Besluit van 9 maart 2006, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de Commissie gelijke behandeling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 23 november 2005, nr. 5388180/05/6;

Gelet op artikel 21, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling;

De Raad van State gehoord (advies van 16 december 2005, nr. W03.05.0532/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 februari 2006, nr. 5404803/06/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Commissie: Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet;

b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

c. wet: Algemene wet gelijke behandeling;

d. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Artikel 2

  • 1. In geval van het bij de Commissie openvallen van een plaats van voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter, ander lid of plaatsvervangend lid, stelt de Commissie onderscheidenlijk de voorzitter, na overleg met de overige leden van de Commissie, een lijst van aanbeveling op van ten hoogste drie kandidaten. De Commissie onderscheidenlijk de voorzitter zendt de lijst van aanbeveling aan Onze Minister.

  • 2. Indien Onze Minister voornemens is een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie na het verstrijken van diens benoemingstermijn niet te herbenoemen, doet hij hiervan aan het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, schriftelijk mededeling.

  • 3. Indien een lid of een plaatsvervangend lid na het verstrijken van zijn benoemingstermijn niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, geeft hij hiervan zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, kennis aan Onze Minister.

  • 4. Aan een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.

Artikel 3

  • 1. Een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

  • 2. De voorzitter van de Commissie legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van de Commissie.

  • 3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of plaatsvervangend lid van de Commissie en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd.

Artikel 4

Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie afschrift van het besluit waarbij hij tot voorzitter, ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid is benoemd. Voorts doet Onze Minister aan een lid van de Commissie schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld.

Artikel 5

  • 1. Een lid van de Commissie wordt door Onze Minister aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week.

  • 2. Op zijn eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van de Commissie is aangesteld door Onze Minister worden gewijzigd.

  • 3. Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van de Commissie.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van de Commissie betreft.

Artikel 6

  • 1. Het salaris van de voorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 2. Het salaris van een ondervoorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 3. Het salaris van een ander lid van de Commissie, dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 4. Een lid van de Commissie, dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van de Commissie vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat.

Artikel 7

  • 1. De leden van de Commissie hebben, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, aanspraak op een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een ziektekostenvergoeding, een waarnemingstoelage, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een representatiekostenvergoeding en een vergoeding van verplaatsingskosten.

  • 2. Voorts ontvangen de leden van de Commissie een gratificatie ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht.

  • 3. Aan een lid of leden van de Commissie kan overeenkomstig artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 een eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend.

  • 4. Indien aan de burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de Commissie deze op gelijke voet van Onze Minister.

  • 5. De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door Onze Minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk aan een bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden door die minister onderscheidenlijk dat gezag worden uitgeoefend.

Artikel 8

  • 1. De plaatsvervangende leden van de Commissie ontvangen van Onze Minister zittingsgeld als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen die voor rechters-plaatsvervangers gelden met betrekking tot de vergoeding voor een zitting.

  • 2. De plaatsvervangende leden van de Commissie genieten een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

De voorzitter van de Commissie verdeelt de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie.

Artikel 10

De leden van de Commissie hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

  • 1. Een lid van de Commissie kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn ambt.

  • 2. Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd.

Artikel 12

  • 1. De voorzitter van de Commissie die onderscheidenlijk een ander lid van de Commissie dat wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is om werkzaamheden te verrichten, geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister onderscheidenlijk de voorzitter van de Commissie.

  • 2. Ten aanzien van de leden van de Commissie is hetgeen voor burgerlijke rijksambtenaren overigens is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Op de leden van de Commissie is de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie dat overeenkomstig artikel 16, vierde lid, van de wet ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, en dat ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Artikel 7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

  • 1. Aan een lid of een plaatsvervangend lid wordt ontslag op eigen verzoek verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het ontslagverzoek door Onze Minister is ontvangen.

  • 2. Van het bepaalde in het eerste lid kan op verzoek van het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie door Onze Minister worden afgeweken.

Artikel 14

  • 1. De bezoldiging van een lid van de Commissie wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van zijn overlijden.

  • 2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van de Commissie wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden.

Artikel 15

Ten aanzien van de leden van de Commissie is het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie, dat ten gevolge van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.

Artikel 16

Het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling wordt ingetrokken.

Artikel 17

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 18

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 9 maart 2006

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de eenentwintigste maart 2006

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Bijlage als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie gelijke behandeling

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij betrokken is of zal zijn bij een onderzoek waarbij mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een lid/plaatsvervangend lid van de Commissie gelijke behandeling betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Voor de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie gelijke behandeling (hierna: Commissie) geldt dat hun rechtspositie ten eerste wordt geregeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb). In artikel 16 van de Awgb zijn bepalingen opgenomen over benoeming, ontslag, schorsing en disciplinaire maatregelen. Bepaald wordt ten eerste dat de benoeming van de voorzitter, de twee ondervoorzitters, de zes andere leden alsmede de plaatsvervangende leden van de Commissie door de minister van Justitie, in overeenstemming met de andere betrokken bewindslieden, geschiedt (artikel 16, derde lid). Benoeming als voorzitter of ondervoorzitter kan slechts plaatsvinden indien een betrokkene voldoet aan de bij of krachtens artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) gestelde benoemingsvereisten (artikel 16, tweede lid); dat houdt met name in dat op basis van een juridische universitaire opleiding het recht om de titel meester te voeren moet zijn verkregen dan wel de graden van bachelor en master in het recht moeten zijn verleend. Benoeming van leden en plaatsvervangende leden geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar, met de mogelijkheid van herbenoeming (artikel 16, vijfde lid). Ten tweede is voor de leden en plaatsvervangende leden van de Commissie met betrekking tot ontslag, schorsing en disciplinaire maatregelen de regeling die aangaande deze onderwerpen voor (met name) rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in de Wrra is opgenomen, enige uitzonderingen daargelaten, van overeenkomstige toepassing verklaard (artikel 16, vierde lid). Hierin komt de onafhankelijke positie van de Commissie en haar (plaatsvervangende) leden tot uitdrukking. Uitzonderingen op voormelde overeenkomstige toepasselijkheid zijn bijvoorbeeld dat ontslag op eigen verzoek door de minister wordt verleend (artikel 16, vijfde lid) en dat de disciplinaire maatregel van schriftelijke waarschuwing door de voorzitter van de Commissie wordt opgelegd. Tenslotte wordt in artikel 21, tweede en derde lid, van de Awgb bepaald dat de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie bezoldiging onderscheidenlijk zittingsgeld alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten genieten.

Daarnaast bevat de Awgb in artikel 21 een grondslag om de rechtspositie van de leden van de Commissie nader te regelen bij algemene maatregel van bestuur. Tot 1 november 2005 was het op grond van artikel 21, tweede lid, van de Awgb slechts mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de bezoldiging, de vergoeding van reis- en verblijfkosten, verdere vergoedingen en het recht op wachtgeld na het verstrijken van de benoemingsduur. Deze regels waren tot nu toe opgenomen in het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling. Vanwege de Wet van 15 september 2005 tot wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling en enkele andere wetten naar aanleiding van onderdelen van de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen en artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Evaluatiewet Awgb) (Stb. 516) is de delegatiegrondslag in artikel 21, tweede lid, van de Awgb echter verruimd. Bepaald wordt thans dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels over de rechtspositie van de leden van de Commissie worden gesteld, met dien verstande dat deze regels in elk geval betrekking dienen te hebben op enkele specifiek genoemde onderwerpen (bezoldiging, aanstelling, etc.). Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de Commissie om de regeling van de rechtspositie van haar leden uitgebreider te kunnen laten zijn dan tot nu toe het geval is geweest. Van belang is voorts geacht dat de rechtspositieregeling voor de leden van de Commissie zo veel mogelijk aansluit bij die voor leden van vergelijkbare colleges, meer in het bijzonder het College bescherming persoonsgegevens (Kamerstukken II 2003/04, 29 311, nr. 3). Daarbij is erop gewezen dat in dit verband het College bescherming persoonsgegevens onder meer vergelijkbaar is met de Commissie, omdat het in beide gevallen een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan betreft, dat toezicht houdt op de naleving van wetgeving die gezien kan worden als uitwerking van een grondrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 311, nr. 5).

Dit besluit bevat de in artikel 21 van de Awgb bedoelde nadere regels over de rechtspositie van de leden van de Commissie. Deze nadere regels hebben betrekking op de volgende rechtspositionele onderwerpen: benoeming (artikel 2), beëdiging (artikel 3), mededeling van gegevens (artikel 4), aanstelling (artikel 5), salaris (artikel 6), overige vergoedingen (artikel 7), zittingsgeld (artikel 8), werkverdeling (artikel 9), vakantie en verlof (artikel 10), woonverplichting (artikel 11), voorzieningen in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid (artikel 12), ontslag op eigen verzoek (artikel 13), uitkering bij overlijden (artikel 14), en voorzieningen in geval van werkloosheid (artikel 15). Onderkend wordt dat in dit besluit derhalve niet alle in artikel 21, tweede lid, van de Awgb uitdrukkelijk genoemde onderwerpen regeling vinden. Voor enkele van die onderwerpen geldt namelijk dat hiervoor in de Awgb reeds een afdoende regeling is opgenomen (bv. disciplinaire maatregelen) of bij nader inzien vooralsnog geen reden bestaat om hierover enige regelgeving tot stand te brengen (bv. loopbaanvorming). In verband hiermee is overigens inmiddels een voorstel tot wijziging van artikel 21, tweede lid, van de Awgb, in voorbereiding.

Voor bijvoorbeeld de leden van het College bescherming persoonsgegevens geldt dat al langere tijd bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een ruimere regeling van de rechtspositie dan voor de leden van de Commissie tot nu toe (in het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling) het geval is geweest. Hierboven is al gewezen op de vergelijkbaarheid van de Commissie en het College bescherming persoonsgegevens en op het belang van afstemming van de voor de leden van deze organen geldende rechtspositieregelingen. Met het oog hierop is zowel bij de keuze van de in dit besluit te regelen onderwerpen als voor de inhoud van dit besluit in belangrijke mate aansluiting gezocht bij het bepaalde in het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Daarnaast is echter op enkele onderdelen om uiteenlopende redenen reden gezien voor een regeling die verschilt van die in laatstbedoeld besluit; in de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan. Voor verschillende onderwerpen (bijv. vakantie, vergoedingen, voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid) wordt in dit besluit ten aanzien van de leden van de Commissie, net als voor de leden van het College bescherming persoonsgegevens, de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende regeling van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit heeft onder meer als voordeel dat hun rechtspositie op verschillende onderdelen overeenkomt met die van de ambtenaren die werkzaam zijn bij het bureau van de Commissie.

Door de Commissie is ingestemd met het onderhavige besluit.

De aan dit besluit verbonden kosten worden opgevangen binnen de voor de Commissie gelijke behandeling beschikbare arbeidsvoorwaardengelden.

Uit dit besluit vloeien geen administratieve lasten voor de burger of het bedrijfsleven voort. Het brengt alleen wijzigingen aan in de regeling van de rechtspositie van de leden en plaatsvervangende leden van de Commissie. Het besluit is ter toetsing aan Actal voorgelegd. Actal heeft het ontwerp-besluit als hamerstuk afgedaan.

2. Artikelsgewijs

Artikel 1

Dit artikel bevat enkele definitiebepalingen. Voor de definitie van «burgerlijke rijksambtenaren» is aangesloten bij artikel 1 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 2

Dit artikel bevat enkele bepalingen met betrekking tot de aan benoeming van een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie voorafgaande procedure. In het eerste lid wordt geregeld dat bij het zich voordoen van een vacature telkens een lijst van aanbeveling van ten hoogste drie kandidaten aan de Minister wordt uitgebracht. Dit stelt de minister in de gelegenheid om in elk geval kennis te nemen van de voorkeur van de (voorzitter van de) Commissie zelf voor een of meerdere kandidaten, alvorens hij in overeenstemming met de andere betrokken bewindslieden tot benoeming van iemand als (plaatsvervangend) lid beslist. De lijst van aanbeveling wordt opgesteld door de voorzitter van de Commissie, na overleg met de overige leden van de Commissie. Dit ligt alleen anders als het de vacature van voorzitter betreft; het opstellen van de lijst geschiedt dan door de voltallige Commissie. Het wordt aan de Commissie overgelaten om te bepalen hoe een lijst van aanbeveling in een dergelijke situatie tot stand komt.

De inhoud van het tweede en derde lid is in belangrijke mate ontleend aan die van artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Voor het bepaalde in het tweede lid is, net als voor artikel 3, eerste lid, van dat laatstgenoemde besluit, reden gezien in verband met het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht; uit een oogpunt van behoorlijk bestuur wordt het wenselijk geacht dat een (plaatsvervangend) lid van de Commissie er tijdig kennis van draagt dat de minister niet voornemens is hem te herbenoemen. In het derde lid wordt daarnaast geregeld dat een (plaatsvervangend) lid, dat niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, de minister hiervan ook tijdig op de hoogte stelt. In beide gevallen geldt een termijn van ten minste drie maanden voor het verstrijken van de benoemingsduur. Daarbij is ook rekening gehouden met de haalbaarheid hiervan in het kader van de aan een benoeming voorafgaande procedure. Aan het niet in acht nemen van de in het tweede en derde lid bedoelde termijn zijn overigens geen rechtsgevolgen verbonden.

Het vierde lid tenslotte vormt een vertaling van artikel 3, derde lid, van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Het hierin bepaalde is met name ook van belang in verband met de aanspraken op een werkloosheidsuitkering na het verstrijken van de benoemingsduur; zie ook artikel 15 van dit besluit.

Artikel 3

In dit artikel is vastgelegd dat de (plaatsvervangende) leden van de Commissie voorafgaand aan hun indiensttreding de eed of belofte moeten afleggen. De tekst daarvan is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. De (plaatsvervangende) leden leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van de Commissie. Enige uitzondering hierop is de voorzitter zelf, die de eed of belofte ten overstaan van de minister aflegt.

Artikel 4

De inhoud van dit artikel komt overeen met die van artikel 2 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens, met dien verstande dat de formulering op enkele punten is aangepast aan de thans in bijvoorbeeld het Algemeen Rijksambtenarenreglement gehanteerde terminologie.

Artikel 5

Dit artikel regelt dat de leden van de Commissie worden aangesteld voor een bepaalde arbeidsduur, met dien verstande dat de arbeidsduur ten hoogste gemiddeld 36 uren per week kan bedragen (eerste lid). Voor de plaatsvervangende leden van de Commissie geldt dat zij, net als bijvoorbeeld rechters-plaatsvervangers, niet op basis van een aanstelling werkzaam zijn. De arbeidsduur waarvoor een lid is aangesteld kan op diens eigen verzoek worden gewijzigd (tweede lid). Op een dergelijk verzoek wordt door de minister pas beslist nadat hij hierover het advies van de voorzitter van de Commissie heeft ingewonnen (derde lid), dit met het oog op de beoordeling of er al dan niet sprake is van een zwaarwegend dienstbelang dat zich tegen inwilliging van het verzoek om wijziging van de arbeidsduur verzet.

Artikel 6

Dit artikel betreft de toekenning van het salaris aan de leden van de Commissie. De inhoud van het eerste tot en met derde lid, waarin voor de voorzitter, de ondervoorzitters en de overige leden van de Commissie wordt vastgesteld wat hun salaris is, komt overeen met die van het voormalige artikel 2, eerste tot en met derde lid, van het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling. Het vierde lid bepaalt dat het salaris van de leden van de Commissie, die voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week zijn aangesteld, een evenredig deel bedraagt van het voor hun functie ingevolge de eerste drie leden vastgestelde voltijdse salaris. Berekening geschiedt aan de hand van de zogenaamde arbeidsduurfactor; voor bijvoorbeeld burgerlijke rijksambtenaren is dit eveneens het geval. Deze arbeidsduurfactor is overigens niet alleen van belang voor het vaststellen van het salaris, maar ook voor bijvoorbeeld de berekening van het aantal vakantiedagen; zie artikel 10 van dit besluit.

Artikel 7

Dit artikel verklaart ten aanzien van de leden van de Commissie de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende regeling van verschillende vergoedingen van overeenkomstige toepassing. Hierbij gaat het onder meer om de eindejaarsuitkering, de vakantie-uitkering, de gratificatie bij een ambtsjubileum, de waarnemingstoelage en de vergoeding van reis- en verblijfkosten. Hetzelfde was voor het merendeel van deze uitkeringen ook al geregeld in het voormalige artikel 3 van het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling. Op verzoek van de Commissie wordt nu ook ten aanzien van de waarnemingstoelage en de representatiekostenvergoeding de regeling voor burgerlijke rijksambtenaren van overeenkomstige toepassing verklaard. Ook voor de leden van het College bescherming persoonsgegevens is een en ander op deze wijze geregeld; zie artikel 5 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Ingevolge het derde lid kunnen leden van de Commissie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, in aanmerking komen voor een eenmalige of periodieke toeslag. Het vijfde lid bepaalt dat de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot voormelde uitkeringen ten aanzien van de leden van de Commissie, enkele uitzonderingen daargelaten, door de minister geschiedt, dit met het oog op de aan hem in dit verband toekomende beheersverantwoordelijkheid.

Artikel 8

Voor de plaatsvervangende leden van de Commissie geldt dat zij voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de zittingsvergoeding voor rechters-plaatsvervangers (eerste lid). Daarnaast ontvangen zij een reis- en verblijfkostenvergoeding overeenkomstig de bepalingen die hieromtrent voor burgerlijke rijksambtenaren gelden (tweede lid). Het eerste en tweede lid zijn ontleend aan het voormalige artikel 4, tweede en vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling.

Artikel 9

Dit artikel regelt dat de voorzitter van de Commissie degene is die de werkzaamheden van de (plaatsvervangende) leden van de Commissie verdeelt.

Artikelen 10 en 12

Ook met betrekking tot de onderwerpen vakantie, verlof, bedrijfsgeneeskundige begeleiding en voorzieningen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid is ten aanzien van de leden van de Commissie de voor burgerlijke rijksambtenaren geldende regeling van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor de leden van het College bescherming persoonsgegevens geldt hetzelfde; zie artikel 8 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Ten aanzien van de bevoegdheden met betrekking tot de in deze artikelen geregelde onderwerpen wordt bepaald dat uitoefening hiervan, enkele uitzonderingen daargelaten, door de minister geschiedt, dit met het oog op de hem in dit verband toekomende beheersverantwoordelijkheid en de omstandigheid dat het in veel gevallen gaat om bevoegdheden waarvan de uitoefening financiële consequenties heeft. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat de minister in de praktijk ook altijd degene is die daadwerkelijk beslist; het is voorstelbaar dat ervoor wordt gekozen om bijvoorbeeld met betrekking tot bepaalde bevoegdheden terzake van vakantie en bedrijfsgeneeskundige begeleiding mandaat te verlenen aan de voorzitter van de Commissie. Voor gevallen van verhindering wegens ziekte of andere redenen wordt in artikel 12, eerste lid, wel benadrukt dat dit aan de voorzitter dient te geschieden, tenzij het de voorzitter zelf betreft; hiermee wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 9 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens.

Artikel 11

Dit artikel bevat de mogelijkheid om een lid van de Commissie te verplichten te gaan of blijven wonen in of nabij de gemeente waar hij zijn ambt dient te vervullen. Hetzelfde is geregeld in artikel 7 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens.

Artikel 13

In artikel 16, vijfde lid, van de Awgb is geregeld dat ontslag op eigen verzoek van een (plaatsvervangend) lid door de minister van Justitie geschiedt. Dit artikel behelst enkele nadere bepalingen hieromtrent, meer in het bijzonder omtrent de termijn met ingang waarvan een dergelijk ontslag wordt verleend. Bepaald wordt dat die termijn ten minste een maand en ten hoogste drie maanden bedraagt (eerste lid) en eventueel, op verzoek van de betrokkene, korter dan een maand (of langer dan drie maanden) (tweede lid). Voor de duur van deze termijn is aangesloten bij datgene wat voor burgerlijke rijksambtenaren terzake geldt. Met de in dit artikel opgenomen bepalingen wordt bereikt dat de minister in beginsel voldoende tijd wordt gegund om de opvolging van een vertrekkend lid procedureel in gang te zetten; daarnaast is er gelegenheid om rekening te houden met wensen van leden met betrekking tot hun voortijdig vertrek.

Artikel 14

De inhoud van dit artikel komt overeen met die van artikel 13 van het Besluit rechtspositie leden College bescherming persoonsgegevens. Ook in het voormalige Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling was geregeld dat uitbetaling van bezoldiging eindigt in geval van overlijden. In dit artikel wordt nu bovendien de aanspraak van de nabestaande(n) van een lid van de Commissie op een overlijdensuitkering geregeld.

Artikel 15

Voor de leden van de Commissie geldt dat zij in geval van werkloosheid in beginsel aanspraak hebben op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Dit artikel strekt ertoe om voor deze leden te regelen dat zij, hoewel zij voor een periode van zes jaar en derhalve niet voor onbepaalde tijd worden benoemd, ook in aanmerking kunnen komen voor een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Hiervoor is reden gezien vanwege het bijzondere karakter van de tijdelijkheid van hun benoeming, die niet door de tijdelijkheid van de werkzaamheden of de functie is ingegeven, maar waaraan overwegingen als afwisseling in de bezetting van de Commissie ten grondslag liggen. In dit geval is, met het oog op het bepaalde in artikel 16, vierde lid, van de Awgb, de voor rechterlijke ambtenaren geldende regeling van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering komt een lid van de Commissie, vanwege artikel 2, vierde lid, van dit besluit, niet alleen bij tussentijds ontslag, maar ook in geval van niet-herbenoeming in aanmerking.

Artikel 16

Aangezien de onderwerpen die tot dusverre voor de leden van de Commissie regeling vonden in het Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling nu ook in het onderhavige besluit worden geregeld, kan eerstgenoemd besluit komen te vervallen.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 april 2006, nr. 72.

Naar boven