Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2006, 26AMvB

Besluit van 13 januari 2006 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten 2006)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 december 2005, nr. 5391037/05/6;

Gelet op artikel 8:41, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid en 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 7.67, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, artikel 46, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, en artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken;

De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2005, no. W03.05.0559/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 januari 2006, nr. 5397003/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In de in de kolommen C tot en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.

A

B

C

D

E

F

G

nr.

Wet

artikel

lid

onderdeel

huidige tekst

Nieuwe tekst

Ministerie van Justitie

 1.

Algemene wet bestuursrecht

 8:41

3

a

€    37

€    38

 2.

Algemene wet bestuursrecht

 8:41

3

b

€   138

€   141

 3.

Algemene wet bestuursrecht

 8:41

3

c

€   276

€   281

 4.

Beroepswet

22

2

a

€   103

€   105

 5.

Beroepswet

22

2

b

€   207

€   211

 6.

Beroepswet

22

2

c

€   414

€   422

 7.

Beroepswet

22

3

 

€   414

€   422

 8.

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

24

2

a

€   207

€   211

 9.

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

24

2

b

€   414

€   422

10.

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

24

3

 

€   414

€   422

11.

Wet op de rechtsbijstand

46

2

 

€    37

€    38

12.

Wet op de rechtsbijstand

46

3

 

€   103

€   105

13.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder a

€    33

€    34

14.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder b

€    58

€    59

15.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder d

€   146

€   149

16.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder e

€   192

€   196

17.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder f

€   103

€   105

18.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

1° onder f

€   276

€   281

19.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder a

€   192

€   196

20.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder b

€   103

€   105

21.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder c

€   291

€   296

22.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder d

€   294

€   299

23.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder d

€ 4 584

€ 4 667

24.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder d

€   294

€   299

25.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder d

€ 1 100

€ 1 120

26.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder e

€   222

€   226

27.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder e

€ 4 587

€ 4 670

28.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder e

€ 1 099

€ 1 119

29.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€   222

€   226

30.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€ 4 587

€ 4 670

31.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€ 1 099

€ 1 119

32.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€   222

€   226

33.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€ 4 587

€ 4 670

34.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder f

€ 1 099

€ 1 119

35.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

2

2° onder g

€   244

€   248

36.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

a

€   244

€   248

37.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

b

€   103

€   105

38.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

c

€   389

€   396

39.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

d

€   392

€   399

40.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

d

€ 5 731

€ 5 834

41.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

d

€   392

€   399

42.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

d

€ 1 100

€ 1 120

43.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

e

€   244

€   248

44.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 2

3

f

€   291

€   296

45.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 4

  

€   244

€   248

46.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 9

1

 

€   480

€   489

47.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 9

3

 

€   244

€   248

48.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

 9

4

 

€   244

€   248

49.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

10

1

 

€    95

€    97

50.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

10

1

 

€   192

€   196

51.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

13

4

 

€    15,50

€    16

52.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

13

6

 

€   143

€   146

53.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

13

7

 

€    15

€    16

54.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

13

8

 

€    15

€    16

55.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

14

1

 

€    95

€    97

56.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

14

3

 

€    95

€    97

57.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

17

1

 

€   436

€   444

58.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

17

1

 

€   110

€   112

59.

Wet tarieven in burgerlijke zaken

17

1

 

€   221

€   225

 

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

60.

Wet op de Raad van State

40

2

a

€   207

€   211

61.

Wet op de Raad van State

40

2

b

€   414

€   422

62.

Wet op de Raad van State

40

3

 

€   414

€   422

 

Ministerie van Financiën

63.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27b

1

a

€    37

€    38

64.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27b

1

b

€   138

€   141

65.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27b

1

c

€   276

€   281

66.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27l

2

a

€   103

€   105

67.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27l

2

b

€   207

€   211

68.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27l

2

c

€   414

€   422

69.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

27l

3

 

€   414

€   422

70.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

29a

2

a

€   103

€   105

71.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

29a

2

b

€   207

€   211

72.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

29a

2

c

€   414

€   422

73.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

29a

3

 

€   414

€   422

   

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

  

74.

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

 7:67

  

€    37

€    38

ARTIKEL II

  • 1. Ten aanzien van rechten die verschuldigd zijn geworden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals dat voor die datum gold, van toepassing.

  • 2. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van toepassing.

  • 3. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger beroep van toepassing.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2006.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 13 januari 2006

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de vierentwintigste januari 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit strekt ertoe de griffierechten in de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet op de Raad van State en de Wet op de rechtsbijstand alsmede tarieven in de Wet tarieven in burgerlijke zaken te verhogen met het percentage waarmee de consumentenprijsindex (CPI) vanaf 31 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005 is gestegen.

Ingevolge de artikelen zoals genoemd in de aanhef van dit besluit kunnen de griffierechten zoals vermeld in voornoemde wetten bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd, voor zover de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken kunnen de bedragen genoemd in de eerste titel van die wet bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd, indien de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.

De griffierechten zoals vermeld in de hiervoor genoemde wetten zijn naar aanleiding van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor de laatste maal geïndexeerd bij Besluit van 30 december 2004 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten) (Stb. 2005, 16). Deze indexering had betrekking op de periode 31 augustus 2003 tot en met 31 augustus 2004. De huidige indexering ziet op het tijdvak 31 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005.

Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedragen de consumentenprijsindexcijfers totalen (alle huishoudens afgeleid), 2000 = 100, voor augustus 2004: 111,2 en voor augustus 2005: 113,2. Gedurende de periode van 31 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2005 is de consumentenprijsindex derhalve met 1,8% gestegen (113,2 : 111,2 * 100 = 101,799 – 100 = 1,799, afgerond 1,8%). Met deze stijging van de consumentenprijsindex wordt in dit besluit rekening gehouden door elk bedrag aan griffierecht en elk bedrag aan vast recht met 1,8% te verhogen. De bedragen die op deze wijze worden verkregen worden afgerond op hele euro’s.

Een aantal griffierechten is bij de laatste tweemaal dat indexering plaatsvond niet meegenomen. Reden hiervoor was dat in verband met de afronding het griffierecht ook na indexering hetzelfde zou bedragen. Bij de thans uitgevoerde indexering zijn deze bedragen echter gewijzigd en derhalve opgenomen in de tabel. Uitgangspunt bij deze bedragen is het indexcijfer van augustus 2003, het moment waarop deze bedragen voor het laatst zijn geïndexeerd. Het indexcijfer was destijds 110. In augustus 2005 is het indexcijfer 113,2. Het indexcijfer is in de periode van 31 augustus 2003 tot en met 31 augustus 2005 met 2,9% gestegen (113,2 : 110 * 100 = 102,909 – 100 = 2,90%).

De griffierechten in onderstaande bepalingen zijn derhalve met 2,9% verhoogd:

– artikel 8:41, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht;

– artikel 46, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand;

– artikel 2, tweede lid, onderdeel 1°, onder a, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken;

– artikel 27b, eerste lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; en

– artikel 7:67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Het tarief zoals dat is opgenomen in artikel 2, tweede lid, onderdeel 1°, onder c, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) is niet meegenomen bij de indexering. Indexering is achterwege gebleven in verband met de betaling van de minimale geldsom waartoe de eis of het verzoekschrift, zoals vermeld in voornoemd artikel, strekt. Indien het tarief thans geïndexeerd wordt is het gevolg dat een eiser of een gedaagde verplicht is een tarief te betalen dat hoger is dan de minimale geldsom die geëist of verzocht kan worden. Aangezien dit onwenselijk is blijft indexering derhalve achterwege.

Het jaarbedrag in artikel 13, vierde lid, van de WTBZ is bij Wet van 8 september 2005 (Stb. 2005, 455) vervangen door een maandbedrag. Het maandbedrag van € 15,50 wordt bij de thans uitgevoerde indexering vervangen door € 16 ingevolge de stijging van 1,8% en daarmee tegelijkertijd aangepast aan de overige, afgeronde bedragen zoals vermeld in de tabel.

De tarieven zoals deze zijn opgenomen in artikel 13, zevende en achtste lid van de WTBZ zijn voor het laatst geïndexeerd in augustus 2002. In de periode van augustus 2002 tot en met augustus 2004 zijn deze bedragen bij de indexering niet meegenomen aangezien het vast recht ook na indexering € 15 zou bedragen in verband met de afronding. Bij de thans uitgevoerde indexering zijn de bedragen echter wel gewijzigd.

Uitgangspunt is het indexcijfer van augustus 2002, het moment waarop deze bedragen voor het laatst zijn geïndexeerd. Het indexcijfer was destijds 107,7. In augustus 2005 is het indexcijfer 113,2. Uit de berekening (113,2 : 107,7 * 100 = 105,10678 – 100 = 5,1%; 5,1% * 15 = 0,765 + 15 = 15,765, afgerond 16) blijkt dat de tarieven door indexering inderdaad wijzigen.

Overgangsrecht

In artikel II is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat indien op de dag waarop dit besluit in werking is getreden een griffierecht verschuldigd is, het tarief van toepassing is zoals dat geldt ingevolge het Besluit van 30 december 2004 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten) (Stb. 2005, 16). Dat betekent ook dat ingeval van een kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald, in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.

Bij de bestuursrechtelijke zaken is een regeling opgenomen voor de besluiten die (uiterlijk) op de dag voor de dag waarop dit besluit in werking is getreden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag de beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de beroepstermijn zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop het besluit bekendgemaakt wordt.

Eenvoudigheidshalve wordt bepaald dat ten aanzien van besluiten die (uiterlijk) op de dag voor de dag van inwerkingtreding van dit besluit bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter (zie artikel 1:4 Awb) nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht van toepassing blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling opgenomen ten aanzien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een administratieve rechter.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.