderdelen d en e, die onderdeel uitmaken van het algemene regime voor kankerverwekkende stoffen, de meer specifieke bepalingen inzake asbest van toepassing zijn. Het gaat hierbij om de opslag en het vervoer van asbest en het omgaan met asbesthoudend afval. Hierdoor wordt de werknemers meer bescherming geboden.

Onderdeel G; Artikel 4.37c (Toepasselijkheid)

De vraag in hoeverre het nog is toegestaan om werkzaamheden met asbest te verrichten wordt sinds de inwerkingtreding per 8 maart 2005 van het Productenbesluit asbest primair niet meer beantwoord door het Arbobesluit. De asbestverboden zijn thans opgenomen in artikel 4 van het Productenbesluit asbest. De uitzonderingen op de asbestverboden zijn opgenomen in artikel 5 van het Productenbesluit asbest. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan asbesthoudende producten. De uitzonderingen hebben ook betrekking op het afgraven, opslaan, tijdens het vervoer voorhanden hebben of aan een ander ter beschikking stellen van asbesthoudende afvalstoffen ten behoeve van reiniging alsmede op het reinigen van asbesthoudende afvalstoffen. Hoofdzakelijk gaat het hier om de reiniging en de daaraan voorafgaande handelingen van asbesthoudende grond en slib en asbesthoudend puin. De uitzonderingen hebben ook betrekking op handelingen die betrekking hebben op het opruimen van asbest of asbesthoudende producten na incidenten of calamiteiten.

Het Productenbesluit asbest is verder niet van toepassing op handelingen die zijn gesteld bij of krachtens het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en op het slopen van gebouwen en objecten waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt en het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit deze bouwwerken of objecten waarop het Arbobesluit van toepassing is. Ook is het Productenbesluit asbest niet van toepassing op de verwijdering van asbesthoudende afvalstoffen die worden verwijderd in een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder het verwijderen wordt mede begrepen het storten en vernietigen. Tot slot is het Productenbesluit asbest niet van toepassing op het verplaatsen van verontreinigde grond binnen een geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming, tenzij aan die grond asbest opzettelijk is toegevoegd.

Op al deze uitzonderingen met toegestane werkzaamheden met asbest is afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit van toepassing wanneer sprake is van een hogere concentratie asbest dan de restconcentratie. Het toepasselijke arbeidshygiënische regime wordt vervolgens bepaald door de concentratie van asbeststof in de lucht en op basis hiervan de indeling in een bepaalde risicoklasse.

Door invoering van het risicomodel zijn verwijzingen in artikel 4.37c naar specifieke handelingen met asbest overbodig aangezien het risicomodel uit gaat van een risicosystematiek bestaande uit drie risicoklassen waarin alle handelingen met asbest kunnen worden ingedeeld. Per risicoklasse zijn de bijbehorende arbeidsbeschermende maatregelen vastgesteld. Hierdoor kunnen het tweede tot en met het vierde lid vervallen.

Verder is ook de terminologie van het eerste lid aan deze risicosystematiek aangepast. Er wordt niet meer gesproken van «handelingen» maar van «werkzaamheden». Tenslotte vervallen ook de termen «crocidoliet» en «crocidoliethoudende producten» in het eerste lid. Dit omdat zoals al aangegeven bij de toelichting op onderdeel A het onderscheid tussen crocidoliet en andere asbestsoorten vervalt.

Bepaald is dat afdeling 5 alleen van toepassing is wanneer sprake is van handelingen met asbest of asbesthoudende producten waarbij het asbest aanwezig is in een concentratie hoger dan de vastgestelde restconcentratienorm zoals deze is opgenomen in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest en is bepaald krachtens voornoemd artikelonderdeel in een ministeriële regeling vastgestelde methode (deze regeling betreft de Productenregeling asbest). Hierbij gaat het om een concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest die niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof.

Onderdeel H; Artikel 4.44 (Risicoklasse 1)

Op grond van deze bepaling wordt het toepassingsgebied van paragraaf 3 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 vastgesteld. De indeling van de paragrafen is gerelateerd aan de drie risicoklassen. Deze paragraaf is van toepassing op de laagste risicoklasse (klasse 1; zie in dit verband verder de algemene toelichting). De inventarisatie en de beoordeling van het risico van blootstelling aan asbest vindt plaats op grond van artikel 4.2. Indien sprake is van een aantal specifieke handelingen, zoals sloopactiviteiten, wordt de inventarisatie op grond van artikel 4.54a uitgevoerd door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf. Indien uit de risicobeoordeling blijkt dat concentratie asbest in droge stof niet hoger is dan de concentratie, bedoeld in artikel 4.37c, dan zijn de voorschriften van afdeling 5 van hoofdstuk 4 niet van toepassing. Indien sprake is van meer asbest in droge stof dan voormelde concentratie en vervolgens de risicobeoordeling aangeeft dat de concentratie van asbeststof in de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, lager is dan of gelijk is aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, dan zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing. In ieder geval vallen werkzaamheden met sporadische blootstelling van een geringe intensiteit in de laagste risicoklasse. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan korte niet-continue onderhoudsactiviteiten waarbij uitsluitend met niet-broze materialen wordt gewerkt, het in zijn geheel verwijderen van niet-beschadigde materialen waarbij de asbestvezels niet vrij kunnen komen, het inkapselen of omhullen van asbesthoudende materialen die in goede staat zijn en bewaking en onderzoek van de lucht en het nemen van monsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest bevat. De werkzaamheden die zijn genoemd in artikel 4.54b en uitgezonderd zijn van de gecertificeerde asbestinventarisatieplicht zullen in het algemeen ook in risicoklasse 1 vallen.

Onderdeel I; Artikel 4.45 (Preventieve maatregelen)

De wijzigingen van artikel 4.45 vloeien allen voort uit artikel 1, onderdeel 6, van de wijzigingsrichtlijn. In artikel 1, onderdeel 6, van deze richtlijn is artikel 6 van de oorspronkelijke richtlijn nr. 83/477/EEG (Pb L 263), hierna te noemen oorspronkelijke richtlijn, opnieuw geformuleerd waarbij in aanvulling of verbetering op het oude artikel 6 een aantal onderdelen is aangepast. In het bijzonder gaat het hierbij om de koppeling van de grenswaarde bij blootstelling aan asbest en het inrichten van het werkproces op zodanige wijze dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat niet mogelijk is er geen asbeststof vrij komt in de lucht. Het eerste lid van het opnieuw geformuleerde artikel 6 is niet geïmplementeerd in artikel 4.45 omdat de inhoud hiervan al geregeld is in artikel 4.3a, onderdeel d.

Verder is er een lid toegevoegd aan artikel 4.45 waarin wordt bepaald dat voorzover de concentratie van asbeststof in de lucht in risicoklasse 1 valt, er geen doucheruimten voor de werknemers beschikbaar hoeven te zijn. Overigens dienen er wel doelmatige wasgelegenheden beschikbaar te zijn (artikel 4.20, vierde lid,). Dit betreft geen inhoudelijke wijziging aangezien deze eis ook werd uitgesloten in het oude artikel 4.54c voor werkzaamheden die volgens de huidige risicosystematiek onder risicoklasse 1 zouden vallen.

Voorts is het voorschrift komen te vervallen dat het gebruik van bepaalde werktuigen bij de uitvoering van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden niet toestond. De argumentatie hiervoor is drieledig:

1. De introductie van het risicobeleid maakt de handhaving in het besluit van een dergelijk middelvoorschrift niet langer noodzakelijk. De nieuwe waarborgen die worden geïntroduceerd betreffen de risicogrenzen en de verplichtingen per risicoklasse. Indien in de nieuwe situatie de onderste risicogrens van de laagste risicoklasse (lager dan of gelijk aan 0,01 vezel per kubieke centimeter= de wettelijke grenswaarde) wordt overschreden, dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd met inachtneming van verdergaande voorschriften die gelden in een zwaardere risicoklasse. Onderdeel van die verplichtingen is dat de werkzaamheden door een gecertificeerd bedrijf uitgevoerd dienen te worden, met uitzondering van de werkzaamheden bedoeld in artikel 4.54b, onderdelen b tot en met i. Bedrijven zullen op deze wijze worden gestimuleerd om adequate hulpmiddelen te gebruiken die de blootstelling zo laag mogelijk houden en in ieder geval lager dan of gelijk aan de genoemde onderste risicoklasse van het risicomodel.

2. De bepaling is overbodig geworden. De Arbeidsinspectie handhaaft de stand van de techniek bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Hulpmiddelen die bij het gebruik tot hogere asbestgehalten leiden dan de genoemde onderste risicogrens van de laagste risicoklasse, vertegenwoordigen niet de stand van de techniek. De Arbeidsinspectie zal in dergelijke gevallen overgaan tot interventie.

3. De bepaling stimuleerde niet tot technische innovatie van hulpmiddelen.

Onderdelen J en K; Artikelen 4.45a en 4.45b (Voorlichting en onderricht)

Artikel 4.45a en artikel 4.45b vormen een aanvulling op de algemene verplichting van artikel 8, eerste en tweede lid, van de Arbowet. Op grond van deze laatste bepaling moeten de werknemers doeltreffend worden ingelicht over hun werk en de daaraan verbonden risico’s en over de ter voorkoming of beperking van die risico’s genomen maatregelen en verder moet de werkgever ervoor zorgen dat aan de werknemers doeltreffend en aan hun taken aangepast onderricht wordt gegeven met betrekking tot de arbeidsomstandigheden.

Er is voor gekozen om de onderwerpen die het oude artikel 4.57 van het Arbobesluit regelde (voorlichting en onderricht) te verplaatsen naar artikel 4.45a (voorlichting) en het nieuwe artikel 4.45b (onderricht). De reden voor het verplaatsen van deze onderwerpen van de oorspronkelijke paragraaf 7 naar paragraaf 3, is dat deze onderwerpen hiermee een duidelijke plaats krijgen in het risicomodel, waardoor benadrukt wordt dat voorlichting en onderricht belangrijke onderdelen vormen van de preventie van blootstelling aan asbest.

Daarnaast is besloten om de onderwerpen «voorlichting» en «onderricht» op te splitsen en in twee artikelen onder te brengen omdat door de wijzigingsrichtlijn een nieuw artikel (12 bis) aan de oorspronkelijke richtlijn is toegevoegd dat betrekking heeft op de verplichting tot het geven van een passende opleiding aan de betrokken werknemers. Omwille van de kenbaarheid is in artikel 4.45b deze verplichting afzonderlijk geïmplementeerd.

De tekst van artikel 4.45b is bijna letterlijk de tekst zoals deze in de wijzigingsrichtlijn is opgenomen. Belangrijk is dat de werkgever verplicht is iedereen die met asbest werkt of via zijn werk met asbest in aanraking kan komen een opleiding te verstrekken. Dat deze opleidingen gratis dienen te worden verstrekt, volgt uit artikel 44 van de Arbowet.

Uit de algemene verplichting van de Arbowet vloeit voort dat de voorlichting en het onderricht toegesneden moeten zijn op de concrete taken van de werknemers en de concrete werksituatie waarin zij zich bevinden, Voorlichting en onderricht moeten doeltreffend worden gegeven. Dit betekent dat het moet zijn afgestemd op onder meer de capaciteiten, de taal, de kennis en ervaring van de betrokken werknemers. De voorlichting en het onderricht moeten ook begrijpelijk zijn. In het bijzonder moet de voorlichting betrekking hebben op de in artikel 4.45a, onderdelen a tot en met e, genoemde onderwerpen en het onderricht moet betrekking hebben op de in artikel 4.45b, tweede lid, onderdelen a tot en met i, vermelde onderwerpen. Zo dient ook het onderwerp «synergetisch effect van roken» behandeld te worden. Onder deze begripsaanduiding wordt verstaan, het versterkende effect dat roken heeft op het ontstaan van gezondheidschade indien ook sprake is van blootstelling aan asbest.

In artikel 12 bis, derde lid, van de wijzigingsrichtlijn is bepaald dat op communautair niveau praktische richtsnoeren worden vastgesteld voor de werknemers die asbest verwijderen. In dit verband wordt erop gewezen dat op grond van artikel 4.54d, vijfde en zevende lid, bepaalde werkzaamheden met asbest die in risicoklasse 2 of 3 zijn ingedeeld alleen door deskundige personen mogen worden uitgevoerd die beschikken over een specifiek certificaat van vakbekwaamheid.

De oorspronkelijke tekst van artikel 4.45a (bijzondere bepalingen asbesthoudende grond) kon vervallen omdat de deskundige begeleiding bij werkzaamheden met asbesthoudende grond thans is geregeld in artikel 4.54d, achtste lid. De eindbeoordeling die was geregeld in artikel 4.45a, tweede en derde lid, dient nu plaats te vinden op grond van artikel 4.47b (indien de werkzaamheden zijn ingedeeld in risicoklasse 1) of, wanneer de werkzaamheden zijn ingedeeld in risicoklasse 2 of 3, op grond van artikel 4.51a.

Onderdeel L; Artikel 4.46 (Grenswaarde)

De concentratie van asbeststof in de lucht mag de grenswaarde niet overschrijden. In de wijzigingsrichtlijn is in artikel 8 de grenswaarde gesteld op 0,1 vezel per kubieke centimeter, berekend over een referentieperiode van acht uur. In artikel 4.46 is de grenswaarde gesteld op 0,01 vezel per kubieke centimeter, berekend over een referentieperiode van acht uur. Voor verdere toelichting op deze aanscherping van de grenswaarde wordt verwezen naar paragraaf 1.2 (onder ad b.2) van de algemene toelichting.

Het tweede tot en met het vijfde lid (maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde) zijn geschrapt en toegevoegd aan artikel 4.47a.

Het feit dat de concentratie van asbeststof in de lucht de grenswaarde niet mag overschrijden wil niet zeggen dat bij een concentratie lager dan de grenswaarde niet moet worden gestreefd naar een zo laag mogelijk concentratieniveau. Dit blijkt ook uit de formulering van artikel 4.45, eerste lid.

Onderdeel M; Artikel 4.47 (Meten en monsterneming)

De tekst van het oorspronkelijke artikel 4.47 (gevallen waarin overschrijding van de grenswaarde kan worden verwacht) vervalt. De inhoud, zij het in aangepaste vorm, is ondergebracht in artikel 4.48a van paragraaf 4.

Artikel 4.47 bestaat gedeeltelijk uit de tekst van het oude artikel 4.50 en wordt verder aangevuld met voorschriften die voortvloeien uit artikel 1, onderdeel 7, van de wijzigingsrichtlijn. De voorschriften met betrekking tot het meten en de monsterneming zijn door de verplaatsing van artikel 4.50 naar artikel 4.47 in paragraaf 3 terechtgekomen, wat als gevolg heeft dat ook bij werkzaamheden die maar een geringe blootstelling met zich mee brengen metingen moeten worden verricht.

Op grond van dit artikel is de werkgever verplicht metingen te laten uitvoeren naar de concentratie van asbeststof in de lucht. De metingen worden uitgevoerd door middel van het nemen van monsters.

In de wijzigingsrichtlijn is de meetverplichting (artikel 1, onderdeel 7) herzien. De wijzigingsrichtlijn geeft aan dat de meting op gezette tijden dient plaats te vinden afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling. In artikel 7 van de oorspronkelijke richtlijn werd nog bepaald dat de metingen éénmaal in de drie maanden dienden plaats te vinden en voorts telkens wanneer zich een verandering in de werkzaamheden en de omstandigheden van de blootstelling voordoet. Overeenkomstig hetgeen in de oorspronkelijke asbestrichtlijn was bepaald mocht onder bepaalde omstandigheden de frequentie van de metingen worden teruggebracht tot éénmaal per jaar. Thans wordt op grond van het tweede lid van artikel 4.47 de metingen uitgevoerd op gezette tijden afhankelijk van de resultaten van de eerste risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2. Indien uit de risicobeoordeling blijkt dat de feitelijke concentratie asbest ver beneden de grenswaarde is, zal in het algemeen minder frequent behoeven te worden gemeten dan wanneer er sprake is van hoge concentraties asbest net onder of gelijk aan de grenswaarde. Ook zal er, net zo als onder de oorspronkelijke richtlijn, telkens wanneer zich een verandering in de werkzaamheden en de omstandigheden van de blootstelling aan asbest voordoet, moeten worden gemeten wat het actuele concentratieniveau is.

In de oorspronkelijke richtlijn werd expliciet bepaald dat de metingen moesten worden uitgevoerd volgens een van tevoren opgesteld plan. Deze verplichting was geïmplementeerd in artikel 4.50, tweede lid (oud). In de wijzigingsrichtlijn is deze expliciete verplichting vervallen.

Bij de monsterneming dient aandacht te worden besteed aan de representativiteit van de asbestconcentratie van de lucht in de ademzone van de werknemers. In verband met de representativiteit gaf artikel 4.50, zesde lid (oud), nog de mogelijkheid aan om de monsterneming op groepsbasis uit te voeren wanneer groepen van werknemers identieke of soortgelijke taken verrichten. Aangezien de wijzigingsrichtlijn deze mogelijkheid niet meer expliciet aangeeft is deze mogelijkheid in artikel 4.47 niet meer opgenomen. Wel geeft het bestaande vijfde lid aan dat de monsterneming representatief voor de individuele blootstelling moet zijn. Hiervan kan echter ook sprake zijn indien voor de betrokken werknemers de monsterneming op groepsbasis wordt uitgevoerd wanneer deze werknemers op een zelfde plaats identieke of soortgelijke taken verrichten en dientengevolge aan dezelfde gevaren worden blootgesteld. Aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de betrokken werknemers, moet de gelegenheid worden geboden om een oordeel te geven over de wijze van monsterneming.

De methode volgens welke de metingen en monsterneming moeten worden uitgevoerd, is opgenomen in paragraaf 4.5 van de Arboregeling. Het is op grond van artikel 4.47, derde lid, ook toegestaan een andere meetmethode te hanteren, mits deze een aan de voorgeschreven methode gelijkwaardig resultaat oplevert.

Onderdeel N; Artikel 4.47a (Maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde)

Artikel 4.47a bestaat gedeeltelijk uit de voormalige leden twee tot en met vijf van artikel 4.46 en gedeeltelijk uit nieuwe voorschriften die voortvloeien uit artikel 1, onderdelen 10 en 15, van de wijzigingsrichtlijn. Met name het vierde tot en met zevende lid zijn aanvullingen op het huidige pakket aan maatregelen.

Voor het geval dat zich in de arbeidssituatie omstandigheden voordoen die leiden tot een overschrijding van de grenswaarde, bijvoorbeeld bij calamiteiten, dienen de bij het onderhavige artikel vastgestelde voorschriften in acht te worden genomen. Indien de vastgestelde grenswaarde wordt overschreden is in het eerste lid bepaald dat er zo spoedig mogelijk maatregelen moeten worden genomen om de concentratie terug te brengen beneden die grenswaarde. Ook moeten de oorzaken van de overschrijding worden opgespoord. Zolang de noodzakelijke maatregelen nog niet volledig zijn uitgevoerd mag op grond van het derde lid de arbeid in de tussentijd alleen worden voortgezet indien de werknemers doeltreffend zijn beschermd. Wanneer het niet mogelijk is technische maatregelen aan de bron van de blootstelling aan asbest op afdoende wijze, dat wil zeggen zover mogelijk beneden de grenswaarde, te beperken, bijvoorbeeld bij sloopwerkzaamheden, dienen de werknemers op grond van het vierde lid juncto artikel 8.3 in de tussentijd doelmatige ademhalingsapparatuur te dragen. Wanneer ademhalingsapparatuur moet worden gebruikt wordt het dragen daarvan tot het strikt noodzakelijke beperkt. Benadrukt wordt dat de inzet van ademhalingsapparatuur uiteraard niet blijvend mag zijn en alleen is toegestaan zolang de structurele maatregelen nog niet volledig zijn uitgevoerd die op grond van het eerste lid zo spoedig mogelijk moeten worden genomen om de concentratie terug te brengen onder de grenswaarde.

Ook moet er dan door de werkgever gezorgd worden voor voldoende rustpauzes, in verband met de zware omstandigheden. Met betrekking tot het gebruik van ademhalingsapparatuur wordt verder verwezen naar de toelichting op artikel 4.48a.

Nadat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd dient op grond van het tweede lid de concentratie asbeststof in de lucht wederom te worden gemeten en dient op basis hiervan de indeling van de blootstelling in een risicoklasse opnieuw plaats te vinden. Niet is uitgesloten dat ondanks het treffen van maatregelen de concentratie van asbeststof in de lucht in een hogere risicoklasse moet worden ingedeeld zodat in deze situatie de aanvullende voorschriften van paragraaf 4 of 5 van toepassing zijn. Daarnaast heeft deze indeling in een hogere risicoklasse ook tot gevolg dat er een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf ingeschakeld moet worden (zie de toelichting op artikel 4.54d).

Onderdeel N; Artikel 4.47b (Visuele inspectie)

In artikel 4.47b is de eindbeoordeling opgenomen van werkzaamheden waarbij de concentratie van asbeststof in de lucht is ingedeeld in risicoklasse 1. Het betreft een visuele inspectie waarbij gekeken wordt of er nog asbestdeeltjes aanwezig zijn op een werkplek alvorens daar weer andere werkzaamheden mogen plaatsvinden.

Onderdeel N; Artikel 4.47c (Melding)

De werkgever moet de werkzaamheden met asbest schriftelijk melden bij een daartoe aangewezen ambtenaar van de Arbeidsinspectie. Deze melding moet tijdig plaatsvinden zodanig dat de Arbeidsinspectie nog de mogelijkheid heeft de werkzaamheden te inspecteren. Gelet op artikel 2.15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een bericht ook elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuurorgaan heeft kenbaar gemaakt dat deze weg is geopend. Het is thans reeds gangbare praktijk dat de melding aan de Arbeidsinspectie wordt gemaild.

In artikel 1, onderdeel 4, van de wijzigingsrichtlijn is de meldingsverplichting uitgebreid. In verband hiermee is ook de meldingsverplichting in het Arbobesluit uitgebreid. Tot nu toe diende een werkgever alleen de soorten asbest, de hoeveelheid, de werkzaamheden en de werkmethoden op te geven. Met dit besluit wordt daaraan toegevoegd de plaats waar de werkzaamheden plaatsvinden, het aantal betrokken werknemers, de datum van aanvang en de duur van de werkzaamheden en de genomen maatregelen om de blootstelling te beperken. Verder dient bij de melding de indeling van de asbestconcentratie naar risicoklasse te worden opgegeven voor het te voeren inspectiebeleid.

In het tweede lid is opgenomen wanneer opnieuw een melding moet worden gedaan. Onder het huidige regime is dat wanneer het voornemen bestaat om in de aangemelde gegevens belangrijke wijzigingen aan te brengen. In het gewijzigde tweede lid is het opnieuw melden gekoppeld aan de mogelijkheid dat de gewijzigde omstandigheden kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling.

Het derde lid is zodanig gewijzigd dat de actieve informatieplicht van de werkgever richting de betrokken werknemers en de medezeggenschapsorganen, overeenkomstig de asbestrichtlijn, is omgezet naar een passieve informatieverstrekking.

Daarnaast is er een vierde lid aan het artikel toegevoegd. Hierin wordt bepaald dat voor de werkzaamheden van artikel 4.54b de meldingsplicht niet geldt. Uitzondering hierop vormen de in onderdeel a van artikel 4.54b genoemde handelingen. Dit zijn handelingen die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd. De werkzaamheden die betrekking hebben op deze handelingen dienen wel gemeld te worden, tenzij er geen asbest of asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen.

Verder is de inhoud van het toenmalige artikel 4.49 (melding) verplaatst naar (het nieuwe) artikel 4.47c, in paragraaf 3. Dit omdat de meldingsplicht ook moet gelden voor werkzaamheden die in risicoklasse 1 zijn ingedeeld (met uitzondering van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54b, waarbij voor onderdeel a geldt dat wel een meldingsplicht geldt als er asbest of asbesthoudende materiaal wordt aangetroffen).

Onderdeel O; Artikel 4.48 (Risicoklasse 2)

Op grond van deze bepaling wordt het toepassingsgebied van paragraaf 4 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 vastgesteld. Het gaat hierbij om aanvullende voorschriften naast de algemene voorschriften van paragraaf 3. De aanvullende voorschriften zijn van toepassing wanneer uit de risicobeoordeling is gebleken dat de werkzaamheden moeten worden ingedeeld in de middelste risicoklasse (risicoklasse 2). Dit betekent dat wanneer uit de risicobeoordeling van artikel 4.2 blijkt dat de concentratie van asbeststof in de lucht, waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan de grenswaarde (0.01 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur), maar lager is dan of gelijk is aan 1 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur, de bepalingen van paragraaf 4 van toepassing zijn.

Onderdeel P; Artikel 4.48a (Aanvullende maatregelen)

Vanwege de indeling in risicoklassen is het voormalige artikel 4.47 (gevallen waarin overschrijding grenswaarde kan worden verwacht) verplaatst naar paragraaf 4. De maatregelen uit dit artikel komen pas aan de orde wanneer ondanks het nemen van de preventieve maatregelen uit paragraaf 3 de kans aanwezig is dat de grenswaarde wordt overschreden. In de praktijk zal deze nieuwe formulering geen grote verschuivingen teweeg brengen. Maar het uitgangspunt is hiermee wel verlegd. Er wordt uitgegaan van het zoveel mogelijk nemen van preventieve maatregelen, en pas indien deze niet voldoende effect sorteren wordt overgegaan op individuele beschermingsmiddelen.

Vanwege het nieuw in te voeren risicomodel zijn deze maatregelen niet langer gekoppeld aan specifieke handelingen (zoals sloop), maar moeten zij worden toegepast op basis van de uitkomst van de risicobeoordeling.

Ten slotte is het artikel aangevuld met maatregelen die voortvloeien uit artikel 1, onderdeel 12, van de wijzigingsrichtlijn.

Op grond van het tweede lid, onderdeel a, moeten ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld die door de werknemers verplicht moeten worden gedragen. Deze verplichting sluit aan op de in artikel 11, tweede zin, onder b, van de Arbowet opgenomen algemene verplichting voor de werknemers om ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken. De werkgever kan niet volstaan met het ter beschikking stellen van ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen, maar is ook verplicht om er voor te zorgen dat de werknemers op de hoogte zijn van doel en werking en de wijze van gebruik van de verstrekte apparatuur en middelen en om toe te zien op een juist gebruik (artikel 8, derde en vierde lid, Arbowet en artikel 8.3, tweede lid, Arbobesluit).

Op grond van het tweede lid, onderdeel b, dienen de plaatsen waar overschrijding van de grenswaarde wordt verwacht, te worden gemarkeerd door middel van waarschuwingsborden. De markering van deze plaatsen vervult daarbij niet alleen een nuttige waarschuwingsfunctie voor de betrokken werknemers maar ook voor andere personen op de betreffende arbeidsplaats zoals bezoekers.

Op grond van het tweede lid, onderdeel c, moet de werkgever zorgen dat verspreiding van asbeststof naar andere ruimten dan die, waar het werk plaatsvindt, wordt voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan afscherming van de plaats waar met asbest wordt gewerkt van de andere naastgelegen ruimtes in binnen- en buitensituaties.

Het vierde lid heeft betrekking op het selectief verwijderen van asbest. Asbest dient zoveel mogelijk selectief van ander materiaal te worden verwijderd. Het vierde lid beoogt te voorkomen dat asbest, bijvoorbeeld bij het slopen van gebouwen of objecten, vermengd wordt met ander sloop- of bouwafval. De werkzaamheden behoeven slechts dan niet selectief uitgevoerd te worden indien dit redelijkerwijs onuitvoerbaar is. Hiermee wordt bedoeld dat het fysiek onmogelijk is het asbest of het asbesthoudende product te scheiden van het af te breken of uit elkaar te nemen bouwwerk of object. In deze situatie moeten echter andere doeltreffende maatregelen worden genomen om de blootstelling aan asbest te voorkomen of te beperken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat een bouwwerk wordt afgebroken na een brand waarbij asbest is vrijgekomen. Het asbest kan dan niet altijd worden onderscheiden van niet-asbesthoudende producten en materialen. Ander voorbeeld is de situatie waarbij asbest aanwezig is in de spouw tussen twee muren. Het asbest is dan niet direct toegankelijk. Eén van beide muren zal dan eerst verwijderd dienen te worden, voordat het asbest kan worden verwijderd. Overigens wordt asbest niet selectief verwijderd wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat asbest vastzit aan ander materiaal en moeilijk is te scheiden en dit asbest samen met dit ander materiaal gemakkelijk als een geheel kan worden verwijderd. In deze situatie kan het veiliger zijn om het asbest niet los te maken van dit ander materiaal en het als een geheel te verwijderen. Met het vierde lid wordt mede artikel 1, onderdeel 13, eerste alinea, van de wijzigingsrichtlijn geïmplementeerd.

Onderdeel Q; Artikel 4.49 (Melding)

Artikel 4.49 kan vervallen aangezien het onderwerp «melding» voortaan in het nieuwe artikel 4.47c geregeld wordt (zie ook de toelichting op onderdeel N).

Onderdeel R; Artikel 4.50 (Werkplan)

Het onderwerp van het oorspronkelijke artikel 4.50 «meten en monsterneming» is overgebracht naar artikel 4.47.

In de wijzigingsrichtlijn zijn in artikel 1, onderdeel 13 de voorschriften omtrent het werkplan gewijzigd. Artikel 4.50, derde lid, is hiermee in overeenstemming gebracht.

Door het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf dient een werkplan te worden opgesteld aan de hand waarvan de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf dient op basis van het inventarisatierapport een werkplan te ontwikkelen dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat. In het vierde lid is aangegeven welke arbeidshygiënische maatregelen en gegevens in het werkplan opgenomen moeten worden. In eerste instantie wordt in het werkplan voorgeschreven op welke wijze gewerkt moet worden. Zo mogelijk dient eerst het asbest te worden verwijderd voordat met andere werkzaamheden wordt begonnen, worden individuele beschermingsmiddelen verstrekt en wordt een goede eindbeoordeling uitgevoerd.

Het werkplan geldt voor werkzaamheden die zijn ingedeeld in de risicoklassen 2 of 3.

Onderdeel S; Artikel 4.51a (Eindbeoordeling)

De wijzigingen die in dit artikel zijn doorgevoerd houden voor een belangrijk deel verband met de invoering van het risicogestuurde model. De verwijzingen naar specifieke handelingen zijn vervallen. De eindmeting is van toepassing op werkzaamheden die zijn ingedeeld in risicoklasse 2 of 3. Wanneer het gaat om werkzaamheden in risicoklasse 1, wordt de eindbeoordeling uitgevoerd op grond van artikel 4.47b.

Nadat de reinigings- en opruimwerkzaamheden zijn uitgevoerd, dient de ruimte zodanig te worden gereinigd dat er geen gevaar meer is voor de gezondheid van de betrokkenen. Deze eindbeoordeling in binnenruimtes, waar het gaat om de monsterneming, wordt uitgevoerd door een persoon die hiervoor is gekwalificeerd. De monsteranalyse wordt vervolgens door een hiervoor geschikt laboratorium uitgevoerd. Met betrekking tot de inschakeling van een geschikt laboratorium is een beleidsregel (beleidsregel 4.50 van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving) vastgesteld.

Uit de eindbeoordeling dient te blijken of de asbestverwijdering op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, of er geen blootstellingsrisico’s meer bestaan als gevolg van de aanwezigheid van asbest en of er geen asbestvezels meer in het milieu terecht kunnen komen. Verdere handelingen met betrekking tot het bouwwerk of het object ten aanzien waarvan de asbestverwijdering heeft plaatsgevonden of andere werkzaamheden op de betreffende arbeidsplaats zijn pas toegestaan indien uit de eindbeoordeling is gebleken dat er geen gevaar meer aanwezig is. Dit gevaar wordt in de buitenlucht niet meer aanwezig geacht als er bij visuele inspectie geen asbest meer aanwezig blijkt te zijn en in binnenruimtes als er bij visuele inspectie geen asbest meer aanwezig blijkt te zijn en indien de gemeten concentratie asbeststof in de lucht niet hoger is dan de betreffende luchtgrenswaarde onder (gesimuleerde) gebruiksomstandigheden van de ruimte (vrijgavenorm). Deze norm komt qua getalswaarde overeen met de wettelijke grenswaarde van artikel 4.46 en met de onderste grens van het risicomodel als opgenomen in artikel 4.44, maar heeft een andere achtergrond en wordt op een andere wijze bepaald (gemeten). De norm heeft daardoor een meer indicatief karakter en is in die zin niet vergelijkbaar met de grenswaarde en met de onderste grens van het risicomodel. De meetmethode die wordt gehanteerd in verband met de vrijgavenorm wijkt bij het nemen van monsters op een tweetal essentiële punten af van de meetmethode die in de andere twee gevallen wordt gebruikt.

1. Bij het vaststellen of het asbestgehalte in de lucht de vrijgavenorm niet overschrijdt, wordt over een tijdsperiode van twee uur gemeten. De andere meetmethode schrijft voor dat gerefereerd dient te kunnen worden aan acht uur, waardoor langer dan twee uur gemeten dient te worden.

2. De snelheid waarmee de lucht wordt aangezogen van de te bemonsteren lucht in de ruimte waaruit het asbest is verwijderd, is acht liter per minuut, terwijl dit 2 liter per minuut is voor de andere meetmethode.

Indien de reinigings- en opruimwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in de buitenlucht vindt als eerder genoemd, de eindbeoordeling plaats in de vorm van een visuele inspectie. Dit is ook logisch omdat bezwaarlijk een luchtgrenswaarde aan asbest in de buitenlucht kan worden gesteld. Deze visuele inspectie wordt uitgevoerd door een externe gekwalificeerde partij die de inspectie deskundig kan uitvoeren.

In het vierde lid is bepaald dat wanneer sprake is van werkzaamheden met asbesthoudende grond in de buitenlucht er na beëindiging van deze werkzaamheden een visuele inspectie moet worden uitgevoerd op de aanwezigheid van asbest om vast te stellen dat de restconcentratie asbest niet wordt overschreden. Bedoeld is de concentratie asbest die is vermeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest, en is bepaald krachtens voornoemd artikelonderdeel in de Productenregeling asbest vastgestelde methode. Hierbij gaat het om een concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest die niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof. Het vierde lid was voorheen opgenomen in artikel 4.45a, tweede lid.

De methode volgens welke de metingen en monsterneming moeten worden uitgevoerd, is opgenomen in paragraaf 4.5 van de Arboregeling. Ten aanzien van de visuele inspectie kunnen in de Arboregeling eveneens nadere regels worden gesteld. In de praktijk kan blijken dat helderheid moet worden geboden op welke wijze deze inspectie moet worden uitgevoerd.

Onderdeel T; Artikel 4.52 (Arbeidsgezondheidskundig onderzoek)

De basis voor een arbeidsgezondheidskundig onderzoek is opgenomen in artikel 4.10a. In artikel 4.52 zijn enkele aanvullingen opgenomen die verband houden met de specifieke eisen die nodig zijn voor het gezondheidskundig onderzoek in verband met de blootstelling aan asbest en asbeststof. In het nieuwe vierde lid wordt daaraan toegevoegd, naar aanleiding van artikel 1, onderdeel 16, van wijzigingsrichtlijn, de verklaring die een deskundig persoon als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid (gecertificeerde bedrijfsarts), of de arbodienst kan afleggen. De bedrijfsarts kan verklaren dat het medische toezicht na het einde van de blootstelling zolang moet worden voortgezet, als hij voor de gezondheid van de betrokken werknemer noodzakelijk acht. In Nederland kan in dergelijke gevallen een beroep worden gedaan op de algemene gezondheidszorg. De bedrijfsarts kan indien nodig de betrokkene conform geldend medisch oordeel doorverwijzen naar een medisch specialist.

Het oude vierde lid (inzagerecht van de bedrijfarts) is om systematische redenen overgebracht naar artikel 4.53.

Onderdeel U; Artikel 4.53 (Registratie)

De redactie van dit artikel is gewijzigd zodanig dat thans beter wordt aangesloten bij de bewoordingen van artikel 16 van de oorspronkelijke asbestrichtlijn. De oorspronkelijke richtlijn is op deze onderdelen niet aangepast door de wijzigingsrichtlijn. Overeenkomstig de asbestrichtlijn is de actieve informatieplicht van de werkgever richting de betrokken werknemers en de medezeggenschapsorganen omgezet naar een passieve informatieverstrekking. Verder is het oorspronkelijke vierde lid van artikel 4.52 (inzagerecht van de bedrijfarts) om systematische overwegingen overgebracht naar het tweede lid van artikel 4.53. Ook hierbij is, conform de asbestrichtlijn, de actieve informatieplicht van de werkgever omgezet in een passieve informatieplicht.

Onderdeel V; Paragraaf 5 (Extra aanvullende maatregelen)

Het opschrift van paragraaf 5 is gewijzigd. Voorheen waren in deze paragraaf bijzondere bepalingen inzake het slopen en verwijderen van asbest, asbesthoudende producten, crocidoliet en crocidoliethoudende producten opgenomen. In deze paragraaf zijn nu de extra aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten opgenomen die voor de hoogste risicoklasse (klasse 3) gelden.

Onderdeel W; Artikel 4.53a (Risicoklasse 3)

In dit artikel is bepaald wanneer paragraaf 5 van toepassing is. In dit artikel wordt de hoogste risicoklasse (risicoklasse 3) omschreven en aangegeven dat naast de voorschriften uit de paragrafen 3 en 4 ook de voorschriften van paragraaf 5 van toepassing zijn. In de hoogste risicoklasse blijkt bij de beoordeling (de risicobeoordeling van artikel 4.2) dat de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld, hoger is dan 1 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur.

Onderdeel X; Artikel 4.54 (Verzwaarde eindbeoordeling)

In dit artikel is een verzwaarde eindbeoordeling opgenomen. Deze beoordeling betreft een aanvulling op de reguliere eindbeoordeling die gedaan wordt op basis van artikel 4.51a. De eindbeoordeling wordt niet alleen uitgevoerd in de ruimte waar is gewerkt met asbest maar ook in de naastgelegen ruimten. De verzwaarde eindbeoordeling is alleen van toepassing op ruimten in een binnensituatie.

Onderdeel Y; Paragraaf 6 (Certificatie)

In de nieuwe paragraaf 6 zijn alle bepalingen die betrekking hebben op de certificatie van bedrijven en personen opgenomen. Het gaat hierbij om de certificatie van bedrijven die zich bezig houden met de inventarisatie en verwijdering van asbest en de hierbij betrokken deskundige werknemers. De artikelen 4.54a, 4.54b en 4.54d zijn in het Arbobesluit ingevoegd bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en worden bij het onderhavige besluit gewijzigd.

Onderdeel Z; Artikel 4.54a (Asbestinventarisatie)

Een noodzakelijke voorwaarde om de gezondheid van de werknemers op adequate wijze te kunnen beschermen tegen de gevaren die aan asbest zijn verbonden, is het beschikbaar hebben van relevante gegevens ten aanzien van de locatie, de hoeveelheid en het soort asbest dat kan worden aangetroffen. In het algemeen wordt deze inventarisatie uitgevoerd in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 4.2. Ten aanzien van een aantal specifieke werkzaamheden dient de inventarisatie te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf.

Eerste lid

Op grond van het eerste lid dient de eventuele aanwezigheid van asbest te worden geïnventariseerd voordat de betreffende handelingen mogen worden uitgevoerd.

Hierbij gaat het om het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten, het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten hieruit en het opruimen van asbest of asbesthoudende producten na incidenten. Hierbij wordt er op gewezen dat dit artikel niet van toepassing is op het afgraven van asbesthoudende grond ten behoeve van reiniging. Deze handeling is wel toegelaten op grond van artikel 5, onderdeel e, van het Productenbesluit asbest. Op dergelijke werkzaamheden is artikel 4.2 van toepassing. De reden hiervoor is dat eventuele certificering en accreditatie voor inventarisatie en verwijdering van dergelijke bulkmaterialen aan de orde komt in het kader van het kabinetsstandpunt «Bodembeheer op goede gronden».

Bij de uitvoering van een asbestinventarisatie kunnen niet altijd alle delen van een bouwwerk of object worden gecontroleerd op de aanwezigheid van asbest. Redenen kunnen een beperkte of niet-toegankelijkheid zijn van die delen of omdat bij twijfel van het asbestverdachte materiaal geen destructief onderzoek mogelijk is. Hiermee wordt bedoeld het wegnemen van delen die nader (microscopisch) onderzocht worden op de aanwezigheid van asbest. Het asbestinventarisatierapport zal in de beschreven of vergelijkbare andere situaties, niet volledig zijn. Aangezien in het eerste lid van artikel 4.54a beschreven staat dat de inventarisatie volledig dient te zijn, zal in voornoemde gevallen een aanvullende inventarisatie plaats moeten vinden op het moment dat die delen van een bouwwerk of object wel toegankelijk zijn.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat het asbestinventarisatiebedrijf in het kader van de risicobeoordeling een risicoklasse moet vaststellen waarin de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De risicoklasse, bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a, is bepalend voor de mate waarin beschermende maatregelen moeten worden genomen. Het asbestverwijderingsbedrijf zal de vastgestelde risicoklasse als uitgangspunt nemen voor de te treffen maatregelen.

Derde lid

De asbestinventarisatie is er op gericht om selectieve sloop te garanderen. De resultaten van de inventarisatie en de hierop gebaseerde indeling van de werkzaamheden in een risicoklasse moeten worden vermeld in een inventarisatierapport. Hierbij gaat het om een aanscherping van de verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbowet, juncto artikel 4.2 van het Arbobesluit. Waar het gaat om werkzaamheden met asbest waarop dit artikel niet van toepassing is, geldt in het algemeen de verplichting tot het verrichten van een risico-inventarisatie en -evaluatie op grond van artikel 5 van de Arbowet en in het bijzonder voor kankerverwekkende stoffen de aanvullende inventarisatie- en evaluatieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.2, 4.2a en 4.13.

In het inventarisatierapport moet worden opgenomen of en zo ja waar asbest aanwezig is in het bouwwerk of object en de indeling van de hiermee verbonden werkzaamheden in een risicoklasse. Een afschrift van dit inventarisatierapport dient te worden verstrekt aan het bedrijf dat de betreffende handelingen zal uitvoeren. De uitvoering van de werkzaamheden zal op de inhoud van het rapport moeten zijn afgestemd. Indien een deel van een bouwwerk of een object wordt afgebroken of uit elkaar genomen, beperkt de inventarisatieplicht zich tot dat deel van het betreffende bouwwerk of object, waar de sloopactiviteiten gaan plaatsvinden. Ook ten aanzien van incidenten moet aan de hand van een asbestinventarisatie nagegaan worden waar het asbest terecht is gekomen. Hierbij wordt tevens bekeken wat de mate van verspreiding is, welke asbesthoudende materialen zijn betrokken en wat de omvang van het met asbest besmette gebied is.

Vierde lid

De inventarisatie wordt uitgevoerd en het inventarisatierapport wordt opgesteld door een deskundig bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie. Dit certificaat wordt afgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of wanneer de minister een of meerdere certificerende instelling(en) heeft aangewezen, door de betreffende instelling. De wijze waarop een asbestinventarisatie moet worden uitgevoerd en de gegevens die in een inventarisatierapport moeten worden opgenomen zijn uitgewerkt in een zogenoemde certificeringsregeling. In de certificeringsregeling worden verder al die aspecten geregeld om tot een kwalitatief goede inventarisatie te komen, zoals deskundigheids- en ervaringseisen. Dit document wordt ontwikkeld in gezamenlijk overleg tussen alle betrokken partijen in de asbestbranche waarbij ook de overheid is betrokken. Een certificaat wordt afgegeven indien wordt voldaan aan de kwaliteitseisen in de certificeringsregeling. In artikel 4.27 van de Arboregeling is op een statische wijze verwezen naar de certificeringsregeling overeenkomstig de bestaande structuur bij wettelijke certificatie in de arbeidsomstandighedenregelgeving. Voorkomen moet immers worden dat in een certificeringsregeling aspecten worden opgenomen die, gelet op de wettelijke eisen, niet strikt noodzakelijk zijn. Wanneer een certificeringsregeling tot stand komt of wordt gewijzigd, wordt in de Arboregeling alleen hiernaar verwezen indien in de regeling juist datgene is opgenomen dat echt noodzakelijk is om een adequate certificatie te garanderen. De medebetrokkenheid van de overheid bij de voorbereiding van certificeringsregelingen zal er voor zorgdragen dat de regelingen voldoen aan de publieke eisen.

Vijfde lid

Hierin wordt bepaald dat een bedrijf dat asbest verwijdert een afschrift dient te ontvangen van het inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid. Deze bepaling heeft betrekking op zowel de gecertificeerde verwijderingsbedrijven als de niet-gecertificeerde verwijderingsbedrijven, die alleen verwijderingswerkzaamheden mogen uitvoeren die in risicoklasse 1 vallen.

Met deze bepaling wordt mede artikel 1, onderdeel 11, van de wijzigingsrichtlijn geïmplementeerd. Deze bepaling verplicht de werkgever om vooraf de eventuele aanwezigheid van asbest te identificeren.

Onderdeel AA; Artikel 4.54b (Uitzonderingen asbestinventarisatie)

Het is niet in alle situaties noodzakelijk om asbest te inventariseren. Een aantal veel voorkomende werkzaamheden met een verwaarloosbaar risico voor blootstelling en met een routinematig karakter is uitgezonderd van de gecertificeerde inventarisatieplicht. Voor deze uitgezonderde werkzaamheden is in diverse onderzoeken uitgebreid gedocumenteerd dat bij het uitvoeren ervan geen overschrijding van de bovengrens van risicoklasse 1 te verwachten is. Dit neemt niet weg dat de aanwezige risico’s moeten worden geïnventariseerd in het kader van de nadere risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 4.2. In theorie zou op basis van de risico-inventarisatie en -evaluatie toch geconcludeerd kunnen worden dat indeling in klasse 2 of 3 aangewezen is. Indien dit het geval is, hoeft er niet alsnog een asbestinventarisatiebedrijf als bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, ingeschakeld te worden. Dit zou overbodig zijn aangezien er al een risico-inventarisatie en -evaluatie heeft plaatsgevonden op grond van artikel 4.2. Er moet in dat geval echter wel worden voldaan aan de bepalingen uit de paragrafen 4 en 5, die aanvullende maatregelen bevatten voor werkzaamheden waarbij de concentratie asbeststof in de lucht in risicoklasse 2 of 3 is ingedeeld.

Verder is deze bepaling slechts redactioneel aangepast aan de wijzigingen in het onderhavige besluit.

In dit verband wordt nog gewezen op artikel 4.103, derde lid, waarin wordt bepaald dat de uitzondering op de asbestinventarisatieplicht, opgenomen in artikel 4.54b, onderdeel a, waar het gaat om werkzaamheden die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd, niet geldt ten aanzien van zeeschepen. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, waarbij dezelfde uitzondering is gegeven voor opdrachtgevers en particulieren. Deze bepaling brengt voorts met zich mee dat ten aanzien van zeeschepen, ook wanneer die na genoemde datum zijn gebouwd, en waarbij bij de asbestinventarisatie de aanwezigheid van asbest is geconstateerd, de verwijdering hiervan dient te geschieden overeenkomstig artikel 4.54d door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.

Onderdeel BB; Artikel 4.54c (Uitzonderingen maatregelen)

Artikel 4.54c vervalt. In dit artikel waren met betrekking tot de specifieke werkzaamheden die op grond van artikel 4.54b zijn uitgezonderd van de gecertificeerde asbestinventarisatieplicht, een aantal verplichtingen uitgezonderd. Omdat afdeling 5 niet meer arbeidshygiënische voorschriften verbindt aan specifieke handelingen maar aan het risico op blootstelling, zijn de uitzonderingen niet langer nodig.

In het bijzonder wordt nog gewezen op het vijfde lid van artikel 4.54c waarin was bepaald dat de uitvoering van de betreffende werkzaamheden diende plaats te vinden overeenkomstig een deugdelijke schriftelijke werkmethode. Bij het vervallen van artikel 4.54c zal het risico op blootstelling bij de uitvoering van deze werkzaamheden moeten worden ingedeeld in een van de risicoklassen. Wanneer het risico wordt ingedeeld in risicoklasse 2 of 3 dan dient er overeenkomstig artikel 4.50 te worden gewerkt aan de hand van een werkplan. Wanneer het risico wordt ingedeeld in risicoklasse 1 dan zullen de beheersmaatregelen moeten worden opgenomen in het plan van aanpak dat een onderdeel vorm van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoel in artikel 5, derde lid, van de Arbowet.

Onderdeel CC; Artikel 4.54d (Deskundigheid bij het werken met asbest)

Het niet-vakkundig uitvoeren van asbestverwijderingswerkzaamheden levert onacceptabele risico’s op voor de blootstelling van werknemers aan asbestvezels.

Op grond van deze bepaling wordt bevorderd dat de betreffende werkzaamheden vakkundig worden uitgevoerd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf waarmee zeker wordt gesteld dat de arbeidsbeschermende maatregelen in acht worden genomen.

Evenals bij de certificering van de inventarisatiebedrijven worden de certificaten voor een verwijderingsbedrijf alsmede de certificaten voor de toezichthouder en de verwijderaar afgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of wanneer de minister een of meerdere certificerende instelling(en) heeft aangeven, door de betreffende instelling. De wijze waarop de asbestverwijdering moet plaatsvinden, is uitgewerkt in een certificeringsregeling die is voorbereid door belanghebbende partijen en de overheid en waarnaar statisch is verwezen in artikel 4.27 van de Arboregeling. Dit geldt ook voor de certificatie van vakbekwaamheid van de toezichthouder. In de certificeringsregeling worden verder al die aspecten geregeld om tot een kwalitatief goede asbestverwijdering te komen, zoals deskundigheids- en ervaringseisen.

Eerste lid

Alleen die werkzaamheden moeten door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf worden uitgevoerd die zijn ingedeeld in risicoklasse 2 of 3 en het hierbij gaat om werkzaamheden waarvoor ook een asbestinventarisatie door een gecertificeerd bedrijf op grond van artikel 4.54a verplicht is gesteld. Het gaat om de volgende werkzaamheden: het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten, het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten hieruit, het reinigen van de arbeidsplaats nadat de asbestverwijderingswerkzaamheden zijn uitgevoerd en het opruimen van asbest of asbesthoudende producten na incidenten.

Tweede lid

Uit het tweede lid vloeit voort dat indien de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, betrekking hebben op de in artikel 4.54b genoemde handelingen, deze niet door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf hoeven te worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor de gevallen waarbij uit de risico-inventarisatie en -evaluatie (artikel 4.2) blijkt dat die werkzaamheden toch in risicoklasse 2 of 3 moeten worden ingedeeld. Uitzondering hierop vormen de in onderdeel a van artikel 4.54b genoemde handelingen. Dit zijn handelingen die worden uitgevoerd in of aan bouwwerken of objecten die op of na 1 januari 1994 zijn vervaardigd. Indien er bij de werkzaamheden die betrekking hebben op deze handelingen sprake is van asbest en deze werkzaamheden in risicoklasse 2 of 3 worden ingedeeld, dienen ze wel door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden uitgevoerd.

Derde lid

Op grond van het derde lid dient het verwijderingsbedrijf in het bezit te zijn van het inventarisatierapport voordat met de verwijdering van asbest mag worden begonnen. Dit geldt zowel voor de gecertificeerde verwijderingsbedrijven, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, als voor de niet-gecertificeerde bedrijven die op basis van indeling in risicoklasse 1 de asbestverwijderingswerkzaamheden mogen uitvoeren en waarvan ook een inventarisatierapport op grond van artikel 4.54a is opgesteld.

Op grond van artikel 4.54a, vijfde lid, is het inventarisatiebedrijf verplicht om het inventarisatierapport te verstrekken. Wanneer geen inventarisatierapport door een gecertificeerd bedrijf behoeft te worden opgesteld, zoals ten aanzien van de hiervoor genoemde uitgezonderde werkzaamheden maar die wel in risicoklasse 2 of 3 zijn ingedeeld, kan het verwijderingsbedrijf de werkzaamheden uitvoeren op grond van artikel 4.2.

Vierde lid

In het vierde lid is bepaald dat bij de uitvoering van de werkzaamheden de indeling van de risicoklasse als ondergrens moet worden gehanteerd. Het inventarisatiebedrijf heeft op basis van de uitgevoerde inventarisatie een risicoklasse bepaald voor de uit te voeren werkzaamheden door het verwijderingsbedrijf. Het verwijderingsbedrijf mag vervolgens geen risicoklasse hanteren die minder bescherming biedt. Wel heeft het verwijderingbedrijf de verplichting en daarmee een eigen verantwoordelijkheid op grond van artikel 4.2 om bij de uitvoering van de werkzaamheden, in afwijking van de risicoklasse die in het inventarisatierapport is vastgesteld, een risicoklasse toe te passen die meer bescherming biedt aan de werknemers van het verwijderingsbedrijf indien daartoe de noodzaak is gebleken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onvoorziene omstandigheden die zich tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aandienen.

Vijfde en zesde lid

Op grond van het vijfde lid is de eis gesteld dat de verwijderingswerkzaamheden worden uitgevoerd door of onder voortdurend toezicht van een deskundige werknemer. Hierbij gaat het om een deskundig toezichthouder asbestverwijdering, een zogenoemde DTA’er. Deze werknemer dient in het bezit te zijn van een vakbekwaamheidscertificaat. In het zesde lid is bepaald dat bij het verwijderingsbedrijf ten minste één DTA’er op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam moet zijn. Daarnaast kunnen er ook andere DTA’ers bij het verwijderingsbedrijf werkzaam zijn. Bijvoorbeeld werknemers in de zin van de Arbowet die niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, zoals inleenkrachten. Ook zelfstandigen kunnen worden ingehuurd om als DTA’er werkzaam te zijn.

Hoeveel DTA’ers bij een verwijderingsbedrijf werkzaam zullen moeten zijn wordt bepaald door de eis dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een DTA’er of, wanneer hij de werkzaamheden niet zelf uitvoert, de werkzaamheden worden uitgevoerd onder voortdurend toezicht van een DTA’er. Er moet dus altijd een DTA’er bij verwijderingshandelingen aanwezig zijn.

Zevende lid

In het zevende lid is de certificatie van vakbekwaamheid voorgeschreven van de persoon die is belast met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden voorzover deze werkzaamheden niet door een DTA’er worden uitgevoerd. Indien deze persoon de werkzaamheden feitelijk uitvoert, dient dit wel onder permanent toezicht te gebeuren van een DTA’er. Op grond van het inventarisatierapport dient het verwijderingsbedrijf een werkplan als bedoeld in artikel 4.50 op te stellen aan de hand waarvan de werkzaamheden worden uitgevoerd.

In artikel 9.37b is het overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de certificering van personen die feitelijk asbest verwijderen. Omdat het een geheel nieuw certificaat betreft zal het enige tijd vergen voor aan alle voorwaarden voor het verlenen van een dergelijk certificaat kan worden voldaan. Om knelpunten bij de werkzaamheden rond asbest te voorkomen is een uitgestelde inwerkingtreding bewerkstelligd tot 1 januari 2008 voor deze certificatieplicht.

Achtste lid

De deskundige begeleiding bij werkzaamheden met asbesthoudende grond was aanvankelijk geregeld in artikel 4.45a maar is omwille van de kenbaarheid geregeld in het achtste lid.

In dit lid is bepaald dat werkzaamheden met asbesthoudende grond, in het bijzonder waar het gaat om het afgraven, opslaan, tijdens het vervoer voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen en het reinigen van asbesthoudende grond, moeten plaatsvinden onder begeleiding van een deskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid. Dit sluit aan bij de huidige praktijk dat bij saneringsactiviteiten een arbeidshygiënist of een veiligheidskundige is betrokken.

Met deze bepaling wordt mede artikel 1, onderdeel 14 (t.a.v. artikel 12 ter), van de wijzigingsrichtlijn geïmplementeerd. Hierbij is bepaald dat alvorens bedrijven werkzaamheden zoals sloop of verwijdering van asbest kunnen verrichten, deze bedrijven hun bekwaamheid op dit gebied moeten aantonen overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijken.

Onderdeel DD; artikelen 4.55 en 4.55a (Werkplan en eindbeoordeling)

De artikelen 4.55 en 4.55a kunnen vervallen aangezien de bepalingen omtrent het werkplan en de eindbeoordeling nu in artikel 4.50 respectievelijk de artikelen 4.47, 4.51a en 4.54 zijn geregeld.

Onderdelen EE en FF; (Paragrafen 6 en 7)

De oude paragraaf 6 (betreft artikel 4.56) kan vervallen omdat hierin bijzondere bepalingen inzake crocidoliet en crocidoliethoudende producten waren geregeld. Nu crocidoliet aan het begrip asbest is toegevoegd (zie de toelichting op de onderdelen D en E) zijn er geen bijzondere bepalingen meer nodig voor crocidoliet en kan deze paragraaf vervallen.

Paragraaf 7 (betreft artikel 4.57) kan vervallen omdat de onderwerpen «voorlichting» en «onderricht» nu geregeld worden in de artikelen 4.45a en 4.45b (zie de toelichting op de onderdelen J en K).

Onderdeel GG; Artikel 9.3 (Verplichtingen van de werknemer)

In artikel 9.3 is aangegeven welke in het Arbobesluit opgenomen voorschriften en verboden ook door werknemers moeten worden nageleefd. Het gaat daarbij om artikelen waarbij de werknemer zelf invloed heeft op de naleving daarvan. In de toegevoegde artikelen zijn voorschriften opgenomen waarvan de naleving in sterke mate wordt bepaald door de betrokken werknemers. Door de toevoeging van de betreffende artikelen aan artikel 9.3 kan ook aan werknemers bij overtreding van de betreffende voorschriften een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Verder worden enkele verwijzingen aangepast aangezien de artikelen waarnaar verwezen werd door onderhavig besluit vernummerd zijn.

Onderdeel HH; Artikel 9.5 (Verplichtingen zelfstandigen)

Gezien de bijzondere gevaren voor veiligheid en gezondheid die aan het verwijderen van asbest zijn verbonden, moeten de in paragraaf 5 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 neergelegde verplichtingen ook worden nageleefd door een ieder die noch werkgever, noch werknemer is (zelfstandigen zonder personeel). Dit wordt bereikt door betreffende voorschriften toe te voegen aan artikel 9.5 waarin de verplichtingen voor zelfstandigen worden opgesomd.

Verder worden enkele verwijzingen aangepast aangezien de artikelen waarnaar verwezen werd door onderhavig besluit vernummerd zijn.

Onderdelen II en JJ; Artikelen 9.9b en 9.9c (Beboetbare feiten)

Onder 1:

Door de verschillende artikelen of onderdelen hiervan op te nemen in de, in de artikelen 9.9b en 9.9c opgesomde overtredingen, wordt overtreding van de daarin opgenomen verplichtingen aangemerkt als een beboetbaar feit, terzake waarvan door de Arbeidsinspectie een boete kan worden opgelegd. In de bij beleidsregel 33, Boeteoplegging, behorende «Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidsomstandighedenwet 1998» (Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving) zijn voor de overtredingen door de Arbeidsinspectie bij de vaststelling van boeten te hanteren normbedragen opgenomen.

Verder worden enkele verwijzingen aangepast aangezien de artikelen waarnaar verwezen werd door onderhavig besluit vernummerd zijn.

Onder 2:

Bij Besluit van 8 juni 2004 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (voorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op de arbeidsplaats op hoogte) (Stb. 279) is in artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel g, de vermelding van artikel 7.25, eerste tot en met vijfde lid en zevende lid, gewijzigd in artikel 7.25, eerste tot en met zevende lid. Daarbij is over het hoofd gezien dat artikel 7.25, zesde lid, al in artikel 9.9c, eerste lid, onderdeel g, als beboetbaar feit was aangemerkt. De aangebrachte wijziging wordt daarom ongedaan gemaakt.

Verder is bij bovengenoemd wijzigingsbesluit artikel 7.33 van het Arbobesluit geschrapt. Bij die gelegenheid is verzuimd het artikel te schrappen in de opsomming van artikelen in artikel 9.9c, eerste lid, onderdeel g.

Artikel II

Onderdelen A en C

Dit zijn slechts technische aanpassingen, waarbij verwijzingen naar het Arbobesluit in bepalingen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 worden aangepast.

Onderdeel B

Op grond van artikel 4.54d dient een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden ingeschakeld indien de concentratie van asbeststof is ingedeeld in risicoklasse 2 of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbobesluit. Artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (hierna: AVB) is hiermee in overeenstemming gebracht. Wanneer het gaat om handelingen die worden ingedeeld in risicoklasse 1 als bedoeld in artikel 4.44 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (lager dan of gelijk aan 0,01 vezel per kubieke centimeter, uitgaande van een referentieperiode van acht uur) dan is het niet verplicht om een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf in te schakelen. Hierbij zal het doorgaans gaan om handelingen als bedoeld in artikel 4 van het AVB ten aanzien waarvan op grond van artikel 6, tweede lid, van het AVB reeds geen verplichting bestaat om een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf in te schakelen. In zoverre brengt de onderhavige wijziging geen materiële gevolgen met zich mee.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat deze wijziging niet van invloed is op de noodzaak te beschikken over een sloopvergunning op grond van artikel 10 van het AVB.

Artikel III

Artikel 2, onderdeel d, van het Productenbesluit asbest is in overeenstemming gebracht met de terminologie van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de hierbij doorgevoerde gewijzigde redactie van het Arbobesluit met betrekking tot de omschrijving van het slopen van gebouwen en objecten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Transponeringstabel wijzigingsrichtlijn (2003/18/EG)

Artikel, -lid of -onderdeel van de richtlijn 2003/18/EG

Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 4, tenzij ander vermeld

Artikel 1, onderdeel 1

Artikel 4.103, derde lid (bestaand recht)

Artikel 1, onderdeel 2

Artikel 4.37, eerste lid

Artikel 1, onderdeel 3

Artikel 4.44

Artikel 1, onderdeel 4, onder a

Artikel 4.47c, eerste lid

Artikel 1, onderdeel 4, onder b

Artikel 4.47c, tweede lid

Artikel 1, onderdeel 5

Artikel 2, 4 en 5 van het Productenbesluit asbest

Artikel 1, onderdeel 6

Artikel 4.3a, onderdeel d en 4.45

Artikel 1, onderdeel 7

Artikel 4.47; paragraaf 4.5 Arbeidsomstandighedenregeling

Artikel 1, onderdeel 8

Artikel 4.46

Artikel 1, onderdeel 9

n.v.t*

Artikel 1, onderdeel 10, onder a

Artikel 4.47a, eerste lid

Artikel 1, onderdeel 10, onder b

Artikel 4.47a, vierde tot en met zevende lid

Artikel 1, onderdeel 11

Artikel 4.54a

Artikel 1, onderdeel 12

Artikel 4.48a, eerste en tweede lid

Artikel 1, onderdeel 13

Artikel 4.48a, lid 4, 4.50, derde en vierde lid, 4.47b, 4.51a en 4.54

Artikel 1, onderdeel 14, voorzover het betreft artikel 12bis

Artikel 4.45b en artikel 44 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (bestaand recht)

Artikel 1, onderdeel 14, voorzover het betreft artikel 12 ter

Artikel 4.54 d

Artikel 1, onderdeel 15

Artikel 4.47a, tweede lid

Artikel 1, onderdeel 16

Artikel 4.10 a, vierde lid, (bestaand recht) en 4.52, vierde lid

Artikel 1, onderdeel 17

Artikel 4.10d, vierde lid (bestaand recht)

Artikel 1, onderdeel 18

Artikel 4.10d, vijfde lid (bestaand recht)

Artikel 1, onderdeel 19

Artikelen 9.9b en 9.9c en artikel 9 Productenbesluit asbest

Artikel 1, onderdeel 20

Paragraaf 4.5 Arbeidsomstandighedenregeling (bestaand recht)

Artikel 1, onderdeel 21

Bijlage II (praktische aanbevelingen) is op grond van artikel 15 van de richtlijn optioneel en is niet geïmplementeerd

Artikel 2

n.v.t.*

Artikel 3

n.v.t.*

Artikel 4

n.v.t.*

* Het betreft hier bepalingen die verwijzen naar de richtlijn zelf of naar andere richtlijnen of die een opdracht aan de Commissie of de lidstaten bevatten die niet behoeven te worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving.


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 augustus 2006, nr. 152.

XNoot
1

TK 2004/05, 29 826, nr. 1.

XNoot
2

TK 2005/06, 25 883, nr. 55.

XNoot
3

TK 2004/05, 25 883/25 834, nr. 45.

XNoot
4

TK 2004/05, 25 883/25 834, nr. 53.

XNoot
5

Hierbij wordt aangesloten bij de kostenramingen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De administratieve lasten nemen in klasse 3 met 25% af van € 764.269 naar € 573.202, en in risicoklassen 1 en 2 met € 42.000.

XNoot
6

Hierbij wordt aangesloten bij de kostenramingen van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De administratieve lasten nemen met 30% af van € 591.000 naar € 414.000.

XNoot
7

Dit is ca. 10% van alle asbestverwijderingswerkzaamheden. Zie de kostenramingen Asbestverwijderingsbesluit 2005 voor het aantal werkzaamheden per jaar.

XNoot
8

Het gaat hier om werknemers in de asbestverwijderingsketen (asbestverwijdering, asbestinventarisatie, asbestlaboratoria, certificerende instellingen) en verder een diffuse groep uit tal van bedrijfssectoren als: aannemers in de renovatiesector en in de grond- water- en wegenbouw, installatiesector, landbouw, technische diensten in de industrie en bij woningbouwcorporaties, afvalverwerkingsbedrijven, recyclingbedrijven, technisch personeel bij Defensie.