Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2005, 408AMvB

Besluit van 16 juli 2005, houdende regels betreffende de procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 22 december 2004, nr. WJZ 4082228;

Gelet op richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEG L 134) en de artikelen 2 en 3 van de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen;

De Raad van State gehoord (advies van 4 april 2005, nr. W10.04.0637/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 11 juli 2005, nr. WJZ 5033370;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

b. Commissie: de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

c. Overeenkomst inzake overheidsopdrachten: de op 15 april 1995 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Trb. 1994, 235);

d. aannemer: een ieder die de uitvoering van werken op de markt aanbiedt;

e. leverancier: een ieder die producten op de markt aanbiedt;

f. dienstverlener: een ieder die diensten op de markt aanbiedt;

g. werk: het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen;

h. overheidsopdracht voor werken: een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen een of meer aannemers en een of meer aanbestedende diensten is gesloten en betrekking heeft op:

1°. de uitvoering of het ontwerp en de uitvoering:

– van werken in het kader van een van de werkzaamheden, genoemd in bijlage 1, of

– van een werk, of

2°. het laten uitvoeren met welke middelen dan ook van een werk dat aan de door de aanbestedende dienst vastgestelde eisen voldoet;

i. overheidsopdracht voor leveringen: een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen een of meer leveranciers en een of meer aanbestedende diensten is gesloten en betrekking heeft op:

1°. de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van producten, of

2°. de levering van producten en zijdelings betrekking heeft op werkzaamheden voor het aanbrengen en installeren van die levering;

j. overheidsopdracht voor diensten: een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel die tussen een of meer dienstverleners en een of meer aanbestedende diensten is gesloten en betrekking heeft op:

1°. het verrichten van de diensten, bedoeld in bijlage 2, of

2°. het leveren van producten en het verrichten van de diensten, bedoeld in bijlage 2, waarvan de waarde van de desbetreffende diensten hoger is dan die van de in de overheidsopdracht opgenomen producten, of

3°. het verrichten van de diensten, bedoeld in bijlage 2, en van werkzaamheden, genoemd in bijlage 1, waarbij de werkzaamheden bijkomstig zijn ten opzichte van het verrichten van de diensten;

k. overheidsopdracht: een overheidsopdracht voor werken, een overheidsopdracht voor leveringen of een overheidsopdracht voor diensten;

l. concessieovereenkomst voor openbare werken: een overeenkomst met dezelfde kenmerken als een overheidsopdracht voor werken, waarbij de tegenprestatie voor de uit te voeren werken in ieder geval bestaat uit het recht het werk te exploiteren, al dan niet gecombineerd met een prijs;

m. concessieovereenkomst voor diensten: een overeenkomst met dezelfde kenmerken als een overheidsopdracht voor diensten met uitzondering van het feit dat de tegenprestatie voor de te verrichten diensten bestaat uit het recht de dienst te exploiteren, al dan niet gecombineerd met een prijs;

n. raamovereenkomst: een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te gunnen overheidsopdrachten vast te leggen;

o. dynamisch aankoopsysteem: een elektronisch proces voor het doen van gangbare aankopen, met algemeen op de markt beschikbare kenmerken, beperkt in de tijd en gedurende de gehele looptijd open voor een ondernemer die voldoet aan de selectiecriteria en die overeenkomstig de eisen van het beschrijvend document een indicatieve inschrijving heeft ingediend;

p. elektronische veiling: een zich herhalend elektronisch proces voor de presentatie van nieuwe, verlaagde prijzen of van nieuwe waarden voor bepaalde elementen van de inschrijvingen, dat plaatsvindt na de eerste volledige beoordeling van de inschrijvingen en dat klassering op basis van elektronische verwerking mogelijk maakt;

q. publiekrechtelijke instelling: een instelling die is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang, niet zijnde van industriële of commerciële aard, die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan:

1°. de activiteiten in hoofdzaak door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling worden gefinancierd,

2°. het beheer onderworpen is aan toezicht door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of een andere publiekrechtelijke instelling, of

3°. de leden van het bestuur, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen;

r. aanbestedende dienst: de staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een publiekrechtelijke instelling of een samenwerkingsverband van deze overheden of publiekrechtelijke instellingen;

s. aankoopcentrale: een aanbestedende dienst die voor aanbestedende diensten bestemde leveringen of diensten verwerft, overheidsopdrachten gunt of raamovereenkomsten sluit met betrekking tot voor aanbestedende diensten bestemde werken, leveringen of diensten;

t. openbare procedure: een procedure waarbij ondernemers mogen inschrijven;

u. niet-openbare procedure: een procedure waaraan ondernemers mogen verzoeken deel te nemen, maar waarbij alleen de door de aanbestedende dienst aangezochte ondernemers mogen inschrijven;

v. concurrentiegerichte dialoog: een procedure waaraan alle ondernemers mogen verzoeken deel te nemen en waarbij de aanbestedende dienst een dialoog voert met de tot de procedure toegelaten ondernemers, ten einde een of meer oplossingen te zoeken die aan de behoeften van de aanbestedende dienst beantwoorden en op grond waarvan de geselecteerde ondernemers zullen worden uitgenodigd om in te schrijven;

w. bijzonder complexe overheidsopdracht: een overheidsopdracht waarbij de aanbestedende dienst objectief gezien niet in staat is de technische middelen overeenkomstig artikel 23, derde lid, onderdelen b, c of d, te bepalen of niet in staat is de juridische of financiële voorwaarden van een project te specificeren;

x. procedure van gunning door onderhandelingen: een procedure waarbij de aanbestedende dienst met door hem gekozen ondernemers overleg pleegt en door onderhandelingen met een of meer van hen de voorwaarden van de overheidsopdracht vaststelt;

y. prijsvraag: een procedure die tot doel heeft de aanbestedende dienst een plan of ontwerp te verschaffen dat na een oproep tot mededinging door een jury wordt geselecteerd, al dan niet met toekenning van prijzen;

z. inschrijver: een ondernemer die een inschrijving heeft ingediend;

aa. gegadigde: een ondernemer die heeft verzocht om een uitnodiging tot deelneming aan een niet-openbare procedure, aan een procedure van gunning door onderhandelingen of aan een concurrentiegerichte dialoog;

bb. elektronisch middel: een middel waarbij gebruik wordt gemaakt van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking, met inbegrip van digitale compressie en gegevensopslag, en van verspreiding, overbrenging en ontvangst door middel van draden, straalverbindingen, optische middelen of andere elektromagnetische middelen;

cc. CPC: de nomenclatuur van de centrale productclassificatie (gemeenschappelijke indeling van de produkten) van de Verenigde Naties;

dd. CPV: de Gemeenschappelijke Woordenlijst Overheidsopdrachten, vastgesteld bij verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (PbEG L 340);

ee. NACE: de statistische nomenclatuur van economische activiteiten in de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van de Europese gemeenschappen van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (PbEG L 293);

ff. openbaar telecommunicatienet: de openbare telecommunicatie-infrastructuur waarmee signalen tussen bepaalde eindstations van het net kunnen worden overgebracht door middel van draden, straalverbindingen, optische middelen of andere elektromagnetische middelen;

gg. eindstation van het net: het geheel van materiële verbindingen en van technische toegangsspecificaties die deel uitmaken van het openbare telecommunicatienet en die nodig zijn om toegang tot dit openbare net te krijgen en met behulp daarvan doeltreffend te communiceren;

hh. openbare telecommunicatiedienst: een telecommunicatiedienst waarvan het aanbod aan een of meer telecommunicatieorganisaties specifiek is opgedragen;

ii. telecommunicatiedienst: de dienst die geheel of gedeeltelijk bestaat in het overbrengen en doorgeven van signalen op het openbare telecommunicatienet door middel van telecommunicatieprocédés, met uitzondering van radio-omroep en televisie;

jj. erkende organisatie: een testlaboratorium, een ijklaboratorium of inspectie- of certificatieorganisatie die voldoet aan de toepasselijke Europese normen;

kk. verbonden onderneming: een onderneming:

1°. waarop een concessiehouder direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen, of

2°. die een overheersende invloed kan uitoefenen op de concessiehouder, of

3°. die, tezamen met de concessiehouder, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere onderneming uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften;

ll. technische specificatie: in geval van

1°. overheidsopdrachten voor werken: een technische voorschrift dat een omschrijving geeft van de vereiste kenmerken van een werk, een materiaal, een product of een levering en aan de hand waarvan op objectieve wijze een werk, een materiaal, een product of een levering zodanig kan worden omschreven dat dit beantwoordt aan het gebruik waarvoor het door de aanbestedende dienst is bestemd;

2°. overheidsopdrachten voor leveringen of overheidsopdrachten voor diensten: een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product of dienst;

mm. norm: een technische specificatie die door een erkende normalisatie-instelling voor herhaalde of voortdurende toepassing is goedgekeurd, waarvan de inachtneming niet verplicht is en die tot een van de normen, bedoeld in onderdelen nn tot en met rr, behoort;

nn. internationale norm: een norm die door een internationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

oo. Europese norm: een norm die door een Europese normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

pp. nationale norm: een norm die door een nationale normalisatie-instelling wordt aangenomen en ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

qq. Europese technische goedkeuring: een op de bevinding dat aan de essentiële eisen wordt voldaan gebaseerde, gunstig uitgevallen technische beoordeling waarbij een product, gezien zijn intrinsieke eigenschappen en de voor de toepassing en het gebruik ervan vastgestelde voorwaarden, geschikt wordt verklaard voor het gebruik voor bouwdoeleinden door een erkende organisatie;

rr. gemeenschappelijke technische specificatie: een technische specificatie die is opgesteld volgens een door de lidstaten van de Europese Unie erkende procedure die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt;

ss. technisch referentiekader: een ander product dan de officiële normen, dat door de Europese normalisatie-instellingen is opgesteld volgens procedures die aan de ontwikkeling van de marktbehoeften zijn aangepast;

tt. richtlijn nr. 89/665/EEG: richtlijn nr. 89/665/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PbEG L 395);

uu. richtlijn nr. 92/50/EEG: richtlijn nr. 92/50/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PbEG L 209), naar de tekst zoals deze gold op de dag voor intrekking van deze richtlijn;

vv. richtlijn nr. 93/36/EEG: richtlijn nr. 93/36/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PbEG L 199), naar de tekst zoals deze gold op de dag voor intrekking van deze richtlijn;

ww. richtlijn nr. 93/37/EEG: richtlijn nr. 93/37/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PbEG L 199), naar de tekst zoals deze gold op de dag voor intrekking van deze richtlijn;

xx. richtlijn nr. 2001/78/EG: richtlijn nr. 2001/78/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 september 2001 tot wijziging van bijlage IV van Richtlijn 93/36/EEG van de Raad, van de bijlagen IV, V en VI van Richtlijn 93/37/EEG van de Raad, van de bijlagen III en IV van Richtlijn 92/50/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG, alsmede van de bijlagen XII tot en met XV, XVII en XVIII van Richtlijn 93/38/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/4/EG (richtlijn over het gebruik van standaardformulieren bij bekendmaking van aankondigingen van overheidsopdrachten) (PbEG L 285);

yy. richtlijn nr. 2004/18/EG: richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEG L 134);

zz. elektronische handtekening: een handtekening als bedoeld in artikel 15a, vierde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

aaa. geavanceerde elektronische handtekening: een handtekening die voldoet aan de eisen van artikel 15a, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

bbb. uitsluitend recht: een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan een onderneming wordt verleend, waarbij voor die onderneming het recht wordt voorbehouden om binnen een bepaald geografisch gebied een dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen;

ccc. bijzonder recht: een recht dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van een bestuursorgaan aan een beperkt aantal ondernemingen wordt verleend en waarbij binnen een bepaald geografisch gebied:

1°. het aantal van deze ondernemingen die een dienst mogen verrichten of een activiteit mogen uitoefenen op een andere wijze dan volgens objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria tot twee of meer wordt beperkt,

2°. verscheidene concurrerende ondernemingen die een dienst mogen verrichten of een activiteit mogen uitoefenen op een andere wijze dan volgens deze criteria worden aangewezen, of

3°. aan een of meer ondernemingen die een dienst mogen verrichten of een activiteit mogen uitoefenen op een andere wijze dan volgens deze criteria voordelen worden toegekend waardoor enige andere onderneming aanzienlijk wordt belemmerd in de mogelijkheid om dezelfde activiteiten binnen hetzelfde geografische gebied onder in wezen gelijkwaardige voorwaarden uit te oefenen;

ddd. kopersprofiel: een beschrijving van de aanbestedende dienst en zijn inkoopbeleid;

eee. beschrijvend document: een document waarin de overheidsopdracht, de aanbestedende dienst, de te volgen aanbestedingsprocedure, en de selectie- en gunningscriteria worden beschreven en toegelicht;

fff. gunningsbeslissing: de keuze van de aanbestedende dienst voor de ondernemer met wie hij een raamovereenkomst wil sluiten of aan wie hij een overheidsopdracht wil gunnen;

ggg. ondernemer: aannemer, leverancier of dienstverlener;

hhh. schriftelijk: elk uit woorden of cijfers bestaand geheel dat kan worden gelezen, gereproduceerd, en vervolgens medegedeeld, dat met elektronische middelen overgebrachte of opgeslagen informatie kan bevatten;

iii. aanbestedingsstukken: alle documenten in een aanbestedingsprocedure.

§ 2. Non-discriminatie, toekenning van bijzondere of uitsluitende rechten en openbaarheid van vertrouwelijk informatie

Artikel 2

Een aanbestedende dienst behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelt transparant.

Artikel 3

Wanneer een aanbestedende dienst aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zelf geen aanbestedende dienst is, een bijzonder recht of een uitsluitend recht verleent om openbare diensten te verlenen, wordt bij de verlening van die rechten, bepaald dat deze natuurlijke persoon of rechtspersoon, bij de overheidsopdrachten voor leveringen die het in het kader van deze activiteit aan derden gunt, het beginsel van niet-discriminatie op grond van de nationaliteit naleeft.

Artikel 4

  • 1. Een aanbestedende dienst wijst gegadigden of inschrijvers die gerechtigd zijn de desbetreffende verrichting uit te voeren, niet af louter op grond van het feit dat zij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zouden moeten zijn.

  • 2. Voor overheidsopdrachten voor diensten, overheidsopdrachten voor werken en overheidsopdrachten voor leveringen die bijkomende diensten of werkzaamheden voor aanbrengen en installeren inhouden, kan een aanbestedende dienst van een rechtspersoon verlangen dat deze in de inschrijving of in het verzoek tot deelneming de namen en de beroepskwalificaties vermeldt van de personen die met de uitvoering worden belast.

  • 3. Een samenwerkingsverband van ondernemers kan zich inschrijven of zich als gegadigde opgeven.

  • 4. Een aanbestedende dienst verlangt voor de indiening van een inschrijving of een verzoek tot deelneming van een samenwerkingsverband van ondernemers niet dat het samenwerkingsverband van ondernemers een bepaalde rechtsvorm heeft.

  • 5. Een aanbestedende dienst kan van een samenwerkingsverband waaraan de overheidsopdracht wordt gegund, eisen dat het een bepaalde rechtsvorm aanneemt, mits dit voor de goede uitvoering van de overheidsopdracht nodig is.

Artikel 5

  • 1. Een aanbestedende dienst wendt zich zonder discriminatie en onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor gegadigden of inschrijvers in Nederland stelt, tot ondernemers in andere lidstaten van de Europese Unie en in overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die voldoen aan de vereisten gesteld krachtens richtlijn nr. 2004/18/EG, en handelt hierbij transparant.

  • 2. Een aanbestedende dienst past bij het gunnen van overheidsopdrachten op ondernemers uit de andere lidstaten van de Europese Unie even gunstige voorwaarden toe als die welke hij bij de tenuitvoerlegging van de in het kader van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, op ondernemers van derde landen toepast.

Artikel 6

Onverminderd de artikelen 29, 35, 36 en 41 en met inachtneming van de Wet openbaarheid van bestuur maakt een aanbestedende dienst de vertrouwelijke informatie die hem door een ondernemer is verstrekt niet openbaar.

§ 3. Drempelbedragen

Artikel 7

Dit besluit is van toepassing op overheidsopdrachten waarvan de geraamde waarde exclusief omzetbelasting gelijk is aan of groter dan:

a. het bedrag, genoemd in artikel 7, onderdeel a, van richtlijn nr. 2004/18/EG:

1°. voor andere dan de overheidsopdrachten voor leveringen en overheidsopdrachten voor diensten, bedoeld in onderdeel b, onder 3°, gegund door of vanwege de Staat, of

2°. voor overheidsopdrachten voor leveringen gegund door onderdelen van de Staat, die op het gebied van de defensie werkzaam zijn indien deze overheidsopdrachten betrekking hebben op producten die onder bijlage 3 vallen;

b. het bedrag, genoemd in artikel 7, onderdeel b van richtlijn nr. 2004/18/EG:

1°. voor overheidsopdrachten voor leveringen en overheidsopdrachten voor diensten gegund door andere aanbestedende diensten dan de Staat, of

2°. voor overheidsopdrachten voor leveringen gegund door onderdelen van de Staat, die op het gebied van de defensie werkzaam zijn indien deze overheidsopdrachten betrekking hebben op producten die niet onder bijlage 3 vallen, of

3°. voor overheidsopdrachten voor diensten gegund door een aanbestedende dienst met het oog op:

– diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A, categorie 8,

– telecommunicatiediensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A, categorie 5 waarvan CPV-posten overeenkomen met de CPC-indelingen 7524, 7525 en 7526, of

– diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B.

c. het bedrag, genoemd in artikel 7, onderdeel c, van richtlijn nr. 2004/18/EG voor overheidsopdrachten voor werken.

Artikel 8

  • 1. Dit besluit is van toepassing op:

    a. de gunning van overheidsopdrachten voor werken die voor meer dan 50 procent rechtstreeks door aanbestedende diensten worden gesubsidieerd en waarvan de geraamde waarde, exclusief omzetbelasting, ten minste gelijk is aan het bedrag genoemd in artikel 8, onderdeel a, van richtlijn nr. 2004/18/EG, wanneer deze opdrachten betrekking hebben op:

    1°. civieltechnische werkzaamheden als bedoeld in bijlage 1, of

    2°. bouwwerken voor ziekenhuizen, inrichtingen voor sportbeoefening, recreatie en vrijetijdsbesteding, school- en universiteitsgebouwen en gebouwen met een administratieve bestemming;

    b. de gunning van overheidsopdrachten voor diensten die voor meer dan 50 procent rechtstreeks door aanbestedende diensten worden gesubsidieerd en waarvan de geraamde waarde, exclusief omzetbelasting, ten minste gelijk is aan het bedrag genoemd in artikel 8, onderdeel b, van richtlijn 2004/18/EG, wanneer deze overheidsopdrachten verband houden met een opdracht voor werken als bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Een subsidie-ontvanger als bedoeld in het eerste lid verstrekt een overheidsopdracht als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig dit besluit.

Artikel 9

  • 1. Een aanbestedende dienst baseert de berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht op het totale bedrag, exclusief omzetbelasting. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met het geraamde totaalbedrag, met inbegrip van de eventuele opties en eventuele verlengingen van het contract.

  • 2. Wanneer de aanbestedende dienst voorziet in prijzengeld of betalingen aan gegadigden of inschrijvers, berekent hij deze door in de geraamde waarde van de overheidsopdracht.

  • 3. De raming, bedoeld in het eerste lid, geldt op het tijdstip van verzending van de aankondiging van de overheidsopdracht overeenkomstig artikel 35, negende lid, of, wanneer deze aankondiging niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure voor de gunning van de overheidsopdracht door de aanbestedende dienst wordt ingeleid.

  • 4. Een aanbestedende dienst onttrekt zich niet aan dit besluit door voorgenomen werken of voorgenomen aankopen ter verkrijging van bepaalde hoeveelheden leveringen of diensten te splitsen of bijzondere regels te gebruiken voor de berekening van de geraamde waarde van de overheidsopdrachten.

  • 5. Bij de berekening van de geraamde waarde van overheidsopdrachten voor werken houdt de aanbestedende dienst rekening met de waarde van de werken, en met de geraamde totale waarde van de voor de uitvoering van het werk noodzakelijke goederen die door de aanbestedende dienst ter beschikking van de aannemer zijn gesteld.

  • 6. Wanneer een voorgenomen werk of een voorgenomen aankoop van diensten leidt tot overheidsopdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden gegund, neemt de aanbestedende dienst de geraamde totale waarde van deze percelen als grondslag.

  • 7. Wanneer de samengetelde waarde van de percelen, bedoeld in het zesde lid, gelijk is aan of groter is dan het in artikel 7 bepaalde drempelbedrag, is dit besluit van toepassing op de gunning van elk perceel.

  • 8. Dit besluit is niet van toepassing op percelen als bedoeld in het zesde lid waarvan de geraamde totale waarde, exclusief omzetbelasting:

    a. minder dan € 80.000 bedraagt voor overheidsopdrachten voor diensten of

    b. minder dan € 1.000.000 voor overheidsopdrachten voor werken,

    mits het samengestelde bedrag van de percelen waarvoor is afgeweken niet meer dan 20 procent van de totale waarde van alle percelen omvat.

  • 9. Wanneer een voorgenomen verkrijging van homogene leveringen aanleiding kan geven tot overheidsopdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden gegund, neemt de aanbestedende dienst de geraamde totale waarde van deze percelen als grondslag voor de toepassing van artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b.

  • 10. Wanneer de samengetelde waarde van de percelen, bedoeld in het negende lid, gelijk is aan of groter is dan het drempelbedrag, genoemd in artikel 7, is dit besluit van toepassing op de gunning van elk perceel.

  • 11. Dit besluit is niet van toepassing op percelen als bedoeld in het negende lid, waarvan de geraamde waarde, exclusief omzetbelasting, minder dan € 80.000 bedraagt, mits het samengestelde bedrag van de percelen niet meer dan 20 procent van de totale waarde van alle percelen omvat.

  • 12. In het geval van overheidsopdrachten voor leveringen die betrekking hebben op leasing, huur of huurkoop van producten wordt de waarde van de overheidsopdracht op de volgende grondslag geraamd:

    a. bij overheidsopdrachten voor leveringen met een vaste looptijd: de totale geraamde waarde voor de gehele looptijd wanneer die ten hoogste twaalf maanden bedraagt, dan wel de totale waarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, met inbegrip van de geraamde restwaarde;

    b. bij overheidsopdrachten voor leveringen voor onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald: het maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48.

  • 13. In het geval van overheidsopdrachten voor leveringen of overheidsopdrachten voor diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, neemt de aanbestedende dienst voor de berekening van de geraamde waarde van de overheidsopdracht als grondslag:

    a. de totale reële waarde van de tijdens het voorafgaande boekjaar of tijdens de voorafgaande twaalf maanden gegunde soortgelijke opeenvolgende overheidsopdrachten voor leveringen of overheidsopdrachten voor diensten, indien mogelijk gecorrigeerd voor verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de twaalf maanden volgende op de eerste opdracht, of

    b. de geraamde totale waarde van de opeenvolgende overheidsopdrachten voor leveringen of overheidsopdrachten voor diensten over de twaalf maanden volgende op de eerste levering of over het boekjaar, indien dit zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt.

  • 14. Een aanbestedende dienst maakt de keuze van de methode van berekening van de geraamde waarde van een overheidsopdracht niet met de intentie om de overheidsopdracht aan dit besluit te onttrekken.

  • 15. Een aanbestedende dienst raamt de waarde van overheidsopdrachten voor diensten:

    a. wanneer het verzekeringsdiensten betreft: de te betalen premie en andere vormen van schadeloosstelling,

    b. wanneer het bankdiensten en andere financiële diensten betreft: honoraria, provisies en rente, en andere vormen van beloning,

    c. wanneer het overheidsopdrachten betreffende een ontwerp betreft: de te betalen honoraria, provisies en andere wijzen van bezoldiging,

    d. wanneer het overheidsopdrachten betreft waarin geen totale prijs is vermeld en die een vaste looptijd hebben die gelijk is aan of korter is dan 48 maanden: de totale geraamde waarde voor de gehele looptijd, of

    e. wanneer het overheidsopdrachten betreft waarin geen totale prijs is vermeld en die voor onbepaalde duur zijn of een looptijd hebben die langer is dan 48 maanden: het maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48.

  • 16. Bij de berekening van de waarde van een raamovereenkomst of een dynamisch aankoopsysteemgaat de aanbestedende dienst uit van de geraamde maximale waarde, exclusief omzetbelasting, van alle voor de totale duur van de raamovereenkomst of van het dynamisch aankoopsysteem voorgenomen overheidsopdrachten.

§ 4. Uitgesloten opdrachten

Artikel 10

Dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten die door aanbestedende diensten op het gebied van defensie worden gegund en die vallen onder de reikwijdte van artikel 296 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 11

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op: overheidsopdrachten die

    a. in het kader van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren worden gegund door aanbestedende diensten die een of meer van de in de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 7 van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren genoemde activiteiten uitoefenen en die voor deze activiteiten worden gegund,

    b. op grond van de artikelen 5, tweede lid, 19, 26 en 30 van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren van het toepassingsgebied zijn uitgesloten.

  • 2. Dit besluit is tot 31 december 2008 van toepassing op overheidsopdrachten die worden gegund door aanbestedende diensten die de activiteiten, bedoeld in artikel 6 van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren, uitoefenen en die voor deze activiteiten worden gegund.

Artikel 12

Dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten die in hoofdzaak tot doel hebben de aanbestedende diensten in staat te stellen openbare telecommunicatienetten beschikbaar te stellen of te exploiteren of aan het publiek een of meer telecommunicatiediensten te verlenen.

Artikel 13

Dit besluit is niet van toepassing op een overheidsopdracht die op basis van een wettelijk voorschrift geheim is of waarvoor het wettelijk verplicht is dat de uitvoering met bijzondere veiligheidsmaatregelen gepaard gaat, of wanneer de bescherming van de wezenlijke belangen van de Staat zulks vereist.

Artikel 14

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten waarvoor andere procedurevoorschriften gelden en die worden gegund:

    a. krachtens een tussen het Koninkrijk der Nederlanden en een of meer derde landen overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gesloten internationale overeenkomst betreffende leveringen of werken die bestemd zijn voor de gemeenschappelijke verwezenlijking of exploitatie van een werk door de ondertekenende staten, of betreffende diensten die bestemd zijn voor de gemeenschappelijke verwezenlijking of exploitatie van een project door de ondertekenende staten, of

    b. krachtens een in verband met de legering van strijdkrachten gesloten internationale overeenkomst betreffende ondernemingen in Nederland of in een derde land, of

    c. volgens de specifieke procedure van een internationale organisatie.

  • 2. Een aanbestedende dienst brengt een internationale overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ter kennis van de Commissie.

Artikel 15

Dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten:

a. betreffende de verwerving of huur, ongeacht de financiële modaliteiten ervan, van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende zaken of betreffende de rechten hierop, met uitzondering van de overeenkomsten betreffende financiële diensten die voorafgaand aan, gelijktijdig met of als vervolg op het koop- of huurcontract worden gesloten,

b. betreffende de aankoop, de ontwikkeling, de productie of de coproductie van programmamateriaal bestemd voor uitzendingen door radio-omroeporganisaties en overeenkomsten betreffende zendtijd,

c. betreffende diensten van arbitrage en bemiddeling,

d. op financieel gebied betreffende de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten en door de centrale banken verleende diensten,

e. inzake arbeidsovereenkomsten, of

f. betreffende diensten voor onderzoek en ontwikkeling, met uitzondering van die waarvan de resultaten in hun geheel aan de aanbestedende dienst toekomen voor gebruik ervan in de uitoefening van zijn eigen werkzaamheden, mits de dienstverlening volledig door de aanbestedende dienst wordt beloond.

Artikel 16

Dit besluit is niet van toepassing op concessieovereenkomsten voor diensten.

Artikel 17

Dit besluit is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten die door een aanbestedende dienst worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of aan een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten, op basis van een uitsluitend recht dat deze aanbestedende dienst geniet, mits dit uitsluitend recht met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verenigbaar is.

§ 5. Specifieke situaties

Artikel 18

  • 1. Een aanbestedende dienst kan via een aankoopcentrale overheidsopdrachten gunnen.

  • 2. De aanbestedende dienst, die via een aankoopcentrale gunt, wordt geacht dit besluit te hebben nageleefd, indien de aankoopcentrale, bedoeld in het eerste lid, dit besluit heeft nageleefd.

Artikel 19

  • 1. Een aanbestedende dienst kan de deelneming aan procedures voor de gunning van overheidsopdrachten voorbehouden aan sociale werkvoorzieningen als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken, indien de meerderheid van de bij de uitvoering van de betreffende overheidsopdracht betrokken werknemers personen met een handicap zijn die wegens de aard of de ernst van hun handicaps geen beroepsactiviteit in normale omstandigheden kunnen uitoefenen.

  • 2. Een aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging dat de overheidsopdracht is voorbehouden aan sociale werkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

§ 6. Overheidsopdrachten voor diensten inzake bijlage 2, onderdeel A of onderdeel B

Artikel 20

Een aanbestedende dienst past bij het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten die betrekking heeft op diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A de artikelen 23 tot en met 57 toe.

Artikel 21

Een aanbestedende dienst past bij het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten die betrekking heeft op diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B de artikelen 23 en 35, twaalfde tot en met zestiende lid, toe.

Artikel 22

Een aanbestedende dienst past bij het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten die zowel betrekking heeft op diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A als op diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B toe:

a. de artikelen 23 tot en met 57, indien de waarde van de diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A hoger is dan die van de diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B;

b. de artikelen 23 en 35, twaalfde tot en met zestiende lid, indien de waarde van de diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A niet hoger is dan die van de diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B.

§ 7. Voorschriften betreffende aanbestedingsstukken en technische specificaties

Artikel 23

  • 1. Een aanbestedende dienst neemt de technische specificaties op in de aanbestedingsstukken.

  • 2. De technische specificaties bieden de inschrijvers gelijke toegang en leiden niet tot ongerechtvaardigde belemmeringen in de mededinging voor de openstelling van overheidsopdrachten.

  • 3. Een aanbestedende dienst formuleert de technische specificaties:

    a. door verwijzing naar technische specificaties en naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische goedkeuringen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij ontstentenis daarvan, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van werken en het gebruik van producten,

    b. in termen van prestatie-eisen en functionele eisen, waaronder milieukenmerken, die zodanig nauwkeurig zijn bepaald dat de inschrijvers het voorwerp van de overheidsopdracht kunnen bepalen en de aanbestedende dienst de overheidsopdracht kan gunnen,

    c. in termen van prestatie-eisen en functionele eisen als bedoeld in onderdeel b, waarbij onder vermoeden van overeenstemming met deze prestatie-eisen en functionele eisen wordt verwezen naar de specificaties, bedoeld in onderdeel a, of

    d. door verwijzing naar de specificaties, bedoeld in onderdeel a, voor bepaalde kenmerken, en verwijzing naar de prestatie-eisen en functionele eisen, bedoeld in onderdeel b, voor andere kenmerken.

  • 4. Een aanbestedende dienst vergezelt een verwijzing als bedoeld in het derde lid, onderdeel a van de woorden «of gelijkwaardig».

  • 5. Wanneer een aanbestedende dienst verwijst naar de specificaties, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan hij een inschrijving niet afwijzen met de reden dat de aangeboden producten en diensten niet beantwoorden aan de specificaties waarnaar hij heeft verwezen, indien de inschrijver in zijn inschrijving tot voldoening van de aanbestedende dienst aantoont dat de door hem voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de eisen die in de technische specificaties zijn bepaald.

  • 6. Een aanbestedende dienst wijst, wanneer hij gebruik maakt van de in het derde lid, onderdeel b en c, geboden mogelijkheid prestatie-eisen of functionele eisen te stellen, een aanbod van werken, producten of diensten niet af indien die beantwoordt aan een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, aan een Europese technische goedkeuring, aan een gemeenschappelijke technische specificatie, aan een internationale norm of aan een door een Europese normalisatie-instelling opgestelde technisch referentiesysteem, wanneer deze specificaties betrekking hebben op de prestaties of functionele eisen die hij heeft voorgeschreven.

  • 7. Een inschrijver toont in zijn inschrijving aan dat het product, de dienst of het werk in overeenstemming is met de norm en voldoet aan de functionele en prestatie-eisen van de aanbestedende dienst.

  • 8. Een aanbestedende dienst die milieukenmerken voorschrijft door verwijzing naar prestatie-eisen of functionele eisen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan gebruik maken van de gedetailleerde specificaties of van gedeelten daarvan, zoals vastgesteld in milieukeuren, voorzover:

    a. die geschikt zijn voor de omschrijving van de kenmerken van de leveringen of diensten waarop de overheidsopdracht betrekking heeft,

    b. de vereisten voor de keur zijn ontwikkeld op grond van wetenschappelijke gegevens,

    c. de milieukeuren zijn aangenomen via een proces waaraan alle betrokkenen, zoals regeringsinstanties, consumenten, fabrikanten, kleinhandel en milieuorganisaties kunnen deelnemen, en

    d. de keuren toegankelijk zijn voor alle betrokken partijen.

  • 9. Een aanbestedende dienst kan aangeven dat de van een milieukeur voorziene producten of diensten worden geacht te voldoen aan de technische specificaties van het beschrijvend document. De aanbestedende dienst aanvaardt hierbij elk ander passend bewijsmiddel, zoals een technisch dossier van de fabrikant of een testverslag van een erkende organisatie.

  • 10. Een aanbestedende dienst aanvaardt certificaten van in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde erkende organisaties.

  • 11. Een aanbestedende dienst maakt in de technische specificaties geen melding van een bepaald fabrikaat, een bepaalde herkomst of een bijzondere werkwijze, noch van een verwijzing naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd, tenzij dit door het voorwerp van de overheidsopdracht gerechtvaardigd wordt.

  • 12. Een aanbestedende dienst mag de melding of verwijzing, bedoeld in het elfde lid, opnemen in de technische specificatie wanneer:

    a. een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke beschrijving van het voorwerp van de overheidsopdracht niet mogelijk is door toepassing van het derde en vijfde lid, en

    b. deze melding of verwijzing vergezeld gaat van de woorden «of gelijkwaardig».

Artikel 24

  • 1. Een aanbestedende dienst kan de inschrijvers toestaan varianten voor te stellen, wanneer voor de gunning het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving wordt gehanteerd.

  • 2. Een aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging van de overheidsopdracht of hij varianten toestaat. Een aanbestedende dienst staat alleen varianten toe wanneer hij in de aankondiging heeft vermeld dat deze zijn toegestaan.

  • 3. Een aanbestedende dienst die varianten toestaat, vermeldt in het beschrijvend document aan welke minimumeisen deze varianten ten minste voldoen, en hoe zij worden ingediend.

  • 4. Een aanbestedende dienst houdt alleen rekening met de varianten die aan de gestelde minimumeisen voldoen.

  • 5. Bij procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor leveringen of overheidsopdrachten voor diensten wijst een aanbestedende dienst die varianten heeft toegestaan, een variant niet af uitsluitend omdat deze, indien deze werd gekozen, veeleer tot een overheidsopdracht voor diensten dan tot een overheidsopdracht voor leveringen, dan wel veeleer tot een overheidsopdracht voor leveringen dan tot een overheidsopdracht voor diensten zou leiden.

Artikel 25

In het beschrijvend document kan een aanbestedende dienst een inschrijver verzoeken om in zijn inschrijving aan te geven welk gedeelte van de overheidsopdracht hij voornemens is aan derden in onderaanneming te geven en welke onderaannemers hij voorstelt.

Artikel 26

Een aanbestedende dienst kan bijzondere voorwaarden verbinden aan de uitvoering van een overheidsopdracht, mits dergelijke voorwaarden met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verenigbaar zijn en in de aankondiging of het beschrijvend document vermeld zijn. De voorwaarden waaronder de overheidsopdracht wordt uitgevoerd, kunnen verband houden met sociale of milieuoverwegingen.

Artikel 27

  • 1. In het beschrijvend document geeft een aanbestedende dienst aan bij welk orgaan de gegadigden of inschrijvers informatie kunnen verkrijgen over verplichtingen ten aanzien van de bepalingen inzake belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden in Nederland of, indien de verrichtingen buiten Nederland worden uitgevoerd, die gelden in het gebied of de plaats waar de verrichtingen worden uitgevoerd en die gedurende de uitvoering van de overheidsopdracht op die verrichtingen van toepassing zullen zijn.

  • 2. Een aanbestedende dienst verzoekt de inschrijvers of de gegadigden aan te geven dat zij bij het opstellen van hun inschrijving rekening hebben gehouden met de verplichtingen uit hoofde van de bepalingen inzake de arbeidsbescherming en de arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de verrichting wordt uitgevoerd.

§ 8. Procedures

Artikel 28

  • 1. Een aanbestedende dienst maakt voor het gunnen van overheidsopdrachten gebruik van de openbare procedure of de niet-openbare procedure.

  • 2. In de gevallen en de omstandigheden die in artikel 29 zijn vermeld, kan een aanbestedende dienst zijn overheidsopdrachten door middel van de concurrentiegerichte dialoog gunnen.

  • 3. In de gevallen en omstandigheden zoals bepaald in de artikelen 30 en 31, kan een aanbestedende dienst gebruik maken van een procedure van gunning door onderhandelingen, met of zonder mededeling van de aankondiging van de overheidsopdracht.

Artikel 29

  • 1. Voor bijzonder complexe overheidsopdrachten kan een aanbestedende dienst, voor zover hij van oordeel is dat de toepassing van openbare procedures of niet-openbare procedures het niet mogelijk maakt de overheidsopdracht te gunnen, gebruik maken van de concurrentiegerichte dialoog overeenkomstig dit artikel.

  • 2. De gunning van de overheidsopdracht geschiedt op basis van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving.

  • 3. Een aanbestedende dienst maakt een aankondiging van een overheidsopdracht bekend waarin hij zijn behoeften en eisen vermeldt, die door hem in die aankondiging of in een beschrijvend document worden omschreven.

  • 4. Een aanbestedende dienst opent met de overeenkomstig de artikelen 44 tot en met 53 geselecteerde gegadigden een dialoog met het doel te bepalen welke middelen geschikt zijn om zo goed mogelijk aan de behoeften van de aanbestedende dienst te voldoen. Tijdens deze dialoog kan de aanbestedende dienst met de geselecteerde gegadigden alle aspecten van de overheidsopdracht bespreken.

  • 5. Tijdens de dialoog waarborgt de aanbestedende dienst de gelijke behandeling van alle inschrijvers en verstrekt hij geen informatie die sommige inschrijvers kan bevoordelen boven andere.

  • 6. Een aanbestedende dienst deelt de voorgestelde oplossingen of andere door een deelnemer aan de dialoog verstrekte vertrouwelijke inlichtingen niet aan de andere deelnemers mee zonder de instemming van eerstgenoemde deelnemer.

  • 7. Een aanbestedende dienst kan bepalen dat de procedure in opeenvolgende fasen verloopt, zodat het aantal in de dialoogfase te bespreken oplossingen kan worden beperkt aan de hand van de gunningscriteria die in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document zijn vermeld. Een aanbestedende dienst vermeldt deze mogelijkheid in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document.

  • 8. Een aanbestedende dienst zet de dialoog voort totdat hij, zo nodig na vergelijking, kan aangeven welke oplossingen aan zijn behoeften kunnen voldoen.

  • 9. Nadat een aanbestedende dienst de dialoog heeft beëindigd en de deelnemers daarvan op de hoogte heeft gesteld, verzoekt hij de deelnemers om hun definitieve inschrijvingen in te dienen op basis van de tijdens de dialoog voorgelegde en gespecificeerde oplossingen.

  • 10. De inschrijver voorziet er in dat de inschrijving, bedoeld in het negende lid, alle vereiste en noodzakelijke elementen voor de uitvoering van het project bevat.

  • 11. Een aanbestedende dienst kan de inschrijver verzoeken om de inschrijving toe te lichten of nauwkeuriger te omschrijven.

  • 12. Wanneer een verzoek als bedoeld in het elfde lid wordt gedaan wijzigt de inschrijver de basiselementen van de inschrijving of de aanbesteding niet wezenlijk.

  • 13. Een aanbestedende dienst beoordeelt de ontvangen inschrijvingen op basis van de in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document bepaalde gunningscriteria en kiest de economisch voordeligste inschrijving overeenkomstig artikel 54.

  • 14. Op verzoek van een aanbestedende dienst kan de inschrijver waarvan de inschrijving is aangewezen als de economisch voordeligste inschrijving, verzocht worden aspecten van zijn inschrijving te verduidelijken of in de inschrijving opgenomen verbintenissen te bevestigen, op voorwaarde dat dit de inhoudelijke aspecten van de inschrijving of van de aankondiging ongewijzigd laat en niet leidt of dreigt te leiden tot concurrentievervalsing of discriminatie.

  • 15. Een aanbestedende dienst kan voorzien in prijzen of betalingen aan de deelnemers aan de dialoog.

Artikel 30

  • 1. Een aanbestedende dienst kan voor het gunnen van zijn overheidsopdrachten gebruik maken van een procedure van gunning door onderhandelingen na voorafgaande mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht:

    a. indien in het kader van een openbare procedure of niet-openbare procedure of een concurrentiegerichte dialoog inschrijvingen zijn gedaan die onregelmatig zijn, of indien inschrijvingen zijn gedaan die onaanvaardbaar zijn op grond van de artikelen 4, 24, 25, 27, 44 tot en met 54 en 57, mits de oorspronkelijke voorwaarden van de overheidsopdracht niet wezenlijk worden gewijzigd,

    b. in buitengewone gevallen, wanneer het werken, leveringen of diensten betreft waarvan de aard en de onzekere omstandigheden een vaststelling vooraf van de totale prijs niet mogelijk maken,

    c. wanneer, in het geval van overheidsopdrachten voor diensten als bedoeld in categorie 6 van bijlage 2, onderdeel A, en intellectuele diensten, vanwege de aard van de te verlenen diensten de specificaties voor de overheidsopdracht niet voldoende nauwkeurig kunnen worden vastgesteld om de opdracht overeenkomstig de voorschriften inzake de openbare procedure of de niet-openbare procedure door de keuze van de beste inschrijving te gunnen, of

    d. in het geval van overheidsopdrachten voor werken, wanneer het werken betreft die worden uitgevoerd ten behoeve van onderzoek, proefneming of ontwikkeling, en zonder het doel winst te maken of de kosten van onderzoek en ontwikkeling te dekken.

  • 2. Een aanbestedende dienst kan, wanneer de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, zich voordoen, van de mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht afzien, indien hij bij de procedure van gunning door onderhandelingen alleen de inschrijvers betrekt die voldoen aan de criteria van de artikelen 45 tot en met 53 en die gedurende de voorafgaande openbare procedure of niet-openbare procedure of concurrentiegerichte dialoog inschrijvingen hebben ingediend die aan de formele eisen van de procedure voor het gunnen van overheidsopdrachten voldoen.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, onderhandelt de aanbestedende dienst met de inschrijvers over de door de inschrijvers ingediende inschrijvingen, teneinde deze aan te passen aan de eisen die hij in de aankondiging van de overheidsopdracht, het beschrijvend document en de eventuele aanvullende documenten heeft gesteld en teneinde het beste bod, bedoeld in artikel 54, eerste lid, te zoeken.

  • 4. Tijdens de onderhandelingen waarborgt de aanbestedende dienst de gelijke behandeling van alle inschrijvers, en verstrekt geen informatie, waardoor bepaalde inschrijvers boven andere inschrijvers bevoordeeld kunnen worden.

  • 5. Een aanbestedende dienst kan bepalen dat de procedure van gunning door onderhandelingen in opeenvolgende fasen verloopt, zodat het aantal inschrijvingen waarover onderhandeld wordt, door toepassing van de gunningscriteria die in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document zijn vermeld, verminderd wordt. Een aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document dat van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt.

Artikel 31

  • 1. Een aanbestedende dienst kan voor het gunnen van zijn overheidsopdrachten gebruik maken van een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht:

    a. wanneer, in het kader van een openbare procedure of een niet-openbare procedure, geen of geen geschikte inschrijvingen of geen verzoeken om een uitnodiging tot deelneming zijn ingediend, mits de oorspronkelijke voorwaarden van de overheidsopdracht niet wezenlijk worden gewijzigd en de Commissie op haar verzoek een verslag wordt overgelegd,

    b. wanneer de overheidsopdracht om technische of artistieke redenen of om redenen van bescherming van uitsluitende rechten slechts aan een bepaalde ondernemer kan worden toevertrouwd, of

    c. voor zover zulks strikt noodzakelijk is, ingeval de termijnen voor de openbare procedure of de niet-openbare procedure dan wel voor de procedure van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 30 wegens dwingende spoed, als gevolg van gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet kon worden voorzien en niet aan de aanbestedende dienst te wijten is, niet in acht kunnen worden genomen.

  • 2. Een aanbestedende dienst kan overheidsopdrachten voor leveringen gunnen na een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht in de volgende gevallen:

    a. wanneer het producten betreft die voor onderzoek, proefneming, studie of ontwikkeling worden vervaardigd en welke niet voor de productie in grote hoeveelheden zijn bedoeld om de commerciële haalbaarheid van het product vast te stellen of de kosten van onderzoek en ontwikkeling te delgen,

    b. voor door de oorspronkelijke leverancier verrichte aanvullende leveringen die:

    – bestemd zijn voor gedeeltelijke vernieuwing van leveringen of installaties voor courant gebruik, of

    – voor de uitbreiding van bestaande leveringen of installaties,

    wanneer verandering van leverancier de aanbestedende dienst ertoe zou verplichten apparatuur aan te schaffen met andere technische eigenschappen, zodat onverenigbaarheid ontstaat of zich bij gebruik en onderhoud onevenredige technische moeilijkheden voordoen, mits de looptijd van deze overheidsopdrachten voor leveringen en nabestellingen niet langer is dan drie jaar,

    c. voor op een grondstoffenmarkt genoteerde en aangekochte leveringen, of

    d. voor de aankoop van leveringen tegen bijzonder gunstige voorwaarden bij een leverancier die definitief zijn handelsactiviteit stopzet, bij curatoren of vereffenaars van een faillissement of een vonnis of bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

  • 3. Een aanbestedende dienst kan een overheidsopdracht voor diensten gunnen na een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande mededeling van een aankondiging, wanneer die opdracht voortvloeit uit een prijsvraag en volgens de toepasselijke voorschriften aan de winnaar of aan een van de winnaars van die prijsvraag dient te worden gegund. In dit laatste geval nodigt de aanbestedende dienst alle winnaars van de prijsvraag tot de onderhandelingen uit.

  • 4. Een aanbestedende dienst kan een overheidsopdracht voor werken of een overheidsopdracht voor diensten gunnen na een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande aankondiging in de volgende gevallen:

    a. voor aanvullende werken of diensten die noch in het oorspronkelijk gegunde ontwerp, noch in de oorspronkelijk gegunde overheidsopdracht voor werken of overheidsopdracht voor diensten waren opgenomen, onder de volgende voorwaarden:

    1°. de aanvullende werken of diensten zijn ten gevolge van een onvoorziene omstandigheid voor de uitvoering van deze overheidsopdracht noodzakelijk geworden;

    2°. de gunning geschiedt aan de aannemer of dienstverlener die de oorspronkelijke overheidsopdracht voor werken of overheidsopdracht voor diensten uitvoert, en

    3°. het totale bedrag van de voor de aanvullende werken of diensten gegunde overheidsopdracht voor werken of overheidsopdracht voor diensten niet hoger is dan 50 procent van het bedrag van de oorspronkelijke overheidsopdracht,

    en de aanvullende werken of diensten voorts

    – technisch of economisch niet los van de oorspronkelijke opdracht kunnen worden uitgevoerd zonder overwegende bezwaren voor de aanbestedende diensten, of

    – wel kunnen worden gescheiden, maar strikt noodzakelijk zijn om de oorspronkelijke opdracht te vervolmaken;

    b. in geval van nieuwe werken of diensten, bestaande uit de herhaling van soortgelijke werken of diensten die door dezelfde aanbestedende diensten worden toevertrouwd aan de ondernemer waaraan een oorspronkelijke overheidsopdracht werd gegund, mits deze werken of deze diensten overeenstemmen met een basisproject dat het voorwerp vormde van de oorspronkelijke overheidsopdracht die overeenkomstig de openbare procedure of de niet-openbare procedures is gegund en mits:

    1°. de aanbestedende diensten reeds in de aankondiging van de aanbesteding van het basisproject vermelden dat een procedure zonder aankondiging kan worden toegepast, en

    2°. de aanbestedende diensten hierbij het totale voor de volgende werken geraamde bedrag in aanmerking nemen voor de toepassing van de artikel 7,

    en van deze procedure slechts gedurende een periode van drie jaar volgend op de oorspronkelijke overheidsopdracht gebruik kan worden gemaakt.

Artikel 32

  • 1. Een aanbestedende dienst kan een raamovereenkomst sluiten.

  • 2. Een aanbestedende dienst die een raamovereenkomst sluit overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6, 18 tot en met 31 of 33 tot en met 57, kan op basis van die raamovereenkomst overheidsopdrachten gunnen overeenkomstig de procedures, bedoeld in het zevende tot en met het tiende lid.

  • 3. De procedures, bedoeld in het zevende tot en met het tiende lid, zijn slechts van toepassing tussen een aanbestedende dienst en de ondernemers die oorspronkelijk bij de raamovereenkomst partij waren.

  • 4. Bij de gunning van overheidsopdrachten die op een raamovereenkomst zijn gebaseerd, mogen de partijen geen substantiële wijzigingen aanbrengen in de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.

  • 5. De looptijd van een raamovereenkomst is niet langer dan vier jaar, behalve in uitzonderingsgevallen die deugdelijk gemotiveerd zijn.

  • 6. Een aanbestedende dienst gebruikt een raamovereenkomst niet om de mededinging te hinderen, te beperken of te vervalsen en maakt geen oneigenlijk gebruik van een raamovereenkomst.

  • 7. Als een raamovereenkomst is gesloten met een enkele ondernemer worden de op die raamovereenkomst gebaseerde overheidsopdrachten gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.

  • 8. Overheidsopdrachten op basis van raamovereenkomsten met een enkele ondernemer kunnen worden gegund door die ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen.

  • 9. Als een raamovereenkomst wordt gesloten met meerdere ondernemers, wordt deze raamovereenkomst met minimaal drie ondernemers gesloten, voorzover het aantal ondernemers dat aan de selectiecriteria voldoet, of het aantal inschrijvingen dat aan de gunningscriteria voldoet, voldoende groot is.

  • 10. Overheidsopdrachten op basis van raamovereenkomsten met meerdere ondernemers kunnen worden gegund:

    a. door toepassing van de in de raamovereenkomst bepaalde voorwaarden, zonder de partijen opnieuw tot mededinging op te roepen, of

    b. wanneer niet alle voorwaarden in de raamovereenkomst zijn bepaald, door de partijen opnieuw tot mededinging op te roepen onder de in de raamovereenkomst of in het beschrijvend document van de raamovereenkomst bepaalde voorwaarden, volgens de onderstaande procedure:

    1°. voor een te gunnen overheidsopdracht raadplegen de aanbestedende diensten schriftelijk de ondernemers die in staat zijn de overheidsopdracht uit te voeren,

    2°. een aanbestedende dienst stelt een voldoende lange termijn vast voor de indiening van inschrijvingen voor een specifieke overheidsopdracht, waarbij hij rekening houdt met elementen zoals de complexiteit van het voorwerp van de overheidsopdracht en de benodigde tijd voor de toezending van de inschrijvingen,

    3°. de inschrijvingen worden schriftelijk ingediend en de inhoud ervan blijft vertrouwelijk totdat de vastgestelde indieningstermijn is verstreken,

    4°. een aanbestedende dienst gunt een overheidsopdracht aan de inschrijver die op grond van de in het beschrijvend document van de raamovereenkomst vastgestelde gunningscriteria de beste inschrijving heeft ingediend.

Artikel 33

  • 1. Een aanbestedende dienst kan gebruik maken van een dynamisch aankoopsysteem.

  • 2. Voor de instelling van een dynamisch aankoopsysteem volgt een aanbestedende dienst de voorschriften van alle fasen van de openbare procedure tot aan de gunning van de overheidsopdrachten die in het kader van dit dynamische aankoopsysteem worden gegund.

  • 3. Een aanbestedende dienst laat alle inschrijvers die aan de selectiecriteria voldoen en overeenkomstig het beschrijvend document en de eventuele aanvullende documenten een indicatieve inschrijving hebben ingediend, tot het dynamische aankoopsysteem toe.

  • 4. Een aanbestedende dienst staat toe dat indicatieve inschrijvingen te allen tijde kunnen worden verbeterd, op voorwaarde dat zij niet afwijken van het beschrijvend document.

  • 5. Voor het opzetten van een dynamisch aankoopsysteem en voor de gunning van de overheidsopdrachten in het kader hiervan gebruikt een aanbestedende dienst elektronische middelen overeenkomstig artikel 42, tweede tot en met het elfde lid.

  • 6. Bij de instelling van een dynamisch aankoopsysteem:

    a. publiceert de aanbestedende dienst een aankondiging van de overheidsopdracht en geeft daarbij aan dat het om een dynamisch aankoopsysteem gaat,

    b. verstrekt de aanbestedende dienst in het beschrijvend document nadere gegevens over onder andere de aard van de overwogen aankopen waarop dit dynamische aankoopsysteem betrekking heeft, alle nodige informatie omtrent het aankoopsysteem, de gebruikte elektronische apparatuur en de nadere technische bepalingen en specificaties voor de verbinding, en

    c. biedt de aanbestedende dienst tegelijk met de publicatie van de overheidsopdracht en tot aan het vervallen van het dynamische aankoopsysteem langs elektronische weg een vrije, rechtstreekse en volledige toegang tot het beschrijvend document en alle aanvullende documenten en geeft de aanbestedende dienst in de aankondiging het internetadres aan waar deze documenten kunnen worden geraadpleegd.

  • 7. Een ondernemer kan een indicatieve inschrijving indienen om toegelaten te worden tot het dynamische aankoopsysteem onder de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid.

  • 8. Een aanbestedende dienst beoordeelt de indicatieve inschrijving binnen 15 dagen na indiening.

  • 9. Een aanbestedende dienst kan de termijn, bedoeld in het achtste lid, verlengen, op voorwaarde dat er tussentijds geen aankondiging van de overheidsopdracht wordt uitgeschreven.

  • 10. Een aanbestedende dienst deelt de ondernemer, bedoeld in de het zevende lid, zo snel mogelijk mee dat hij is toegelaten tot het dynamische aankoopsysteem of dat zijn indicatieve inschrijving is afgewezen.

  • 11. Een aanbestedende dienst publiceert voor een specifieke overheidsopdracht een aankondiging.

  • 12. Alvorens een aankondiging als bedoeld in het elfde lid te plaatsen, publiceert de aanbestedende dienst een vereenvoudigde aankondiging waarin alle belangstellende ondernemers worden uitgenodigd om overeenkomstig het vierde lid een indicatieve inschrijving in te dienen, binnen een termijn van ten minste 15 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de vereenvoudigde aankondiging.

  • 13. Een aanbestedende dienst schrijft een aankondiging uit nadat de beoordeling is afgerond van alle indicatieve inschrijvingen, die binnen de termijn, bedoeld in het twaalfde lid, zijn ingediend.

  • 14. Een aanbestedende dienst nodigt alle tot het dynamische aankoopsysteem toegelaten ondernemers uit om voor een specifieke overheidsopdracht die binnen dat dynamische aankoopsysteem wordt gegund een inschrijving in te dienen. Daartoe stelt de aanbestedende dienst een voldoende lange termijn vast voor de indiening van de inschrijvingen.

  • 15. Een aanbestedende dienst gunt de overheidsopdracht aan de inschrijver die de beste inschrijving heeft ingediend op grond van de gunningscriteria die zijn vermeld in de aankondiging van de overheidsopdracht waarbij het dynamische aankoopsysteem wordt ingesteld. Deze criteria kunnen gepreciseerd worden in de uitnodiging, bedoeld in het veertiende lid.

  • 16. Een dynamisch aankoopsysteem duurt niet langer dan vier jaar. Een aanbestedende dienst kan in uitzonderlijke gevallen van deze termijn afwijken, waarbij hij deze uitzondering deugdelijk motiveert.

  • 17. Een aanbestedende dienst maakt geen gebruik van een dynamisch aankoopsysteem om de mededinging te hinderen, te beperken of te vervalsen.

  • 18. Een aanbestedende dienst, die gebruik maakt van een dynamisch aankoopsysteem, brengt aan de betrokken ondernemers geen administratiekosten in rekening.

Artikel 34

  • 1. Een aanbestedende dienst kan teneinde die aannemer te kiezen die het meest geschikt is om mee samen te werken, een bijzondere procedure voor de gunning toepassen bij overheidsopdrachten betreffende het ontwerpen en bouwen van een complex sociale woningen, waarvoor, wegens de omvang, de complexiteit en de vermoedelijke duur van de desbetreffende werken, het plan van meet af aan wordt opgesteld op grond van een nauwe samenwerking tussen de afgevaardigden van de aanbestedende diensten, deskundigen en de aannemer die met de uitvoering van de werken wordt belast.

  • 2. Een aanbestedende dienst geeft in de aankondiging van de overheidsopdracht een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de werken, bedoeld in het eerste lid, opdat de belangstellende aannemers zich een duidelijk beeld van het uit te voeren project kunnen vormen.

  • 3. Een aanbestedende dienst vermeldt in deze aankondiging, overeenkomstig de kwalitatieve selectiecriteria, bedoeld in de artikelen 45 tot en met 53, aan welke persoonlijke, technische, economische en financiële voorwaarden de gegadigden dienen te voldoen.

  • 4. Wanneer een aanbestedende dienst van de procedure, bedoeld in het eerste lid, gebruik maakt, past hij de artikelen 2, 35, 36, 38, 39, 41, 42, 43 en de artikelen 45 tot en met 53 toe.

§ 9. De aankondigingen

Artikel 35

  • 1. Een aanbestedende dienst kan in een vooraankondiging die door de Commissie of door de aanbestedende dienst zelf via hun kopersprofiel wordt verspreid, mededelen:

    a. het geraamde totale bedrag van de overheidsopdrachten voor leveringen of de raamovereenkomsten voor leveringen per productgroep die hij voornemens is in de loop van de komende twaalf maanden te gunnen of te sluiten, wanneer het geraamde totale bedrag, met inachtneming van artikel 9, € 750.000 of meer bedraagt;

    b. het geraamde totale bedrag van de overheidsopdrachten voor diensten of de raamovereenkomst voor diensten voor elk van de dienstencategorieën als bedoeld in bijlage 2, onderdeel A die hij voornemens is in de loop van de komende twaalf maanden te gunnen of te sluiten, wanneer het geraamde totale bedrag, met inachtneming van artikel 9, € 750.000 of meer bedraagt;

    c. de hoofdkenmerken van de overheidsopdrachten voor werken of de raamovereenkomsten voor werken die hij voornemens is te gunnen of te sluiten, wanneer het geraamde bedrag, met inachtneming van artikel 9, gelijk is aan of meer bedraagt dan de drempel, genoemd in artikel 7, onderdeel c.

  • 2. De vooraankondiging, bedoeld in het eerste lid, bevat de gegevens, genoemd in bijlage 4, onderdeel A.

  • 3. Een aanbestedende dienst gebruikt voor de vooraankondiging die via een kopersprofiel meegedeeld kan worden, bedoeld in het eerste lid, en in de aankondiging, het formulier volgens het model dat daarvoor is opgenomen in richtlijn nr. 2001/78/EG.

  • 4. Het kopersprofiel, bedoeld in het eerste lid, kan voor aankondigingen informatie bevatten over lopende aanbestedingsprocedures, voorgenomen aankopen, gegunde overheidsopdrachten, geannuleerde procedures, en alle nuttige algemene informatie, zoals het contactpunt, een telefoon- en faxnummer, een postadres en een e-mailadres.

  • 5. Een aanbestedende dienst zendt de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zo spoedig mogelijk na het begin van het begrotingsjaar toe aan de Commissie of deelt deze aankondigingen mede via het kopersprofiel.

  • 6. Een aanbestedende dienst zendt de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zo spoedig mogelijk nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma voor de overheidsopdrachten voor werken of de raamovereenkomsten die de aanbestedende dienst voornemens is te gunnen of te sluiten, toe aan de Commissie of deelt deze aankondigingen mede via het kopersprofiel.

  • 7. Een aanbestedende dienst kan de informatie in het kopersprofiel, bedoeld in het vierde lid, via het internet publiceren.

  • 8. Een aanbestedende dienst die de vooraankondiging via zijn kopersprofiel mee deelt, zendt de Commissie langs elektronische weg overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG een kennisgeving toe waarin de mededeling van de vooraankondiging via het kopersprofiel wordt gemeld.

  • 9. Een aanbestedende dienst die een overheidsopdracht wenst te gunnen of een raamovereenkomst wenst te sluiten volgens een openbare procedure of een niet-openbare procedure dan wel volgens een procedure van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 30 of een concurrentiegerichte dialoog als bedoeld in artikel 29, geeft zijn voornemen hiertoe in een aankondiging van een overheidsopdracht te kennen.

  • 10. Een aanbestedende dienst die een dynamisch aankoopsysteem wil instellen, maakt zijn voornemen kenbaar via een aankondiging van een overheidsopdracht.

  • 11. Een aanbestedende dienst die een overheidsopdracht wenst te gunnen op basis van een dynamisch aankoopsysteem maakt zijn voornemen via een vereenvoudigde aankondiging van een overheidsopdracht kenbaar.

  • 12. Een aanbestedende dienst die een overheidsopdracht heeft gegund of een raamovereenkomst heeft gesloten, zendt de Commissie uiterlijk 48 dagen na de gunning van de overheidsopdracht of de sluiting van de raamovereenkomst een aankondiging betreffende de resultaten van de procedure toe.

  • 13. Een aanbestedende dienst is in het geval van overeenkomstig artikel 32 gesloten raamovereenkomsten niet verplicht een aankondiging betreffende de resultaten van de gunning van een op de overeenkomst gebaseerde overheidsopdracht aan de Commissie te zenden.

  • 14. Een aanbestedende dienst zendt de Commissie binnen 48 dagen na de gunning van een afzonderlijke overheidsopdracht op basis van een dynamisch aankoopsysteem een mededeling toe van het resultaat van de procedure.

  • 15. Een aanbestedende dienst kan de resultaten, bedoeld in het veertiende lid, per kwartaal bundelen. Indien de aanbestedende dienst daarvoor kiest zendt hij de gebundelde resultaten binnen twee maanden na het einde van elk kwartaal toe.

  • 16. Met betrekking tot overheidsopdrachten voor diensten als bedoeld in bijlage 2, onderdeel B vermeldt een aanbestedende dienst in de aankondiging of hij met de mededeling ervan instemt.

  • 17. Een aanbestedende dienst kan bepaalde gegevens betreffende de gunning van de overheidsopdracht of de sluiting van de raamovereenkomst niet meedelen indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van het recht in de weg zou staan, met het openbaar belang in strijd zou zijn, de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden, of afbreuk aan de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen doen.

Artikel 36

  • 1. De aankondigingen, bedoeld in artikel 35, bevatten de desbetreffende inlichtingen, genoemd in bijlage 4, en alle door de aanbestedende dienst nuttig geachte inlichtingen in de vorm van het formulier volgens het model dat daarvoor is opgenomen in richtlijn nr. 2001/78/EG.

  • 2. Een aanbestedende dienst zendt de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, langs elektronische weg overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG, of langs andere weg aan de Commissie.

  • 3. In het geval van de in artikel 38, elfde lid, beschreven versnelde procedure wordt de aankondiging door de aanbestedende dienst aan de Commissie hetzij per fax, hetzij langs elektronische weg overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG verzonden.

  • 4. Een aanbestedende dienst maakt de aankondiging en de inhoud ervan niet openbaar vóór de datum waarop zij aan de Commissie wordt toegezonden.

  • 5. Een aanbestedende dienst waarborgt dat de aankondiging die in Nederland wordt meegedeeld, geen andere informatie bevat dan de informatie in de aankondiging die overeenkomstig artikel 35, eerste tot en met vierde lid, aan de Commissie wordt toegezonden of via een kopersprofiel wordt meegedeeld, en dat de datum van toezending aan de Commissie of van de mededeling via het kopersprofiel wordt vermeld.

  • 6. Een aanbestedende dienst kan een vooraankondiging slechts via het kopersprofiel mededelen nadat de kennisgeving van de mededeling via het kopersprofiel aan de Commissie is verzonden, en indien de aanbestedende dienst de datum van deze verzending vermeldt.

  • 7. Een aanbestedende dienst waarborgt dat de inhoud van een aankondiging die niet langs elektronische weg overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG wordt verzonden, in beginsel beperkt blijft tot 650 woorden.

  • 8. Een aanbestedende dienst waarborgt dat hij de verzenddatum van de aankondiging kan aantonen.

  • 9. De bevestiging van de mededeling van de aankondiging, welke verstrekt wordt door de Commissie, vormt het bewijs van bekendmaking van de verzonden informatie.

Artikel 37

  • 1. Een aanbestedende dienst stelt bij het opstellen van een aankondiging de categorieën van producten vast volgens de CPV.

  • 2. In geval van discrepanties tussen de CPV en de NACE, of tussen de CPV en de CPC, zijn respectievelijk de NACE of de CPC van toepassing.

§ 10. Termijnen

Artikel 38

  • 1. Een aanbestedende dienst houdt bij de vaststelling van de termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen en verzoeken tot deelneming rekening met de complexiteit van de overheidsopdracht, de voor de voorbereiding van de inschrijvingen benodigde tijd en de in dit artikel vastgestelde minimumtermijnen.

  • 2. Voor openbare procedures bedraagt de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen minimaal 52 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de uitnodiging.

  • 3. Voor niet-openbare procedures en procedures van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht en de concurrentiegerichte dialoog bedraagt de termijn voor de ontvangst van de verzoeken tot deelneming minimaal 37 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht.

  • 4. Voor niet-openbare procedures bedraagt de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen minimaal 40 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de uitnodiging.

  • 5. Een aanbestedende dienst kan in de gevallen waarin hij een vooraankondiging als bedoeld in artikel 35, eerste lid, heeft meegedeeld, de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen, bedoeld in het tweede en vierde lid, inkorten tot 36 dagen, maar in geen geval tot minder dan 22 dagen. Deze termijn loopt bij openbare procedures vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht en bij niet-openbare procedures vanaf de verzenddatum van de uitnodiging tot indiening van een inschrijving.

  • 6. De termijn, bedoeld in het vijfde lid, is toegestaan, mits de vooraankondiging alle informatie bevat die in de aankondiging van de overheidsopdracht, bedoeld in bijlage 4, onderdeel A, wordt verlangd, voor zover deze informatie beschikbaar is op het tijdstip dat de aankondiging wordt meegedeeld en mits deze vooraankondiging minimaal 52 dagen en maximaal 12 maanden voor de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht ter mededeling is verzonden.

  • 7. Een aanbestedende dienst kan wanneer de aankondiging langs elektronische weg overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG wordt opgesteld en verzonden, de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen bij openbare procedures, genoemd in het tweede en vijfde lid, en de termijn voor de ontvangst van de verzoeken bij niet-openbare procedures, procedures van gunning door onderhandelingen en de concurrentiegerichte dialoog, genoemd in het derde lid, met zeven dagen verkorten.

  • 8. Een aanbestedende dienst kan de termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen, bedoeld in het tweede en vierde lid, met vijf dagen verkorten indien hij met elektronische middelen en vanaf de mededeling van de aankondiging vrije, rechtstreekse en volledige toegang biedt tot het beschrijvend document en alle aanvullende stukken, met inachtneming van artikel 36, en in de aankondiging het internetadres dat toegang biedt tot deze documenten vermeldt.

  • 9. Een aanbestedende dienst kan de verkorting van de termijn voor ontvangst van de inschrijvingen, bedoeld in het zevende en achtste lid, optellen.

  • 10. Wanneer het beschrijvend document en de aanvullende stukken of nadere inlichtingen tijdig zijn aangevraagd, maar om enigerlei reden niet binnen de in de artikelen 39 en 40 gestelde termijnen zijn verstrekt, of wanneer de inschrijvingen slechts na een bezichtiging ter plaatse, of na inzage ter plaatse van de bij het beschrijvend document behorende stukken kunnen worden gedaan, verlengt de aanbestedende dienst de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen zodanig dat alle betrokken ondernemers van alle nodige informatie voor de opstelling van de inschrijvingen kennis kunnen nemen.

  • 11. Wanneer het om dringende redenen niet haalbaar is de in dit artikel bepaalde minimumtermijnen in acht te nemen, kan een aanbestedende dienst bij niet-openbare procedures en de procedures van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht, bedoeld in artikel 30, de volgende termijnen vaststellen:

    a. een termijn voor de ontvangst van de verzoeken tot deelneming van minimaal 15 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht, of tien dagen indien de aankondiging elektronisch is verzonden overeenkomstig het model in het derde punt van bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/18/EG, en

    b. in het geval van niet-openbare procedures, een termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen van minimaal tien dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de uitnodiging tot indiening van een inschrijving.

Artikel 39

  • 1. Wanneer een aanbestedende dienst bij openbare procedures niet langs elektronische weg vrije, rechtstreekse en volledige toegang biedt tot het beschrijvend document en alle aanvullende stukken, zendt de aanbestedende dienst het beschrijvend document en de aanvullende stukken binnen zes dagen na ontvangst van de aanvraag aan de ondernemers toe, mits deze aanvraag tijdig voor de uiterste datum voor de indiening van de inschrijvingen is gedaan.

  • 2. Een aanbestedende dienst verstrekt nadere inlichtingen over het beschrijvend document en de aanvullende stukken uiterlijk zes dagen voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen, mits deze aanvraag tijdig voor de uiterste datum voor de indiening van de inschrijvingen is gedaan.

§ 11. Verstrekking van informatie

Artikel 40

  • 1. Bij niet-openbare procedures, de concurrentiegerichte dialoog en procedures van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 30 nodigt de aanbestedende dienst de uitgekozen gegadigden gelijktijdig en schriftelijk uit tot inschrijving, tot onderhandelingen of, in de concurrentiegerichte dialoog, tot deelneming aan de dialoog.

  • 2. De uitnodiging aan de gegadigden bevat ten minste:

    a. een exemplaar van het beschrijvend document en van alle aanvullende stukken, of

    b. de vermelding van de toegang tot het beschrijvend document en tot de andere hiervoor vermelde stukken, wanneer deze rechtstreeks langs elektronische weg toegankelijk zijn.

  • 3. Wanneer het beschrijvend document of de aanvullende stukken niet bij de aanbestedende dienst die voor de gunningsprocedure verantwoordelijk is kunnen worden aangevraagd, vermeldt de aanbestedende dienst in de uitnodiging het adres van de instantie waar deze stukken wel kunnen worden aangevraagd, de uiterste datum voor deze aanvraag, het bedrag dat verschuldigd is en de wijze van betaling om de stukken te verkrijgen.

  • 4. Een aanbestedende dienst zendt de documentatie, bedoeld in het derde lid, onmiddellijk na ontvangst van de aanvraag aan de ondernemers toe.

  • 5. Een aanbestedende dienst verstrekt nadere inlichtingen over het beschrijvend document of de aanvullende stukken uiterlijk zes dagen voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen, mits het verzoek om inlichtingen tijdig voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijving is gedaan.

  • 6. Een aanbestedende dienst verstrekt in het geval van versnelde niet-openbare procedures of van versnelde procedures van gunning door onderhandelingen, de nadere inlichtingen, als bedoeld in het vijfde lid, uiterlijk vier dagen voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen, mits het verzoek om inlichtingen tijdig voor de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijving, het verzoek tot deelneming of het verzoek tot onderhandeling is gedaan.

  • 7. In de uitnodiging tot inschrijving, tot deelneming aan de dialoog of tot deelneming aan de onderhandelingen neemt een aanbestedende dienst ten minste de volgende informatie op:

    a. een verwijzing naar de aankondiging van de overheidsopdracht, die is meegedeeld,

    b. de uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen, het adres waar deze kunnen worden ingediend en de taal of talen waarin zij dienen te worden gesteld,

    c. bij de concurrentiegerichte dialoog, de aanvangsdatum en het adres van de raadpleging, alsook de daarbij gebruikte taal of talen,

    d. opgave van de stukken die eventueel worden bijgevoegd, hetzij ter staving van de door de gegadigde overeenkomstig artikel 44 verstrekte controleerbare verklaringen, hetzij ter aanvulling van de inlichtingen, bedoeld in artikel 44, en zulks onder dezelfde voorwaarden als gesteld in de artikelen 48 en 49, en

    e. het relatieve gewicht van de gunningscriteria van de overheidsopdracht of, de afnemende volgorde van belangrijkheid van de criteria, indien deze niet in de aankondiging van de overheidsopdracht of het beschrijvend document is vermeld.

  • 8. Bij een overheidsopdracht waarvoor artikel 29 geldt neemt een aanbestedende dienst de gegevens, genoemd in het zevende lid, onderdeel b, niet op in de uitnodiging tot deelneming aan de dialoog, maar in de uitnodiging tot indiening van een inschrijving.

Artikel 41

  • 1. Een aanbestedende dienst stelt de gegadigden en inschrijvers zo spoedig mogelijk en desgevraagd schriftelijk in kennis van de beslissingen die zijn genomen inzake de sluiting van een raamovereenkomst, de gunning van een overheidsopdracht of de toelating tot een dynamisch aankoopsysteem, met inbegrip van de redenen waarom hij heeft besloten geen raamovereenkomst te sluiten, een overheidsopdracht waarvoor een aankondiging was gepubliceerd niet te gunnen en de procedure opnieuw te beginnen of geen dynamisch aankoopsysteem in te stellen.

  • 2. Op verzoek van een betrokken partij stelt een aanbestedende dienst iedere afgewezen gegadigde zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van zijn schriftelijk verzoek, in kennis van de redenen voor de afwijzing.

  • 3. Op verzoek van een betrokken partij stelt de aanbestedende dienst iedere afgewezen inschrijver zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van zijn schriftelijk verzoek, in kennis van de redenen voor de afwijzing, inclusief voor de gevallen, bedoeld in artikel 23, vijfde en zesde lid, de redenen voor zijn beslissing dat er geen gelijkwaardigheid voorhanden is of dat de werken, leveringen of diensten niet aan de functionele en prestatie-eisen voldoen.

  • 4. Op verzoek van een betrokken partij stelt de aanbestedende dienst iedere inschrijver die een aan de eisen beantwoordende inschrijving heeft gedaan, zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen 15 dagen na ontvangst van zijn schriftelijk verzoek, in kennis van de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving, en van de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst.

  • 5. Een aanbestedende dienst deelt bepaalde gegevens betreffende de gunning van de overheidsopdrachten, de sluiting van raamovereenkomsten of de toelating tot een dynamisch aankoopsysteem als bedoeld in het eerste lid, niet mee indien openbaarmaking van die gegevens de toepassing van de wet in de weg zou staan, met het openbaar belang in strijd zou zijn, de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden, of afbreuk aan de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen doen.

Artikel 42

  • 1. Een aanbestedende dienst deelt de inschrijvers en gegadigden mede of de mededelingen en uitwisselingen van informatie als bedoeld in de artikelen 38 tot en met 41 gedaan worden door middel van de post of de fax, langs elektronische weg overeenkomstig het vijfde en zesde lid, per telefoon, of door middel van een combinatie van deze middelen.

  • 2. Een aanbestedende dienst maakt gebruik van communicatiemiddelen die algemeen beschikbaar zijn en waardoor de toegang van de ondernemers tot de gunningsprocedure niet wordt beperkt.

  • 3. Een aanbestedende dienst waarborgt bij de mededelingen, uitwisselingen en opslag van informatie de integriteit van de gegevens en de vertrouwelijkheid van de inschrijvingen en van de aanvragen tot deelneming.

  • 4. Een aanbestedende dienst neemt pas na het verstrijken van de uiterste termijn voor de indiening kennis van de inhoud van de inschrijvingen en van de aanvragen tot deelneming.

  • 5. Een aanbestedende dienst gebruikt voor mededelingen langs elektronische weg middelen, waarvan de technische kenmerken niet-discriminerend zijn en algemeen beschikbaar en welke in combinatie met algemeen gebruikte informatie- en communicatietechnologieproducten kunnen functioneren.

  • 6. Op de toezending en de middelen voor de elektronische ontvangst van inschrijvingen, en op de middelen voor de elektronische ontvangst van verzoeken tot deelneming zijn het zevende tot en met het tiende lid van toepassing.

  • 7. Een aanbestedende dienst waarborgt dat de informatie betreffende de specificaties die nodig zijn voor de elektronische indiening van inschrijvingen en verzoeken tot deelneming, inclusief de encryptie, voor belanghebbende partijen beschikbaar zijn.

  • 8. Een aanbestedende dienst kan met inachtneming van artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek eisen dat bij elektronische inschrijvingen gebruik wordt gemaakt van een geavanceerde elektronische handtekening.

  • 9. Een inschrijver of gegadigde dient de documenten, certificaten en verklaringen, bedoeld in de artikelen 45 tot en met 51 en artikel 53, indien deze niet in elektronische vorm beschikbaar zijn, in vóór het verstrijken van de uiterste termijn voor de indiening van inschrijvingen of aanvragen tot deelneming.

  • 10. Een aanbestedende dienst voorziet er in dat de middelen voor de elektronische ontvangst van inschrijvingen en verzoeken tot deelneming door passende technische voorzieningen ten minste de waarborg bieden dat:

    a. met betrekking tot het gebruik van elektronische handtekeningen bij inschrijvingen en verzoeken tot deelneming voldaan wordt aan artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

    b. het tijdstip en de datum van ontvangst van inschrijvingen en verzoeken tot deelneming kunnen worden vastgesteld,

    c. redelijkerwijs kan worden verzekerd dat niemand vóór de opgegeven uiterste datum toegang kan hebben tot de op grond van onderhavige eisen verstrekte informatie,

    d. bij een inbreuk op dit toegangsverbod redelijkerwijs kan worden verzekerd dat de inbreuk zonder problemen kan worden opgespoord,

    e. alleen de gemachtigde personen de data voor openbaarmaking van de ontvangen informatie kunnen vaststellen of wijzigen,

    f. tijdens de verschillende fasen van de gunningsprocedure of van de prijsvraag alleen een gelijktijdig optreden van de gemachtigde personen toegang kan geven tot het geheel of een gedeelte van de verstrekte informatie,

    g. het gelijktijdig optreden van de gemachtigde personen slechts na de opgegeven datum toegang tot de verstrekte informatie kan geven, en

    h. de ontvangen en openbaar gemaakte informatie enkel toegankelijk blijft voor de tot inzage gemachtigde personen.

  • 11. Een aanbestedende dienst kan vrijwillige accreditatieregelingen instellen of handhaven om te komen tot een hoger niveau van de certificeringsdienst van de middelen, bedoeld in het tiende lid.

  • 12. Op de verzending van aanvragen tot deelneming zijn het dertiende tot en met het vijftiende lid van toepassing.

  • 13. Een aanbestedende dienst waarborgt dat verzoeken tot deelneming aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht schriftelijk of telefonisch gedaan kunnen worden.

  • 14. Wanneer aanvragen tot deelneming telefonisch worden gedaan, zendt de aanbestedende dienst vóór het verstrijken van de ontvangsttermijn een schriftelijke bevestiging.

Artikel 43

  • 1. Een aanbestedende dienst stelt over een overheidsopdracht, een raamovereenkomst en een instelling van een dynamisch aankoopsysteem een proces-verbaal op, dat ten minste de volgende gegevens bevat:

    a. de naam en het adres van de aanbestedende dienst, het voorwerp en de waarde van de overheidsopdracht, de raamovereenkomst of het dynamisch aankoopsysteem,

    b. de namen van de uitgekozen gegadigden of inschrijvers met motivering van die keuze,

    c. de namen van de uitgesloten gegadigden of inschrijvers met motivering van die uitsluiting,

    d. de redenen voor de afwijzing van abnormaal laag bevonden inschrijvingen,

    e. de naam van de begunstigde en de motivering voor de keuze van zijn inschrijving, en, indien bekend, het gedeelte van de overheidsopdracht of de raamovereenkomst dat de begunstigde voornemens is aan derden in onderaanneming te geven,

    f. voor procedures van gunning door onderhandelingen de omstandigheden, bedoeld in de artikelen 30 en 31, die de toepassing van deze procedures rechtvaardigen,

    g. met betrekking tot de concurrentiegerichte dialoog, de omstandigheden, bedoeld in artikel 29, die de toepassing van deze procedure rechtvaardigen, en

    h. de redenen waarom de aanbestedende dienst besloten heeft een overheidsopdracht niet te gunnen of een raamovereenkomst niet te sluiten, of geen dynamisch aankoopsysteem in te stellen.

  • 2. Een aanbestedende dienst documenteert het verloop van de langs elektronische weg gevoerde gunningsprocedures.

  • 3. Een aanbestedende dienst deelt het proces-verbaal, of de hoofdpunten ervan, bedoeld in het eerste lid, aan de Commissie op haar verzoek mee.

§ 12. Uitsluiting, selectie en gunning

Artikel 44

  • 1. Een aanbestedende dienst gunt overheidsopdrachten op basis van de in de artikelen 54 en 57 bepaalde criteria, nadat hij de geschiktheid van de niet ingevolge de artikelen 45 en 47 uitgesloten ondernemers heeft gecontroleerd op grond van de criteria van economische en financiële draagkracht, technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid, genoemd in de artikelen 48 tot en met 53, en de niet-discriminerende criteria, bedoeld in het vierde lid.

  • 2. Een aanbestedende dienst kan minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheden als bedoeld in de artikelen 48 en 49 stellen waaraan de gegadigden en de inschrijvers dienen te voldoen.

  • 3. Wanneer een aanbestedende dienst inlichtingen vraagt of minimumeisen stelt inzake draagkracht en bekwaamheden, bedoeld in de artikelen 48 en 49, houden deze verband met en staan ze in verhouding tot het voorwerp van de overheidsopdracht. De aanbestedende dienst vermeldt deze minimumeisen in de aankondiging van de overheidsopdracht.

  • 4. Bij een niet-openbare procedure, een procedure van gunning door onderhandelingen als bedoeld in artikel 30 en een concurrentiegerichte dialoog kan een aanbestedende dienst het aantal geschikte gegadigden dat hij zal uitnodigen tot indiening van een inschrijving, onderhandelingen of dialoog, beperken op voorwaarde dat er een voldoende aantal geschikte kandidaten is. De aanbestedende dienst vermeldt in de aankondiging van de overheidsopdracht de objectieve en niet-discriminerende criteria of voorschriften die hij voornemens is te gebruiken, het minimumaantal en het maximumaantal gegadigden dat hij voornemens is uit te nodigen.

  • 5. Bij niet-openbare procedures zijn er ten minste vijf gegadigden. Bij de concurrentiegerichte dialoog en bij procedures van gunning door onderhandelingen met mededeling van een aankondiging van een overheidsopdracht zijn er ten minste drie gegadigden. Het aantal uitgenodigde gegadigden volstaat in ieder geval om daadwerkelijke mededinging te waarborgen.

  • 6. Een aanbestedende dienst nodigt een aantal gegadigden uit dat ten minste gelijk is aan het minimumaantal gegadigden.

  • 7. Wanneer het aantal gegadigden dat aan de selectiecriteria en de minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheid voldoet lager is dan het minimumaantal, kan de aanbestedende dienst de procedure voortzetten door de gegadigde of de gegadigden uit te nodigen die aan de minimumeisen voldoen. Een aanbestedende dienst neemt in dit geval geen ondernemers in aanmerking die niet om deelneming hebben verzocht, noch neemt hij gegadigden in aanmerking die niet aan de minimumeisen voldoen.

  • 8. Wanneer een aanbestedende dienst gebruik maakt van de mogelijkheid tot vermindering van het aantal oplossingen dat besproken dient te worden, bedoeld in artikel 29, zevende lid, of het aantal inschrijvingen waarover dient te worden onderhandeld, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, vermindert hij dat aantal door toepassing van de gunningscriteria die in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document zijn vermeld. De aanbestedende dienst waarborgt dat, voor zover er een voldoende aantal geschikte oplossingen of gegadigden is, het aantal inschrijvingen in de slotfase zodanig is dat daadwerkelijke mededinging kan worden gegarandeerd.

Artikel 45

  • 1. Een aanbestedende dienst sluit iedere gegadigde of inschrijver jegens wie bij een onherroepelijk vonnis of arrest een veroordeling is uitgesproken op grond van artikel 140, 177, 177a, 178, 225, 226, 227, 227a, 227b of 323a, 328ter, tweede lid, 416, 417, 417bis, 420bis, 420ter of 420quater van het Wetboek van Strafrecht van deelneming aan een overheidsopdracht uit.

  • 2. Een aanbestedende dienst kan om dwingende redenen van algemeen belang afwijken van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Een aanbestedende dienst kan van deelneming aan een overheidsopdracht uitsluiten iedere ondernemer:

    a. die in staat van faillissement of van liquidatie verkeert, wiens werkzaamheden zijn gestaakt, jegens wie een surseance van betaling of een akkoord geldt of die in een andere vergelijkbare toestand verkeert ingevolge een soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie;

    b. wiens faillissement of liquidatie is aangevraagd of tegen wie een procedure van surseance van betaling of akkoord dan wel een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig is gemaakt;

    c. jegens wie een rechterlijke uitspraak met kracht van gewijsde volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie is gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels;

    d. die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op een grond die de aanbestedende dienst aannemelijk kan maken;

    e. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;

    f. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;

    g. die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die ingevolge de artikelen 45 tot en met 53 kunnen worden verlangd, of die inlichtingen niet heeft verstrekt.

  • 4. Een aanbestedende dienst kan in verband met de toepassing van het eerste of derde lid de gegadigde of inschrijver verzoeken om bewijsstukken of verklaringen als bedoeld in artikel 46.

Artikel 46

  • 1. Als instantie die bevoegd is tot het afgeven van een bewijsstuk waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver voor een overheidsopdracht niet verkeert in een van de omstandigheden, bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdelen a en b, geldt de griffier van de rechtbank die op grond van artikel 2 van de Faillissementswet bevoegd is tot het uitspreken van de faillietverklaring van de gegadigde of tot het op die gegadigde of inschrijver van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

  • 2. Als instantie die bevoegd is tot het afgeven van een verklaring waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver niet verkeert in de omstandigheden, bedoeld in artikel 45, eerste of derde lid, onderdelen c en d, geldt de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 30 van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens.

  • 3. Als instantie die bevoegd is tot het afgeven van een verklaring waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver voor een overheidsopdracht niet verkeert in de omstandigheid, bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel e, geldt voor zowel de bijdragen ten behoeve van werknemersverzekeringen, als voor de bijdragen ten behoeve van de volksverzekeringen, de ontvanger onder wie de gegadigde ressorteert voor de inning van belastingen.

  • 4. Als instantie die bevoegd is tot het afgeven van een bewijsstuk waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver voor een overheidsopdracht niet verkeert in de omstandigheid, bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel f, geldt de ontvanger onder wie de gegadigde ressorteert voor de inning van belastingen.

  • 5. Wanneer in het land waarin de gegadigde of inschrijver gevestigd is niet een bewijsstuk of verklaring als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt afgegeven, kan de gegadigde of inschrijver volstaan met een verklaring onder ede of een plechtige verklaring die door betrokkene ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst wordt afgelegd.

Artikel 47

  • 1. Een ondernemer die aan een overheidsopdracht wenst deel te nemen, kan door een aanbestedende dienst worden verzocht aan te tonen dat hij volgens de voorschriften van de lidstaat waar hij is gevestigd, in het beroepsregister of in het handelsregister is ingeschreven, of een verklaring onder ede of een attest te verstrekken als bedoeld in bijlage 5, onderdeel A, voor overheidsopdrachten voor werken, als bedoeld in bijlage 5, onderdeel B, voor overheidsopdrachten voor leveringen en als bedoeld in bijlage 5, onderdeel C, voor overheidsopdrachten voor diensten.

  • 2. Bij procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor diensten kan een aanbestedende dienst, indien de gegadigden of de inschrijvers over een bijzondere vergunning dienen te beschikken of indien zij lid van een bepaalde organisatie dienen te zijn om in hun land van herkomst de betrokken dienst te kunnen verlenen, verlangen dat zij aantonen dat zij over deze vergunning beschikken, of lid van de bedoelde organisatie zijn.

Artikel 48

  • 1. Een ondernemer kan zijn financiële en economische draagkracht aantonen door middel van:

    a. passende bankverklaringen of het bewijs van een verzekering tegen beroepsrisico’s,

    b. overlegging van balansen of van balansuittreksels, indien de wetgeving van het land waar de ondernemer is gevestigd, de bekendmaking van balansen voorschrijft, of

    c. een verklaring betreffende de totale omzet en de omzet van de bedrijfsactiviteit die het voorwerp van de overheidsopdracht is, over ten hoogste de laatste drie beschikbare boekjaren, afhankelijk van de oprichtingsdatum of van de datum waarop de ondernemer met zijn bedrijvigheid is begonnen, voor zover de betrokken omzetcijfers beschikbaar zijn.

  • 2. Een ondernemer kan zich voor een bepaalde overheidsopdracht beroepen op de draagkracht van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen. Een ondernemer toont in dat geval bij de aanbestedende dienst aan dat hij werkelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van de overheidsopdracht noodzakelijke middelen van die natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 3. Onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, kan een samenwerkingsverband van ondernemers als bedoeld in artikel 4 zich beroepen op de draagkracht van de deelnemers aan het samenwerkingsverband of van andere natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 4. Een aanbestedende dienst geeft in de aankondiging van de overheidsopdracht of in de uitnodiging tot inschrijving aan welke referenties, genoemd in het eerste lid, en andere bewijsstukken overgelegd dienen te worden.

  • 5. Wanneer de ondernemer om gegronde redenen niet in staat is de door de aanbestedende dienst gevraagde referenties over te leggen, kan hij zijn economische en financiële draagkracht aantonen met andere bescheiden die de aanbestedende dienst geschikt acht.

Artikel 49

  • 1. Een aanbestedende dienst beoordeelt en controleert de technische bekwaamheid of beroepsbekwaamheid van de ondernemers op basis van het tweede en derde lid.

  • 2. Ondernemers kunnen hun technische bekwaamheid op een of meer van de volgende manieren, afhankelijk van de aard, de hoeveelheid of omvang en het doel van de werken, leveringen of diensten, aantonen:

    a. aan de hand van een lijst van de werken die de afgelopen vijf jaar zijn verricht, welke lijst vergezeld gaat van certificaten die bewijzen dat de belangrijkste werken naar behoren zijn uitgevoerd en waarin het bedrag van de werken, de plaats en het tijdstip waarop ze zijn uitgevoerd vermeld wordt, en waarin wordt aangegeven of de werken volgens de regels der kunst zijn uitgevoerd en tot een goed einde zijn gebracht en die door de bevoegde instantie rechtstreeks aan de aanbestedende dienst worden toegezonden,

    b. aan de hand van een lijst van de voornaamste leveringen of diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag en de datum en van de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor zij bestemd waren. De leveringen en diensten worden aangetoond in het geval van leveringen of diensten voor een aanbestedende dienst, door certificaten die de bevoegde autoriteit heeft afgegeven of medeondertekend of in het geval van leveringen of diensten voor een particuliere afnemer, door certificaten van de afnemer of, bij ontstentenis daarvan, eenvoudigweg door een verklaring van de ondernemer,

    c. aan de hand van een opgave van de al dan niet tot de onderneming van de ondernemer behorende technici of technische organen, in het bijzonder van die welke belast zijn met de kwaliteitscontrole en, in het geval van overheidsopdrachten voor werken, van die welke de aannemer ter beschikking zullen staan om de werken uit te voeren,

    d. aan de hand van een beschrijving van de technische uitrusting van de leverancier of de dienstverlener, van de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen en de mogelijkheden die hij biedt ten aanzien van ontwerpen en onderzoek,

    e. in het geval van complexe producten of diensten of wanneer deze aan een bijzonder doel dienen te beantwoorden, aan de hand van een controle door de aanbestedende dienst of, in diens naam, door een bevoegd officieel orgaan van het land waar de leverancier of de dienstverlener gevestigd is, onder voorbehoud van instemming door dit orgaan; deze controle heeft betrekking op de productiecapaciteit van de leverancier of op de technische capaciteit van de dienstverlener en, zo nodig, op diens mogelijkheden inzake ontwerpen en onderzoek en de maatregelen die hij treft om de kwaliteit te waarborgen,

    f. aan de hand van de studie- en beroepsdiploma’s van de dienstverlener of de aannemer of het kaderpersoneel van de onderneming en in het bijzonder van degenen die met de dienstverlening of de leiding van de werken zijn belast,

    g. voor overheidsopdrachten voor werken of overheidsopdrachten voor diensten, aan de hand van de vermelding van de maatregelen inzake milieubeheer die de ondernemer kan toepassen in het kader van de uitvoering van de overheidsopdracht,

    h. aan de hand van een verklaring betreffende de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting van de onderneming van de dienstverlener of de aannemer, en de omvang van het kaderpersoneel gedurende de laatste drie jaar,

    i. aan de hand van een verklaring welke de outillage, het materieel en de technische uitrusting vermeldt waarover de dienstverlener of de aannemer voor het verlenen van de overheidsopdracht beschikt,

    j. aan de hand van de omschrijving van het gedeelte van de overheidsopdracht dat de dienstverlener eventueel in onderaanneming wil geven, of

    k. wat de te leveren producten betreft aan de hand van monsters, beschrijvingen of foto’s, waarvan op verzoek van de aanbestedende dienst de echtheid kan worden aangetoond of aan de hand van certificaten die door een erkende organisatie zijn opgesteld, waarin wordt verklaard dat duidelijk door referenties geïdentificeerde producten aan bepaalde specificaties of normen beantwoorden.

  • 3. Een ondernemer kan zich voor bepaalde overheidsopdrachten beroepen op de bekwaamheid van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die natuurlijke personen of rechtspersonen. In dat geval toont hij de aanbestedende dienst aan dat hij kan beschikken over de voor de uitvoering van de overheidsopdracht noodzakelijke middelen.

  • 4. Onder de voorwaarden, genoemd in het derde lid, kan een samenwerkingsverband van ondernemers zich beroepen op de bekwaamheid van de deelnemers aan het samenwerkingsverband of van andere natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 5. Bij procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten voor leveringen, waarvoor plaatsings- of installatiewerkzaamheden nodig zijn, overheidsopdrachten voor diensten of overheidsopdrachten voor werken, kan de geschiktheid van ondernemers om die diensten te verlenen of die installatiewerkzaamheden of werken uit te voeren, worden beoordeeld aan de hand van met name hun praktische vaardigheden, technische kennis, efficiëntie, ervaring en betrouwbaarheid.

  • 6. De aanbestedende dienst geeft in de aankondiging of in de uitnodiging tot indiening van een inschrijving aan, welke van de in het tweede lid genoemde referenties hij verlangt.

Artikel 50

  • 1. Indien een aanbestedende dienst de overlegging verlangt van door onafhankelijke instanties opgestelde verklaringen dat de ondernemer aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoet, verwijst hij naar kwaliteitsbewakingsregelingen die op de Europese normenreeksen op dit terrein zijn gebaseerd en die zijn gecertificeerd door instanties die voldoen aan de Europese normenreeks voor certificering.

  • 2. Een aanbestedende dienst erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigde instanties. Een aanbestedende dienst aanvaardt eveneens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het gebied van de kwaliteitsbewaking van ondernemers.

Artikel 51

  • 1. Indien een aanbestedende dienst in de gevallen, bedoeld in artikel 49, tweede lid, onderdeel g, de overlegging verlangt van een door onafhankelijke instanties opgestelde verklaring dat de ondernemer aan bepaalde normen inzake milieubeheer voldoet, verwijst hij naar het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem of naar normen inzake milieubeheer die gebaseerd zijn op de desbetreffende Europese of internationale normen die gecertificeerd zijn door erkende organisaties of organisaties die beantwoorden of aan de relevante Europese of internationale normen voor certificatie.

  • 2. Een aanbestedende dienst erkent gelijkwaardige certificaten van in andere lidstaten gevestigde instanties. Hij aanvaardt tevens andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het gebied van milieubeheer die de ondernemers overleggen.

Artikel 52

Een aanbestedende dienst kan verlangen dat de ondernemers de uit hoofde van de artikelen 45 tot en met 51 overgelegde verklaringen en bescheiden aanvullen of nader toelichten.

Artikel 53

  • 1. Een aanbestedende dienst mag de opneming op een lijst of certificering als bedoeld in artikel 52 van richtlijn nr. 2004/18/EG niet aan ondernemers uit andere lidstaten voorschrijven als voorwaarde voor deelneming aan een overheidsopdracht.

  • 2. De ondernemers die op een officiële lijst zijn opgenomen of in het bezit zijn van een certificaat, kunnen bij een overheidsopdracht een door de bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van inschrijving of het door de bevoegde certificeringsinstelling afgegeven certificaat aan de aanbestedende dienst overleggen. Op dit bewijs of dit certificaat worden de referenties vermeld op grond waarvan de inschrijving op de lijst of de certificering mogelijk was, en de classificatie op deze lijst.

  • 3. De door de bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie waarin de ondernemer is gevestigd, bevestigde opneming op een officiële lijst of het door de certificeringsinstelling afgegeven certificaat vormt voor een aanbestedende dienst een vermoeden van geschiktheid met betrekking tot de eisen genoemd in de artikelen 45, eerste lid en derde lid, onderdelen a tot en met d en g, 47, 48, eerste lid, onderdelen b en c, 49, tweede lid, onderdelen a tot en met f en h tot en met k.

  • 4. Een aanbestedende dienst kan de gegevens die uit de opneming op een officiële lijst of de certificering, bedoeld in het derde lid, kunnen worden afgeleid, alleen gemotiveerd ter discussie stellen, met dien verstande dat met betrekking tot de betaling van socialezekerheidsbijdragen en belastingen en heffingen van een ingeschreven ondernemer bij een overheidsopdracht een aanvullende verklaring kan worden verlangd.

Artikel 54

  • 1. Een aanbestedende diensten gunt een overheidsopdracht op grond van:

    a. criteria die verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht, indien de gunning aan de inschrijver met de vanuit het oogpunt van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving plaatsvindt, of

    b. het criterium de laagste prijs.

  • 2. Een aanbestedende dienst specificeert in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document, het relatieve gewicht van elk van de door hem gekozen criteria voor de bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving. Dit gewicht kan worden uitgedrukt door middel van een marge met een passend verschil tussen minimum en maximum.

  • 3. Wanneer volgens de aanbestedende dienst om aantoonbare redenen geen weging mogelijk is, vermeldt de aanbestedende dienst in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document of, bij de concurrentiegerichte dialoog, in het beschrijvend document, de criteria in afnemende volgorde van belangrijkheid.

Artikel 55

  • 1. De mededeling van een aanbestedende dienst van een gunningsbeslissing houdt geen aanvaarding in, als bedoeld in artikel 6:217, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, van een aanbod van een ondernemer.

  • 2. Een aanbestedende dienst sluit niet eerder een raamovereenkomst en gunt niet eerder een overheidsopdracht op basis van een gunningsbeslissing dan nadat een termijn van 15 dagen na verzending van de mededeling van die gunningsbeslissing is verstreken.

  • 3. De mededeling, bedoeld in het tweede lid, bevat ten minste de gronden van de gunningsbeslissing.

  • 4. Van de termijn, genoemd in het tweede lid, kan een aanbestedende dienst slechts afwijken indien dit strikt noodzakelijk is wegens dwingende spoed als gevolg van gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet konden worden voorzien en die niet aan de aanbestedende dienst te wijten zijn.

Artikel 56

  • 1. Wanneer voor een bepaalde overheidsopdracht inschrijvingen worden gedaan die in verhouding tot de te verrichten werken, leveringen of diensten abnormaal laag lijken, verzoekt de aanbestedende dienst, voordat hij deze inschrijvingen kan afwijzen, schriftelijk om de door hem nodig geachte verduidelijkingen over de samenstelling van de desbetreffende inschrijving.

  • 2. De verduidelijkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval verband houden met:

    a. de doelmatigheid van het bouwproces, van het productieproces van de producten of van de dienstverlening,

    b. de gekozen technische oplossingen of uitzonderlijk gunstige omstandigheden waarvan de inschrijver bij de uitvoering van de werken, de levering van de producten of het verlenen van de diensten kan profiteren,

    c. de originaliteit van het ontwerp van de inschrijver,

    d. de naleving van de bepalingen inzake arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden die gelden op de plaats waar de overheidsopdracht wordt uitgevoerd, of

    e. de eventuele ontvangst van staatssteun door de inschrijver.

  • 3. De aanbestedende dienst onderzoekt in overleg met de inschrijver de samenstelling van de desbetreffende inschrijving aan de hand van de ontvangen toelichtingen.

  • 4. Wanneer een aanbestedende dienst constateert dat een inschrijving abnormaal laag is omdat de inschrijver overheidssteun heeft gekregen, kan de inschrijving op die grond worden afgewezen, wanneer de inschrijver desgevraagd niet binnen een door de aanbestedende dienst bepaalde voldoende lange termijn kan aantonen dat de betrokken steun niet in strijd met de artikelen 87 en 88 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is toegekend.

  • 5. Wanneer de aanbestedende dienst in een situatie als bedoeld in het vierde lid een inschrijving afwijst, stelt hij de Commissie daarvan in kennis.

§ 13. Elektronische veiling

Artikel 57

  • 1. In het kader van de openbare procedure, de niet-openbare procedure, de procedure van gunning door onderhandelingen, in het geval, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, en in het kader van een dynamisch aankoopsysteem kan een aanbestedende dienst de gunning van de overheidsopdracht vooraf laten gaan door een elektronische veiling, indien de nauwkeurige specificaties voor de overheidsopdracht kunnen worden opgesteld.

  • 2. In het kader van een raamovereenkomst die met meerdere ondernemers is gesloten als bedoeld in artikel 32, tiende lid, onderdeel b, kan een aanbestedende dienst de gunning van de overheidsopdracht vooraf laten gaan door een elektronische veiling, indien de nauwkeurige specificaties voor de overheidsopdracht kunnen worden opgesteld.

  • 3. Artikel 54, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Een aanbestedende dienst die gebruik maakt van de elektronische veiling, meldt dit in de aankondiging van de overheidsopdracht.

  • 5. Het beschrijvend document bevat ten minste de volgende informatie:

    a. de elementen waarvan de waarden vallen onder de elektronische veiling, voor zover deze elementen kwantificeerbaar zijn zodat ze kunnen worden uitgedrukt in cijfers of procenten,

    b. de eventuele limieten van de waarden die kunnen worden ingediend, zoals zij voortvloeien uit de specificaties van het voorwerp van de overheidsopdracht,

    c. de informatie die tijdens de elektronische veiling ter beschikking van de inschrijvers zal worden gesteld en het tijdstip waarop die informatie ter beschikking zal worden gesteld,

    d. relevante informatie betreffende het verloop van de elektronische veiling,

    e. de voorwaarden waaronder de inschrijvers een bod kunnen doen en met name de vereiste minimumverschillen die voor de biedingen vereist zijn, of

    f. relevante informatie betreffende het gebruikte elektronische systeem en de nadere technische bepalingen en specificaties voor de verbinding.

  • 6. Alvorens over te gaan tot de elektronische veiling, verricht een aanbestedende dienst een eerste, volledige beoordeling van de inschrijvingen aan de hand van de gunningscriteria en de weging daarvan, zoals die zijn vastgesteld.

  • 7. Een aanbestedende dienst waarborgt dat alle inschrijvers die een aan de eisen beantwoordende inschrijving hebben gedaan, tegelijkertijd langs elektronische weg worden uitgenodigd om nieuwe prijzen of nieuwe waarden in te dienen.

  • 8. Een aanbestedende dienst waarborgt dat het verzoek, bedoeld in het zevende lid, alle relevante informatie bevat voor de individuele verbinding met het gebruikte elektronische systeem en het tijdstip en het aanvangsuur van de elektronische veiling preciseert.

  • 9. Een aanbestedende dienst kan de elektronische veiling in verschillende fasen laten verlopen.

  • 10. Een aanbestedende dienst verstuurt de uitnodigingen voor een elektronische veiling uiterlijk twee werkdagen voor de aanvang van de veiling.

  • 11. Wanneer een aanbestedende dienst voor de gunning het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving hanteert, voegt hij bij de uitnodiging:

    a. het resultaat van de volledige beoordeling van de inschrijving van de betrokken inschrijver, en

    b. de wiskundige formule die tijdens de elektronische veiling de automatische herklasseringen naar gelang van de ingediende nieuwe prijzen of nieuwe waarden zal bepalen.

  • 12. In de formule, bedoeld in het elfde lid, onderdeel b, verwerkt de aanbestedende dienst het gewicht dat aan alle vastgestelde criteria wordt toegekend om de economisch meest voordelige inschrijving te bepalen. Eventuele marges worden daartoe door de aanbestedende dienst vooraf in een bepaalde waarde uitgedrukt.

  • 13. Wanneer een aanbestedende dienst varianten toestaat, verstrekt de aanbestedende dienst voor een variant de afzonderlijke formule.

  • 14. Tijdens alle fases van de elektronische veiling deelt de aanbestedende dienst onverwijld aan alle inschrijvers ten minste de informatie mee die de inschrijvers de mogelijkheid biedt op elk moment hun respectieve klassering te kennen. Indien dat in het beschrijvend document vermeld is, kan de aanbestedende dienst ook andere informatie betreffende andere ingediende prijzen of waarden meedelen.

  • 15. Een aanbestedende dienst kan tevens op ieder ogenblik meedelen hoeveel inschrijvers aan de fase van de veiling deelnemen.

  • 16. Een aanbestedende dienst deelt tijdens het verloop van de fasen van de elektronische veiling in geen geval de identiteit van de inschrijvers mee.

  • 17. Een aanbestedende dienst kan de elektronische veiling afsluiten door:

    a. in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling een vooraf vastgestelde datum en een vooraf vastgesteld tijdstip voor de sluiting aan te geven,

    b. de veiling af te sluiten wanneer hij geen nieuwe prijzen meer ontvangt die beantwoorden aan de vereisten betreffende de minimumverschillen, waarbij hij in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling de termijn die hij na ontvangst van de laatste aanbieding in acht zal nemen alvorens de veiling te sluiten preciseert, of

    c. de veiling af te sluiten wanneer alle fasen van de veiling die in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling zijn vermeld, afgehandeld zijn.

  • 18. Wanneer een aanbestedende dienst besloten heeft om de elektronische veiling overeenkomstig het zeventiende lid, onderdeel c, af te sluiten in combinatie met de regelingen, bedoeld in het zeventiende lid, onderdeel b, vermeldt hij in de uitnodiging om deel te nemen aan de veiling het tijdschema voor elk van de fasen van de veiling.

  • 19. Na de sluiting van de elektronische veiling gunt een aanbestedende dienst de overheidsopdracht overeenkomstig artikel 54 op basis van de resultaten van de elektronische veiling.

  • 20. Een aanbestedende dienst maakt geen misbruik van de methode van de elektronische veiling, noch gebruikt hij de methode om concurrentie te beletten, te beperken of te vervalsen of om wijzigingen aan te brengen in het voorwerp van de overheidsopdracht zoals omschreven in de aankondiging van de overheidsopdracht en vastgelegd in het beschrijvend document.

§ 14. Voorschriften voor concessieovereenkomsten voor openbare werken

Artikel 58

  • 1. De artikelen 55, 58, tweede lid tot en met 63 zijn van overeenkomstige toepassing op alle door aanbestedende diensten gesloten concessieovereenkomsten voor openbare werken, waarvan de waarde, exclusief omzetbelasting het bedrag genoemd in artikel 56 van richtlijn nr. 2004/18/EG of meer bedraagt.

  • 2. De waarde, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend volgens de voorschriften voor overheidsopdrachten voor werken, bedoeld in artikel 9.

Artikel 59

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op concessieovereenkomsten voor openbare werken die

    a. gesloten zijn onder dezelfde voorwaarden als de overheidsopdrachten voor diensten, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14, of

    b. gesloten zijn door een aanbestedende dienst die een of meer activiteiten als bedoeld in artikelen 3 tot en met 7 van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren uitoefent, indien deze concessieovereenkomsten met het oog op de uitoefening van deze activiteiten zijn gesloten.

  • 2. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op concessieovereenkomsten voor openbare werken.

Artikel 60

  • 1. Een aanbestedende dienst, die gebruik wil maken van een concessieovereenkomst voor openbare werken, geeft zijn voornemen hiertoe in een aankondiging te kennen.

  • 2. Een aankondiging betreffende concessieovereenkomsten voor openbare werken bevat de inlichtingen, genoemd in bijlage 4, onderdeel C, en alle door de aanbestedende dienst nuttig geachte inlichtingen in het formulier volgens het model dat daarvoor is opgenomen in richtlijn nr. 2001/78/EG.

  • 3. Artikel 36, tweede tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 61

  • 1. Een aanbestedende dienst, die gebruik wil maken van een concessieovereenkomst voor openbare werken, stelt voor de indiening van de inschrijvingen op de concessie een termijn vast van ten minste 52 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de aankondiging. Artikel 38, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Artikel 38, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing op de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 62

  • 1. Een aanbestedende dienst:

    a. verplicht de houder van een concessie voor openbare werken overheidsopdrachten van ten minste 30 procent van de totale waarde van de werken waarvoor een concessie wordt verleend, aan derden uit te besteden. Dit minimumpercentage dient in de concessieovereenkomst voor openbare werken te worden vermeld, of

    b. verzoekt de gegadigden of inschrijvers voor de concessie zelf in hun inschrijvingen aan te geven welk percentage van de totale waarde van de werken waarvoor de concessie wordt verleend, zij aan derden denken uit te besteden.

  • 2. Een aanbestedende dienst waarborgt dat de houder van een door hem verleende concessie voor openbare werken die zelf geen aanbestedende dienst is, de artikelen 64 tot en met 66 in acht neemt.

Artikel 63

  • 1. Dit besluit is niet van toepassing op aanvullende werken die noch in het aanvankelijk overwogen ontwerp van de concessie noch in het oorspronkelijke contract waren opgenomen en die als gevolg van onvoorziene omstandigheden voor de uitvoering van het werk zoals dat daarin is beschreven en dat door de aanbestedende dienst aan de concessiehouder wordt opgedragen, noodzakelijk zijn geworden, mits:

    a. zij worden gegund aan de ondernemer die dit werk uitvoert wanneer deze aanvullende werken uit technisch of economisch oogpunt niet los van de oorspronkelijke overheidsopdracht kunnen worden uitgevoerd zonder de aanbestedende diensten grote ongemakken te bezorgen, of

    b. wanneer deze werken, hoewel zij van de uitvoering van de oorspronkelijke overheidsopdracht kunnen worden gescheiden, voor de vervolmaking ervan strikt noodzakelijk zijn.

  • 2. Het totale bedrag van de voor de aanvullende diensten of werken gegunde overheidsopdrachten, bedoeld in het eerste lid, mag niet hoger zijn dan 50 procent van het bedrag van het hoofdwerk waarvoor de concessie is verleend.

Artikel 64

  • 1. Een houder van een concessie voor openbare werken, die zelf geen aanbestedende dienst is, past bij de gunning van overheidsopdrachten voor werken bij derden de voorschriften voor de mededeling, bedoeld in artikel 65, toe wanneer de waarde van deze overheidsopdrachten, exclusief omzetbelasting, het bedrag genoemd in artikel 63, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG of meer bedraagt. Mededeling is niet vereist wanneer een overheidsopdracht voor werken aan de voorwaarden, genoemd in artikel 31, voldoet.

  • 2. Een houder van een concessie, bedoeld in het eerste lid, berekent de waarde van de overheidsopdrachten volgens artikel 9.

  • 3. Een samenwerkingsverband van ondernemingen dat gevormd is om de concessie te verwerven, of met dit samenwerkingsverband verbonden ondernemingen, worden niet als derden als bedoeld in het eerste lid beschouwd.

  • 4. Een onderneming die zich inschrijft voor een concessie, voegt bij de inschrijving een limitatieve lijst van verbonden ondernemingen en deelt de aanbestedende dienst de wijzigingen in deze lijst van verbonden ondernemingen steeds onverwijld mee.

Artikel 65

  • 1. Een houder van een concessie voor openbare werken die zelf geen aanbestedende dienst is en die een overheidsopdracht voor werken aan een derde wenst te gunnen, geeft zijn voornemen hiertoe in een aankondiging te kennen.

  • 2. De aankondiging, bedoeld in het eerste lid, bevat de inlichtingen, genoemd in bijlage 4, onderdeel C, en alle door de houder van de concessie voor openbare werken nuttig geachte inlichtingen in het formulier volgens het model dat daarvoor is opgenomen in richtlijn nr. 2001/78/EG.

  • 3. Een aanbestedende dienst deelt de aankondiging, bedoeld in het tweede lid, overeenkomstig artikel 36, tweede tot en met negende lid, mee.

Artikel 66

Bij overheidsopdrachten voor werken die worden gegund door een houder van een concessie voor openbare werken die zelf geen aanbestedende dienst is, bedraagt de door de concessiehouder vast te stellen termijn voor de ontvangst van de aanvragen tot deelneming ten minste 37 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht, en de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen ten minste 40 dagen, te rekenen vanaf de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht of van de uitnodiging tot inschrijving. Artikel 38, zevende tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 15. Prijsvragen

Artikel 67

Een aanbestedende dienst stelt de voorschriften voor het uitschrijven van een prijsvraag vast overeenkomstig de artikelen 68 tot en met 75 en stelt deze voorschriften ter beschikking aan belangstellende ondernemers.

Artikel 68

  • 1. De artikelen 68 tot en met 75 zijn van toepassing op een prijsvraag door een aanbestedende dienst, bedoeld in artikel 7, onderdelen a, onder 1°, en b, onder 1° en 3° voor het gunnen van een overheidsopdracht voor diensten, of waarin prijzengeld of een vergoeding wordt betaald, wanneer de geraamde waarde van de overheidsopdracht voor diensten, van het prijzengeld of van de vergoeding ten minste gelijk is aan het bedrag dat ingevolge artikel 7, onderdelen a, onder 1°, en b, onder 1° en 3° op de betrokken aanbestedende dienst en de betrokken diensten van toepassing is.

  • 2. Artikel 9, tweede lid, is van toepassing.

  • 3. Indien een aanbestedende dienst in de voorschriften van de prijsvraag niet uitsluit dat gunning van de overheidsopdracht geschiedt volgens de procedure, bedoeld in artikel 31, derde lid, wordt bij de bepaling van het totale bedrag van het prijzengeld of de vergoeding aan de deelnemers, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de waarde meegerekend van de overheidsopdracht, exclusief omzetbelasting, die later kan worden gegund.

Artikel 69

De artikelen 11 tot en met 14 zijn van overeenkomstige toepassing op prijsvragen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 70

  • 1. Een aanbestedende dienst die een prijsvraag wil uitschrijven, publiceert hiertoe een aankondiging van een prijsvraag.

  • 2. Een aanbestedende dienst die een prijsvraag heeft uitgeschreven stelt een aankondiging betreffende de resultaten van de prijsvraag op.

  • 3. Indien openbaarmaking van de gegevens over de uitslag van de prijsvraag de toepassing van de wet in de weg zou staan, met het openbaar belang in strijd zou zijn, de rechtmatige commerciële belangen van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke onderneming zou kunnen schaden of afbreuk aan de eerlijke mededinging tussen dienstverleners zou kunnen doen, behoeft de aanbestedende dienst deze gegevens niet mee te delen.

Artikel 71

  • 1. De aankondiging, bedoeld in artikel 70, eerste en tweede lid, bevat de inlichtingen, genoemd in bijlage 4, onderdeel D, en wordt opgesteld in de vorm van het formulier volgens het model dat daarvoor is opgenomen in richtlijn nr. 2001/78/EG en gezonden aan de Commissie.

  • 2. Op de aankondiging, bedoeld in het eerste lid, is artikel 36, tweede tot en met achtste lid van toepassing.

Artikel 72

  • 1. Artikel 42, eerste tot en met derde, en vijfde lid, is van overeenkomstige toepasssing op mededelingen betreffende een prijsvraag.

  • 2. De jury neemt na afloop van de voor de indiening van plannen en ontwerpen gestelde termijn kennis van de inhoud daarvan.

  • 3. Artikel 42, zesde tot en met elfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen voor elektronische ontvangst van plannen en ontwerpen.

Artikel 73

  • 1. Bij een prijsvraag met een beperkt aantal deelnemers stelt een aanbestedende dienst duidelijke en niet-discriminerende selectiecriteria vast.

  • 2. Een aanbestedende dienst waarborgt dat in alle gevallen met het aantal kandidaten dat wordt uitgenodigd om aan de prijsvraag deel te nemen een daadwerkelijke mededinging wordt gewaarborgd.

Artikel 74

  • 1. Een aanbestedende dienst waarborgt dat de jury bestaat uit natuurlijke personen die onafhankelijk van de deelnemers aan de prijsvraag zijn.

  • 2. Wanneer een aanbestedende dienst van de deelnemers aan een prijsvraag een bijzondere beroepskwalificatie eist, waarborgt hij dat ten minste een derde van de juryleden dezelfde kwalificatie of een gelijkwaardige kwalificatie heeft.

Artikel 75

  • 1. De jury is onafhankelijk.

  • 2. De jury onderzoekt de projecten op basis van door de gegadigden anoniem voorgelegde ontwerpen en op grond van de criteria die in de aankondiging van de prijsvraag zijn vermeld.

  • 3. De jury stelt een door haar leden ondertekend verslag op met de door haar op basis van de merites van elk project vastgestelde rangorde van de projecten, vergezeld van haar opmerkingen en eventuele punten die verduidelijking behoeven.

  • 4. De jury eerbiedigt de anonimiteit van gegadigden totdat het oordeel van de jury bekend is gemaakt.

  • 5. De jury kan gegadigden zo nodig uitnodigen om door de jury in haar notulen vermelde vragen te beantwoorden teneinde duidelijkheid te verschaffen omtrent bepaalde aspecten van de projecten.

  • 6. Een aanbestedende dienst waarborgt dat van de dialoog tussen de leden van de jury en de gegadigden volledige notulen worden opgesteld.

§ 16. Correctiemechanisme en informatievoorziening

Artikel 76

  • 1. Indien de Commissie toepassing geeft aan de procedures, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr. 89/665/EEG, verleent de betrokken aanbestedende dienst, de subsidie-ontvanger, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of de concessiehouder, bedoeld in artikel 64, eerste lid, zijn medewerking daaraan overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Binnen 21 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de Commissie van de redenen waarom zij meent dat er een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden, deelt de aanbestedende dienst, de subsidie-ontvanger, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of de concessiehouder, bedoeld in artikel 64, eerste lid, de Commissie mee:

    a. de bevestiging dat de schending ongedaan is gemaakt,

    b. een met redenen omklede conclusie waarin toegelicht wordt waarom geen corrigerende actie is ondernomen, of

    c. een kennisgeving waarin wordt meegedeeld dat de aanbestedingsprocedure hetzij op initiatief van de aanbestedende dienst, de subsidie-ontvanger, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of de concessiehouder, bedoeld in artikel 64, eerste lid, hetzij in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 89/665/EEG is opgeschort.

  • 3. Een met redenen omklede conclusie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan met name worden gebaseerd op het feit dat tegen de beweerde schending beroep bij een rechter of beroep als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van richtlijn nr. 89/665/EEG is ingesteld. In dat geval deelt de aanbestedende dienst de Commissie het resultaat van deze procedures mee, zodra dit bekend is.

  • 4. In geval van kennisgeving waarbij wordt meegedeeld dat een aanbestedingsprocedure is opgeschort overeenkomstig het tweede lid, onderdeel c, stelt de aanbestedende dienst, de subsidie-ontvanger, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of de concessiehouder, bedoeld in artikel 64, eerste lid, de Commissie ervan in kennis dat de opschorting is ingetrokken of dat een andere aanbestedingsprocedure is ingeleid die geheel of gedeeltelijk verband houdt met de voorgaande procedure. Deze nieuwe kennisgeving bevestigt dat de beweerde schending ongedaan is gemaakt, of bevat een met redenen omklede conclusie waarin toegelicht wordt waarom geen corrigerende actie heeft plaatsgevonden.

Artikel 77

  • 1. Onze Minister zendt ieder jaar uiterlijk op 31 oktober aan de Commissie een statistisch overzicht van de in het voorgaande jaar door de aanbestedende diensten gegunde overheidsopdrachten, uitgesplitst naar overheidsopdrachten voor leveringen, overheidsopdrachten voor diensten en overheidsopdrachten voor werken.

  • 2. Onze Minister vermeldt voor centrale overheidsinstanties als bedoeld in bijlage IV van richtlijn nr. 2004/18/EG in het statistische overzicht ten minste:

    a. het aantal en de waarde van de gegunde overheidsopdrachten die onder dit besluit vallen;

    b. het aantal en de totale waarde van de overheidsopdrachten gegund op grond van de afwijkingen van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten.

  • 3. Voorzover mogelijk splitst Onze Minister de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde gegevens als volgt uit:

    a. naar de toegepaste procedure voor het gunnen van de overheidsopdrachten;

    b. binnen iedere procedure, de werken overeenkomstig bijlage 1, de producten en diensten overeenkomstig bijlage 2, aangeduid met de categorie van CPV-nomenclatuur.

    c. naar de nationaliteit van de ondernemer waaraan de overheidsopdracht is gegund.

  • 4. Voor overheidsopdrachten die zijn gegund door middel van een procedure van gunning door onderhandelingen, splitst Onze Minister de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bovendien uit naar de in de artikelen 29 en 31 genoemde omstandigheden en worden het aantal en de waarde van de overheidsopdrachten opgegeven die zijn gegund per lidstaat en per derde land van vestiging van degenen aan wie de overheidsopdrachten zijn gegund.

  • 5. Voor iedere categorie aanbestedende diensten die niet in bijlage IV van richtlijn nr. 2004/18/EG is opgenomen, vermeldt Onze Minister in het statistische overzicht ten minste:

    a. het aantal en de waarde van de gegunde overheidsopdrachten, uitgesplitst overeenkomstig het tweede lid, onderdeel a,

    b. de totale waarde van de gegunde overheidsopdrachten op grond van de afwijkingen van de overeenkomst.

  • 6. In het statistische overzicht vermeldt Onze Minister ook de andere statistische gegevens die op grond van de overeenkomst worden verlangd.

  • 7. Aanbestedende diensten verstrekken Onze Minister de gegevens die deze nodig heeft voor de informatieverstrekking aan de Commissie, bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid. Aanbestedende diensten nemen daarbij, voor zover van toepassing, de nadere voorschriften, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen, in acht.

Artikel 78

  • 1. Onze Minister stelt de Commissie regelmatig in kennis van wijzigingen in de lijst van centrale overheidsinstanties, bedoeld in bijlage IV van richtlijn nr. 2004/18/EG.

  • 2. Onze Minister stelt de Commissie regelmatig in kennis van wijzigingen in de lijst van publiekrechtelijke instellingen, bedoeld in bijlage III van richtlijn nr. 2004/18/EG.

§ 17. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 79

In afwijking van artikel 46, derde lid, geldt tot 1 januari 2006 als instantie die bevoegd is tot het afgeven van een verklaring waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver voor een overheidsopdracht niet verkeert in de omstandigheid, bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel e, voor zover het betreft bijdragen ten behoeve van werknemersverzekeringen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Artikel 80

  • 1. Een wijziging van de bedragen, genoemd in artikel 7 van richtlijn nr. 2004/18/EG treedt voor de toepassing van artikel 7 van dit besluit in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

  • 2. Een wijziging van de standaardformulieren uit richtlijn nr. 2001/78/EG treedt voor de toepassing van de artikelen 35 en 36 van dit besluit in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsverordening uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 81

Het Besluit overheidsaanbestedingen wordt ingetrokken, met dien verstande dat het Besluit overheidsaanbestedingen tot uiterlijk 31 januari 2006 van toepassing blijft op de gunning van opdrachten waarvoor een aanbestedende dienst heeft verklaard dat het Besluit overheidsaanbestedingen tot uiterlijk die datum van toepassing blijft, in:

a. een aankondiging als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van richtlijn nr. 93/37/EEG, 9, tweede lid, van richtlijn nr. 93/36/EEG, of 15, tweede lid, van richtlijn nr. 92/50/EEG, of

b. een verzoek om inschrijving als bedoeld in:

1°. artikel 13, tweede lid, van richtlijn nr. 93/37/EEG,

2°. artikel 11, tweede lid, van richtlijn nr. 93/36/EEG, of

3°. artikel 19, tweede lid, van richtlijn nr. 92/50/EEG.

Artikel 82

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 83

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 16 juli 2005

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Uitgegeven de zesde september 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: besluit) strekt ter implementatie van richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEG L 134) (hierna: richtlijn nr. 2004/18/EG). Deze richtlijn vervangt richtlijn nr. 92/50/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PbEG L 209), richtlijn nr. 93/36/EEG van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PbEG L 199) en richtlijn nr. 93/37/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PbEG L 199) (hierna: de oude richtlijnen of richtlijn nr. 92/50/EEG, richtlijn nr. 93/36/EEG en richtlijn nr. 93/37/EEG).

In de kabinetsreactie op het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft het kabinet de vorming van een dwingend uniform aanbestedingskader voor alle aanbestedingen en alle aanbestedende diensten toegezegd (Kamerstukken II 2002/2003, 28 244, nr. 24). De Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen, het Besluit overheidsaanbestedingen en het Besluit aanbestedingen nutssector zullen derhalve vervangen worden door een nieuw wettelijk kader. Richtlijn nr. 2004/18/EG zal samen met richtlijn nr. 2004/17/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsten van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PbEG L 134) (hierna: richtlijn nr. 2004/17/EG) de basis vormen voor dit nieuwe kader. Dit is echter een traject dat niet binnen de in richtlijn nr. 2004/17/EG en richtlijn nr. 2004/18/EG verplicht gestelde implementatietermijn van 21 maanden te realiseren is. Daarom is er voor gekozen deze richtlijnen eerst te implementeren op basis van de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen. Deze wet geeft alleen de mogelijkheid om communautaire maatregelen inzake aanbestedingen te implementeren en geeft geen basis voor implementatie van andere internationale regelgeving of voor nationale regelgeving in aanvulling op de aanbestedingsrichtlijnen teneinde de naleving te verbeteren. Gelet op de beperkte strekking van deze wet is gekozen voor een nieuw wetsvoorstel ter vervanging van voornoemde wet. Dit voorstel van wet zal medio 2006 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Dit besluit vervangt het Besluit overheidsaanbestedingen. Om ook op korte termijn tegemoet te komen aan de wens tot vereenvoudiging en verduidelijking van de aanbestedingsregels vindt implementatie van deze richtlijnen, in tegenstelling tot voorheen, niet meer plaats door de methode van verwijzing, maar voor het overgrote deel door middel van omzetting ofwel overschrijving. De reden hiervoor is de klacht van aanbestedende diensten en bedrijven dat door de methode van verwijzing voor hen vaak onduidelijk was wat de aanbestedingsplicht inhield, hetgeen de naleving van deze plicht belemmerde. Alleen voor de modellen voor de aankondigingen en de drempelbedragen wordt nog gebruik gemaakt van de methode van verwijzing. Dit is nodig omdat de modellen en de drempelbedragen regelmatig wijzigen. Voorkomen dient te worden dat het besluit veelvuldig en op ondergeschikte punten gewijzigd moet worden.

2. Doel en aanleiding

In het rapport «De bouw uit de schaduw» van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid (Kamerstukken II 2002/03, 28244, nr. 6) is kritiek geuit over de onduidelijkheid van de aanbestedingsregelgeving. Ook de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie) heeft onderkend dat de aanbestedingsrichtlijnen niet altijd duidelijk zijn en dat de toepassing ervan onder meer vanwege deze onduidelijkheid te wensen overlaat. Op 27 november 1996 heeft de Commissie derhalve het Groenboek betreffende de aanbesteding van overheidsopdrachten in de Europese Unie (COM (96) 583 final) gepubliceerd met beschouwingen over een toekomstig beleid inzake overheidsopdrachten. Aan de hand van de bijdragen en opmerkingen die in het kader van de discussie over dit Groenboek zijn gemaakt, heeft de Commissie in een mededeling van 11 maart 1998 (Commission Communication: public procurement in the European Union, COM(1998) 143/6) haar voorstellen voor aanpassing van het regelgevend kader van de overheidsopdrachten gepubliceerd. Hieruit zijn uiteindelijk richtlijn nr. 2004/17/EG en richtlijn nr. 2004/18/EG voortgevloeid.

De uitgangspunten bij de herziening waren dat de richtlijnen eenvoudiger, duidelijker, flexibeler en moderner moesten worden. Dit is gebeurd door de verschillende richtlijnen samen te voegen, begrippen te verduidelijken en door bepalingen over eenzelfde onderwerp zoals prijsvragen bij elkaar te voegen. Waar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) verduidelijking heeft gebracht over de interpretatie en de toepassing van de aanbestedingsregels, bijvoorbeeld over het gebruik van sociale en milieucriteria, is deze eveneens verwerkt in richtlijn nr. 2004/18/EG.

Vereenvoudiging betekent enerzijds het verduidelijken van onduidelijke of ingewikkelde bepalingen en anderzijds aanpassing van de bestaande regeling als de problemen niet door nadere uitlegging kunnen worden opgelost bijvoorbeeld door de regels en procedures flexibeler en duidelijker te maken. Wat richtlijn nr. 2004/18/EG betreft is een van de gevolgen van deze vereenvoudiging dat er nu niet meer drie afzonderlijke richtlijnen voor overheidsopdrachten voor diensten, leveringen en werken bestaan maar dat er één richtlijn bestaat voor alle overheidsopdrachten in de klassiek sector waarbij de verschillen tussen de overheidsopdrachten in de sectoren diensten, leveringen en werken zoveel mogelijk zijn opgeheven. Een andere vereenvoudiging betreft het feit dat in de nieuwe richtlijn de tekst in een meer logische volgorde is opgesteld waarbij onder andere de volgorde van de diverse fasen in de aanbestedingsprocedure als uitgangspunt is genomen. Ook de drempelbedragen zijn vereenvoudigd. Net als de richtlijnen die zij vervangt, heeft richtlijn nr. 2004/18/EG nog steeds tot doel de transparantie in de gemeenschappelijke markt voor overheidsaanbestedingen te vergroten en discriminatoir aanbestedingsgedrag van de aanbestedende diensten in de lidstaten van de Europese Unie te voorkomen. Voorts draagt dit bij aan vergroting van de mededinging op deze markt. De instrumenten om transparantie te bereiken zijn de publicatieverplichtingen, het verbod op discriminatie tussen aannemers, leveranciers of dienstverleners, en de plicht om de eisen aan de overheidsopdracht en de aannemer, leverancier of dienstverlener objectief te specificeren.

3. Inhoud van de richtlijn

Teneinde richtlijn nr. 2004/18/EG duidelijker en gemakkelijker toepasbaar te maken en aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen is een aantal nieuwe elementen in deze richtlijn opgenomen ten opzichte van de oude richtlijnen.

Ten eerste is in richtlijn nr. 2004/18/EG een heldere bepaling opgenomen over de toepassing van raamovereenkomsten bij overheidsopdrachten. Een raamovereenkomst is een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer aannemers, leveranciers of dienstverleners met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te gunnen overheidsopdrachten vast te leggen. Dergelijke overeenkomsten werden tot nu toe alleen geregeld in de richtlijn die toeziet op de speciale sectoren (richtlijn nr. 93/38/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993, houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PbEG L 199).

Het tweede nieuwe element in de richtlijn is de concurrentiegerichte dialoog. Aanbestedende diensten die bijzonder complexe overheidsopdrachten laten uitvoeren zijn vaak niet in staat te bepalen welke middelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien. Voor dergelijke overheidsopdrachten voorziet de richtlijn in een flexibele procedure die de mededinging tussen ondernemers in stand houdt en tevens rekening houdt met de behoefte van de aanbestedende dienst om met elke gegadigde of inschrijver een dialoog over alle aspecten van de overheidsopdracht aan te gaan. Met de concurrentiegerichte dialoog kunnen aanbestedende diensten de aanbestedingsprocedure in opeenvolgende fasen laten verlopen en geleidelijk op basis van vooraf aangegeven gunningscriteria het aantal inschrijvingen waarover zij een dialoog met bedrijven willen voeren beperken.

De derde wijziging in de richtlijn betreft de aanpassing en modernisering van de mogelijkheden van de oude richtlijnen op het terrein van elektronisch aanbesteden. De oude richtlijnen dateren deels uit de jaren zeventig toen er nog geen sprake was van internet en fax. De richtlijn maakt het mogelijk dat aankondigingen en uitwisseling van informatie, naar keuze van de aanbestedende dienst per post, per fax of langs elektronische weg of in bepaalde gevallen per telefoon kan geschieden of door een combinatie van deze middelen. Elektronisch aanbesteden maakt het mogelijk de mededinging te verbreden en de overheidsopdrachten efficiënter te gunnen door de besparing in tijd die het gebruik van deze technieken met zich meebrengt. Zo maakt het langs elektronische weg verzenden van de aankondigingen van een overheidsopdracht het mogelijk dat de aankondigingen sneller (uiterlijk vijf dagen in plaats van twaalf dagen na verzending door de aanbestedende dienst) door de Commissie worden gepubliceerd. Het aankondigen in de nationale media kan daardoor ook sneller plaatsvinden. Hierdoor kan wanneer de aankondiging elektronisch is verzonden de termijn voor de ontvangst van de inschrijvingen bij de openbare procedures en voor de ontvangst van de verzoeken om mee te dingen bij de niet-openbare procedures, procedures van gunning door onderhandelingen en de concurrentiegerichte dialoog met zeven dagen verkort worden. Indien het beschrijvend document en de aanvullende stukken ook direct toegankelijk zijn via elektronische weg, kan de ontvangst van de inschrijvingen met nog eens vijf dagen worden verkort. Elektronisch aanbesteden maakt het niet alleen mogelijk dat bestaande procedures kunnen worden versneld, maar maakt ook nieuwe vormen van aanbesteden mogelijk zoals de elektronische veiling en het dynamisch aankoopsysteem. Het toepassen van elektronische veilingen stelt aanbestedende diensten in staat de inschrijvers te verzoeken nieuwe, lagere prijsoffertes te doen waarbij overigens ook andere onderdelen van de offerte dan de prijs kunnen worden meegenomen.

Ten slotte is nieuw dat de activiteiten van ondernemingen in de postsector ingevolge richtlijn nr. 2004/17/EG voortaan als speciale sector in de zin van die richtlijn gelden. Reden hiervoor is dat in verband met de voortschrijdende openstelling van de postdiensten en aanverwante diensten voor mededinging en het feit dat deze diensten zowel door aanbestedende diensten, overheidsbedrijven als door andere bedrijven worden geleverd, het beter is deze sector bij de flexibelere richtlijn speciale sectoren onder te brengen. Voor de in de Nederlandse postsector opererende bedrijven heeft de toepasselijkheid van richtlijn nr. 2004/17/EG echter geen praktische gevolgen omdat Nederland gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in richtlijn nr. 2004/17/EG om de overgang van de postdiensten naar die richtlijn uit te stellen tot 31 december 2008.

Alle nieuwe mogelijkheden die richtlijn nr. 2004/18/EG biedt zijn in dit besluit overgenomen, met uitzondering van de mogelijkheid in artikel 52 van de richtlijn om officiële lijsten van erkende bedrijven of een certificering door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke certificeringsinstellingen in te stellen. Een dergelijke aanpak is in de eerste plaats niet op korte termijn te realiseren. Voorts bestaat er nog geen duidelijk beeld wat de voordelen of nadelen van een dergelijk systeem zijn. De vraag of het wenselijk en mogelijk is om te zijner tijd tot een officiële lijst van erkende bedrijven te komen wordt momenteel onderzocht en zal nader worden bezien bij de opstelling van het nieuwe juridische kader.

4. Implementatiemethode

Zoals hierboven reeds is vermeld, vindt de implementatie van richtlijn nr. 2004/17/EG en richtlijn nr. 2004/18/EG in tegenstelling tot voorheen niet meer plaats door de methode van verwijzing maar voor het overgrote deel door middel van omzetting ofwel overschrijving. Alleen voor de modellen voor de aankondigingen en de drempelbedragen wordt nog gebruik gemaakt van de methode van verwijzing. In de implementatiebesluiten wordt steeds zo dicht mogelijk bij de tekst en de volgorde van de artikelen van de richtlijnen gebleven. Waar dit voor de duidelijkheid van de verplichtingen noodzakelijk werd geacht, is van de tekst en volgorde van de richtlijnen afgeweken. Zo zijn alle bepalingen betreffende het toepassingsbereik in dit besluit bij elkaar geplaatst hoewel dat in voornoemde richtlijn niet is gedaan.

Op een aantal punten bevat dit besluit bepalingen die niet rechtstreeks zijn overgenomen uit de richtlijn, maar die voortvloeien uit verplichtingen die ingevolge de richtlijn op de lidstaat Nederland rusten. Zo bevat dit besluit evenals voorheen het Besluit overheidsaanbestedingen een aantal bepaling die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de informatie- of statistiekverplichting. Voorts wordt in aanvulling op de richtlijn voorzien in een verplichting die niet is opgenomen in de richtlijn maar noodzakelijk is ter nakoming van de zogenoemde Alcatel-jurisprudentie van het Hof (zie artikel 55 van dit besluit). Een laatste aanvulling op de richtlijnen betreft artikel 5 van dit besluit (voorheen artikel 2 van het Besluit overheidsaanbestedingen) dat dient ter nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten.

Richtlijn nr. 2004/18/EG geeft, evenals de oude richtlijnen, de lidstaten op een aantal punten de keuze om bepaalde procedurele mogelijkheden niet over te nemen in de nationale regelgeving. Bij het opstellen van dit besluit is het uitgangspunt geweest om alle mogelijkheden die deze richtlijn biedt over te nemen.

Waar de reikwijdte van een definitie of een artikel in een bepaald geval onduidelijk is, geldt steeds dat zij zo moeten worden uitgelegd dat het nuttig effect van de richtlijn niet in gevaar wordt gebracht (HvJ EG inzake Scala, zaak C-399/98, 2001, blz. I-5409, punt 53 e.v.). Behalve de betrokken richtlijn gelden daarbij tevens als rechtsbron de algemene beginselen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het Verdrag) en de uitspraken van het Hof. Voor alle begrippen in dit besluit en voor de interpretaties van begrippen en procedures die in deze toelichting worden gegeven, is derhalve van belang steeds te bezien of recente jurisprudentie van het Hof tot een gewijzigde interpretatie moet leiden. In dit verband zijn in het verleden regelmatig nieuwsbrieven uitgebracht door het Interdepartementaal Overleg Europese Aanbestedingen (IOEA), onder meer over het begrip publiekrechtelijke instelling. Het IOEA is ingesteld bij Besluit van 21 maart 2005, nr. 5016684EP/MW, tot instelling van het Interdepartementaal Overleg Europese Aanbestedingen (Instellingsbesluit IOEA). De IOEA-nieuwsbrieven zullen ook in de toekomst gebruikt worden om belangrijke ontwikkelingen in de jurisprudentie bekend te maken hiervan een interpretatie te geven. De nieuwsbrieven zijn te vinden op http://www.europeseaanbestedingsrichtlijnen.nl.

5. Handhaving en rechtsbescherming

Een aannemer, leverancier of dienstverlener kan om diverse redenen menen dat een aanbestedende dienst de regels in dit besluit niet goed heeft toegepast. Zo kan hij bijvoorbeeld van mening zijn dat een aanbestedende dienst een opdracht ten onrechte niet heeft aanbesteed, of dat een aanbestedende dienst hem ten onrechte niet heeft geselecteerd om in het kader van een niet-openbare procedure een offerte in te dienen. In al deze gevallen kan de aannemer, leverancier of dienstverlener bij de civiele rechter of (wanneer de Raad van Arbitrage, hierna RvA, bevoegd is verklaard) bij de RvA een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 162, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) (in geval van RvA kan dit ook zijn een beroep op toerekenbare tekortkoming) instellen. Nakoming van de aanbestedingsregels van dit besluit wordt aldus civielrechtelijk gehandhaafd. De beslissingen die een aanbestedende dienst neemt voorafgaand aan (moet een opdracht worden aanbesteed overeenkomstig dit besluit) en gedurende een aanbestedingsprocedure zijn naar Nederlands recht niet voor beroep op de bestuursrechter vatbare beslissingen. Het betreffen immers steeds voorbereidingshandelingen die vooraf gaan aan het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst.

In procedures voor de RvA kunnen in beginsel dezelfde voorzieningen worden verkregen als voor de civiele rechter. In alle spoedeisende zaken waarin een onmiddellijke voorziening van de rechter wordt vereist, kan men een (arbitraal of civielrechtelijk) kort geding voeren. In een kort geding procedure (of een spoedprocedure bij de RvA) kunnen verschillende voorzieningen getroffen worden ter voorkoming van onrechtmatig handelen of tot opheffing van een onrechtmatige toestand, zoals: schorsing van de uitvoering van een overeenkomst of de beslissing van de aanbestedende dienst, een bevel tot (her)aanbesteding, een bevel tot toelating tot inschrijving, en een verbod van gunning (aan een ander dan eiser of een met naam genoemde derde). De voorzieningenrechter (en RvA) kan deze voorzieningen treffen in de fase waarin nog geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen de aanbestedende dienst en een gegadigde alsook in de fase waarin zo’n overeenkomst al tot stand gekomen is. In het laatste geval zal de aanbestedende dienst (ter uitvoering van de getroffen voorziening) veelal een reeds gesloten overeenkomst moeten ontbinden of de uitvoering ervan moeten opschorten.

Een actie uit onrechtmatige daad kan gedurende vijf jaar na het verrichten van een (onrechtmatige) handeling door de aanbestedende dienst aanhangig worden gemaakt. Op ieder moment gedurende de gerechtelijke of arbitrale procedure kan vervolgens een kort geding worden ingesteld. De verliezende aanbieder moet er wel rekening mee houden dat de rechter in beginsel terughoudend is om een voorziening te treffen indien een overeenkomst reeds geheel of grotendeels is uitgevoerd. Ratio daarachter is dat een verliezende aanbieder verplicht is om voortvarend voor zijn belangen op te komen, mede gelet op het belang van de aanbestedende dienst om werkzaamheden die al bijna zijn afgerond niet nog een keer (voor zijn kosten) te moeten laten uitvoeren of door een ander te moeten laten afmaken.

De Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft in haar rapport kritiek geuit op de praktijk van aanbestedende diensten om geschilbeslechting door de Raad bij overheidsopdrachten voor werken standaard op te leggen aan ondernemers. Gelet op de samenstelling van de Raad, waarin uitsluitend door de constituerende verenigingen van opdrachtnemers (AVBB, KIVI en BNA) voorgedragen leden zitting hebben, zou geschilbeslechting door de Raad, met name voor niet bij deze verenigingen aangesloten ondernemers een onvoldoende onafhankelijke geschilbeslechting zijn. Gelet hierop zijn maatregelen getroffen tot wijziging van de samenstelling van de Raad, onder andere door ook opdrachtgevers invloed te geven op de samenstelling van de Raad. Voorts is het Aanbestedingsreglement Werken zodanig gewijzigd dat aanbestedingsgeschillen voortaan aan de civiele rechter in plaats van aan de Raad ter beslechting worden voorgelegd. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de kritiek dat de Raad door het HvJ EG niet bevoegd zou kunnen worden geacht tot het stellen van prejudiciële vragen.

Artikel 81 van richtlijn nr. 2004/18/EG legt aan de lidstaten de verplichting op om te waarborgen dat de richtlijn via toegankelijke en transparante mechanismen wordt toegepast en geeft in dat kader de mogelijkheid om een onafhankelijke autoriteit in te stellen. Hoewel de naleving van de aanbestedingsregelgeving zeker nog te wensen overlaat is er een aantal ontwikkelingen gaande die naar verwachting tot een betere naleving zullen leiden. Allereerst is door de parlementaire enquête de aandacht voor en het belang van een juiste naleving van de aanbestedingsregelgeving bij aanbestedende diensten binnen en buiten de rijksoverheid sterk toegenomen. Verder is het zo dat met ingang van de jaarrekening 2004 de accountantscontrole bij gemeenten en provincies is verscherpt. Daardoor komen de Europese aanbestedingsregels en andere Europese regels steeds meer onder de aandacht van de regionale en de lokale bestuurders. De accountant zal in het kader van de rechtmatigheidcontrole onder meer controleren of er is gehandeld conform de Europese regelgeving. Niet-rechtmatig gedane aanbestedingen kunnen, voor zover zij leiden tot mutaties in de jaarrekening, bijdragen aan overschrijding van de vastgelegde goedkeuringstoleranties, hetgeen zal leiden tot of bijdragen aan een niet-goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening. Dit toezicht betreft niet alleen de overheidsopdrachten van de aanbestedende dienst zelf, maar ook de opdrachten van de subsidie-ontvangers in de twee in artikel 8, eerste lid, van dit besluit genoemde gevallen, alsmede de opdrachten van concessiehouders van openbare werken, genoemd in artikel 64, eerste lid, van dit besluit. Gebleken is dat de sanctie van het niet goedkeuren van de jaarrekening eerder op het niveau van de rijksoverheid heeft bijgedragen aan een betere naleving van de aanbestedingsregelgeving. Ook relevant in dit kader is dat in 2002 mede door het ministerie van BZK het Kenniscentrum Europa decentraal is opgericht. Het kenniscentrum licht de decentrale overheden voor op het gebied van het Europese recht. Europees aanbesteden is het belangrijkste onderwerp van voorlichting. Tevens mag hier niet onvermeld blijven dat er conform het kabinetsstandpunt «De Europese dimensie van toezicht» voorstellen zullen worden gedaan om te komen tot een versterking van de toezichtsinstrumenten ter afdwinging van de naleving van Europese regels door de decentrale overheden. Tenslotte zal naar verwachting de naleving van de aanbestedingsregels verder worden bevorderd door de instelling in het voorjaar 2005 van het kenniscentrum aanbesteden (PIANO). Het doel daarvan is het versterken van het kennisniveau en daardoor de professionalisering van aanbesteden door alle aanbestedende diensten door kennisontwikkeling, kennisverspreiding en kennisuitwisseling. Vooralsnog is om die hiervoor genoemde redenen besloten dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om een onafhankelijke autoriteit voor aanbestedingen in te stellen.

6. Administratieve lasten

Administratieve lasten zijn de kosten voor het Nederlandse bedrijfsleven om te voldoen aan informatieverplichtingen, die voortvloeien uit regelgeving van de overheid. Dit besluit en de daaraan ten grondslag liggende richtlijn nr. 2004/18/EG leggen aanbestedende diensten de verplichting op om bepaalde overheidsopdrachten aan te besteden overeenkomstig bepaalde procedures. Ten behoeve hiervan kunnen zij informatie vragen aan inschrijvers. Net als richtlijn nr. 2004/18/EG verplicht dit besluit aanbestedende diensten niet tot het vragen van informatie.

Ook kunnen aanbestedende diensten zelf bepalen welke informatie zij nodig hebben. Dit heeft tot gevolg dat het besluit zelf geen directe informatieverplichtingen oplegt aan bedrijven die deelnemen aan een aanbesteding. De hoogte van de administratieve lasten voor de bedrijven wordt bepaald door de mate waarin de aanbestedende diensten informatie vragen aan bedrijven.

Hoewel dit besluit ten opzichte van het Besluit overheidsaanbestedingen een aantal nieuwe procedures regelt waarvan de aanbestedende diensten gebruik kunnen maken, zoals raamcontracten, elektronische veilingen en de concurrentiegerichte dialoog, is er wat betreft de informatieverplichtingen geen wijziging opgetreden. De jaarlijkse gemiddelde administratieve lasten voortvloeiend uit de toepassing van dit besluit door de aanbestedende dienst blijven derhalve grosso modo gelijk aan de lasten die voortvloeien uit toepassing van het Besluit overheidsaanbestedingen. Alleen de aanloopkosten die voortvloeien uit het kennisnemen van dit besluit en het Besluit aanbestedingen speciale sectoren veroorzaken een stijging van de administratieve lasten. Deze lasten komen voort uit de inspanningen die alle bedrijven moeten plegen om kennis te nemen van de nieuwe regels. Voor het totaalbeeld van de administratieve lasten is voorts van belang dat dit besluit de aanbestedende diensten de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van elektronisch berichtenverkeer. In de berekening van de lasten zijn de mogelijke effecten hiervan niet berekend. De reden is dat onduidelijk is hoeverre de aanbestedende diensten gebruik gaan maken van deze mogelijkheid. Indien dit echter gebeurt kan dit een aanzienlijke daling van de administratieve lasten tot gevolg hebben.

De jaarlijkse gemiddelde administratieve lasten voortvloeiend uit aanbestedingsprocedures bedragen voor dit besluit en het Besluit aanbestedingen speciale sectoren € 60,1 miljoen per jaar. Deze administratieve lasten worden gezamenlijk veroorzaakt door alle aanbestedende diensten in de zin van dit besluit en het Besluit aanbestedingen speciale sectoren. De toepassing van dit besluit zorgt voor € 55,8 miljoen aan administratieve lasten, en uit de toepassing van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren vloeit € 4,3 miljoen aan administratieve lasten voort. De aanloopkosten (kosten voor kennisname van de nieuwe wet- en regelgeving door alle bedrijven die deelnemen aan aanbestedingen) bedragen voor beide besluiten in totaal € 27,7 miljoen. Van de aanloopkosten vloeit ongeveer € 26,2 miljoen voort uit toepassing van dit besluit en € 1,5 miljoen uit toepassing van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren.

Door het Adviescollege toetsing administratieve lasten (hierna: Actal) is geadviseerd om de hoge eenmalige administratieve lastendruk te compenseren. Met de minister van Financiën is afgesproken dat de 25% kabinetsdoelstelling ten aanzien van de reductie van administratieve lasten niet van toepassing is op de administratieve lasten rond aanbesteden. De aanpak van de administratieve lasten rond aanbesteden volgt een apart doch parallel traject waarin er naar wordt gestreefd dat de lasten rond aanbesteden in 2007 zijn verminderd. Onder lasten worden verstaan het totaal aan informatieverplichtingen voor bedrijfsleven en aanbestedende diensten; administratieve lasten zijn hier dus een onderdeel van. Tevens is afgesproken dat de administratieve lasten van aanbesteden in 2007 worden opgenomen in de departementale nulmetingen. Compensatie van de administratieve lasten is daarom op dit moment niet aan de orde.

Het advies van Actal om gebruik te maken van de mogelijkheid in artikel 27, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG om aanbestedende diensten een informatieplicht op te leggen ter zake van de nationale regels op het terrein van milieu, belastingen en arbeidsbescherming, is opgevolgd (zie artikel 27, eerste lid, van dit besluit). Opgemerkt dient overigens te worden dat voornamelijk (buitenlandse) bedrijven die zich voor het eerst op de Nederlandse markt begeven een lastenverlichting zullen ervaren als gevolg van deze verplichting. Bedrijven die reeds op de Nederlandse markt opereren hebben de betrokken informatie in het kader van hun normale bedrijfsvoering immers al tot hun beschikking.

Ten aanzien van het resultaat van de totale lasten is uit eerder onderzoek gebleken dat de naleving van de aanbestedingsregels door aanbestedende diensten gebrekkig is. Omdat het totaal van nalevingslasten nagenoeg evenredig stijgt met verbetering in de mate van naleving van de regels kan de nagestreefde verbeterde naleving dus leiden tot een even grote toename in lasten.

Ook wordt het aantal ondernemers dat besluit mee te dingen en een offerte uit te brengen beïnvloed door de mate waarin ondernemers verlegen zitten om werk. Verder bepaalt de financiële ruimte bij de overheid het aantal opdrachten dat de overheid verstrekt en daarmee rechtstreeks de totale omvang van lasten voor ondernemers.

Gelet hierop is het aldus noodzakelijk om minder belang te hechten aan de ontwikkeling van het totaal van de lasten voor ondernemers en aanbestedende diensten. In plaats daarvan moet gekeken worden naar de kosten van een gemiddelde aanbestedingsprocedure.

II. Artikelen

Artikel 1

Onderdelen d tot en met f en onderdeel ggg

Onderaannemers, leveranciers of dienstverleners wordt in dit besluit verstaan een ieder die de uitvoering van werken op de markt aanbiedt, een ieder die producten op de markt aanbiedt onderscheidenlijk een ieder die diensten op de markt aanbiedt. Dit kunnen onder meer natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare lichamen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen, rechtspersonen of lichamen zijn (artikel 1, onderdelen d tot en met f). Artikel 1, onderdeel ggg, van dit besluit bevat de hiervoor genoemde termen omvattende verzamelterm «ondernemer». Deze definities zijn overgenomen uit richtlijn nr. 2004/18/EG en komen overeen met hetgeen onder deze termen in het normale Nederlandse spraakgebruik wordt verstaan. Om volledige implementatie te bewerkstelligen, is er niettemin voor gekozen om deze definities toch op te nemen in dit besluit. In deze toelichting wordt voorts als verzamelterm wel de begrippen onderneming en bedrijf of aanbieder gebruikt waar het om zowel aannemers, leveranciers of dienstverleners gaat, zoals ook in het dagelijks spraakgebruik aan de orde is.

Onderdelen h, i, j en k

In het Europees aanbestedingsrecht staan de begrippen overheidsopdracht en aanbestedende dienst centraal. Deze begrippen zijn niet veranderd ten opzichte van de oude richtlijnen.

De definitie van het begrip overheidsopdracht bevat twee belangrijke elementen: «overeenkomst» en «onder bezwarende titel». Door te spreken van overeenkomst is duidelijk dat er geen sprake is van een overheidsopdracht in de zin van dit besluit wanneer middels een eenzijdige rechtshandeling (indirect) een opdracht wordt verleend, bijvoorbeeld het instellen van een dienst of het aanwijzen van een toezichthouder. Van een overeenkomst onder bezwarende titel is niet alleen sprake als de aanbestedende dienst een prijs betaalt, maar ook als een andersoortige economische tegenprestatie wordt verstrekt, bijvoorbeeld een exploitatierecht.

Overheidsopdrachten voor werken in de zin van dit besluit betreffen enerzijds het ontwerpen en uitvoeren en anderzijds het laten uitvoeren van de in bijlage 1 bij dit besluit vermelde werkzaamheden of werken. Dit besluit heeft aldus ook betrekking op overheidsopdrachten waarbij de aanbestedende dienst zowel het ontwerp als de uitvoering of het gehele projectmanagement (inclusief financiering) aanbesteedt. De uit richtlijn nr. 2004/18/EG overgenomen toevoeging «met welke middelen dan ook van een werk dat aan de door de aanbestedende dienst vastgestelde eisen voldoet» beoogt ontduiking van de aanbestedingsplicht, bijvoorbeeld door een financiële constructie, te voorkomen (zie hiertoe nader de toelichting van de Commissie in «Overheidsopdrachten en communautaire financiering: Hoe moet de vragenlijst «overheidsopdrachten» (PbEG C22 van 28.1.1989) worden ingevuld?», Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 1991, p. 48–49). Hierbij kan worden gedacht aan de situatie dat een projectontwikkelaar zich ertoe verbindt een gebouw op te trekken dat aan tevoren door de aanbestedende dienst vastgestelde eisen voldoet, de voorfinancieringslasten te dragen en de eigendom op korte of lange termijn over te dragen aan de aanbestedende dienst. Alleen aankopen van reeds bestaande werken die niet zijn gebouwd om aan tevoren door die aanbestedende dienst vastgestelde eisen te voldoen, vallen buiten de werkingssfeer van het besluit.

Een overheidsopdracht die betrekking heeft op de aankoop, leasing, huur of huurkoop van producten alsmede de daarbij komende werkzaamheden voor het aanbrengen en installeren van de levering is een overheidsopdracht voor leveringen in de zin van het besluit. Alle overheidsopdrachten die geen betrekking hebben op werken of leveringen zijn overheidsopdrachten voor diensten in de zin van het besluit. Diensten zijn onderverdeeld in diensten van bijlage 2, onderdeel A, of bijlage 2, onderdeel B, van dit besluit, waarvoor gedeeltelijk verschillende regels gelden. Wanneer een overheidsopdracht zowel diensten als leveringen of werken betreft, is de waarde van de verschillende onderdelen doorslaggevend. Dat houdt in dat wanneer de waarde van de diensten hoger is dan de waarde van de levering of het werk, er sprake is van een overheidsopdracht voor diensten. Is daarentegen de waarde van de levering (of van het werk) hoger dan de waarde van de diensten dan is sprake van een overheidsopdracht voor leveringen (of voor werken).

Onderdelen l en m

Bij een concessieovereenkomst voor openbare werken of een concessieovereenkomst voor diensten gaat het steeds om een overheidsopdracht voor werken of diensten. Het verschil is dat de tegenprestatie voor de uitvoering van het werk of de dienst niet bestaat uit een betaling van de prijs van het werk of de dienst, maar uit het verlenen van een exclusief recht aan de aannemer of dienstverlener om het werk of de dienst te exploiteren. De verlening van het recht kan gepaard gaan met de betaling van een bepaald bedrag.

Onderdelen q en r

Onder aanbestedende dienst wordt verstaan de Staat, provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke instellingen. De inhoud en reikwijdte van het begrip publiekrechtelijke instelling is nog sterk in ontwikkeling. Leidend uitgangspunt is dat het begrip steeds functioneel moet worden uitgelegd (zie o.a. HvJ EG inzake Beentjes, zaak C-31/87, 1988, blz. I-4635 en HvJ EG inzake ARA/BFI, zaak C-360/96, 1998, blz. I-6821). Uit de jurisprudentie van het Hof zijn inmiddels een aantal concretere uitgangspunten te herleiden. Deze zijn grotendeels neergelegd in de nieuwsbrief nummer 24 van het Interdepartementaal Overlegorgaan Europese Aanbestedingsvoorschriften (IOEA), d.d. oktober 2002 die is te vinden op de aanbestedingssite van het ministerie van Economische Zaken (http://www.europeseaanbestedingsrichtlijnen.nl). Uit het Mannesmann-arrest (HvJ EG, zaak C-44/96, 1998, blz. I-00073) is duidelijk dat aan de hand van de wettelijke bepalingen of de doelomschrijving van de statuten van een instelling moet worden nagegaan of en in welke mate deze instelling is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang, niet zijnde van industriële of commerciële aard. Zelfs als de instelling sinds de oprichting meer commerciële dan publieke taken is gaan verrichten, maar de instelling volgens de statuten nog steeds een taak van algemeen belang heeft, niet zijnde van industriële of commerciële aard, blijft de instelling een publiekrechtelijke instelling. Het maakt voorts geen verschil of de commerciële activiteiten zijn ondergebracht in een aparte rechtspersoon die tot dezelfde groep of hetzelfde concern hoort als de instelling. Van behoeften van algemeen belang van industriële of commerciële aard is blijkens o.a. de arresten Agora (HvJ EG, zaak C-223/99 en zaak C-260/99, 2001, blz. I-03605) en Korhonen (HvJ EG, zaak C-18/01, 2003, blz. I-05321) sprake wanneer een instelling die voorziet in behoeften van algemeen belang:

– opereert onder normale marktomstandigheden, en

– bestuurd wordt op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, en

– ofwel winstoogmerk als hoofddoel heeft,

– ofwel zelf de verliezen draagt die voortvloeien uit zijn activiteiten.

Behoeften van algemeen belang van niet-industriële of -commerciële aard betreffen in het algemeen behoeften die op een andere manier verzadigd worden dan door de beschikbaarheid van goederen of diensten op een markt en waarin de Staat zelf voorziet ofwel er controle op uitoefent. Voorts heeft het Hof in het arrest SIEPSA (HvJ EG 16 oktober 2003, zaak C-283/00, n.n.g.) beslist dat wanneer een organisatie waarvan de Staat de enige aandeelhouder is een belangrijke rol speelt in de uitvoering van het beleid van de regering, verondersteld moet worden dat sprake is van een publiekrechtelijke instelling. Ongeacht of er een officieel compensatiemechanisme voor eventuele verliezen bestaat, acht het Hof het in zo’n geval waarschijnlijk dat de Staat alle noodzakelijke acties onderneemt om te voorkomen dat die organisatie failliet gaat.

Uit de arresten Beentjes (zie hierboven) en Connemara Machine Turf and Co Ltd. (HvJ EG, zaak C-306/97, 1998, blz. I-08761) vloeit voort dat ook organisaties die geen rechtspersoonlijkheid bezitten in de zin van het Burgerlijk Wetboek, zoals de vennootschap onder firma, de maatschap of de commanditaire vennootschap, aanbestedingsplichtig kunnen zijn. Zo was in de zaak Beentjes sprake van een organisatie die formeel geen deel uitmaakte van de rechtspersoon de staat, maar die dat volgens het Hof in functionele zin wel geacht moest worden deel uit te maken van de staat. Dit omdat onder meer de samenstelling en taak van de betrokken organisatie bij de wet was geregeld, de nakoming van de uit het handelen van de organisatie voortvloeiende verplichtingen gegarandeerd werden door de staat, en de staat de door de organisatie in uitvoering gegeven openbare werken financierde.

De drie onder artikel 1, onderdeel q, onder 1° tot en met 3°, genoemde afhankelijkheidscriteria zijn niet cumulatief. Het is voldoende wanneer wordt voldaan aan één van de drie genoemde afhankelijkheden. Wordt aan elk van de criteria voor een gedeelte voldaan, dan kan vanuit een functionele interpretatie bezien toch sprake zijn van een publiekrechtelijke instelling. In het Cambridge-arrest (HvJ EG, zaak C-380/98, 2000, blz. I-08035) is door het Hof gesteld dat alleen die (indirecte of directe) financiering ter ondersteuning of financiering van de activiteiten van de betrokken instelling aangemerkt moeten worden als «door de Staat of de territoriale of ander publiekrechtelijke instellingen gefinancierd» waardoor een afhankelijkheidsrelatie wordt gecreëerd of wordt versterkt, anders dan de afhankelijkheid die in normale commerciële relaties bestaat. Onder «in hoofdzaak» verstaat het Hof dat het om meer dan de helft gaat. Van «toezicht op het beheer» is volgens het Hof sprake wanneer de toezichtbepalingen een afhankelijkheid jegens de overheid of aanbestedende dienst scheppen, zodat deze de beslissingen op het gebied van overheidsopdrachten kan beïnvloeden (Zie o.a., HvJ EG inzake Woningcorporaties, zaak C-237/99, 2001, blz. I-00939 en HvJ EG inzake Forrestry Board, zaak C-353/96, 1998, blz. I-08565).

Uit bovenstaande is duidelijk dat het begrip publiekrechtelijke instelling niet één op één overeenkomt met het begrip «bestuursorgaan» in de zin van de Algemene wet bestuursrecht noch een ander in de Nederlandse rechtsorde gebruikelijk begrip. Derhalve wordt in dit besluit het begrip publiekrechtelijke instelling gebruikt. Dit maakt het ook gemakkelijker aan te sluiten bij toekomstige ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof. Voorts moet worden bedacht dat de in bijlage III van richtlijn nr. 2004/18/EG opgenomen lijst van publiekrechtelijke instellingen in het licht van bovenstaande jurisprudentie slechts een indicatieve waarde heeft en geenszins uitputtend is. Deze lijst is derhalve niet opgenomen als bijlage bij dit besluit maar is te vinden op de aanbestedingssite van het ministerie van Economische Zaken (http://www.europeseaanbestedingsrichtlijnen.nl). Deze lijst zal gelet op het bepaalde in de laatste alinea van artikel 1, negende lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG (zie artikel 78 van dit besluit) regelmatig worden aangepast en aan de Commissie worden toegezonden. Ook ten aanzien van bijlage IV van richtlijn nr. 2004/18/EG (de lijst met centrale overheidsinstellingen) waarin de diverse onderdelen van de Staat worden opgesomd, moet bedacht worden dat deze lijst onder meer door reorganisaties aan veranderingen onderhevig is en derhalve slechts indicatieve waarde heeft. Verwijzing naar deze lijst, zoals in artikel 7 van richtlijn nr. 2004/18/EG is geschied, is in dit besluit derhalve vervangen in een met name genoemde verwijzing naar de betrokken categorie aanbestedende diensten. Verwijzing naar voornoemde bijlage IV zou immers tot gevolg hebben dat dit besluit alleen van toepassing zou zijn op onderdelen van de Staat die in bijlage IV zijn opgesomd. Een later ontstaan onderdeel van de Staat, zoals een nieuw Directoraat-Generaal, dat niet in deze bijlage is vermeld maar wel tot de rechtspersoon de Staat behoort, zou in dat geval niet aanbestedingsplichtig zijn. Dit strookt niet met het oogmerk van richtlijn nr. 2004/18/EG om alle onderdelen van de Staat onder de reikwijdte van deze richtlijn te vatten. Voorts zou het gebruik van een bijlage waarin de onderdelen van de Staat worden opgesomd ertoe leiden dat een bijlage bij dit besluit bij iedere wijziging in de organisatie van de Staat aangepast zou moeten worden, hetgeen onwenselijk wordt geacht.

Onderdeel y

Hoewel in de in richtlijn nr. 2004/18/EG opgenomen definitie van prijsvraag wordt gesproken van een procedure die in het bijzonder kan worden gebruikt op het gebied van ruimtelijke ordening, stadsplanning, architectuur, weg- en waterbouw of automatische gegevensverschaffing is daarmee niet bepaald dat de procedure van prijsvragen enkel in die gevallen gebruikt kan worden. Voor de duidelijkheid zijn die omstandigheden derhalve in dit besluit niet opgenomen in de definitie van prijsvraag.

Onderdeel cc

De nomenclatuur van de centrale productclassificatie (gemeenschappelijke indeling van de produkten) van de Verenigde Naties kan worden opgevraagd of worden geraadpleegd via http://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcst.asp?Cl=16. De kenbaarheid van de CPC is op deze wijze voldoende verzekerd.

Onderdeel kk

In het kader van de in artikel 1, onderdeel kk opgenomen definitie van verbonden onderneming moet worden bedacht dat van een vermoeden van overheersende invloed onder verschillende omstandigheden sprake kan zijn. Gelet op het gestelde in de richtlijn hieromtrent bestaat er in ieder geval een vermoeden van overheersende invloed wanneer een onderneming, direct of indirect, ten opzichte van een andere onderneming:

a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of

b. beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen, of

c. meer dan de helft van de leden van het bestuur, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan van de onderneming kan benoemen.

Onderdelen ddd en eee

Een nieuw begrip in het kader van aanbestedingen is de term kopersprofiel (zie artikel 1, onderdeel ddd). Uit bijlage VIII van richtlijn nr. 2004/17/EG (of richtlijn nr. 2004/18/EG) is duidelijk dat het profiel informatie kan bevatten over lopende aanbestedingsprocedures, voorgenomen aankopen, gegunde opdrachten, geannuleerde procedures, alsmede algemene informatie, zoals het aanspreekpunt van een aanbestedende dienst, telefoon- en faxnummer, postadres en een e-mailadres. Ook de informatie die een aanbestedende dienst in een aankondiging bekendmaakt, kan worden opgenomen in het kopersprofiel. Een kopersprofiel is aldus niets anders dan een vrijwillige beschrijving door een aanbestedende dienst van die dienst en van zijn inkoopbeleid. Er worden in dit besluit dan ook geen minimumeisen gesteld aan de informatie die een aanbestedende dienst opneemt in zijn kopersprofiel.

Artikel 1, onderdeel eee, van dit besluit betreft de definitie van het beschrijvend document dat een aanbestedende dienst veelal opstelt in het kader van een aanbestedingsprocedure. Een aanbestedende dienst beschrijft hierin zijn overheidsopdracht en geeft aan welke eisen hij stelt aan de aanbieders. In de praktijk wordt een beschrijvend document onder andere aangeduid als bestek (m.n. in het kader van overheidsopdrachten voor werken), aanbestedingsdocument, leidraad voor de aanbesteding of pakket van eisen. In richtlijn nr. 2004/18/EG wordt bijvoorbeeld afwisselend gebruik gemaakt van de termen bestek en beschrijvend document.

Onderdeel hhh

Artikel 1, onderdeel hhh, van dit besluit bevat de in artikel 1, twaalfde lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG gehanteerde definitie van «schriftelijk». Hieronder wordt verstaan elk uit woorden of cijfers bestaand geheel dat kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens medegedeeld. Dit geheel kan met elektronische middelen overgebrachte of opgeslagen informatie bevatten. Deze definitie komt overeen met de in het kader van de Wet Elektronisch bestuurlijk verkeer (hierna: de Webv) aangegeven ruime uitleg van het begrip schriftelijk. In de toelichting op de Webv (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 6–7) wordt opgemerkt dat in het kader van die wet is gekozen voor een ruime, dynamische uitleg van het begrip «schriftelijk», die inhoudt dat een schriftelijk stuk op papier kan staan, maar ook een elektronisch document kan zijn. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook mailberichten en daarbij meegestuurde bestanden als schriftelijke berichten en stukken kunnen worden aangemerkt. Een definitie van schriftelijk is in de Webv daarom niet opgenomen. Teneinde een volledige implementatie van richtlijn 2004/18 te bewerkstelligen is in dit besluit wel een definitie van schriftelijk opgenomen, die aldus overeenkomt met de uitleg die aan dit begrip is gegeven in het kader van de Webv.

Onderdeel iii

In artikel 1, onderdeel iii, is een definitie opgenomen voor de term aanbestedingsstukken. Hieronder vallen in ieder geval de aankondiging en het bijbehorende beschrijvend document. Daarnaast kan worden gedacht aan documenten waarin de organisatie van de aanbestedende dienst of zijn beleid worden omschreven. Ook zal een concept-overeenkomst veelal onderdeel uitmaken van de aanbestedingsstukken.

Artikel 5

Het eerste lid van artikel 5 betreft de verplichting die aanbestedende diensten hebben op grond van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: EER-overeenkomst) ten aanzien van aanbieders in Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Ingevolge artikel 65, eerste lid juncto bijlage XVI van de EER-overeenkomst gelden de aanbestedingsregels voor werken, leveringen en diensten en voor de speciale sectoren in richtlijn nr. 2004/18/EG en richtlijn nr. 2004/17/EG ook voor Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Dit betekent dat de aanbestedende diensten in de lidstaten en in voornoemde landen verplicht zijn om aanbieders uit de staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst onder dezelfde voorwaarden als nationale aanbieders in staat te stellen om mee te dingen naar hun overheidsopdrachten voor werken en leveringen en diensten.

Artikel 5, tweede lid, van het besluit betreft de toepasselijkheid van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie. Deze overeenkomst is op 15 april 1994 in Marrakech totstandgekomen. Bijlage 4 van deze overeenkomst bevat de op 15 april 1995 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Trb. 1994, 235) (hierna: Overeenkomst inzake overheidsopdrachten). Ten gevolge van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten moeten de partijen bij die overeenkomst in principe hun markten voor overheidsopdrachten openen voor aanbieders uit andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten. Deze markten worden hierdoor geopend voor buitenlandse concurrentie. Op de website van de Wereldhandelsorganisatie (http://www.wto.org) is te vinden door welke landen de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten is ondertekend.

In artikel 5, tweede lid, is bepaald dat de aanbestedende diensten op aannemers, leveranciers of dienstverleners uit de lidstaten van de Europese Unie voorwaarden toepassen die even gunstig zijn als die welke zij bij de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten toepassen op aannemers, leveranciers of dienstverleners uit andere staten. De aanleiding hiervoor is dat sommige bepalingen van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten gunstiger voorwaarden voor de aannemers, leveranciers of dienstverleners inhouden dan richtlijn nr. 2004/18/EG. Met dit artikel wordt aldus voorkomen dat aannemers, leveranciers of dienstverleners van buiten de Europese Unie bij overheidsopdrachten door aanbestedende diensten van de lidstaten van de Europese Unie in een gunstigere positie komen dan aannemers, leveranciers of dienstverleners uit de lidstaten van de Europese Unie. Anders gezegd moeten de aanbieders uit de Europese Unie minstens even gunstig worden behandeld als aanbieders uit derde landen die partij zijn bij de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten.

Artikelen 6, 29, 35, 36 en 41 en 56, zestiende lid

In het besluit zijn in navolging van richtlijn nr. 2004/18/EG een aantal bepalingen opgenomen omtrent de verplichting tot openbaarmaking of tot geheimhouding van informatie in een aanbestedingsprocedure. Aangezien de specifieke bepalingen omtrent geheimhouding en openbaarheid in de artikelen 29, 35, 36 en 41 en 56, zestiende lid, en de algemene bepaling in artikel 6 samen de openbaarheidsregeling overheidsopdrachten bevat, worden deze bepalingen gezamenlijk toegelicht.

Een expliciet verbod tot openbaarmaking is opgenomen in de artikelen 56, zestiende lid, (inhoudende dat tijdens het verloop van de elektronische veiling de aanbestedende dienst in geen geval de identiteit van de inschrijvers bekend mag maken) en 29, zesde lid, (inhoudende dat de aanbestedende diensten niet de voorgestelde oplossingen of andere door een deelnemer aan de dialoog verstrekte vertrouwelijke inlichtingen aan andere deelnemers bekend mogen maken zonder de instemming van de eerstgenoemde deelnemer) van dit besluit. In deze gevallen is de motiveringsplicht van de aanbestedende dienst beperkt tot het aangeven dat de gevraagde informatie onder één van deze twee artikelen valt. De aanbestedende dienst heeft in deze gevallen geen ruimte voor het maken van een belangenafweging.

Verplichtingen tot openbaarmaking betreffen het opstellen van de aankondigingen (zie artikelen 35 en 36) en het informeren van gegadigden en inschrijvers omtrent o.a. de gunning van een overheidsopdracht of het niet voldoen aan de technische specificaties (zie artikel 41). Zowel in artikel 35, zeventiende lid, als in artikel 41, vijfde lid, is bepaald dat sommige gegevens niet bekend gemaakt hoeven te worden, namelijk voor zover de openbaarmaking van die gegevens de toepassing van de wet in de weg zou staan, met de openbare orde in strijd zou zijn, de rechtmatige commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden of afbreuk aan de eerlijke mededinging tussen hen zou kunnen doen. Deze regeling heeft aldus hetzelfde oogmerk als de Wob, namelijk het treffen van een openbaarheidsregeling. De regeling in voornoemde artikelen komt voorts overeen met de bepalingen die de oude richtlijnen hieromtrent bevatten. Gelet hierop is de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 mei 1997, nr. R01.92.2548 nog steeds relevant (JB 1997/169, Jurisprudentie Bestuursrecht , d.d. 22 augustus 1997, afl. 10). De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat artikel 9, derde lid, van richtlijn nr. 77/62/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 december 1976 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PbEG L 13, hierna: richtlijn nr. 77/62/EEG) een uitputtende openbaarheidsregeling bevat op het terrein van de gunning van overheidsopdrachten en derhalve als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Voorts heeft de Afdeling bepaald dat een aanbestedende dienst die een beroep doet op één van de uitzonderingen van artikel 9, derde lid, van de richtlijn uitgebreid moet motiveren waarom van die uitzondering sprake is. De hier bedoelde informatie moet immers in beginsel openbaar gemaakt worden. Artikel 41 van richtlijn nr. 2004/18/EG bevat de pendant van artikel 9, derde lid, van richtlijn nr. 77/62/EEG.

Artikel 6 van richtlijn nr. 2004/18/EG bevat de algemene bepaling dat de informatie die door aannemers, leveranciers of dienstverleners vertrouwelijk aan de aanbestedende dienst wordt verstrekt, met inachtneming van de nationale wetgeving, niet door hem bekend gemaakt mag worden. Als voorbeeld van vertrouwelijke informatie die aan een aanbestedende dienst kan worden verstrekt, noemt de richtlijn fabrieks- of bedrijfsgeheimen en de vertrouwelijke aspecten van de inschrijvingen.

Een gelijke bepaling als deze was voorheen enkel opgenomen in de richtlijn voor leveringen. De verhouding tussen dit voorschrift en de nationale regelgeving van een lidstaat (i.c. de Wob) wordt bepaald door de toevoeging «met inachtneming van de nationale wetgeving». Dit geeft namelijk aan dat de artikelen 29, zesde lid, 35, zeventiende lid, 41 en 56, vijftiende lid, een specifieke regeling in de zin van de Wob inhouden. Voor verzoeken om informatie waarop deze specifieke regeling niet van toepassing is, zoals het verzoek van een ander dan een gegadigde of inschrijver om de kenmerken en de voordelen van de winnende aanbieder, blijft de Wob aldus het afwegingskader op grond waarvan de aanbestedende dienst beslist in hoeverre aan het verzoek om informatie tegemoet gekomen kan worden. Ten aanzien van de publiekrechtelijke instellingen moet hierbij bedacht worden dat niet iedere publiekrechtelijke instelling tevens bestuursorgaan in de zin van de Wob is. Dit geldt bijvoorbeeld indien de publiekrechtelijke instelling een bijzonder schoolbestuur is.

Artikelen 7 en 9

Voor zover een overheidsopdracht voor werken, leveringen of diensten niet ingevolge de artikelen 10 tot en met 18 van dit besluit zijn uitgesloten, bepalen de drempelbedragen in artikel 7 of de aanbestedende dienst die overheidsopdracht moet aanbesteden. Of een overheidsopdracht een waarde boven het in dit artikel genoemde drempelbedrag heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 9 van dit besluit.

Omdat de Europese drempelwaarden overeen moeten stemmen met de drempelbedragen van de Government Procurement Agreement (GPA) werden de bedragen in de aanbestedingsrichtlijnen voorheen in special drawing rights (SDR) weergegeven. Vervolgens publiceerde de Commissie iedere twee jaar de tegenwaarden van deze SDR in euro. Daarnaast kende de oude richtlijnen drempelbedragen in euro en ecu voor overheidsopdrachten die niet onder de GPA vallen. Teneinde meer duidelijkheid te scheppen zijn in de nieuwe richtlijnen alle drempelwaarden in euro gesteld. Vanwege de afhankelijkheid van de SDR voor wat betreft de overheidsopdrachten die onder de GPA vallen, heeft de Commissie ingevolge artikel 78 van richtlijn nr. 2004/18/EG de plicht om iedere twee jaar de drempelwaarden in de richtlijn aan te passen middels een verordening. In richtlijn nr. 2004/18/EG en richtlijn nr. 2004/17/EG zijn abusievelijk de oude drempelbedragen opgenomen die golden tot en met 31 december 2003. Inmiddels heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 1874/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 oktober 2004 tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot hun toepassingsdrempels inzake procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten (PbEG L 326) (hierna: Verordening (EG) nr. 1874/2004) vastgesteld teneinde de in voornoemde richtlijnen opgenomen drempelbedragen in overeenstemming te brengen met de drempelbedragen in de GPA. Om te voorkomen dat dit besluit steeds gewijzigd moet worden vanwege wijziging van de drempelwaarden bij toekomstige verordeningen van de Commissie zijn de bedragen niet opgenomen in artikel 7 (en de artikelen 8, 58 en 64) van dit besluit. In plaats daarvan wordt dynamisch verwezen naar de drempelwaarden in richtlijn nr. 2004/18/EG. Wijzigingsverordeningen zullen namelijk steeds de bedragen in richtlijn nr. 2004/18/EG wijzigen. De toepasselijke bedragen zijn steeds makkelijk te vinden via http://www.europeseaanbestedingsrichtlijnen.nl. Ingevolge artikel 79, eerste lid, van dit besluit treedt een wijziging van deze bedragen voor de toepassing van dit besluit eerst in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsverordening uitvoering moet zijn gegeven.

De in artikel 7, onderdeel a, onder 2 vermelde bijlage 3 bij dit besluit is een vertaling van de lijst in bijlage I, punt 3, van de Overeenkomst. Dat betekent dat de in bijlage 4 opgenomen lijst conform de Overeenkomst moet worden uitgelegd. Bijlage I, punt 3, van de Overeenkomst (List of supplies and equipment purchased by Ministries of Defence in Belgium, Czech Republic, Denmark, Germany, Estonia, Greece, Spain, France, Ireland, Italy, Cyprus, Latvia, Lithuania, Luxembourg, Hungary, Malta, the Netherlands, Austria, Poland, Portugal, Slovenia, Slovakia, Finland, Sweden and the United Kingdom that are covered by the Agreement) kan worden geraadpleegd op het internetadres http://www.wto.org/english/tratop_e/tragproc_e/ec1.doc.

Artikel 9 bevat een aantal uitgangspunten en rekenregels voor het bepalen van de waarde van de overheidsopdracht. Uitgangspunt bij het bepalen van die waarde is de overheidsopdracht zoals deze is gedefinieerd door de aanbestedende dienst. Gelet op de strekking van de aanbestedingsregels dient de aanbestedende dienst bij het definiëren van zijn overheidsopdracht zich te laten leiden door de behoefte aan het betrokken werk of product of de betrokken dienst waarop de overheidsopdracht betrekking heeft in plaats van door de wens om de overheidsopdracht niet te hoeven aanbesteden overeenkomstig dit besluit. Hierop ziet het bepaalde in artikel 9, vierde en veertiende lid, van dit besluit.

Artikel 8

Op grond van artikel 8 is dit besluit slechts in de twee gevallen van toepassing op overheidsopdrachten van organisaties of instellingen die zelf geen aanbestedende dienst zijn, namelijk wanneer het betreft:

– een overheidsopdracht voor de uitvoering van een werk dat voor meer dan de helft wordt gesubsidieerd door een aanbestedende dienst;

– een overheidsopdracht voor dienstverlening dat verband houdt met een overheidsopdracht voor werken en deze overheidsopdracht voor meer dan de helft wordt gesubsidieerd door een aanbestedende dienst.

In beide gevallen is de subsidie-ontvanger, ongeacht of hij aanbestedende dienst is, verplicht om dit besluit toe te passen (artikel 8, tweede lid). In artikel 8 zijn, net als in de artikelen 7, 58 en 64 van dit besluit, de drempelbedragen niet opgenomen. In plaats daarvan wordt dynamisch verwezen naar de drempelwaarden in richtlijn nr. 2004/18/EG.

Artikel 10

Artikel 10 betreft overheidsopdrachten voor militaire werken, producten of diensten in de zin van artikel 296 van het Verdrag. Hoewel de letterlijke tekst in de oude richtlijnen voor leveringen en diensten anders luidt dan de tekst in richtlijn nr. 2004/18/EG is nog steeds hetzelfde beoogd, namelijk dat deze overheidsopdrachten in beginsel aanbestedingsplichtig zijn, doch dat het bij uitzondering mogelijk is om bepaalde overheidsopdrachten op het gebied van defensie niet aan te besteden. Het moet dan gaan om overheidsopdrachten in de zin van artikel 296 van het Verdrag, en bijvoorbeeld niet om werken, producten of diensten die ook voor niet-militaire doeleinden bruikbaar zijn (het zogenaamde «dual use»). Vanwege de verschillende invullingen van deze uitzondering door de verschillende lidstaten heeft de Commissie een werkgroep ingesteld met als uiteindelijk doel het uitbrengen van een groenboek over het toepassingsbereik van deze uitzondering. Dit groenboek «Overheidsopdrachten op defensiegebied» (COM (2004)608 def.) is op 23 september 2004 vastgesteld.

Artikel 11

In de artikelen 11 tot en met 17 van dit besluit worden de overheidsopdrachten benoemd die van de toepassing van dit besluit zijn uitgesloten.

In artikel 11, eerste lid, is bepaald dat overheidsopdrachten die worden gegund door aanbestedende diensten die werkzaam zijn in de speciale sectoren watervoorziening, energievoorziening, vervoer, opsporing of winning van brandstoffen en terbeschikkingstelling van aanlandingsfaciliteiten (voorheen nutssector genoemd) niet vallen onder de toepassing van dit besluit. Hierop is het Besluit aanbestedingen speciale sectoren van toepassing. Hieronder worden overigens niet begrepen opdrachten die door aanbestedende diensten worden gegund in het kader van hun activiteiten voor de exploitatie van zee-, kust-, of riviervervoerdiensten. Op die opdrachten is aldus dit besluit van toepassing.

Ondernemingen in de postsector worden ingevolge richtlijn nr. 2004/17/EG voortaan als speciale sector in de zin van die richtlijn aangemerkt. Voor de in de Nederlandse postsector opererende bedrijven heeft dit echter geen praktische gevolgen omdat Nederland gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 71, tweede lid, van richtlijn nr. 2004/17/EG om de toepasselijkheid van die richtlijn uit te stellen tot 31 december 2008. Gelet hierop is in artikel 11, tweede lid, van dit besluit bepaald dat dit besluit tot 31 december 2008 van toepassing is op opdrachten die door aanbestedende diensten worden gegund in het kader van het verrichten van de activiteiten bedoeld in artikel 6 van het Besluit aanbestedingen speciale sectoren (hierna: Bass). Omdat de in de Nederlandse postsector opererende bedrijven geen aanbestedende dienst zijn in de zin van dit besluit heeft artikel 11, tweede lid, van dit besluit in de praktijk geen gevolgen voor die bedrijven. Naar verwachting zal voorts de postsector in Nederland vóór genoemde datum volledig geliberaliseerd zijn. Als dat inderdaad het geval is, zullen de ondernemingen in deze sector gebruik kunnen maken van een uitzondering (zie artikel 30 van richtlijn 2004/17 en artikel 29 van het Bass) die hen in praktische zin buiten het regiem van de richtlijn speciale sectoren en het Bass brengt.

Artikel 12

Artikel 12 regelt dat dit besluit niet van toepassing is op overheidsopdrachten die in hoofdzaak tot doel hebben de aanbestedende diensten in staat te stellen openbare telecommunicatienetten beschikbaar te stellen of te exploiteren of aan het publiek een of meer telecommunicatiediensten te verlenen. De uitzondering in artikel 12 is het gevolg van de vergaande liberalisering van de telecommunicatiemarkt. Het is gelet op die liberalisering niet langer noodzakelijk om opdrachten in de telecommunicatiemarkt aan te besteden, voor zover die opdrachten hoofdzakelijk ten doel hebben de aanbestedende diensten in staat te stellen bepaalde activiteiten in de telecommunicatiesector uit te oefenen. De telecombedrijven hoeven deze specifieke opdrachten aldus niet meer aan te besteden. Daar staat tegenover dat de uitzondering op grond waarvan onder de oude richtlijn diensten bepaalde telecommunicatiediensten niet aanbesteed hoefden te worden, is geschrapt. De aanbestedende diensten die niet zelf werkzaam zijn in de telecomsector dienen hun overheidsopdrachten voor alle telecommunicatiediensten als gevolg hiervan voortaan aan te besteden overeenkomstig dit besluit.

Artikelen 13 en 14

Artikel 13 regelt dat dit besluit niet van toepassing is op overheidsopdrachten die geheim zijn verklaard of waarvoor het verplicht is dat de uitvoering met bijzondere veiligheidsmaatregelen gepaard gaat, of wanneer de bescherming van de wezenlijke belangen van de Staat zulks vereist.

Artikel 14 bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op overheidsopdrachten waarvoor andere procedurevoorschriften gelden en die worden gegund krachtens de in dit artikel genoemde internationale overeenkomsten.

Op de uitzonderingen genoemd in de artikelen 13 en 14 kan gelet op de uitgangspunten van de aanbestedingsrichtlijnen en van het Verdrag, alsmede de jurisprudentie van het Hof, van een uitzondering op de aanbestedingsplicht slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. Dit moeten omstandigheden zijn op grond waarvan van de aanbestedende dienst niet in redelijkheid verlangd kan worden om in alle openbaarheid een overheidsopdracht te verstrekken volgens de bepalingen in dit besluit. Dit legt een zware motiveringsplicht op de aanbestedende dienst die zich op een uitzondering beroept. Onder derde land in de zin van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is. Voorts moet ten aanzien van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, worden bedacht dat het steeds moet gaan om een internationale overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en een derde land. Waar in artikel 14, tweede lid, wordt gesproken van de verplichting van aanbestedende diensten om de internationale overeenkomst te melden bij de Commissie is het bereik van deze verplichting feitelijk beperkt tot aanbestedende diensten die bevoegd zijn om namens het Koninkrijk der Nederlanden internationale overeenkomsten te sluiten.

Artikel 15

Artikel 15 somt een aantal diensten op waarvan wordt verondersteld dat toepassing van de aanbestedingsregels op overheidsopdrachten voor deze diensten niet goed mogelijk is, bijvoorbeeld doordat hiermee rechten zijn gemoeid (zoals eigendomsrechten bij huur of koop van onroerende goederen). Bij overheidsopdrachten voor bepaalde audiovisuele diensten in de omroepsector moet rekening gehouden worden met overwegingen van cultureel en sociaal belang. Onder de uitzondering in artikel 15, onderdeel b, valt echter niet de levering van het technisch materiaal dat nodig is voor de (co)productie en de uitzending van het programmamateriaal. Onder uitzending moet worden verstaan het uitzenden en verspreiden via enig elektronisch netwerk.

De in artikel 15 genoemde uitzonderingen maakten ook deel uit van richtlijn nr. 92/50/EG, met het verschil dat voor de in onderdeel d genoemde financiële diensten in richtlijn nr. 2004/18/EG een verhelderend voorbeeld is opgenomen. Voorheen was namelijk onduidelijk of onder «financiële diensten» ook leningen moesten worden verstaan. Doordat in artikel 16, onderdeel d, van richtlijn nr. 2004/18/EG is aangegeven dat hieronder met name moet worden verstaan verrichtingen om de aanbestedende diensten van geld of kapitaal te voorzien, is nu duidelijk dat wanneer een aanbestedende dienst een lening wil aangaan, die opdracht op grond van artikel 15, onderdeel d, van dit besluit niet aanbesteed hoeft te worden.

De uitzondering in artikel 15, onderdeel f, van dit besluit betreft overheidsopdrachten voor diensten voor onderzoek en ontwikkeling. Het gaat hier om overheidsopdrachten op het gebied van wetenschap en hoogwaardige technologie. Overheidsopdrachten voor niet-wetenschappelijk onderzoek moeten aldus worden aanbesteed. De uitzondering geldt niet als de resultaten van het onderzoek in hun geheel aan de aanbestedende dienst toekomen voor gebruik ervan in de uitoefening van zijn eigen werkzaamheden en de opdracht volledig door de aanbestedende dienst wordt betaald.

Artikel 16

Het verstrekken van een concessie voor diensten hoeft ingevolge artikel 16 van dit besluit niet aanbesteed te worden. Wel geldt voor concessies voor diensten artikel 3 van dit besluit. Dat betekent dat de aanbestedende dienst bij het verlenen van een concessie voor diensten moet bepalen dat de concessiehouder het beginsel van niet-discriminatie op grond van nationaliteit naleeft wanneer hij overheidsopdrachten voor leveringen gunt in het kader van de uitvoering van de concessie voor diensten. Voorts zijn de algemene beginselen van het Verdrag van toepassing, zoals het vereiste van non-discriminatie (zie ook de Interpretatieve mededeling van de Commissie over concessieovereenkomsten in het communautaire recht, PbEG 2000, C 121, hierna: de mededeling van de Commissie over concessies). Voorts heeft het Hof in o.a. het arrest Telaustria (HvJ EG, zaak C-324/98, 2000, blz. I-10745) geoordeeld ten aanzien van een concessieverlening voor diensten met een waarde boven de drempelwaarde dat de op de aanbestedende dienst ingevolge het beginsel van non-discriminatie rustende verplichting tot transparantie inhoudt dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd, zodat de dienstenmarkt voor mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst. De Commissie merkt hieromtrent op in het Groenboek over publiek-private samenwerking en het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten van 30 april 2004 (COM(2004) 327 definitief) (hierna: het Groenboek PPS) dat de regels die voortvloeien uit de desbetreffende bepalingen in het Verdrag kunnen worden samengevat in de vorm van de volgende verplichtingen: «vastlegging van de regels voor de selectie van de private partij, passende bekendmaking van het voornemen om een concessieovereenkomst te sluiten en van de regels waarop de selectie wordt gebaseerd zodat tijdens de gehele procedure de onpartijdigheid kan worden gecontroleerd, daadwerkelijke openstelling voor concurrentie tussen potentieel geïnteresseerde ondernemingen en/of ondernemingen die de taken zouden kunnen uitvoeren, naleving van het beginsel van gelijke behandeling van alle deelnemers tijdens de gehele procedure en gunning op basis van objectieve niet-discriminerende criteria.» (Groenboek PPS, blz. 12.) Nadere jurisprudentie van het Hof hieromtrent zal moeten uitwijzen of het Hof deze interpretatie van de Commissie onderschrijft.

Artikel 17

Artikel 17 bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op overheidsopdrachten voor diensten die op basis van een uitsluitend recht worden gegund aan een andere aanbestedende dienst of een samenwerkingsverband van aanbestedende diensten. Voorwaarde hierbij is dat het uitsluitend recht een wettelijke of bestuursrechtelijke basis heeft en niet onverenigbaar is met het Verdrag.

Artikel 18

Hoewel het inkopen door aankoopcentrales reeds onder de oude richtlijnen mogelijk was, is deze mogelijkheid in richtlijn nr. 2004/18/EG expliciet gemaakt. Deze mogelijkheid is in dit besluit opgenomen in artikel 18. Aankoopcentrales zijn bedoeld om door de grotere omvang van de aankopen de mededinging te verbreden en de overheidsopdrachten efficiënter te gunnen. Een definitie voor een aankoopcentrale wordt gegeven in artikel 1, onderdeel s, van dit besluit.

Uit artikel 1, onderdeel s, volgt dat een aankoopcentrale als een aanbestedende dienst moet worden aangemerkt. De aanbestedende dienst wordt geacht dit besluit te hebben nageleefd, mits de aankoopcentrale dit besluit heeft nageleefd. Aanbestedende diensten kunnen hun verplichtingen ingevolge dit besluit derhalve niet omzeilen door hun overheidsopdrachten te gunnen via een aankoopcentrale. Overigens dienen aanbestedende diensten er alert op te zijn dat een opdracht aan een aankoopcentrale onder bepaalde omstandigheden op grond van dit besluit aanbesteed moet worden.

Artikel 19

Op grond van artikel 19 van richtlijn nr. 2004/18/EG kunnen lidstaten bepalen dat een aanbestedende dienst bij het gunnen van overheidsopdrachten preferentie kan verlenen aan sociale werkplaatsen indien de meerderheid van de betrokken werknemers personen met een arbeidshandicap zijn (sociale werkvoorzieningen). Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 19 van dit besluit. Uit dit artikel vloeit aldus voort dat de bevoegdheid om deelneming aan een aanbestedingsprocedure voor te behouden aan sociale werkvoorzieningen is toebedeeld aan de aanbestedende diensten.

De achtergrond van dit artikel is het sociale belang van het voorzien van sociale werkvoorzieningen van voldoende activiteiten en het feit dat sociale werkvoorzieningen veelal een achterstand hebben bij het verwerven van opdrachten ten opzichte van bedrijven zonder arbeidsgehandicapte medewerkers. Een voorwaarde voor de toepassing van artikel 19 van dit besluit is dat de meerderheid van de bij de uitvoering van de voorbehouden overheidsopdracht betrokken werknemers arbeidsgehandicapten zijn.

Artikelen 20 tot en met 22

Afhankelijk van de dienst waarop een overheidsopdracht betrekking heeft, is ingevolge de artikelen 20 en 21 het volledige of het lichte regime van toepassing. Valt de dienst waarvoor een overheidsopdracht moet worden verstrekt onder de diensten genoemd in bijlage 2, onderdeel A, van dit besluit, dan is het volledige regime van toepassing. Wanneer daarentegen de overheidsopdracht een dienst genoemd in bijlage 2, onderdeel B van dit besluit betreft, is het lichte regime van toepassing. Dit laatste betekent dat alleen de voorschriften betreffende technische specificaties (artikel 23) van toepassing zijn en dat de aanbestedende dienst in de aankondiging vermeldt of hij met de mededeling ervan instemt (artikel 35, twaalfde tot en met zestiende lid). Gelet op de restrictieve interpretatie van het Hof ten aanzien van uitzonderingen op de aanbestedingsplicht (HvJ EG inzake Commissie/Italië, zaak C-199/85, 1987, blz. I-01039) kan van een dienst in de zin van bijlage 2, onderdeel B van dit besluit (bijvoorbeeld «overige diensten») slechts sprake zijn als de dienst in kwestie niet met redelijkheid aangemerkt kan worden als een dienst in de zin van bijlage 2, onderdeel A.

Artikel 22 bevat een regeling voor het geval een overheidsopdracht betrekking heeft op zowel diensten in de zin van bijlage 2, onderdeel A, als in de zin van onderdeel B. De totale waarde van de diensten in de zin van bijlage 2, onderdeel A, moet in dat geval worden afgezet tegen de totale waarde van de diensten in de zin van bijlage 2, onderdeel B. De diensten die het grootste deel van de overheidsopdracht bepalen, zijn bepalend voor het regime dat op de overheidsopdracht als geheel van toepassing is.

Uit de uitspraak van het Hof inzake o.a. Telaustria (HvJ EG, zaak C-324/98, 2000, blz. I-10745) kan worden afgeleid dat op overheidsopdrachten buiten het volledige regime, zoals een concessie voor diensten, de beginselen van het Verdrag van toepassing zijn (zoals het beginsel van non-disriminatie). Op dit moment is echter nog onduidelijk of dit geldt voor alle overheidsopdrachten buiten het volledige regime (zoals overheidsopdrachten voor diensten in de zin van bijlage 1, onderdeel B, van richtlijn nr. 92/50/EG en uitgezonderde overheidsopdrachten), en welke concrete eisen er naar aanleiding van deze beginselen gelden voor deze overheidopdrachten. Zo stelt de Commissie zich bijvoorbeeld op het standpunt dat voor alle overheidsopdrachten, dus ook voor overheidsopdrachten onder drempelwaarden, een verplichting tot voorafgaande bekendmaking van voorgenomen overheidsopdrachten geldt.

Of het Hof diezelfde mening is toegedaan blijkt wellicht uit haar oordeel in de zaken C-507/03 (Commissie/Ierland of An Post) en C-195/04 (Commissie/Finland). Nadat duidelijkheid is ontstaan over de uitkomst van bovenstaande zaken zal worden bekeken wat de gevolgen hiervan zijn voor de Nederlandse aanbestedingsregels.

Artikel 23

Op grond van artikel 23, eerste lid, van dit besluit moet de aanbestedende dienst de technische specificaties van de overheidsopdracht opnemen in de aanbestedingsstukken, zoals de aankondiging van de overheidsopdracht, het beschrijvend document en de aanvullende stukken (artikel 1, onderdeel iii).

De definitie van technische specificatie is opgenomen in artikel 1, onderdeel ll, van dit besluit. Samengevat gaat het om een omschrijving van alle technische eisen die de aanbestedende dienst aan het werk, het product of de dienst stelt. Tot kenmerken die vereist kunnen worden behoren bijvoorbeeld het niveau van kwaliteit, het niveau van milieuvriendelijkheid, de toegankelijkheid voor gehandicapten, de gebruiksgeschiktheid, de veiligheid of afmeting van een product, voorschriften inzake handelsbenaming, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, kwaliteitsborgingsprocedures, de verpakking, de markering, en etikettering, gebruiksaanwijzingen, productieprocessen en -methoden en overeenstemmingbeoordelingsprocedures. Voor werken kunnen technische voorschriften voorts bestaan uit de voorschriften voor het ontwerpen en het berekenen van het werk, de voorwaarden voor proefneming, controle en oplevering van de werken, alsmede de bouwtechnieken of bouwwijzen en alle andere technische voorwaarden die de aanbestedende dienste kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of bestanddelen waaruit deze werken zijn samengesteld.

Door de aanbestedende dienst gehanteerde technische specificaties moeten ingevolge artikel 23 van dit besluit objectief toepasbaar zijn en niet-discriminatoir. Dit om te voorkomen dat een aanbestedende dienst de overheidsopdracht zodanig specificeert dat slecht één (beoogde) leverancier eraan kan voldoen. Technische specificaties kunnen verwijzingen naar Europese normen of Europese specificaties bevatten of, wanneer Europese normen of specificaties niet bestaan, naar andere in de EU gebruikte (nationale) normen. Wanneer is voldaan aan de eisen in het derde lid, onderdeel b, kan voorts verwezen worden naar prestatie-eisen of functionele eisen, waaronder milieukeuren. Dit is nieuw ten opzichte van de oude richtlijnen waarin het uitgangspunt was dat moest worden verwezen naar normen, technische goedkeuringen of gemeenschappelijke technische specificaties. Alleen in uitzonderingssituaties (benoemd in de oude richtlijnen) kon van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een voorbeeld van een functionele eis is de eis dat een brug geschikt moet zijn voor een bepaald aantal verkeersbewegingen per tijdseenheid per type verkeersdeelnemer.

In beginsel is het verboden te verwijzen naar merken of octrooien. Alleen wanneer het niet op een andere manier mogelijk is om de overheidsopdracht te specificeren, mag naar merken of octrooien worden verwezen. Een dergelijke verwijzing moet steeds vergezeld gaan van de woorden «of daaraan gelijkwaardig» (artikel 23, vierde en twaalfde lid).

Om de gelijkwaardigheid van een oplossing of een gelijkwaardigheid aan een gestelde norm, prestatie-eis, functionele eis of andere specificatie aan te tonen, mogen inschrijvers ieder bewijsmiddel gebruiken. Een voorbeeld van een passend middel is een technisch dossier van de fabrikant of een testverslag van een erkende organisatie. Wanneer de aanbestedende dienst van mening is dat geen sprake is van gelijkwaardigheid, dient hij dit overeenkomstig de eisen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te motiveren.

Voor de interpretatie van artikel 23 van dit besluit zijn de interpretatieve mededelingen van de Commissie van belang. Blijkens de «Interpretatieve mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende het Gemeenschapsrecht van toepassing op overheidsopdrachten en de mogelijkheden om milieuoverwegingen hierin te integreren (PbEG 2001, C 333) mag de aanbestedende dienst een hoger milieubeschermingsniveau vragen dan wettelijk verplicht is of in de normen is vastgelegd, voor zover dit niet leidt tot discriminatie van inschrijvers. Ook acht de Commissie het toegestaan dat een aanbestedende dienst een bepaald basismateriaal of grondstof of productieproces voorschrijft, eveneens voor zover deze eisen niet discriminerend werken. Ten aanzien van het meenemen van sociale aspecten bij technische specificaties is duidelijk uit de «Interpretatieve mededeling van de Commissie betreffende het Gemeenschapsrecht van toepassing op overheidsopdrachten en de mogelijkheden om sociale aspecten hierin te integreren» (PbEG 2001, C 333) alsook uit bijlage VI van richtlijn nr. 2004/18/EG dat technische specificaties een sociale strekking mogen inhouden. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om maatregelen om arbeidsongevallen te voorkomen, het eisen van een bepaalde productiemethode of de toegankelijkheid voor gehandicapten. Als ondergrens voor het stellen van technische specificaties vanuit milieu- of sociale overwegingen geldt volgens de Commissie dat eisen die geen enkel verband houden met het product of de prestatie zelf, zoals een eis die betrekking heeft op de bedrijfsvoering, geen technische specificaties in de zin van de aanbestedingsrichtlijnen zijn, en dus niet verplicht gesteld kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn de eis aan een aanbieder om gerecycleerd papier in kantoren te gebruiken, om bepaalde afvalverwijderingsmethoden bij de inschrijver toe te passen of om bepaalde groepen werknemers (etnische minderheden, gehandicapten, vrouwen) aan te trekken.

In artikel 23, eerste lid van richtlijn nr. 2004/18/EG wordt nog vermeld dat bij het opstellen van technische specificaties, waar mogelijk, rekening gehouden moet worden met de toegankelijkheid voor gehandicapten en andere gebruikers. Aangezien hiertoe reeds regels zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2003 (zie de afdelingen 4.2 tot en met 4.4.), behoeven hieromtrent geen bepalingen te worden opgenomen in artikel 23 van dit besluit.

Artikel 25

Dit artikel geeft overeenkomstig artikel 25 van richtlijn nr. 2004/18/EG expliciet aan dat de aanbestedende dienst inschrijvers kan verplichten om in de inschrijving aan te geven welk gedeelte van de overheidsopdracht de inschrijver aan derden in onderaanneming wil geven en welke onderaannemers hij voorstelt. In artikel 25 van richtlijn nr. 2004/18/EG is nog terzijde opgemerkt dat een mededeling omtrent onderaanneming niet van invloed is op de aansprakelijkheid van de leidende aannemer, leverancier of dienstverlener.

Aansprakelijkheid is een aspect dat in de overeenkomst tussen aanbestedende dienst en de opdrachtnemer wordt geregeld. Het beginsel van aanbod en aanvaarding uit het algemeen contractenrecht is hier van toepassing. Daaruit volgt dat indien een inschrijver niet kan instemmen met de door de aanbieder in het beschrijvend document of aanbestedingsdocument aangegeven aansprakelijkheidsregeling hij deze regeling uitdrukkelijk dient te verwerpen. Een mededeling als in artikel 25 van de richtlijn genoemd is daartoe onvoldoende en het is derhalve niet wenselijk om de in artikel 25 vermelde bepaling in dit besluit op te nemen.

Artikel 26

De voorwaarden voor de uitvoering van een overheidsopdracht mogen niet rechtstreeks of indirect discriminerend zijn en moeten vermeld worden in de aankondiging van de overheidsopdracht of in het beschrijvend document of aanbestedingsdocument (ook wel leidraad of aanbestedingsstukken genoemd). De voorwaarden waaronder de opdracht wordt uitgevoerd kan verband houden met sociale of milieuoverwegingen. Zij kunnen met name ten doel hebben de beroepsopleiding op de werkplek of de arbeidsparticipatie van moeilijk in het arbeidsproces te integreren personen te bevorderen, de werkloosheid te bestrijden of het milieu te beschermen. Een voorbeeld hiervan is de verplichting in een overeenkomst om voor de uitvoering van de overheidsopdracht langdurig werklozen aan te werven of in opleidingsacties voor werklozen of jongeren te voorzien, om inhoudelijk de belangrijkste verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie na te leven en om een aantal gehandicapten aan te werven.

Artikel 27

In artikel 27, eerste lid, van dit besluit wordt gebruik gemaakt van de in artikel 27, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG opgenomen mogelijkheid om aanbestedende diensten te verplichten aan te geven waar gegadigden of inschrijvers informatie kunnen krijgen omtrent de nationale regels aangaande belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden. Hiermee wordt het advies van Actal om deze verplichting op te nemen opgevolgd.

Doordat de aanbestedende dienst in dit besluit wordt verplicht om voornoemde informatie te verstrekken, dient tevens de verplichting in het tweede lid van artikel 27 van richtlijn nr. 2004/18/EG opgenomen te worden in dit besluit. Het tweede lid van artikel 27 van dit besluit bepaalt daarom dat de aanbestedende dienst verplicht is om de inschrijvers of gegadigden te verzoeken aan te geven dat zij de regels ten aanzien van arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden in acht nemen.

Artikel 28

De aanbestedende dienst kan steeds kiezen voor een openbare of niet-openbare procedure. De onderhandelingsprocedure (met of zonder vooraankondiging) en de concurrentiegerichte dialoog kunnen slechts in een aantal uitzonderingsgevallen gebruikt worden.

De openbare procedure houdt in dat alle belangstellende aannemers, leveranciers of dienstverleners na de publicatie van de aankondiging een offerte kunnen indienen.

In de niet-openbare procedure selecteert de aanbestedende dienst uit de belangstellende aannemers, leveranciers en dienstverleners die zich na de publicatie van de aankondiging hebben gemeld diegenen die een offerte mogen indienen. Alleen de geselecteerde aannemers, leveranciers of dienstverleners krijgen een uitnodiging tot inschrijving. De selectie moet plaatsvinden op basis van objectieve criteria die vooraf kenbaar zijn gemaakt aan de belangstellenden.

Artikel 29

In het geval van bijzonder complexe overheidsopdrachten kan de aanbestedende dienst op grond van dit artikel een dialoog aangaan met alle gegadigden over alle aspecten van de betreffende overheidsopdracht. Van een bijzonder complexe overheidsopdracht in de zin van dit besluit is sprake als het objectief gezien onmogelijk is te bepalen welke middelen en oplossingen noodzakelijk zijn voor deze overheidsopdracht, bijvoorbeeld bij omvangrijke, geïntegreerde infrastructuurprojecten, grote computernetwerken of projecten met een complexe en gestructureerde financiering waarvan vooraf niet alle financiële en juridische eisen kunnen worden voorgeschreven.

Na een bekendmaking van de overheidsopdracht selecteert de betreffende aanbestedende dienst een groep gegadigden waarmee een dialoog wordt gestart over de overheidsopdracht en welke middelen daarvoor nodig zijn. De voorwaarden zijn dat alle inschrijvers gelijk worden behandeld bijvoorbeeld wat betreft informatieverstrekking en dat vertrouwelijke informatie van deelnemers aan de dialoog niet zonder toestemming van de betreffende deelnemer wordt verstrekt aan anderen. De volgende stap is dat de aanbestedende dienst het aantal oplossingen voortkomend uit de dialoog beperkt en uiteindelijk komt tot één of meer oplossingen die het meest geschikt lijken. Nadat de aanbestedende dienst de dialoog gesloten verklaart kunnen de gegadigden een definitieve inschrijving dienen op basis van de oplossingen die tijdens de dialoog tussen de aanbestedende dienst en de betreffende gegadigde zijn besproken. De aanbestedende dienst kan de inschrijvers om nadere informatie vragen ten aanzien van de inschrijving. Deze toelichting mag de inschrijving niet zodanig beïnvloeden dat er discriminerende werking vanuit gaat. Tenslotte vindt selectie van de economisch meest voordelige inschrijving plaats op basis van de in de bekendmaking vermelde gunningscriteria.

De aanbestedende dienst kan de geselecteerde inschrijver vragen om verduidelijking van zijn inschrijving, met als voorwaarde dat hierdoor de basiselementen van de inschrijving of de aanbesteding niet wezenlijk worden gewijzigd. Dit verbod vloeit logischerwijze voort uit het verbod op discriminatie tussen aanbieders en heeft tot doel te voorkomen dat de mededinging tussen de aanbieders wordt verstoord, bijvoorbeeld doordat een aanbieder in zijn toelichting de facto zijn aanbieding wijzigt.

Artikel 29, vijftiende lid, van dit besluit bepaalt dat de aanbestedende dienst kan voorzien in prijzen of betalingen aan de deelnemers van de dialoog. Deze mogelijkheid van het doen van betalingen is expliciet neergelegd voor het geval een aanbestedende dienst gebruik maakt van de concurrentiegerichte dialoog vanwege het specifieke karakter van deze procedure voor bijzonder complexe opdrachten. Maar ook bij de andere aanbestedingsprocedures zoals de niet-openbare procedure of de onderhandelingsprocedures staat het de aanbestedende dienst vrij om een ontwerpvergoeding te verstrekken voor het uitwerken van offertes of varianten (ook wel alternatieven genoemd) of ten behoeve van het innovatief aanbesteden. De aanbestedende diensten op rijksniveau maken naar aanleiding van de aanbeveling van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid geen gebruik meer van de mogelijkheid die de aanbestedingsrichtlijnen laten om rekenvergoedingen te verstrekken aan ondernemers. Zoals in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de bevindingen van deze commissie is gesteld, zullen er alleen vergoedingen toegekend worden indien er daadwerkelijk ontwerpwerk wordt gevraagd als onderdeel van innovatief aanbesteden of bijvoorbeeld het uitwerken van alternatieven. Gelijk de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid stelt, dienen de kosten van calculeren en aanbieden bij aanbestedingen onderdeel te zijn van de algemene kosten van een ondernemer, zoals dat ook buiten de bouwsector het geval is. Het vaststellen van de benodigde of het gewenste percentage voor algemene kosten is immers een zaak van de commerciële strategie van iedere ondernemer. Deze insteek op rijksniveau laat onverlet dat de aanbestedingsrichtlijnen, zoals hierboven al is vermeld, aanbestedende diensten vrij laten in de keuze om reken- of ontwerpvergoedingen te verstrekken, en in welke gevallen zij dit doen. De aanbestedingsrichtlijn kent geen verbod op reken- of ontwerpvergoedingen. Gelet op de reikwijdte van de Raamwet EG-voorschriften aanbestedingen is er aldus geen grondslag om in dit besluit een verbod op reken- of ontwerpvergoedingen op te nemen. Bij de herziening van de aanbestedingsregels zal dit aspect nader worden bezien.

Artikelen 30 en 31

De onderhandelingsprocedure (met of zonder aankondiging) kan enkel toegepast worden wanneer sprake is van de in artikel 30 of 31 omschreven omstandigheden. Feitelijk gaat het bij de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging om een onderhandse gunning.

Uit de jurisprudentie van het Hof over de in deze artikelen genoemde uitzonderingen blijkt dat alle uitzonderingen restrictief geïnterpreteerd moeten worden (HvJ EG inzake Commissie/Italië, zaak C-199/85, 1987, blz. I-01039) en in deze artikelen limitatief zijn opgesomd (HvJ EG inzake Commissie/Spanje, zaak C-71/92, 1993, blz. I-05923). Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat de aanbestedende dienst die een beroep doet op één van de uitzonderingssituaties het bestaan van die uitzonderingssituatie moet aantonen. Ook moet de aanbestedende dienst die zich beroept op de uitzondering genoemd in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, bewijzen dat er technische redenen zijn in de zin van die bepaling, maar ook dat die technische redenen het volstrekt noodzakelijk maken het in geding zijnde werk aan de onderneming in kwestie te gunnen (HvJ EG inzake Commissie/Italië, zaak C-57/94, 1995, blz. I-01249). Tevens moeten alle voorwaarden worden vervuld die aan de uitzondering (als omschreven in de artikelen 30 en 31) worden gesteld waarop de aanbestedende dienst zich beroept. Dat betekent voor de uitzondering van dwingende spoed (artikel 31, eerste lid, onderdeel c) bijvoorbeeld dat de aanbestedende dienst moet aantonen dat gezien de omstandigheden zelfs het voeren van de versnelde procedure als bedoeld in artikel 38, elfde lid, niet aan de orde kan zijn. Bovendien moet in dat geval worden aangetoond dat die omstandigheden niet door de aanbestedende dienst konden worden voorzien en voorts niet te wijten zijn aan de aanbestedende dienst zelf (zie HvJ EG inzake Commissie/Spanje, zaak C-24/91, 1992, blz. I-01989 en HvJ EG inzake Commissie/Italië, zaak C-107/92, 1993, blz. I-04655). De vertraging die in het kader van een vergunningprocedure optreedt doordat in deze procedure bezwaren zijn ingediend werd door het Hof dan ook als voorzienbaar aangemerkt. Indien de aanbestedende dienst zelf enige tijd heeft laten passeren voordat hij actie onderneemt, leidt dit er volgens het Hof eveneens toe dat deze dienst zich niet op de uitzondering van dwingende spoed kan beroepen.

In het Groenboek PPS wordt door de Commissie ten aanzien van de uitzondering opgenomen in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van dit besluit opgemerkt dat die afwijkingsmogelijkheid uitsluitend geldt voor uitzonderlijke situaties waarin vooraf onzekerheid bestaat over de aard of de omvang van de uit te voeren werkzaamheden, maar niet voor situaties waarin de onzekerheden andere oorzaken hebben, zoals wanneer de prijs lastig vooraf kan worden vastgesteld als gevolg van de complexiteit van de financieel-juridische constructie. Als voorbeeld van zo’n uitzonderlijke situatie noemt de Commissie de omstandigheid dat werken in een geologisch onstabiel of archeologisch waardevol gebied worden uitgevoerd, waardoor de omvang van de uit te voeren werken aan het begin van de procedure niet valt te voorspellen.

Ten aanzien van de uitzondering voor uitsluitende rechten in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van dit besluit is naar aanleiding van de uitspraak van het Hof inzake Commissie/Spanje (HvJ EG, zaak C-328/92, 1994, blz. I-01569) dat hiervoor niet voldoende is dat het betrokken levering of de betrokken dienst door een uitsluitend recht, zoals een octrooi wordt beschermd, maar dat de aanbestedende dienst ook moet bewijzen dat de betrokken levering of dienst slechts door een bepaalde leverancier kunnen worden vervaardigd of geleverd, respectievelijk slechts door een bepaalde dienstverlener kan worden verleend. Aan deze laatste voorwaarde kan volgens het Hof alleen worden voldaan met betrekking tot die producten en specialiteiten waarvoor op de markt geen concurrentie heerst.

De uitzondering in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, van dit besluit heeft met name betrekking op diensten in de zin van bijlage 2, onderdeel A, categorie 6, en op diensten voor intellectuele diensten, zoals het ontwerpen van bouwwerken.

Artikel 32

Raamovereenkomsten waren voorheen alleen geregeld in richtlijn nr. 93/38/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993, houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PbEG L 199) (hierna: richtlijn nr. 93/38/EEG). Ook bij overheidsopdrachten in de zin van richtlijn nr. 92/50/EEG, richtlijn nr. 93/36/EEG en richtlijn nr. 93/37/EEG werden raamovereenkomsten echter in de praktijk al gebruikt. In de nieuwe richtlijn is in de leemte voorzien en een bepaling over raamovereenkomsten opgenomen.

Van een raamovereenkomst is sprake indien een aanbestedende dienst gedurende een bepaalde periode producten of diensten wil afnemen van een of meer aanbieders en daarover vooraf afspraken wil maken over bijvoorbeeld de te leveren kwaliteit, hoeveelheid en leveringstermijnen. Een raamovereenkomst kan overheidsopdrachten betreffen die ieder afzonderlijk onder de drempelbedragen vallen maar die gezien de waarde van de totale afname van de overeenkomstige opdrachten over een bepaalde periode in ieder geval Europees aanbesteed moeten worden. Ook kan een raamovereenkomst afzonderlijke overheidsopdrachten boven de drempelbedragen betreffen die ieder afzonderlijk zouden moeten worden aanbesteed, maar waarbij de aanbestedende dienst er voor kiest deze door middel van een raamovereenkomst te gunnen, omdat hij dan met één aanbestedingsprocedure voor een raamovereenkomst kan volstaan. Is de raamovereenkomst aanbesteed overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6, 18 tot en met 31 of 33 tot en met 57, dan hoeven de afzonderlijke overheidsopdrachten, ook wanneer zij de betrokken drempelwaarden overschrijden, niet meer te worden aanbesteed in een (niet-)openbare procedure of onderhandelingsprocedure (artikel 32, zevende tot en met tiende lid).

De definitie voor raamovereenkomsten is opgenomen in artikel 1, onderdeel n, van het besluit. Volgens deze definitie is een raamovereenkomst een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te gunnen overheidsopdrachten vast te leggen, bijvoorbeeld wat betreft de prijs of de beoogde hoeveelheid. Hierbij moet bedacht worden dat ingevolge deze definitie een raamovereenkomst niet is aan te merken als een overheidsopdracht. Een schriftelijke overeenkomst tussen een aanbestedende dienst en een of meer bedrijven over te gunnen overheidsopdrachten gedurende een bepaalde periode zonder dat daaraan een leverings- of afnameverplichting ten grondslag ligt, is, omdat er geen bezwarende titel aanwezig is, geen overheidsopdracht in de zin van richtlijn nr. 2004/18/EG noch van dit besluit. Overheidsopdrachten die voortvloeien uit een raamovereenkomst moeten volgens de normale procedures van de richtlijn worden aanbesteed als voor de raamovereenkomst niet de procedures uit artikel 32 zijn gevolgd.

Wanneer er geen leverings- of afnameverplichting voortvloeit uit een raamovereenkomst betekent dat overigens niet dat een aanbestedende dienst geheel vrij is om overheidsopdrachten waarvoor hij zo’n raamovereenkomst is aangegaan zonder meer te gunnen bij anderen dan de ondernemers met wie hij de raamovereenkomst heeft gesloten. Met name waar de aanbestedende dienst de raamovereenkomst heeft aanbesteed overeenkomstig de bepalingen van dit besluit is een dergelijke praktijk in beginsel in strijd met de (pre)contractuele beginselen van goede trouw en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Voorts is het gelet op de kosten die een aanbestedingsprocedure zowel voor bedrijven als aanbestedende diensten met zich meebrengt om economische redenen een onwenselijke gang van zaken. Daarentegen is het echter een ander geval wanneer na het sluiten van de raamovereenkomst de marktomstandigheden zodanig wijzigen dat de aanbestedende dienst in redelijkheid niet gehouden kan worden op basis van die raamovereenkomst nadere overeenkomsten te sluiten.

Indien een raamovereenkomst met een enkele ondernemer is gesloten dan kunnen de op die raamovereenkomst gebaseerde overheidsopdrachten gegund worden volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden. Zijn niet alle voorwaarden voor gunning vooraf voldoende bepaald of vastgesteld dan kan de aanbestedende dienst de ondernemer schriftelijk raadplegen en hem indien nodig verzoeken zijn inschrijving aan te vullen. In geen geval mogen echter substantiële wijzigingen worden aangebracht in de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.

Indien een raamovereenkomst met meerdere ondernemers is afgesloten moeten dit er minimaal drie zijn voorzover het aantal ondernemers aan de selectiecriteria voldoet. Indien niet alle voorwaarden vooraf in de raamovereenkomst zijn bepaald dient de aanbestedende dienst een nieuwe aankondiging te doen. De aanbestedende dienst raadpleegt daartoe voor iedere te gunnen overheidsopdracht de bij de raamovereenkomst aangesloten ondernemers die in staat zijn de overheidsopdrachten uit te voeren met inachtneming van een voldoende lange termijn voor indiening van de inschrijvingen en rekening houdend met de complexiteit van de overheidsopdracht en benodigde tijd voor toezending van de inschrijvingen. De hierbij te volgen procedure moet voldoen aan bepaalde regels die de vereiste flexibiliteit en inachtneming van algemene beginselen waaronder het beginsel van gelijke behandeling dienen te waarborgen. Zo dienen de schriftelijk ingediende inschrijvingen vertrouwelijk te blijven totdat de indieningstermijn is verstreken en dient de overheidsopdracht te worden gegund aan de beste inschrijver op grond van de in het beschrijvend document vastgelegde gunningscriteria.

De looptijd van een raamovereenkomst mag niet langer zijn dan vier jaar behalve in deugdelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen.

Artikel 33

Artikel 1, onderdeel o, omschrijft een dynamisch aankoopsysteem als een elektronisch proces voor het doen van gangbare aankopen, met algemeen op de markt beschikbare kenmerken, beperkt in de tijd en gedurende de gehele looptijd open voor een aannemer, leverancier of dienstverlener die voldoet aan de selectiecriteria en die overeenkomstig de eisen van het beschrijvend document een indicatieve inschrijving heeft ingediend.

Bij «gangbare aankopen, met algemeen op de markt beschikbare kenmerken» kan worden gedacht aan eenvoudige aankopen die regulier ofwel regelmatig gedaan worden om in de behoefte van de aanbestedende dienst te voldoen, zoals de aanschaf van papier. Het spreekt voor zich dat ook voor de aankopen die middels een dynamisch aankoopsysteem worden gedaan steeds de behoefte van de aanbestedende dienst voorop staat. Derhalve is de in richtlijn nr. 2004/18/EG opgenomen zinsnede «overeenkomen met de behoeften van de aanbestedende dienst» in dit besluit niet overgenomen in de definitie van dynamisch aankoopsysteem. Artikel 33 van richtlijn nr. 2004/18/EG geeft regels omtrent de werking en toepassing van dit systeem.

Indicatieve inschrijvingen kunnen gedurende de hele looptijd van het dynamische aankoopsysteem worden ingediend. De indicatieve inschrijving is bedoeld om te bepalen of een inschrijver tot het aankoopsysteem wordt toegelaten. Na de aankondiging van het dynamisch aankoopsysteem kunnen later meerdere specifieke overheidsopdrachten volgen. Voorafgaand aan elke specifieke overheidsopdracht kunnen geïnteresseerden een indicatieve inschrijving doen om toegelaten te worden tot het systeem. Pas nadat de binnen de in het tiende lid bedoelde termijn ingediende indicatieve inschrijvingen zijn beoordeeld kan de aanbestedende dienst de tot het systeem toegelaten aannemers, leveranciers of dienstverleners uitnodigen in te schrijven op een specifieke overheidsopdracht die binnen het systeem wordt gegund.

De aanbestedende diensten moeten de voorschriften van de openbare procedure volgen. Alle inschrijvers die aan de selectiecriteria voldoen en een indicatieve inschrijving volgens het beschrijvend document hebben gedaan worden tot het systeem toegelaten. Hun indicatieve inschrijving kan te allen tijde worden verbeterd zolang dit past binnen het beschrijvend document.

De procedure aangaande een dynamisch aankoopsysteem begint met een aankondiging van een overheidsopdracht van de aanbestedende dienst waarin vermeld wordt dat de aanbesteding volgens een dynamische aankoopsysteem verloopt. In het beschrijvend document wordt vervolgens vermeld wat de aard van de inkopen in het dynamisch aankoopsysteem zal zijn, en wordt ook informatie over de te gebruiken elektronische apparatuur, technische bepalingen en specificaties voor de verbinding verstrekt. De aanbestedende dienst geeft gedurende de hele looptijd van het systeem geheel vrije elektronische toegang tot het beschrijvend document en alle aanvullende documenten. Het internetadres waarop deze informatie beschikbaar is wordt in de aankondiging vermeld. De te gebruiken elektronische middelen moeten voldoen aan het gestelde in artikel 42, tweede tot en met tiende lid, van dit besluit. Vijftien dagen na de indiening van een indicatieve inschrijving door een inschrijver moet de aanbestedende dienst de beoordeling afronden. Daarna moet de aanbestedende dienst de inschrijver zo snel mogelijk melden of de inschrijver is toegelaten tot het systeem. De beoordelingsperiode kan worden verlengd op voorwaarde dat in de tussentijd geen aankondiging voor een specifieke overheidsopdracht wordt uitgeschreven.

Voorafgaand aan een specifieke overheidsopdracht moet de aanbestedende dienst een vereenvoudigde aankondiging van de overheidsopdracht publiceren waarin alle geïnteresseerde inschrijvers worden uitgenodigd binnen 15 dagen een indicatieve inschrijving in te dienen om toegelaten te worden tot het dynamische aankoopsysteem. Nadat alle indicatieve inschrijvingen zijn beoordeeld en afgerond wordt een aankondiging voor een specifieke overheidsopdracht gedaan. Alle inschrijvers die zijn toegelaten tot het systeem worden hiertoe uitgenodigd en krijgen voldoende tijd om een inschrijving in te dienen op deze specifieke overheidsopdracht. De gunning vindt plaats op basis van de criteria zoals vermeld in de aankondiging van het dynamisch aankoopsysteem. In de uitnodiging voor de specifieke overheidsopdracht kunnen de selectiecriteria worden gepreciseerd.

Het dynamisch aankoopsysteem heeft een looptijd van maximaal 4 jaar en mag niet gebruikt worden om de mededinging te beperken. Er mogen voorts geen administratiekosten aan de betrokken inschrijvers worden toegerekend.

Artikelen 35 en 36

Aanbestedingsprocedures vangen aan met de publicatie van een aankondiging in het Publicatieblad van de EuropeseUnie. Termijnen beginnen te lopen op de dag van inzending van de aankondiging aan het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen. Slechts bij de procedure van gunning door onderhandeling zonder voorafgaande mededeling van een aankondiging, bedoeld in artikel 31 van het besluit, mag van publicatie van een aankondiging worden afgezien en kan de aanbestedende dienst rechtstreeks de door hem uitgekozen aanbieders benaderen. De bepalingen inzake de bekendmaking van voorgenomen aanbestedingen zorgen ervoor dat de vraag van overheidsopdrachtgevers transparant wordt gemaakt, hetgeen noodzakelijk is om tot daadwerkelijke openstelling van de Europese interne markt van aanbestedingen te kunnen komen. Het achterwege laten van een aankondiging levert dan ook een verzuim van een wezenlijk vormvoorschrift op. Op grond daarvan kan ongeldigverklaring van de aanbestedingsprocedure worden gevorderd. Artikel 35 bevat bepalingen omtrent een vooraankondiging. Een vooraankondiging vindt plaats aan het begin van een begrotingsjaar en luidt, in tegenstelling tot een aankondiging, niet het begin in van een concrete aanbestedingsprocedure, maar geeft informatie over welke voornemens één of meerdere aanbestedende diensten hebben om overheidsopdrachten te gaan verstrekken.

Ingevolge de uitspraak van het Hof inzake Nord-Pas-de-Calais (HvJ EG zaak C-255/98, 2000, blz. I-07445) is duidelijk geworden dat het plaatsen van een vooraankondiging als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van dit besluit alleen verplicht is wanneer aanbestedende diensten gebruik willen maken van de mogelijkheid om de termijnen voor de ontvangst van inschrijven overeenkomstig in te korten. Dit is nu expliciet bepaald in artikel 35, eerste lid, vijfde alinea van richtlijn nr. 2004/18/EG, hetgeen is overgenomen in het vijfde lid van artikel 38 van dit besluit. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat gelet op artikel 7 van dit besluit artikel 35, eerste lid, enkel betrekking heeft op overheidsopdrachten waarvan de geraamde waarde steeds gelijk is aan of groter dan de in artikel 7 genoemde bedragen.

In de artikelen 35, eerste lid, aanhef, en 36, eerste lid en tweede lid, tweede alinea van richtlijn nr. 2004/18/EG wordt verwezen naar bijlage VIII, punten 1 en 2, van die richtlijn. In bijlage VIII, punten 1 en 2 wordt weer verwezen naar de formulieren die de aanbestedende dienst moet gebruiken voor het opstellen van de aankondigingen, namelijk de formulieren die zijn vastgesteld in richtlijn nr. 2001/78/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 september 2001 tot wijziging van bijlage IV van Richtlijn 93/36/EEG van de Raad, van de bijlagen IV, V en VI van Richtlijn 93/37/EEG van de Raad, van de bijlagen III en IV van Richtlijn 92/50/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG, alsmede van de bijlagen XII tot en met XV, XVII en XVIII van Richtlijn 93/38/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/4/EG (richtlijn over het gebruik van standaardformulieren bij bekendmaking van aankondigingen van overheidsopdrachten) (PbEG L 285).

In dit besluit wordt in de artikelen 35 en 36 direct verwezen naar richtlijn nr. 2001/78/EG in plaats van naar bijlage VIII, punten 1 en 2 van richtlijn nr. 2004/18/EG. Zoals gezegd in de inleiding (paragraaf 1) is er voor de modellen voor de aankondigingen gebruik gemaakt van de methode van verwijzing. Dit is nodig omdat de modellen vaak wijzigen. Voorkomen dient te worden dat het besluit bij iedere wijziging van de formulieren gewijzigd moet worden. De verwachting is namelijk dat de Commissie op grond van haar bevoegdheid in artikel 79 van richtlijn nr. 2004/18/EG regelmatig zal overgaan tot wijziging van deze formulieren. Een eerste wijziging heeft de Commissie reeds in voorbereiding en treedt naar verwachting inwerking met ingang van 1 mei 2005.

Waar in richtlijn nr. 2004/18/EG wordt verwezen naar punt 3 van bijlage VIII is deze verwijzing in dit besluit overgenomen. Deze verwijzing betreft namelijk een verwijzing naar de internetsite http://simap.eu.int., de aanbestedingsite van de Commissie. Deze site bevat de elektronische versie van de formulieren voor aankondiging die door de aanbestedende dienst gebruikt moet worden wanneer deze de aankondigingen langs elektronische weg verstuurt. De aanbestedende dienst is verplicht om een kennisgeving van het bekendmaken van de vooraankondiging in het kopersprofiel (zie artikel 1, onderdeel ddd) elektronisch te versturen aan de Commissie in het geval de aanbestedende dienst de vooraankondiging via zijn kopersprofiel bekendmaakt (artikel 35, eerste lid, vijfde alinea, van richtlijn nr.2004/18/EG, geïmplementeerd in artikel 35, achtste lid, van het besluit). In alle andere gevallen kunnen de aanbestedende diensten ervoor kiezen om de aankondiging elektronisch te versturen of langs andere weg. De aanbestedende dienst dient op grond van voornoemde bijlage de aankondigingen steeds te sturen naar de Commissie.

In het achtste lid van artikel 36 is bepaald dat de aanbestedende dienst de verzenddatum van de aankondigingen moet kunnen aantonen. Een aanbestedende dienst kan dit bijvoorbeeld doen aan de hand van zijn eigen (post)registratiesysteem. Dit voorschrift hangt samen met de termijnen uit artikel 38 van dit besluit waarbij de datum van verzending van de aankondiging steeds het aanknopingspunt vormt.

Artikel 37

In verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (PbEG L 340) (hierna: Verordening (EG) nr. 2195/2002) is het classificatiesysteem voor overheidsopdrachten (hierna: CPV) vastgesteld. Doel van deze verordening is harmonisatie van de referenties waarmee de aanbestedende diensten en bedrijven het voorwerp van overheidsopdrachten omschrijven. Op grond van artikel 37, eerste lid zijn aanbestedende diensten verplicht om bij het opstellen van de aankondigingen, bedoeld in artikel 35, voor de omschrijving van hun overheidsopdrachten voor werken, leveringen of diensten, steeds te verwijzen naar de betreffende codes in de CPV. Deze verplichting komt uit artikel 35, eerste lid, onderdeel a, tweede alinea, van richtlijn nr. 2004/18/EG.

Doordat voor de reikwijdte van richtlijn nr. 2004/18/EG ten aanzien van overheidsopdrachten voor werken (via bijlage I) wordt verwezen naar de NACE (de gemeenschappelijke basis voor statistische nomenclaturen van economische activiteiten in de Europese Gemeenschappen zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 oktober 1990 betreffende de statistische nomenclaturen van economische activiteiten in de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd door Verordening (EEG) nr. 761/93 van de Commissie van de Europese gemeenschappen van 24 maart 1990) treedt een kleine complicatie op voor overheidsopdrachten voor werken of werkzaamheden waarvoor in de NACE en de CPV afwijkende omschrijvingen gebruikt worden. Gelet hierop is in artikel 1, veertiende lid, tweede alinea, van richtlijn nr. 2004/18/EG bepaald dat bij uiteenlopende interpretaties betreffende het toepassingsgebied van de richtlijn als gevolg van mogelijke discrepanties tussen de CPV en de NACE de laatste van toepassing is. Aanbestedende diensten wordt geadviseerd om in dat geval het schakelschema tussen NACE en CPV zoals opgenomen in verordening (EG) nr. 2195/2002 te raadplegen. Eenzelfde complicatie doet zich voor ten aanzien van de diensten, genoemd in bijlage 2, onderdelen A en B, doordat in deze bijlage wordt verwezen naar de CPC. Wanneer onduidelijk is of een dienst onder onderdeel B of A valt, is op grond van artikel 1, veertiende lid, tweede alinea, van richtlijn nr. 2004/18/EG de CPC-code doorslaggevend. Gelet hierop is de rangorde tussen de voornoemde drie codes opgenomen in artikel 37, tweede lid, van dit besluit.

Artikelen 38 en 39

Evenals de oude richtlijnen schrijft richtlijn nr. 2004/18/EG een aantal minimumtermijnen voor die de aanbestedende dienst in acht moet nemen. Het is de aanbestedende dienst steeds toegestaan om langere termijnen dan de minimumtermijnen aan te houden. Slechts in drie gevallen is (ingevolge artikel 38, tiende lid van dit besluit) de aanbestedende dienst verplicht om de minimumtermijnen te verlengen:

– indien de stukken (alhoewel tijdig aangevraagd) door de aanbestedende dienst niet tijdig zijn verstrekt;

– als inschrijvingen slechts na een bezichtiging ter plaatse mogelijk zijn, of

– wanneer inschrijving alleen mogelijk is nadat de bijlagen bij het beschrijvend document ter plaatse zijn ingezien.

De minimumtermijnen zijn in hoofdlijn niet veranderd ten opzichte van de oude richtlijnen.

Voor de openbare procedure bedraagt de minimumtermijn voor inschrijving 52 dagen. De termijn begint te lopen vanaf de dag van verzending van de aankondiging. Deze termijn kan door aanbestedende diensten die een vooraankondiging als bedoeld in artikel 35, eerste lid, hebben meegedeeld, verkort worden tot 36 dagen, maar mag in geen geval korter zijn dan 22 dagen. Die vooraankondiging dient dan wel minimaal 52 dagen en maximaal 12 maanden voor de verzenddatum van de aankondiging van de overheidsopdracht ter bekendmaking verzonden te zijn.

Wanneer een niet-openbare procedure of de concurrentiegerichte dialoog wordt gevolgd bedraagt de minimumtermijn 37 dagen – vanaf de verzenddatum van de aankondiging – voor het aanmelden als gegadigde en 40 dagen – vanaf de dag waarop de aanbestedende dienst de geselecteerde gegadigden heeft verzocht om inschrijving – voor de inschrijving. De termijn van 40 dagen kan worden verkort.

Wel is nieuw dat de termijnen van 52, 40, 37 en 22 tot 36 dagen verder verkort kunnen worden met 7 dagen wanneer de aankondiging langs elektronische weg is geschied overeenkomstig artikel 38, zevende lid. Voorts kunnen de termijnen van 52 en 40 dagen op grond van artikel 38, achtste lid, met 5 dagen worden verkort indien vanaf de bekendmaking van de aankondiging vrije, rechtstreekse en volledige toegang wordt geboden tot het beschrijvend document en alle aanvullende stukken via elektronische middelen. Cumulatief is bij een elektronische aanbesteding aldus een totale korting van 12 dagen mogelijk op de termijn van 52 en 40 dagen. Voorts kan, gelijk onder de oude richtlijnen het geval was, bij niet-openbare procedures en onderhandelingsprocedures met voorafgaande bekendmaking een versnelde procedure worden gevolgd wanneer het om dringende redenen niet mogelijk is om de minimumtermijnen niet in acht te nemen (artikel 38, elfde lid, onderdelen a en b).

In artikel 39 staan de termijnen vermeld waarbinnen informatie gevraagd mag worden en verstrekt moet worden.

De in artikel 39 van richtlijn nr. 2004/18/EG gestelde vereiste van «tijdig» is in artikel 39, eerste en tweede lid van dit besluit overgenomen. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat wanneer wordt gevraagd om het beschrijvend document en de aanvullende stukken, bedoeld in artikel 39, eerste lid, de aanbestedende dienst in staat zal zijn om die documenten binnen een dag na het verzoek op te sturen. Ten aanzien van de nadere inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, van artikel 39, kan het om een langere termijn gaan. Wat tijdig is, is in dat geval afhankelijk van het aantal inlichtingen dat wordt gevraagd en de complexiteit van die inlichtingen. Als bijvoorbeeld een ondernemer pas een week voor de uiterste inschrijftermijn een groot aantal of een aantal complexe inlichtingen vraagt, dan kan in dat geval de aanbestedende dienst in beginsel niet verweten worden dat hij niet uiterlijk 6 dagen voor de uiterste inschrijfdatum de nadere inlichtingen verstrekt.

Artikel 41

Artikel 41 betreft het informeren van gegadigden en inschrijvers omtrent de keuzes van de aanbestedende dienst. Aan de hand van de uitspraken door het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Gerecht) in de zaken Adia Interim/Commissie (GEA, zaak T-19/95, 1996, blz. II-00321), Strabag (GEA, zaak T-183/00, 2003,blz. II-00135) en Renco (GEA, zaak T-4/01, blz. II-00171) is duidelijk geworden dat een aanbestedende dienst al aan haar motiveringsplicht op grond van deze bepaling voldoet als de dienst zich in eerste instantie ertoe beperkt de betrokkenen onmiddellijk op de hoogte te brengen van de afwijzing van hun inschrijving door een eenvoudige, niet-gemotiveerde mededeling, en later aan de inschrijvers die uitdrukkelijk hierom verzoeken, binnen een termijn van vijftien dagen een gemotiveerde uitleg verstrekt. Wanneer een aanbestedende dienst verzocht wordt om een gemotiveerde uitleg, is – zo blijkt uit voornoemde zaken – voldoende dat de aanbestedende dienst duidelijk vermeldt welke procedure bij de beoordeling van de inschrijvingen is gevolgd, dat de winnaar is uitgekozen omdat dit de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving of de laagste prijs was, en in hoeverre de aanbieding van de informatiezoekende inschrijver voor de in het beschrijvend document genoemde criteria over het geheel genomen beter of slechter gerangschikt was dan de winnende aanbieder. De aanbestedende dienst mag in de nadere uitleg evenwel niet de aanvankelijke motivering vervangen door een volledig nieuwe.

Artikel 42

Dit artikel betreft de keuze die de aanbestedende diensten hebben tussen de verschillende communicatiemiddelen. In de meeste gevallen kunnen aanbestedende diensten kiezen tussen communicatie per post, per fax en via elektronische weg. Voor de uitnodiging tot deelneming komt daar ingevolge artikel 42, dertiende lid, van dit besluit de mogelijkheid van communicatie per telefoon bij. In dat geval moet de aanvraag schriftelijk worden bevestigd.

De procedures voor de gunning van overheidsopdrachten en de regels voor prijsvragen voor diensten vereisen een hoger niveau van veiligheid en vertrouwelijkheid dan het niveau vereist in richtlijn nr. 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13) en richtlijn nr. 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt («Richtlijn inzake elektronische handel») (PbEG L 285). Daarom moeten de middelen voor de elektronische ontvangst van inschrijvingen, verzoeken tot deelneming, alsmede van plannen en ontwerpen, voldoen aan specifieke aanvullende eisen. Deze zijn opgenomen in artikel 42, tiende lid, van dit besluit.

In artikel 42, zesde lid, onderdeel c, van richtlijn nr. 2004/18/EG is de mogelijkheid opgenomen dat aanbestedende diensten van verzoeken tot deelneming die per fax zijn ingediend een bevestiging per post of langs elektronische weg vereisen wanneer dat volgens de nationale wetgeving nodig is om over een wettig bewijs te beschikken. Nu een zodanige eis in de Nederlandse regelgeving niet is gesteld, is deze mogelijkheid niet in dit besluit opgenomen.

Artikel 44

Uit een oogpunt van transparantie, proportionaliteit en non-discriminatie worden in artikel 44 van dit besluit een aantal eisen gesteld aan de aanbestedende dienst. Zo is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat minimumeisen inzake draagkracht en bekwaamheden waaraan gegadigden of inschrijvers moeten voldoen, verband moeten houden met en in verhouding moeten staan tot de overheidsopdracht. Voorts moet de aanbestedende dienst ingevolge het derde lid van dit artikel, wanneer hij een minimumniveau eist ten aanzien van de technische bekwaamheid of de financiële en economische draagkracht van een aannemer, leverancier of dienstverlener dit minimumniveau vooraf in de aankondiging van de overheidsopdracht vermelden.

Bij de niet-openbare procedure, de procedure van gunning door onderhandelingen met voorafgaande bekendmaking van de overheidsopdracht en bij de concurrentiegerichte dialoog kunnen de aanbestedende diensten het aantal gegadigden dat zij willen uitnodigen aan de hand van de selectiecriteria te beperken. In dat geval vermelden zij in het beschrijvend document de selectiecriteria op basis waarvan zij dit doen en het minimumaantal alsmede, in voorkomend geval, het maximum aantal gegadigden dat zij voor de overheidsopdracht zullen uitnodigen. Ingevolge het vijfde lid van artikel 44 geldt bij niet-openbare procedures een minimumaantal van vijf gegadigden. In het arrest Nord Pas-de-Calais (HvJ EG zaak C-255/98, 2000, blz. I-07445) heeft het Hof uitgesproken dat wanneer aanbestedende diensten er in een niet-openbare procedure voor opteren een maximumaantal gegadigden te noemen, het aantal ondernemingen dat een aanbestedende dienst voornemens is uit te nodigen voor een inschrijving in geen geval minder mag bedragen dan vijf. In een procedure van gunning door onderhandeling met bekendmaking geldt een minimumaantal van drie gegadigden dat moet worden uitgenodigd. De normstelling dat het aantal genodigden in ieder geval groot genoeg moet zijn om daadwerkelijke mededinging te waarborgen, ziet op het door de aanbestedende dienst te stellen maximumaantal gegadigden dat zal worden uitgenodigd. Voorts ziet dit op de situatie dat minder gegadigden dan het aangegeven minimum voldoen aan de gestelde vereisten. In dat geval kan de aanbestedende dienst ingevolge het vijfde lid van dit artikel in beginsel verder met de procedure en de gegadigden uitnodigen die wel aan de gestelde vereisten voldoen, tenzij dat een zodanig aantal is dat er geen sprake meer is van daadwerkelijke mededinging. Feitelijk betekent dit dat er tenminste twee gegadigden moeten voldoen aan de gestelde selectie-eisen, omdat er bij slechts één gegadigde geen sprake meer is van mededinging. Voldoet slechts één gegadigde aan de gestelde eisen dan moet de aanbestedende dienst opnieuw een aanbestedingsprocedure starten. Dit kan een openbare of niet-openbare procedure zijn, of een onderhandelingsprocedure wanneer sprake is van de omstandigheden genoemd in artikel 30, eerste lid, of artikel 31, eerste lid, van dit besluit. Het is in geen geval toegestaan, teneinde een daadwerkelijke mededinging te waarborgen, om ondernemers in de procedure te laten deelnemen die niet om deelneming hebben verzocht of die niet de vereiste bekwaamheden bezitten.

Het achtste lid van artikel 44 bepaalt dat bij procedures die in fases verlopen teneinde het aantal oplossingen (bij de concurrentiegerichte dialoog) of inschrijvingen waarover onderhandeld moet worden (bij de onderhandelingsprocedure met bekendmaking) te verminderen, deze vermindering moet plaatsvinden aan de hand van de eerder in het beschrijvende document bekendgemaakte gunningscriteria. Ook in de slotfase van deze procedures moet dit aantal zodanig zijn dat de daadwerkelijke mededinging kan worden gegarandeerd.

Artikelen 45 en 46

In artikel 45 zijn de gronden opgenomen op grond waarvan een gegadigde of inschrijver uitgesloten kan of moet worden van een aanbesteding. In het eerste lid van dit artikel staan de dwingende uitsluitingsgronden. De aanbestedende dienst die kennis heeft van een overeenkomstig het nationale recht uitgesproken onherroepelijk vonnis ten aanzien van één van de in dit lid genoemde strafbare feiten is in beginsel verplicht om de betreffende gegadigde of inschrijver uit te sluiten van de aanbesteding. Hiervan kan slechts worden afgezien wanneer dat om dwingende redenen van algemeen belang noodzakelijk is.

De in het derde lid van artikel 45 opgenomen uitsluitingsgronden betreffen in tegenstelling tot het eerste lid niet de verplichting om uit te sluiten, maar de mogelijkheid om een ondernemer op bepaalde gronden uit te sluiten. Artikel 45 bevat niet de verplichting voor de aanbestedende dienst om onderzoek te doen naar de omstandigheden van de inschrijver of gegadigde en het al dan niet bestaan van uitsluitingsgronden. Voor de aanbestedende diensten van het Rijk geldt op grond van de Beleidsregels integriteit en uitsluiten bij aanbestedingen in BIBOB-sectoren (Stcrt. 2004, nr. 40, p.15) wel een plicht om onderzoek te doen naar de integriteit van gegadigden of inschrijvers, namelijk waar het gaat om het verstrekken van overheidsopdrachten boven de drempelwaarden (zie artikel 7 van dit besluit) in de sectoren bouw, milieu en informatie- en communicatietechnologie.

De beoordeling of daadwerkelijk tot uitsluiting wordt overgegaan en voor hoe lang die uitsluiting geldt, dient gelet op de algemene uitgangspunten van de aanbestedingsrichtlijnen steeds proportioneel en niet-discriminatoir te zijn. Proportioneel houdt in dat de uitsluiting en de duur van die uitsluiting in verhouding moeten staan tot de ernst van de onregelmatige gedraging. Ook moeten de uitsluiting en de duur daarvan in verhouding staan tot de omvang van de overheidsopdracht. Het vaststellen van een absolute termijn waarbinnen een bedrijf dat onregelmatig heeft gehandeld op voorhand moet worden uitgesloten van iedere aanbestedingsprocedure van de rijksoverheid, verhoudt zich aldus niet met het proportionaliteitsvereiste. Dit betekent ook dat er steeds sprake is van maatwerk, omdat elke aanbestedende dienst per opdracht moet nagaan of hij in het concrete geval (afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht, de aard en omvang van de fraude en wat voor maatregelen het bedrijf inmiddels genomen heeft) een bedrijf moet uitsluiten. Wel is het mogelijk om een bepaalde bandbreedte te geven. In voornoemde beleidsregels is er voor gekozen om de aanbestedende diensten van het Rijk steeds per aanbestedingsprocedure te laten bepalen of een bedrijf moet worden uitgesloten van die aanbestedingsprocedure. Er is afgezien van uitsluiting voor een bepaalde termijn. Reden hiervoor is dat het onder meer vanuit economisch perspectief bezien niet wenselijk wordt geacht om bedrijven voor een langere termijn uit te sluiten, met name wanneer deze bedrijven inmiddels maatregelen hebben getroffen om onregelmatig handelen in de toekomst te voorkomen. Ten aanzien van het eerste lid van dit artikel kunnen bovenstaande uitgangspunten er toe leiden dat de aanbestedende dienst om dwingende redenen van algemeen belang niet overgaat tot het uitsluiten van bijvoorbeeld een onderneming die ooit veroordeeld is wegens omkoping, maar in de jaren volgend op die veroordeling aantoonbaar maatregelen heeft genomen om herhaling van strafbare of anderszins onregelmatige gedragingen door werknemers of door de onderneming te voorkomen en voorts op die ene veroordeling geen andere veroordelingen zijn gevolgd.

De in artikel 45, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG genoemde gedragingen zijn strafbaar gesteld in de in artikel 45, eerste lid, van dit besluit genoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht, zodat in dit besluit volstaan kan worden met een verwijzing naar die artikelen. De artikelen verwijzen respectievelijk naar deelneming aan een criminele organisatie (artikel 140 WvSr), omkoping van ambtenaren (artikelen 177 en 177a WvSr), valsheid in geschifte, valse opgave in authentieke akte en verstrekking onjuiste gegevens (artikelen 225, 227, 227a en 227b WvSr), valselijk aanwenden van een subsidie van de EG (artikel 323a WvSr), steekpenningen (artikel 328ter, tweede lid, WvSr), heling (artikelen 416, 417, 417bis WvSr) en witwassen (artikelen 420bis, 420ter of 420quater WvSr).

De in artikel 45, tweede lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG genoemde omstandigheden zijn rechtstreeks overgenomen in artikel 45, derde lid, van dit besluit. Voor zover het gaat om de omstandigheden genoemd in artikel 45, derde lid, onderdelen a, b, e of f, van dit besluit behoeven deze geen nadere invulling of toelichting. De omstandigheden genoemd in artikel 45, derde lid, onderdelen c en d, behoeven echter wel nadere invulling door de aanbestedende dienst. Voor de aanbestedende diensten van het Rijk is dit reeds gedaan door in voornoemde beleidsregels een nadere invulling te geven aan de genoemde uitsluitingsgronden. In deze beleidsregels is onder meer bepaald dat het door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) opgelegd hebben gekregen van een boete of last onder dwangsom in de zin van artikel 56, eerste lid, van de Mededingingswet, wordt aangemerkt als het begaan hebben van een ernstige fout in de uitoefening van zijn beroep (artikel 45, derde lid, onderdeel d). Andere aanbestedende diensten kunnen deze beleidsregels van toepassing verklaren of zelf beleidsregels opstellen. Zodra meer ervaring is opgedaan met de toepassing van de beleidsregels zal worden onderzocht in hoeverre het mogelijk is om een nadere wettelijke regeling voor alle aanbestedende diensten te treffen.

Aanbestedende diensten kunnen van een inschrijver of gegadigde verlangen dat hij met behulp van documenten aantoont dat hij niet verkeert in één van de omstandigheden genoemd in de uitsluitingsgronden genoemd in het eerste en tweede lid van artikel 45 (zie het derde lid van dit artikel). Elke lidstaat dient (evenals onder de oude richtlijnen reeds het geval was) op grond van artikel 45, derde lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG de instanties aan te wijzen die bevoegd zijn tot afgifte van de documenten om aan te tonen dat geen van de uitsluitingsgronden genoemd in het eerste lid, of het tweede lid, onderdelen a tot en met c, e, en f, van toepassing is. Die aanwijzing wordt gedaan in artikel 46, eerste tot en met vierde lid, van dit besluit. Een aanbestedende dienst dient de bewijsstukken, bedoeld in artikel 46, eerste, tweede, derde lid, onderdelen a tot en met f, en vierde lid, uiteraard te aanvaarden als voldoende bewijs dat de aannemer, leverancier of dienstverlener niet verkeert in de omstandigheden, bedoeld in artikel 45, eerste en derde lid. In de praktijk zal het met name gaan om onregelmatig handelen door een natuurlijk persoon in dienst van (en handelend namens) een onderneming, dat wordt toegerekend aan die onderneming en vervolgens leidt tot uitsluiting van die onderneming. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een leidinggevende die met het oog op het verkrijgen van een overheidsopdracht een ambtenaar heeft omgekocht. Eenzelfde functionele toerekening van frauduleuze handelingen zal plaatsvinden wanneer de gegadigde of inschrijver uit meerdere deelnemers bestaat, er sprake is van moeder- of dochterbedrijven, van rechtsopvolging (fusie, splitsing, e.d.), of van nevenaanneming. Voor moeder- en dochterbedrijven die zoals in de uitspraak van het Hof inzake Ballast Nedam Groep I en II (zaak C-389/92, 1994, blz. I-1289, en zaak C-5/97, 1997, blz. I-7549) aangeven voor de uitvoering van een opdracht de beschikking te hebben over het benodigde materieel of personeel, etc. van de ander geldt dat in dat geval de integriteit van die ander in aanmerking kan worden genomen bij de toetsing van de integriteit van de gegadigde of inschrijver. Zie voorts in dezelfde zin de uitspraak van het Hof inzake Holst Italia SpA (HvJ EG, zaak C-176/98,1998, blz. I-08607). Daar staat tegenover dat een gegadigde of inschrijver niet automatisch kan worden uitgesloten wanneer zijn moederbedrijf fraude heeft gepleegd. Met name zal dit niet mogelijk zijn, indien de gegadigde of inschrijver aangeeft volledig (o.a. financieel) onafhankelijk te zijn van het moederbedrijf en het moederbedrijf geen enkele invloed kan uitoefenen op de uitvoering van de overeenkomst door de gegadigde of inschrijver. Voorts moet bedacht worden dat het veelal niet mogelijk zal zijn om een onderneming die zelf geen fraude heeft gepleegd, maar een gedeelte van de uitvoering van de overheidsopdracht in onderaanneming wil uitgeven aan een bedrijf dat fraude heeft gepleegd, op grond van fraude uit te sluiten van een aanbesteding. Wel is het mogelijk dat de aanbestedende dienst in zijn aanbestedingsstukken of in de overeenkomst (wanneer bij het sluiten van die overeenkomst de onderaannemer nog niet bekend is) het recht voorbehoudt om een onderaannemer niet te accepteren.

Als bewijs dat de uitsluitingsgronden in het eerste lid en het tweede lid, onderdeel c, niet op hem van toepassing zijn, kan de gegadigde of inschrijver een verklaring omtrent het gedrag indienen. Deze verklaring omtrent het gedrag ten aanzien van een natuurlijke of rechtspersoon (hierna: verklaring omtrent het gedrag) kan op grond van artikel 30 van de Wet op de Justitiële documentatie via de gemeente of de minister van Justitie worden aangevraagd bij het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: COVOG). Het onderzoek in het kader van een aanvraag om een verklaring omtrent het gedrag wordt gedaan aan de hand van door COVOG opgestelde profielen. Zo heeft het COVOG aparte profielen opgesteld voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag voor aanbestedingsprocedures voor leveringen, voor diensten en voor werken. Gelet op de wettelijke taak die het COVOG opgedragen krijgt, dient dit orgaan een vergaand onderzoek te verrichten naar het strafrechtelijk verleden van een natuurlijke of rechtspersoon, hetgeen verder kan gaan dan de door de aanbestedende diensten opgestelde invulling van de gronden onder c en d. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de aanbestedende diensten van het Rijk, doordat de profielen van COVOG meer strafrechtelijke feiten en handelingen bevatten dan de artikelen 5 en 6 van de voornoemde beleidsregels. Voorts bestrijkt het onderzoek dat COVOG in het kader van de verklaring omtrent het gedrag verricht zowel strafrechtelijke veroordelingen als transacties, sepots en lopende zaken. Dat betekent dat een aanbestedende dienst van het Rijk een aanbieder die geen verklaring omtrent het gedrag krijgt niet zonder meer kan uitsluiten van de aanbesteding. De reden dat de verklaring omtrent het gedrag wordt geweigerd kan immers een frauduleuze gedraging zijn die niet is opgenoemd in de artikelen 5 en 6 van de voornoemde beleidsregels, of een andere grond hebben dan een strafrechtelijke veroordeling. In dat laatste geval kan uitsluiting op grond van artikel 45, tweede lid, onderdeel c, niet plaatsvinden. Deze c-grond vereist immers dat er sprake is van een strafrechtelijke veroordeling. Uit de beschikking van COVOG blijkt waarom de verklaring omtrent het gedrag wordt geweigerd en of uitsluiting op grond van artikel 45, tweede lid, onderdelen c of d, wenselijk en mogelijk is. Een aanbestedende dienst van het Rijk moet daarom in het geval de aanbieder geen verklaring omtrent het gedrag kan laten zien die aanbieder in de gelegenheid stellen om de beschikking van het COVOG te overleggen. Indien de aanbieder overigens weigert om de beschikking te overleggen kan de aanbestedende dienst die in zijn beschrijvend document het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag verplicht heeft gesteld, die aanbieder uitsluiten op de enkele grond dat niet alle verklaringen zijn overlegd.

Een verklaring dat geen sprake is van faillissement of surseance van betaling, respectievelijk van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling kan ingevolge artikel 46, eerste lid, van dit besluit worden opgevraagd bij de griffier van de rechtbank die op grond van artikel 2 van de Faillissementwet bevoegd is tot het uitspreken van de faillietverklaring of tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De griffier houdt het register bij en is verplicht aan een ieder kosteloos inzage te verlenen en tegen betaling een uitreksel te verstrekken (artikelen 19 en 294 van de Faillissementswet). Voor het verkrijgen van een verklaring bedoeld in artikel 46, tweede lid, kan de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) (Stcrt. 2004, nr. 223) worden geraadpleegd.

Voor wat betreft artikel 46, derde lid, wordt in het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 en in de Leidraad Invordering 1990 in een regeling voorzien met betrekking tot de informatieverstrekking door de belastinginspecteur (de ontvanger).

In paragraaf 4.3 van het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 wordt bepaalt dat op verzoek van een belastingplichtige een schriftelijke verklaring, inhoudende dat een belastingplichtige geen belastingschuld (meer) heeft, kan worden afgegeven aan die belastingplichtige (voor zover daarvan daadwerkelijk sprake is). Ook kan, als dat in overeenstemming is met de werkelijkheid, op verzoek een schriftelijke verklaring aan de belastingplichtige worden afgegeven waaruit blijkt dat in het verleden voor wat betreft de invordering zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan. Op die verklaringen wordt aangegeven dat het een weergave is van de situatie op dat moment. In de Leidraad Invordering 1990, paragraaf 1, punt 17, wordt bepaalt dat in de gevallen dat een belastingschuldige of zijn gemachtigde, om andere redenen dan in verband met artikel 35 van de wet, verzoekt om een verklaring dat op dat moment ten name van hem noch belastingaanslagen openstaan noch andere vorderingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen en/of verzoekt om een verklaring waaruit blijkt dat zich in het verleden voor wat betreft de invordering geen moeilijkheden hebben voorgedaan (bijvoorbeeld een verzoek dat is gebaseerd op Richtlijn 93/36 EEG van de Raad van 14 juni 1993, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen), de ontvanger aan een zodanig verzoek tegemoet komt, tenzij uiteraard een dergelijke verklaring in strijd zou zijn met de werkelijkheid. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.

Opgemerkt dient te worden dat de Belastingdienst de inning van de premies werknemersverzekeringen per 1 januari 2006 overneemt van het UWV. Artikel 46, derde lid, regelt derhalve de situatie per 1 januari 2006. Zie in dit verband artikel 79 waarin de situatie tot 1 januari 2006 is geregeld. Het afgeven van de verklaring is geen beschikking in de zin van de Awb. Het niet afgeven van zo’n verklaring is wel een beschikking. Bij de bekendmaking er van zal worden vermeld waarom niet tot verstrekking kan worden overgegaan.

Indien geen verklaring of getuigschrift wordt afgegeven door het betrokken land, kan dit worden vervangen door een verklaring onder ede die door betrokkene is afgelegd ten overstaan van een bevoegde gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst (artikel 46, vijfde lid). Hoewel in de laatste alinea van artikel 45, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG is vermeld dat aanbestedende diensten de bevoegde autoriteiten kunnen vragen om inlichtingen over de persoonlijke situatie van die gegadigden of inschrijvers, ook wanneer die in een andere lidstaat dan de aanbestedende dienst is gevestigd, is dit in de praktijk niet mogelijk. Zowel in Nederland als in de andere lidstaten van de Europese Unie is om redenen van privacy de toegang tot strafregisters, belastinggegevens, etc. veelal niet toegankelijk voor aanbestedende diensten. In Nederland kan een aanbestedende dienst niet zelf de strafregisters, de belastinggegeven, etc, raadplegen. Enkel middels een aanvraag bij het Bureau Bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (hierna: Bureau) dat is ingesteld bij de Wet Bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (hierna: Wet BIBOB) kan de aanbestedende dienst de integriteit van een bedrijf nader onderzoeken dan mogelijk is middels het laten overleggen van bovenvermelde verklaringen. Dit Bureau kan open en gesloten registers raadplegen. Het onderzoek dat het Bureau uitvoert, omvat meer dan het onderzoek dat het COVOG uitvoert. Vooralsnog kan een advies alleen door bepaalde aanbestedende diensten gevraagd worden en enkel voor overheidsopdrachten aan ondernemingen in de sectoren bouw, milieu en informatie- en communicatietechnologie aangevraagd worden. Ook kan het Bureau gemakkelijker en op veel kortere termijn onderzoek doen naar bedrijven die gevestigd zijn in Nederland dan naar bedrijven die in een andere lidstaat zijn gevestigd. De mate waarin door buitenlandse instanties informatie wordt verstrekt zal steeds afhankelijk zijn van de nationale wetgeving van het bewuste land en van eventueel gesloten verdragen hieromtrent.

Artikel 48

In artikel 48, tweede lid, is bepaald dat een inschrijver of gegadigde zich voor een bepaalde overheidsopdracht kan beroepen op de draagkracht van anderen. Een voorwaarde hierbij is dat de inschrijver of gegadigde kan aantonen dat hij daadwerkelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van die overheidsopdracht noodzakelijke middelen van die ander, bijvoorbeeld door overlegging van een overeenkomst.

Artikel 49

Bij de selectie van gegadigden of inschrijvers mag op basis van het criterium technische bekwaamheid en kennis gevraagd worden om specifieke vakkundigheid op sociaal terrein, zoals specifieke ervaring met het beheer van een crèche of met opleidingen voor langdurig werklozen. De selectie-eisen moeten steeds direct verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht. Het is aldus mogelijk om een milieubeheersysteem te eisen indien dat systeem van invloed is op de kwaliteit van de levering of het vermogen van de onderneming om een overheidsopdracht met milieueisen uit te voeren. Zoals is aangegeven in het rapport Toekomstperspectief bouwsector, Visie van de ministers van Economische Zaken, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat, totstandgekomen met ondersteuning van de Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, Den Haag, 25 november 2003 (op te vragen bij het Ministerie van Economische Zaken en te vinden op http://www.regieraadbouw.nl) dient met name in het kader van bouwopdrachten een selectiecriterium als «ervaring met vergelijkbare projecten» ruimer te worden geïnterpreteerd dan voorheen het geval was. Ook krijgen de projecten zodanig vorm dat er optimaal gebruik wordt gemaakt van het aanbod.

Evenals ten aanzien van de draagkracht is geregeld in artikel 48, kan een ondernemer zich onder bepaalde omstandigheden beroepen op de bekwaamheid van andere natuurlijke personen of rechtspersonen, bijvoorbeeld door overlegging van de verbintenis van deze natuurlijke personen of rechtspersonen om de ondernemer de nodige middelen ter beschikking te stellen.

Artikel 53

De lidstaten kunnen ingevolge artikel 52, eerste lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 2004/18/EG officiële lijsten van erkende ondernemingen en certificering door publiekrechtelijke of privaaatrechtelijke certificeringsinstellingen instellen. Van deze mogelijkheid wordt vooralsnog geen gebruik gemaakt Zoals reeds in paragraaf 3 van het algemeen deel van de nota van toelichting is aangegeven, wordt van deze mogelijkheid vooralsnog geen gebruik gemaakt. In een aantal andere lidstaten wordt al wel gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Artikel 53 van dit besluit geeft daarom aan hoe een aanbestedende dienst in Nederland moet omgaan met ondernemers uit andere lidstaten die zijn opgenomen op een officiële lijst of in bezit zijn van een certificaat.

Artikel 54

De aanbestedende dienst kan kiezen tussen twee gunningscriteria, namelijk de laagste prijs of de economisch meest voordelige inschrijving, tenzij de aanbestedende dienst gebruik maakt van de concurrentiegerichte dialoog. In dat geval mag gunning alleen plaatsvinden op basis van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (artikel 29, tweede lid). Dit criterium kan verschillende subcriteria bevatten, waarvan een aantal voorbeelden worden genoemd in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 2004/18/EG, namelijk de kwaliteit, de prijs, de technische waarde, de esthetische en functionele kenmerken, de milieukenmerken, de gebruikskosten, de rentabiliteit, de klantenservice en de technische bijstand, de datum en de termijn voor levering of uitvoering. Nieuw in deze rij voorbeelden is de vermelding van milieukenmerken. Over de mogelijkheid om milieucriteria als gunningscriterium te gebruiken is enige tijd discussie geweest tussen de Commissie en een aantal lidstaten. Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof inzake Concordia Bus Finland (HvJ EG, zaak C-513/99, 2002,blz. I-07213) is duidelijk geworden dat onder het gunningscriterium economisch meest voordelige inschrijving ook milieucriteria opgenomen kunnen worden. Het Hof heeft bepaald dat dit mogelijk is, voor zover deze criteria verband houden met het voorwerp van de overheidsopdracht, de aanbestedende dienst geen onvoorwaardelijke keuzevrijheid geven, uitdrukkelijk vermeld zijn in het beschrijvend document of in de aankondiging van de overheidsopdracht en alle fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, met name het discriminatieverbod, eerbiedigen. Uit de in de toelichting op artikel 23 genoemde interpretatieve mededelingen van de Commissie bleek reeds dat gunningscriteria ook sociale criteria kunnen omvatten. De Commissie stelt in haar mededeling de eis dat de sociale criteria een economisch voordeel moeten opleveren dat direct gerelateerd is aan het product of de geleverde dienst. In voornoemde uitspraak, die van latere datum is dan voornoemde interpretatieve mededeling, stelt het Hof deze eis echter niet. Het Hof stelt zelfs expliciet dat de door de aanbestedende dienst gehanteerde criteria ter bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving niet noodzakelijk van zuiver economische aard hoeft te zijn, «daar immers niet kan worden uitgesloten dat niet zuiver economische factoren van invloed kunnen zijn op de waarde van een aanbieding voor die aanbestedende dienst». In vervolg op deze uitspraak heeft het Gerecht inzake Renco Spa (HvJ EG, zaak T4-/01, 2003, blz. II-00171) geoordeeld dat niet elk criterium ter bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving noodzakelijkerwijs kwantitatief moet zijn, dan wel uitsluitend gericht moet zijn op de prijzen of de tarieven van het beschrijvend document. Wel stelt het Gerecht daarbij als voorwaarde dat de criteria op objectieve en uniforme wijze kunnen worden toegepast om aanbiedingen te vergelijken en voorts duidelijk relevant moeten zijn om de economisch meest voordelige inschrijving te selecteren. Van dit laatste is volgens het Gerecht in ieder geval sprake indien de criteria de ervaring en de technische bekwaamheid van een inschrijver en zijn team betreffen.

Uit de uitspraken van het Hof in de zaken SIAC (HvJ EG, zaak C-19/00, 2001, blz. I07725) en Succhi di Frutta (HvJ EG, zaak C-496/99 P, n.n.g.) vloeit nog voort dat de gunningscriteria zodanig geformuleerd moeten zijn dat normaal zorgvuldige inschrijvers in staat zijn deze criteria op dezelfde wijze te interpreteren, en voorts dat de aanbestedende dienst de gunningscriteria gedurende de gehele aanbestedingsprocedure op dezelfde wijze moet toepassen.

Artikel 54, tweede lid, van dit besluit bepaalt dat de aanbestedende dienst steeds het relatieve gewicht moet vermelden dat hij toekent aan de (sub)gunningscriteria. Alleen wanneer het om een aantoonbare reden niet mogelijk is om het relatieve gewicht te specificeren, mag de aanbestedende dienst op grond van artikel 54, derde lid, van dit besluit erin volstaan om de criteria in dalende volgorde van belangrijkheid te vermelden.

Artikel 55

Ingevolge de uitspraken van het Hof inzake Alcatel (HvJ EG, zaak C-81/98, 1999, blz. I-7671) en Commissie/Oostenrijk (HvJ EG, 24 juni 2004, zaak C-212/02, n.n.g.) is het noodzakelijk gebleken om in artikel 55 een voorziening te treffen ter implementatie van de rechtsbeschermingsrichtlijnen (richtlijn nr. 89/665/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, PbEG L 395, en richtlijn nr. 92/13/EEG van de Raad van de Europese Unie van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, PbEG L 76 ). In deze uitspraken heeft het Hof namelijk geoordeeld dat de bepalingen van de rechtsmiddelenrichtlijnen «aldus moeten worden uitgelegd, dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat tegen het aan het sluiten van de overeenkomst voorafgaande besluit waarbij de aanbestedende dienst kiest met welke inschrijver hij de overeenkomst wil sluiten, in elk geval beroep kan worden ingesteld waarin de verzoeker de nietigverklaring van dit besluit kan vorderen (…), los van de mogelijkheid om na het sluiten van de overeenkomst schadevergoeding te verkrijgen».

Een volledige rechtsbescherming houdt volgens het Hof niet alleen in dat inschrijvers in kennis worden gesteld van de gunningsbeslissing (zie r.o. 21 van zaak C-212/02), maar tevens dat er een gunningsbesluit bestaat dat onderscheiden is van het sluiten van de overeenkomst, en dat in rechte kan worden bestreden. Voorts dient er een redelijke termijn te verlopen tussen de mededeling van de gunningsbeslissing aan de afgewezen inschrijvers en het sluiten van de overeenkomst, zodat zij «om voorlopige maatregelen kunnen verzoeken totdat de overeenkomst is gesloten» (zie r.o. 23 van zaak C-212/02). Als gevolg van de uitspraken van het Hof inzake Commissie/Frankrijk (HvJ EG, zaak C-152/00, 2002, blz. I-6973) en Commissie/Nederland (HvJ EG, zaak C-339/87, 1990 blz. I-851) is het voor nakoming van voornoemde uitspraken Alcatel en Commissie/Oostenrijk noodzakelijk om expliciet invulling te geven aan deze eisen. Hiertoe dient artikel 55 van dit besluit.

In artikel 55 wordt ten eerste bepaald dat de mededeling van de gunningsbeslissing geen aanvaarding inhoudt als bedoeld in artikel 6:217, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (artikel 55, eerste lid). Aldus wordt voorkomen dat deze mededeling als aanvaarding van een aanbod van een aannemer, leverancier of dienstverlener kan worden aangemerkt. Dit is van belang gelet op het uitgangspunt in artikel 6:217, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat een overeenkomst in beginsel ontstaat door aanbod en aanvaarding.

Ten tweede wordt in dit artikel bepaald dat een aanbestedende dienst geen overeenkomst mag aangaan op basis van een gunningsbeslissing voordat 15 dagen zijn verstreken na de mededeling van de gunningsbeslissing (artikel 55, tweede lid). Gedurende die periode van 15 dagen is het aanbestedende diensten als gevolg van dit besluit niet toegestaan om een raamovereenkomst te sluiten of een overheidsopdracht te gunnen. Aldus worden aanbestedende diensten verplicht om een standstill-termijn van ten minste 15 dagen in acht te nemen waarbinnen de aanbestedende dienst niet een overeenkomst mag sluiten of tot stand mag doen komen.

Ten derde wordt in artikel 55 bepaald dat de mededeling van de gunningsbeslissing ten minste de gronden van die gunningsbeslissing moet bevatten. Dit is noodzakelijk om te waarborgen dat ondernemers die een rechtsmiddel willen aanwenden tegen de gunningsbeslissing daadwerkelijk 15 dagen de tijd hebben om dit rechtsmiddel aan te wenden, en bijvoorbeeld niet een gedeelte van deze termijn kwijt zijn aan het achterhalen van de gronden van de gunningsbeslissing. Zonder de motivering van de gunningsbeslissing is het immers feitelijk niet mogelijk voor een ondernemer om een rechtsmiddel aan te wenden.

Met artikel 55, eerste lid, wordt voorzien in de door het Hof gestelde eis dat een gunningsbeslissing een onderscheidende handeling is ten opzicht van de totstandkoming of sluiting van een overeenkomst tussen de aanbestedende dienst en een aanbieder. Dit gunningsbesluit kan (zoals het Hof vereist) in rechte worden bestreden, aangezien op ieder moment van een aanbestedingsprocedure aanbieders een actie uit onrechtmatige daad of een beroep op toerekenbare tekortkoming (bij de civiele rechter of de Raad van Arbitrage) kunnen instellen tegen handelingen van de aanbestedende dienst in het kader van een aanbestedingsprocedure. Overigens moet worden bedacht dat een gunningsbeslissing, voor zover deze genomen is door een aanbestedende dienst die tevens bestuursorgaan is, niet een besluit is waartegen beroep op de bestuursrechter kan worden ingesteld. Het betreft hier namelijk een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling (artikel 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht).

De termijn van 15 dagen wordt niet genoemd door het Hof in voornoemde jurisprudentie. Deze termijn wordt voldoende geacht om te beoordelen of de regels van dit besluit zijn nageleefd en om een voorziening te vragen bij de rechter of Raad van Arbitrage. Een langere periode zou voorts onevenredig zijn gelet op de belangen van de aanbestedende dienst en de beoogde opdrachtnemer bij het sluiten en uitvoeren van de overeenkomst. Feitelijk is voor hen reeds sprake van een langere standstilltermijn, omdat een aanbestedende dienst in beginsel eerst na de termijn van 15 dagen zal kunnen beoordelen of de argumenten van een klagende aannemer, leverancier of aannemer voor de aanbestedende dienst reden vormen om nog langer af te zien van de overeenkomst met de beoogde opdrachtnemer. Voorts kan in deze periode van 15 dagen middels een voorlopige voorzieningenprocedure worden bereikt dat de aanbestedende dienst na afloop van deze 15 dagen de overeenkomst gedurende een nadere termijn niet mag sluiten.

Vergelijking met andere lidstaten wijst eveneens uit dat 15 dagen een redelijke termijn is. Zo heeft Oostenrijk een standstilltermijn van in beginsel 14 dagen ingevoerd, die kan worden bekort tot 7 of tot 3 dagen. De termijn kan worden bekort tot 7 dagen indien er bijvoorbeeld sprake is van dwingende spoed of een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. Indien een elektronische veiling wordt toegepast kan de termijn van 14 dagen tot 3 dagen worden teruggebracht. Ook Duitsland heeft gekozen voor een standstilltermijn van 14 dagen. Tenslotte heeft de Commissie aangegeven een termijn van 15 dagen in beginsel voldoende te vinden.

Teneinde te voorkomen dat ook in geval van onvoorziene situaties waarin direct handelen noodzakelijk is, zoals natuurrampen, epidemiën of aanslagen, de periode van 15 dagen in acht genomen moet worden is in het tweede lid van dit artikel een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. In feite gaat het hier om gevallen in de zin van artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn nr. 2004/18/EG en artikel 40, derde lid, onderdeel d, van richtlijn nr. 2004/17/EG (gevallen waarin de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande aankondiging gevolgd kan worden). Uit de jurisprudentie van het Hof ter zake van deze uitzondering blijkt dat aan drie voorwaarden moet worden voldaan, wil het Hof een beroep op deze uitzonderingsmogelijkheid honoreren. Ten eerste moet sprake zijn van onvoorziene omstandigheden. Ten tweede moet de spoed zodanig dwingend zijn dat de termijnen van de (niet-)openbare procedure of de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking niet gevolgd kan worden. Ten slotte moet er causaal verband bestaan tussen de onvoorziene omstandigheden en de dwingende spoed.

Artikel 57

Artikel 57 heeft betrekking op een elektronische veiling. Een elektronische veiling is in artikel 1, onderdeel p, van dit besluit gedefinieerd als een zich herhalend elektronisch proces voor de presentatie van nieuwe, verlaagde prijzen of van nieuwe waarden voor bepaalde elementen van de inschrijvingen. Voorafgaand aan de elektronische veiling vindt een volledige beoordeling van de inschrijvingen plaats aan de hand van de gunningscriteria. Hierdoor is klassering van de inschrijvingen op elektronische wijze mogelijk.

Bij elektronisch veilen is het van groot belang dat vanuit het oogpunt van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie de specificaties van overheidsopdrachten nauwkeurig en kwantificeerbaar kunnen worden vastgesteld. Hieruit volgt dat de elektronische veiling niet mag worden toegepast op die elementen van de inschrijving waarvoor een beoordeling van elementen nodig is die slecht of niet gespecificeerd of gekwantificeerd kunnen worden (zie artikel 57, eerste lid). Dit betekent onder meer dat de elektronische veiling niet gebruikt mag worden voor overheidsopdrachten voor werken of diensten die betrekking hebben op intellectuele verrichtingen, zoals ontwerpen voor werken.

De aanbestedende dienst kan van inschrijvers in een elektronische veiling vragen nieuwe en lagere prijsoffertes in te dienen. Als gegund wordt op basis van economisch meest voordelige inschrijving kunnen ook andere onderdelen van de inschrijving dan prijs worden verbeterd. Uit een oogpunt van transparantie dient voorts gedurende de elektronische veiling op elk moment de rangorde van de inschrijvingen bepaald te kunnen worden. De aanbestedende dienst kan ook andere informatie meedelen indien dat in het beschrijvend document is vermeld, zoals het aantal inschrijvers dat deelneemt, of ingediende prijzen of waarden. Ingevolge het zestiende lid van artikel 57 is het echter niet toegestaan om gedurende de elektronische veiling de identiteit van de inschrijvers bekend te maken.

Artikelen 58 tot en met 66

De regeling rondom het verlenen van concessies voor werken voor overheidsopdrachten boven de Europese drempelbedragen is in grote lijnen onveranderd gebleven. De definitie voor de concessie-overeenkomst voor openbare werken is vrijwel gelijk aan de definitie voor een overheidsopdracht voor werken. Zoals aangegeven in artikel 1, onderdeel l, van dit besluit is het verschil met de gewone overheidsopdracht voor werken dat de tegenprestatie voor de uitvoering van werk niet bestaat uit een betaling van de aanbestedende dienst aan de aannemer maar uit het verlenen van een uitsluitend recht aan de aannemer om het resultaat van de bouwwerkzaamheden te exploiteren of door het betalen van een bepaald bedrag gekoppeld aan een exploitatierecht. Indien de aanbestedende dienst de concessiehouder regelmatig vergoedingen geeft voor de uitvoering van het werk of de exploitatie ervan die voor een belangrijk deel het exploitatierisico wegnemen dan is er geen sprake meer van een concessieovereenkomst omdat het exploitatierisico bij de concessiehouder moet liggen.

De artikelen 58 tot en met 63 betreffen het verlenen van de concessie voor openbare werken en houden voor de aanbestedende dienst slechts drie verplichtingen in. Ten eerste is de aanbestedende dienst op grond van artikel 60 van dit besluit verplicht om een voornemen voor het verlenen van een concessie voor openbare werken te publiceren. Ten tweede dient hij de inschrijvingstermijn van 52 dagen in acht te nemen (artikel 61). Ten derde moet de aanbestedende dienst waarborgen dat de concessiehouder die zelf geen aanbestedende dienst is de artikelen 64 tot en met 66 naleeft. De aanbestedende dienst is aldus vrij in zijn keuze van de meest geschikte procedure voor de verlening van de concessies voor openbare werken. Wel is de aanbestedende dienst gebonden aan de algemene beginselen van het Verdrag zoals non-discriminatie, en de door het Hof ontwikkelde beginselen van gelijke behandeling, transparantie, wederzijdse erkenning en proportionaliteit. Deze uitgangspunten voor een concessieverlening, zowel boven als onder de drempelbedragen, bedoeld in artikel 7, zijn neergelegd in de mededeling van de Commissie over concessies. In artikel 58 zijn, net als in artikelen 7, 8 en 64 van dit besluit, de drempelbedragen niet opgenomen. In plaats daarvan wordt dynamisch verwezen naar de drempelwaarden in richtlijn nr. 2004/18/EG.

De in de artikelen 60 en 61 opgenomen verplichtingen gelden niet voor concessieovereenkomsten die ingevolge artikel 59 van dit besluit zijn uitgesloten (telecommunicatiediensten, geheime opdrachten en volgens internationale voorschriften gegunde overheidsopdrachten en opdrachten waarop het Besluit aanbestedingen speciale sectoren van toepassing is). Dit besluit is ingevolge artikel 63 van dit besluit voorts niet van toepassing op de gunning van aanvullende werken aan de concessiehouder ingeval van aanvullende werken die niet in het aanvankelijke ontwerp van de concessie waren voorzien en die als gevolg van onvoorziene omstandigheden noodzakelijk zijn geworden. Deze bepaling is gelijkluidend aan de regeling van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking bij overheidsopdrachten voor werken.

Evenals voorheen kan de aanbestedende dienst ingevolge artikel 62 van dit besluit de houder van een concessie voor openbare werken verplichten tenminste 30 procent van de totale waarde van de werken aan derden uit te besteden of hij kan de gegadigden of inschrijvers voor de concessie verzoeken zelf aan te geven welk percentage deze aan derden denkt uit te besteden.

De artikelen 62 tot en met 65 van richtlijn nr. 2004/18/EG betreffend het gunnen van overheidsopdrachten voor werken door concessiehouders die geen aanbestedende dienst zijn. Artikel 62 van richtlijn nr. 2004/18/EG bepaalt dat een concessiehouder die tevens aanbestedende dienst is in de zin van artikel 1, negende lid, van die richtlijn de bepalingen van die richtlijn ten aanzien van overheidsopdrachten voor werken in acht moet nemen. Deze bepaling is overbodig, omdat een aanbestedende dienst reeds op grond van artikel 7 van richtlijn nr. 2004/18/EG verplicht is om zich aan de bepalingen van deze richtlijn te houden. Derhalve is het bepaalde in artikel 62 van richtlijn nr. 2004/18/EG niet opgenomen in dit besluit.

Voor de houder van een concessie voor openbare werken die geen aanbestedende dienst zijn, bevatten de artikelen 64 tot en met 66 van dit besluit een aantal verplichtingen wanneer zij overheidsopdrachten voor werken bij derden willen gunnen. Deze verplichtingen zijn overgenomen uit de artikelen 63 tot en met 65 van richtlijn nr. 2004/18/EG. Zo dient de houder van een concessie voor openbare werken zijn voornemen voor het gunnen van een overheidsopdracht voor werken vanaf een in artikel 64, eerste lid, van richtlijn nr. 2004/18/EG bepaalde waarde aan te kondigen overeenkomstig artikel 36 van dit besluit. Dit is slechts anders wanneer sprake is van een van de omstandigheden genoemd in artikel 31, eerste en vierde lid, van dit besluit. Ingevolge de uitspraak van het Hof inzake Telaustria (HvJ EG, zaak C-324/98, 2000, blz. I-10745) is hij voor de gunning van de overheidsopdrachten aan derden wel gebonden aan de hierboven vermelde beginselen van het Verdrag. Onder derden worden niet begrepen de ondernemingen die een samenwerkingsverband hebben gevormd om de concessie te verwerven of de met deze ondernemingen verbonden ondernemingen. In artikel 64, eerste lid, zijn, net als in artikelen 7, 8 en 58 van dit besluit, de drempelbedragen niet opgenomen. In plaats daarvan wordt dynamisch verwezen naar de drempelwaarden in richtlijn nr. 2004/18/EG.

Artikelen 67 tot en met 75

Voor het uitschrijven van prijsvragen voor diensten boven bepaalde drempelwaarden bevatten de artikelen 67 tot en met 75 van dit besluit voorschriften voor de aankondiging en de toelating van deelnemers die gelijkluidend zijn aan de bepalingen hieromtrent in richtlijn nr. 92/50/EG.

Artikel 68 van richtlijn nr. 2004/18/EG zondert de toepassing van deze richtlijn op prijsvragen uit voor zover daarop richtlijn nr. 2004/17/EG van toepassing is of die betrekking hebben op geheime opdrachten of op grond van internationale voorschriften gegunde overheidsopdrachten. Voor zover het gaat om prijsvragen voor het gunnen van overheidsopdrachten voor diensten volgt dit reeds uit de artikelen 11 tot en met 14 van dit besluit. Het bepaalde in artikel 68 van richtlijn nr. 2004/18/EG is daarom slechts van belang voor zover het een prijsvraag betreft die geen betrekking heeft op het gunnen van een overheidsopdracht. Wanneer het prijzengeld of de vergoeding die de aanbestedende dienst in het kader van die prijsvraag betaald immers gelijk is aan of meer bedraagt dan de drempelwaarde die voor die aanbestedende dienst geldt ingevolge artikel 7, onderdeel a, onder 1 en onderdeel b, onder 1° en 3°, dan zijn de artikelen 67 tot en met 75 van toepassing. Gelet hierop zijn voor die gevallen in artikel 69 van dit besluit dezelfde uitzonderingen van toepassing als voor prijsvragen voor het gunnen van overheidsopdrachten.

Voor de toelating van de deelnemers mogen ingevolge artikel 73 alleen duidelijke en niet-discriminerende selectiecriteria worden vastgesteld. Voorts worden in de artikelen 74 en 75 eisen gesteld aan de samenstelling van en de besluitvorming door de jury die de ontwerpen beoordeelt. Een nieuw element ten opzichte van de oude regeling voor prijsvragen betreft een verduidelijking van de procedure in artikel 74 van richtlijn nr. 2004/18/EG omtrent het oordeel van de jury over de voorgelegde ontwerpen die in dit besluit is opgenomen in artikel 75. In de praktijk werd namelijk de behoefte gevoeld om met behoud van de anonimiteit van betrokkenen een dialoog te kunnen hebben met de gegadigden over de door hen ingediende ontwerpen. Een dergelijke dialoog is nu toegestaan mits de anonimiteit van de gegadigden geëerbiedigd wordt totdat het oordeel van de jury bekend is. Met het oog hierop is de beoordelingsprocedure van de jury in dit besluit overeenkomstig richtlijn nr. 2004/18/EG nader ingevuld door middel van een door de leden van de jury ondertekende verslaglegging van de beoordeling van elk project met de vastgestelde rangorde en vergezeld van de opmerkingen en de punten die verduidelijking nodig hebben. Vervolgens kunnen gegadigden worden uitgenodigd om de in de verslaglegging vastgestelde vragen te beantwoorden. Ook van de dialoog tussen de leden van de jury en de gegadigden worden volledige notulen opgesteld.

Artikel 76

Een aanbestedende dienst, een subsidie-ontvanger als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en een concessiehouder als bedoeld in artikel 64, eerste lid, zijn verplicht om mee te werken aan het correctie-mechanisme, van artikel 3 van richtlijn nr. 89/665/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PbEG L 395) (hierna: richtlijn nr. 89/665/EEG). Ingevolge artikel 41 van richtlijn nr. 92/50/EG zijn later de in die richtlijn bedoelde overheidsopdrachten voor diensten onder de werking van richtlijn nr. 89/665/EEG gebracht. Als de Commissie vóór de sluiting van een overeenkomst van oordeel is dat er een duidelijke en kennelijke inbreuk op de communautaire voorschriften inzake overheidsopdrachten heeft plaatsgevonden tijdens een aanbestedingsprocedure, kan de Commissie de procedure van artikel 3 van richtlijn nr. 89/665/EEG hanteren. Deze procedure verloopt als volgt: de Commissie geeft de betrokken lidstaat en de betrokken aanbestedende dienst, een subsidie-ontvanger als bedoeld in artikel 8, tweede lid, en een concessiehouder als bedoeld in artikel 64, eerste lid, kennis van de redenen waarom zij meent dat er een duidelijke en kennelijke schending heeft plaatsgevonden en zij vraagt om deze ongedaan te maken. Binnen 21 dagen na ontvangst van de hiervoor genoemde kennisgeving, deelt de betrokken lidstaat aan de Commissie het volgende mee:

a. de bevestiging dat de schending ongedaan is gemaakt, of

b. een met redenen omklede conclusie waarin toegelicht wordt waarom geen corrigerende actie is ondernomen, of

c. een kennisgeving waarin wordt meegedeeld dat de aanbestedingsprocedure hetzij op initiatief van de aanbestedende dienst hetzij in het kader van een kort geding is opgeschort. Een met redenen omklede conclusie waarin toegelicht wordt waarom geen corrigerende actie is ondernomen, kan met name worden gebaseerd op het feit dat tegen de beweerde schending beroep is ingesteld. In dat geval deelt de lidstaat de Commissie het resultaat van deze procedures mee, zodra dit bekend is. In geval van kennisgeving waarbij wordt meegedeeld dat een aanbestedingsprocedure is opgeschort in het kader van een kort geding, stelt de lidstaat de Commissie ervan in kennis dat de opschorting is ingetrokken of dat een andere aanbestedingsprocedure is ingeleid die geheel of gedeeltelijk verband houdt met de voorafgaande procedure. De nieuwe kennisgeving dient te bevestigen dat de beweerde schending ongedaan is gemaakt, of dient een met redenen omklede conclusie te bevatten waarin toegelicht wordt waarom geen corrigerende actie heeft plaatsgevonden.

Artikel 77

Op grond van artikel 77, zevende lid, zijn aanbestedende diensten verplicht om bepaalde informatie te verstrekken aan de Minister van Economische Zaken, onder meer met het oog op de verplichting van Nederland inzake informatieverstrekking aan de Europese Commissie. Artikel 77 wijst in dat verband de Minister van Economische Zaken aan als degene die de Europese Commissie de inlichtingen verstrekt. In artikel 77 wordt aangegeven welke informatie moet worden aangeleverd in het statistisch overzicht.

Artikel 79

De Belastingdienst gaat per 1 januari 2006 de inning van de premies werknemersverzekeringen overnemen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Dit is al in artikel 46, derde lid, reeds geregeld. Tot 1 januari 2006 is echter het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de instantie die bevoegd is tot het afgeven van een verklaring waaruit blijkt dat een gegadigde of inschrijver voor een overheidsopdracht niet verkeert in de omstandigheid, bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel e, voor zover het betreft bijdragen ten behoeve van werknemersverzekeringen.

Artikel 81

In artikel 81 van dit besluit is het overgangsregime opgenomen. Ten eerste is bepaald dat het Besluit overheidsaanbestedingen wordt ingetrokken. Ten tweede is bepaald dat een aanbestedende dienst tot 31 januari 2006 het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing kan verklaren. In de periode tussen inwerkingtreding van dit besluit en de uiterste datum waarop de aanbestedingsrichtlijn geïmplementeerd moet zijn heeft de aanbestedende dienst dus de keuze om het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing te verklaren. Deze keuze is met name van belang voor aanbestedende diensten die een aanbestedingsprocedure gestart zijn voor de inwerkingtreding van dit besluit en die procedure nog niet afgerond zal zijn op het moment dat dit besluit inwerking treedt. Van de kant van aanbestedende diensten is naar voren gebracht dat het in die gevallen toch wenselijk kan zijn dat de regels van dit besluit direct na inwerkingtreding van toepassing zijn. Derhalve is afgezien van een overgangsregime van tijdelijk uitgestelde werking van dit besluit.

Dit overgangsregime maakt het ook mogelijk dat een aanbestedende dienst een lopende aanbestedingsprocedure na inwerkingtreding van dit besluit afrondt onder toepassing van het Besluit overheidsaanbestedingen. Dit geldt uiteraard alleen voor zover die aanbestedingsprocedure vóór 31 januari 2006 wordt afgerond. Indien een aanbestedende dienst het Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing heeft verklaard maar de aanbestedingsprocedure niet vóór 31 januari 2006 wordt afgerond, dan is met ingang van 31 januari 2006 alsnog onderhavig besluit van toepassing op die aanbestedingsprocedure.

Artikel 82

Door dit besluit eerst drie maanden na publicatie ervan inwerking te laten treden, hebben de aanbestedende diensten de tijd om maatregelen te treffen binnen hun organisatie ter voorbereiding op de nieuwe aanbestedingsregels, zoals het aanpassen van modellen en handleidingen.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

BIJLAGE 1

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1, ONDERDEEL H (overheidsopdrachten voor werken)

NACE

code CPV

Sectie F

  

BOUWNIJVERHEID

  

Afdeling

Groep

Klasse

Omschrijving

Toelichting

 
      

45

  

Bouwnijverheid

Deze afdeling omvat:

nieuwbouw, restauratiewerk en gewone reparaties.

45000000

 

45.1

 

Het bouwrijp maken van terreinen

 

45100000

  

45.11

Slopen van gebouwen; grondverzet

Deze klasse omvat:

- het slopen van gebouwen en andere bouwwerken;

– het ruimen van bouwterreinen;

– het grondverzet: graven, ophogen, egaliseren en nivelleren van bouwterreinen, graven van sleuven en geulen, verwijderen van rotsen, grondverzet met behulp van explosieven enz.;

– het geschikt maken van terreinen voor mijnbouw:

– verwijderen van deklagen en overige werkzaamheden in verband met de ontsluiting van delfstoffen en de voorbereiding van de ontginning.

Deze klasse omvat voorts:

– de drainage van bouwterreinen;

– de drainage van land- en bosbouwgrond.

45110000

  

45.12

Proefboren en boren

Deze klasse omvat:

– het proefboren en het nemen van bodemmonsters ten behoeve van de bouw of voor geofysische, geologische of dergelijke doeleinden.

Deze klasse omvat niet:

– het boren van putten voor de aardolie- of aardgaswinning, zie 11.20;

– het boren van waterputten, zie 45.25;

– het delven van mijnschachten, zie 45.25;

– de aardolie- en aardgasexploratie en geofysisch, geologisch en seismisch onderzoek, zie 74.20.

45120000

 

45.2

 

Burgerlijke en utiliteitsbouw, weg- en waterbouw;

 

45200000

  

45.21

Algemene bouwkundige en civieltechnische werken

Deze klasse omvat:

de bouw van alle soorten gebouwen;

de uitvoering van civieltechnische werken:

bruggen (inclusief die voor verhoogde wegen), viaducten, tunnels en ondergrondse doorgangen,

pijpleidingen, kabels en hoogspanningsleidingen over lange afstand,

pijpleidingen, kabels en hoogspanningsleidingen in de bebouwde kom, bijkomende werken;

het monteren en optrekken van geprefabriceerde constructies ter plaatse.

Deze klasse omvat niet:

diensten in verband met de aardolie- en de aardgaswinning, zie 11.20;

het optrekken van volledige geprefabriceerde constructies van zelf vervaardigde onderdelen, niet van beton, zie 20, 26, 28;

bouwwerkzaamheden aan of in stadions, zwembaden, sporthallen, tennisbanen, golfterreinen en andere sportaccommodaties, andere dan het optrekken van gebouwen, zie 45.23;

installatiewerkzaamheden, zie 45.3;

de afwerking van gebouwen, zie 45.4;

architecten en ingenieurs, zie 74.20;

projectbeheer voor de bouw, zie 74.20.

45210000

  

45.22

Dakbedekking en bouw van dakconstructies

Deze klasse omvat:

de bouw van daken;

dakbedekking;

het waterdicht maken.

45220000

  

45.23

Wegenbouw

Deze klasse omvat:

de bouw van autowegen, straten en andere wegen en paden voor voertuigen en voetgangers;

de bouw van spoorwegen;

de bouw van start- en landingsbanen;

bouwwerkzaamheden aan of in stadions, zwembaden, sporthallen, tennisbanen, golfterreinen en andere sportaccommodaties, andere dan het optrekken van gebouwen;

het schilderen van markeringen op wegen en parkeerplaatsen.

Deze klasse omvat niet:

voorafgaand grondverzet, zie 45.11.

45230000

  

45.24

Waterbouw

Deze klasse omvat:

de aanleg van:

waterwegen, haven- en rivierwerken, jachthavens, sluizen enz.;

dammen en dijken;

baggerwerk;

werkzaamheden onder water.

45240000

  

45.25

Overige gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw

Deze klasse omvat:

gespecialiseerde bouwwerkzaamheden ten behoeve van diverse bouwwerken, waarvoor specifieke ervaring of een speciale uitrusting nodig is:

bouw van funderingen, inclusief heien;

boren en aanleggen van waterputten, delven van mijnschachten;

opbouw van niet zelf vervaardigde elementen van staal;

buigen van staal;

metselen, inclusief zetten van natuursteen;

optrekken en afbreken van steigers en werkplatforms, inclusief verhuur van steigers en werkplatforms;

bouw van schoorstenen en industriële ovens.

Deze klasse omvat niet:

de verhuur van steigers zonder optrekken en afbreken, zie 71.32.

45250000

 

45.3

 

Installatie

 

45300000

  

45.31

Elektrische installatie

Deze klasse omvat:

de installatie in gebouwen en andere bouwwerken van:

elektrische bedrading en toebehoren;

telecommunicatiesystemen;

elektrische verwarmingssystemen;

antennes;

apparatuur voor brandalarm;

alarminstallaties tegen diefstal;

liften en roltrappen;

bliksemafleiders enz.

45310000

  

45.32

Isolatie

Deze klasse omvat:

het aanbrengen in gebouwen en andere bouwwerken van isolatiemateriaal (warmte, geluid, trillingen).

Deze klasse omvat niet:

het waterdicht maken, zie 45.22.

45320000

  

45.33

Loodgieterswerk

Deze klasse omvat:

de installatie in gebouwen en andere bouwwerken van:

waterleidingen en artikelen voor sanitair gebruik;

gasaansluitingen;

apparatuur en leidingen voor verwarming, ventilatie, koeling en klimaatregeling;

sprinklerinstallaties.

Deze klasse omvat niet:

de installatie en reparatie van elektrische verwarmingsinstallaties, zie 45.31.

45330000

  

45.34

Overige bouwinstallatie

Deze klasse omvat:

de installatie van verlichtings- en signaleringssystemen voor wegen, spoorwegen, luchthavens en havens;

de installatie in en aan gebouwen en andere bouwwerken van toebehoren, niet elders geklasseerd.

45340000

 

45.4

 

Afwerking van gebouwen

 

45400000

  

45.41

Stukadoorswerk

Deze klasse omvat:

het aanbrengen van pleister- en stukadoorswerk (inclusief het aanbrengen van een hechtgrond) aan de binnen- of buitenzijde van gebouwen en andere bouwwerken.

45410000

  

45.42

Schrijnwerk

Deze klasse omvat:

het plaatsen van niet zelf vervaardigde deuren, vensters, kozijnen, inbouwkeukens, trappen, winkelinrichtingen en dergelijke, van hout of van ander materiaal;

de binnenafwerking, zoals plafonds, wandbekleding van hout, verplaatsbare tussenwanden enz.

Deze klasse omvat niet:

het leggen van parket of andere houten vloerbedekking, zie 45.43.

45420000

  

45.43

Vloerafwerking en behangen

Deze klasse omvat:

het aanbrengen in gebouwen en andere bouwwerken van:

vloer- of wandtegels van keramische stoffen, beton of gehouwen steen;

parket en andere houten vloerbedekking;

tapijt en vloerbedekking van linoleum, rubber of kunststof;

vloerbedekking en wandbekleding van terrazzo, marmer, graniet of lei;

behang.

45430000

  

45.44

Schilderen en glaszetten

Deze klasse omvat:

het schilderen van het binnen- en buitenwerk van gebouwen;

het schilderen van wegen- en waterbouwkundige werken;

het aanbrengen van glas, spiegels enz.

Deze klasse omvat niet:

de installatie van vensters, zie 45.42.

45440000

  

45.45

Overige werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen

Deze klasse omvat:

de installatie van particuliere zwembaden;

gevelreiniging met behulp van stoom, door middel van zandstralen enz.;

overige werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen, n.e.g.

Deze klasse omvat niet:

het reinigen van het interieur van gebouwen en andere bouwwerken, zie 74.70.

45450000

 

45.5

 

Verhuur van bouw- of sloopmachines met bedieningspersoneel

 

45500000

  

45.50

Verhuur van bouw- of sloopmachines met bedieningspersoneel

Deze klasse omvat niet:

de verhuur van bouw- en sloopmachines zonder bedieningspersoneel, zie 71.32.

 

BIJLAGE 2

DIENSTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1, ONDERDEEL J

ONDERDEEL A

Categorie

Benaming

CPC-indeling

CPV-indeling

1

Onderhoud en reparatie

6112, 6122, 633, 886

50100000 tot en met 50982000 (met uitzondering van 50310000 tot en met 50324200 en 50116510-9, 50190000-3, 50229000-6, 50243000-0)

2

Vervoer te land, met inbegrip van vervoer per pantserwagen en koerier, met uitzondering van postvervoer

712 (m.u.v. 71235),

7512, 87304

60112000-6 tot en met 60129300-1 (met uitzondering van 60121000 tot en met 60121600, 60122200-1, 60122230-0), en 64120000-3 tot en met 64121200-2

3

Luchtvervoer van passagiers en vracht, met uitzondering van postvervoer

73 (m.u.v. 7321)

62100000-3 tot en met 62300000-5 (met uitzondering van 62121000-6, 62221000-7)

4

Postvervoer te land en door de lucht

71235, 7321

60122200-1, 60122230-0

62121000-6, 62221000-7

5

Telecommunicatie

752

64200000-8 tot en met 64228200-2, 72318000-7, en 72530000-9 tot en met 72532000-3

6

Diensten van financiële instellingen:

a) verzekeringsdiensten,

b) bankdiensten en diensten in verband met beleggingen

Ex 81, 812, 814

66100000-1 tot en met 66430000-3 en 67110000-1 tot en met 67262000-1 1

7

Diensten in verband met computers

84

50300000-8 tot en met 50324200-4, 72100000-6 tot en met 72591000-4 (met uitzondering van 72318000-7 en 72530000-9 tot en met 72532000-3)

8

Onderzoeks- en ontwikkelingswerk

85

73000000-2 tot en met 73300000-5

(met uitzondering van 73200000-4, 73210000-7, 7322000-0)

9

Accountants en boekhouders

862

74121000-3 tot en met 74121250-0

10

Markt- en opinieonderzoek

864

74130000-9 tot en met 74133000-0, en 74423100-1, 74423110-4

11

Advies inzake bedrijfsvoering en beheer en aanverwante diensten

865, 866

73200000-4 tot en met 73220000-0,

74140000-2 tot en met 74150000-5 (met uitzondering van 74142200-8), en

74420000-9, 74421000-6,

74423000-0, 74423200-2,

74423210-5, 74871000-5,

93620000-0

12

Diensten van architecten; diensten van ingenieurs en geïntegreerde diensten van ingenieurs bij kant-en-klaar opgeleverde projecten; diensten in verband met stedenbouw en landschapsarchitectuur; diensten in verband met aanverwante wetenschappelijke en technische adviezen; diensten voor keuring en controle

867

74200000-1 tot en met 74276400-8, en

74310000-5 tot en met 74323100-0, en 74874000-6

13

Reclamewezen

871

74400000-3 tot en met 74422000-3

(met uitzondering van 74420000-9 en 74421000-6)

14

Reiniging van gebouwen en beheer van onroerend goed

874, 82201 t/m 82206

70300000-4 tot en met 70340000-6, en

74710000-9 tot en met 7476000-4

15

Uitgeven en drukken, voor een vast bedrag of op contractbasis

88442

78000000-7 tot en met 78400000-1

16

Straatreiniging en afvalverzameling; afvalwaterverzameling en -verwerking en aanverwante diensten

94

90100000-8 tot en met 90320000-6, en

50190000-3, 50229000-6,

50243000-0

ONDERDEEL B

Categorie

Benaming

CPC-indeling

CPV-indeling

17

Hotels en restaurants

64

55000000-0 tot en met 55524000-9, en

93400000-2 tot en met 93411000-2

18

Vervoer per spoor

711

60111000-9, en

60121000-2 tot en met 60121600-8

19

Vervoer over water

72

61000000-5 tot en met 61530000-9, en

63370000-3 tot en met 63372000-7

20

Vervoersondersteunende activiteiten

74

62400000-6, 62440000-8,

62441000-5, 62450000-1,

63000000-9 tot en met 63600000-5

(met uitzondering van 63370000-3, 63371000-0, 63372000-7), en 74322000-2, 93610000-7

21

Rechtskundige diensten

861

74110000-3 tot en met 74114000-1

22

Arbeidsbemiddeling

872

74500000-4 tot en met 74540000-6 (met uitzondering van 74511000-4), en 95000000-2 tot en met 95140000-5

23

Opsporing en beveiliging, met uitzondering van vervoer per pantserwagen

873 (m.u.v. 87304)

74600000-5 tot en met 74620000-1

24

Onderwijs

92

80100000-5 tot en met 80430000-7

25

Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening

93

74511000-4, en

85000000-9 tot en met 85323000-9

(met uitzondering van 85321000-5 en 85322000-2)

26

Cultuur, sport en recreatie

96

74875000-3 tot en met 74875200-5, en

92000000-1 tot en met 92622000-7

(met uitzondering van 92230000-2)

27

Overige diensten

BIJLAGE 3

LIJST VAN PRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7, BETREFFENDE HET PLAATSEN VAN OPDRACHTEN DOOR AANBESTEDENDE DIENSTEN OP HET GEBIED VAN DEFENSIE

Hoofdstuk 25:

Zout; zwavel; aarde en steen; gips, kalk en cement

  

Hoofdstuk 26:

Metaalertsen, slakken en assen

  

Hoofdstuk 27:

Minerale brandstoffen, aardolie en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale was, met uitzondering van:

ex 27.10: bijzondere motorbrandstoffen

  

Hoofdstuk 28:

Anorganische chemische producten; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, van radioactieve elementen, van zeldzame aardmetalen en van isotopen, met uitzondering van:

  
 

ex 28.09: explosieven

ex 28.13: explosieven

ex 28.14: traangas

ex 28.28: explosieven

ex 28.32: explosieven

ex 28.39: explosieven

ex 28.50: toxicologische producten

ex 28.51: toxicologische producten

ex 28.54: explosieven

  

Hoofdstuk 29:

Organische chemische producten,

met uitzondering van:

ex 29.03: explosieven

ex 29.04: explosieven

ex 29.07: explosieven

ex 29.08: explosieven

ex 29.11: explosieven

ex 29.12: explosieven

ex 29.13: toxicologische producten

ex 29.14: toxicologische producten

ex 29.15: toxicologische producten

ex 29.21: toxicologische producten

ex 29.22: toxicologische producten

ex 29.23: toxicologische producten

ex 29.26: explosieven

ex 29.27: toxicologische producten

ex 29.29: explosieven

  

Hoofdstuk 30:

Farmaceutische producten

  

Hoofdstuk 31:

Meststoffen

  

Hoofdstuk 32:

Looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; kleur- en verfstoffen, verf en vernis en verfmiddelen; mastiek; inkt

  

Hoofdstuk 33:

Etherische oliën en harsaroma’s; parfumerieën, toiletartikelen en cosmetische producten

  

Hoofdstuk 34:

Zeep, organische tensioactieve producten; wasmiddelen, smeermiddelen, kunstwas, bereide was, poets- en onderhoudsmiddelen, kaarsen en dergelijke artikelen, modelleerpasta’s en tandtechnische waspreparaten

  

Hoofdstuk 35:

Eiwitstoffen; lijm; enzymen

  

Hoofdstuk 37:

Producten voor fotografie en cinematografie

  

Hoofdstuk 38:

Diverse producten van de chemische industrie,

met uitzondering van:

ex 38.19: toxicologische producten

  

Hoofdstuk 39:

Kunstmatige plastische stoffen, ethers en esters van cellulose, kunstharsen en werken daarvan, met uitzondering van:

  
 

ex 39.03: explosieven

  

Hoofdstuk 40:

Rubber (natuurlijke en synthetische rubber en factis) en werken van rubber, met uitzondering van:

  
 

ex 40.11: kogelbestendige banden

  

Hoofdstuk 41:

Huiden, vellen en leder

  

Hoofdstuk 42:

Lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, dameshandtassen en dergelijke bergingsmiddelen; werken van darmen

  

Hoofdstuk 43:

Pelterijen en bontwerk; namaakbont

  

Hoofdstuk 44:

Hout, houtskool en houtwaren

  

Hoofdstuk 45:

Kurk en kurkwaren

  

Hoofdstuk 46:

Vlechtwerk en mandenmakerswerk

  

Hoofdstuk 47:

Stoffen voor het vervaardigen van papier

  

Hoofdstuk 48:

Papier en karton; cellulose-, papier- en kartonwaren

  

Hoofdstuk 49:

Artikelen van de boekhandel en producten van de grafische kunst

  

Hoofdstuk 65:

Hoofddeksels en delen daarvan,

  

Hoofdstuk 66:

Paraplu’s, parasols, wandelstokken, zwepen, rijzwepen, alsmede delen daarvan

  

Hoofdstuk 67:

Geprepareerde veren en geprepareerd dons en artikelen van veren of van dons; kunstbloemen; werken van mensenhaar

  

Hoofdstuk 68:

Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen

  

Hoofdstuk 69:

Keramische producten

  

Hoofdstuk 70:

Glas en glaswerk

  

Hoofdstuk 71:

Echte parels, natuurlijke en andere edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancy-bijouterieën

  

Hoofdstuk 73:

Gietijzer, ijzer en staal

  

Hoofdstuk 74:

Koper

  

Hoofdstuk 75:

Nikkel

  

Hoofdstuk 76:

Aluminium

  

Hoofdstuk 77:

Magnesium, beryllium

  

Hoofdstuk 78:

Lood

  

Hoofdstuk 79:

Zink

  

Hoofdstuk 80:

Tin

  

Hoofdstuk 81:

Andere onedele metalen

  

Hoofdstuk 82:

Gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal, met uitzondering van:

ex 82.05: gereedschap

ex 82.07: stukken gereedschap

  

Hoofdstuk 83:

Allerlei werken van onedele metalen

  

Hoofdstuk 84:

Stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen,

met uitzondering van:

ex 84.06: motoren

ex 84.08: andere voortstuwingsmiddelen

ex 84.45: machines

ex 84.53: automatische gegevensverwerkende machines

ex 84.55: delen van post 84.53

ex 84.59: kernreactoren

  

Hoofdstuk 85:

Elektrische machines, apparaten en toestellen; artikelen voor elektrotechnisch gebruik, met uitzondering van:

ex 85.13: telecommunicatie

ex 85.15: zendtoestellen

  

Hoofdstuk 86:

Rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen; niet elektrische signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer, met uitzondering van:

ex 86.02: gepantserde locomotieven

ex 86.03: andere gepantserde locomotieven

ex 86.05: gepantserde wagons

ex 86.06: rijdende werkplaatsen

ex 86.07: wagons

  

Hoofdstuk 87:

Automobielen, tractoren, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen, voor vervoer over land, met uitzondering van:

  
 

ex 87.08: gevechtswagens en pantserauto’s

ex 87.01: tractoren

ex 87.02: militaire voertuigen

ex 87.03: takelwagens

ex 87.09: motorrijwielen

ex 87.14: aanhangwagens

  

Hoofdstuk 89:

Scheepvaart,

met uitzondering van:

ex 89.01A: oorlogsschepen

  

Hoofdstuk 90:

Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen,

met uitzondering van:

ex 90.05: binocles

ex 90.13: diverse instrumenten, lasers

ex 90.14: telemeters

ex 90.28: elektrische of elektronische meetinstrumenten

ex 90.11: microscopen

ex 90.17: instrumenten voor de geneeskunde

ex 90.18: toestellen voor mechanische therapie

ex 90.19: orthopedische toestellen

ex 90.20: röntgentoestellen

  

Hoofdstuk 91:

Uurwerken

  

Hoofdstuk 92:

Muziekinstrumenten; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid en beelden voor televisie; delen en toebehoren van deze instrumenten en toestellen

  

Hoofdstuk 94:

Meubelen (ook voor medisch of voor chirurgisch gebruik); artikelen voor bedden en dergelijke artikelen,

met uitzondering van:

ex 94.01 A: zitmeubelen voor vliegtoestellen

  

Hoofdstuk 95:

Stoffen geschikt om te worden gesneden of te worden gevormd, in bewerkte staat (werken daaronder begrepen)

  

Hoofdstuk 96:

Borstelwerk, kwasten en penselen, bezems, poederkwastjes en zeven

  

Hoofdstuk 98:

Diverse werken

BIJLAGE 4

INLICHTINGEN DIE IN DE AANKONDIGINGEN, BEDOELD IN ARTIKEL 35, TWEEDE LID, ARTIKEL 36, EERSTE LID, ARTIKEL 38, ZESDE LID, ARTIKEL 60, TWEEDE LID, ARTIKEL 65, TWEEDE LID EN ARTIKEL 71, EERSTE LID, WORDEN OPGENOMEN

ONDERDEEL A

INLICHTINGEN DIE IN AANKONDIGINGEN VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN WORDEN OPGENOMEN

AANKONDIGING VAN MEDEDELING VAN EEN VOORAANKONDIGING VIA EEN KOPERSPROFIEL

1.  Land van de aanbestedende dienst

2.  Naam van de aanbestedende dienst

3.  Internetadres van het «kopersprofiel» (URL)

4.  CPV-indeling

VOORAANKONDIGING

1. Naam, adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres van de aanbestedende dienst en, indien het een andere dienst betreft, van de dienst waar nadere inlichtingen kunnen worden verkregen, alsmede – bij opdrachten tot dienstverlening en werken – van de diensten waar informatie kan worden ingewonnen over de voorschriften die op de plaats van de verrichtingen gelden inzake belasting, milieubescherming, bescherming van de werknemers en arbeidsvoorwaarden.

2. Indien van toepassing, de vermelding dat het gaat om een overheidsopdracht die is voorbehouden aan sociale werkplaatsen of waarvan de uitvoering is voorbehouden in het kader van programma’s voor beschermde arbeid.

3. Bij overheidsopdrachten voor werken: aard en omvang van de werken en plaats van uitvoering; indien het werk in verschillende percelen is verdeeld, belangrijkste kenmerken van deze percelen in verhouding tot het werk; indien beschikbaar, raming van de kostenmarge van de voorgenomen werken; nomenclatuurindeling.

Voor overheidsopdrachten voor leveringen: aard en hoeveelheid of waarde van de te leveren artikelen; nomenclatuurindeling; nomenclatuurindeling.

Bij overheidsopdrachten voor diensten: totaal geraamde bedrag van de aankopen in elke van de in bijlage 2, onderdeel A, genoemde categorieën diensten; nomenclatuurindeling.

4. Beoogde data voor de aanvang van de procedure(s) voor het gunnen van de opdracht(en), in geval van overheidsopdrachten voor diensten per categorie.

5. Indien van toepassing, de vermelding dat het om een raamovereenkomst gaat.

6. Eventueel andere informatie.

7. Datum van verzending van de aankondiging of van de aankondiging van mededeling van deze vooraankondiging in het kopersprofiel.

8. De vermelding of de opdracht onder de Overeenkomst valt.

AANKONDIGING VAN OVERHEIDSOPDRACHTEN

Openbare, niet-openbare procedures, concurrentiegerichte dialogen, procedures van gunning door onderhandelingen

1. Naam, adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres van de aanbestedende dienst.

2. Indien van toepassing, de vermelding dat het gaat om een overheidsopdracht die is voorbehouden aan sociale werkplaatsen of waarvan de uitvoering is voorbehouden in het kader van programma’s voor beschermde arbeid.

3.

a. Wijze van aanbesteding.

b. Indien van toepassing, motivering van de toepassing van de versnelde procedure (in geval van een niet-openbare procedure of een procedure van gunning door onderhandelingen).

c. Indien van toepassing, vermelden dat het om een raamovereenkomst gaat.

d. Indien van toepassing, vermelden dat het een dynamisch aankoopsysteem betreft.

e. Indien van toepassing, gebruikmaking van een elektronische veiling (in geval van een openbare, niet-openbare procedure of een procedure van gunning door onderhandelingen, in het in artikel 30, eerste lid, onder a, bedoelde geval).

4. Vorm van de opdracht.

5. Plaats van uitvoering van de werken of plaats van levering van de producten of diensten.

6.

a. Overheidsopdrachten voor werken:

– aard, omvang en algemene kenmerken van de werken. Vermelding van met name de opties voor latere werken en, indien bekend, een voorlopig tijdschema voor de uitoefening van de opties, alsook van het aantal eventuele verlengingen. Indien het werk of de opdracht in verschillende percelen is verdeeld, de orde van grootte van de percelen; nomenclatuurindeling,

– gegevens betreffende het doel van het werk of de opdracht wanneer deze ook betrekking heeft op de opstelling van ontwerpen,

– bij raamovereenkomsten: beoogde looptijd van de raamovereenkomst, de totale geraamde waarde van de werken voor de gehele looptijd van de raamovereenkomst en, voorzover mogelijk, de waarde en frequentie van de te gunnen opdrachten.

b. Overheidsopdrachten voor leveringen:

– aard van de te leveren producten, met name met vermelding of de aanbesteding betrekking heeft op aankoop, lease, huur, huurkoop of een combinatie hiervan, nomenclatuurindeling. Hoeveelheid te leveren producten, met name onder vermelding van de opties voor latere aankopen en, indien bekend, een voorlopig tijdschema voor de uitoefening van de opties, alsook het aantal eventuele verlengingen, nomenclatuurindeling,

– in het geval van regelmatig dan wel binnen een bepaalde periode terugkerende opdrachten voorts vermelding, indien bekend, van een tijdschema voor de beoogde vervolgopdrachten voor leveringen,

– bij raamovereenkomsten: beoogde looptijd van de raamovereenkomst, de totale geraamde waarde van de leveringen voor de gehele looptijd van de raamovereenkomst en, voorzover mogelijk, de waarde en frequentie van de te gunnen opdrachten.

c. Overheidsopdrachten voor diensten:

– categorie waartoe de dienst behoort, en beschrijving. Nomenclatuurindeling. Hoeveelheid van de te leveren diensten. Vermelding van met name de opties voor latere aankopen en, indien bekend, een voorlopig tijdschema voor de uitoefening van de opties, alsook van het aantal eventuele verlengingen. In het geval van binnen een bepaalde periode terugkerende opdrachten voorts vermelding, indien bekend, van een tijdschema voor de beoogde vervolgopdrachten voor diensten.

– Bij raamovereenkomsten: beoogde looptijd van de raamovereenkomst, de totale geraamde waarde van de diensten voor de gehele looptijd van de raamovereenkomst en, voorzover mogelijk, de waarde en frequentie van de te gunnen opdrachten.

– Vermelding of het verlenen van de dienst ingevolge wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen aan een bepaalde beroepsgroep is voorbehouden.

.  Verwijzing naar de desbetreffende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling.

– Vermelding of rechtspersonen de namen en beroepskwalificaties van het personeel dat met het verlenen van de dienst wordt belast, dienen op te geven.

7. Wanneer de opdrachten in percelen zijn verdeeld, vermelding van de mogelijkheid voor de ondernemers om voor één, meer en/of alle percelen in te schrijven.

8. Uiterste datum voor de uitvoering van de werken/leveringen/diensten of looptijd van de opdracht voor werken/leveringen/diensten; voorzover mogelijk, uiterste datum voor de aanvang van de werken of uiterste datum voor aanvang van de levering van de producten of de verlening van de diensten.

9. Toelating of verbod van varianten.

10. Indien van toepassing, de bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht.

11. In geval van een openbare procedure:

a. naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van de dienst waar het beschrijvend document en aanvullende documentatie kunnen worden aangevraagd;

b. indien van toepassing, de uiterste datum voor de indiening van deze aanvraag;

c. indien van toepassing, het bedrag dat voor het verkrijgen van de genoemde documentatie dient te worden betaald en de wijze van betaling.

12.

a. Uiterste datum voor de ontvangst van de inschrijvingen of van de indicatieve inschrijvingen indien het gaat om de instelling van een dynamisch aankoopsysteem (openbare procedures).

b. Uiterste datum voor de ontvangst van de verzoeken tot deelneming (niet-openbare procedures en procedures van gunning via onderhandelingen).

c. Adres waar zij dienen te worden ingediend.

d. Taal of talen waarin zij dienen te worden gesteld.

13. In geval van een openbare procedure:

a. personen die bij de opening van de inschrijvingen worden toegelaten;

b. dag, uur en plaats van de opening.

14. Indien van toepassing, verlangde borgsommen en waarborgen.

15. Belangrijkste financierings- en betalingsvoorwaarden en/of verwijzingen naar de teksten waarin deze te vinden zijn.

16. Indien van toepassing, de vereiste rechtsvorm van de groep van ondernemers waaraan de opdracht wordt gegund.

17. Selectiecriteria betreffende de persoonlijke situatie van ondernemers die tot hun uitsluiting kunnen leiden en de nodige informatie waaruit blijkt dat zij niet tot de gevallen behoren die uitsluiting rechtvaardigen. Selectiecriteria en gegevens over de persoonlijke situatie van de ondernemer, alsmede de nodige gegevens en bescheiden voor de beoordeling van de economische en technische minimumeisen waaraan de ondernemer dient te voldoen. Eventueel vereiste specifieke minimumeisen ten aanzien van de bekwaamheid.

18. Voor raamovereenkomsten: aantal ondernemers dat zal deelnemen, in voorkomend geval het maximumaantal, looptijd van de beoogde raamovereenkomst, in voorkomend geval, onder vermelding van de redenen voor een looptijd van meer dan vier jaar,

19. Voor de concurrentiegerichte dialoog en de procedures van gunning via onderhandelingen met mededeling van een overheidsopdracht, indien van toepassing, vermelding van de gebruikmaking van een procedure in achtereenvolgende fasen waarbij geleidelijk het aantal te bespreken oplossingen of ter onderhandeling openstaande inschrijvingen wordt beperkt.

20. Voor de niet-openbare procedures, de concurrentiegerichte dialoog en de procedures van gunning via onderhandelingen met mededeling van een overheidsopdracht, wanneer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot beperking van het aantal kandidaten voor het indienen van inschrijvingen, de dialoog of de onderhandelingen: minimumaantal en, in voorkomend geval, maximumaantal kandidaten en objectieve criteria voor de bepaling van dit aantal kandidaten.

21. Termijn gedurende welke de inschrijver zijn inschrijving gestand moet doen (openbare procedure).

22. Indien van toepassing, naam en adres van reeds door de aanbestedende dienst geselecteerde ondernemers (procedures van gunning via onderhandelingen).

23. In artikel 54 bedoelde gunningscriteria: «laagste prijs» of «economisch voordeligste inschrijving». De criteria voor de vaststelling van de economisch voordeligste inschrijving en de weging ervan dienen te worden vermeld wanneer zij niet in het beschrijvend document zijn opgenomen.

24. Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en, in voorkomend geval, bemiddelingsprocedures. Preciseringen betreffende de termijnen voor het starten van beroepsprocedures of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen.

25. Datum (data) van mededeling van de vooraankondiging overeenkomstig de technische specificaties voor de mededeling als vermeld in artikel 35 of vermelding van de niet-mededeling ervan.

26. Datum van verzending van de aankondiging.

27. Vermelding of de opdracht onder de Overeenkomst valt.

VEREENVOUDIGDE AANKONDIGING VAN EEN OVERHEIDSOPDRACHT IN HET KADER VAN EEN DYNAMISCH AANKOOPSYSTEEM

1. Land van de aanbestedende dienst.

2. Naam en e-mailadres van de aanbestedende dienst.

3. Verwijzing naar de mededeling van de aankondiging van een overheidsopdracht in het kader van het dynamische aankoopsysteem.

4. E-mailadres waar het beschrijvend document en de aanvullende documenten betreffende het dynamische aankoopsysteem beschikbaar zijn.

5. Voorwerp van de opdracht: beschrijving door middel van de CPV-nomenclatuurindeling en hoeveelheid of omvang van de te gunnen opdracht.

6. Termijn voor de indiening van de indicatieve inschrijvingen.

AANKONDIGING VAN GEGUNDE OPDRACHTEN

1. Naam en adres van de aanbestedende dienst.

2. Gevolgde aanbestedingsprocedure. In geval van een procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande meedeling van een aankondiging van de opdracht (artikel 28), motivering van de keuze van de procedure.

3. Overheidsopdrachten voor werken: aard en omvang van de werkzaamheden en algemene kenmerken van het werk.

.  Overheidsopdrachten voor leveringen: aard en hoeveelheid van de geleverde producten, indien van toepassing, uitgesplitst per leverancier; nomenclatuurindeling.

.  Overheidsopdrachten voor diensten: categorie waartoe de dienst behoort, en beschrijving van de dienst; nomenclatuurindeling; hoeveelheid afgenomen diensten.

4. Datum van de gunning van de opdracht.

5. Gunningscriteria.

6. Aantal ontvangen inschrijvingen.

7. Naam en adres van de begunstigde(n).

8. Betaalde prijs of prijzen (minimum/maximum).

9. Waarde van de geselecteerde inschrijving(en) of de hoogste en de laagste inschrijving die bij de gunning in aanmerking zijn genomen.

10. Indien van toepassing, gedeelte van de opdracht dat aan derden in onderaanbesteding kan worden gegeven en de waarde daarvan.

11. Datum van mededeling van de aankondiging van de opdracht overeenkomstig de technische specificaties voor de mededeling.

12. Datum van verzending van deze aankondiging.

13. Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en, in voorkomend geval, bemiddelingsprocedures. Preciseringen betreffende de termijnen voor het starten van beroepsprocedures of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen.

ONDERDEEL B

INLICHTINGEN DIE IN AANKONDIGINGEN BETREFFENDE CONCESSIEOVEREENKOMSTEN VOOR OPENBARE WERKEN WORDEN OPGENOMEN

1. Naam, adres, faxnummer en e-mailadres van de aanbestedende dienst

2.

a. Plaats van uitvoering

b. Omschrijving van de concessieovereenkomst; aard en omvang van de werken

3.

a. Uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen

b. Adres waar zij dienen te worden ingediend

c. Taal of talen waarin zij dienen te worden gesteld

4. Persoonlijke, technische en financiële voorwaarden waaraan de kandidaten dienen te voldoen

5. Bij de gunning van het contract toe te passen criteria

6. Indien van toepassing, minimumpercentage van de aan derden uitbestede werken

7. Datum van verzending van de aankondiging

8. Naam en adres van de instantie die bevoegd is voor beroepsprocedures en, in voorkomend geval, bemiddelingsprocedures. Preciseringen betreffende de termijnen voor het starten van beroepsprocedures of, in voorkomend geval, naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen.

ONDERDEEL C

INLICHTINGEN DIE WORDEN OPGENOMEN IN AANKONDIGINGEN VAN OPDRACHTEN VAN DE CONCESSIEHOUDER VAN WERKEN DIE ZELF GEEN AANBESTEDENDE DIENST IS

1.

a. Plaats van uitvoering

b. Aard en omvang van de werken, algemene kenmerken van het werk

2. Eventueel verplichte uitvoeringstermijn

3. Naam en adres van de dienst waar het beschrijvend document en de aanvullende documentatie kunnen worden aangevraagd

4.

a. Uiterste datum voor de ontvangst van de verzoeken tot deelneming en/of de ontvangst van de inschrijvingen

b. Adres waar zij dienen te worden ingediend

c. Taal of talen waarin zij dienen te worden gesteld

5. Indien van toepassing, verlangde borgsommen en waarborgen

6. Voorwaarden van financiële en technische aard waaraan de ondernemer dient te voldoen

7. Bij de gunning van de opdracht te hanteren criteria

8. Datum van verzending van de aankondiging

ONDERDEEL D

INLICHTINGEN DIE IN AANKONDIGINGEN BETREFFENDE PRIJSVRAGEN VOOR DIENSTEN WORDEN OPGENOMEN

AANKONDIGINGEN BETREFFENDE PRIJSVRAGEN

1. Naam, adres, faxnummer en e-mailadres van de aanbestedende dienst en van de dienst waar aanvullende documentatie kan worden aangevraagd.

2. Omschrijving van het project.

3. Type prijsvraag: openbaar of niet-openbaar.

4. In geval van een openbare prijsvraag: uiterste datum voor de indiening van ontwerpen.

5. In geval van een niet-openbare prijsvraag:

a. beoogd aantal deelnemers;

b. indien van toepassing, namen van reeds geselecteerde deelnemers;

c. criteria voor selectie van de deelnemers;

d. uiterste datum voor de verzoeken tot deelneming.

6. Indien van toepassing, vermelding dat de deelneming voorbehouden is aan een specifieke beroepsgroep.

7. Criteria die bij de beoordeling van de ontwerpen worden toegepast.

8. Indien van toepassing, namen van geselecteerde juryleden.

9. Vermelding of het besluit van de jury voor de aanbestedende dienst bindend is.

10. Indien van toepassing, aantal en waarde van de prijzen.

11. Indien van toepassing, aan alle deelnemers uit te betalen bedragen.

12. Vermelding of de overheidsopdrachten naar aanleiding van de prijsvraag al dan niet zullen worden gegund aan de winnaar(s) van de prijsvraag.

13. Datum van verzending van de aankondiging.

AANKONDIGING VAN DE RESULTATEN VAN EEN PRIJSVRAAG

1. Naam, adres, faxnummer en e-mailadres van de aanbestedende dienst.

2. Omschrijving van het project.

3. Totaal aantal deelnemers.

4. Aantal buitenlandse deelnemers.

5. Winnaar(s) van de prijsvraag.

6. Indien van toepassing, prijs- of prijzengeld.

7. Referentienummer van de aankondiging van de prijsvraag.

8. Datum van verzending van de aankondiging.

BIJLAGE 5

REGISTERS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 47, EERSTE LID

ONDERDEEL A

OVERHEIDSOPDRACHTEN VOOR WERKEN

De beroepsregisters, verklaringen of attesten voor elke lidstaat zijn:

– voor België: «Handelsregister – Registre du commerce»;

– voor Denemarken: «Erhvervs-og Selskabsstyrelsen» ;

– voor Duitsland: «Handelsregister» en «Handwerksrolle»;

– voor Griekenland: het Register van erkende ondernemingen («Μητρωο Εργοληπτικων Επιχειρηδεων» – ΜΕΕΠ) van het ministerie voor Milieu, Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken (ΥΠΕΧΩΔΕ);

– voor Spanje: voor rechtspersonen: inschrijving in het «Registro Oficial de Empresas Clasificadas del Ministerio de Hacienda» of gelijkwaardig register naargelang de kenmerken van de betrokken entiteit;

– voor Frankrijk: «Registre du commerce» en «Répertoire des métiers»;

– voor Ierland: «. Een aannemer kan worden verzocht een attest over te leggen van de «Registrar of Companies» of «Registrar of Friendly Societies», of een attest waaruit blijkt dat hij onder ede heeft verklaard het betrokken beroep uit te oefenen in het land waar hij zich op een bepaalde plaats en onder een bepaalde handelsnaam heeft gevestigd.

– voor Italië: «Registro della Camera di commercio, industria, agricoltura e artigianato»;

– voor Luxemburg: «Registre aux firmes» en «Rôle de la chambre des métiers»;

– voor Nederland: «Handelsregister»;

– voor Oostenrijk: «Firmenbuch», «Gewerberegister», «Mitgliederverzeichnisse der Landeskammern»;

– voor Portugal: «Instituto dos Mercados de Obras Públicas e Particulares e do Imobiliário» (IMOPPI);

– voor Finland: «Kaupparekisteri», «Handelsregistren»;

– voor Zweden: «aktiebolags-, handels- eller föreningsregistren»;

– voor het Verenigd Koninkrijk: een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde aannemer wordt geacht te zijn ingeschreven in een handels- of beroepsregister wanneer uit een attest van de «Registrar of Companies» blijkt dat deze aannemer een bedrijf heeft opgericht of wanneer uit een attest blijkt dat de betrokkene onder ede heeft verklaard het betrokken beroep uit te oefenen op een bepaalde plaats en onder een welbepaalde handelsnaam.

ONDERDEEL B

OVERHEIDSOPDRACHTEN VOOR LEVERINGEN

De bedoelde beroeps- of handelsregisters, verklaringen of attesten zijn:

– voor België: «Handelsregister – Registre du commerce»;

– voor Denemarken: «Erhvervs- og Selskabsstyrelsen»;

– voor Duitsland: «Handelsregister» en «Handwerksrolle»;

– voor Griekenland: «Βιοτεχνικο η Εμπορικο η Βιομηχανικο Επιμελητηριο»;

– voor Spanje: voor rechtspersonen: inschrijving in het «Registro Mercantil» of gelijkwaardig register naargelang de kenmerken van de betrokken entiteit;

– voor Frankrijk: «Registre du commerce et des sociétés» en «Répertoire des métiers»;

– voor Ierland: «. Een aannemer kan worden verzocht een attest over te leggen van de «Registrar of Companies» of «Registrar of Friendly Societies», of een attest waaruit blijkt dat hij onder ede heeft verklaard het betrokken beroep uit te oefenen in het land waar hij zich op een bepaalde plaats en onder een bepaalde handelsnaam heeft gevestigd.

– voor Italië: «Registro della Camera di commercio, industria, agricoltura e artigianato» en «Registro delle Commissioni provinciali per l’artigianato»;

– voor Luxemburg: «Registre aux firmes» en «Rôle de la chambre des métiers»;

– voor Nederland: «Handelsregister»;

– voor Oostenrijk: «Firmenbuch», «Gewerberegister», «Mitgliederverzeichnisse der Landeskammern»;

– voor Portugal: «Registo Nacional das Pessoas Colectivas»;

– voor Finland: «Kaupparekisteri», «Handelsregistren»;

– voor Zweden: «aktiebolags-, handels- eller föreningsregistren»;

– voor het Verenigd Koninkrijk: een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde leverancier wordt geacht te zijn ingeschreven in een handels- of beroepsregister wanneer uit een attest van de «Registrar of Companies» blijkt dat hij een bedrijf heeft opgericht of, wanneer uit een attest blijkt dat de betrokkene onder ede heeft verklaard het betrokken beroep uit te oefenen op een bepaalde plaats en onder een bepaalde handelsnaam.

ONDERDEEL C

OVERHEIDSOPDRACHTEN VOOR DIENSTEN

De bedoelde beroeps- of handelsregisters, verklaringen of attesten zijn:

– voor België: «Handelsregister – Registre du commerce» en «Beroepsorden – Ordres professionnels»;

– voor Denemarken: «Erhvervs- og Selskabsstyrelsen»;

– voor Duitsland: «Handelsregister», «Handwerksrolle», «Vereinsregister», Partnerschaftsregister» en «Mitgliedverzeichnisse de Berufskammern der Ländern»;

– voor Griekenland: de dienstverlener kan worden verzocht een onder ede en ten overstaan van een notaris afgelegde verklaring over te leggen betreffende de uitoefening van het betrokken beroep; in de in de geldende wettelijke regeling bepaalde gevallen, voor het verlenen van de in bijlage 2, onderdeel A, vermelde diensten voor onderzoek, het beroepsregister «Μητρωο Μελετητων», alsmede «Μητρωο Γραφειων Μελετων»;

– voor Spanje: voor rechtspersonen: inschrijving in het «Registro Oficial de Empresas Clasificadas del Ministerio de Hacienda» of gelijkwaardig register naargelang de kenmerken van de betrokken entiteit;

– voor Frankrijk: «Registre du commerce et des sociétés» en «Répertoire des métiers»;

– voor Ierland: «. Een aannemer kan worden verzocht een attest over te leggen van de «Registrar of Companies» of «Registrar of Friendly Societies», of een attest waaruit blijkt dat hij onder ede heeft verklaard het betrokken beroep uit te oefenen in het land waar hij zich op een bepaalde plaats en onder een bepaalde handelsnaam heeft gevestigd.

– voor Italië: «Registro della Camera di commercio, industria, agricoltura e artigianato», «Registro delle commissioni provinciali per l’artigianato» of «Consiglio nazionale degli ordini professionali»;

– voor Luxemburg: «Registre aux firmes» en «Rôle de la chambre des métiers»;

– voor Nederland: «Handelsregister»;

– voor Oostenrijk: «Firmenbuch», «Gewerberegister», «Mitgliederverzeichnisse der Landeskammern»;

– voor Portugal: «Registo Nacional das Pessoas Colectivas»;

– voor Finland: «Kaupparekisteri»/«Handelsregistren»;

– voor Zweden: «aktiebolags-, handels- eller föreningsregistren»;

– voor het Verenigd Koninkrijk: een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dienstverlener wordt geacht te zijn ingeschreven in een handels- of beroepsregister wanneer uit een attest van de «Registrar of Companies» blijkt dat hij een bedrijf heeft opgericht of wanneer uit een attest blijkt dat de betrokkene onder ede heeft verklaard het desbetreffende beroep uit te oefenen op een bepaalde plaats en onder een bepaalde handelsnaam.

Transponeringstabel

In de onderstaande tabel wordt aangegeven hoe richtlijn nr. 2004/18/EG in het besluit is uitgevoerd:

Richtlijn nr. 2004/18/EG

Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten

Artikel 1, eerste lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 1, tweede lid, onderdeel a

Artikel 1, onderdeel k

Artikel 1, tweede lid, onderdeel b, eerste volzin

Artikel 1, onderdeel h

Artikel 1, tweede lid, onderdeel b, tweede volzin

Artikel 1, onderdeel g

Artikel 1, tweede lid, onderdeel c, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel i, aanhef en onder 1°

Artikel 1, tweede lid, onderdeel c, tweede alinea

Artikel 1, onderdeel i, aanhef en onder 2°

Artikel 1, tweede lid, onderdeel d, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel j, aanhef en onder 1°

Artikel 1, tweede lid, onderdeel d, tweede alinea

Artikel 1, onderdeel j, aanhef en onder 2°

Artikel 1, derde lid

Artikel 1, onderdeel l

Artikel 1, vierde lid

Artikel 1, onderdeel m

Artikel 1, vijfde lid

Artikel 1, onderdeel n

Artikel 1, zesde lid

Artikel 1, onderdeel o

Artikel 1, zevende lid, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel p

Artikel 1, zevende lid, tweede alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 1, achtste lid, eerste alinea

Artikel 1, onderdelen d, e en f

Artikel 1, achtste lid, tweede alinea

Artikel 1, onderdeel ggg

Artikel 1, achtste lid, derde alinea, eerste volzin

Artikel 1, onderdeel z

Artikel 1, achtste lid, derde alinea, eerste volzin

Artikel 1, onderdeel aa

Artikel 1, negende lid, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel r

Artikel 1, negende lid, tweede alinea, aanhef en onderdelen a, b en c

Artikel 1, onderdeel q

Artikel 1, negende lid, derde alinea, eerste volzin

Behoeft geen implementatie

Artikel 1, negende lid, derde alinea, tweede volzin

Artikel 77, tweede lid

Artikel 1, tiende lid

Artikel 1, onderdeel s

Artikel 1, elfde lid, onderdeel a

Artikel 1, onderdeel t

Artikel 1, elfde lid, onderdeel b

Artikel 1, onderdeel u

Artikel 1, elfde lid, onderdeel c, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel v

Artikel 1, elfde lid, onderdeel c, tweede alinea

Artikel 1, onderdeel w

Artikel 1, elfde lid, onderdeel d

Artikel 1, onderdeel x

Artikel 1, elfde lid, onderdeel e

Artikel 1, onderdeel y

Artikel 1, twaalfde lid

Artikel 1, onderdeel hhh

Artikel 1, dertiende lid

Artikel 1, onderdeel bb

Artikel 1, veertiende lid, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel dd

Artikel 1, veertiende lid, tweede alinea

Artikel 37, tweede lid

Artikel 1, vijftiende lid, onderdeel a

Artikel 1, onderdeel ff

Artikel 1, vijftiende lid, onderdeel b

Artikel 1, onderdeel gg

Artikel 1, vijftiende lid, onderdeel c

Artikel 1, onderdeel hh

Artikel 1, vijftiende lid, onderdeel d

Artikel 1, onderdeel ii

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, eerste lid, eerste alinea

Artikel 4, eerste lid

Artikel 4, eerste lid, tweede alinea

Artikel 4, tweede lid

Artikel 4, tweede lid

Artikel 4, derde tot en met vijfde lid

Artikel 5, eerste volzin

Artikel 1, onder c en artikel 5, tweede lid

Artikel 5, tweede volzin

Behoeft geen implementatie

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7,

Artikel 7

Artikel 8, eerste alinea

Artikel 8, eerste lid

Artikel 8, tweede alinea

Artikel 8, tweede lid

Artikel 9, eerste lid, eerste alinea

Artikel 9, eerste lid

Artikel 9, eerste lid, tweede alinea

Artikel 9, tweede lid

Artikel 9, tweede lid

Artikel 9, derde lid

Artikel 9, derde lid

Artikel 9, vierde lid

Artikel 9, vierde lid

Artikel 9, vijfde lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, eerste alinea

Artikel 9, zesde lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, tweede alinea

Artikel 9, zevende lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, derde alinea

Artikel 9, achtste lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel b, eerste alinea

Artikel 9, negende lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel b, tweede alinea

Artikel 9, tiende lid

Artikel 9, vijfde lid, onderdeel b, derde alinea

Artikel 9, elfde lid

Artikel 9, zesde lid

Artikel 9, twaalfde lid

Artikel 9, zevende lid, aanhef en onder a en b

Artikel 9, dertiende lid

Artikel 9, zevende lid, tweede alinea

Artikel 9, veertiende lid

Artikel 9, achtste lid

Artikel 9, vijftiende lid

Artikel 9, negende lid

Artikel 9, zestiende lid

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 18

Artikel 12, eerste alinea

Artikel 11, eerste lid

Artikel 12, tweede alinea

Artikel 11, tweede lid

Artikel 13

Artikel 12

Artikel 14

Artikel 13

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 16

Artikel 18

Artikel 17

Artikel 19

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 22

Artikel 23, eerste lid, eerste volzin

Artikel 23, eerste lid

Artikel 23, eerste lid, tweede volzin

Behoeft geen implementatie (geregeld in Afdelingen 4.2 tot en met 4.4 van het Bouwbesluit 2003)

Artikel 23, tweede lid

Artikel 23, tweede lid

Artikel 23, derde lid

Artikel 23, derde en vierde lid

Artikel 23, vierde lid, eerste alinea

Artikel 23, vijfde lid

Artikel 23, vierde lid, tweede alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 23, vijfde lid, eerste alinea

Artikel 23, zesde lid

Artikel 23, vijfde lid, tweede alinea

Artikel 23, zevende lid

Artikel 23, vijfde lid, derde alinea

Behoeft geen implementatie (in nota van toelichting opgenomen)

Artikel 23, zesde lid, eerste alinea

Artikel 23, achtste lid

Artikel 23, zesde lid, tweede alinea

Artikel 23, negende lid

Artikel 23, zevende lid, eerste alinea

Artikel 1, onderdeel jj

Artikel 23, zevende lid, tweede alinea

Artikel 23, tiende lid

Artikel 23, achtste lid, eerste volzin

Artikel 23, elfde lid

Artikel 23, achtste lid, tweede volzin

Artikel 23, twaalfde lid

Artikel 24

Artikel 24

Artikel 25, eerste volzin

Artikel 25

Artikel 25, tweede volzin

Behoeft geen implementatie (want dit volgt reeds uit het besluit)

Artikel 26

Artikel 26

Artikel 27, eerste lid

Artikel 27, eerste lid

Artikel 27, tweede lid, eerste alinea

Artikel 27, tweede lid

Artikel 27, tweede lid, tweede alinea

Behoeft geen implementatie (want dit volgt reeds uit het besluit)

Artikel 28, eerste volzin

Behoeft geen implementatie

Artikel 28, tweede tot en met vierde volzin

Artikel 28

Artikel 29, eerste lid, eerste alinea

Artikel 29, eerste lid

Artikel 29, eerste lid, tweede alinea

Artikel 29, tweede lid

Artikel 29, tweede lid

Artikel 29, derde lid

Artikel 29, derde lid, eerste alinea

Artikel 29, vierde lid

Artikel 29, derde lid, tweede alinea

Artikel 29, vijfde lid

Artikel 29, derde lid, derde alinea

Artikel 29, zesde lid

Artikel 29, vierde lid

Artikel 29, zevende lid

Artikel 29, vijfde lid

Artikel 29, achtste lid

Artikel 29, zesde lid, eerste alinea, eerste volzin

Artikel 29, negende lid

Artikel 29, zesde lid, eerste alinea, tweede volzin

Artikel 29, tiende lid

Artikel 29, zesde lid, tweede alinea, eerste volzin

Artikel 29, elfde lid

Artikel 29, zesde lid, tweede alinea, tweede volzin

Artikel 29, twaalfde lid

Artikel 29, zevende lid, eerste alinea

Artikel 29, dertiende lid

Artikel 29, zevende lid, tweede alinea

Artikel 29, veertiende lid

Artikel 29, achtste lid

Artikel 29, vijftiende lid

Artikel 30, eerste lid

Artikel 30, eerste en tweede lid

Artikel 30, tweede lid

Artikel 30, derde lid

Artikel 30, derde lid

Artikel 30, vierde lid

Artikel 30, vierde lid

Artikel 30, vijfde lid

Artikel 31, aanhef en onderdeel 1)

Artikel 31, eerste lid

Artikel 31, aanhef en onderdeel 2)

Artikel 31, tweede lid

Artikel 31, aanhef en onderdeel 3)

Artikel 31, derde lid

Artikel 31, aanhef en onderdeel 4)

Artikel 31, vierde lid

Artikel 32, eerste lid

Artikel 32, eerste lid

Artikel 32, tweede lid, eerste alinea

Artikel 32, tweede lid

Artikel 32, tweede lid, tweede alinea

Artikel 32, derde lid

Artikel 32, tweede lid, derde alinea

Artikel 32, vierde lid

Artikel 32, tweede lid, vierde alinea

Artikel 32, vijfde lid

Artikel 32, tweede lid, vijfde alinea

Artikel 32, zesde lid

Artikel 32, derde lid, eerste alinea

Artikel 32, zevende lid

Artikel 32, derde lid, tweede alinea

Artikel 32, achtste lid

Artikel 32, vierde lid, eerste alinea

Artikel 32, negende lid

Artikel 32, vierde lid, tweede alinea

Artikel 32, tiende lid

Artikel 33, eerste lid

Artikel 33, eerste lid

Artikel 33, tweede lid

Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid

Artikel 33, derde lid

Artikel 33, zesde lid

Artikel 33, vierde lid

Artikel 33, zevende tot en met tiende lid

Artikel 33, vijfde lid

Artikel 33, elfde tot en met dertiende lid

Artikel 33, zesde lid

Artikel 33, veertiende en vijftiende lid

Artikel 33, zevende lid

Artikel 33, zestiende tot en met achttiende lid

Artikel 34

Artikel 34

Artikel 35, eerste lid, eerste alinea, aanhef en onderdelen a, b en c

Artikel 35, eerste tot en met vierde lid

Artikel 35, eerste lid, onderdeel a, tweede alinea

Artikel 37, eerste lid

Artikel 35, eerste lid, tweede alinea

Artikel 35, vijfde lid

Artikel 35, eerste lid, derde alinea

Artikel 35, zesde lid

Artikel 35, eerste lid, vierde alinea

Artikel 35, achtste lid

Artikel 35, eerste lid, vijfde alinea

Behoeft geen implementatie (zie artikel 38)

Artikel 35, eerste lid, zesde alinea

Behoeft geen implementatie (is is artikel 38 geregeld)

Artikel 35, tweede lid

Artikel 35, negende lid

Artikel 35, derde lid, eerste alinea

Artikel 35, tiende lid

Artikel 35, derde lid, tweede alinea

Artikel 35, elfde lid

Artikel 35, vierde lid, eerste alinea

Artikel 35, twaalfde lid

Artikel 35, vierde lid, tweede alinea

Artikel 35, dertiende lid

Artikel 35, vierde lid, derde alinea

Artikel 35, veertiende en vijftiende lid

Artikel 35, vierde lid, vierde alinea

Artikel 35, zestiende lid

Artikel 35, vierde lid, vijfde alinea

Artikel 35, zeventiende lid

Artikel 36, eerste lid en tweede lid, derde alinea

Artikel 36, eerste lid

Artikel 36, tweede lid

Artikel 36, tweede en derde lid

Artikel 36, derde lid

Behoeft geen implementatie (norm is gericht tot de Commissie)

Artikel 36, vierde lid

Behoeft geen implementatie (norm is gericht tot de Commissie)

Artikel 36, vijfde lid, eerste alinea

Artikel 36, vierde lid

Artikel 36, vijfde lid, tweede alinea

Artikel 36, vijfde lid

Artikel 36, vijfde lid, derde alinea

Artikel 36, zesde lid

Artikel 36, zesde lid

Artikel 36, zevende lid

Artikel 36, zevende lid

Artikel 36, achtste lid

Artikel 36, achtste lid

Artikel 36, negende lid

Artikel 37

Behoeft geen implementatie

Artikel 38, eerste lid

Artikel 38, eerste lid

Artikel 38, tweede lid

Artikel 38, tweede lid

Artikel 38, derde lid, aanhef en onderdeel a

Artikel 38, derde lid

Artikel 38, derde lid, aanhef en onderdeel b

Artikel 38, vierde lid

Artikel 38, vierde lid, eerste en tweede alinea

Artikel 38, vijfde lid

Artikel 38, vierde lid, derde alinea

Artikel 38, zesde lid

Artikel 38, vijfde lid

Artikel 38, zevende lid

Artikel 38, zesde lid

Artikel 38, achtste en negende lid

Artikel 38, zevende lid

Artikel 38, tiende lid

Artikel 38, achtste lid

Artikel 38, elfde lid

Artikel 39

Artikel 39

Artikel 40, eerste lid

Artikel 40, eerste lid

Artikel 40, tweede lid

Artikel 40, tweede lid

Artikel 40, derde lid

Artikel 40, derde en vierde lid

Artikel 40, vierde lid

Artikel 40, vijfde en zesde lid

Artikel 40, vijfde lid, eerste alinea

Artikel 40, zevende lid

Artikel 40, vijfde lid, tweede alinea

Artikel 40, achtste lid

Artikel 41, eerste lid

Artikel 41, eerste lid

Artikel 41, tweede lid, eerste alinea, eerste streepje en tweede alinea

Artikel 41, tweede lid

Artikel 41, tweede lid, eerste alinea, tweede streepje en tweede alinea

Artikel 41, derde lid

Artikel 41, tweede lid, eerste alinea, derde streepje en tweede alinea

Artikel 41, vierde lid

Artikel 41, derde lid

Artikel 41, vijfde lid

Artikel 42, eerste lid

Artikel 42, eerste lid

Artikel 42, tweede lid

Artikel 42, tweede lid

Artikel 42, derde lid

Artikel 42, derde en vierde lid

Artikel 42, vierde lid

Artikel 42, vijfde lid

Artikel 42, vijfde lid, aanhef

Artikel 42, zesde lid

Artikel 42, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, eerste volzin

Artikel 42, zevende lid

Artikel 42, vijfde lid, onder a, tweede volzin

Artikel 42, tiende lid

Artikel 42, vijfde lid, onder b

Artikel 42, achtste lid

Artikel 42, vijfde lid, onder c

Artikel 42, elfde lid

Artikel 42, vijfde lid, onder d

Artikel 42, negende lid

Artikel 42, zesde lid, aanhef en onder a en b

Artikel 42, twaalfde tot en met veertiende lid

Artikel 42, zesde lid, onder c

Dit onderdeel behoeft geen implementatie, omdat een fax reeds zonder bevestiging per post of langs elektronische weg als «wettig bewijs» van een verzoek tot deelneming geldt

Artikel 43

Artikel 43

Artikel 44, eerste lid

Artikel 44, eerste lid

Artikel 44, tweede lid, eerste alinea

Artikel 44, tweede lid

Artikel 44, tweede lid, tweede en derde alinea

Artikel 44, derde lid

Artikel 44, derde lid, eerste alinea

Artikel 44, vierde lid

Artikel 44, derde lid, tweede alinea

Artikel 44, vijfde lid

Artikel 44, derde lid, derde alinea

Artikel 44, zesde en zevende lid

Artikel 44, vierde lid

Artikel 44, achtste lid

Artikel 45, eerste lid, eerste alinea

Artikel 45, eerste lid

Artikel 45, eerste lid, tweede alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 45, eerste lid, derde alinea

Artikel 45, tweede lid

Artikel 45, eerste lid, vierde alinea

Artikel 45, vierde lid

Artikel 45, tweede lid

Artikel 45, derde lid

Artikel 45, derde lid

Artikel 46

Artikel 45, vierde lid

Artikel 46, vijfde lid

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 52, eerste lid

Artikel 53, eerste tot en met derde lid

Artikel 52, tweede lid

Artikel 53, vierde lid

Artikel 52, derde lid

Artikel 53, vijfde lid

Artikel 52, vierde lid

Artikel 53, vijfde en zesde lid

Artikel 52, vijfde lid

Artikel 53, vijfde en achtste lid

Artikel 52, zesde lid

Artikel 53, negende lid

Artikel 52, zevende lid

Artikel 53, tiende lid

Artikel 52, achtste lid

Artikel 53, elfde en twaalfde lid

Artikel 53, eerste lid

Artikel 54, eerste lid

Artikel 53, tweede lid

Artikel 54, tweede en derde lid

Artikel 54, eerste lid

Behoeft geen implementatie

Artikel 54, tweede lid

Artikel 56, eerste tot en met derde lid

Artikel 54, tweede lid, tweede alinea

Artikel 56, eerste en tweede lid

Artikel 54, tweede lid, derde alinea

Artikel 56, derde lid

Artikel 54, derde lid, eerste alinea

Artikel 56, vierde lid

Artikel 54, derde lid, tweede alinea

Artikel 56, vijfde lid

Artikel 54, vierde lid

Artikel 56, zesde tot en met het tiende lid

Artikel 54, vijfde lid

Artikel 56, elfde tot en met het dertiende lid

Artikel 54, zesde lid

Artikel 56, veertiende tot en met het zestiende lid

Artikel 54, zevende lid

Artikel 56, zeventiende en achttiende lid

Artikel 54, achtste lid

Artikel 56, negentiende en twintigste lid

Artikel 55, eerste lid, eerste alinea

Artikel 57, eerste lid

Artikel 55, eerste lid, tweede alinea

Artikel 57, tweede lid

Artikel 55, tweede lid

Artikel 57, derde lid

Artikel 55, derde lid, eerste volzin

Artikel 57, vierde lid

Artikel 55, derde lid, tweede volzin

Artikel 57, vijfde lid

Artikel 56

Artikel 58

Artikel 57

Artikel 59

Artikel 58

Artikel 60

Artikel 59, eerste alinea

Artikel 61, eerste lid

Artikel 59, tweede alinea

Artikel 61, tweede lid

Artikel 60

Artikel 62

Artikel 61

Artikel 63

Artikel 62

Behoeft geen implementatie (geregeld in artikel 7)

Artikel 63, eerste lid, eerste en tweede alinea

Artikel 64, eerste lid en artikel 62, tweede lid

Artikel 63, eerste lid, derde alinea

Artikel 64, tweede lid

Artikel 63, tweede lid, eerste alinea

Artikel 64, derde lid

Artikel 63, tweede lid, tweede alinea

Artikel 1, onderdeel kk

Artikel 63, tweede lid, derde alinea

Artikel 64, vierde lid

Artikel 64, eerste lid

Artikel 65, eerste lid

Artikel 64, tweede lid

Artikel 65, tweede lid

Artikel 64, derde en vierde lid

Artikel 65, derde lid

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 66, eerste lid

Artikel 67, eerste lid

Artikel 66, tweede lid

Behoeft geen implementatie (geregeld in artikelen 2 en 4)

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 68

Artikelen 11 tot en met 14

Artikel 69, eerste en tweede lid

Artikel 70, eerste tot en met derde lid

Artikel 69, derde lid

Behoeft geen implementatie (want dit volgt reeds uit het besluit)

Artikel 70

Artikel 71

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 73

Artikel 74

Artikel 74

Artikel 75

Artikel 75

Artikel 77

Artikel 76

Artikel 77

Artikel 77

Behoeft geen implementatie

Artikel 78

Behoeft geen implementatie

Artikel 79

Behoeft geen implementatie

Artikel 80

Behoeft geen implementatie

Artikel 81, eerste alinea

Artikel 76

Artikel 81, tweede alinea

Behoeft geen implementatie

Artikel 82

Behoeft geen implementatie

Artikel 83

Behoeft geen implementatie

Artikel 84

Behoeft geen implementatie

Bijlage I

Bijlage 1

Bijlage II

Bijlage 2

Bijlage III

Behoeft geen implementatie (opgenomen in lijst op internet)

Bijlage IV

Behoeft geen implementatie

Bijlage V

Bijlage 3

Bijlage VI

Artikel 1, onder ll tot en met ss

Bijlage VII

Bijlage 4

Bijlage VIII, onderdeel 1, onder a

Artikel 35, derde lid

Artikel 36, tweede lid

Artikel 59, tweede lid

Artikel 65, tweede lid

Artikel 71, eerste lid

Bijlage VIII, onderdeel 1, onder b

Artikel 35, vijfde en zevende lid

Artikel 36, vijfde lid

Artikel 60, derde lid

Artikel 65, derde lid

Artikel 71, tweede lid

Bijlage VIII, onderdeel 1, onder c

Behoeft geen implementatie

Bijlage VIII, onderdeel 2, onder a

Behoeft geen implementatie

Bijlage VIII, onderdeel 2, onder b

Artikel 35, vierde lid

Bijlage VIII, onderdeel 3

Artikel 35, achtste lid, artikel 36, tweede, derde en zevende lid en artikel 38, zevende en elfde lid

Bijlage IX

Bijlage 5

Bijlage X

Artikel 42, tiende lid en artikel 72, derde lid

Bijlage XI

Behoeft geen implementatie

Bijlage XII

Behoeft geen implementatie


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 oktober 2005, nr. 197.