Besluit van 24 augustus 2005, houdende wijziging van het Warenwetbesluit algemene produktveiligheid en het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 juni 2005, VGP/P&L 2593222, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Economische Zaken en van Justitie;

Gelet op richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake de algemene productveiligheid (PbEG L11);

Gelet op de artikelen 11, eerste lid, 13, 21c, 25, vijfde lid, en 32b van de Warenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 7 juli 2005, nr. W13.05.0225/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 augustus 2005, VGP/P&L 2602844, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Ministers van Economische Zaken en van Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Warenwetbesluit algemene produktveiligheid wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, alsmede in artikel 2, eerste lid onderdeel a, wordt telkens «produkt» of «produkten» vervangen door: product onderscheidenlijk producten.

B

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. product: een waar, niet zijnde eet- of drinkwaar, die bestemd is voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de consument kan worden gebruikt ook al is het niet voor hem bestemd, en die in het kader van een handelsactiviteit tegen betaling of gratis wordt geleverd of beschikbaar gesteld, ongeacht of het nieuw, tweedehands of opnieuw in goede staat gebracht is;.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Dit besluit is niet van toepassing op producten, indien ten aanzien daarvan bij of ter uitvoering van een krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap tot stand gekomen bindende regeling specifieke bepalingen zijn vastgesteld die op hetzelfde doel zien als de eisen die bij of krachtens dit besluit worden gesteld.

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onder b, komt te luiden:

b. op de kenmerken van de door hem geleverde producten afgestemde maatregelen te nemen om:

1°. op de hoogte te kunnen blijven van mogelijke veiligheids- en gezondheidsrisico’s van deze producten;

2°. passende acties te kunnen ondernemen om mogelijke veiligheids- en gezondheidsrisico’s van deze producten te voorkomen, waaronder:

– het uit de markt nemen van het betrokken product;

– het passend en doeltreffend waarschuwen van de consument;

– het terugroepen van het betrokken product.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onder de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden onder meer begrepen:

    a. de vermelding, op het product of op de verpakking ervan, van de identiteit en de contactinformatie van de producent alsmede de referentie van het product, of in voorkomend geval, van de partij waartoe het product behoort, tenzij weglating van die vermelding gerechtvaardigd is;

    b. in alle gevallen waarin dat toepasselijk is:

    1°. het uitvoeren van steekproeven op in de handel gebrachte producten;

    2°. het onderzoek van klachten;

    3°. in voorkomend geval, het bijhouden van een klachtenregister;

    4°. in voorkomend geval, het inlichten van de distributeurs over de bewaking van de producten.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De distributeur neemt deel aan de bewaking van de veiligheid van de op de markt gebrachte producten, vooral door:

    a. informatie over de risico’s van producten door te geven;

    b. de nodige documentatie bij te houden en te verstrekken om de oorsprong van de producten op te sporen;

D

Na artikel 2 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

Het is verboden producten te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2b

  • 1. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a en 21b van de Warenwet wordt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen voor wat betreft:

    a. pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet pleziervaartuigen;

    b. luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel k, van de Wet luchtvaart, met uitzondering van de luchtvaartuigen, genoemd in artikel 1, derde lid, van het Besluit luchtvaartuigen.

  • 2. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a en 21b van de Warenwet wordt de Dienst Wegverkeer aangewezen voor wat betreft motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994, bestemd voor gebruik op voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden, aanhangwagens als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van die wet, onderdelen en uitrustingstukken van deze motorrijtuigen en aanhangwagens, alsmede voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, voor zover hieraan bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 eisen worden gesteld.

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a, 21b, 32a, 32e, 32f, 32g en 32h, van de Warenwet wordt Onze Minister van Economische Zaken aangewezen voor wat betreft randapparaten en radioapparaten als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.

  • 4. Met het toezicht op de naleving van het eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, met betrekking tot de daar genoemde waren, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren.

  • 5. Met het toezicht op de naleving van het derde lid met betrekking tot de daar genoemde waren, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken aangewezen ambtenaren.

Artikel 2c

Bij regeling van Onze Minister kan voor een product dat onder bepaalde omstandigheden een risico met zich meebrengt, worden bepaald dat op dat product in het Nederlands, op duidelijke wijze begrijpelijke waarschuwingen worden aangebracht met betrekking tot de risico’s die het kan opleveren.

E

In artikel 4 wordt «produktveiligheid» vervangen door: productveiligheid.

ARTIKEL II

De bijlage behorende bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten wordt als volgt gewijzigd:

A

In de inhoudsopgave wordt «B-1 «Warenwetbesluit algemene produktveiligheid» vervangen door:

B-1. Warenwetbesluit algemene productveiligheid.

B

In onderdeel A:

1. komen de onderdelen A-1.3 tot en met A-1.5 te vervallen;

2. worden onder vernummering van onderdeel A-3.4 tot A-6.1 vier nieuwe overtredingen ingevoegd, luidende:

A-4.1

art. 21b, lid 1

€ 680

€ 1360

A-4.2

art. 21b, lid 2

€ 680

€ 1360

A-4.3

art. 21b, lid 3

€ 680

€ 1360

A-5.1

art. 27, lid 3

€ 680

€ 1360

C

In onderdeel B wordt:

1. B-1 «Warenwetbesluit algemene produktveiligheid» vervangen door: B-1. Warenwetbesluit algemene productveiligheid;

2. aan de rubriek B-1 een nieuwe overtreding toegevoegd, luidende:

B-1.4

art. 2a

€ 450

€  900

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet tot wijziging van de Warenwet met het oog op de implementatie van richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PbEG L 11) (Kamerstukken II, 29 982, nr. 2) in werking treedt, met dien verstande dat artikel II niet eerder in werking treedt dan met ingang van acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 augustus 2005

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de zevenentwintigste oktober 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PbEG L11) (hierna ook te noemen: APV-richtlijn), vervangt de «oude» algemene productveiligheidsrichtlijn, richtlijn nr. 92/59/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid (PbEG L 228).

Met de wijziging van de Warenwet (Wet tot wijziging van de Warenwet met het oog op de implementatie van richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid) is een belangrijk deel van richtlijn 2001/95/EG uitgevoerd in de Nederlandse wetgeving.

Met de wijziging van de Warenwet wordt de implementatietermijn van 15 januari 2004 van de APV-richtlijn overschreden. Deze overschrijding brengt naar verwachting geen gevolgen met zich aangezien ook de huidige warenwetgeving een adequate bescherming kent van de veiligheid en gezondheid van de consument.

Volledige implementatie van de APV-richtlijn noopt evenwel tevens tot wijziging van het Warenwetbesluit algemene produktveiligheid. Het voorliggende besluit strekt daartoe.

In het Warenwetbesluit algemene produktveiligheid, zijn de zogenaamde «afgeleide verplichtingen» (artikel 3 van richtlijn 92/59/EEG; artikel 5 van de APV-richtlijn) voor de producent en distributeur geregeld. Deze verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de inrichting van de bedrijfsvoering. Deze moet zodanig zijn dat de producent bijvoorbeeld in staat zal zijn, zijn producten te traceren in het geval deze onveilig blijken en uit de handel moeten worden genomen dan wel bij de consument moeten worden teruggeroepen.

Tevens moet de producent in staat zijn de consument doeltreffend te waarschuwen. Daartoe dient de producent onder meer zijn producten van de noodzakelijke kenmerken te voorzien, in alle gevallen waarin dat toepasselijk is steekproeven te doen op reeds in de handel gebrachte producten, klachten te onderzoeken en distributeurs in te lichten over de in het kader van die activiteiten gedane bevindingen.

Producenten dienen de consument tevens de informatie te verstrekken die hem in staat stelt, zich een oordeel te vormen over de aan een product inherente risico’s gedurende de normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksduur indien deze risico’s zonder passende waarschuwing niet onmiddellijk herkenbaar zijn voor de consument. In feite gaat het hier om een algemene verplichting producten van zodanig (heldere) waarschuwingen en gebruiksaanwijzingen te voorzien dat een veilig gebruik van het product redelijkerwijs mag worden verwacht. In de regel zullen die waarschuwingen en gebruiksaanwijzingen dus in de Nederlandse taal moeten zijn. In uitzonderingsgevallen zal de aard (geringe complexiteit) en ernst van het risico het gebruik van eenduidige en heldere pictogrammen toelaatbaar achten.

Distributeurs moeten informatie over eventuele risico’s van door hen verhandelde producten doorgeven aan zowel consumenten als overige distributeurs.

De APV-richtlijn wijzigt en verduidelijkt bovenstaande verplichtingen op een aantal punten.

Zo gelden bovenstaande verplichtingen thans ook voor producten die niet voor de consument zijn bestemd maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij wel door hem kunnen worden gebruikt.

Duidelijk wordt ook dat de verplichtingen van toepassing zijn op producten waarvoor specifieke communautaire productveiligheidsvoorschriften (richtlijnen) bestaan zonder dat daarin vergelijkbare verplichtingen voor de producent of distributeur zijn opgenomen. De verplichtingen zelf worden uitgebreid. In bijna alle gevallen zal de producent naam, adres en «contactinformatie» moeten vermelden op het product. Hetzelfde geldt voor het bijhouden van een klachtenregister.

2. Administratieve lasten

De onderhavige wijziging van het Besluit voegt geen nieuwe verplichtingen toe voor het bedrijfsleven die leiden tot een toename van de administratieve lasten. Deze lasten van de nieuwe verplichtingen zijn al inzichtelijk gemaakt in het voorstel van wet tot wijziging van de Warenwet (TK 2004–2005, 29 982, nr. 3, blz. 8 en 9) met het oog op de implementatie van richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid.

Het besluit brengt geen verplichtingen met zich voor de burger die leiden tot administratieve lasten.

3. Transponeringstabel

Richtlijn

Nederlandse wet

Artikel 1, lid 1

Artikel 18, a Warenwet

Artikel 1, lid 2, b

Artikel 1, lid 3, Warenwetbesluit algemene productveiligheid (hierna: besluit)

Artikel 2, a

Artikel 1 Warenwet

Artikel 1, eerste lid, a, besluit

Artikel 2, b

Artikel 18, a Warenwet

Artikel 2, c

Artikel 18, a Warenwet

Artikel 2, d

Onderdeel van RAPEX systeem.

Behoeft geen implementatie.

Artikel 2, e

Artikel 1, lid 1, b besluit

Artikel 2, f

Artikel 1, lid 1, c besluit

Artikel 2, g

Artikel 21, lid 1, Warenwet

Artikel 2, h

Behoeft geen implementatie

Artikel 3, lid 1

Artikel 18a Warenwet

Artikel 3, lid 2

Artikel 18a Warenwet

Artikel 3, lid 3

Artikel 18, a Warenwet

Artikel 3, lid 4

Behoeft geen implementatie

Artikel 4

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 5, lid 1

Artikel 2, lid 1, besluit

Artikel 5, lid 2

Artikel 18, a Warenwet; artikel 2, lid 2, besluit

Artikel 5, lid 3

Artikel 21b, leden 1 en 2, Warenwet

Artikel 5, lid 4

Artikel 21b, lid 3, Warenwet

Artikel 6

Artikel 25–32n, Warenwet

Artikel 1 WED

Artikel 7

Artikel 1 WED

Artikel 32–32j Warenwet; artikel 2a (nieuw) besluit

Artikel 8, lid 1, a

Artikel 25–32 Warenwet

Artikel 8, lid 1, b

Artikel 4, 6, 8, 10, 15, 18, a, Warenwet

Artikel 2c (nieuw), besluit

Artikel 8, lid 1, c

Artikel 21 Warenwet

Artikel 8, lid 1, d

Artikel 15, 32k Warenwet

Artikel 17 e.v. WED

Artikel 8, lid 1, e

Artikel 4, 6, 8, 10, 13 en 15, Warenwet

Artikel 17 e.v., WED

Artikel 8, lid 1, f

Artikel 17 e.v. WED

Artikel 21, 32k–32n Warenwet

Artikel 8, lid 2 t/m lid 4

Behoeft geen implementatie

Artikel 9

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 10

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 11

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 12

RAPEX procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 13, lid 1, 2, 4 en 5

Bevoegdheid Europese Commissie: behoeft geen implementatie

Artikel 13, lid 3

Artikel 18, a Warenwet jo. artikel 1, lid 1, d Warenwet.

Artikel 14

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 15

Procedure: behoeft geen implementatie

Artikel 16

Artikel 21a, (nieuw) Warenwet; AWB en WOB

Artikel 17

Behoeft geen implementatie

Artikel 18

Jurisprudentie a. bvbb Algemene Wet Bestuursrecht

Artikel 19

Bevoegdheid/Verplichting Commissie: behoeft geen implementatie

Artikel 20 t/m 23

Behoeft geen implementatie

4. Artikelsgewijs

Artikel I

A

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de verouderde spelling van de woorden «product» en «producten» in het gehele besluit te vervangen door de huidige spelling.

B

Artikel 1

De nieuwe ruimere definitie van het begrip «product» in artikel 2, onder a, van de APV-richtlijn, leidt tot aanpassing van het begrip «product» in het eerste lid van artikel 1 van het besluit. Ook producten die expliciet niet zijn bestemd voor de consument, maar waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de consument kunnen worden gebruikt, vallen onder het toepassingsgebied van APV-richtlijn en daarmee onder dat van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid. Zelfs zuiver voor de professionele gebruiker bestemde waren, zullen derhalve – indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook de consument het product zou kunnen gebruiken, bijvoorbeeld omdat het hem via de voor hem toegankelijke handelskanalen (doe-het-zelf-winkels, postorderbedrijven, Tv-aanbod) wordt aangeboden – onder de werking van het besluit vallen. Ook al hetgeen via Internet wordt aangeboden, zal onafhankelijk van zijn primaire bestemming en ontwerp, in de regel onder het Warenwetbesluit vallen. Van deze producten mag immers worden aangenomen dat nu zij (mede) worden aangeboden in de huiskamer, de consument een potentiële afnemer en gebruiker is van deze waren. De ruimere definitie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het begrip «waren» in de Warenwet.

Uit artikel 1, tweede lid, van de APV-richtlijn vloeit voort, dat hetgeen in het Warenwetbesluit wordt geregeld van toepassing is op alle waren die vallen onder de definitie «product» van de APV-richtlijn.

Het besluit treedt terug voor zover er voor waren specifieke communautaire veiligheidsvoorschriften bestaan die op een gelijkwaardige wijze en met hetzelfde doel voor ogen, datgene wat in het besluit in algemene zin voorschrijft, in meer specifieke zin voor die waren regelt. Indien derhalve in bedoelde specifieke voorschriften voor bepaalde waren niet wordt voorzien in eerderbedoelde «afgeleide verplichtingen» voor de producenten en distributeurs, is het Warenwetbesluit onverkort van toepassing op die waren.

Artikel 1, tweede lid, van de APV-richtlijn noopt derhalve tot verduidelijking van het bepaalde in artikel 1, derde lid, van het Warenwetbesluit. Uit de voorgestelde nieuwe formulering blijkt duidelijker dan voorheen dat het besluit uitsluitend terugtreedt voor zover in specifieke communautaire voorschriften wordt voorzien in die aspecten welke het besluit in algemene zin regelt. Uit de oude formulering van artikel 1, derde lid, zou door het gebruik van het begrip «veiligheidseisen» ten onrechte kunnen worden geconcludeerd dat zodra er voor bepaalde waren specifieke productveiligheidseisen (dus eisen aan het product) bestaan, de in het besluit geregelde «afgeleide verplichtingen» niet meer van toepassing zijn.

Andersom wordt door de nieuwe formulering tevens duidelijker dat indien in de specifieke voorschriften voorzien wordt in bedoelde «afgeleide verplichtingen» met betrekking tot een bepaalde groep waren, het dienaangaande bepaalde in het Warenwetbesluit niet van toepassing is op die waren.

Ter uitwerking van de verhouding tussen de APV-richtlijn en een aantal specifieke richtlijnen heeft de Europese Commissie in november 2003 een document uitgebracht getiteld «Gids over de relatie tussen de richtlijn inzake algemene productveiligheid (RAPV) en bepaalde sectorale richtlijnen met bepalingen inzake productveiligheid».

C

Artikel 2

In artikel 5, eerste en tweede lid, van de APV-richtlijn worden de «afgeleide verplichtingen» van de producent en distributeur uitgebreid. Zo moeten producenten zodanige maatregelen nemen ten aanzien van hun bedrijfsvoering en producten, dat zij niet alleen in staat zullen zijn een product uit de handel te nemen of de consument doeltreffend te waarschuwen, maar tevens in staat zullen zijn een product terug te roepen dat reeds in handen van de consument is (terugroepactie).

Tot die maatregelen behoort het aanbrengen op het product of de verpakking daarvan, van «de identiteit en de contactinformatie» van de producent. Dit betekent dat naam en adres van de producent dienen te worden vermeld alsmede de informatie hoe de producent kan worden benaderd (postbus, e-mail, of telefoonnummer). Dergelijke maatregelen zijn niet nodig indien weglating van de bedoelde informatie met betrekking tot de producent «gerechtvaardigd is». Gelet op het doel van de verplichting, zal weglating niet snel gerechtvaardigd zijn en zich slechts dan voordoen wanneer vermelding van de informatie nutteloos is in verband met de afwezigheid van enig denkbaar risico verbonden aan het product in kwestie.

Producenten dienen tevens, in die gevallen waar dat toepasselijk is, een klachtenregister bij te houden. In de regel zal dus iedere producent gehouden zijn een dergelijk register bij te houden tenzij door hem aannemelijk kan worden gemaakt dat het bijhouden van een register zinloos is met het oog op het voorkomen van (verdere) risico’s, de bescherming van consumenten, het nemen van maatregelen tegen de producten in kwestie en het doorgeven van informatie aan distributeurs en overheid. In dat verband wordt ook gewezen op de meldingsplicht voor producenten en distributeurs van door hen verhandelde producten waarvan zij weten of hadden moeten weten, dat deze een gevaar opleveren (artikel 5, derde lid, van de APV-richtlijn).

Ook de verplichtingen van de distributeur worden ingevolge artikel 5, tweede lid, van de APV-richtlijn uitgebreid. Zo dienen zij de nodige documentatie bij te houden en deze te verstrekken aan de toezichthoudende overheid om aldus de overheid beter in staat te stellen de oorsprong van gevaarlijk gebleken producten op te sporen. Op dit onderdeel vormt artikel 2 de nadere uitwerking van artikel 21b van de Warenwet waarin wordt bepaald dat de informatie beschikbaar dient te worden gesteld aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ofwel een in het kader van artikel 21c van de Warenwet aangewezen andere Minister of bestuursorgaan. Voor wat betreft de informatie die moet aangeleverd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de Voedsel en Waren Autoriteit worden aangewezen als de bevoegde instantie om deze informatie in ontvangst te nemen.

Tevens dienen de distributeurs alle maatregelen binnen hun bedrijfsvoering te treffen die noodzakelijk zijn om, waar nodig, tot een doeltreffende samenwerking met zowel de overheid, de producent als mededistributeurs te komen in het geval van in de handel gebrachte gevaarlijk gebleken producten.

Uit artikel 21c, dat is geïntroduceerd bij de wet tot wijziging van de Warenwet met het oog op de implementatie van richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PbEG L 11) (kamerstukken II, 29 982, nr. 2), dat de werking van artikel 2b van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid is beperkt tot waren die in de particuliere sfeer kunnen worden gebruikt.

D

Artikel 2a

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt een in de handhavingpraktijk gebleken omissie te herstellen. Tevens noodzaakt artikel 7 van de APV-richtlijn tot het nieuwe artikel 2a van het besluit. Artikel 7 stelt immers dat sancties moeten worden vastgesteld voor inbreuken op het bepaalde in de richtlijn en dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Bij de implementatie van richtlijn 92/59/EEG was abusievelijk verzuimd een verbodsbepaling met betrekking tot de in het Warenwetbesluit algemene productveiligheid opgenomen verplichtingen. Het niet nakomen van deze verplichtingen door producent of distributeur kende dientengevolge geen sanctiemogelijkheid. In artikel 2a wordt daarom de verhandeling verboden van producten ten aanzien waarvan het bepaalde in het besluit niet in acht is genomen.

Artikel 2b

In dit artikel worden de verantwoordelijkheden van de Minister van Verkeer en Waterstaat, de Dienst Wegverkeer als zelfstandig bestuursorgaan, en de Minister van Economische Zaken ten aanzien van het gelasten van een terugroepactie van waren die reeds in het bezit van de eindgebruiker zijn en naar het oordeel van de minister een gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens (artikel 21 van de Warenwet), het verstrekken van informatie (artikel 21a van de Warenwet), het melden door het bedrijfsleven van waren waarvan de onveiligheid bekend is of bekend had moeten zijn bij degene die de waren verhandelt of heeft verhandeld (artikel 21b van de Warenwet), opgenomen. Het betreft voer-, vaar- en luchtvaartuigen. Verder betreft het radioapparaten en randapparaten in de zin van artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. Voorbeelden hiervan zijn (mobiele) telefoons, routers, radiotoestellen en babyfoons.

Het betreft uiteraard producten die waren zijn in de zin van artikel 2 van de APV-richtlijn, dat wil zeggen dat het gaat om producten die bestemd zijn voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat die door de consument kunnen worden gebruikt.

Tevens wordt aan de Minister van Economische Zaken de bevoegdheid toegekend een bestuurlijke boete op te leggen ter zake van het handelen in strijd met artikel 21b, voor zover dat handelen betrekking heeft op de in het derde lid bedoelde waren.

Artikel 2c

In dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 8, eerste lid, onderdeel b, i) van de APV-richtlijn dat bepaald dat voor producten die onder bepaalde omstandigheden een risico met zich meebrengen, kan worden geëist dat waarschuwingen over dit risico in de officiële talen van de lidstaat worden gesteld.

E

In artikel 4 wordt de verouderde spelling van het woord «produktveiligheid» aangepast.

Artikel II

Met de introductie van artikel 21b, eerste en tweede lid, van de Warenwet (meldingsplicht voor verhandelaren van gevaarlijke producten) en artikel 2a van het Warenwetbesluit algemene productveiligheid zijn er vier nieuwe omschrijvingen van overtredingen van bij of krachtens de Warenwet gestelde voorschriften, ontstaan.

In de bijlage van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten, is omschreven voor welke overtredingen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een bestuurlijke boete kan opleggen. Met voorliggende bepaling worden de nieuwe omschrijvingen en de daarbij behorende boetebedragen toegevoegd aan de bijlage van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.

Artikel III

Artikel 32b, tweede lid, bepaalt dat het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten niet eerder in werking treedt dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. In verband hiermee treedt de onderhavige wijziging van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten acht weken later in werking.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven