Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2006, 164AMvB

Besluit van 17 maart 2006 tot wijziging van een aantal op de Warenwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur in verband met de afschaffing van de verplichte keuring vóór ingebruikneming van liften, intrekking van het Warenwetbesluit schiethamers en technische verbeteringen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 1 december 2005, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2005/95335, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de Warenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2005, no. W12.05.0537/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 13 maart 2006, Directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/P&G/2005/107415, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op attractie- en speeltoestellen indien deze onroerend zijn.

B

Artikel 27 komt te luiden:

Artikel 27

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet.

ARTIKEL II

De bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:

A

In de inhoudsopgave wordt na rubriek C-40 Warenwetbesluit drukapparatuur, een rubriek ingevoegd, luidende:

C-41 Warenwetregeling drukapparatuur

B

De tabel met «Omschrijving van de overtreding» en bijbehorend «Boetebedrag per categorie» wordt als volgt gewijzigd:

1. In rubriek C-26, «Warenwetbesluit machines» vervalt de omschrijving C-26.1.2 met bijbehorende boetebedragen.

2. In rubriek C-29, «Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen» vervalt de omschrijving C-29.1.2 met bijbehorende boetebedragen.

3. De rubriek C-34, «Warenwetbesluit schiethamers» vervalt.

4. In rubriek C-37, «Warenwetbesluit explosieveilig materieel» vervalt de omschrijving C-37.1.2 met bijbehorende boetebedragen.

5. In rubriek C-38 «Warenwetbesluit liften» wordt na C-38.4.2 de volgende omschrijving ingevoegd:

Omschrijving van de overtreding

Boetebedrag per categorie

    
  

I

II

 

Warenwetbesluit liften

  
    

C-38.4.3

art. 4b, lid 4, j° art. 18, lid 3

€ 450,–

€ 900,–

6. In rubriek C-40 «Warenwetbesluit drukapparatuur» worden na C-40.5.1 de volgende omschrijvingen ingevoegd:

Omschrijving van de overtreding

Boetebedrag per categorie

     
   

I

II

 

Warenwetbesluit

drukapparatuur

Warenwetregeling

drukapparatuur

  
     

C-40.6.1

art. 4, lid 2, j°

art. 16, lid 4

€ 450,–

€ 900,–

C-40.6.2

art. 4, lid 3, j°

art. 16, lid 1

€ 450,–

€ 900,–

C-40.6.3

art. 4, lid 3, j°

art. 16, lid 2

€ 450,–

€ 900,–

C-40.6.4

art. 4, lid 3, j°

art. 16, lid 7

€ 450,–

€ 900,–

C-40.6.5

art. 4, lid 3, j°

art. 16, lid 8

€ 450,–

€ 900,–

7. Na rubriek C-40 «Warenwetbesluit drukapparatuur» wordt de volgende omschrijving toegevoegd:

Omschrijving van de overtreding

Boetebedrag per categorie

    
  

I

II

C-41

Warenwetregeling drukapparatuur

  
    
 

C-40.6.1 e.v.

€ 450,–

€  900,–

ARTIKEL III

Het Warenwetbesluit containers wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 15c wordt in hoofdstuk VI een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet.

B

Artikel 20 wordt vernummerd tot artikel 17.

C

Artikel 21 vervalt.

ARTIKEL IV

Het Warenwetbesluit drukapparatuur wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3 wordt, onder vernummering van het tweede tot derde lid, na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen indien deze onroerend zijn.

B

In artikel 12c, zevende lid, wordt «onder de verantwoordelijkheid van de instelling of dienst» vervangen door: onder toezicht van de instelling.

C

In artikel 12d, zevende lid, wordt «als bedoeld in het zesde lid, onder a» vervangen door «als bedoeld in het zesde lid, onder a en b» en wordt «onderzoekingen» vervangen door: onderzoeken.

D

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «waarvoor een verklaring van ingebruikneming of een verklaring van intredekeuring en ingebruikneming is afgegeven» vervangen door: bedoeld in artikel 12c, eerste lid.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, verricht de noodzakelijke onderzoeken aan het ontwerp en de constructie van de voorgenomen wijziging of reparatie waarbij, voorzover van toepassing, rekening wordt gehouden met eerder uitgevoerd onderzoek en verricht tijdens de uitvoering van de wijziging of reparatie passende onderzoeken en proeven.

3. Onder vernummering van de leden vijf tot en met negen tot zes tot en met tien wordt na het vierde lid een lid ingevoegd luidende:

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de onderzoeken en proeven, bedoeld in het vierde lid, nadere regels worden gesteld en kan worden bepaald dat de onderzoeken en proeven ten behoeve van een reparatie of een constructieve wijziging door de gebruiker worden uitgevoerd onder toezicht van de instelling, bedoeld in het derde lid, met inachtneming van de bij die regeling gestelde regels.

4. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

  • 8. Met betrekking tot voorgenomen wijzigingen aan drukapparatuur dat in gebruik is en voor de voorgenomen wijziging niet valt onder de drukapparatuur, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, maar na de voorgenomen wijziging daar wel onder valt, is het eerste tot en met het zevende lid van overeenkomstige toepassing, alsmede worden door de dienst of instelling, bedoeld in het derde lid, of de gebruiker, bedoeld in het vijfde lid, zo nodig, de onderzoeken, bedoeld in artikel 12c, zesde lid, uitgevoerd.

5. In het negende lid (nieuw) wordt «vijfde lid, van het toezicht bedoeld in het vierde lid, en van de onderzoeken, bedoeld in het zesde en zevende lid» vervangen door: zesde lid, van het toezicht, bedoeld in het vierde en vijfde lid, en van de onderzoeken, bedoeld in het zevende en achtste lid.

6. In de aanhef van het tiende lid (nieuw) wordt «bedoeld in het derde lid» vervangen door «bedoeld in het derde lid, voorzover van toepassing» en in onderdeel b, wordt «zevende» vervangen door: achtste.

E

In artikel 19, eerste lid, wordt «De aangewezen keuringsinstelling of aangewezen aangemelde keuringsinstelling» vervangen door: De aangewezen aangemelde keuringsinstelling of aangewezen keuringsinstelling.

F

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14.

2. In het tweede lid wordt, onder verlettering van onderdeel e tot f, na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14, voorzover deze betrekking hebben op druksystemen;.

G

In artikel 22, derde lid, wordt, onder verlettering van onderdeel e tot f, na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

e. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14, voorzover deze betrekking hebben op druksystemen;.

H

Hoofdstuk VII vervalt.

I

Na artikel 40 wordt een artikel met opschrift ingevoegd, luidende:

Grondslag

Artikel 40a

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet.

ARTIKEL V

Het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op drukvaten indien deze onroerend zijn.

B

Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet.

ARTIKEL VI

Het Warenwetbesluit explosieveilig materieel wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

Dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen zijn eveneens van toepassing op explosieveilig materieel indien dat onroerend is geworden tot aan het tijdstip van eerste ingebruikneming.

B

De artikelen 15, 25 en 26 vervallen.

C

Artikel 24 komt te luiden:

Artikel 24

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet.

ARTIKEL VII

Het Warenwetbesluit liften wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op liften, veiligheidscomponenten, bouwliften voor personenvervoer en transportsteigers indien deze onroerend zijn.

B

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «vóór de eerste ingebruikneming,».

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Bij de keuring vóór de eerste ingebruikneming, bedoeld in het tweede lid, wordt gecontroleerd of de documenten van de voorgeschreven procedures, bedoeld in artikel 8, aanwezig zijn en juist zijn. Bij de keuring vóór de eerste ingebruikneming of de ingebruikneming na herstelling of wijziging, bedoeld in het derde lid, respectievelijk vierde lid, wordt getoetst of ten minste is voldaan aan de voor het desbetreffende hefwerktuig geldende vervaardigingsvoorschriften, bedoeld in de artikelen 5 en 6a.

3. In het zesde lid vervalt de zinsnede «artikel 19, derde lid, van dit besluit en».

C

Aan artikel 18 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het certificaat van goedkeuring, bedoeld in artikel 17, zevende lid en het liftboek, bedoeld in het eerste lid, of een afschrift daarvan worden desgevraagd getoond aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 25 van de wet.

D

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «Het eerste, tweede en derde lid» vervangen door: Het eerste en tweede lid.

E

Artikel 29 komt te luiden:

Artikel 29

Dit besluit berust op de artikelen 1, 3 tot en met 11, 11a, 13, 14, 16 en 32b, eerste lid, van de wet en de artikelen 2 en 120 van de Woningwet.

F

De artikelen 30 tot en met 32 vervallen.

ARTIKEL VIII

Het Warenwetbesluit machines wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen zijn eveneens van toepassing op machines en veiligheidscomponenten indien deze onroerend zijn tot aan het tijdstip van eerste ingebruikneming alsmede op hijskranen indien deze onroerend zijn.

B

Artikel 6b vervalt.

ARTIKEL IX

De artikelen 6b, 7 en 8 van het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen vervallen.

ARTIKEL X

Het Warenwetbesluit schiethamers wordt ingetrokken.

ARTIKEL XI

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met uitzondering van artikel II, dat acht weken na deze datum in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 17 maart 2006

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de eenendertigste maart 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit strekt tot wijziging van een aantal op de Warenwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur. De gewijzigde besluiten zijn in alfabetische volgorde opgenomen, waarbij is uitgegaan van de citeertitel. De belangrijkste wijzigingen betreffen de afschaffing van de keuring voor ingebruikneming van liften en de intrekking van het Warenwetbesluit schiethamers. Voorts is uit een oogpunt van onderlinge consistentie en uniformiteit in een aantal Warenwetbesluiten dezelfde of soortgelijke wijzigingen aangebracht. Allereerst zal op deze wijzigingen worden ingegaan. Vervolgens zullen achtereenvolgens de wijzigingen worden toegelicht die zijn aangebracht in de betreffende Warenwetbesluiten.

2. Algemene wijzigingen

Grondslag

Ingevolge artikel II, eerste en vierde lid, van de Wet van 1 november 2001 tot wijziging van de Warenwet met het oog op de incorporatie van productveiligheidsvoorschriften uit de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zulks onder intrekking van deze wet en de Stoomwet (Stb. 557) is de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen ingetrokken en berusten de voordien op deze wet gebaseerde Besluit schiethamers, Besluit containers, Besluit drukvaten van eenvoudige vorm, Besluit explosieveilig materieel, Besluit liften, Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen en het Besluit drukapparatuur (hierna WGW-besluiten) voortaan op de Warenwet. Bij Besluit van 3 juli 2003 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en enkele op de Wet op de gevaarlijke werktuigen (hierna WGW) en de Warenwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur in verband met de integratie van de Wet op de gevaarlijke werktuigen in de Warenwet (Stb. 315) zijn voornoemde WGW-besluiten in overeenstemming gebracht met de Warenwet. Hierbij kon uiteraard niet de aanhef van de WGW-besluiten worden gewijzigd. In de aanhef wordt dan ook nog steeds verwezen naar delegatiebepalingen van de WGW. In de praktijk heeft dit geleid tot enige verwarring en onduidelijkheid op grond van welke bepalingen van de Warenwet de voormalige WGW-besluiten voortaan berusten. Met gebruikmaking van aanwijzing 227, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving is in de betreffende voormalige WGW-besluiten, die thans op de Warenwet berusten, voorzien in een bepaling met de aanduiding van de delegatiebepalingen van de Warenwet waarop deze besluiten berusten.

Onroerende zaken

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Warenwet kunnen naast roerende zaken ook onroerende zaken waren zijn als bedoeld in de Warenwet, mits deze onroerende zaken bij algemene maatregel van bestuur als waar zijn aangewezen.

Deze bepaling is vooral van belang voor waren die aangemerkt worden als technische voortbrengselen. Dergelijke waren kunnen, terwijl zij in eerdere fasen van de handelsfase nog roerende zaken zijn, onder omstandigheden in de gebruiksfase maar zelfs in latere stadia van de handelsfase, door hun installatie in een gebouw of duurzame vereniging met de grond, tot onroerende zaak worden.

In een aantal warenwetbesluiten die betrekking hebben op technische voortbrengselen, worden niet alleen eisen aan deze waren gesteld in de handelsfase maar tevens in de gebruiksfase. In geen van deze besluiten worden echter onroerend geworden technische voortbrengselen expliciet als waren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Warenwet aangewezen.

Uit het feit dat de bedoelde besluiten van toepassing zijn op de gebruiksfase van de betreffende waren blijkt dat de wetgever er vanuit is gegaan dat de gestelde regels zowel van toepassing zijn op roerende als op onroerende zaken. Hierbij gaat het om de Warenwetbesluiten attractie- en speeltoestellen, drukapparatuur, drukvaten van eenvoudige vorm, explosieveilig materieel en liften. Uit het overgangsrecht bij de wet van 1 november 2001 tot wijziging van de Warenwet (Stb. 2001, 557; zie hiervoor) kan worden afgeleid dat de regels die bij of krachtens de Warenwet zijn gesteld van toepassing zijn op de besluiten zoals deze golden onder de WGW. Omdat onder de WGW geen onderscheid werd gemaakt tussen roerende en onroerende zaken, moet er vanuit worden gegaan dat bij de overgang van de voornoemde besluiten naar de Warenwet geen wijziging is opgetreden. Echter, door de wijziging van de betreffende besluiten (Stb. 2003, 315; zie hiervoor), waaronder het wijzigen van de citeertitels van de besluiten, is deze constructie onduidelijk geworden. Daarom worden derhalve attractie- en speeltoestellen, drukapparatuur, drukvaten van eenvoudige vorm, explosieveilig materiaal en liften die onroerend zaken zijn (geworden) bij dit besluit expliciet aangewezen. Op deze manier wordt direct helderheid verschaft over de reikwijdte van de betreffende Warenwetbesluiten. Waar het gaat om machines wordt gewezen op het volgende. Als gevolg van voornoemde wetswijziging, waarbij ook de WGW is ingetrokken, is het op de WGW gebaseerde Besluit machines van rechtswege komen te vervallen. In verband hiermee is het Warenwetbesluit machines gewijzigd (Stb. 2003, 315) zodanig dat dit besluit mede van toepassing is geworden op die categorieën van machines die voordien in het Besluit machines waren geregeld. In verband hiermee is het noodzakelijk geworden om ook machines die onroerend zijn of zijn geworden als zodanig expliciet aan te wijzen.

Uitgewerkte bepalingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om uitgewerkte bepalingen in de betreffende Warenwetbesluiten te schrappen.

Warenwetbesluit bestuurlijke boeten

In de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boete is omschreven voor welke overtredingen van de warenwetgeving de Minister een boete kan opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend. Deze bijlage is in overeenstemming gebracht met de wijzigingen in de desbetreffende warenwetbesluiten bij het onderhavige besluit.

Warenwetbesluit drukapparatuur

In het besluit is een aantal redactionele correcties aangebracht en zijn onvolkomenheden weggenomen. Tevens zijn de geboden mogelijkheden voor de inspectieafdeling van de gebruiker van drukapparatuur om onder toezicht van een aangewezen keuringsinstelling zelf periodieke keuringen te verrichten uitgebreid met werkzaamheden welke verband houden met wijziging aan en reparatie van drukapparatuur. Deze werkzaamheden vertonen veel overeenkomst met de werkzaamheden bij periodieke keuringen. Met de uitbreiding van de mogelijkheden voor een inspectieafdeling van de gebruiker wordt een optimalere benutting van de daar aanwezige kennis van de apparatuur bewerkstelligd.

Warenwetbesluit liften

Het kabinet streeft deregulering en vermindering van administratieve lasten na.

Als onderdeel van het Actieplan vereenvoudiging SZW-regelgeving1 is de mogelijkheid van het laten vervallen van de keuring vóór ingebruikneming van liften onderzocht. Het onderzoek werd uitgevoerd door bureau Reseach voor Beleid en was beperkt tot de reguliere personenliften waarop de Europese Liftenrichtlijn van toepassing is.

De Liftenrichtlijn2 schrijft voor dat fabrikanten een eindcontrole moeten verzorgen. De eindcontrole geschiedt door een aangewezen onafhankelijke instelling of door de fabrikant zelf, mits deze over een gecertificeerd kwaliteitssysteem beschikt.

In aanvulling op deze eindcontrole was in Nederland nog een keuring vóór ingebruikneming voorgeschreven, die door een onafhankelijke aangewezen instelling moet worden uitgevoerd. Deze keuring kent een zekere overlap met de verplichte eindcontrole van de fabrikant.

Zij was destijds geïntroduceerd bij de implementatie van de Liftenrichtlijn, omdat werd overgegaan van het monopolie van het Liftinstituut naar een marktsituatie voor meerdere, grotendeels internationale, keuringsinstellingen. Hierbij bestond geen zicht op de kwaliteit van keuringsinstellingen uit andere lidstaten. Verder was de ervaring op dat moment, dat diverse liftenleveranciers de keuring vóór ingebruikneming gebruikten als een soort eindcontrole, met als gevolg dat er vele ernstige tekortkomingen werden gevonden.

In het onderzoeksrapport wordt aangegeven, dat de situatie sindsdien aanzienlijk is verbeterd. De tekortkomingen die nu nog gevonden worden, leiden niet tot gevaarlijke situaties. Bij de grote liftenleveranciers blijken de kwaliteitssystemen te werken, bij de kleinere bedrijven zonder kwaliteitssysteem wordt de eindcontrole door een onafhankelijke instelling uitgevoerd, met voldoende kwaliteit. Er bestaat daarom geen noodzaak meer om veiligheidsredenen de (nationale) keuring vóór ingebruikneming in stand te houden.

Bij de keuringen vóór ingebruikneming werd ook de directe omgeving van de lift beoordeeld (toegankelijkheid, veiligheid). Nieuwe liften worden bijna altijd opgeleverd in de eindfase van bouwwerken, waarbij nog niet aan alle inrichtingseisen is voldaan. Deze verplichtingen voor de beheerder/eigenaar van de lift vormen echter geen aanleiding om de keuring vóór ingebruikneming te handhaven. De veiligheidsaspecten voor gebruikers en monteurs zijn al in het ontwerp en bij de eindcontrole van de lift verzekerd. De resterende veiligheidsaspecten die samenhangen met de omgeving van de lift (bijvoorbeeld rommel, toegankelijkheid etc.) behoren niet thuis in productwetgeving, maar vallen onder de zorgplicht van de bezitter van een gebouw (BW artikel 6:174). Ongevallen met ernstig letsel zijn daarbij niet te verwachten.

Grote investeerders hebben te kennen gegeven wel te hechten aan de handhaving van keuring vóór ingebruikneming, omdat zij dan voor de afname kunnen beschikken over een onafhankelijk oordeel voor de nieuw opgeleverde lift. Dit kunnen zij evenwel realiseren door dit bijvoorbeeld privaatrechtelijk in het bestek te regelen, wetgeving is daar niet voor nodig.

Warenwetbesluit schiethamers

Het Warenwetbesluit schiethamers wordt ingetrokken. Als gevolg hiervan kunnen dergelijke apparaten voortaan zonder meer op de markt worden aangeboden. Met de huidige stand der techniek zullen er naar verwachting geen minder veilige apparaten op de markt worden aangeboden. De huidige producteisen in het Warenwetbesluit schiethamers betreffen middelgerichte producteisen voor fabrikanten. In het huidige systeem beoordeelt de overheid de veiligheid van dergelijke apparaten en geeft certificaten af. Daarmee voert zij in wezen taken uit, en neemt verantwoordelijkheden over, die in vergelijkbare situaties bij de fabrikanten liggen. De ongeval casuïstiek wijst uit dat er met schiethamers geen aantoonbare ongevallen plaatsvinden die zijn terug te voeren op de onveilige werking van het apparaat. Deze zijn meestal terug te voeren op ondeskundig gebruik of omgevingsinvloeden. Overigens zij opgemerkt dat het Warenwetbesluit schiethamers alleen veiligheidseisen stelt aan het type schiethamer dat zijn werking ontleent aan de explosieve materie die de aandrijfkracht bewerkstelligt. Apparatuur die pneumatisch, elektrisch of met gaspatronen is aangedreven valt niet onder de werkingssfeer van het besluit.

In de Europese machinerichtlijn3 zijn schiethamers van het toepassingsgebied van de richtlijn uitgesloten omdat deze als vuurwapens worden beschouwd. De schiethamers, waaronder ook slachtpistolen en markeerpistolen, voldoen echter geheel aan de definitie van het begrip «machine» uit de richtlijn. Mede op aandrang van de Europese industrie zijn in een wijzigingsvoorstel4 van de Europese Commissie van de richtlijn dergelijke apparaten wel expliciet opgenomen. Naar verwachting zal deze wijziging in 2008 zijn doorgevoerd in de nationale wetgeving van de EU lidstaten, met een overgangstermijn tot 2010. Apparaten waarbij gebruik wordt gemaakt van een explosieve lading met rechtstreekse werking, anders dan schiethamers, worden als vuurwapens beschouwd en blijven van het toepassingsgebied van de richtlijn uitgesloten.

Het intrekken van het Warenwetbesluit Schiethamers op dit moment wordt opportuun geacht om de industrie in aanloop naar de nieuwe wetgeving niet in de weg te staan bij het ontwikkelen van nieuwe producten. Naar verwachting zal op korte termijn worden gestart met het in Europees verband ontwikkelen van geharmoniseerde normen voor schiethamers die worden opgenomen in de machinerichtlijn.

3. Administratieve lasten voor het bedrijfsleven

De administratieve lasten voor het bedrijfsleven zullen door het wijzigingsbesluit verminderen met € 1,37 miljoen. Dit komt door de volgende drie maatregelen:

• In het vijfde lid van artikel 14a van het Warenwetbesluit drukapparatuur wordt de gebruiker de mogelijkheid geboden voortaan zijn inspectieafdeling in te zetten voor het uitvoeren van onderzoeken en beproevingen, onder toezicht van een aangewezen keuringsinstelling, in het kader van het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan zijn drukapparatuur.

Hiermee kan de gebruiker een optimalere inzet van de aanwezige kennis bij zijn inspectieafdeling bewerkstelligen. Dit levert een besparing op ten opzichte van de huidige situatie waar de gebruiker nog verplicht is om volledig gebruik te maken van een duurdere externe inspectie. Naar schatting zullen ca. 30 bedrijven van deze mogelijkheid gebruik gaan maken. Zij schakelen thans elk nog 120 uur aan externe deskundigheid in, waarvan in de nieuwe situatie nog slechts 10% overblijft voor toezicht. Spiegelbeeld is de extra inzet van (goedkoper) eigen personeel dat per saldo leidt tot een besparing van in totaal ca. € 190.000 aan administratieve lasten per jaar.5

• Afschaffen van de verplichte keuring vóór ingebruikneming van liften levert € 1.160.000 vermindering van administratieve lasten per jaar op. Dit bedrag is inclusief de inzet van monteurs, welke lasten niet verdwijnen maar voortaan deel uitmaken van de normale kosten van ingebruikneming. De totale lastendaling voor de bedrijven blijft hierdoor beperkt tot ca. € 900.000. Andere EU lidstaten kennen geen vergelijkbare keuringsverplichting.

• Met betrekking tot de intrekking van het Warenwetbesluit schiethamers wordt het volgende opgemerkt. Er zijn geen Nederlandse fabrikanten. Bij de Arbeidsinspectie worden uitsluitend apparaten aangeboden die elders worden gefabriceerd. In artikel 5 van de op het Warenwetbesluit schiethamers gebaseerde Warenwetregeling schiethamers zijn maximumbedragen gegeven voor het uitvoeren van de beoordelingen. Deze bedragen zijn van oudsher vastgelegd zolang er slechts één keuringsinstantie voorhanden was, in casu de Arbeidsinspectie. De betreffende bedragen, «vergoedingen voor het keuren van het monster», liggen ver onder marktconforme uitgaven die voor dergelijke keuringen gangbaar zijn. Het intrekken van het besluit zal een geringe vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven bewerkstelligen. De totale kostenreductie voor het bedrijfsleven en de Arbeidsinspectie wordt op ca. € 60.000 geraamd, waarvan € 20.000 bij het bedrijfsleven6.

4. Notificatie

Het ontwerp-besluit is op 30 november 2005 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (2005/0664/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn vastgelegde termijn van drie maanden waarin het ontwerp-besluit niet mag worden vastgesteld eindigde derhalve op 1 maart 2006. De melding is noodzakelijk omdat het Warenwetbesluit schiethamers wordt ingetrokken. Bij dit besluit worden technische eisen aan schiethamers gesteld.

Naar aanleiding van deze melding zijn er geen opmerkingen van de Europese Commissie en de lidstaten ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel I (Warenwetbesluit drukapparatuur)

Onderdeel B

Bij het zelf uitvoeren van herkeuringen door de gebruiker blijft de gebruiker verantwoordelijk voor de uitvoering van deze keuringen. De voorwaarden waaronder de keuringen mogen plaatsvinden en de uitvoering van de keuringen staan onder toezicht van een keuringsinstelling. De verklaring van herkeuring, die wordt afgegeven door een keuringsinstelling, wordt mede gebaseerd op de door de gebruiker uitgevoerde onderzoeken. De keuringsinstelling is verantwoordelijk voor de juistheid van de afgegeven verklaring. Voor het goed functioneren van het systeem waarbij de gebruiker keuringen verricht onder toezicht van een keuringsinstelling is het belangrijk te weten hoe de verantwoordelijkheden hierbij zijn vastgelegd. Met deze wijziging wordt hieraan tegemoet gekomen.

Onderdeel C

Het bewijs van goedkeuring, bedoeld in het zevende lid, heeft betrekking op de goedkeuring van de vervaardigde drukapparatuur op grond van een goedgekeurd ontwerp en de tijdens de fabricage van de drukapparatuur uitgevoerde onderzoeken en proeven, waaronder de eindcontrole. Omdat de integriteit van de drukapparatuur zowel gebaseerd is op een passend ontwerp als op een overeenkomstig de ontwerpvoorschriften uitgevoerde fabricage en beproeving, zijn deze laatste aspecten door middel van de toegevoegde verwijzing naar onderdeel b van het zesde lid toegevoegd.

Onderdeel D

Bij de verwijzing in artikel 14a, eerste lid, naar drukapparatuur waarvoor een verklaring van ingebruikneming of een verklaring van intredekeuring en ingebruikneming is afgegeven is geen rekening gehouden met bepaalde apparatuur waarvoor geen verklaring wordt afgegeven. Deze apparatuur was daarmee uitgesloten van de verplichtingen genoemd in artikel 14a, hetgeen niet de bedoeling is. Deze omissie wordt hierbij hersteld door te verwijzen naar artikel 12c.

De tekst van het vierde lid is aangepast om duidelijker aan te geven om welke onderzoeken en proeven het gaat bij wijziging van of reparatie aan een drukapparaat. Hierbij kan een werkwijze zoals omschreven in module G volgens bijlage III bij de richtlijn worden gevolgd. De daarin genoemde onderzoeken en proeven hebben tot doel na te gaan of het drukapparaat in overeenstemming is met de eisen genoemd in bijlage I bij de richtlijn voorzover dit redelijkerwijs mogelijk is, zoals dit in het eerste lid is benadrukt.

In het nieuwe vijfde lid wordt in analogie met de mogelijkheid van de gebruiker tot het zelf mogen herkeuren volgens artikel 12c, zevende lid, deze mogelijkheid ook geboden voor het zelf uitvoeren van onderzoeken en proeven, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, onder toezicht van een keuringsinstelling.

Deze mogelijkheid wordt alleen geboden voor de onderzoeken en proeven verricht door de gebruiker voorzover die werkzaamheden verband houden met de reparatie aan en een constructieve wijziging van drukapparatuur. Met nadruk wordt er op gewezen dat werkzaamheden die verband houden met een wijziging van de toegestane gebruiksomstandigheden of een wijziging van de kenmerkende waarden van drukapparatuur, zoals het volume V voor drukvaten of de nominale maat DN voor installatieleidingen, uitsluitend worden verricht door een keuringsinstelling of een keuringsdienst van gebruikers.

Het achtste lid is op overeenkomstige wijze aangepast als het eerste lid en is rekening gehouden met de mogelijkheid dat de gebruiker onder bepaalde omstandigheden zelf de onderzoeken mag uitvoeren.

Het negende en tiende lid zijn aangepast aan de wijzigingen in de voorgaande leden. Na de wijziging of reparatie van het drukapparaat zal in de regel een aanvulling op de verklaring van ingebruikneming worden gegeven of een zodanige verklaring worden afgegeven. Niet ten aanzien van alle gewijzigde of gerepareerde apparaten wordt een zodanige verklaring gegeven, zoals voor gasflessen voor ademhalingstoestellen. Dit is in de aanhef van het tiende lid tot uitdrukking gebracht. Tevens wordt er op gewezen dat onder de term aanvulling, genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt verstaan een gewijzigde of nieuwe verklaring van ingebruikneming aangevuld met een aantekening op het aantekenblad of uitsluitend een aantekening op het aantekenblad. De administratieve afhandeling door de keuringsinstelling of de keuringsdienst van gebruikers kan op deze wijze worden afgestemd op de aard en omvang van de wijziging of reparatie.

Onderdelen F en G

Bij besluit van 22 juli 2004 tot wijziging van het Warenwetbesluit drukapparatuur houdende regels inzake het gebruik van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen en enige andere algemene maatregelen van bestuur (Stb. 387) is onder andere artikel 14 (Voorgenomen wijzigingen in de nieuwbouwfase) gewijzigd en is een nieuw artikel 14a (Voorgenomen wijzigingen en reparaties in de gebruiksfase) ingevoegd. In verband hiermee is de aanduiding van de taken van keuringsinstellingen en keuringsdiensten van gebruikers in respectievelijk de artikelen 20 en 22 niet geheel in overeenstemming gebracht. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Artikel VI (Warenwetbesluit explosieveilig materieel)

Onderdeel A

Het Warenwetbesluit explosieveilig materieel is ook van toepassing wanneer het explosieveilig materieel onroerend is geworden (zie in dit verband ook het gestelde in het algemeen deel van de toelichting). De aanwijzing als onroerende zaken op grond van artikel 1, onderdeel a, van de Warenwet heeft betrekking op explosieveilig materieel tot aan het moment van ingebruikneming. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om gasturbines in een explosiegevaarlijke omgeving die ter plaatse worden gemonteerd en beproefd voordat overdracht aan de gebruiker plaatsvindt. Hiermee wordt duidelijk dat de voorschriften voor de fabrikant van toepassing blijven wanneer de apparaten onroerende zaken zijn geworden totdat de apparatuur in gebruik wordt genomen. Wanneer het explosieveilig materieel in gebruik is genomen dan zijn hierop voor de werkgever de voorschriften van paragraaf 2a (Explosieve atmosferen) van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing.

Artikel VI (Warenwetbesluit explosieveilig materieel), Onderdeel B (artikel 15); Artikel VIII (Warenwetbesluit machines), Onderdeel B (artikel 6b); Artikel IX (Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen; artikel 6b)

Gebleken is dat er geen behoefte bestaat aan een onderhoudsbepaling voor explosieveilig materieel, machines en persoonlijke beschermingsmiddelen die in de privé-sfeer worden gebruikt. Op beroepsmatig gebruik van producten is het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing. Daarin is een goede staat van onderhoud verplicht gesteld.

Artikel VII (Warenwetbesluit liften)

Onderdeel B

In het eerste lid is de algemene keuring van liften vóór ingebruikneming geschrapt. Na analyse van de wetgeving, die niet voortvloeit uit EG richtlijnen, is gebleken dat het verantwoord is de keuring vóór ingebruikneming van liften die volgens de richtlijnprocedures zijn geïnstalleerd te schrappen. Een onderzoek is hieraan vooraf gegaan (zie hierover het gestelde in het algemeen deel van de toelichting). Door het laten vervallen van deze keuringsverplichting worden lasten voor eigenaren van liften verminderd. Met de aanpassingen in artikel 17 zijn tevens de verwijzingen naar artikel 19, derde lid geschrapt.

Onderdeel C

Bij de omzetting van het Besluit liften (gebaseerd op de WGW) naar het Warenwetbesluit liften (gebaseerd op de Warenwet) is de verplichting tot het kunnen tonen van het certificaat van goedkeuring (was opgenomen in artikel 10, derde lid WGW) aan de toezichthouder vervallen. Hoewel de Algemene wet bestuursrecht (art. 5.17) een algemene verplichting bevat waarin is opgenomen dat de toezichthouder zakelijke gegevens en bescheiden kan vorderen van een eigenaar, bestaat er bij de Arbeidsinspectie behoefte aan een eenvoudige beboetbare bepaling betreffende het kunnen tonen van de bescheiden die bij een lift behoren. Artikel 18, derde lid, is als beboetbaar feit opgenomen in de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boetes (zie Artikel II, onderdeel B, sub 5). Door deze aanpassing worden de verplichtingen voor liften voor wat betreft het tonen van de bescheiden eensluidend gemaakt met de reeds bestaande verplichtingen voor hijskranen (Warenwetbesluit machines, artikel 6f, derde lid).

Onderdeel D

Artikel 19, derde lid, is vervallen. Het begrip «omgeving van de lift» leverde in de praktijk onduidelijkheden op. Diverse betrokkenen meenden ten onrechte dat op basis van het derde lid technische aanpassingen van in gebruik zijnde liften konden worden verlangd. Dit bleek echter in strijd met de overgangsbepalingen.

Artikel VIII (Warenwetbesluit machines)

Het Warenwetbesluit machines is ook van toepassing wanneer een machine of een veiligheidscomponent onroerend is geworden (zie in dit verband ook het gestelde in het algemeen deel van de toelichting). De aanwijzing als onroerende zaken op grond van artikel 1, onderdeel a, van de Warenwet heeft betrekking op machines en veiligheidscomponenten tot aan het moment van ingebruikneming. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan grote machines zoals productiestraten die ter plaatse worden gemonteerd en beproefd voordat overdracht aan de gebruiker plaatsvindt. Hiermee wordt duidelijk dat de voorschriften voor de fabrikant van toepassing blijven wanneer de machine een onroerende zaak is geworden totdat de machine in gebruik wordt genomen. Wanneer een machine in gebruik is genomen dan zijn hierop voor de werkgever de voorschriften van hoofdstuk 7 (Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden) van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing.

Voor hijskranen die onroerend zijn geworden geldt dat het Warenwetbesluit machines ook van toepassing is nadat deze hijskranen in gebruik zijn genomen. Dit is noodzakelijk omdat op grond van artikel 6d bepaalde hijskranen die in gebruik zijn, periodiek moeten worden gekeurd.

Artikel XI (inwerkingtreding)

Op grond van artikel 32b, tweede lid, van de Warenwet treden bepalingen waarbij bestuurlijke boetes zijn vastgesteld niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de desbetreffende algemene maatregel van bestuur is geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

TK 2002/2003, 28600 nr. 24.

XNoot
2

Richtlijn, nr. 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften (PbEG L 213); geïmplementeerd in het Warenwetbesluit liften.

XNoot
3

Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassingen van wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PbEG L 207).

XNoot
4

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26.o1.2001 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (COM 2000, 899 definitief, 2001/0004 COD).

XNoot
5

Model Administratieve Lasten: Thans 400 bedrijven die jaarlijks 15 maal gedurende 8 uur gebruik maken van externen (uurtarief € 99,75), naast 8 uur inzet van eigen personeel (uurtarief € 42,00). Hiervan gaan 30 bedrijven de eigen inspectieafdeling inzetten (15 uur per keer) en wordt alleen extern toezicht ingehuurd (0,8 uur per keer).

XNoot
6

Vijf bedrijven die nu per keuring 80 uur kwijt zijn tegen een uurtarief van € 50,00.