Besluit van 18 augustus 2005, houdende wijziging van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers in verband met een nieuwe financieringssystematiek vanaf 1 januari 2005

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van 28 juni 2005, nr. 5361312/05/6;

Gelet op artikel 16 van de Wet inburgering nieuwkomers, en artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 21 juli 2005, nr. W03.05.0289/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van 12 augustus 2005, nr. 5367837/05/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:

a. Onder verlettering van de onderdelen f, g, h en i tot d, e, f en g vervallen de onderdelen d en e.

b. Onderdeel g komt te luiden:

g. rijksbijdrage: de bijdrage die Onze Minister aan een gemeente verstrekt ten behoeve van educatieve programma’s, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet en ten behoeve van het geheel van de activiteiten, bedoeld in artikel 16 van de wet.

B

Artikel 2 wordt gewijzigd als volgt:

a. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend op de grondslag van:

    a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen uitgereikt in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, en

    b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.

b. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onze Minister bepaalt de hoogte van het bedrag dat beschikbaar is per verklaring, respectievelijk beschikking omtrent een inburgeringsprogramma.

c. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( a x b ) + ( c x d ) ] waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter a: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;

    – met de letter b: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid beschikbaar is per verklaring;

    – met de letter c: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    – met de letter d: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma.

d. Het vijfde lid vervalt.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3. Verlening van het voorschot op de rijksbijdrage

  • 1. Onze Minister verleent jaarlijks een voorschot op de rijksbijdrage aan een gemeente.

  • 2. Het voorschot wordt berekend op de grondslag van:

    a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;

    b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat tweede jaar een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.

  • 3. Het voorschot voor een gemeente wordt berekend met de formule [ ( e נf ) + ( g נh ) ] נi waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter e: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;

    – met de letter f: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;

    – met de letter g: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    – met de letter h: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;

    – met de letter i: de jaarlijks door Onze Minister vastgestelde correctiefactor.

  • 4. Het voorschot wordt vastgesteld voor 1 oktober voorafgaande aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.

  • 5. Het voorschot wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. Het voorschot kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.

D

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4. Verstrekking en waarmerking gegevens; vaststelling rijksbijdrage

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders deelt Onze Minister voor 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen mede. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet voor de in het eerste lid genoemde termijn door Onze Minister zijn ontvangen, wordt het college van burgemeester en wethouders binnen een door Onze Minister te bepalen termijn in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.

  • 3. Indien Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid niet voor 1 juli van het in het eerste lid bedoelde jaar heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nihil.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast voor 1 oktober van het jaar volgend op het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.

  • 5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde rijksbijdrage kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het desbetreffende jaar.

  • 6. Het bedrag van de vastgestelde rijksbijdrage wordt binnen twaalf maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald onder verrekening van het ingevolge artikel 3, eerste lid, aan die gemeente verleende voorschot.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

  • 8. Ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid stelt Onze Minister een controleprotocol vast. Aan Onze Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de controlerapporten van de accountant.

E

Artikel 5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In geval van samenwerking als bedoeld in het eerste lid, dragen de samenwerkende gemeenten aan een van hen de bevoegdheid over tot het ontvangen van de rijksbijdragen, het inzenden van een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdragen zijn verstrekt en de verstrekking van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de in artikel 7, eerste lid, bedoelde aanvullende inlichtingen.

F

In artikel 6 wordt: «1 juli» vervangen door: 1 april.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. Verstrekking van inlichtingen

  • 1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente verstrekt desgevraagd aan Onze Minister aanvullende inlichtingen omtrent de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en het gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven inzake de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.

H

Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10. Berekening van het voorschot voor het jaar 2005

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, wordt het voorschot voor het jaar 2005 voor een gemeente berekend op de grondslag van:

    a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in 2003;

    b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    c. de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde voorschot wordt berekend met de formule a = { [ ( b נc ) + ( d נe ) ] נf } – ½ g waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter a: het voorschot voor het jaar 2005 voor een gemeente;

    – met de letter b: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in 2003;

    – met de letter c: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;

    – met de letter d: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2003 het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    – met de letter e: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;

    – met de letter f: de door Onze Minister vastgestelde correctiefactor voor het jaar 2005;

    – met de letter g: de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.

  • 3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen a en g niet kleiner zijn dan nul.

  • 4. Het voorschot voor het jaar 2005 wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, vastgesteld een maand na plaatsing van dit besluit in het Staatsblad.

I

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11. Berekening van de rijksbijdrage voor het jaar 2005

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een gemeente berekend op de grondslag van:

    a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen uitgereikt in 2005;

    b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2005 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen, en

    c. de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage wordt berekend met de formule h = [ ( i נj ) + ( k נl ) ] – ½ m waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter h: de rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een gemeente;

    – met de letter i: het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in 2005;

    – met de letter j: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;

    – met de letter k: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2005 het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    – met de letter l: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;

    – met de letter m: de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.

  • 3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen h en m niet kleiner zijn dan nul.

J

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12. Algemene overgangsbepaling

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 verstrekt Onze Minister uiterlijk 1 april 2006 aan een gemeente een eenmalige aanvullende rijksbijdrage. Deze rijksbijdrage wordt berekend op de grondslag van:

    a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen, uitgereikt in 2003 en 2004;

    b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen;

    c. de door een gemeente per 31 december 2004 opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen; en

    d. het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen aan gemeenten op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage aan een gemeente voor 2004, verminderd met de in artikel 2a bedoelde rijksbijdrage aan die gemeente.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule: n = [ { ( o x p ) + ( q x r ) } – ( s + t ) ] – ½ u waarin wordt voorgesteld:

    – met de letter n: de rijksbijdrage als bedoeld in het eerste lid;

    – met de letter o: het door het college van burgemeester en wethouders ontvangen aantal afschriften van verklaringen in 2003 en 2004;

    – met de letter p: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;

    – met de letter q: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking heeft genomen;

    – met de letter r: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een inburgeringsprogramma;

    – met de letter s: de som van de verleende rijksbijdragen voor de jaren 2003 en 2004 voor een gemeente;

    – met de letter t: het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen aan gemeenten op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage die voor het jaar 2004 aan een gemeente is toegekend, verminderd met de in artikel 2a bedoelde rijksbijdrage voor die gemeente; en

    – met de letter u: de door Onze Minister geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.

  • 3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen n en u niet kleiner zijn dan nul.

K

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13. Overgangsbepaling ten aanzien van het gemeentelijk verslag met betrekking tot 2004 en de verantwoording van de rijksbijdrage 2004

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 6, zendt het college van burgemeester en wethouders voor 1 juli 2005 aan Onze Minister een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, deelt het college van burgemeester en wethouders Onze Minister het in artikel 2, eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen met betrekking tot het jaar 2004 mede voor 1 juli 2005. De gegevens zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn zijn verstrekt, stelt Onze Minister het college van burgemeester en wethouders in de gelegenheid deze binnen drie weken alsnog te verstrekken.

  • 4. Indien het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn verstrekt, wordt de rijksbijdrage voor het jaar 2004 volgens artikel 2 berekend, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de helft van het aantal verklaringen en beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma op grond waarvan de rijksbijdrage voor die gemeente is berekend in 2001.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders dient bij Onze Minister voor 1 juli 2005 een financiële verantwoording in waaruit blijkt:

    a. dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 rechtmatig is aangewend;

    b. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;

    c. of, en zo ja op welke wijze, het deel van de rijksbijdrage 2004 dat was bestemd voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet;

    d. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

    e. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is bestemd voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de Welzijnswet 1994;

    f. of, en zo ja op welke wijze, een gedeelte van de rijksbijdrage 2004 is gereserveerd ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de wet of ten behoeve van het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de wet;

    g. in voorkomende gevallen de stand van de reserveringen en de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve, alsmede,

    h. in voorkomende gevallen dat het college van burgemeester en wethouders middelen die zijn verstrekt op grond van de Welzijnswet 1994 of op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs wat opleidingen educatie betreft, heeft aangewend voor inburgering van nieuwkomers.

  • 6. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 7. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5 vermeldt de gemeente die de rijksbijdragen voor het jaar 2004 verantwoordt in de financiële verantwoording de verdeling van de in artikel 2 bedoelde aantallen verklaringen en genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma over de samenwerkende gemeenten.

  • 8. In geval toepassing is gegeven aan artikel 5 vermeldt de in het zevende lid bedoelde gemeente in de financiële verantwoording de bedragen die zijn ontvangen van de andere gemeente of gemeenten alsmede de in de artikel 2, eerste lid, bedoelde gegevens met betrekking tot die andere gemeente of gemeenten.

  • 9. Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, is niet van toepassing met betrekking tot de voor een gemeente vastgestelde rijksbijdrage voor het jaar 2004.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2005.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 18 augustus 2005

Beatrix

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Uitgegeven de dertigste augustus 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Sinds de invoering van de Wet inburgering nieuwkomers (hierna: WIN) worden gemeenten bekostigd volgens de zogenaamde t-2 systematiek. Ingevolge deze systematiek wordt het landelijk beschikbare budget voor inburgering nieuwkomers in het jaar t over de gemeenten verdeeld naar rato van de inburgeringsprestaties in het jaar t-2.

Met ingang van het jaar 2005 worden de door het Rijk beschikbaar te stellen inburgeringsmiddelen met betrekking tot zowel nieuw- als oudkomers voor de grote steden (hierna: G30) ingebracht in het grote stedenbeleid. De inburgeringsmiddelen voor de G30 vormen vanaf 2005 een onderdeel van de Brede Doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid (hierna: BDU SIV) en worden geregeld door het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. Overigens is ook na inwerkingtreding van laatstgenoemd besluit het Bekostigingsbesluit nog van toepassing op alle gemeenten, dus ook op de G30-gemeenten. De rijksbijdrage voor de inburgering van nieuwkomers voor de G30 is echter op grond van het Bekostigingsbesluit op nihil gesteld daar de G30 worden bekostigd via de BDU SIV.

De BDU SIV kent een systeem van bevoorschotting met een vaststelling van de rijksbijdrage achteraf. Binnen dit systeem is ervoor gekozen om voor zowel de inburgering van nieuwkomers als de inburgering van oudkomers over te gaan naar een systeem van outputfinanciering. Bij outputfinanciering krijgt de gemeente in het jaar t een voorschot voor de te leveren prestatie en wordt de definitieve financiële vergoeding daarvoor achteraf (in het jaar t+1) vastgesteld op basis van de in het jaar t daadwerkelijk geleverde prestatie.

Vanwege de gewenste eenheid van beleid en uitvoering tussen de G30 en de overige gemeenten, die samenhangt met de wens de administratieve lastendruk voor gemeenten zoveel mogelijk te beperken, is ervoor gekozen om ook voor de overige gemeenten de inburgering van nieuwkomers te laten aansluiten op een systeem van outputfinanciering. Derhalve wordt met ingang van 2005 overgegaan van de huidige t-2 systematiek naar een systeem van outputfinanciering.

Voor gemeenten heeft de overgang naar een systeem van outputfinanciering als voordeel dat hierdoor zeker wordt gesteld dat zij voldoende financiële middelen van het Rijk krijgen om de wettelijk opgelegde taak met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers uit te voeren.

2. Financieel kader

Het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers kent de mogelijkheid voor gemeenten om gelden, die niet zijn aangewend ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers, te reserveren. Op deze wijze hebben gemeenten onregelmatigheden in de ontvangen rijksbijdrage inburgering nieuwkomers ten gevolge van fluctuaties in het aantal nieuwkomers kunnen opvangen. Sinds de invoering van de WIN hebben veel gemeenten gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gelden te reserveren. Eind 2003 bedroegen de totale reserves van gemeenten ongeveer € 93 miljoen.

De mogelijkheid tot reserveren was bedoeld om schommelingen in het aantal nieuwkomers en in het macro-budget op te kunnen vangen, wat door de introductie van een systeem van outputfinanciering niet meer noodzakelijk is. Gemeenten ontvangen immers voor alle uitgevoerde inburgeringstrajecten een vergoeding, deels vooraf (voorschot) en deels achteraf (vaststelling van de bijdrage).

De bij de gemeenten opgebouwde reserves zijn gevormd met door het Rijk beschikbaar gestelde middelen voor de inburgering van nieuwkomers. Het ligt, gezien de omvang van de opgebouwde reserves, voor de hand dat deze reserves worden ingezet om de dienstverlening van gemeenten op peil te houden, nu het landelijke budget afneemt.

Voor de inburgering van nieuwkomers in 2005 is vanuit het Rijk een bedrag van ongeveer € 100 miljoen beschikbaar. Rekening houdend met de geraamde instroom van nieuwkomers wordt een inzet van € 130 miljoen reëel geacht. Van gemeenten die eind 2004 nog over reserves beschikten, wordt verwacht dat zij hiervan in 2005 de helft in zetten voor de inburgering van nieuwkomers. Bij de voorschotverlening in 2005 wordt rekening gehouden met een inzet van een bedrag van ongeveer € 30 miljoen door gemeenten uit die reserves.

3. Outputkarakter financiering

Voor de bekostiging van gemeenten is gekozen voor een directe vorm van outputfinanciering. Dit houdt in dat gemeenten individueel worden gefinancierd voor de door hen gerealiseerde inburgeringsprogramma’s. In het jaar t+1 wordt de rijksbijdrage voor het jaar t voor elke gemeente afzonderlijk vastgesteld op basis van de in jaar t gerealiseerde prestaties. Grondslag voor berekening van de rijksbijdrage blijft het aantal ontvangen afschriften van verklaringen van een onderwijsinstelling dat het educatieve programma in het jaar t is afgerond en het aantal door een gemeente genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma in het jaar t.

Deze grondslag sluit aan bij de huidige bekostigingssystematiek en hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat gemeenten hun administratieve processen moeten aanpassen.

Uitgaande van een normbedrag per traject, zal een normbedrag per beschikking respectievelijk een normbedrag per verklaring worden bepaald. Op deze wijze wordt de door de gemeente geleverde prestatie vertaald naar de rijksbijdrage.

Door de invoering van de outputfinanciering voor de inburgering van nieuwkomers vervalt de mogelijkheid om inburgeringsmiddelen in te zetten voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. De mogelijkheid om educatiegelden in te zetten voor inburgering van nieuwkomers blijft op grond van artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs van kracht. Dit betekent dat inburgeringstrajecten voor nieuwkomers (de educatieve component) voorgefinancierd kunnen worden uit de educatiemiddelen.

Bij de afrekening van de outputfinanciering worden de gerealiseerde inburgeringstrajecten verrekend met de voorschotten van de inburgeringsgelden voor nieuwkomers van de gemeenten. Omdat er geen financiële verantwoording van de inburgeringsmiddelen wordt gevraagd, worden de middelen die vanuit de educatie zijn ingezet daar niet meer inzichtelijk gemaakt. Daarom kunnen de educatiemiddelen niet betrokken worden bij de afrekening. Dit betekent dat de inburgeringstrajecten die zijn gefinancierd vanuit de educatiegelden twee keer worden bekostigd: financiering vanuit de educatie èn bij de afrekening van de outputfinanciering. De op die manier verkregen middelen dienen gemeenten in het jaar van de afrekening of in het daaropvolgende jaar in te zetten voor educatie.

De verantwoording van de educatiemiddelen zal hierop worden aangepast.

4. Overgangsbepaling

Gemeenten werden tot op heden bekostigd op basis van de zogenaamde t-2-systematiek. Volgens die systematiek zouden gemeenten die in 2003 of in 2004 bovengemiddeld hebben gepresteerd, dat wil zeggen meer beschikkingen en verklaringen hebben afgegeven dan op basis van de gegevens over het jaar 2001 en 2002 mocht worden verwacht, daarvoor in het jaar 2005 respectievelijk 2006 worden gecompenseerd. Met de overgang naar een systeem van outputfinanciering per 1 januari 2005 vervalt deze mogelijkheid. Om gemeenten toch voor bovengemiddelde prestaties te compenseren, wordt voorzien in een overgangsbepaling.

Gemeenten die in 2003 en of 2004 een bovengemiddelde prestatie hebben geleverd, krijgen hiervoor een eenmalige rijksbijdrage. Daartoe wordt de rijksbijdrage die een gemeente heeft ontvangen in 2003 en 2004 vergeleken met de rijksbijdrage waarop die gemeente op grond van het systeem van outputfinanciering recht zou hebben gehad. Indien de virtuele bekostiging op basis van outputfinanciering in de periode 2003–2004 hoger is dan de in 2003 en 2004 daadwerkelijk ontvangen rijksbijdragen, dan wordt de gemeente voor dit verschil gecompenseerd. Van gemeenten die nog over een WIN-reserve beschikken, wordt verondersteld dat zij hun eventuele recht op compensatie primair uit de eigen reserve financieren. De financiële compensatie van het Rijk beperkt zich tot het eventuele restant.

5. Financiële gevolgen

Dit besluit verdeelt middelen die de begrotingswetgever beschikbaar stelt voor de inburgering van nieuwkomers.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

De begripsbepaling ten aanzien van de Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers 1998 kan vervallen, daar in het gewijzigde Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers niet meer naar deze regeling wordt verwezen.

Voorts is de term rijksbijdrage gedefinieerd. Daarmee kan het onderscheid dat in het oude Bekostigingsbesluit nog werd gemaakt tussen een rijksbijdrage ten behoeve van de educatieve programma’s en een rijksbijdrage ten behoeve van de welzijnscomponent vervallen. Dit onderscheid hield verband met het feit dat de inburgeringsmiddelen afkomstig waren van twee te onderscheiden begrotingen. Thans zijn alle inburgeringsmiddelen afkomstig van de begroting van het Ministerie van Justitie.

Artikel I, onderdelen B en C

In deze onderdelen komt tot uitdrukking dat de rijksbijdrage wordt berekend aan de hand van een systeem van outputfinanciering, gecombineerd met een systeem van voorschotverlening.

Onderdeel B wijzigt het referentiejaar voor de berekening van de rijksbijdrage. Het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, wordt nu het referentiejaar. Maatstaf blijft het daadwerkelijke aantal ontvangen afschriften van verklaringen en de werkelijk genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de desbetreffende gemeente. De relatie met het landelijke aantal ontvangen afschriften van verklaringen, respectievelijk genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma wordt geschrapt nu het beschikbare budget meebeweegt met de prestaties van de gemeenten.

Tevens wordt de aanhef van de leden 1 en 3 gewijzigd waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat er sprake is van één rijksbijdrage en niet van twee te onderscheiden rijksbijdragen.

Onderdeel C regelt het systeem van voorschotverlening. Verlening van een voorschot is noodzakelijk daar gemeenten in het systeem van outputfinanciering pas achteraf gefinancierd worden voor hun werkzaamheden. De voorschotverlening geschiedt op dezelfde grondslag als die voor berekening van de rijksbijdrage met dien verstande dat uitgegaan wordt van de gegevens van het jaar t-2. Daarnaast wordt een correctiefactor toegepast die jaarlijks wordt vastgesteld. Deze factor is bedoeld om het totaal aan te verlenen voorschotten in balans te brengen met de door de begrotingswetgever voor het jaar t beschikbaar gestelde middelen, welke zijn gebaseerd op de geraamde instroom van nieuwkomers in het jaar t.

Artikel I, onderdeel D

In artikel 4, eerste lid, wordt het moment waarop gemeenten hun prestaties op het gebied van inburgering kenbaar maken, vervroegd naar 1 april. Hiermee is beoogd beter aan te sluiten bij de begrotingscyclus van het Rijk.

Ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 4 dienen uiterlijk 1 juli de outputgegevens te zijn ontvangen. Indien een gemeente de outputgegevens niet tijdig aanlevert, wordt de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar op nihil vastgesteld. Immers als een gemeente geen inzicht geeft in de prestaties kan de output niet worden bepaald en kan dientengevolge de rijksbijdrage niet worden vastgesteld.

Als gevolg hiervan verdwijnt de mogelijkheid van het huidige derde lid van artikel 4 om gemeenten toch nog een rijksbijdrage te verstrekken indien gemeenten geen outputgegevens ten aanzien van een bepaald jaar inleveren.

Tenslotte wordt bepaald dat de rijksbijdrage binnen twaalf maanden na de vaststelling ervan wordt betaald onder verrekening van het voor het desbetreffende jaar verleende voorschot.

Artikel I, onderdeel E

De indiening van een financiële verantwoording, waarbij de rechtmatige aanwending van de rijksbijdrage centraal staat, komt te vervallen omdat een dergelijke verantwoording niet meer noodzakelijk is in een systeem van outputfinanciering. In plaats daarvan wordt volstaan met een verantwoording door gemeenten van de geleverde prestaties. Een systeem van outputfinanciering kent in zichzelf reeds een verantwoording. Immers, de definitieve vaststelling van de rijksbijdrage geschiedt op basis van de door een gemeente geleverde prestaties die zijn gewaarmerkt door een verklaring van de accountant omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid.

Nieuw is de overdracht van de verstrekking van nadere inlichtingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

Artikel I, onderdeel F

Dit artikel verplicht de gemeente jaarlijks een verslag over het gevoerde inburgeringsbeleid uit te brengen. Om beter aan te sluiten bij de jaarlijkse rapportagecyclus van het Rijk en om de verzameling van gegevens met betrekking tot oud- en nieuwkomers te harmoniseren, is de termijn van indiening vervroegd van 1 juli naar 1 april.

Artikel I, onderdeel G

Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, is een financiële verantwoording, waarbij de rechtmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage centraal staat, niet meer nodig bij een systeem van outputfinanciering, zodat de bepalingen omtrent de indiening van een financiële verantwoording kunnen worden geschrapt. Indien de Minister aanvullende informatie nodig acht omtrent de door een gemeente ingediende maatstafgegevens en het door een gemeente ingediende verslag over de inburgeringsactiviteiten biedt dit artikel de Minister de mogelijkheid die informatie te vragen. Het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid kent een soortgelijke bepaling.

Artikel I, onderdeel H

Met betrekking tot het voorschot voor het jaar 2005 is een van artikel 3 afwijkende regeling noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de helft van de per 31 december 2004 geraamde reserves bij de gemeenten wordt ingezet voor de inburgering van nieuwkomers in 2005.

Voorts wordt in afwijking van de algemene regeling van artikel 3 het voorschot voor het jaar 2005 een maand na publicatie van dit besluit in het Staatsblad vastgesteld.

Artikel I, onderdeel I

Daar voor het voorschot voor het jaar 2005 een van de hoofdregel afwijkende regeling noodzakelijk is, dient ook een aparte bepaling te worden opgenomen voor de berekening van de rijksbijdrage voor het jaar 2005. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de helft van de definitief vastgestelde reserves bij de gemeenten wordt ingezet.

Artikel I, onderdeel J

Om voor de gemeenten de overgang van de oude naar de nieuwe systematiek soepeler te laten verlopen, is een overgangsregime gecreëerd. Dit overgangsregime houdt in dat gemeenten zoveel mogelijk worden gecompenseerd voor hun eventueel betere prestaties in de jaren 2003 en 2004. In de t-2 systematiek zouden de gemeenten in respectievelijk de jaren 2005 en 2006 worden gecompenseerd voor de bovengemiddelde prestaties in de jaren 2003 en 2004. Die bovengemiddelde prestaties zouden zonder een specifieke regeling immers via de overgang van een t-2 systematiek naar een systematiek van outputfinanciering niet meer worden beloond, omdat de mogelijkheid daartoe vervalt. Tevens worden de nog bestaande reserves bij gemeenten hierin betrokken.

Per gemeente wordt het verschil vastgesteld tussen een bekostiging op basis van de oude t-2 systematiek en een bekostiging op basis van de nieuwe outputfinanciering. Allereerst wordt met betrekking tot 2003 en 2004 vastgesteld hoeveel beschikkingen (inclusief vrijstellende beschikkingen) er per gemeente zijn afgegeven en hoeveel verklaringen. Vervolgens wordt bezien wat de gemeenten in 2003 en 2004 ontvangen zouden hebben in het geval er dan reeds bekostigd zou zijn door middel van een systeem van outputfinanciering, zoals dat vanaf 2005 geldt.

Artikel I, onderdeel K

Met betrekking tot de verantwoording van de rijksbijdrage voor het jaar 2004 is een overgangsregeling noodzakelijk, welke inhoudt dat deze verantwoording nog geschiedt volgens de oude regels (artikel 7 oud). De rijksbijdrage voor het jaar 2004 is immers reeds vastgesteld en de verantwoording kan derhalve niet geschieden op dezelfde wijze als in het nieuwe systeem van outputfinanciering.

Voorts is bepaald dat de indiening van het aantal verklaringen en beschikkingen en het gemeentelijk verslag met betrekking tot 2004 nog geschiedt met inachtneming van de oude termijnen (1 juli). Dit houdt verband met het feit dat het onderhavige besluit is gepubliceerd op een tijdstip waarop het voor gemeenten niet meer mogelijk is om voor 1 april 2005 aan voornoemde verplichtingen te voldoen.

Artikel II

Het gewijzigde Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers treedt in werking per 1 januari 2005.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven