Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2005, 585AMvB

Besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 juli 2005, nr. SV/F&W/05/51635;

Gelet op de artikelen 28, eerste en tweede lid, 37, tweede en vierde lid, 42, 71, eerste lid, 80 en 91, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, de artikelen 40, eerste lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en artikel 78, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

De Raad van State gehoord (advies van 19 augustus 2005, nr. W12.05.0324/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 14 november 2005, nr. SV/F&W/05/70630, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Wfsv: de Wet financiering sociale verzekeringen;

b. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

c. sector: een sector als bedoeld in artikel 95 van de Wfsv.

HOOFDSTUK 2. PREMIES WERKNEMERSVERZEKERINGEN

§ 1. Vaststelling premiepercentages sectorfondsen

Artikel 2.1. Begripsbepalingen

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. het sectorpremiepercentage: het percentage van het loon dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld ter bepaling van het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds;

b. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV in een premiebetalingstijdvak ten gunste van een sectorfonds de in dat artikel bedoelde premies ontvangt, met uitzondering van de uitkeringen, de toeslag en het loon waarop artikel 28, tweede lid, van de Wfsv van toepassing is;

c. de ziekengeldlasten: de uitkeringen die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel c, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komen alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht met uitzondering van hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, derde lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;

d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel 104, eerste lid, van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komt, met uitzondering van de ziekengeldlasten en hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv vastgestelde maximum;

e. het lastenplafond: het percentage van de verzekerde loonsom waarin de werkloosheidslasten tot uitdrukking komen, dat op grond van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld als maximum;

f. het dekkingssaldo: het verschil tussen het feitelijke vermogen van een sectorfonds en de op grond van artikel 120, achtste lid, van de Wfsv aan te houden reserve.

Artikel 2.2. Wijze van vaststelling van het sectorpremiepercentage

  • 1. Het UWV stelt een sectorpremiepercentage vast ter dekking van de werkloosheidslasten. Het sectorpremiepercentage bedraagt ten hoogste het lastenplafond.

  • 2. Het UWV stelt voor de dekking van de ziekengeldlasten een opslagpercentage vast, waarmee het sectorpremiepercentage met betrekking tot dat sectorfonds wordt verhoogd.

  • 3. Indien in een sectorfonds op 31 december van het jaar waarin het sectorpremiepercentage wordt vastgesteld naar verwachting van het UWV een positief of negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, in dat kalenderjaar en de daaropvolgende kalenderjaren een zodanig sectorpremiepercentage vast dat het overschot dan wel tekort binnen drie kalenderjaren na die datum is ingelopen onderscheidenlijk aangezuiverd.

  • 4. De toepassing van het derde lid leidt niet tot het heffen van een negatieve sectorpremie.

  • 5. Voorzover een positief dekkingssaldo door de toepassing van het vierde lid niet binnen de termijn van drie kalenderjaren kan worden ingelopen, geldt een zodanig langere termijn tot 31 december van enig jaar dat het overschot wel kan worden ingelopen.

  • 6. Indien de toepassing van het derde lid leidt tot vaststelling van een sectorpremiepercentage boven het lastenplafond behoeft de aanzuivering van een negatief dekkingssaldo niet binnen de termijn van drie kalenderjaren te geschieden. In dat geval wordt het sectorpremiepercentage vastgesteld op ten minste het lastenplafond.

  • 7. Indien een sectorfonds bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de premie dat ten gunste komt van het sectorfonds voor elk van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, zijn het eerste tot en met het zesde lid met betrekking tot deze onderdelen gezamenlijk van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat onder het sectorpremiepercentage wordt verstaan het gewogen gemiddelde van de voor die onderdelen afzonderlijk vastgestelde sectorpremiepercentages.

  • 8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste en tweede lid.

Artikel 2.3. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages

  • 1. In afwijking van artikel 2.2 stelt het UWV op bij ministeriële regeling te bepalen wijze sectorpremiepercentages, die voor verschillende categorieën van werknemers kunnen verschillen, vast voor de sectorfondsen van:

    a. het agrarisch bedrijf;

    b. het bouwbedrijf;

    c. de culturele instellingen;

    d. de horeca algemeen;

    e. het schildersbedrijf.

  • 2. De verschillende sectorpremiepercentages gelden voor:

    a. werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:

    1°. zij binnen een jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of

    2°. de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke overeenkomst niet is vastgesteld; en

    b. de overige werknemers.

    Het gewogen gemiddelde van beide percentages bedraagt ten hoogste het lastenplafond.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het tweede lid en kan voor aan te wijzen categorieën van werknemers en van werkgevers of soort arbeid worden afgeweken van het eerste en tweede lid.

  • 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt niet als uitkering op grond van de Werkloosheidswet beschouwd:

    a. een uitkering op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet;

    b. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;

    c. een uitkering die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend.

  • 5. Een afschrift van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt door de werkgever in zijn loonadministratie opgenomen.

  • 6. Indien voor het jaar 2006 verschillende sectorpremiepercentages zijn vastgesteld geldt het sectorpremiepercentage dat van toepassing is voor werknemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, niet voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan voor 1 januari 2006.

Artikel 2.4. Vaststelling gemiddeld premiepercentage sectorfondsen

  • 1. Het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv, wordt vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de sectorpremiepercentages van alle sectoren in het kalenderjaar voorafgaand aan het premiebetalingstijdvak.

  • 2. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kalenderjaar van vaststelling bepaald met behulp van de totaalbedragen van de verzekerde loonsom in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 3. Ingeval voor een sectorfonds gedurende een kalenderjaar meerdere malen een premiepercentage wordt vastgesteld, worden bij de berekening van het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende premiepercentages gewogen naar rato van het deel van het kalenderjaar waarin deze premiepercentages golden.

§ 2. Premiedifferentiatie WAO

Artikel 2.5. Algemene begrippen

  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    a. premieplichtig loon: het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond van dat hoofdstuk premies worden geheven;

    b. kleine werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;

    c. grote werkgever: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;

    d. minimumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;

    e. maximumpremie: de gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is.

  • 2. De inspecteur kan op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen, dat die werkgever voor het premiebetalingstijdvak in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, of het eerste lid, onderdeel c, wordt ingedeeld, indien uit door die werkgever bij de aanvraag verstrekte gegevens blijkt, dat als vaststaand mag worden aangenomen, dat het in het premiebetalingstijdvak ten laste van die werkgever komende premieplichtige loon ten minste 25% zal afwijken van 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in het tweede kalenderjaar dat aan het premiebetalingstijdvak vooraf is gegaan en de omvang van het verwachte premieplichtige loon leidt tot een andere indeling. Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend uiterlijk 6 weken nadat de werkgever schriftelijk in kennis is gesteld van de door hem in het premiebetalingstijdvak verschuldigde gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv.

  • 3. Het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt vastgesteld door het UWV.

  • 4. Bij de vaststelling van het ten laste van een werkgever komende premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.

Artikel 2.6. Rekenpercentage

  • 1. Het rekenpercentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, is gelijk aan het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv vermeerderd of verminderd met:

    a. een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het premiebetalingstijdvak optredende verschil tussen de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en het totaalbedrag van de naar verwachting in het premiebetalingstijdvak op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;

    b. een percentage, voorzover dit nodig of mogelijk is, rekening houdend met de verplichting, bedoeld in artikel 113 van de Wfsv, betreffende het vormen en in stand houden van een voldoende reserve.

  • 2. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.7. Gemiddeld percentage

  • 1. Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, wordt vastgesteld door het totaalbedrag van hetgeen in het premiebetalingstijdvak naar verwachting op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 116, onderdelen b tot en met e, van de Wfsv in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten gunste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van de over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loonsom en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, tweede lid, van de Wfsv. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin, worden niet verstaan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WAO, waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40 van de Wfsv.

  • 2. De uitkomst van de deling, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.8. Berekening opslag of korting grote werkgevers

  • 1. De opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, is voor een grote werkgever gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.

  • 2. Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de in het vijfde lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het premiebetalingstijdvak.

  • 3. Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door het totaalbedrag van de op grond van artikel 117 van de Wfsv, ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiebetalingstijdvak zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren eindigend één jaar voor aanvang van het premiebetalingstijdvak.

  • 4. Bij de berekening van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.

  • 5. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in het tweede en derde lid, betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:

    a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en terzake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de WAO, hebben doorgemaakt;

    b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, van de WAO nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid, van de WAO;

    c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de WAO aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.

  • 6. Indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.

  • 7. Voor de toepassing van het tweede en derde lid worden de door het UWV toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantieuitkeringen die in de periode, bedoeld in artikel 117, eerste lid, aanhef, van de Wfsv, geheel of ten dele niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WAO, geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.

  • 8. De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.9. Berekening opslag of korting kleine werkgevers

  • 1. De opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle kleine werkgevers in een sector gelijk aan het sectorpercentage verminderd met het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid.

  • 2. Het sectorpercentage is de uitkomst van de volgende berekening:

    ((A – B) x 100) / (C)

    waarbij:

    A staat voor: het totaalbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas, voorzover die kunnen worden toegerekend aan de gezamenlijke kleine werkgevers in de sector, en een evenredig deel van hetgeen overigens in het premiebetalingstijdvak naar verwachting ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas;

    B staat voor: een evenredig deel van hetgeen, met uitzondering van de gedifferentieerde premie, naar verwachting op grond van artikel 116 van de Wfsv in het premiebetalingstijdvak ten gunste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas;

    C staat voor: het totaalbedrag van het over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loon dat ten laste komt van de gezamenlijke kleine werkgevers in de sector die geen eigenrisicodrager zijn.

  • 3. De uitkomst van de deling, bedoeld in het tweede lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

  • 4. Indien het totaalbedrag van het over het premiebetalingstijdvak verwachte premieplichtige loon dat ten laste komt van de gezamenlijke kleine werkgevers in een sector, die geen eigenrisicodrager zijn, gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtig loon per werknemer in het premiebetalingstijdvak, wordt de opslag of korting, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wfsv, voor die kleine werkgevers bepaald op nihil.

Artikel 2.10. Overgang van onderneming

  • 1. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:

    a. worden bij de toepassing van artikel 2.8 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 2.8, vijfde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt; en

    b. wordt bij de toepassing van artikel 2.8 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig premiebetalingstijdvak telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat premiebetalingstijdvak, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.

  • 2. Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.

  • 3. Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.

Artikel 2.11. Regres en premievermindering grote werkgevers

  • 1. Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.

  • 2. Indien een schadevergoeding als bedoeld in artikel 107a, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een tijdvak van vier jaren, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, verminderd met een compensatiebedrag.

  • 3. Het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks gedurende vier jaar te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over het tijdvak van 104 weken, bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde, bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet, het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van het ontvangen verhaal op grond van artikel 52a van de Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet uitgekeerde ziekengeld.

  • 5. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.12. Niet gedurende gehele berekeningstijdvak grote werkgever

  • 1. Indien een grote werkgever, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10 in een of meer van de kalenderjaren van het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, niet de hoedanigheid van werkgever had, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, het ten laste van die grote werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, waarin de grote werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, derde lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, derde lid, waarin de grote werkgever de hoedanigheid van werkgever had.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.13. Premiepercentage startende grote werkgever

  • 1. Voor een grote werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.10, eerst in het premiebetalingstijdvak, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het premiebetalingstijdvak de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, gelijk aan het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.6.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de werkgever die in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, reeds werkgever was.

  • 3. Artikel 2.12 is niet van toepassing op een werkgever als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.14. Minimum- en maximumpremie

  • 1. De gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 37 van de Wfsv, bedraagt ten minste nihil, en ten hoogste vier maal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.7.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een grote werkgever een premiepercentage vastgesteld lager dan nihil indien toepassing van artikel 2.11 daartoe aanleiding geeft.

  • 3. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.

Artikel 2.15. Overgangsbepalingen

  • 1. Artikel 2.11, tweede, derde en vierde lid, is uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op of na 1 januari 2002.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 2.11, tweede en derde lid, wordt, indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f van de WAO van toepassing is zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, voor «vier jaren» en «vier jaar» respectievelijk gelezen «vijf jaren» en «vijf jaar».

  • 3. Bij de toepassing van artikel 2.11, derde lid, wordt, indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f van de WAO van toepassing is zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, voor «het tijdvak van 104 weken» gelezen: het tijdvak van 52 weken.

  • 4. Voor de premiejaren 2006 en volgende jaren worden de op grond van artikel 2.8 berekende opslagen en kortingen vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2.6, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.8, derde lid.

  • 5. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het vierde lid, wordt afgerond op twee cijfers achter de komma.

§ 3. Eigenrisicodragen

Artikel 2.16. Beperking eigenrisicodragen arbeidsongeschiktheidsuitkering

De toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wfsv, wordt niet verleend aan de kleine werkgever.

HOOFDSTUK 3. DE FINANCIERING VAN DE VRIJWILLIGE ALGEMENE OUDERDOMSVERZEKERING EN DE VRIJWILLIGE NABESTAANDENVERZEKERING

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ANW: de Algemene nabestaandenwet;

b. ANW-premie: de premie voor de vrijwillige nabestaandenverzekering;

c. AOW: de Algemene Ouderdomswet;

d. AOW-premie: de premie voor de vrijwillige ouderdomsverzekering.

Artikel 3.2. Mededeling SVB inzake premie

De SVB deelt de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 35 van de AOW, artikel 63a van de ANW, alsmede de verzekerde, bedoeld in artikel 38 van de AOW, bij beschikking op diens aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering mee:

a. de hoogte van de verschuldigde premie;

b. de termijn waarbinnen de premie dient te worden betaald; en

c. de wijze waarop de betaling van de premie aan de SVB dient plaats te vinden.

Artikel 3.3. Vaststelling premie

  • 1. De AOW-premie wordt voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de AOW gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:

    P x I – H, waarbij:

    a. P gelijk is aan het premiepercentage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wfsv;

    b. I gelijk is aan het hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    c. H gelijk is aan de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv onder toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Wfsv.

  • 2. De ANW-premie wordt voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de ANW gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:

    P x I – H, waarbij:

    a. P gelijk is aan het premiepercentage, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wfsv;

    b. I gelijk is aan het hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    c. H gelijk is aan de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv onder toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Wfsv.

  • 3. In afwijking van de onderdelen b van het tweede en derde lid is indien ten aanzien van de SVB aannemelijk wordt gemaakt dat dit tot een lagere uitkomst leidt, I gelijk aan het feitelijke premie-inkomen in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv. Hierbij wordt de waarde van inkomen in natura door de SVB geschat, uitgaande van de waarde van dat inkomen in het land waar het wordt of werd ontvangen.

  • 4. De AOW- of ANW-premie, die is vastgesteld met toepassing van het vierde lid bedraagt ten minste 10% van de AOW- of ANW-premie vastgesteld op grond van het tweede onderscheidenlijk derde lid.

  • 5. Voorzover de vrijwillige verzekering slechts betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar wordt de premie naar tijdsruimte evenredig verminderd.

  • 6. De SVB stelt op verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het kalenderjaar van rechtswege verzekerd is voor de AOW of de ANW, de AOW-premie of de ANW-premie over dat kalenderjaar zodanig vast dat de over het kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en de vrijwillige verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou zijn indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn van verplichte verzekering.

  • 7. Niet in euro uitgedrukt premie-inkomen wordt vastgesteld in de valuta van het desbetreffende land en wordt met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen omgerekend in euro.

  • 8. Voor de toepassing van het derde lid wordt het inkomen geacht te zijn ontvangen in Nederland.

Artikel 3.4. Voorlopige premievaststelling

  • 1. De SVB kan de verschuldigde premie over een kalenderjaar voorlopig vaststellen, indien:

    a. zij bij de vaststelling van die premie rekening dient te houden met de in dat kalenderjaar verschuldigde premie op grond van de verplichte verzekering ingevolge de AOW of de ANW; of

    b. nog onduidelijk is of artikel 3.3, derde lid, van toepassing is.

  • 2. Zodra dat naar het oordeel van de SVB mogelijk is, wordt de over bedoeld kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.

  • 3. Te veel betaalde premie wordt terugbetaald. Nog verschuldigde premie wordt binnen een door de SVB vast te stellen termijn betaald.

Artikel 3.5. Premiebetaling

  • 1. De gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 35 van de AOW en artikel 63a van de ANW, die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, betaalt de premie, per kalenderjaar, vooruit.

  • 2. Indien de gewezen verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de ANW, een aanvraag tot gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend en overlijdt, voordat hij de verschuldigde ANW-premie heeft kunnen betalen, is een ander bevoegd alsnog de verschuldigde ANW-premie over de periode van vrijwillige verzekering te betalen.

Artikel 3.6. Achterwege blijven van premierestitutie

Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd op grond van artikel 37, onderdelen a, e of f, van de AOW, of van artikel 63c, onderdelen a, d of e, van de ANW, vindt restitutie van reeds betaalde premie niet plaats.

Artikel 3.7. Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode

Indien een verzekerde als bedoeld in artikel 38 van de AOW binnen drie maanden na de door de SVB gestelde termijn de verschuldigde AOW-premie niet geheel heeft betaald, wordt over een zodanig gedeelte van de periode, waarop de premiebetaling betrekking heeft, geacht AOW-premie te zijn betaald als de betaalde AOW-premie zich verhoudt tot de totaal verschuldigde AOW-premie. Daarbij wordt geacht AOW-premie te zijn betaald over de periode, welke het verst verwijderd ligt van het tijdstip van de aanvang van de verplichte verzekering.

Artikel 3.8. Vaststelling vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling

  • 1. Indien de vrijwillige verzekering is geëindigd, wordt voorzover dit nog niet heeft plaatsgevonden, de over ieder kalenderjaar verschuldigde premie definitief vastgesteld.

  • 2. Indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de betaalde premie geacht betrekking te hebben op de achtereenvolgende gehele kalenderjaren of, voorzover de belanghebbende gedurende slechts een gedeelte van een of meer kalenderjaren niet verplicht verzekerd was, op de betreffende gedeelten van die gehele kalenderjaren, die het dichtst liggen bij het tijdstip waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

  • 3. Indien na toepassing van het eerste lid de over een kalenderjaar verschuldigde premie niet geheel blijkt te zijn voldaan, wordt over een zodanig gedeelte van dat kalenderjaar geacht premie te zijn betaald, als de nog toe te rekenen premie zich verhoudt tot de totaal over dit kalenderjaar verschuldigde premie.

HOOFDSTUK 4. UITVOERINGSKOSTEN AWBZ

Artikel 4.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. AFBZ: het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, genoemd in artikel 89 van de Wfsv;

c. AWBZ: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;

d. kosten van verstrekkingen en vergoedingen: kosten van verstrekkingen en vergoedingen ter zake van verleende zorg als bedoeld in artikel 6 van de AWBZ;

e. beheerskosten: de beheerskosten van de in de AWBZ geregelde verzekering, waaronder begrepen de kosten van controle in het kader van die verzekering;

f. centraal administratiekantoor: het centraal administratiekantoor, bedoeld in het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering;

g. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de AWBZ;

h. verbindingskantoor: een verbindingskantoor als bedoeld in het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering;

i. onverantwoorde uitgaven: uitgaven waarvan het College toezicht heeft vastgesteld dat ze niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verzekering ingevolge de AWBZ;

j. beheerskostenbudget: de ten laste van het AFBZ voor het centraal administratiekantoor, de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren beschikbare middelen ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ te maken beheerskosten die zij in hun hoedanigheid maken;

k. College toezicht: het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;

l. College zorgverzekeringen: het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 4.2. Vergoeding verstrekkingen op basis van werkelijke kosten

Het College zorgverzekeringen vergoedt uit het AFBZ jaarlijks aan de zorgverzekeraars de kosten van verstrekkingen en vergoedingen naar werkelijke kosten. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij het College toezicht anders besluit.

Artikel 4.3. Macrobudget beheerskosten AWBZ

Onze Minister geeft het College zorgverzekeringen jaarlijks een aanwijzing terzake van het voor alle zorgverzekeraars, verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor tezamen voor dat kalenderjaar ten laste van het AFBZ komende beheerskostenbudget.

Artikel 4.4. Uitkering zorgverzekeraar

  • 1. Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk ten laste van het AFBZ het beheerskostenbudget vast ter dekking van de beheerskosten die zij maken anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor.

  • 2. De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.

  • 3. De beleidsregels, bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 4. In geval van onthouding van goedkeuring aan een beleidsregel stelt het College zorgverzekeringen, met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies, een nieuwe beleidsregel vast.

  • 5. Indien Onze Minister aan de beleidsregel, bedoeld in het vierde lid, eveneens goedkeuring onthoudt, stelt hij terzake zelf de beleidsregel vast.

  • 6. Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan een zorgverzekeraar het voor die zorgverzekeraar op grond van het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.

  • 7. Indien een zorgverzekeraar op een naar het oordeel van het College toezicht onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het zesde lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.

Artikel 4.5. Uitkering verbindingskantoren en centraal administratiekantoor

  • 1. Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, afzonderlijk voor ieder verbindingskantoor en voor het centraal administratiekantoor het beheerskostenbudget vast.

  • 2. De vaststelling van het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels. Ten aanzien van die beleidsregels is artikel 4.4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het College zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan de verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor het voor hen ingevolge het eerste lid vastgestelde beheerskostenbudget uit.

  • 4. Indien een verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor op een naar het oordeel van het College toezicht onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.

  • 5. Een verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor houden een reserve uitvoering AWBZ aan.

  • 6. Het saldo van baten en lasten over enig boekjaar van een verbindingskantoor voor de beheerskosten die het in of in verband met die hoedanigheid maakt, wordt toegevoegd aan, onderscheidenlijk ten laste gebracht van de reserve, bedoeld in het vijfde lid. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten beschouwing, tenzij het College toezicht anders besluit. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing voor het centraal administratiekantoor.

  • 7. Bij het eindigen van de aanwijzing, bedoeld in artikel 40 van de AWBZ, zonder dat aansluitend een nieuwe aanwijzing plaatsvindt, stort de rechtspersoon een bedrag ter hoogte van de reserve, bedoeld in het vijfde lid, binnen vier weken in het AFBZ.

Artikel 4.6. Reserve uitvoering AWBZ

De reserve uitvoering AWBZ, bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, ultimo enig jaar, bedraagt voor verbindingskantoren maximaal 20% en voor het centraal administratiekantoor maximaal 5% van het beheerskostenbudget voor dat jaar. Indien het College zorgverzekeringen vaststelt dat de reserve het gestelde maximum te boven gaat, stort het verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor het door het College zorgverzekeringen vastgestelde bedrag van de overschrijding binnen vier weken in het AFBZ.

Artikel 4.7. Toezicht op opgaven

Het College toezicht is bevoegd opgaven en gegevens van een zorgverzekeraar, verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor, die van invloed zijn op de omvang van de ten laste van het AFBZ beschikbare middelen en op de hoogte van de verstrekkingen en vergoedingen ingevolge dit hoofdstuk, op hun juistheid te beoordelen en te verbeteren.

Artikel 4.8. Betaalbaarstelling

Het College zorgverzekeringen bepaalt met inachtneming van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering de wijze van betaalbaarstelling van de uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 4.9. Overgangsbepaling

Besluiten van Onze Minister en het College zorgverzekeringen op grond van het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ in het jaar 2005 terzake van de onderwerpen geregeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6 van dit hoofdstuk worden aangemerkt als besluiten op grond van de desbetreffende artikelen van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.1. Wijziging Besluit Premiedifferentiatie WAO

Aan artikel 10 van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. Voor het premiejaar 2006 worden de op grond van artikel 4 berekende opslagen en kortingen vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door het rekenpercentage, bedoeld in artikel 2, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 4, derde lid.

Artikel 5.2. Intrekking algemene maatregelen van bestuur

1. Het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001 en het Besluit vrijwillige verzekering AWBZ worden ingetrokken.

2. Het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ wordt ingetrokken.

3. Het Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.

4. Het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.

5. Het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO wordt ingetrokken.

Artikel 5.3. Inwerkingtreding

  • 1. De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel 5.1 werkt terug tot en met 1 september 2005.

Artikel 5.4. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Wfsv.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 16 november 2005

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Uitgegeven de negenentwintigste november 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

In de onderhavige algemene maatregel van bestuur op basis van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) zijn bepalingen opgenomen over de vaststelling van premiepercentages voor de sectorfondsen, premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, financiering van de vrijwillige volksverzekeringen en de financiering van de uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekosten ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (hierna: AFBZ).

De inhoud van dit besluit is afkomstig van bestaande besluiten. De bepalingen zijn alleen technisch aangepast. Nieuw zijn de premiegroepen in de sectorfondsen. Dit is een uitwerking van het voornemen, dat bij brief van 21 december 2004 aan de Tweede Kamer is aangekondigd (Kamerstukken II 2004–2005, 26 448, nr. 179).

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) en het College voor zorgverzekeringen (hierna: CVZ) hebben uitvoeringstoetsen uitgebracht over dit besluit. Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft besloten geen advies uit te brengen aangezien er geen effecten op de administratieve lasten voor werkgevers en burgers optreden. De Inspectie werk en inkomen (hierna: IWI) heeft een toezichtbaarheidstoets uitgebracht over dit besluit.

Naar het oordeel van het UWV is het besluit uitvoerbaar mits duidelijkheid wordt gekregen over enkele aspecten van de premiegroepen in de sectorfondsen. Hierop wordt bij paragraaf 2.1 nader ingegaan. De door het UWV voorgestelde technische wijzigingen zijn in het besluit verwerkt.

De voorstellen van de SVB en CVZ zijn overgenomen. De IWI heeft geen opmerkingen.

2. Hoofdstuk 2

2.1. Premiegroepen in de sectorfondsen

Algemeen

In bepaalde sectoren maken veel werknemers en werkgevers jaarlijks in meer of mindere mate en volgens een vast patroon gebruik van de Werkloosheidswet (hierna: WW). Dit tijdelijke gebruik van de WW is ongewenst, omdat de werkgever op deze manier risico’s, die tot het normale bedrijfsrisico kunnen worden gerekend, afwentelt op de WW. Dit verhoogt de werkloosheidslasten van de sector als geheel. Hierdoor betalen alle werkgevers een hoge premie ongeacht of ze zich wel of niet inspannen om de individuele werkloosheidslasten te beperken.

Met artikel 2.3 van het onderhavige besluit worden premiegroepen geïntroduceerd in de sectorfondsen van de volgende sectoren:

a. agrarisch bedrijf;

b. bouwbedrijf;

c. culturele instellingen;

d. horeca algemeen;

e. schildersbedrijf.

De huidige premiegroepen in deze sectorfondsen worden hiermee geüniformeerd. Tevens vormt het een alternatief voor de regeling inzake cyclische werkloosheid op basis van artikel 16, zevende lid, van de WW die op dit moment de terugkerende kortdurende werkloosheid ontmoedigt. De regeling inzake cyclische werkloosheid (zoals is neergelegd in artikel 4b van het Besluit inzake regels gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren) sluit werknemers uit van een WW-uitkering op het moment dat er een patroon in de periodes van arbeid en werkloosheid te herkennen is. De uitvoering van deze regeling is echter complex. Ter vervanging van deze regeling worden met dit besluit premiegroepen ingevoerd. Van de invoering van premiegroepen mag ook een grotere effectiviteit verwacht worden, omdat werkgevers, meer dan werknemers, de mogelijkheden hebben om cyclische werkloosheid te voorkomen. De werkgever kan immers de organisatie van zijn bedrijf zo inrichten dat meer continuïteit geboden wordt. Het ligt daarom meer in de rede werkgevers te stimuleren deze kortdurende werkloosheid te beperken.

In dit besluit is ervoor gekozen om alleen in de sectoren met hoge kortdurende cyclische werkloosheid premiegroepen in te voeren. De reden hiervoor is dat premiedifferentiatie minder effectief is in sectoren waarin de te differentiëren premie te laag is en er weinig cyclische werkloosheid voorkomt.

De uitzendbranche en de grafische sector behouden de huidige vorm van premiedifferentiatie. In deze sectoren komt weinig cyclische werkloosheid voor, waardoor de introductie van de uniforme systematiek voor premiegroepen niet het beoogde effect zal hebben. Specifiek voor de uitzendbranche is bovendien van belang dat de premiedifferentiatie naar het Ziektewetdeel van de wachtgeldpremie (in verband met de wijziging van de Wfsv door de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen waarbij het begrip sectorfondsen is geïntroduceerd aangeduid als sectorpremie) gehandhaafd blijft.

Systematiek premiegroepen

De premies in de sectorfondsen worden gedifferentieerd naar de overeengekomen duur van het dienstverband. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van werknemers. Tot de eerste categorie worden werknemers gerekend die blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever. Voor deze werknemers betaalt de werkgever een lage premie. Tot de tweede categorie, waarvoor de hoge premie van toepassing is, behoren alle overige werknemers.

Allereerst wordt dus gekeken naar de overeengekomen duur van het dienstverband. Indien dit een jaar of langer is, is de lage premie van toepassing. De lage premie is niet van toepassing indien deze werknemers binnen een jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de WW. Als de betreffende werknemer binnen een jaar recht krijgt op een WW-uitkering, dan is alsnog de hoge premie (met terugwerkende kracht) van toepassing. De werkgever ontvangt geen naheffing voor de werknemers die recht hebben op een WW-uitkering als gevolg van vorstwerkloosheid (artikel 18 van de WW), een WW-uitkering waarop het recht voor de werknemer is ontstaan in verband met betalingsonmacht van de werkgever (hoofdstuk IV van de WW) of een WW-uitkering die uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd waarvoor ontheffing is verleend (artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945). De lage premie is ook niet van toepassing indien de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke arbeidsovereenkomst niet of niet eenduidig is vastgelegd. Indien bijvoorbeeld sprake is van een nul-urencontract met een duur van langer dan een jaar zal de hoge premie van toepassing zijn. Ditzelfde geldt voor een oproepcontract waarbij de omvang niet is vastgelegd en de contractduur eveneens langer dan een jaar is.

UWV geeft in de uitvoeringstoets aan dat niet duidelijk is wat is beoogd met de bepaling dat de hoge premie ook van toepassing is als de omvang van het contract niet of niet eenduidig is vastgelegd. UWV merkt in dit verband op dat niet duidelijk is wanneer gesproken moet worden van een «niet eenduidige omvang» bij een oproepcontract. Beoogd is te voorkomen dat werkgevers nul-uren-contracten afsluiten met een duur van ten minste een jaar, met het oogmerk zo de lage premie van toepassing te laten zijn. De tekst van het besluit is nu zo aangepast dat de lage premie niet van toepassing is, indien de omvang van het dienstverband niet is vastgelegd, zoals bij een nul-uren-contract of een oproepcontract het geval is. Hiermee in verband staat de opmerking van UWV dat indien een werknemer binnen een jaar een WW-uitkering ontvangt terwijl een deel van het dienstverband in stand blijft, de werkgever alsnog de hoge premie verschuldigd is. Dit effect is beoogd. Indien een minimaal aantal uren is vastgelegd, maar een wisselend aantal uren wordt gewerkt en deze wisselende omvang van de dienstbetrekking binnen een jaar leidt tot instroom in de WW, is alsnog de hoge premie van toepassing.

In de uitvoeringstoets wijst het UWV op het ontbreken van overgangsrecht. Hierin is alsnog voorzien. Achterliggende gedachte bij het gekozen overgangsrecht is dat het niet billijk zou zijn de hoge premie van toepassing te laten zijn op een arbeidsovereenkomst, indien de werkgever bij aanvang van die overeenkomst nog niet kon voorzien dat dit zou leiden tot een hoge premie. De hoge premie is daarom in 2006 niet van toepassing op kortdurende contracten die afgesloten zijn vóór 1 januari 2006.

Lastenplafond en vermogensopbouw

In de nieuwe systematiek van premiegroepen wordt vastgehouden aan de maximering van de wachtgeldlasten door te bepalen dat het gewogen gemiddelde van de percentages niet meer mag bedragen dan het lastenplafond. Daarnaast is de geldende regelgeving met betrekking tot de opbouw en afbouw van reserve ook van toepassing op de premiegroepen die nu geïntroduceerd worden.

Vaststelling van de premie

Het UWV stelt aan de hand van de regels in dit Besluit de premie vast. Bij ministeriële regeling wordt de verhouding tussen de hoogte van de premies vastgelegd. In deze ministeriële regeling kunnen ook groepen van werknemers worden aangewezen waarvoor ook de lage premie zal gelden. Dit zal gebeuren voor kortdurende arbeid, zoals vakantiewerk van scholieren en studenten, omdat deze groepen werknemers weinig beroep op de WW-uitkeringen doen. Verder zullen werknemers met leer/werktrajecten worden aangewezen om werkgevers niet te ontmoedigen om leer/werk trajecten aan te bieden. Daarnaast is geregeld dat indien op een dienstbetrekking van een werknemer gedurende een kalenderjaar een verschillend premiepercentage van toepassing is, de premie met ingang van dat jaar op een gewogen gemiddeld premiepercentage wordt vastgesteld. Verder zal de bestaande premiedifferentiatie in de uitzendbranche en de grafische sector in deze ministeriële regeling worden gecodificeerd.

Administratieve lasten

Ten aanzien van de informatieplicht wijzigt voor werkgevers niets ten opzichte van de met de Wfsv voorziene reguliere situatie. Wel is de werkgever, voorzover sprake is van een arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of onbepaalde tijd, gehouden een afschrift van de schriftelijke overeenkomst in zijn administratie op te nemen om in aanmerking te komen voor de lage premie. Aangezien de werkgever in de overeenkomst één van de deelnemende partijen is, administreert hij de overeenkomst reeds in die hoedanigheid. Derhalve heeft dit nieuwe onderdeel geen effect op de administratieve lasten van werkgevers.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

In voorkomende gevallen kan naheffing bij de werkgever plaatsvinden, bijvoorbeeld als de Belastingdienst achteraf constateert dat een werkgever een lage premie heeft betaald voor een werknemer met een kortdurende arbeidsovereenkomst. Bevindingen uit looninspecties en signaleringen in de polisadministratie spelen hierbij een belangrijke rol. Het fiscale boeteregime is van toepassing. Ook het opleggen van een boete wegens het verwijtbaar niet nakomen van loonopgaveverplichtingen behoort tot de mogelijkheden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werkgever een werknemer in een verkeerde premiegroep heeft ingedeeld of een wijziging niet aan de Belastingdienst heeft doorgegeven. In ernstige gevallen bestaat de mogelijkheid tot aangifte bij het Openbaar Ministerie.

2.2. Premiedifferentiatie WAO

De bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van het onderhavige besluit betreffende de premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen waren voorheen opgenomen in het Besluit premiedifferentiatie WAO. Met inwerkingtreding van de Wfsv wordt in artikel 37, vierde lid, van die wet voorzien in een grondslag om in het onderhavige besluit bepalingen op te nemen op het gebied van premiedifferentiatie. Derhalve zijn de bepalingen uit het Besluit premiedifferentiatie WAO overgeheveld naar het onderhavige besluit. Een materiële wijziging is hiermee niet beoogd. De bepalingen hebben betrekking op de berekening van de gedifferentieerde premie. Het gaat daarbij na de invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en aanpassingen in de Wfsv naar aanleiding van die wet in het jaar 2006 nog alleen om een gedifferentieerde premie die gerelateerd is aan de ontwikkeling van de uitkeringen op grond van de WAO. Om die reden zijn de bepalingen in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 gelijk aan die in het Besluit premiedifferentiatie WAO. De bepalingen bevatten rekenregels voor de factoren voor de gedifferentieerde premie (het gemiddelde percentage en het rekenpercentage) en voor het vaststellen van de opslagen en kortingen voor grote werkgevers en voor sectoren, waar het betreft kleine werkgevers. Deze kortingen en opslagen worden aangeduid met Pemba-premies. De bestaande regeling is voor het jaar 2006 (en volgende) uitgebreid met een bijzondere rekenregel. Dit heeft de volgende achtergrond. Als gevolg van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003, is de Pemba-periode verkort van vijf naar vier jaar en is de WAO-instroom vanaf 2006 nihil. Voor de bepaling van de gedifferentieerde premie WAO dient voor de vaststelling van de gemiddelde premie materieel te worden gerekend met een vierjaarsperiode en voor de opslagen en kortingen op het rekenpercentage (gemiddeld werkgeversrisico van grote werkgevers) dient echter te worden gerekend met een vijfjaarsrisico. Zonder aanvullend beleid in 2006 zou daardoor sprake zijn van relatief forse opslagen/kortingen op het rekenpercentage. Dit leidt onder meer tot – qua berekening – negatieve premies, die op basis van de regels in deze paragraaf worden gecorrigeerd tot nulpremies. Door het toepassen van een technische correctiefactor is het mogelijk de premiestelling zodanig te corrigeren dat de opslagen / kortingen enerzijds en de gemiddelde premie en het rekenpercentage anderzijds weer met elkaar in verhouding zijn. In artikel 2.15 van dit besluit is daarom een correctiefactor opgenomen.

3. Hoofdstuk 3

In hoofdstuk 3 zijn bepalingen opgenomen inzake de financiering van de vrijwillige volksverzekeringen. Voorheen waren deze bepalingen opgenomen in het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. De bepalingen inzake de vrijwillige verzekering op grond van de AWBZ worden hier niet opgenomen aangezien de vrijwillige verzekering AWBZ met inwerkingtreding van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet komt te vervallen. Met inwerkingtreding van de Wfsv is in de artikelen 71 en 80 van die wet voorzien in de mogelijkheid om op basis van die wet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van de premie, de inning en de betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering. De bepalingen van hoofdstuk 3 van het Besluit Wfsv zijn een uitwerking hiervan voor de volksverzekeringen. Een materiële wijziging is niet beoogd. Wel is het voorstel van de SVB overgenomen om de verschuldigde premie voor de vrijwillige volksverzekeringen op verzoek aan te passen als door samenloop van verplichte en vrijwillige volksverzekering meer premie wordt betaald dan de maximum premie voor de verplichte volksverzekering in dat kalenderjaar. Dit heeft geen noemenswaardige financiële gevolgen op macroniveau, maar voorkomt wel onbedoelde financiële effecten op individueel niveau.

4. Hoofdstuk 4

In hoofdstuk 4 worden regels gesteld inzake het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ), de vaststelling van het beheerskostenbudget ter dekking van de beheerskosten die worden gemaakt door een zorgverzekeraar anders dan in de hoedanigheid van een verbindingskantoor en de verbindingskantoren en het centraal administratiekantoor (hierna: CAK), de reserve die voor de uitvoering van de AWBZ moet worden aangehouden, het toezicht op opgaven van de zorgverzekeraar, het verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor door het College toezicht. Voorheen waren bepalingen hieromtrent opgenomen in het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie Bijzondere Ziektekostenverzekering AWBZ. Met inwerking van de Wfsv is echter in artikel 91, eerste lid, van die wet voorzien in de mogelijkheid om op basis van die wet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen inzake het AFBZ. De bepalingen in hoofdstuk 4 zijn een uitwerking hiervan.

Artikelsgewijs

Premies sectorfondsen

Artikelen 2.2 en 2.3

Artikel 2.2 komt inhoudelijk overeen met hetgeen was geregeld in artikel 2 van het Besluit vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen. De formuleringen zijn zoveel mogelijk geharmoniseerd met de formuleringen die zijn gebruikt bij de premiedifferentiatie in de WAO. Bij de premiedifferentiatie in de WAO wordt niet op besluitniveau geregeld wanneer en voor welke periode het premiepercentage wordt vastgesteld, aangezien dit afdoende blijkt uit de wet.

In artikel 2.3 wordt vervolgens geregeld dat in de sectorfondsen premiegroepen ingevoerd worden op basis van de schriftelijk overeengekomen duur van de dienstbetrekking. In de in het eerste lid genoemde sectoren wordt dit onderscheid gemaakt naar soort arbeidsverhouding en daarmee naar categorie van werknemers. Met artikel 2.3 wordt beoogd werkgevers in de genoemde sectoren met veel seizoensmatige en kortdurende werkloosheid te stimuleren de bedrijfsprocessen en de organisatie van de arbeid zodanig in te richten, dat aan werknemers meer continuïteit geboden wordt, waardoor instroom in de WW voorkomen wordt. In de ministeriële regeling op grond van het artikel 2.3, derde lid, kan nog nader inhoud worden gegeven aan het onderscheid naar soort arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld de uitzendovereenkomst. Daarbij kan een ander onderscheid aan de orde zijn dan naar omvang van de arbeidsverhouding en wordt voor een bepaalde categorie van werknemers afgeweken van het onderscheid in het tweede lid.

Op grond van artikel 2.3 worden afwijkende premiepercentages sectorfondsen voor verschillende groepen werknemers vastgesteld. Voor de aangewezen sectorfondsen geldt de systematiek van artikel 2.3, voor de overige sectorfondsen geldt artikel 2.2. De systematiek is hiervoor nader toegelicht.

In het zesde lid van artikel 2.3 is een overgangsbepaling opgenomen voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan vóór 1 januari 2006. Op deze dienstbetrekkingen is het sectorpremiepercentage dat voor 2006 is vastgesteld voor werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b (overige werknemers zoals werknemers met een kortdurende arbeidsovereenkomst) niet van toepassing. Dit betekent, dat voor werknemers in deze dienstbetrekkingen in 2006 de lage premie geldt, in plaats van de hoge premie. Voor 2007 vervalt dit onderscheid.

In de uitzendbranche en de grafische sector blijven de huidige vormen van premiedifferentiatie gehandhaafd. Het UWV-beleid zal hiertoe worden overgenomen in een ministeriële regeling op grond van artikel 2.2, achtste lid, en artikel 2.3, derde lid.

Artikel 2.4

In artikel 2.4 wordt de wijze van vaststelling van de gemiddelde premie geregeld. Het gemiddelde premiepercentage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de wachtgeldpremiepercentages en de verzekerde loonsommen van alle sectoren in het kalenderjaar voorafgaand aan het premiebetalingstijdvak. De methodiek van het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen is daarmee overgenomen. Het derde lid van artikel 2.4 schrijft de berekeningswijze van het gemiddelde premiepercentage wachtgeldfondsen voor ingeval gedurende het kalenderjaar meerdere malen een sectorpremiepercentage wordt vastgesteld. Artikel 4 van het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen is niet overgenomen omdat er geen wettelijke mogelijkheid meer bestaat voor een werknemersdeel van de «wachtgeldpremie». Daarmee is dit artikel overbodig geworden. Verder is het uitgewerkte overgangsrecht geschrapt.

Premiedifferentiatie WAO

De artikelen 2.5 tot en met 2.15 betreffen een technische omzetting van het Besluit premiedifferentiatie WAO. Daarbij is het uitgewerkte overgangsrecht geschrapt.

De gedifferentieerde WAO-premie wordt voor grote werkgevers aan de hand van het individuele risicopercentage vastgesteld en voor kleine werkgevers aan de hand van het sectorale risicopercentage.

Bij de bepaling van de werkgevers- en gemiddelde risicopercentages worden de lasten aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gerelateerd aan de loonsom. Dit betekent, dat in de vaststelling van de premieplichtige loonsom de lasten aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet moeten worden meegenomen. Indien een werkgever in plaats van het UWV aan een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer de arbeidsongeschiktheidsuitkering betaalt en indien hij daarop een aanvulling geeft, dan moet de via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering (exclusief de aanvulling) geen deel uitmaken van de premieplichtige loonsom (artikelen 2.5, vierde lid, en 2.8, vierde lid).

Het UWV blijft met toepassing van de bepalingen in deze paragraaf de verschillende parameters vaststellen (gemiddeld premieplichtig loon, de grens/grote/kleine werkgever, het gemiddelde percentage, de maximumpremie voor de grote werkgevers, het gemiddeld werkgeversrisicopercentage, het rekenpercentage en de verschillende correctiefactoren bij onvolledige periode van werkgeverschap). Het rekenpercentage en het gemiddelde percentage behoeven de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Op grond van deze gegevens stelt de inspecteur de verschuldigde premie vast.

De indeling in grote en kleine werkgevers volgt in beginsel direct uit de regelgeving. De inspecteur stelt de individuele opslag of korting op het WAO-rekenpercentage voor een grote werkgever vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit betekent dat een grote werkgever bijvoorbeeld in bezwaar kan gaan tegen de hoogte van de opslag of korting, tegen een indeling als grote werkgever als zodanig of tegen een onjuiste toepassing van de regresbepalingen. De sectorale opslag of korting voor kleine werkgevers wordt door UWV vastgesteld op basis van artikel 2.9. Kleine werkgevers kunnen bezwaar maken bij de eigen aangifte of tegen de naheffingsaanslag als zij bijvoorbeeld van mening zijn dat zij ten onrechte als kleine werkgever worden aangemerkt.

Daarnaast kan de inspecteur werkgevers op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking indelen als grote of als kleine werkgever bij een omvangrijke wijziging van het premieplichtige loon als wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.5, tweede lid. De termijn, die in dat artikellid wordt genoemd voor het indienen van de aanvraag wordt zo gehanteerd als passend is in processen van premie- en belastingheffing. Ook hiertegen is bezwaar mogelijk.

Artikel 2.16. Beperking eigenrisicodragen WAO

Artikel 2.16 betreft een technische omzetting van het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO. Een materiële wijziging is niet beoogd. De regeling heeft alleen betrekking op het eigenrisicodragen voor de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig hoofdstuk III van de WAO. Voor bedrijven met maximaal 25 maal de gemiddelde loonsom is de geïndividualiseerde premiedifferentiatie WAO niet van toepassing. Voor deze bedrijven geldt een gedifferentieerde premie per sector. Handhaving van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden, zou ertoe kunnen leiden dat steeds de «beste» risico’s onder deze bedrijven uittreden omdat het eigenrisicodragen voor hen financieel voordeliger is dan het betalen van de branchegewijze premie. Om deze reden is voor deze bedrijven de mogelijkheid afgeschaft om eigenrisicodrager voor de WAO te worden. De regelgeving voor het eigenrisicodragen in het jaar 2006 wordt overigens bepaald door het overgangsartikel 122c dat met de Wet invoering en financiering Wet WIA in de Wfsv zal worden opgenomen.

Vrijwillige verzekering volksverzekeringen

Artikel 3.2. Mededeling SVB inzake premie

Dit artikel komt overeen met de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, en 4, eerste lid, van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. Geregeld wordt welke informatie de SVB verplicht is te melden aan de gewezen verzekerde die een aanvraag heeft ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW alsmede de ANW of die een aanvraag heeft gedaan om achteraf niet verzekerde jaren voor de AOW in te kopen. Deze verplichting beperkt zich tot de hoogte van de verschuldigde premie, de termijn waarbinnen de premie moet worden betaald en de wijze waarop de betaling van de premie aan de SVB moet plaatsvinden.

Artikel 3.3. Vaststelling premie

In dit artikel is vastgelegd op welke wijze de premie voor de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW wordt vastgesteld. Dit artikel komt materieel gezien overeen met artikel 5 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. In de eerste twee leden wordt geregeld dat de vrijwillig verzekerde in beginsel de maximale premie is verschuldigd. De formulering van de verwijzing naar de heffingskorting die in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de AOW-premie en de ANW-premie is technisch aangepast aan de gewijzigde formulering in artikel 12 van de Wfsv. In dat artikel wordt rechtstreeks verwezen naar de berekende heffingskorting voor de AOW, respectievelijk de ANW op grond van hoofdstuk 8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (artikelen 8.4 en 8.5 van die wet). Vervolgens is bepaald dat bij deze berekening artikel 12, tweede lid, van de Wfsv moet worden toegepast, zodat de berekening niet plaatsvindt op basis van de standaardheffingskorting, maar op basis van de standaardloonheffingskorting.

In het derde lid is geregeld dat indien betrokkene tegenover de SVB kan aantonen dat het inkomen minder bedraagt dan het maximum bedrag waarover jaarlijks premie dient te worden betaald, de premieheffing in afwijking van de eerste twee leden plaatsvindt over het feitelijke inkomen.

Het vierde lid bepaalt dat de vrijwillig verzekerde die geen eigen inkomen heeft, toch premie verschuldigd is. De hoogte van de premie bedraagt dan 10% van het premiebedrag dat men in enig jaar maximaal verschuldigd kan zijn.

Nieuw is dat in het zesde lid van het onderhavige artikel is bepaald dat de SVB op verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het kalenderjaar van rechtswege verzekerd is voor de AOW of de ANW, de AOW-premie of de ANW-premie over dat kalenderjaar zodanig vaststelt dat de over het kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en de vrijwillige verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou zijn indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van verplichte verzekering.

Verder is in het achtste lid bepaald dat voor de toepassing van het derde lid het inkomen geacht wordt te zijn ontvangen in Nederland. Deze uit het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW afkomstige bepaling was abusievelijk niet opgenomen in het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001.

Artikel 3.4. Voorlopige premievaststelling

Dit artikel komt overeen met artikel 7 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. Hiermee wordt geregeld dat de SVB de verschuldigde premie in bepaalde gevallen voorlopig kan vaststellen.

Artikel 3.5. Premiebetaling

Dit artikel komt overeen met de artikelen 2, tweede lid, 3, tweede lid, en 4, eerste en tweede lid, van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. De premie voor de vrijwillige verzekering wordt vooruitbetaald per kalenderjaar. De premie voor de vrijwillige ANW-verzekering kan door een ander geschieden dan de gewezen verzekerde in die gevallen dat betrokkenen zich tijdig heeft aangemeld voor deze verzekering, doch is overleden voordat hij de verschuldigde ANW-premie heeft kunnen betalen. Op deze manier wordt voorkomen dat de SVB in dit geval de aanvraag voor de vrijwillige verzekering moet afwijzen, met alle gevolgen van dien voor de aanspraken op een recht op nabestaandenuitkering.

Artikel 3.6. Achterwege blijven van premierestitutie

Dit artikel komt overeen met de artikelen 2, derde lid, en 4, eerste lid, van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. In die gevallen waarin de verzekering op grond van artikel 37, eerste lid, onderdelen a, e, of f van de AOW, of 63c, eerste lid, onderdelen a, d of e, van de ANW eindigt, krijgt de gewezen verzekerde de eenmaal betaalde premie niet meer terug. Wordt bijvoorbeeld de gewezen verzekerde in de loop van het kalenderjaar 65 jaar, dan wordt de premie over dat deel van het kalenderjaar niet terugbetaald.

Artikel 3.7. Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode

Dit artikel komt overeen met artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. Hiermee wordt de inkoopmogelijkheid over niet verzekerde jaren voor de AOW geregeld. Deze regeling geldt alleen voor de AOW vanwege het opbouwkarakter van deze verzekering. Voor de ANW zou een dergelijke regeling immers een verzekering om niet zijn.

Artikel 3.8. Vaststelling vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling

Dit artikel komt overeen met artikel 9 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW 2001. Dit artikel regelt dat indien de vrijwillige verzekering is geëindigd, de premie, voorzover dit nog niet is gebeurd, definitief wordt vastgesteld. Dit artikel regelt voorts hoe in deze gevallen de reeds betaalde premie aan de verschillende jaren wordt toegerekend. De betaalde premie wordt toegerekend aan opeenvolgende hele kalenderjaren of – bij verzekering gedurende een gedeelte van een of meer kalenderjaren – aan die gedeelten van hele kalenderjaren die het dichts liggen bij het einde van de verplichte verzekering.

Uitvoeringskosten AWBZ

Artikel 4.1. Begripsbepalingen

In deze toelichting wordt zowel het begrip zorgkantoor als het begrip verbindingskantoor gebruikt. Met het verbindingskantoor wordt bedoeld de zorgverzekeraar in zijn hoedanigheid van verbindingskantoor maar dan beperkt tot de verbindingskantoorfunctie.

Het begrip zorgkantoor wordt gebruikt in relatie tot een bepaalde regio (of subregio) als genoemd in de ministeriële aanwijzing zorgkantoren. In het besluit wordt niet gesproken over het begrip zorgkantoor, omdat de wetgeving dit begrip niet kent.

Artikel 4.2. Vergoeding verstrekkingen op basis van werkelijke kosten

In artikel 4.2 is geregeld dat het College zorgverzekeringen uitkeringen doet (voor verstrekkingen en beheer) uit het AFBZ ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ noodzakelijke uitgaven. Het College toezicht is bevoegd vast te stellen dat indien uitgaven niet noodzakelijk zijn, ze als niet verantwoord worden aangemerkt. De niet-verantwoorde uitgaven mogen niet met AWBZ-middelen die het College zorgverzekeringen verstrekt, worden bekostigd.

Het tweede lid van artikel 91 van de Wfsv bepaalt dat de beheerskostenbudgetten die door het College zorgverzekeringen worden toegekend, niet aan andere zaken mogen worden besteed dan ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ noodzakelijke kosten. Het College toezicht is bevoegd om – achteraf – vast te stellen dat bepaalde uitgaven AWBZ niet verantwoord waren, omdat ze niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Deze niet-verantwoorde kosten mogen niet ten laste van de wettelijke middelen (dus ook niet de reserve) worden gebracht en de desbetreffende rechtspersoon zal voor deze uitgaven elders dekking moeten vinden. De niet-verantwoorde uitgaven dienen buiten beschouwing te worden gelaten bij de bepaling van het saldo van baten en lasten beheerskosten AWBZ over een boekjaar. Artikel 91 schept echter ook de mogelijkheid tot afwijking van deze regel. Indien daarvoor aanleiding wordt gevonden kan het College toezicht namelijk oordelen dat bepaalde uitgaven weliswaar niet noodzakelijk waren en deze niet-verantwoord verklaren, maar desalniettemin bepalen dat deze niet-verantwoorde uitgaven in uitzonderingsgevallen wel ten laste mogen worden gebracht van de wettelijke middelen.

Artikel 4.3. Macrobudget beheerskosten AWBZ

Artikel 4.3 bepaalt de beschikbaar gestelde middelen voor het beheerskostenbudget voor alle uitvoeringsorganen, verbindingskantoren en het CAK tezamen.

Artikel 4.4. Uitkering zorgverzekeraar

Het College zorgverzekeringen stelt jaarlijks het beheerskostenbudget vast voor de dekking van de beheerskosten die de zorgverzekeraar maakt anders dan in de hoedanigheid van verbindingskantoor. De vaststelling geschiedt aan de hand van vooraf vastgestelde en door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) goedgekeurde beleidsregels.

Artikel 4.5. Uitkering verbindingskantoren en centraal administratiekantoor

Op grond van artikel 4.5 stelt het College zorgverzekeringen jaarlijks de in artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen voor de beheerskosten, afzonderlijk voor ieder verbindingskantoor en voor het CAK vast.

Het vijfde lid regelt dat een verbindingskantoor en het CAK een reserve uitvoering AWBZ moeten aanhouden. Dergelijke reserves zijn nodig om incidentele tegenvallers bij de uitvoering van de AWBZ te kunnen opvangen, het egaliseert de onevenwichtigheden in de geldstromen van de instelling. Een reserve zorgt ervoor dat schommelingen in de beheerskosten van jaar op jaar zoveel mogelijk worden gemitigeerd en dat verantwoord met mee- en tegenvallers wordt omgegaan. Omdat het CAK de mogelijkheid heeft om een reserve aan te houden, impliceert dit ook een aanpassing van de beheerskostenbudgetsystematiek; een systematiek die niet automatisch inhoudt dat het uitgekeerde beheerskostenbudget gelijk is aan de werkelijke beheerskosten. De budgettering van het CAK houdt in dat het de beschikking krijgt over een vooraf vastgesteld beheerskostenbudget, zonder nacalculaties. Kleine afwijkingen tussen het beheerskostenbudget en de werkelijke beheerskosten moet het CAK met behulp van de reserve AWBZ opvangen. Voor grote afwijkingen tussen het beheerskostenbudget en de werkelijke beheerskosten CAK zal het budget worden aangepast. Deze wijze van financiering is nodig om de zelfstandigheid bij het CAK te vergroten, hetgeen weer een wens is in het traject «modernisering verantwoording en verslaglegging in de AWBZ», waarin ook het CAK meeloopt. Ook voor verbindingskantoren stelt het College zorgverzekeringen vast welke middelen beschikbaar zijn ter dekking van de beheerskosten in dat jaar. Een wettelijke reserve uitvoering AWBZ zorgt ervoor dat zekere schommelingen in de beheerskosten van jaar op jaar kunnen worden opgevangen. Hierdoor zorgt een reserve AWBZ voor een grotere financiële verantwoordelijkheid van de verbindingskantoren en vergroot deze de zelfstandigheid van de bedrijfsvoering. De functie van verbindingskantoor wordt meestal uitgevoerd door een zorgverzekeraar die een reserve kan aanhouden. Een zorgverzekeraar die meerdere zorgkantoren onder zijn hoede heeft, dient één wettelijke reserve uitvoering AWBZ aan te houden. De zorgverzekeraar dient de reserve echter te kunnen toerekenen aan een individueel zorgkantoor. Om deze toedeling te kunnen bewerkstelligen, is het noodzakelijk dat voor rechtspersonen die meerdere zorgkantoren onder zich hebben, de beheerskostenbudgetten per zorgkantoor worden berekend. Het verbindingskantoor zal binnen de wettelijke reserve uitvoering AWBZ een onderscheid moeten maken tussen de beheersreserve en de subsidiereserve. Een dergelijk onderscheid komt overeen met hetgeen de Regeling Financieel verslag van het College zorgverzekeringen voorschrijft. Het onderscheid geeft inzicht in wie verantwoordelijk is voor tekorten of overschotten en bevordert de transparantie.

In het zesde lid wordt geregeld dat het saldo van baten en lasten van de beheerskosten over een boekjaar en de ontvangen vergoedingen voor alle door hen verrichte werkzaamheden door het verbindingskantoor of het CAK aan de reserve dient te worden toegevoegd. Dit is nodig in verband met het inzicht in de financiële huishouding van het verbindingskantoor en het CAK. Het CAK en de verbindingskantoren voeren naast hun wettelijke taken immers ook taken uit welke zij van de uitvoeringsorganen AWBZ gemandateerd hebben gekregen.

Een zorgverzekeraar kan door de Minister van VWS als verbindingskantoor worden aangewezen krachtens artikel 40, eerste lid, AWBZ jo artikel 3, tweede lid, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering. De aanwijzing geschiedt telkens voor een periode van vier jaar. Sinds 1 januari 1998 vindt de aanwijzing van zorgkantoren plaats aan de hand van de regio-indeling in de Wet ziekenhuisvoorzieningen (WZV). In beginsel wordt per WZV-regio één zorgkantoor aangewezen. Ook het CAK wordt door de Minister van VWS krachtens artikel 16, eerste lid, AWBZ jo artikel 3, eerste lid, van het Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering aangewezen. Deze zorgverzekeraar dient dan ook een wettelijke reserve uitvoering AWBZ aan te houden. Het zorgkantoor of het CAK waarvan de aanwijzing wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, dient de reserve te verrekenen met het AFBZ. Artikel 4.5, zevende lid, bepaalt dat het College zorgverzekeringen ten behoeve van het AFBZ een vordering heeft ten belope van de reserve. Het is de bedoeling dat bij beëindiging van de aanwijzing een verbindingskantoor en het CAK een positieve reserve in het AFBZ stort. Een negatieve reserve AWBZ wordt ten laste van het AFBZ gebracht. Het zorgkantoor of het CAK dat een nieuwe aanwijzing krijgt, begint met een reserve van nul en gaat vanaf het moment dat het wordt aangewezen, zelf een reserve AWBZ opbouwen.

Artikel 4.6. Reserve AWBZ

Artikel 4.6 regelt de maximering van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ. De vorming van een reserve AWBZ door de verbindingskantoren en het CAK geschiedt uit publieke middelen. De wettelijke reserve uitvoering AWBZ heeft alleen betrekking op uitvoeringskosten en niet op kosten voor verstrekkingen. Hoewel de wettelijke reserve uitvoering AWBZ van een geheel andere omvang zal zijn dan de reserve Zfw is het noodzakelijk om soortgelijke bepalingen ten aanzien van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ op te nemen. Het beheerskostenbudget AWBZ wordt immers uit de publieke middelen betaald. Eerder is al aangegeven dat het wenselijk is dat het CAK en de verbindingskantoren over een reserve beschikken omdat hiermee onevenwichtigheden in de geldstromen vereffend kunnen worden. Hierdoor kan de continuïteit en de doelmatigheid worden bevorderd. De maximale omvang van de reserve dient zodanig te zijn dat dit doel wordt bereikt. Het is niet wenselijk om onnodig hoge reserves aan te houden.

Het maximum van de reserve uitvoering AWBZ ultimo enig jaar bedraagt voor het desbetreffende verbindingskantoor maximaal 20% en voor het CAK maximaal 5% van het beheerskostenbudget van dat jaar. Voor verbindingskantoren wordt een hoger percentage aangehouden, omdat die grotere schommelingen in kostenniveaus en extra activiteiten moeten kunnen opvangen, aangezien eventuele aanvullende middelen op macroniveau beschikbaar worden gesteld, die door het College zorgverzekeringen worden verdeeld. Het percentage voor het CAK stemt overeen met dat wat voor zelfstandige bestuursorganen (zbo's) wordt gehanteerd. Met de reserve wordt beoogd om de noodzaak tot het indienen van een suppletoire begroting te beperken.

Het College zorgverzekeringen stelt aan de hand van het financieel verslag van het verbindingskantoor en het CAK vast of er sprake is van overschrijding van het maximum van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ. Het meerdere dient binnen vier weken na vaststelling teruggestort te worden in het AFBZ. Na beoordeling van het financieel verslag door het College toezicht corrigeert het College zorgverzekeringen indien nodig de afrekening van het maximum met het betreffende verbindingskantoor of het CAK.

Nu het CAK en het verbindingskantoor een reserve mogen aanhouden, wordt er over deze reserve ook verantwoording afgelegd.

Artikel 4.7. Toezicht op opgaven

Artikel 4.7 regelt dat het College toezicht, toezicht uitoefent op de verbindingskantoren op dezelfde wijze als het dat deed in het kader van de beheerskosten ziekenfondsen. Dit houdt in dat, als bepaalde normen worden overschreden, er specifieker toezicht plaatsvindt. Bij de normen speelt de stand van de egalisatiereserve een rol. Een egalisatiereserve heeft als doel grote schommelingen in de opbrengsten en uitgaven op te vangen.

Als leidraad wordt aangehouden dat de egalisatiereserve alleen onder bijzondere omstandigheden een negatieve waarde mag aannemen en dat in alle gevallen waarin de egalisatiereserve onder nul komt, er specifieker toezicht plaatsvindt. Als de egalisatiereserve een te hoge waarde aanneemt, is dat ook reden voor specifieker toezicht.

Artikel 4.8. Betaalbaarstelling

Dit artikel regelt dat het College zorgverzekeringen de wijze van betaalbaarstelling van de uitkeringen bepaalt.

Artikel 4.9. Overgangsbepaling

Het Besluit financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering AWBZ, dat is opgenomen in dit hoofdstuk is in werking getreden met ingang van 1 januari 2005, maar wordt voor het eerst toegepast over het jaar 2006. Dit betekent, dat in het regime van dat besluit in het jaar 2005 besluiten kunnen zijn genomen over budgetten, beleidsregels en reserves, die doorwerken naar het jaar 2006. Dit artikel regelt dat dergelijke besluiten in het jaar 2005 worden aangemerkt als besluiten op grond van de desbetreffende artikelen van dit besluit.

Slotbepalingen

Artikel 5.1. Wijziging Besluit premiedifferentiatie WAO

In dit artikel wordt in de overgangsbepalingen in dit besluit nog de correctiefactor opgenomen voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO. Deze wijziging geldt met terugwerkende kracht (zie artikel 5.3, tweede lid) vanaf 1 september 2005. Zo wordt deze factor nog meegenomen in de berekening van de parameters door het UWV voor het jaar 2006, die echter in het najaar van 2005 plaatsvindt. (zie bij paragraaf 2 van hoofdstuk 2 in het algemene deel van deze toelichting).

Artikel 5.2. Intrekking algemene maatregelen van bestuur

In artikel 5.1 zijn de algemene maatregelen van bestuur opgenomen die kunnen worden ingetrokken omdat de inhoud van deze besluiten thans is opgenomen in het Besluit Wfsv en is afgezien van de in de Invoeringswet Wfsv voorziene doorwerking (zie artikel 43, eerste lid, van die wet). Het besluit premiedifferentiatie WAO hoeft niet te worden ingetrokken, omdat deze doorwerking niet is voorzien en de grondslag in de WAO wel komt te vervallen. De grondslag voor het Besluit beperking eigenrisicodragen WAO is gehandhaafd in de WAO en om die reden wordt dit besluit hierbij wel ingetrokken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 december 2005, nr. 242.