Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2006, 251Wet

Wet van 27 april 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs ter aanpassing van de profielen in de tweede fase van het vwo en het havo (aanpassing profielen tweede fase vwo en havo)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de profielen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs aan te passen opdat zij beter organiseerbaar, werkbaar en studeerbaar zijn, en aan leerlingen, leraren en scholen meer ruimte geven voor eigen keuzen en voor de ontwikkeling en vernieuwing van het onderwijs;

dat het in verband daarmee noodzakelijk is, wijzigingen aan te brengen in de Wet op het voortgezet onderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

0A

Voor artikel 7 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6d. Onderwijs in lichamelijke opvoeding vwo en havo

Onderwijs in lichamelijke opvoeding, bestaande uit praktische bewegingsactiviteiten, wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs. Dit onderwijs vindt plaats gespreid over de schoolweken, in zodanige substantiële omvang en schooltijd dat wordt voldaan aan de eisen op het gebied van kwaliteit, intensiteit en variëteit van de bewegingsactiviteiten neergelegd in kerndoelen en examenprogramma’s. Daarbij wordt uitgegaan van de situatie zoals die op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold. In afwijking van de tweede volzin geldt voor het laatste leerjaar het voorschrift, dat het onderwijs in het eindexamenvak lichamelijke opvoeding niet eerder mag worden afgesloten dan in de maand december.

A

Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in Latijnse taal en literatuur en Griekse taal en literatuur.

2. In het vierde lid vervalt de tweede volzin.

B

Artikel 12, vijfde lid, tweede volzin, komt te luiden: Het bevoegd gezag richt een in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in dat voor elke leerling ten minste 1000 uren per leerjaar omvat, met dien verstande dat het programma in het laatste leerjaar ten minste 700 uren omvat.

C

De artikelen 13 en 14 worden vervangen door twee nieuwe artikelen, luidend:

Artikel 13. Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: v.w.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het atheneum omvat:

    a. Nederlandse taal en literatuur,

    b. Engelse taal en literatuur,

    c. een andere moderne vreemde taal en literatuur, of Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt,

    d. maatschappijleer,

    e. algemene natuurwetenschappen,

    f. culturele en kunstzinnige vorming of, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag dat vak aanbiedt, klassieke culturele vorming, met dien verstande, dat het vak klassieke culturele vorming in elk geval deel uitmaakt van het profiel indien ook Latijnse taal en literatuur of Griekse taal en literatuur, dan wel beide, deel uitmaken van het profiel, en

    g. lichamelijke opvoeding.

  • 2. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het gymnasium omvat:

    a. Nederlandse taal en literatuur,

    b. Engelse taal en literatuur,

    c. Latijnse taal en literatuur of Griekse taal en literatuur, ter keuze van de leerling uit deze beide door het bevoegd gezag aan te bieden vakken,

    d. maatschappijleer,

    e. algemene natuurwetenschappen,

    f. klassieke culturele vorming, en

    g. lichamelijke opvoeding.

  • 3. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het gymnasium en atheneum omvat:

    a. wiskunde,

    b. natuurkunde,

    c. scheikunde, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 4. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het gymnasium en atheneum omvat:

    a. wiskunde,

    b. biologie,

    c. scheikunde, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 5. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het gymnasium en atheneum omvat:

    a. wiskunde,

    b. economie,

    c. geschiedenis, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 6. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het gymnasium en atheneum omvat:

    a. wiskunde,

    b. geschiedenis,

    c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 7. Het vrije deel van elk profiel in het gymnasium en atheneum omvat ten minste één vak uit het geheel van:

    a. vakken, genoemd in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, die de leerling niet op grond van het eerste tot en met zesde lid heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt,

    b. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het derde tot en met zesde lid, die de leerling niet op grond van het eerste tot en met zesde lid heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt,

    c. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en

    d. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen.

  • 8. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.

Artikel 14. Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: h.a.v.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. Nederlandse taal en literatuur,

    b. Engelse taal en literatuur,

    c. maatschappijleer,

    d. culturele en kunstzinnige vorming, en

    e. lichamelijke opvoeding.

  • 2. Het profieldeel van het profiel natuur en techniek in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. wiskunde,

    b. natuurkunde,

    c. scheikunde, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 3. Het profieldeel van het profiel natuur en gezondheid in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. wiskunde,

    b. biologie,

    c. scheikunde, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 4. Het profieldeel van het profiel economie en maatschappij in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. wiskunde,

    b. economie,

    c. geschiedenis, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 5. Het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. geschiedenis,

    b. een moderne vreemde taal en literatuur dan wel Friese taal en cultuur, ter keuze van de leerling, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt,

    c. een vak ter keuze van de leerling uit culturele vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt, en

    d. een vak ter keuze van de leerling uit maatschappelijke vakken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken aanbiedt.

  • 6. Het vrije deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat ten minste één vak uit het geheel van:

    a. vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het tweede tot en met vijfde lid, die de leerling niet op grond van die leden heeft gekozen, voor zover het bevoegd gezag deze vakken als onderdeel van het vrije deel aanbiedt,

    b. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, voor zover het bevoegd gezag deze aanbiedt, en

    c. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen.

  • 7. Het bevoegd gezag kan beslissen dat vakken en andere programma-onderdelen door alle leerlingen worden gevolgd.

  • 8. Het bevoegd gezag kan de leerling in de gelegenheid stellen, in plaats van de vakken, genoemd in of aangewezen op grond van het eerste tot en met zesde lid, de overeenkomstige vakken van artikel 13 te volgen.

D

Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt met betrekking tot de profielen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, vastgesteld:

    a. het relatieve gewicht van elk van de vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen, uitgedrukt in een normatieve studielast per vak,

    b. de nadere ordening van de vakken, genoemd in de artikelen 13 en 14, met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel, het profieldeel of het vrije deel,

    c. voorschriften over vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in artikel 13, zevende lid, en artikel 14, zesde lid, die het bevoegd gezag aanwijst, behalve godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen, en

    d. voorschriften over de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van onderdelen van de artikelen 13 en 14 voor leerlingen met bijzondere kenmerken.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

E

In artikel 22, derde lid, vervalt de zinsnede «alsmede voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs, het in uren uitgedrukte aantal lessen dat gedurende de cursus in lichamelijke opvoeding ten minste moet worden verzorgd,».

F

In artikel 27a, eerste lid, vervalt «, deelvakken».

G

In artikel 29, vierde lid, vervalt «deelvakken».

ARTIKEL II. EVALUATIE LICHAMELIJKE OPVOEDING

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van deze wet, voor zover het betreft lichamelijke opvoeding. In het evaluatierapport wordt in ieder geval aandacht besteed aan de omvang en schooltijd en aan de verdeling daarvan over de leerjaren voor verschillende groepen leerlingen en wordt de vraag beantwoord of lichamelijke opvoeding zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin voldoende is gewaarborgd.

ARTIKEL III. INTREKKING WET VAN 2 JULI 1997, STB. 322, INZAKE PROFIELEN VOORTGEZET ONDERWIJS

De Wet van 2 juli 1997 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (Stb.1997, 322) wordt ingetrokken.

ARTIKEL IV. GELEIDELIJKE INVOERING GEWIJZIGDE PROFIELEN

  • 1. De wijzigingen die artikel I aanbrengt in de artikelen 13 tot en met 15 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde voorschriften, vinden met ingang van het eerste schooljaar na hun inwerkingtreding successievelijk toepassing per opvolgend leerjaar.

  • 2. Op de leerjaren waarvoor deze wijzigingen als gevolg van hun successievelijke toepassing nog niet gelden, blijft van toepassing het bepaalde bij en krachtens de artikelen 13, 14, 15, 22 en 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op de dag voor de aanvang van het eerste schooljaar na inwerkingtreding van artikel I. Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, voor zover dit voor een goede gang van zaken in het onderwijs noodzakelijk is.

ARTIKEL V. GELEIDELIJKE AFBOUW EXAMENS VOLGENS OUDE PROFIELVOORSCHRIFTEN

  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welk moment, voor welke leerlingen of staatsexamenkandidaten, en voor zover nodig op welke wijze, nog gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van een eindexamen of staatsexamen als bedoeld in artikel 29 onderscheidenlijk artikel 60 van de Wet op het voortgezet onderwijs, volgens de bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften zoals luidend op de dag voor de aanvang van het eerste schooljaar na inwerkingtreding van artikel I. De gelegenheid tot het afleggen van dit eindexamen komt in elk geval toe aan de leerlingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I zijn toegelaten tot het vijfde leerjaar.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het afleggen van het vergelijkbare examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

ARTIKEL VI. EVALUATIE

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL VII. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 27 april 2006

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

Uitgegeven de drieëntwintigste mei 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XHistnoot

Kamerstuk 30 187