Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2005, 642AMvB

Besluit van 1 december 2005, houdende nadere voorschriften in verband met samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 oktober 2005, nr. WJZ/2005/44254 (3800), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 25a, vierde lid, 29 en 106, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 9 november 2005, nr. W05.05.0464/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 november 2005, nr. WJZ2005/48453 (3800), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. WVO: Wet op het voortgezet onderwijs;

b. WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;

c. school: een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de WVO;

d. instelling: een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de WEB;

e. VAVO: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de WEB.

Artikel 2. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene ook onderwijs te kunnen ontvangen aan een andere school of aan een instelling

  • 1. Het bevoegd gezag van een school kan de volgende leerlingen in de gelegenheid stellen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, ook onderwijs te ontvangen dat een school van een ander bevoegd gezag of een instelling verzorgt:

    a. voor het in artikel 25a, tweede lid onder a, van de WVO bedoelde doel, leerlingen die het derde of het vierde leerjaar van het voorbereidend beroepsonderwijs of het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs volgen en naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder ten minste een diploma van een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB;

    b. voor het in artikel 25a, tweede lid, onderdeel b, van de WVO bedoelde doel, leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om vervolgonderwijs met gunstig resultaat te volgen door extra verrijking, verdieping en oriëntatie naast hun reguliere opleiding, of door onderdelen van beroepsopleidingen of opleidingen educatie als bedoeld in de WEB te volgen, naast hun opleiding in het voortgezet onderwijs;

    c. voor het in artikel 25a, tweede lid, onderdeel c, van de WVO bedoelde doel, iedere leerling.

  • 2. Een leerling als bedoeld in het eerste lid volgt per leerjaar voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren per schooljaar die blijkens het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de WVO, worden besteed aan het volgen van lessen of stages, aan de andere school of aan de instelling. Toepassing van het eerste lid leidt er niet toe dat het bevoegd gezag zelf uitsluitend nog de stage van die leerling verzorgt.

  • 3. Indien het betreft het verzorgen van vakken of programma-onderdelen als bedoeld in artikel 10b, zesde of zevende lid, of artikel 10d, zesde of zevende lid, van de WVO, kan het bevoegd gezag van de school op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 25a, derde lid, van de WVO of een regeling als bedoeld in artikel 25a, vijfde lid, van de WVO afwijken van het tweede lid.

Artikel 3. Voorwaarden om als VO-ingeschrevene deel te kunnen nemen aan een opleiding VAVO

  • 1. Het bevoegd gezag van een school kan de volgende leerlingen in de gelegenheid stellen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, deel te nemen aan een opleiding VAVO en die opleiding met een examen af te sluiten:

    a. leerlingen van 16 of 17 jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om een diploma te behalen indien zij VAVO volgen in plaats van voortgezet onderwijs;

    b. leerlingen van 18 jaar of ouder die ononderbroken in het voortgezet onderwijs of daarmee op grond van de Leerplichtwet 1969 gelijkgesteld onderwijs ingeschreven zijn geweest zonder een eindexamen als bedoeld in artikel 29 van de WVO af te hebben gelegd, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om een diploma te behalen indien zij VAVO volgen in plaats van voortgezet onderwijs;

    c. leerlingen die zijn afgewezen voor een eindexamen als bedoeld in artikel 29 van de WVO, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben om een diploma te behalen indien zij aansluitend voor een of meer vakken VAVO volgen in plaats van voortgezet onderwijs.

  • 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, vindt ten aanzien van de daar bedoelde leerlingen toepassing voor ten hoogste de periode van de resterende cursusduur van de opleiding, vermeerderd met een jaar.

  • 3. Het eerste lid, aanhef en onder c, vindt ten aanzien van de daar bedoelde leerlingen toepassing voor ten hoogste een jaar.

Artikel 4. Overdracht VO-bekostiging aan een andere school of aan een instelling

Overdracht van een deel van de bekostiging met toepassing van artikel 96s van de WVO is uitsluitend mogelijk voor een leerling:

a. ten aanzien van wie na 1 oktober van het schooljaar blijkt dat deze is aangewezen op onderwijs aan een andere school of aan een instelling,

b. die in verband daarmee in dat schooljaar wordt uitgeschreven aan de school, en

c. die aansluitend in dat schooljaar wordt ingeschreven als leerling aan een andere school of als deelnemer aan een instelling.

Artikel 5. Afwijking van de WVO

In afwijking van artikel 33, eerste lid, van de WVO kan onderwijs ook worden verzorgd door docenten van de instelling waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 25a, derde lid, van de WVO.

Artikel 6. Leerling geldt voor toepassing WMO 1992 ook als WEB-deelnemer

Voor de toepassing van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 gelden leerlingen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 ten aanzien van het onderwijs dat zij volgen aan een instelling tevens als deelnemer in de zin van de WEB.

Artikel 7. Wijziging Bekostigingsbesluit W.V.O.

Het Bekostigingsbesluit W.V.O. wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7a, tweede lid, wordt «onverminderd artikel 7» vervangen door: onverminderd de artikelen 7 en 7b.

B

Na artikel 7a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7b. Leerlingen binnen samenwerkingsovereenkomst VO-BVE

  • 1. Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het Besluit samenwerking VO-BVE worden aangemerkt als leerlingen die op de teldatum als werkelijk schoolgaand zijn ingeschreven, als bedoeld in artikel 7, eerste lid. Het bepaalde in artikel 7, eerste en tweede lid, over verzuim is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, tellen leerlingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit samenwerking VO-BVE op de teldatum voor 50% mee.

Artikel 8. Wijziging Inrichtingsbesluit W.V.O.

Paragraaf 4 van hoofdstuk 3 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. vervalt.

Artikel 9. Wijziging Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

In artikel 8, eerste lid, derde volzin, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. wordt de zinsnede «artikel 27 van het Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: artikel 2, derde lid, van het Besluit samenwerking VO-BVE.

Artikel 10. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel 9, in werking met ingang van het tijdstip waarop de Wet van 8 september 2005, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs om meer ruimte te scheppen voor samenwerking tussen in die wetten geregelde onderwijsinstellingen (Stb. 512) in werking treedt.

  • 2. Artikel 9 treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 11. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit samenwerking VO-BVE.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 1 december 2005

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Uitgegeven de twintigste december 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

1. Grondslagen en achtergronden van het besluit

Dit besluit bevat uitvoeringsvoorschriften over samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs (VO) onderling, en tussen scholen voor VO en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs (BVE-instellingen).

Het besluit geeft allereerst uitvoering aan de opdracht in artikel 25a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) om nader te regelen voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag van een VO-school leerlingen die bij die school zijn ingeschreven, ook onderwijs kan laten ontvangen aan een andere VO-school of aan een BVE- instelling.

Ook is in dit besluit, in beperkte mate, gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uitvoeringsvoorschriften vast te stellen op grond van artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de WVO.

Tot slot berust dit besluit ook op artikel 106 WVO voor zover het gaat om beperkende regels over de mogelijkheid tot overdracht van bekostiging van een VO- school naar een BVE-instelling.

De grondslag van dit besluit in artikel 25a van de WVO is overigens zo geformuleerd, dat desgewenst samenwerking tussen VO-scholen onderling, en tussen VO-scholen en BVE-instellingen, in de toekomst in ook nog andere gevallen/situaties mogelijk kan worden gemaakt dan nu wordt voorzien.

Het besluit regelt niet meer dan het hoogst noodzakelijke. De scholen en instellingen zullen zich aan een aantal kaderstellende voorschriften moeten houden, en daarbinnen zijn vorm en omvang van de samenwerking zoveel mogelijk aan de samenwerkende scholen en instellingen zelf overgelaten. VO-scholen krijgen zo meer ruimte voor maatwerk in het belang van hun leerlingen, en voor een grotere doelmatigheid van hun onderwijs.

De regering is zich er van bewust dat dit besluit, hoewel het niet omvangrijk is, complex oogt. Een eenvoudiger oplossing dan zoals neergelegd in dit besluit is op dit moment niet voorhanden: ruimere mogelijkheden voor maatwerk en vergroting van doelmatigheid zijn nu eenmaal alleen te bieden door middel van dit type ingrepen in/afwijkingen van de regelgeving. Dat komt doordat de wettelijke stelsels van VO en BVE elk hun eigen voorschriften kennen.

Zoals al in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 068 is opgemerkt, zoekt de regering naar wegen om te komen tot een meer samenhangend stelsel, dat dan ook niet of veel minder de noodzaak met zich brengt van vrij complexe, verfijnde voorschriften.

2. Hoofdlijnen van de inhoud van het besluit

Samenwerking tussen scholen en instellingen is niets nieuws. Scholen en instellingen werken in toenemende mate samen met het oog op een betere aansluiting: zij stemmen programmatisch af, overleggen over «warme overdracht», stemmen zorgstelsels op elkaar af, enz. Zij kunnen ook samenwerken door elkaars diensten en voorzieningen «in te huren» voor het uitvoeren van hun onderwijstaken. Zij kunnen personeel bij elkaar detacheren. Daarbij gaat het nadrukkelijk steeds om instrumenten om hun wettelijke taken uit te voeren, met behoud van de verantwoordelijkheid die de wet op het bevoegd gezag van de eigen school legt.

Aan al deze punten stond de wetgeving niet in de weg. Maar waar het gaat om samenwerking waarbij middelen worden overgedragen om gezamenlijk iets tot stand te brengen, kan er met ingang van 1 januari 2006 méér: de Wet van 8 september 2005 (Stb. 512) breidt de mogelijkheden op dit punt aanzienlijk uit.

Er zijn drie globale doelen waarbinnen vormen van overdracht van middelen en uitbesteding van leerlingen mogelijk zijn:

a. leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma VO te halen;

b. leerlingen meer kansen te geven om vervolgonderwijs met succes te volgen, of

c. onderwijsvoorzieningen doelmatig te gebruiken.

De nieuwe mogelijkheden die de wet met het oog op deze drie doelen biedt, zijn:

1. overdracht van bekostigingsmiddelen bij tussentijdse overstap naar een BVE-instelling;

2. uitbesteding, waarbij leerlingen voor een deel van de cursusduur ofwel een gedeelte van het curriculum onderwijs ontvangen bij andere school of een BVE-instelling;

3. uitbesteding naar VAVO: leerlingen volgen, met behoud van de eindverantwoordelijkheid van de VO-school, het onderwijs binnen het VAVO aan een ROC en doen daar ook het examen.

De relatie tussen de drie doelen en de drie mogelijkheden is in onderstaand schema aangegeven.

Doelgroep

Mogelijkheden

risicoleerlingen (doel a)

uitbesteding van deel VO-programma naar BVE-instelling (t.b.v. maatwerk binnen VO)

  

«tweede weg»-deelnemers VAVO (doel a)

uitbesteding naar voltijds VAVO (VAVO als vervangende leerweg bij dreigend VSV)

 

Uitbesteding naar deeltijds VAVO (gezakten sprokkelen onvoldoende vakken)

behoefte aan extra kansen (doel b)

uitbesteding naar ander VO (b.v. om «klein» vak te volgen dat de eigen school niet aanbiedt)

 

uitbesteding naar BVE-instelling (voor verdieping, verrijking of studie- en beroepskeuzeoriëntatie)

vergroting doelmatigheid (doel c)

uitbesteding naar ander VO (b.v. combineren van vakken met weinig leerlingen, toepassing «Zwolse variant»)

 

uitbesteding naar BVE-instelling (b.v. om gebruik te maken van praktijkvoorzieningen)

3. De voorwaarden voor samenwerking

De voorwaarden voor samenwerking beogen vooral dat de samenwerking zonder rekenschapsproblemen kan worden gerealiseerd, dat de samenwerking gericht is op de drie in hoofdstuk 2 genoemde doelen van samenwerking en dat de scholen en instellingen ook binnen de samenwerking de doelen blijven nastreven van de onderwijssoorten waarvoor zij worden bekostigd. De voorwaarden werpen een dam op tegen strategisch gedrag dat uitsluitend is gericht op het maximaliseren van de rijksbekostiging of rijksbijdrage, of op het verkrijgen van oneigenlijk concurrentievoordeel boven andere scholen of instellingen.

Een (in de wet zelf geregelde) voorwaarde voor alle nieuwe mogelijkheden is dat de samenwerking plaatsvindt binnen een samenwerkingsovereenkomst tussen de scholen, dan wel de school en de instelling. Gaat het om scholen, dan wel scholen en een instelling, onder eenzelfde bevoegd gezag, dan komt een eigen regeling van het bevoegd gezag in de plaats van de samenwerkingsovereenkomst. Het is van belang dat deze overeenkomst respectievelijk die eigen regeling transparant is en makkelijk opvraagbaar voor inspectie, bestuurlijke partners en andere belanghebbenden.

Deze samenwerkingsovereenkomst omvat volgens artikel 25a WVO ten minste:

– het doel van de samenwerking;

– de doelgroep;

– de wijze waarop wordt nagegaan of het doel wordt bereikt;

– het onderwijsprogramma dat volgens de samenwerking wordt vormgegeven.

Een tweede, ook in de wet zelf geregelde, algemene voorwaarde is dat steeds volstrekt helder moet zijn bij welke school of instelling de leerling is ingeschreven en welke school of instelling dus voor hem verantwoordelijk is. In alle gevallen is dubbele inschrijving en dus dubbele bekostiging uitgesloten.

De nieuwe mogelijkheden zijn:

A. Overdracht van bekostigingsmiddelen bij tussentijdse overstap naar een BVE-instelling

Met «overdracht» wordt bedoeld de mogelijkheid dat als een VO-leerling tussentijds overstapt naar een BVE-instelling, de school een deel van de bekostigingsmiddelen «meegeeft» met de leerling ten behoeve van de BVE-instelling. Dit biedt voor de bestaande praktijk van maatwerktrajecten binnen de BVE-instelling een oplossing voor de financieringsproblematiek als gevolg van overstap en dus instroom na de teldatum. Dat de omgeving van een BVE-instelling geschikter is voor deze leerlingen hangt samen met de gespecialiseerde methodiek die de maatwerktrajecten hebben ontwikkeld en met de mogelijkheid praktische en gerichte beroepsopleidingen aan te bieden. De kaderbrieven risicoleerlingen van 2002 en 2004 benadrukken de noodzaak dat VO-school en BVE-instelling in onderlinge samenwerking beslissen of een plaatsing binnen de BVE-instelling voor een bepaalde leerling de beste oplossing is.

Specifieke voorwaarde voor deze vorm is dat de leerling bij de VO-school wordt uitgeschreven en als deelnemer bij de instelling wordt ingeschreven, waardoor dus de verantwoordelijkheid van de school eindigt.

Dit besluit bepaalt dat overdracht uitsluitend mogelijk is voor leerlingen die na 1 oktober worden uitgeschreven omdat zij aangewezen zijn op een andere school of op onderwijs aan een BVE-instelling en direct aansluitend worden ingeschreven als deelnemer van een instelling. Er mag geen sprake zijn van een vooropgezette bedoeling (eerst inschrijven in VO voor de hogere bekostiging, dan overdragen); waar deze bedoeling toch blijkt, bij voorbeeld uit een patroon van overstap kort na 1 oktober, kan dat grond zijn om over te gaan tot terugvordering van bekostiging.

B. Uitbesteding van een gedeelte van het VO-programma

Zoals uit het bovenvermelde schema blijkt, kan uitbesteding worden ingezet voor:

– uitbreiding van de mogelijkheden van het VO om risicoleerlingen vast te houden en eerst een VO-diploma te laten halen voordat zij een normale overstap naar het MBO maken (zie de kaderbrief 2004: meer maatwerk binnen het VO). In dit geval is niet zozeer de omgeving van de BVE-instelling geschikter voor de leerling, als wel maakt de school gebruik van die BVE-instelling om specifieke methodiek in te brengen of bijvoorbeeld praktijkoriëntatie te verzorgen;

– het bieden van extra kansen door verdieping en verrijking, waaronder ook het alvast volgen van onderdelen van beroepsopleidingen om overlap met het VMBO-programma te «verzilveren» en zo een doorlopende leerlijn te realiseren;

– het vergroten van de doelmatigheid, bij voorbeeld door het gebruikmaken van praktijkvoorzieningen van een andere school of een instelling in plaats van deze zelf te financieren.

In alle gevallen van samenwerking binnen deze categorie blijft de leerling ingeschreven bij de «uitzendende» school, die ook verantwoordelijk blijft voor de leerling en die ervoor moet zorgen dat de leerling, ook door inzet van de uitbesteding, de doelen realiseert van de onderwijsvorm en de leerweg waarin de leerling is ingeschreven. De «ontvangende» school of instelling draagt alleen de uitvoeringsverantwoordelijkheid voor de gezamenlijk overeengekomen activiteit.

Bij «uitbesteding» staat voorop dat de inrichtings- en examenvoorschriften en de daaraan verbonden doelen van kracht blijven van het onderwijs waarvoor de leerling is ingeschreven. Door samenwerking veranderen immers wel de middelen, maar niet de doelen van de «oorspronkelijke» schoolsoort. In al deze gevallen van uitbesteding is daarom het perspectief dat de leerling uiteindelijk de reguliere opleiding met een examen afsluit. Is bij risicoleerlingen dit perspectief niet meer aanwezig, dan ligt overdracht naar een instelling meer voor de hand.

Dit besluit regelt de volgende voorwaarden in relatie tot uitbesteding:

– de uitbestedingsmogelijkheid wordt onder doel a (risicoleerlingen) alleen toegepast voor leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder een startkwalificatie (diploma niveau 2);

– de uitbestedingsmogelijkheid wordt onder doel b (bieden van extra mogelijkheden) alleen toegepast voor leerlingen die naar het oordeel van het bevoegd gezag door extra verrijking, verdieping en oriëntatie en/of het volgen van onderdelen van een vervolgopleiding naast de reguliere opleiding een grotere kans kunnen krijgen op succes in het beroepsonderwijs;

– voor doel c (doelmatigheid) gelden geen specifieke voorwaarden over het type leerlingen;

– de uitbesteding vindt in alle gevallen plaats voor ten hoogste de helft van het aantal klokuren per schooljaar die blijkens het onderwijsprogramma zoals uitgewerkt in het schoolplan (zie artikel 24, tweede lid, van de WVO) worden besteed aan het volgen van lessen op de school;

– het aan de instelling uitbestede onderwijs wordt verzorgd door docenten van de BVE-instelling die voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het VO (artikel 33 e.v. WVO).

C. Uitbesteding naar VAVO

Hier gaat het om leerlingen op hoger niveau (ten minste MAVO) die er nu voor kiezen om zich te melden bij het VAVO (de z.g. tweede weg-deelnemers VAVO). Ook hier betreft het leerlingen die anders het onderwijs voortijdig zouden verlaten. In de situatie van uitbesteding zoals de nieuwe wettelijke regels die kennen, moet de VO-school tijdig constateren dat een andere omgeving voor de leerling beter is, want de school moet zorgen voor de uitbesteding en de overdracht van bekostigingsmiddelen. Zij moet daartoe ook actief samenwerken met het ROC.

Ook bij deze vorm blijft de leerling ingeschreven bij de school en is deze school eindverantwoordelijk, maar anders dan bij onder 2 genoemde vorm van uitbesteding is het ingekochte traject volledig vervangend voor de reguliere leerweg binnen de school, en is een terugkeer van de leerling naar de school hier niet aan de orde.

De verantwoordelijkheid van de school is hierbij in feite die van opdrachtgever: zij draagt de uitvoering van het onderwijs voor bepaalde leerlingen voor wie dat beter is, op aan een instelling die een voor deze leerling meer geschikt pedagogisch klimaat kan bieden. Het ROC is binnen deze opdracht volledig verantwoordelijk voor uitvoering van onderwijs en examen binnen de voorschriften van de WEB voor het VAVO. Het ROC kan dus zowel deze VAVO-trajecten verzorgen als het VAVO dat als educatie is bekostigd door de gemeenten (voor tweede kans-deelnemers).

Dit besluit regelt dat deze trajecten alleen zijn bestemd voor wat nu de «tweede weg-deelnemers» zijn, inclusief de 16- en 17-jarigen in het VAVO, ook om een aanzuigende werking te voorkomen. Binnen deze voorwaarde kan alleen de school een leerling voor deelname aan een VAVO-traject in aanmerking brengen. Deelnemers die zich zelf bij een ROC voor VAVO melden, kunnen alleen als regulier deelnemer educatie worden ingeschreven, volgens de gewone regels van de WEB, dus alleen voor zover de gemeentelijke educatiebijdrage aan de BVE-instellingen ook voor die leerlingen wordt bestemd.

Dit besluit regelt de volgende voorwaarden voor uitbesteding naar VAVO:

– de mogelijkheid wordt alleen toegepast voor leerlingen van 16 jaar en ouder die naar het oordeel van het bevoegd gezag een grotere kans hebben een diploma te halen indien zij voortaan VAVO volgen in plaats van regulier VO;

– leerlingen van 18 jaar en ouder kunnen alleen in een VAVO-traject worden geplaatst als zij ononderbroken bij een VO-school ingeschreven zijn geweest. Het moet dan gaan om een leerling die nu volledig tot de verantwoordelijkheid van de school behoort. Herintreden van schoolverlaters langs déze weg (door herinschrijving bij een school en daarna plaatsing in een VAVO-traject) is uitgesloten: deze deelnemers zijn «tweede kans-deelnemers» binnen educatie. Van «ononderbroken inschrijving bij het VO» is uiteraard ook sprake indien de leerling ooit van VO-school is gewisseld. Ook tijdelijke inschrijving bij een school die volgens de Leerplichtwet 1969 vervangend is voor VO (b.v. een buitenlandse school) telt hiervoor mee;

– voor het cohort 2005 geldt deze beperking óók voor 16- en 17-jarigen, omdat schoolverlaters van 16 en 17 jaar zich nog tot 1 januari 2006 als deelnemer VAVO (binnen educatie) kunnen aanmelden (de dispensatieregeling geldt tot 1 januari 2006);

– ook de mogelijkheid om gezakten voor het examen uit te besteden naar «deeltijd VAVO» (zodat zij van de «sprokkelregeling» gebruik kunnen maken, dat wil zeggen deeleindexamens kunnen afleggen in losse vakken) geldt nog niet voor het cohort 2005. De noodzakelijke aanpassing van het Bekostigingsbesluit W.V.O. en de telsystematiek zal pas in september 2006 kunnen worden doorgevoerd voor de gezakten 2006; op dit punt vindt dit besluit daarom voor de eerste maal op een later tijdstip toepassing dan per 1 januari 2006, namelijk na de VO-eindexamens van mei–juni 2006;

– In alle gevallen blijft de overdracht van bekostigingsmiddelen beperkt tot het aantal leerjaren dat de leerling nog maximaal in het regulier onderwijs te gaan zou hebben, vermeerderd met één leerjaar (voor het geval er vertraging optreedt).

4. Noodzaak van afwijkende of vervangende voorschriften

Om te kunnen bepalen of en zo ja welke afwijkende/vervangende voorschriften nodig zijn voor leerlingen die onder artikel 25a van de WVO vallen, moeten deze leerlingen in twee categorieën worden onderscheiden: die van artikel 25a, eerste lid, onderdelen a en b, van de WVO.

Categorie artikel 25a, eerste lid, onderdeel a, WVO: uitbesteding

Bij uitbesteding van VMBO aan een ROC of AOC wordt in beginsel niet afgeweken van de inhoudelijke inrichtings- en examenvoorschriften van de WVO, want de VO-leerling blijft zijn VO-programma volgen, zij het deels aan een BVE-instelling. Dit betekent dat onder de verantwoordelijkheid van de VO-school zoals omschreven in de samenwerkingsovereenkomst, de leerling onderwijs zal blijven volgen dat voldoet aan de VMBO-artikelen 8 tot en met 10b en 10c, 10d van de WVO, en aan het WVO-examenartikel 29.

Hoewel het programma wordt gevolgd onder de verantwoordelijkheid van de VO-school, zullen de schoolexamens voor de onderdelen die het ROC of AOC verzorgt, worden afgenomen niet door de VO-school maar door dat ROC of AOC, als «uitvoerders» voor de VO-school, want een andere oplossing zou niet werkbaar zijn. Maar wel steeds onder de verantwoordelijkheid en regie van de school van inschrijving. Daarom regelt dit besluit geen afwijkingen van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

In dit verband wordt overigens nog gewezen op de al bestaande mogelijkheid in artikel 8 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. dat examenkandidaten ook op een andere VO-school of op een BVE-instelling een bepaald vak volgen waarin zij examen zullen afleggen. De keuzemogelijkheden voor de examenkandidaat zijn afhankelijk van de afspraken die de school van inschrijving daarover heeft gemaakt met de andere VO-school of met de BVE-instelling.

De BVE-docenten die onderwijs geven aan VO-leerlingen (het besluit maakt dit expliciet mogelijk), moeten onverkort aan de VO-bekwaamheidseisen voldoen (deze zullen vermoedelijk met ingang van 1 augustus 2006 wijzigen, vanwege de Wet op de beroepen in het onderwijs). Een BVE-instelling mag dus niet zomaar een eigen docent aan de slag zetten voor VO-leerlingen.

Wel is een afwijking van artikel 33 WVO mogelijk gemaakt om te bereiken dat VO-onderwijs niet alleen kan worden verzorgd door personen in dienst van het bevoegd gezag van de VO-school of daarbij te werk gesteld.

Categorie artikel 25a, eerste lid, onderdeel b, WVO: overdracht

De VO-leerling is vanaf het moment van overdracht naar de BVE-instelling volledig onderworpen aan de inrichtings- en examenvoorschriften van de WEB. Hij/zij neemt vanaf het moment van overdracht officieel deel aan VAVO, blijkt uit artikel 25a, eerste lid, onderdeel b, van de WVO.

Die overgang naar het VAVO betekent bij voorbeeld dat de leerling een smaller examenpakket heeft dan in het dagonderwijs, en dat de leerling niet is onderworpen aan inrichtingsvoorschriften als die van de artikelen 12 tot en met 15 van de WVO (profielen havo en vwo) en het Inrichtingsbesluit W.V.O. In plaats daarvan gelden de eigen inrichtingsregels van de BVE-instelling. Zo impliceert de overgang naar VAVO ook dat de 1000-ureneis in artikel 12, vijfde lid, van de WVO niet meer van toepassing is, want de WEB kent dit voorschrift niet. Er is dus sprake van een «knip» in de toepassing van urennorm.

Er is in dit kader geen noodzaak voor afwijkingsvoorschriften in dit besluit.

5. Handhaving en toezicht

De essentie van de inhoud van dit besluit is al vermeld in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 068 dat heeft geleid tot de Wet van 8 september 2005, Stb. 512. De inspectie voor het onderwijs is geraadpleegd over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de daarin voorgestelde maatregelen. De inspectie adviseerde positief op het voorstel. Zij merkte op dat het voorstel oplossingen biedt voor een aantal problemen die zij bij het uitoefenen van het toezicht tegenkomt.

Op de inrichting van het toezicht is de Wet op het onderwijstoezicht onverkort van toepassing.

6. Uitvoeringsgevolgen

Het agentschap Centrale financiële instellingen (Cfi) van het ministerie van OCW heeft een toets op de uitvoerbaarheid van wetsvoorstel 30 068 uitgevoerd. Het agentschap concludeerde dat het voorstel uitvoerbaar is (zie hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel). Het verbond hieraan de voorwaarde dat de door de scholen gebruikte softwarepakketten voor de leerlingenadministratie en de bekostigingssystemen van CFI tijdig kunnen worden aangepast, zodanig dat de gezakten voor het examen die worden geplaatst in een VAVO-traject herkenbaar zijn. Dit is noodzakelijk in verband met de halvering van de bekostiging voor deze groep.

Omdat het de bedoeling is dat de nieuwe wettelijke regels en dit besluit in werking treden op 1 januari 2006, zal de eerste leerlingentelling die aangrijpingspunt zal zijn voor halvering van de bekostiging de telling zijn op 1 oktober 2006. Dat geeft voldoende tijd voor de noodzakelijke aanpassingen van systemen e.d.

Ook over de algemene maatregel van bestuur heeft het agentschap Cfi zich gebogen. In dat kader heeft Cfi ook een «expertmeeting» met het veld over het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur georganiseerd. Daaruit resulteren wat de algemene maatregel van bestuur betreft geen bijzondere signalen of problemen in termen van onduidelijkheid of risico’s.

7. Financiële gevolgen

Ook hier wijst de regering op de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 068. Hoofdstuk 8 daarvan geeft aan dat het wetsvoorstel een oplossing biedt voor situaties waarin nu systematisch rekenschapsproblemen worden geconstateerd. In alle gevallen van samenwerking geschiedt de bekostiging bij de school waar de leerling is ingeschreven; dubbele inschrijving is uitgesloten.

Het wetsvoorstel (en dus ook: dit besluit) is budgettair neutraal waar het gaat om de vormen van overdracht en uitbesteding, met uitzondering van de uitbesteding naar VAVO-trajecten. Zie daarover verder hoofdstuk 8 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Wat overdracht van middelen betreft: de financiële verantwoording gebeurt door de school die de bekostiging ontvangt, waarbij wel transparant moet zijn dat de uitvoering van de bekostigde activiteiten deels is gebeurd door uitbesteding of inkoop met overdracht van een deel van de bekostigingsmiddelen. De «ontvangende» school of instelling moet de bestemming van de overgedragen bekostigingsmiddelen verantwoorden, duidelijk onderscheiden van de eigen rijksbekostiging respectievelijk rijksbijdrage. Deze verantwoordingseisen zullen worden opgenomen in richtlijnen voor de inrichting van de jaarrekeningen in de VO- en BVE-sector, en zullen leiden tot aanvulling van de controleleidraad voor de instellings- en schoolaccountants.

In het kader van het jaarverslag van de VO-school en de BVE-instelling moet duidelijk zijn hoe scholen en instellingen omgaan met deze mogelijkheid tot overdracht. Deze onderwijsinstellingen zullen erop worden aangesproken als er systematisch oneigenlijk gebruik zou optreden (b.v. blijkend uit stelselmatige overstap na 1 oktober).

Artikel 18 van het Bekostigingsbesluit W.V.O. (Jaarrekening) schrijft in het tweede lid voor dat uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de rijksbijdrage. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat bij ministeriële regeling een model wordt vastgesteld voor de inrichting van de jaarrekening.

Het zesde lid van artikel 18 bepaalt dat de Minister een leidraad kan vaststellen met betrekking tot de inrichting en de uitvoering van de controle door de accountant.

Dit samenstel van grondslagen is ook voldoende voor specifieke verantwoordingsvoorschriften voor het VO-deel van samenwerkingsverbanden VO-BVE.

Aanvullende voorschriften in dit besluit zijn dan ook niet noodzakelijk.

8. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Begrippen die enkele malen in dit besluit worden gebruikt, zijn op een praktische manier in begripsbepalingen ondergebracht.

Artikelen 2 en 3

Deze artikelen regelen de doelgroepen en voorwaarden voor «uitbesteding». Zie daarvoor de uitgebreide toelichting in paragraaf 3 van dit besluit.

Artikel 2, tweede lid, bepaalt dat leerlingen op wie het eerste lid betrekking heeft, per leerjaar voor maximaal de helft van het aantal klokuren per schooljaar die blijkens het onderwijsprogramma van het schoolplan worden besteed aan het volgen van lessen, dit onderwijs aan een instelling of aan een andere school mogen ontvangen.

Artikel 2, derde lid, bevat een afwijkingsmogelijkheid in relatie tot het tweede lid, vanwege de z.g. Zwolse variant (die oorspronkelijk was opgenomen in artikel 27 van het Inrichtingsbesluit W.V.O.).

Artikel 4

Deze restrictie op overdracht van bekostiging is toegelicht in paragraaf 3 van de nota van toelichting.

Artikel 5

De afwijkingen van VO-regels zijn toegelicht in paragraaf 4 van deze nota.

Artikel 6

Dit artikel verzekert dat VO-leerlingen die op een ROC of AOC onderwijs volgen, ook deel hebben aan de medezeggenschapsvoorzieningen van die instelling.

Ze blijven voor het VO-deel van hun school onverkort leerling in de zin van de WVO, en hebben als zodanig ook de WMO-rechten ten aanzien van het bevoegd gezag van de school.

Artikel 7

De wijziging van het Bekostigingsbesluit W.V.O. is zo geformuleerd dat andere besluiten die naar het leerlingenbegrip van het Bekostigingsbesluit W.V.O. verwijzen, daarmee ook omvatten de leerlingen die wel aan de VO-school zijn ingeschreven maar daar niet al het onderwijs daadwerkelijk volgen omdat ze deels aan een BVE-instelling onderwijs volgen. Zie onder meer artikel 6 van het Formatiebesluit W.V.O., dat zo’n koppeling kent. Dat besluit hoeft dan ook niet te worden aangepast.

Artikelen 8 en 9

Deze wijziging van het Inrichtingsbesluit W.V.O. laat de voorwaarden vervallen voor de z.g. Zwolse variant: de voorwaarden voor het verzorgen van onderdelen van VMBO-programma’s door een andere school dan de school van inschrijving.

In plaats van die voorwaarden zijn artikel 25a WVO en dit besluit het juridisch kader.

Daarmee verbonden is een wijziging van artikel 8, eerste lid, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.

Deze nota van toelichting onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.