Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2005, 701Wet

Wet van 22 december 2005 tot aanpassing van de wetgeving aan en invoering van de wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en in verband daarmee de wetgeving aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 287 lid 2 van Boek 3 komt te luiden:

  • 2. De schuldeiser kan zijn vordering verhalen op de vordering waarop het voorrecht rust, zonder dat hem andere rechten van derden op deze laatste vordering dan het ingevolge artikel 7.17.1.11 lid 2 van Boek 7 aan de tussenpersoon toekomende recht op afdracht, kunnen worden tegengeworpen.

B

De derde zin van artikel 128 van Boek 4 komt te luiden:

Hetgeen met betrekking tot legatarissen is bepaald in de artikelen 216 en 220 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als bedoeld in artikel 126 leden 1 en 2, onder c, alsmede, voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is, door een handeling als bedoeld in artikel 126 lid 2, onder b.

C

In artikel 197 lid 2 onder a van Boek 6 wordt «artikel 284 van het Wetboek van Koophandel» vervangen door: artikel 7.17.2.25 van Boek 7.

D

Boek 7 wordt als volgt gewijzigd:

Na titel 15 worden ingevoegd de titels 17 en 18, zoals vastgesteld bij de wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 700) en gewijzigd bij de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte, en deze wet.

E

De eerste en tweede afdeling van de zestiende titel van Boek 7A vervallen.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Koophandel wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 70 komt te luiden:

Artikel 70

De artikelen 68, 68b en 69 zijn van overeenkomstige toepassing op de vennootschap en de rechtspersoon die bemiddeling door middel van tussenpersonen tot bedrijf hebben.

B

De negende en tiende titel van het eerste boek vervallen.

C

De negende, tiende, elfde en twaalfde titel van het tweede boek vervallen.

D

De elfde afdeling van de dertiende titel van het tweede boek vervalt.

ARTIKEL III

In artikel 2, onderdeel b, van de Wet op de kansspelen worden de woorden «kansovereenkomsten van levensverzekering» vervangen door: levensverzekeringen.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken I 2002/03, 19 529, nr. 206), tot wet is verheven en in werking is getreden, worden in die wet de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 7.17.1.9 komt te luiden:

Artikel 7.17.1.9

  • 1. Alle mededelingen waartoe de bepalingen van deze titel of de overeenkomst de verzekeraar aanleiding geven, geschieden schriftelijk. De verzekeraar kan zich daarbij houden aan de laatste hem bekende woonplaats van de geadresseerde.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen van lid 1 afwijkende regels worden gesteld ten aanzien van de verzending van mededelingen langs elektronische weg.

  • 3. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

2. Na artikel 7.17.1.11 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7.17.1.11a

De verzekeraar die een uitkering doet aan de tussenpersoon, is jegens de tot uitkering gerechtigde gekweten voorzover hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde verschuldigd is aan deze laatste is voldaan, doch in ieder geval voorzover de tot uitkering gerechtigde door de betaling aan de tussenpersoon is gebaat.

3. Aan het slot van artikel 7.17.1.13 lid 3 worden twee zinnen toegevoegd, luidende: Indien een verzekering dekking biedt tegen schade veroorzaakt door risico’s als bedoeld in artikel 64 lid 2 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, kan, bij de verwezenlijking van een dergelijk risico of bij een dreiging van het ophanden zijn daarvan, de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer in afwijking van deze termijn van twee maanden, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van zeven dagen opzeggen. De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd.

4. Artikel 7.17.1.15 lid 2, tweede zin, komt te luiden:

Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.

5. Artikel 7.17.1.16 wordt als volgt gewijzigd:

a. In lid 2 wordt «13 leden 1, 2, 3 en 5» vervangen door: 11a, 13 leden 1, 3 en 5.

b. In lid 3 wordt «13 lid 4» vervangen door: 13 leden 2 en 4.

6. Artikel 7.17.2.5 lid 1 komt te luiden:

  • 1. Bij overdracht van een zaak of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, gaan de rechten en verplichtingen uit de verzekering die het belang van de vervreemder bij het behoud van de zaak dekt, met het risico op de verkrijger over, ook indien het risico al voor de overdracht overgaat. Hetzelfde geldt voor bijkomstige verzekeringen die bij diezelfde overeenkomst tot stand zijn gekomen. Geen overgang vindt plaats indien zulks voortvloeit uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen of uit een verklaring van de nieuwe belanghebbende aan de verzekeraar.

7. Artikel 7.17.2.5b komt te luiden:

Artikel 7.17.2.5b

Indien de verzekeringnemer overlijdt, kunnen zijn erfgenamen en de verzekeraar de overeenkomst binnen negen maanden nadat zij met dit overlijden bekend zijn geworden met inachtneming van een termijn van een maand opzeggen.

8. Aan het slot van artikel 7.17.2.9c lid 5 wordt een zin toegevoegd, luidende:

De betaling aan de benadeelden kan worden opgeschort voorzover in verband met het in de eerste zin bepaalde op redelijke gronden kan worden betwijfeld welk bedrag dient te worden voldaan.

9. In onderdeel a van lid 3 van artikel 7.17.3.4 wordt «artikelen 4.4.7.2, 4.4.7.3 lid 2 en 4.4.7.4 lid 2» vervangen door: artikelen 178, 179 lid 2 en 180 lid 2 van Boek 4.

10. In 7.17.3.6c lid 3 wordt «Boek 6» vervangen door: Boek 3.

11. In artikel 7.17.3.9a, derde zin, wordt «faillissement van de verzekeringnemer» vervangen door: het faillissement van of de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de verzekeringnemer.

12. Aan het slot van artikel 7.17.3.12a lid 1 wordt een zin toegevoegd, luidende:

De eerste zin staat niet in de weg aan een beding dat de verzekering eindigt of door de verzekeraar kan worden opgezegd, indien zij als gevolg van in de overeenkomst voorziene verrekening van premie, bedongen rente en kosten niet langer premievrije waarde of afkoopwaarde heeft.

13. Aan het slot van artikel 7.17.3.17 lid 3 wordt een zin toegevoegd, luidende:

In het geval, bedoeld in de eerste zin, stelt de verzekeraar ook de beslaglegger in kennis, tenzij nog geen verklaring als bedoeld in artikel 476a, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gedaan.

14. In artikel 7.17.3.25 lid 3 worden de woorden «of de pandhouder» vervangen door: , de pandhouder of de beslaglegger.

B

Artikel III, onderdeel E, wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 479m, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt het woord «nalatenschap» vervangen door: rechtverkrijgenden.

C

Artikel IV, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

In het ingevolge onderdeel c toe te voegen vijfde lid van artikel 295a van de Faillissementswet wordt in de eerste zin «het faillissement» vervangen door: de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

ARTIKEL V

De Pensioen- en spaarfondsenwet wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 35 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36

  • 1. De artikelen 7.17.1.5, 7.17.1.10a, eerste lid, 7.17.1.11, tweede tot en met zesde lid, 7.17.1.14 vijfde lid, 7.17.3.6a, 7.17.3.7d, 7.17.3.12a, tweede lid, 7.17.3.13, 7.17.3.14, 7.17.3.15 en 7.17.3.17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een toezegging omtrent pensioen als bedoeld in deze wet, alsmede op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een pensioenvoorziening, een deelneming in een pensioenfonds of pensioenregeling of een regeling die op grond van deze wet gelijkgesteld is met een toezegging omtrent pensioen.

  • 2. Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van artikel 7.17.1.6, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een persoon aan wie een toezegging omtrent pensioen is gedaan of door een persoon voor wie een pensioenvoorziening, deelneming of regeling geldt die op grond van deze wet daarmee gelijkgesteld is, niet is voldaan aan de in artikel 7.17.1.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het pensioenfonds of de verzekeraar een recht van verhaal op de werkgever.

  • 3. Een beding als bedoeld in artikel 7.17.1.14, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in strijd zijn met het bij of krachtens deze wet bepaalde, blijven die bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.

ARTIKEL VI

De Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 32 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33

  • 1. De artikelen 7.17.1.5, 7.17.1.10a, eerste lid, 7.17.1.11, tweede tot en met zesde lid, 7.17.1.14, vijfde lid, 7.17.3.6a, 7.17.3.7d, 7.17.3.12a, tweede lid, 7.17.3.13, 7.17.3.14, 7.17.3.15, tweede lid en 7.17.3.17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van deze wet.

  • 2. Het verminderen of vervallen van een uitkering uit hoofde van een pensioenafspraak of een pensioenrecht op grond van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van artikel 7.17.1.6, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een deelnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, niet is voldaan aan de in artikel 7.17.1.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het beroepspensioenfonds of de verzekeraar een recht van verhaal op de werkgever.

  • 3. Een beding als bedoeld in artikel 7.17.1.14, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek strijden met het bij of krachtens deze wet bepaalde blijven die bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.

    Indien het bij koninklijke boodschap van 19 maart 2003 ingediende voorstel van wet voor een nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet verplichte beroepspensioenregeling) (Kamerstukken II 2003/04, 29 481) tot wet is verheven en in werking is getreden, komt artikel VI als volgt te luiden:

ARTIKEL VI

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 67 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 67a. Verhouding tot titel 7.17 en titel 7.18 van het Burgerlijk Wetboek

  • 1. De artikelen 7.17.1.5, 7.17.1.10a, eerste lid, 7.17.1.11, tweede tot en met zesde lid, 7.17.1.14, vijfde lid, 7.17.3.6a, 7.17.3.7d, 7.17.3.12a, tweede lid, 7.17.3.13, 7.17.3.14, 7.17.3.15, tweede lid en 7.17.3.17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van deze wet.

  • 2. Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van artikel 7.17.1.6, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een deelnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, niet is voldaan aan de in artikel 7.17.1.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het beroepspensioenfonds of de verzekeraar een recht van verhaal op de beroepspensioenvereniging of de werkgever.

  • 3. Een beding als bedoeld in artikel 7.17.1.14, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek strijden met deze wet blijven die bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.

ARTIKEL VII

In artikel 3 van de Zee- en luchtvaartverzekeringswet 1939 wordt «artikel 284 van het Wetboek van Koophandel» telkens vervangen door: artikel 7.17.2.25 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL VIII

Na artikel 220 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 221

  • 1. De artikelen 7.17.1.4, 7.17.1.6a, 7.17.2.5b, 7.17.2.9, 7.17.2.25a leden 5 en 6 en 7.17.3.4 lid 4 van Boek 7 zijn niet van toepassing op overeenkomsten van verzekering die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten. Indien de voorwaarden van de overeenkomst door de verzekeraar met het oog op het in werking treden van de wet dan wel op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gewijzigd, is het in de eerste zin bepaalde voor de leden 5 en 6 van artikel 7.17.2.25a van Boek 7 niet van toepassing op nadien genomen maatregelen als bedoeld in artikel 7.17.2.18.

  • 2. De artikelen 7.17.1.5 en 7.17.1.6 van Boek 7 zijn niet van toepassing op overeenkomsten van verzekering die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten, indien de verzekeraar zich tegenover de verzekerde binnen een jaar nadat dit tijdstip is verstreken erop beroept dat aan de mededelingsplicht van artikel 251 van het Wetboek van Koophandel niet is voldaan.

  • 3. De artikelen 7.17.1.10a, 7.17.1.11 leden 2 tot en met 6 en 7.17.1.11a van Boek 7 zijn niet van toepassing met betrekking tot een uitkering die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet verschuldigd is geworden.

  • 4. Artikel 7.17.1.13 lid 1 onderscheidenlijk lid 2 van Boek 7 is van toepassing indien een periode als in die leden bedoeld eindigt na het tijdstip van het in werking treden van de wet.

  • 5. Artikel 7.17.2.5 van Boek 7 is niet van toepassing indien een overgang van het risico vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet heeft plaatsgevonden.

  • 6. Artikel 7.17.2.9c van Boek 7 is niet van toepassing voorzover een uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is voldaan.

  • 7. Ter zake van schade die door meer dan een verzekering wordt gedekt kan de verzekeraar wiens verzekering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is gesloten niet op de voet van artikel 7.17.2.24a lid 1, eerste zin, van Boek 7 worden aangesproken dan voorzover zulks ook op grond van het tevoren geldende recht mogelijk was geweest. De eerste zin lijdt uitzondering indien de voorwaarden van de overeenkomst door de verzekeraar met het oog op het in werking treden van de wet dan wel op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gewijzigd, doch slechts voorzover het risico zich nadien heeft verwezenlijkt.

  • 8. Artikel 7.17.2.25 lid 3 van Boek 7 is niet van toepassing indien het risico zich vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet heeft verwezenlijkt.

  • 9. Op verzekeringen tegen gevaren van brand die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten, blijft het tevoren geldende artikel 293 van het Wetboek van Koophandel ook na dit tijdstip van toepassing.

Artikel 222

Artikel 7.18.2 lid 1 van Boek 7 is niet van toepassing indien een uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet opeisbaar is geworden.

ARTIKEL IX

Op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelegd beslag op de rechten uit een sommenverzekering, een voor dat tijdstip uitgesproken faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de artikelen III en IV van de wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Stb. 700) niet van toepassing en blijft het tevoren geldende recht ook na dit tijdstip van toepassing.

ARTIKEL X

  • 1. Onze Minister van Justitie stelt de nummering van de artikelen van het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken I 2002/03, 19 529, nr. 206), nadat het tot wet is verheven en in werking is getreden, en deze wet, opnieuw vast, en brengt in die wetten voorkomende aanhalingen met die nummering in overeenstemming.

  • 2. Hij draagt ervoor zorg dat de overeenkomstig lid 1 bijgewerkte teksten van die wetten in het Staatsblad worden geplaatst.

ARTIKEL XI

Deze wet, alsmede het bij koninklijke boodschap van 16 mei 1986 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken I 2002/03, 19 529, nr. 206), nadat het tot wet is verheven, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL XII

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 22 december 2005

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de achtentwintigste december 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XHistnoot

Kamerstuk 30 137