Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2005, 423Wet

Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met de invoering van lumpsumbekostiging in het primair onderwijs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot vergroting van de autonomie van bevoegde gezagsorganen van scholen in het primair onderwijs en tot deregulering als middelen ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, dat het daarvoor wenselijk is dat lumpsumbekostiging voor scholen in het primair onderwijs wordt ingevoerd en dat het in dat kader eveneens wenselijk is om de zeggenschaps- en medezeggenschapsverhoudingen aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

In de Wet op het primair onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 1 wordt in de omschrijving van «personeel» in onderdeel a «en» vervangen door een komma en wordt na «het geven van onderwijs» toegevoegd: , het personeel dat is benoemd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

B

Artikel 19, tweede lid, onderdeel b, wordt vervangen door:

b. de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, en artikel 132, en het daaraan gerelateerde personeel wordt ingezet, alsmede de basisscholen waaraan de bekostiging, bedoeld in artikel 132, wordt overgedragen,.

C

In artikel 20 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, onderdeel e, wordt «formatierekeneenheden» vervangen door: de bekostiging voor zorgvoorzieningen.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «de in artikel 122, eerste lid onder c, bedoelde formatie» vervangen door: de bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid,.

D

In artikel 29 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De laatste volzin van het eerste lid wordt vervangen door: De directeur van een school kan tevens directeur zijn van een andere school of van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

2. Onder vernummering van het vijfde en het zesde lid tot het zesde en het zevende lid, wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidend:

  • 5. Het bevoegd gezag kan tevens personeel, dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, benoemen of te werk stellen zonder benoeming.

3. Na het zevende lid wordt toegevoegd:

  • 8. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van dat personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de eerste en tweede volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie, bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere voorschriften, en in voorkomend geval functies en taken van het in het vijfde lid bedoelde personeel.

E

In artikel 31 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift wordt vervangen door:

Artikel 31. Vaststelling managementstatuut

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, met het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een managementstatuut vast. In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, tevens van de bevoegdheden van het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.

3. In het tweede lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut», wordt «in ieder geval» vervangen door «tevens», wordt «van de aan het bevoegd gezag» vervangen door «van de andere aan het bevoegd gezag» en wordt na «de directeur van de school» ingevoegd: of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

4. In het derde lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut» en wordt «wordt gelegd» vervangen door: beschikbaar is.

F

In artikel 32, vierde lid, wordt na «onderwijs» ingevoegd: en om te worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming in een functie die bestaat uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, niet zijnde het geven van onderwijs,.

G

Artikel 35 vervalt.

H

In artikel 68, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel b vervalt: behoudens artikel 132, zesde lid,.

2. In onderdeel d wordt «formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van artikel 122, eerste lid, onder c, of artikel 132,» vervangen door: de bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132,.

3. In de slotzin wordt «op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132» vervangen door: op bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132.

I

In artikel 69 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt na de eerste volzin ingevoegd: Geen bekostiging vindt plaats indien groepen van leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen.

2. In het tweede lid vervalt de dubbele punt na «omtrent», vervalt de aanduiding «a.», wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel a vervangen door een punt en vervallen de onderdelen b en c.

J

Artikel 70a, tweede lid, eerste volzin, wordt vervangen door: Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de inschrijving aan het bevoegd gezag van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden budget toegekend, dat wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze.

K

In artikel 71 wordt «artikel 120, vijfde lid,» vervangen door: artikel 123, tweede lid,.

L

Artikel 116 wordt vervangen door:

Artikel 116. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding

  • 1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding.

  • 2. Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 123 wordt toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

  • 3. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

M

Het opschrift van titel IV, afdeling 5 wordt vervangen door:

AFDELING 5. GRONDSLAG BEKOSTIGING PERSONEELSKOSTEN

N

Na artikel 119 wordt in afdeling 5 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 119a. Inwerkingtreding algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 120, 124, 125 en 132

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 120, 124, 125 en 132, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

O

Artikel 120 wordt vervangen door:

Artikel 120. Grondslag bekostiging personeel basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs

  • 1. Voor de bekostiging van personeel wordt een bedrag per leerling toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool respectievelijk nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen:

    a. van een basisschool in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar;

    b. van een basisschool in de leeftijd van 8 jaar en ouder; en

    c. van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aanvullende bekostiging toegekend voor kleine basisscholen, schoolleiding, de bestrijding van onderwijsachterstanden, groei van het aantal leerlingen van basisscholen gedurende het schooljaar en indien onderwijs wordt gegeven in een of meer nevenvestigingen van een basisschool. De omvang van de aanvullende vergoeding wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

  • 4. De gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband ontvangen tevens een bekostiging voor zorgvoorzieningen. De in de eerste volzin bedoelde bekostiging is gebaseerd op 2% van het aantal leerlingen van alle scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal. Het aantal leerlingen, bedoeld in de tweede volzin, wordt aan de afzonderlijke speciale scholen voor basisonderwijs toegerekend naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op die datum. De speciale school voor basisonderwijs ontvangt voor elke van de aan die school toegerekende leerling een bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Artikel 115, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste lid en het vierde lid vastgesteld. Het bedrag per leerling en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag.

  • 6. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor basisonderwijs, en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de vaststelling van de in het eerste en het vierde lid bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd en geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.

  • 7. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostiging voor kleine basisscholen, schoolleiding, groei van het aantal leerlingen van een basisschool gedurende het schooljaar en een of meer nevenvestigingen van een basisschool, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.

P

Artikel 121 wordt vervangen door:

Artikel 121. Aantal leerlingen

  • 1. Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, geldt het aantal leerlingen van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar geldt het aantal leerlingen van de school op 1 oktober volgende op de opening.

  • 3. Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, geldt ingeval van samenvoeging van scholen het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, voor elke school vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

Q

Artikel 122 vervalt.

R

Artikel 123 wordt vervangen door:

Artikel 123. Bijzondere bekostiging personeelskosten

  • 1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

  • 2. In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een basisschool onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

  • 3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4. Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

S

In artikel 124 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «formatierekeneenheden» vervangen door: bekostiging personeelskosten.

2. In het eerste lid wordt «een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden per leerling aan basisformatie over aan de speciale scholen voor basisonderwijs» vervangen door: per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

3. In het tweede lid wordt «een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden aan zorgformatie over aan de speciale scholen voor basisonderwijs» vervangen door: per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat afhankelijk is van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

4. In het zevende lid wordt «Indien de in artikel 132, eerste lid, bedoelde formatie niet voldoende is» vervangen door «Indien de in artikel 132, eerste lid, bedoelde bekostiging niet voldoende is» en wordt «de ontbrekende formatierekeneenheden» vervangen door: de ontbrekende bekostiging.

5. Toegevoegd wordt een achtste lid, luidend:

  • 8. Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste en het tweede lid, en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

6. Toegevoegd wordt een negende lid, luidend:

  • 9. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het samenwerkingsverband besluiten dat in plaats van met de landelijk gewogen leeftijd, wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de desbetreffende speciale school voor basisonderwijs.

T

In artikel 125 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «formatierekeneenheden» vervangen door: bekostiging personeelskosten.

2. In het eerste lid wordt «een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden over aan de speciale school voor basisonderwijs» vervangen door: per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale school voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

3. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, kan voor de verschillende schooljaren en afhankelijk van het moment van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs een verschillende hoeveelheid formatie worden vastgesteld.

U

Artikel 126, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 120, 123, 124, 125 en 132.

V

In het opschrift van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 6, wordt «SCHOOLBUDGET» vervangen door: BUDGET

W

In artikel 129 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «Schoolbudget» vervangen door: Budget.

2. In het eerste lid wordt na de derde volzin toegevoegd: Bij het vaststellen van de bekostiging wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor basisonderwijs.

3. Het derde lid vervalt.

X

Het opschrift van titel IV, afdeling 7, wordt vervangen door:

AFDELING 7. GEZAMENLIJKE PERSONEELSBEKOSTIGING VOOR ZORGVOORZIENINGEN BASISSCHOLEN

Y

Artikel 132 wordt vervangen door:

Artikel 132. Grondslag personeelsbekostiging zorgvoorzieningen basisscholen

  • 1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband wordt personeelsbekostiging toegekend voor zorgvoorzieningen aan het bestuur van de centrale dienst van dat verband.

  • 2. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, wordt de in het eerste lid bedoelde bekostiging toegekend aan dat bevoegd gezag.

  • 3. De grondslag voor de berekening van de personeelsbekostiging voor zorgvoorzieningen is een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling van de afzonderlijke basisscholen in het samenwerkingsverband, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 4. In een samenwerkingsverband dat de instemming, bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde bekostiging verhoogd. De verhoging wordt vastgesteld door 2% van het aantal leerlingen van elke basisschool in een samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 5. De bedragen per leerling, bedoeld in het derde en vierde lid, en de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs.

Z

Artikel 137 wordt vervangen door:

Artikel 137. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten

  • 1. Met inachtneming van de artikelen 120, 121 en 132, tweede lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeelskosten.

  • 2. In geval van het verstrekken van een bijzondere bekostiging als bedoeld in artikel 123 verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze bekostiging.

  • 3. Met inachtneming van artikel 132, eerste lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bestuur van een centrale dienst een bedrag ten behoeve van de personeelskosten van zorgvoorzieningen.

  • 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot het betalen van het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedrag.

  • 5. Op het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedrag worden op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze in mindering gebracht de inkomsten die het bevoegd gezag dan wel het bestuur van de centrale dienst direct of indirect geniet vanwege uitkeringen of toelagen waarop door het personeel aanspraak kan worden gemaakt.

AA

In artikel 138, eerste en tweede lid, wordt «van de uitgaven voor het personeel» telkens vervangen door: , bedoeld in artikel 137,.

BB

In artikel 144 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten,.

2. Het eerste lid, onderdeel d, wordt vervangen door:

d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de artikelen 116 en 137, in het voorafgaande kalenderjaar.

3. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «d 1° of d 2°» vervangen door «d», wordt «a 1° dan wel a 2°» vervangen door «a» en wordt «d 2°» vervangen door: d.

4. In de laatste volzin van het vierde lid wordt na «artikel 118» een komma geplaatst en vervalt: en de geldswaarde die overeenkomt met het aantal formatierekeneenheden dat de gemeente voor die school overdraagt op grond van.

5. Het vijfde lid wordt vervangen door:

  • 5. Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor uitgaven voor personeel en kosten voor materiële instandhouding overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.

CC

In artikel 145, tweede lid, wordt «niet verbruikte formatierekeneenheden» vervangen door: personeelskosten.

DD

Artikel 148 wordt vervangen door:

Artikel 148. Besteding bekostiging

  • 1. Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het zorgplan het totaal van de in de artikelen 129, 134 en 137 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en de personeelskosten aanwenden voor kosten voor materiële instandhouding, personeelskosten van de school of personeelskosten in verband met benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van personeel, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een van de andere scholen van dat bevoegd gezag.

  • 2. Het bevoegd gezag kan de in de artikelen 129, 134 en 137 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en voor de personeelskosten mede aanwenden voor de in het eerste lid bedoelde kosten van:

    a. een centrale dienst of een andere school;

    b. een centrale dienst of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst dan wel een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3. De verstrekte overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag aangewend.

  • 4. De op grond van artikel 140 of artikel 141 verstrekte vergoeding wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt.

EE

Na artikel 148 wordt ingevoegd:

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 149. Betaling bekostiging door voorschotten
  • 1. Op de bekostiging of onderdelen daarvan kunnen voorschotten worden verleend volgens regels, te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften gegeven voor de verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

FF

Artikel 150 vervalt.

GG

In artikel 157, derde lid, onderdeel c1° wordt «formatie, die is toegekend op grond van artikel 120, vierde lid,» vervangen door: bekostiging, die is toegekend op grond van artikel 123, tweede lid,.

HH

In artikel 163 vervallen het derde, het vierde en het vijfde lid.

II

Na artikel 163 wordt ingevoegd:

Artikel 163a. Terugstorting

  • 1. Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.

  • 2. Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.

JJ

In artikel 166, derde lid, onderdeel c, wordt «de formatie voor speciale doeleinden inzetten, voor zover die is bestemd voor» vervangen door: de bekostiging, die is toegekend voor.

KK

In artikel 183, eerste en tweede lid, wordt telkens «op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132» vervangen door: op bekostiging voor zorgvoorzieningen als bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132.

LL

In artikel 184, zesde lid, wordt «in de artikelen 122, eerste lid, onder c, en 132 bedoelde formatie» vervangen door: in artikel 120, vierde lid, en artikel 132 bedoelde bekostiging.

MM

In de inhoudsopgave worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift van artikel 31 wordt vervangen door:

Artikel 31. Vaststelling managementstatuut.

2. Het opschrift van artikel 35 wordt vervangen door:

Artikel 35. (vervallen).

3. Het opschrift van artikel 116 wordt vervangen door:

Artikel 116. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding.

4. Het opschrift van titel IV, afdeling 5 wordt vervangen door:

AFDELING 5. GRONDSLAG BEKOSTIGING PERSONEELSKOSTEN.

5. Na het opschrift van afdeling 5 wordt ingevoegd:

Artikel 119a. Inwerkingtreding algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 120, 124, 125 en 132

6. De opschriften van de artikelen 120, 121, 122, 123, 124 en 125 worden vervangen door:

Artikel 120. Grondslag bekostiging personeel basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel 121. Aantal leerlingen

Artikel 122. (vervallen)

Artikel 123. Bijzondere bekostiging personeelskosten

Artikel 124. Overdracht van bekostiging personeelskosten aan speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel 125. Overdracht van bekostiging personeelskosten bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband.

7. In het opschrift van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 6, wordt «SCHOOLBUDGET» vervangen door: BUDGET.

8. Het opschrift van artikel 129 wordt vervangen door:

Artikel 129. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid.

9. Het opschrift van titel IV, afdeling 7 wordt vervangen door:

AFDELING 7. GEZAMENLIJKE PERSONEELSBEKOSTIGING VOOR ZORGVOORZIENINGEN BASISSCHOLEN.

10. Het opschrift van artikel 132 wordt vervangen door:

Artikel 132. Grondslag personeelsbekostiging zorgvoorzieningen basisscholen.

11. Het opschrift van artikel 137 wordt vervangen door:

Artikel 137. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten.

12. Het opschrift van de artikelen 148 en 149 wordt vervangen door:

Artikel 148. Besteding bekostiging

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 149. Betaling bekostiging door voorschotten.

13. Het opschrift van artikel 150 wordt vervangen door:

Artikel 150. (vervallen).

14. Na het opschrift van artikel 163 wordt ingevoegd:

Artikel 163a. Terugstorting.

ARTIKEL II

In de Wet op de expertisecentra worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 1 wordt in de omschrijving van «personeel» in onderdeel a «en» vervangen door een komma en wordt na «het geven van onderwijs» toegevoegd: , het personeel dat is benoemd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

B

In artikel 8a, derde lid, wordt «formatie» vervangen door: bekostiging.

C

In artikel 28b, zesde lid, onderdeel f, wordt «inzet van de formatie» vervangen door: inzet van de bekostiging.

D

In artikel 29 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het slot van het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidend: De directeur van een school kan tevens directeur zijn van een andere school of van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

2. Onder vernummering van het vijfde en het zesde lid tot het zesde en het zevende lid, wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidend:

  • 5. Het bevoegd gezag kan tevens personeel, dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, benoemen of te werk stellen zonder benoeming.

3. Na het zevende lid wordt toegevoegd:

  • 8. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van dat personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de eerste en tweede volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie, bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere voorschriften, en in voorkomend geval functies en taken van het in het vijfde lid bedoelde personeel.

E

In artikel 31 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift wordt vervangen door:

Artikel 31. Vaststelling managementstatuut

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Het bevoegd gezag stel na overleg met de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, met het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een managementstatuut vast. In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, van de bevoegdheden van het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.

3. In het tweede lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut», wordt «in ieder geval» vervangen door «tevens», wordt «van de aan het bevoegd gezag» vervangen door «van de andere aan het bevoegd gezag» en wordt na «de directeur van de school» ingevoegd: of indien toepassing is gegeven aan artikel 29, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en de scholen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.

4. In het derde lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut» en wordt «wordt gelegd» vervangen door: beschikbaar is.

F

In artikel 32, vierde lid, wordt na «onderwijs» ingevoegd: en om te worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming in een functie bestaande uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school of meer dan een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, niet zijnde het geven van onderwijs.

G

Artikel 35 vervalt.

H

In artikel 40, derde lid, wordt «formatie» telkens vervangen door: bekostiging.

I

In artikel 40a, eerste lid, wordt «formatie» vervangen door: bekostiging.

J

In artikel 41a, vierde lid, wordt «de formatie» vervangen door: de bekostiging.

K

In artikel 69, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In onderdeel d wordt «formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs» vervangen door: de bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132 van de Wet op het primair onderwijs.

2. In de slotzin wordt «op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of 132 van de Wet op het primair onderwijs» vervangen door: op bekostiging voor zorgvoorzieningen als bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132, van de Wet op het primair onderwijs.

L

In artikel 70 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt na de eerste volzin ingevoegd: Geen bekostiging vindt plaats indien groepen van leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen.

2. In het tweede lid, vervalt de dubbele punt na «omtrent», vervalt de aanduiding «a.», wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel a vervangen door een punt en vervallen de onderdelen b en c.

M

In artikel 71c, eerste lid en derde lid, wordt «de formatie» telkens vervangen door: de bekostiging.

N

In artikel 72 wordt «artikel 117, vierde lid,» vervangen door: artikel 120, tweede lid,.

O

Artikel 113 wordt vervangen door:

Artikel 113. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding

  • 1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding.

  • 2. Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 120 wordt toegekend, kan Onze minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

  • 3. Onze minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

P

Het opschrift van titel IV, afdeling 5 wordt vervangen door:

AFDELING 5. GRONDSLAG BEKOSTIGING PERSONEELSKOSTEN

Q

Artikel 117 wordt vervangen door:

Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel

  • 1. Voor de bekostiging van personeel wordt per onderwijssoort een bedrag per school, niet zijnde een instelling, en een bedrag per leerling toegekend, welk laatstbedoeld bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

  • 2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen

    a. van de verschillende onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2;

    b. in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    c. jonger dan 8 jaar; en

    d. 8 jaar en ouder.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aan scholen, niet zijnde instellingen, aanvullende bekostiging toegekend voor schoolleiding, bestrijding van onderwijsachterstanden en groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar.

  • 4. De instellingen ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks een bij ministeriële regeling vast te stellen bekostiging in verband met de visuele handicap van de leerlingen van de instelling en de vervulling van de taken, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en c. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het eerste lid, en de eerste volzin zijn tezamen redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de instelling, voor de taken, bedoeld in artikel 9, en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de instelling. Het veertiende lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De scholen van de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b, c en d, ontvangen in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in het eerste en derde lid, bekostiging in verband met het onderwijs aan leerlingen van wie de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar en bekostiging ten behoeve van leerlingen als bedoeld in artikel 28c, derde lid.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen van de bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, voor de onderwijssoorten in de clusters, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen b en c, per onderwijssoort en voor de onderwijssoorten in het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, per cluster vastgesteld.

  • 7. Voor scholen, niet zijnde instellingen, waaraan onderwijs wordt gegeven aan leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen wordt tevens een bekostiging vastgesteld die is gebaseerd op het aantal leerlingen uit de residentiële instelling, bedoeld in artikel 71c, tweede lid.

  • 8. Bij algemene maatregel van bestuur worden de grondslagen voor de berekening van de bekostiging ten behoeve van de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel a, vastgesteld.

  • 9. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de werkzaamheden en de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 8a, derde lid, onderdeel b, de bekostiging vastgesteld.

  • 10. Bij ministeriële regeling worden het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostigingsbedragen, bedoeld in het derde, vijfde, zevende, achtste en negende lid, vastgesteld.

  • 11. Het bedrag per leerling, bedoeld in het tiende lid, is de som van:

    a. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag, en

    b. de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie onderwijsondersteunend personeel per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.

  • 12. De verhoging, bedoeld in het tiende lid, is de uitkomst van de in het elfde lid, onder a, bedoelde hoeveelheid formatie leraren per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.

  • 13. De bekostigingsbedragen, bedoeld in het tiende lid, zijn de uitkomst van een bij de algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie vermenigvuldigd met een bedrag.

  • 14. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tiende lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van het personeel van scholen en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gewogen gemiddelde leeftijd en de geraamde gewogen gemiddelde leeftijd worden vastgesteld. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel.

  • 15. De bekostiging, bedoeld in het eerste en het derde lid, voor wat betreft schoolleiding en groei van het aantal leerlingen tijdens het schooljaar, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.

  • 16. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in dit artikel, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

R

Aan artikel 118 wordt een vierde lid toegevoegd, luidend:

  • 4. Voor de toepassing van artikel 117 geldt in geval van samenvoeging van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

S

Artikel 120 wordt vervangen door:

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten

  • 1. Indien bijzondere ontwikkelingen in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten.

  • 2. In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken.

  • 3. Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4. Onze minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.

T

Artikel 121, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 117, vierde en tiende lid, en 120.

U

In het opschrift van titel IV, afdeling 6, wordt «SCHOOLBUDGET» vervangen door: BUDGET.

V

In artikel 124 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «Schoolbudget» vervangen door: Budget.

2. In het eerste lid wordt na de derde volzin toegevoegd: Bij het vaststellen van de bekostiging wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren.

3. Het derde lid vervalt.

W

In artikel 128, vierde lid, onderdeel c, vijfde lid, onderdeel c, en zesde lid, onderdeel c, wordt «c. de omvang van de formatie» telkens vervangen door:

c. de omvang van de bekostiging.

X

Artikel 131 wordt vervangen door:

Artikel 131. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten

  • 1. Met inachtneming van de artikelen 117 en 118 verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeelskosten.

  • 2. In geval van het verstrekken van bijzondere bekostiging als bedoeld in artikel 120 verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze bekostiging.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot het betalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag.

  • 4. Op het in het eerste en tweede lid bedoelde bedrag worden op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze in mindering gebracht de inkomsten die het bevoegd gezag dan wel het regionaal expertisecentrum direct of indirect geniet vanwege uitkeringen of toelagen waarop door het personeel aanspraak kan worden gemaakt.

Y

In artikel 132, eerste en tweede lid, wordt telkens «van de uitgaven voor het personeel» vervangen door: , bedoeld in artikel 131,.

Z

In artikel 138 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van personeelskosten,.

2. Het eerste lid, onderdeel d, wordt vervangen door:

d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in artikel 131, in het voorafgaande kalenderjaar,.

3. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «d 1° of d 2°» vervangen door «d», wordt «a 1° dan wel a 2°» vervangen door «a» en wordt «d 2°» vervangen door: d.

4. Het vijfde lid wordt vervangen door:

  • 5. Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeelskosten en kosten voor materiële instandhouding overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f.

AA

In artikel 139, tweede lid, wordt « niet verbruikte formatierekeneenheden» vervangen door: personeelskosten.

BB

Artikel 143 wordt vervangen door:

Artikel 143. Besteding bekostiging

  • 1. Het bevoegd gezag kan het totaal van de in de artikelen 124, 128 en 131 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en de personeelskosten aanwenden voor kosten voor materiële instandhouding, personeelskosten van de school, personeelskosten in verband met benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van personeel, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een van de andere scholen van dat bevoegd gezag.

  • 2. Het bevoegd gezag kan de in de artikelen 124, 128 en 131 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en voor de personeelskosten mede aanwenden voor de in het eerste lid bedoelde kosten van:

    a. een regionaal expertisecentrum, een centrale dienst of een andere school;

    b. een centrale dienst of een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een centrale dienst dan wel een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 3. De verstrekte overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag aangewend.

  • 4. De op grond van artikel 134 of artikel 135 verstrekte vergoeding wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt.

CC

Na artikel 143 wordt ingevoegd:

§ 7.  Betaling van de bekostiging

Artikel 144. Betaling bekostiging door voorschotten
  • 1. Op de bekostiging of onderdelen daarvan kunnen voorschotten worden verleend volgens regels, te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften gegeven voor de verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

DD

Artikel 145 vervalt.

EE

In artikel 150 vervallen het derde, het vierde en het vijfde lid.

FF

Na artikel 150 wordt ingevoegd:

Artikel 150a. Terugstorting

  • 1. Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.

  • 2. Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.

GG

In artikel 153, derde lid, onderdeel c, wordt «de formatie voor speciale doeleinden inzetten, voor zover die is bestemd voor» vervangen door: de bekostiging, die is toegekend voor.

HH

In de inhoudsopgave worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift van artikel 31 wordt vervangen door:

Artikel 31. Vaststelling managementstatuut.

2. Het opschrift van artikel 35 wordt vervangen door:

Artikel 35. (vervallen).

3. Het opschrift van artikel 113 wordt vervangen door:

Artikel 113. Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding.

4. Het opschrift van titel IV, afdeling 5, wordt vervangen door:

AFDELING 5. GRONDSLAG BEKOSTIGING PERSONEELSKOSTEN.

5. Het opschrift van artikel 117 wordt vervangen door:

Artikel 117. Grondslag bekostiging personeel.

6. Het opschrift van artikel 120 wordt vervangen door:

Artikel 120. Bijzondere bekostiging personeelskosten.

7. In het opschrift van titel IV, afdeling 6, wordt « Schoolbudget» vervangen door: Budget.

8. Het opschrift van artikel 124 wordt vervangen door:

Artikel 124. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid.

9. Het opschrift van artikel 131 wordt vervangen door:

Artikel 131. Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten.

10. Het opschrift van artikel 143 wordt vervangen door:

Artikel 143. Besteding bekostiging

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 144. Betaling bekostiging door voorschotten.

11. Het opschrift van artikel 145 wordt vervangen door:

Artikel 145. (vervallen).

12. Na het opschrift van artikel 150 wordt ingevoegd:

Artikel 150a. Terugstorting.

ARTIKEL III

In de Wet op het voortgezet onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

In artikel 32c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift wordt vervangen door:

Artikel 32c. Vaststelling managementstatuut

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Het bevoegd gezag stelt na overleg met de rector, de directeur, de conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 32a met de centrale directie, een managementstatuut vast. In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de bevoegdheden van de rector, de directeur, de conrector en de adjunct-directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 32a van de bevoegdheden van de centrale directie, met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.

3. In het tweede lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut», wordt «in ieder geval» vervangen door «tevens» en wordt «van de aan het bevoegd gezag» vervangen door «van de andere aan het bevoegd gezag».

4. In het derde lid wordt «directiestatuut» telkens vervangen door «managementstatuut» en wordt «wordt gelegd» vervangen door: beschikbaar is.

B

In artikel 53b, eerste lid, wordt «op basis van artikel 122, eerste lid onder c,» vervangen door «op basis van bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid,» en wordt «op formatie, bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c,» vervangen door: op bekostiging voor zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 120, vierde lid,.

C

In artikel 77a, tweede lid, eerste volzin, wordt «volgend op de in het eerste lid bedoelde melding» vervangen door: volgend op de inschrijving.

ARTIKEL IV

In de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid vervalt de tweede volzin.

2. Onder vernummering van het zesde tot en met negende lid tot zevende tot en met tiende lid wordt een lid ingevoegd, luidend:

  • 6. Het bevoegd gezag verstrekt de raad:

    a. jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied;

    b. jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten grondslag ligt aan de middelen uit 's Rijks kas die worden toegerekend aan het bevoegd gezag;

    c. jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157 van de Wet op de expertisecentra of artikel 106 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

B

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en e.

2. In onderdeel k wordt «directiestatuut» vervangen door: managementstatuut.

C

In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt in onderdeel b, «de inzet, de samenstelling daaronder begrepen, van de formatie» vervangen door: de samenstelling van de formatie.

2. In het eerste lid wordt onderdeel j vervangen door:

j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het overdragen van bekostiging; en.

3. In het eerste lid wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel k vervangen door een punt.

4. In het eerste lid vervallen de onderdelen l en m.

5. In het tweede lid wordt «de inzet van de formatie die op grond van artikel 122, eerste lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs» vervangen door: de inzet van de bekostiging die op grond van artikel 120, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs.

D

Artikel 11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «in artikel 7 onder c,» wordt ingevoegd: en artikel 28, zesde lid, onder a,.

2. De aanduiding «school» wordt vervangen door: school of scholen.

E

Artikel 15, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het woord «en» aan het slot van onderdeel i vervalt.

2. Onder verlettering van onderdeel j tot onderdeel k, wordt een onderdeel ingevoegd, luidend:

j. de mogelijkheid om de keuze te wijzigen voor het in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vertegenwoordigen van afzonderlijke medezeggenschapsraden door middel van gemeenschappelijke vertegenwoordigers; en.

F

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

  • 1. Indien het bevoegd gezag meer dan een school in stand houdt als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel de Wet op de expertisecentra dan wel de Wet op het voortgezet onderwijs, stelt het bevoegd gezag een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in voor alle scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs afzonderlijk. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra één gemeenschappelijke medezeggenschapsraad instellen, indien de instemming van twee derden van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de desbetreffende scholen.

  • 2. Iedere medezeggenschapsraad is vertegenwoordigd in een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

  • 3. De leden van de raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de raad bedraagt. De leden van de raad hebben zitting zolang zij lid zijn van één van de desbetreffende medezeggenschapsraden.

  • 4. Het bevoegd gezag stelt voor elke gemeenschappelijke medezeggenschapsraad een reglement vast. In het reglement wordt in ieder geval vastgelegd uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat en de wijze waarop de verkiezing door de medezeggenschapsraden geschiedt. Het reglement kan tevens bepalen dat voor de afzonderlijke medezeggenschapsraden gemeenschappelijke vertegenwoordigers in de raad worden gekozen als de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden daartegen geen bezwaar hebben. Voorts worden in het reglement in ieder geval geregeld de onderwerpen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen d tot en met h en j.

  • 5. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad legt in een bijlage bij het reglement de zaken van huishoudelijke aard voor de raad vast.

  • 6. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van:

    a. de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de desbetreffende scholen, waaronder

    1°. de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas zijn toegerekend of van anderen zijn ontvangen, alsmede

    2°. de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau, en

    b. het managementstatuut.

  • 7. Aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, zesde lid, overgedragen. Aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen bijzondere bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9, of daarvan afwijkende bijzondere bevoegdheden ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, worden overgedragen. De bevoegdheden die zijn overgedragen worden vastgelegd in het reglement.

  • 8. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt in de plaats van de afzonderlijke medezeggenschapsraden ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het zevende lid.

  • 9. Ten aanzien van de op grond van het achtste lid aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad toekomende bevoegdheden, zijn de artikelen 10 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.

  • 10. Het bevoegd gezag legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de gemeenschappelijk medezeggenschapsraad heeft verworven. Het instemmingsvereiste, bedoeld in de eerste volzin, heeft geen betrekking op de bevoegdheden die ingevolge het zevende lid zijn overgedragen.

  • 11. De artikelen 4 en 19 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing.

G

In artikel 30, eerste lid, wordt na de zinsnede «een of meer onderdelen van deze wet» een zinsnede ingevoegd, luidend: , niet zijnde de adviesbevoegdheid, bedoeld in artikel 28, zesde lid,.

ARTIKEL V AFHANDELING BEKOSTIGING OUDE STIJL

Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de afrekening van de personeelskosten na 31 juli direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL VI VASTSTELLING BEDRAG PER LEERLING BIJ INVOERING LUMPSUM BEKOSTIGING

  • 1. Voor de bekostiging van personeel van scholen dan wel centrale diensten als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra worden

    a. voor de eerste vaststelling bij de inwerkingtreding van deze wet de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 120, 124, 125 en 132, van de Wet op het primair onderwijs vast te stellen bedragen gebaseerd op de gerealiseerde gemiddelde personeelslast van leraren van alle basisscholen, respectievelijk alle speciale scholen voor basisonderwijs in het meetjaar, bedoeld in artikel VII, eerste lid; en

    b. voor de eerste vaststelling bij de inwerkingtreding van deze wet de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 117 van de Wet op de expertisecentra, vast te stellen bedragen gebaseerd op de gerealiseerde gemiddelde personeelslast van leraren respectievelijk onderwijsondersteunend personeel, benoemd in een functie waarvoor schaal 4 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC als maximum geldt, van alle scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra in het meetjaar, bedoeld in artikel VII, eerste lid.

  • 2. De gerealiseerde gemiddelde personeelslast, bedoeld in het eerste lid, is het genormeerde bedrag van de personele middelen per formatieplaats, bedoeld in artikel VII, eerste lid, verlaagd respectievelijk verhoogd met het percentage bedoeld in artikel VII, vijfde lid, en aangepast aan de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten in de periode liggend tussen het meetjaar, bedoeld in artikel VII, eerste lid, en het eerste schooljaar na de inwerkingtreding van deze wet.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde bedragen kunnen worden verhoogd of verlaagd met een percentage, zodanig dat het totaal van de berekende personele bekostiging in overeenstemming is met het door de begrotingswetgever voorziene uitgavenbeloop. Het in de eerste volzin bedoelde percentage kan verschillend worden vastgesteld voor de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en scholen, niet zijnde instellingen, bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

ARTIKEL VII VASTSTELLING GEGEVENS MEETJAAR

  • 1. Op basis van meetgegevens over het schooljaar 2004–2005 wordt vastgesteld:

    a. per school, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra, de gemiddelde prijs per formatierekeneenheid, zijnde het totaal van de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 131, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, beide zoals luidend in het meetjaar, gedeeld door het voor de desbetreffende school beschikbare formatiebudget; en

    b. het genormeerde bedrag van de personele middelen per formatieplaats per functiecategorie directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel, zijnde het per bedoelde functiecategorie gedeclareerde deel van de in de in artikel 137, eerste lid onderdelen a en c, van de Wet op het primair onderwijs, respectievelijk artikel 131, eerste lid onderdelen a en c, van de Wet op de expertisecentra, beide zoals luidend in het meetjaar, bedoelde bekostiging, gedeeld door de daarbij behorende formatie, uitgedrukt in formatieplaatsen.

    De prijs, bedoeld onder a, en het bedrag, bedoeld onder b, worden vastgesteld op basis van de uiterlijk voor 1 november van het jaar volgend op het meetjaar door de scholen geleverde gegevens.

  • 2. Aan de hand van de telgegevens op 1 oktober 2003 dan wel de telgegevens van 16 januari 2004 indien artikel 9 van het Formatiebesluit WEC, zoals dat luidde op 31 juli 2004, op een school van toepassing was, worden eenmalig bepaald:

    a. de genormeerde declaratie per school en

    b. de fictieve lumpsum per school.

  • 3. De genormeerde declaratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt als volgt bepaald:

    a. voor een basisschool: het aantal formatierekeneenheden, dat op basis van de in het tweede lid bedoelde telgegevens voor de school wordt bepaald op grond van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van het Formatiebesluit WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2004, vermenigvuldigd met de prijs per formatierekeneenheid, bedoeld in het eerste lid, van die school;

    b. voor een speciale school voor basisonderwijs: het aantal formatierekeneenheden dat op basis van de in het tweede lid bedoelde telgegevens voor die school wordt bepaald op grond van artikel 16a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van het Formatiebesluit WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2004, vermenigvuldigd met de prijs per formatierekeneenheid, bedoeld in het eerste lid, van die school; en

    c. voor een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: het aantal formatierekeneenheden dat op basis van de in het tweede lid bedoelde telgegevens voor die school wordt bepaald op grond van artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en c, van het Formatiebesluit WEC, zoals dat luidde op 31 juli 2004, in voorkomende gevallen verhoogd met het aantal formatierekeneenheden op grond van artikel 117, achtste lid, van de Wet op de expertisecentra, zoals luidend op 31 juli 2004, vermenigvuldigd met de prijs per formatierekeneenheid, bedoeld in het eerste lid, van die school. Bij de bepaling van het aantal formatierekeneenheden blijft het aantal formatierekeneenheden dat is toegekend op grond van artikel 8 van het Formatiebesluit WEC, zoals dat luidde op 31 juli 2004, buiten beschouwing.

  • 4. De fictieve lumpsum per school, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door op basis van de telgegevens, bedoeld in het tweede lid, per leerling een bedrag toe te kennen, berekend overeenkomstig de artikelen 120 van de Wet op het primair onderwijs en 117 van de Wet op de expertisecentra, beide zoals luidend na inwerkingtreding van deze wet, en dit totaalbedrag te verhogen met de bekostigingsbedragen die voor het schooljaar 2004–2005 zouden zijn toegekend op grond van artikel 120, derde en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 117, derde en zevende lid, van de Wet op de expertisecentra, voor zover overeenkomend met toekenningen opgenomen in de normatieve declaratie, bedoeld in het derde lid, indien die artikelen, zoals die artikelen worden gewijzigd door deze wet, op het schooljaar 2004–2005 van toepassing zouden zijn geweest. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in de eerste volzin, wordt rekening gehouden met het genormeerde bedrag van de personele middelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 5. De bedragen die tot de in het vierde lid bedoelde fictieve lumpsum leiden, worden verhoogd of verlaagd met een percentage zodanig dat de fictieve lumpsum van alle basisscholen gezamenlijk, van alle speciale scholen voor basisonderwijs gezamenlijk respectievelijk van alle scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs gezamenlijk, gelijk is aan de genormeerde declaratie van de onderscheiden categorieën scholen.

  • 6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een school die op 1 augustus 2004 is geopend, met dien verstande dat in dat geval wordt uitgegaan van de telgegevens op 1 oktober 2004.

  • 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven ter uitvoering van dit artikel waaronder in ieder geval begrepen de wijze waarop de gegevens over het meetjaar worden verkregen alsmede de wijze waarop de gegevens bij gebleken onjuistheden ten behoeve van een goede invoering van deze wet ambtshalve kunnen worden vastgesteld.

ARTIKEL VIII OVERGANGSREGELING

  • 1. Gedurende vier schooljaren vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt voor alle scholen, niet zijnde instellingen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra die in het schooljaar 2004–2005 voor bekostiging in aanmerking kwamen, de voor de school geldende bekostiging voor personeelskosten op basis van de telgegevens van 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dan wel, indien het betreft een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, 16 januari van het voorafgaande schooljaar indien op grond van die datum de bekostiging is aangepast in verband met een toename van het aantal leerlingen, en in voorkomend geval verhoogd met de bekostigingsbedragen op grond van artikel 120, derde en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 117, derde, vijfde en zevende lid, van de Wet op de expertisecentra gecorrigeerd.

  • 2. De correctie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks te vermenigvuldigen met het voor de school geldende percentage, berekend op grond van het derde en vierde lid, en de uitkomst

    a. indien het een positief bedrag is, op te tellen bij de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid en

    b. indien het een negatief bedrag is, af te trekken van de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt jaarlijks per school vastgesteld door voor alle scholen bedoeld in het eerste lid die op 1 januari voorafgaand aan het schooljaar onder hetzelfde bevoegd gezag vallen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, van deze scholen te verminderen met de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VII, van deze scholen en de uitkomst daarvan te delen door de som van de fictieve lumpsum van deze scholen. Voor de toepassing van de eerste volzin geldt in geval van een school die door samenvoeging tot stand is gekomen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, en de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VII van alle bij de samenvoeging betrokken scholen. De uitkomst van de berekening bedoeld in de eerste volzin wordt rekenkundig afgerond op vier cijfers achter de komma.

  • 4. Het percentage berekend op grond van het derde lid, wordt vervolgens

    a. indien het een positief getal is, jaarlijks verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet lager kan zijn dan nul; en

    b. indien het een negatief getal is, jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet hoger kan zijn dan nul.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften ter uitvoering van dit artikel worden gegeven, waaronder in ieder geval wordt begrepen de wijze waarop terugvordering van op grond van dit artikel betaalde vergoedingen plaatsvindt, indien op basis van de definitieve vaststelling van de personele vergoeding van de scholen over de kalenderjaren vallend in het meetjaar, blijkt dat te veel vergoeding is genoten.

ARTIKEL IX OVERGANGSREGELING FORMATIEGARANTIE LEERLINGGEBONDEN FINANCIERING

De formatiegarantie, bedoeld in artikel X, van de Wet van 28 november 2002 tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (Stb. 631) wordt op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze, omgerekend naar een dienovereenkomstige bekostigingsgarantie. In de in de eerste volzin bedoelde ministeriële regeling worden tevens regels gegeven met betrekking tot de samenloop van de overgangsregeling, bedoeld in artikel VIII, en de in de eerste volzin bedoelde bekostigingsgarantie.

ARTIKEL X OVERGANGSREGELING PILOTSCHOLEN

  • 1. Voor scholen die voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 72a van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 73a van de Wet op de expertisecentra een bekostigingsbedrag ontvingen, blijft de bekostiging voor de periode waarop het besluit, bedoeld in een van de genoemde artikelen, betrekking heeft, gebaseerd op de regels en voorwaarden van dat besluit.

  • 2. Op de scholen, bedoeld in het eerste lid, zijn na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode en tot het tijdstip, bedoeld in artikel VIII, eerste lid, de artikelen VII en VIII van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor deze scholen de genormeerde declaratie, bedoeld in artikel VII, derde lid, wordt vastgesteld door het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel VII, derde lid, van de desbetreffende school te vermenigvuldigen met de voor de school in het meetjaar vastgestelde gemiddelde prijs per formatierekeneenheid.

ARTIKEL XI WIJZIGING EXPERIMENTENWET

In artikel 4a, eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs wordt «de formatie» vervangen door: de bekostiging.

ARTIKEL XII TOEPASSING OUDE BEPALINGEN

  • 1. De ingevolge deze wet gewijzigde artikelen, zoals die artikelen luidden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de tijdvakken waarvoor zij gelding hadden.

  • 2. Op geschillen met betrekking tot de ingevolge deze wet gewijzigde artikelen, zoals die artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, die op die datum in bezwaar of beroep aanhangig zijn of na die datum binnen de bezwaar- of beroepstermijn aanhangig zijn gemaakt, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

ARTIKEL XIII

Indien deze wet in werking treedt voor het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 12 december 2003 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op de ondernemingsraden in verband met de modernisering van de medezeggenschapsstructuur in de educatie en het beroepsonderwijs en de versterking van de positie van deelnemers (modernisering medezeggenschap educatie en beroepsonderwijs) (Kamerstukken II, 2003/04, 29 371, nrs. 1–3) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

a. Artikel IV, onderdeel A, artikel 5, zesde lid, onderdeel c wordt vervangen door:

c. jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag als bedoeld in artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 157 van de Wet op de expertisecentra, artikel 106 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

b. In artikel IV, onderdeel F, komt de eerste volzin van het eerste lid van artikel 28 te luiden:

Indien het bevoegd gezag meer dan een school in stand houdt als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel de Wet educatie en beroepsonderwijs, stelt het bevoegd gezag per schoolsoort een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in.

ARTIKEL XIV OVERGANGSBEPALING

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling kunnen, zonodig in afwijking van deze wet, tot en met het tweede schooljaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet, voorzieningen worden getroffen ten behoeve van een goede invoering van deze wet.

  • 2. Van de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid om bij ministeriële regeling voorzieningen te treffen wordt uitsluitend gebruik gemaakt indien het treffen van die voorziening bij algemene maatregel van bestuur niet tijdig in werking zal zijn getreden. Indien een voorziening die bij ministeriële regeling is getroffen een structurele afwijking van de wet betreft, wordt zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt de wet zodanig te wijzigen dat de voorziening bij ministeriële regeling niet langer noodzakelijk is.

ARTIKEL XV INWERKINGTREDING

De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum, die voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

Tavarnelle, 16 juli 2005

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Uitgegeven de dertigste augustus 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XHistnoot

Kamerstuk 29 736