Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2005, 391AMvB

Besluit van 16 juli 2005, houdende regels op het gebied van pensioen ter uitvoering van een aantal onderwerpen uit de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/05/35584;

Gelet op de artikelen 2, achtste lid, 17, zevende lid, en 28 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2005, nr. W12.05.0204/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juli 2005, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/05/49354;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

    – deelnemingsjaren: perioden als bedoeld in artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

    – pensioenuitvoerder: bestuur van een pensioenfonds, spaarfonds, beroepspensioenfonds of verzekeraar;

    – waardeoverdracht: afkoop van pensioen of aanspraken op pensioen, onder aanwending van de afkoopsom voor het verwerven van pensioen of aanspraken op pensioen bij een andere pensioenuitvoerder;

    – wet: Pensioen- en spaarfondsenwet.

  • 2. In dit besluit wordt mede verstaan onder deelnemer: verzekerde als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet.

§ 2. Nadere regels 40-deelnemingsjarenpensioen

Artikel 2. Informatie over deelnemingsjaren

  • 1. Een pensioenuitvoerder verstrekt binnen drie maanden na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer een opgave van de geadministreerde deelnemingsjaren en alle schriftelijke bescheiden die de perioden, voorafgaand aan een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht naar de pensioenuitvoerder, kunnen staven die als deelnemingsjaren kunnen worden aangemerkt.

  • 2. De opgave van de geadministreerde deelnemingsjaren bevat tevens:

    a. een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de perioden waarin de geadministreerde deelnemingsjaren zijn opgebouwd; en

    b. een zo nauwkeurig mogelijke opgave van de deeltijdfactor per geadministreerd deelnemingsjaar.

  • 3. De pensioenuitvoerder kan een vergoeding vragen voor de aan de verstrekking van de opgave verbonden kosten.

Artikel 3. Deelnemingsjaren en waardeoverdracht

  • 1. In geval van waardeoverdracht verstrekt de overdragende pensioenuitvoerder aan de overnemende pensioenuitvoerder bij de opgave, bedoeld in artikel 4 van het Besluit reken- en procedureregels waardeoverdracht, een opgave van de geadministreerde deelnemingsjaren als bedoeld in artikel 2. Tevens verstrekt de pensioenuitvoerder alle schriftelijke bescheiden die de als deelnemingsjaren aan te merken perioden, voorafgaand aan een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht naar de overdragende pensioenuitvoerder, kunnen staven.

  • 2. De overnemende pensioenuitvoerder administreert de deelnemingsjaren, opgegeven door de overdragende pensioenuitvoerder en de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid, en de met de in het eerste lid bedoelde bescheiden gestaafde deelnemingsjaren, of bewaart deze bescheiden.

§ 3. Uitstel financiering van over het verleden in te kopen pensioenruimte

Artikel 4. Uitstel financiering van over het verleden in te kopen pensioenruimte

  • 1. Aanspraken die worden toegezegd op de wijze, bedoeld in dit artikel, en die zullen worden verkregen door middel van inkoop over perioden in het verleden waarin minder pensioenaanspraken zijn opgebouwd dan op basis van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 is toegestaan, hoeven niet evenredig in de tijd te worden opgebouwd en gefinancierd. In afwijking van artikel 1 van het Besluit pensioentoezegging, is de in de eerste volzin bedoelde toezegging geen toezegging omtrent pensioen zo lang en voor zover de toegezegde aanspraak nog niet is gefinancierd.

  • 2. De opbouw en financiering vinden plaats binnen een termijn van vijftien jaren na de datum waarop de werkgever de toezegging, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan of, indien de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het pensioen voor het verstrijken van de termijn van vijftien jaren ligt, voor die ingangsdatum.

  • 3. Aanspraken als bedoeld in het eerste lid kunnen worden toegezegd gedurende twee jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

  • 4. De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de aanspraken, bedoeld in het eerste lid. De in het vijfde lid vervatte tekst wordt door de pensioenuitvoerder opgenomen in:

    a. de eerste schriftelijke informatieverstrekking aan de deelnemer of gewezen deelnemer dat er aanspraken over verstreken dienstjaren met uitgestelde financiering worden toegezegd;

    b. de jaarlijkse opgaven, bedoeld in artikel 5;

    c. de schriftelijke informatie over de in dit artikel bedoelde toezegging die op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer wordt verstrekt.

  • 5. Het pensioen dat voor u zal worden ingekocht omdat u in het verleden gedurende uw dienstbetrekking(en) een of meer perioden hebt gehad waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Wanneer uw deelname aan de pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft u alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Indien bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor u is ingekocht en opgebouwd, heeft u dus ook geen recht op dit deel van uw toezegging. Als aan u is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, dan moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaren nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer u binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van uw pensionering. Een eenmaal gedane toezegging tot inkoop van aanspraken over het verleden kan in beginsel niet worden ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 5. Jaarlijkse opgave van door financiering ontstane pensioenaanspraken

Bij toepassing van artikel 4 verstrekt een pensioenuitvoerder gedurende de periode dat de toegezegde aanspraken nog niet of niet volledig zijn gefinancierd jaarlijks aan de betrokken deelnemer informatie over de in totaal toegezegde aanspraken en de reeds gefinancierde pensioenaanspraken.

§ 4. Opgave en berekening premievrije waarde prepensioenaanspraken

Artikel 6. Opgave op basis van premievrije waarde prepensioenaanspraken

  • 1. De pensioenuitvoerder verstrekt de opgave, bedoeld in artikel 17, zesde lid, van de wet, binnen een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

  • 2. De opgave bevat:

    a. indien de pensioenregeling deze mogelijkheid biedt, de aanspraken op extra ouderdomspensioen voor de situatie waarin de premievrije waarde wordt omgezet in ouderdomspensioenaanspraken;

    b. de afkoopsom voor de situatie waarin de premievrije waarde wordt aangewend ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, van de deelnemer of gewezen deelnemer; en

    c. de aanspraken op een of meerdere pensioenuitkeringen voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaren bereikt.

Artikel 7. Rekenregels premievrije waarde

  • 1. Pensioenfondsen, spaarfondsen en beroepspensioenfondsen berekenen:

    a. de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 32ba, eerste lid, van de wet;

    b. de afkoopsom, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, op basis van de actuariële grondslagen; en

    c. de aanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, overeenkomstig artikel 8, tweede en tiende lid, van de wet.

  • 2. Verzekeraars berekenen:

    a. de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 16b, eerste lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet;

    b. de afkoopsom, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, op basis van de actuariële grondslagen; en

    c. de aanspraken, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, overeenkomstig artikel 9, tweede en negende lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet.

  • 3. Wanneer de in de pensioenregeling van de betrokken deelnemer of gewezen deelnemer vastgestelde ingangsdatum van het pensioen lager is dan 65 jaren, vinden de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, onderdelen b en c, plaats na eerst de premievrije waarde van de totale evenredige aanspraken in de pensioenregeling te hebben verminderd met de evenredige aanspraken in de pensioenregeling voor zover die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaren worden uitgekeerd.

  • 4. In dit artikel wordt onder de actuariële grondslagen verstaan:

    a. de grondslagen die een pensioenfonds, spaarfonds of beroepspensioenfonds volgens zijn actuariële en bedrijfstechnische nota hanteert voor de waardering van zijn pensioenverplichtingen; onderscheidenlijk

    b. de actuariële methoden die een verzekeraar op basis van artikel 5 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.

Artikel 8. Binnen twee maanden verzoek tot afkoop ten behoeve van levensloopregeling

Indien de deelnemer of gewezen deelnemer in de gelegenheid wordt gesteld zijn aanspraken, opgebouwd ten behoeve van een pensioenuitkering voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaren bereikt, aan te wenden ten behoeve van een voor de deelnemer of gewezen deelnemer bestemde levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 en de deelnemer of gewezen deelnemer daarvan gebruik wil maken, dient de deelnemer of gewezen deelnemer binnen twee maanden na ontvangst van de opgave, bedoeld in artikel 6, een daartoe strekkend verzoek bij de pensioenuitvoerder in.

Artikel 9. Afkoop ten behoeve van levensloopregeling binnen een maand

De overdragende pensioenuitvoerder betaalt de afkoopsom binnen een maand na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek, bedoeld in artikel 8, aan de uitvoerder van de levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

§ 5. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 11. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 16 juli 2005

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Uitgegeven de achtentwintigste juli 2005

De Minister van Justitie a.i.,

M. C. F. Verdonk

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 1 januari 2005 is in werking getreden de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115). Deze wet wordt in dit besluit op een aantal onderdelen nader uitgewerkt. Het betreft hier met name onderdelen die zijn voortgekomen uit het op 5 november 2004 gesloten Sociaal Akkoord tussen kabinet en sociale partners.

Dit akkoord had onder andere als consequentie dat een fiscaal gefacilieerd 40-deelnemingsjarenpensioen in de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling is opgenomen en dat de mogelijkheid tot uitstel van de financiering van de toegezegde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren geïntroduceerd is.

Inhoud besluit

In dit besluit wordt een drietal onderwerpen geregeld. Ten eerste betreft dit regels ten aanzien van de verplichting van pensioenuitvoerders om deelnemingsjaren te administreren, waaronder de verplichting om mee te werken aan verzoeken om informatie van deelnemers of gewezen deelnemers betreffende periodes van deelname in de pensioenregeling. Verder wordt vastgelegd op welke wijze de waardebepaling van de pensioenaanspraken die bestemd zijn voor pensionering vóór 65 jaar, en die zijn opgebouwd tot 1 januari 2006, moet plaatsvinden. Er wordt in dat kader een onderscheid gemaakt tussen de omzetting in ouderdomspensioen, de aanwending van de afkoopsom voor een storting in de levensloopregeling en de situatie waarin de premievrije aanspraken de huidige bestemming behouden. Voorts bevat dit besluit bepalingen betreffende de mogelijkheid tot uitstel van de financiering van de toegezegde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren. Hierna worden deze onderdelen afzonderlijk verder toegelicht.

40-deelnemingsjarenpensioen

Op grond van artikel 18e van de Wet op de loonbelasting 1964 is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om in aanvulling op het ouderdomspensioen een fiscaal gefacilieerd 40-deelnemingsjarenpensioen op te bouwen. Onder deelnemingsjaren moeten worden verstaan concrete (kalender)jaren waarin sprake is (geweest) van een dienstverband, terwijl tevens in die jaren is deelgenomen in de pensioenregeling. Dit kunnen ook (kalender)jaren zijn waarover door pensioeninkoop achteraf alsnog pensioen is opgebouwd, dan wel dat een wachttijd geldt, met als gevolg dat iemand pas met terugwerkende kracht in de regeling wordt opgenomen. Dit begrip deelnemingsjaren is dus niet in alle gevallen identiek aan het in veel pensioenregelingen gehanteerde begrip «dienstjaren». Met name bij waardeoverdracht zal het aantal (ingekochte) dienstjaren veelal niet overeenkomen met de daadwerkelijk in de oude regeling doorgebrachte deelnemingsjaren.

De toekenning van een aanspraak op een 40-deelnemingsjarenpensioen is mogelijk indien en vanaf het moment dat een werknemer 40 deelnemingsjaren heeft bereikt. In artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is inmiddels vastgelegd welke perioden als deelnemingsjaren in aanmerking genomen mogen worden, onder de voorwaarde dat met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen. Voorbeelden van dergelijke bescheiden zijn de jaarlijkse pensioenopgaven, intreed- en uittreedberichten van de pensioenuitvoerder, pensioenpolissen, arbeidsovereenkomst voor zover hierin melding wordt gemaakt van deelname in de pensioenregeling e.d. Onder schriftelijke bescheiden zijn tevens te verstaan bescheiden die via elektronische informatiedragers beschikbaar zijn.

Er kan niet worden volstaan met het opgeven van een aantal jaren. Er moet tevens worden opgegeven op welke perioden dit aantal jaren betrekking heeft. Daarnaast zal vanaf inwerkingtreding van dit besluit de deeltijdfactor per geadministreerd deelnemingsjaar moeten worden opgegeven. Voor zover dit over periodes hieraan voorafgaand niet te achterhalen is, kan worden volstaan met opgave van de gewogen gemiddelde deeltijdfactor. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het voor het deelnemingsjarenpensioen geldende maximum van 70% van het laatste pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de deeltijdfactor niet van belang is voor de bepaling van het aantal deelnemingsjaren.

Om het voor een potentiële rechthebbende mogelijk te maken deelnemingsjaren aan te tonen, is in artikel 17, achtste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet vastgelegd dat pensioenuitvoerders worden verplicht om vanaf 1 januari 2005 bij iedere regeling, waaronder ook beroepspensioenregelingen, voor iedere deelnemer te registreren gedurende welke perioden de belanghebbende deelnemer is of is geweest in de pensioenregeling van de uitvoerder. Daarbij geldt een berekening op basis van kalenderjaren (voorbeeld: 6 maanden opbouw ouderdomspensioen binnen een kalenderjaar telt mee als een half deelnemingsjaar, 12 maanden opbouw ouderdomspensioen binnen een kalenderjaar op basis van een 50% parttime dienstverband is één deelnemingsjaar).

Zoals hiervoor al is aangegeven kan een deelnemingsjaar dus afwijken van het dienstjarenbegrip, zoals dat in diverse pensioenregelingen wordt gehanteerd, onder meer als gevolg van waardeoverdrachten, waarbij inkomende overdrachtswaarde wordt vertaald naar een met die waarde corresponderend (fictief) aantal dienstjaren binnen de nieuwe regeling. In situaties van waardeoverdracht wordt de overdragende pensioenuitvoerder daarom verplicht om tevens aan de overnemende pensioenuitvoerder opgave te doen van het aantal deelnemingsjaren (met de perioden waarop deze zijn gebaseerd en de deeltijdfactor) in de oude regeling en moet de overnemende pensioenuitvoerder deze gegevens in de eigen administratie vastleggen. Voorts is een pensioenuitvoerder verplicht om op verzoek van een deelnemer of gewezen deelnemer opgave te doen van de deelnemingsjaren (en de eventuele deeltijdfactor) in de pensioenregeling, zoals die op grond van de bovengenoemde verplichting zijn geregistreerd door deze pensioenuitvoerder.

Indien gedurende 40 jaar sprake is van twee gelijktijdig vervulde dienstbetrekkingen op grond waarvan wordt deelgenomen in een pensioenregeling kan bij beide pensioenregelingen een 40-deelnemingsjarenpensioen worden opgebouwd. Dit kan niet tot overcompensatie leiden omdat uiteindelijk niet meer kan worden verkregen dan de aanvulling tot 70% van het in beide dienstbetrekkingen laatstverdiende loon.

Relatie met pensioenverevening bij scheiding

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) bepaalt hoe pensioenaanspraken verevend worden indien betrokkenen hierover zelf geen afspraken maken. Dit besluit regelt hierover verder niets. Wel volgt hierna ter verduidelijking een toelichting.

De toezegging van het 40-deelnemingsjarenpensioen is in beginsel een pensioen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, en daarmee ook een pensioen waarvoor recht op pensioenverevening bestaat. Echter, van een pensioentoezegging en een opgebouwde aanspraak kan pas sprake zijn indien aan de voorwaarden voor het 40-deelnemingsjarenpensioen is voldaan. Voordien kan aan het feit dat een regeling een 40-deelnemingsjarenpensioen kent, géén recht worden ontleend.

Vanaf het moment dat de 40 deelnemingsjaren zijn bereikt en er ook een toezegging voor een 40-deelnemingsjarenpensioen is gedaan, is er sprake van pensioen in de zin van artikel 4, onderdeel d, van de Wet VPS.

Er is bij dit pensioen geen sprake van opbouw in de tijd; op het moment dat aan de voorwaarden is voldaan, bestaat er direct een volledig recht. Indien er dus een scheiding plaatsvindt nadat voor het 40-deelnemingsjarenpensioen is gekwalificeerd, moet dit pensioenrecht worden betrokken bij een verzoek om pensioenverevening.

De hoogte van het recht kan echter pas worden vastgesteld op het moment dat de werknemer daadwerkelijk met pensioen gaat. In geval van echtscheiding nádat voor het pensioen is gekwalificeerd, maar vóórdat de werknemer daadwerkelijk met pensioen gaat, zal vanwege dit aanvullende karakter van het pensioen de feitelijke hoogte van het recht op uitbetaling aan de ex-echtgenoot pas kunnen worden bepaald bij ingang van het pensioen.

Affinancieringsregeling bij inkoop van pensioen

Naar aanleiding van de afspraken die in het Sociaal Akkoord zijn gemaakt, wordt met dit besluit nader invulling gegeven aan de wijze waarop de affinanciering van de toegezegde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren mag worden vormgegeven. De fiscale mogelijkheden tot inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren worden met dit besluit dus niet gewijzigd. Alleen de mogelijkheden tot affinanciering van in te kopen pensioen worden tijdelijk verruimd. Onder inkoop van pensioen wordt in dit besluit mede verstaan het alsnog over het verleden opbouwen van pensioen bij dezelfde werkgever; de term inkoop van pensioen wordt meestal gebruikt voor de inkoop van pensioen over dienstjaren bij een andere werkgever.

Specifiek in de situatie van fiscaal gefacilieerde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren wordt gedurende twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit de mogelijkheid geboden om een pensioentoezegging te doen, waarbij de affinanciering van de toegezegde aanspraken, al dan niet evenredig, binnen een maximale periode van 15 jaar moet plaatsvinden. De toegestane maximale periode van affinanciering is korter wanneer de ingangsdatum van het pensioen binnen de voornoemde periode van 15 jaar ligt. In dat geval zal het in te kopen pensioen over verstreken dienstjaren uiterlijk op de dag vóór de ingangsdatum van het pensioen volledig afgefinancierd moeten zijn.

Een toezegging tot inkoop van pensioen over achterliggende dienstjaren, waarbij gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot uitstelfinanciering, is (nog) geen pensioentoezegging in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Dat karakter krijgt de toezegging pas geleidelijk naar rato van de mate waarin er opbouw en financiering van de aanspraken plaatsvindt. Voorzover er nog geen financiering en opbouw van aanspraken heeft plaatsgevonden, is de toezegging tot inkoop van pensioen over achterliggende dienstjaren op basis van uitstelfinanciering vergelijkbaar met bijvoorbeeld een toezegging in het kader van een VUT-regeling. Voorzover er wel financiering en opbouw van ingekochte aanspraken over achterliggende dienstjaren heeft plaatsgevonden, is sprake van een pensioentoezegging in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Aangezien een toezegging tot inkoop van pensioen over achterliggende dienstjaren, waarbij aan de vrijwaringclausule wordt voldaan, geen toezegging als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet is tot het moment van affinanciering, is hiervoor geen wettelijke grondslag noodzakelijk. Dat geldt immers ook niet voor andere toezeggingen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer. Op het moment dat de aanspraken daadwerkelijk worden ingekocht, krijgen zij echter een onvoorwaardelijk pensioenkarakter en is de Pensioen- en spaarfondsenwet volledig van toepassing.

Om eventuele onduidelijkheden weg te nemen, is artikel 4, eerste lid, van het besluit bepaald dat in afwijking van artikel 1 van het Besluit pensioentoezegging geen sprake is van een toezegging omtrent pensioen zolang deze toezegging op de wijze, beschreven in artikel 4, is gedaan. De grondslag voor deze bepaling is gelegen in artikel 2, achtste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Nadat de toegezegde aanspraak is gefinancierd, is er sprake van een pensioenaanspraak in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Pensioenaanspraken die worden ingekocht over verstreken dienstjaren kunnen collectief worden gefinancierd door hantering van een opslag in de doorsneepremie. Uiteraard blijft ook financiering op andere wijzen mogelijk, bijvoorbeeld door middel van een actuariële premie of financiering uit de reserves.

De termijn van twee jaar, waarin de mogelijkheid tot het toekennen van een aanspraak met uitstelfinanciering bij de inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren wordt geboden, biedt een goede balans tussen enerzijds de wens van de sociale partners om voldoende tijd te hebben om van deze mogelijkheid gebruik te maken en anderzijds de wens van de wetgever om niet te lang van de hoofdregel af te wijken, die directe affinanciering van pensioenaanspraken conform artikel 7a van de Pensioen- en Spaarfondsenwet eist.

Omdat het op grond van dit besluit tijdelijk wordt toegestaan om de financiering van pensioenaanspraken, die zijn gebaseerd op fiscaal gefacilieerde inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren, uit te stellen, wordt voorgeschreven dat op het moment dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, de betreffende deelnemers hierover door middel van een vrijwaringclausule (disclaimer) door hun pensioenuitvoerder moeten worden geïnformeerd. Op grond van de hoofdregel in de Pensioen- en spaarfondsenwet moeten toegezegde pensioenaanspraken jaarlijks, tijdsevenredig worden gefinancierd. Met het hanteren van de vrijwaringclausule wordt een uitzonderingsgrond op de hoofdregel gecreëerd. Wanneer pensioenuitvoerders echter niet of niet goed communiceren naar hun deelnemers over de aard van de financiering bij de inkoop van pensioen over verstreken dienstjaren, is de uitzonderingsgrond niet langer van toepassing en geldt de hoofdregel dat een pensioentoezegging is gedaan die direct afgefinancierd dient te worden. Met de informatie aan de deelnemer door middel van de vrijwaringclausule worden misverstanden over opgebouwde pensioenaanspraken voorkomen. Zolang immers sprake is van een toezegging die niet direct afgefinancierd hoeft te worden, zal een deelnemer bij beëindiging van de deelname aan een pensioenregeling, voordat het in te kopen pensioen volledig is afgefinancierd, alleen het op dat moment afgefinancierde deel als premievrije pensioenaanspraak hebben opgebouwd.

Om de financiering van de pensioeninkoop onder de uitzonderinggrond te laten vallen zal de vrijwaringclausule in ieder geval moeten worden opgenomen in de mededeling aan de deelnemers dat er pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren met uitgestelde financiering worden toegezegd, en vervolgens in de jaarlijkse pensioenopgaven. Daarnaast zal de vrijwaringsclausule gebruikt moeten worden in situaties waarin deelnemers of gewezen deelnemers verzoeken om specifieke informatie met betrekking tot een regeling voor de inkoop van pensioen over achterliggende dienstjaren, waarbij gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot uitstelfinanciering.

Premievrije waarde van (pre)pensioenaanspraken

In artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet is bepaald dat eenmalig aan deelnemers, en op verzoek aan gewezen deelnemers, naar de stand per 1 januari 2006 een opgave wordt verstrekt van de premievrije waarde van pensioenaanspraken die tot doel hebben een pensioenuitkering te bieden in de periode voorafgaand aan de 65-jarige leeftijd. Deze aanspraken worden verder kortheidshalve aangeduid als prepensioenaanspraken.

De opgave wordt aan deelnemers in de pensioenregeling verstrekt binnen een kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit. Aan een gewezen deelnemer wordt de opgave verstrekt na een daartoe strekkend verzoek van die gewezen deelnemer. Aangezien een pensioenuitvoerder verplicht is binnen een kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit een opgave van de premievrije waarde van de prepensioenaanspraken te verstrekken, zal een gewezen deelnemer binnen dat jaar een verzoek tot opgave moeten doen om verzekerd te zijn van medewerking door de voormalige pensioenuitvoerder bij de verstrekking van deze opgave.

In de opgave dienen in de eerste plaats de tot 1 januari 2006 opgebouwde premievrije aanspraken te zijn opgenomen die betrekking hebben op pensionering vóór 65 jaar. Ongeacht of de pensioenregeling hiertoe een mogelijkheid biedt, dient daarnaast in deze opgave te worden aangegeven wat in geval van afkoop van de premievrije prepensioenaanspraken, de afkoopsom ten behoeve van een storting in de levensloopregeling is. De extra aanspraken op ouderdomspensioen die door middel van de omzetting van prepensioenaanspraken in ouderdomspensioenaanspraken kunnen worden verkregen, dienen daarentegen alleen vermeld te worden indien daartoe in de pensioenregeling ook een mogelijkheid wordt geboden. Indien deze mogelijkheid niet wordt geboden, staat het de pensioenuitvoerder dus vrij om al dan niet de extra aanspraken op ouderdomspensioen op de opgave weer te geven.

Hiermee wordt tevens een oplossing geboden voor de problematiek dat een prepensioenregeling bij een andere pensioenuitvoerder kan zijn ondergebracht dan de ouderdomspensioenregeling.

De pensioenuitvoerder kan ook besluiten om prepensioenaanspraken op collectieve basis voor alle deelnemers in extra ouderdomspensioenaanspraken om te zetten. Dit neemt niet weg dat ook in deze situatie aan iedere deelnemer een opgave moet worden verstrekt.

Voorzover afkoop van prepensioenaanspraken voor storting in de levensloopregelingen door sociale partners mogelijk is gemaakt, beslist de (gewezen) deelnemer binnen 2 maanden na ontvangst van de opgave of en op welke wijze de waarde moet worden aangewend. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer besluit de premievrije waarde van de prepensioenaanspraken aan te wenden voor een storting in de levensloopregeling, dient de pensioenuitvoerder binnen één maand tot uitbetaling aan de uitvoerder van de levensloopregeling over te gaan.

De opgave van de premievrije waarde dient in het geval van een ouderdomspensioenregeling die een pensioenrichtleeftijd vóór 65 jaar hanteert of heeft gehanteerd, betrekking te hebben op de totale evenredige aanspraken van de pensioenregeling, verminderd met de evenredige aanspraken van de pensioenregeling voorzover die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar worden uitgekeerd. Wanneer een aparte prepensioenregeling bestaat of heeft bestaan, kan de premievrije waarde van de pensioenaanspraken logischerwijs volledig en uitsluitend op basis van deze regeling worden vastgesteld.

Naast de mogelijkheid om de opgebouwde aanspraken die betrekking hebben op pensionering vóór 65 jaar premievrij te laten staan, kan de premievrije waarde, zoals hierboven aangegeven, worden aangewend voor een hoger ouderdomspensioen. In dit geval is sprake van interne waardeoverdracht. Hierop zijn de artikelen 2c en 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet onverminderd van toepassing. Artikel 2c is alleen van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van dat artikel zijn opgebouwd, dus vanaf 1 januari 2002, respectievelijk vanaf 1 januari 2005 voor beschikbarepremieregelingen. Pensioen dat is opgebouwd voor die datum mag dus sekseafhankelijk worden overgedragen.

Er kan ook worden gekozen voor afkoop van de waarde, met het doel de afkoopsom aan te wenden voor een storting in de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Hiertoe zal een uitzondering mogelijk worden gemaakt op het algemene afkoopverbod in artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Dit vindt plaats door aanpassing van de Afkoopregeling. Hierin zal ook worden bepaald hoe moet worden omgegaan met afkoop in de situatie dat er sprake is van een verevende aanspraak.

Uitgangspunt bij de afkoopmogelijkheid ten behoeve van een storting in de levensloopregeling zal zijn dat de contante waarde van de pensioenaanspraken wordt berekend op grond van de actuariële grondslagen van de pensioenuitvoerder. Onder deze grondslagen wordt verstaan de grondslagen die een pensioenfonds volgens de actuariële en bedrijfstechnische nota hanteert voor de waardering van de pensioenverplichtingen, respectievelijk de grondslagen die een verzekeraar voor de vaststelling van de technische voorzieningen hanteert.

Op basis van deze rekenregels dient een afkoopsom voor rechtstreekse storting in de levensloopregeling bepaald te worden, zoals die in de verplicht voorgeschreven opgave op basis van de premievrije waarde is opgenomen, dus naar de stand per 1 januari 2006. Dit geldt ook als bij de financiële opzet een marktrente wordt gehanteerd. De berekening van de afkoopsom dient daarnaast volgens de regels van gelijke behandeling van mannen en vrouwen plaats te vinden.

Administratieve lasten

De administratieve lasten zijn geraamd op € 1,8 miljoen structureel. Deze lasten vloeien voornamelijk voort uit de informatieverstrekking over deelnemingsjaren. Daarnaast is er sprake van eenmalige administratieve lasten van ca. € 0,9 miljoen, als gevolg van het aanpassen van standaardprocedures voor het maken van het pensioenoverzicht bij geleidelijke financiering van inkoop en voor het afzonderlijk registreren van deelnemingsjaren. De administratieve lasten die verbonden zijn aan de opgave van de premievrije waarde van prepensioenaanspraken op 1 januari 2006, zijn reeds in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel VPL in beeld gebracht (Kamerstukken II 2003/04, 29 760, nr. 3).

Artikelsgewijs

Artikel 1

De in artikel 1, eerste lid, opgenomen begripsbepalingen zijn in alfabetische volgorde gerangschikt. Dit is tevens de reden dat de onderscheiden begrippen niet zijn voorzien van een letteraanduiding, maar van een aandachtstreepje.

Voor de definiëring van «deelnemingsjaren» wordt aangesloten bij hetgeen daaromtrent is bepaald in artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Aangezien de in dit besluit opgenomen regels tevens gelden voor verzekeraars, is in het tweede lid bepaald dat onder «deelnemer» in dit besluit tevens de verzekerde moet worden verstaan. Artikel 5 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet definieert de verzekerde als de aan de onderneming van een werkgever verbonden of verbonden geweest zijnde persoon, op wiens leven een verzekeringsovereenkomst is gesloten ter uitvoering van een pensioentoezegging in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Artikel 2

Pensioenfondsen, spaarfondsen, beroepspensioenfondsen en verzekeraars zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan een verzoek om informatie van een deelnemer over zijn deelnemingsjaren. Pensioenuitvoerders kunnen voor hun huidige deelnemersbestand op basis van de datum waarop deelnemers aan een pensioenregeling zijn gaan deelnemen vaststellen wat de te administreren deelnemingsjaren zijn. De vaststelling van de deelnemingsjaren die zijn opgebouwd voordat pensioen of aanspraken op pensioen zijn overgedragen naar de huidige pensioenuitvoerder, zal niet in alle gevallen mogelijk zijn. Daarom is voor die situaties bepaald dat een fonds dat of een verzekeraar die beschikt over informatie waaruit kan worden afgeleid hoeveel deelnemingsjaren voorafgaand aan een waardeoverdracht, die heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2005, zijn opgebouwd, dit in schriftelijke vorm aan de deelnemer dient te verstrekken. De datum van 1 januari 2005 komt overeen met het tijdstip waarop de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) in werking is getreden.

Voor de opgave van de geadministreerde deelnemingsjaren geldt op grond van artikel 2, tweede lid, dat daarin ook zo nauwkeurig mogelijk moet worden aangegeven in welke periode de jaren zijn opgebouwd (begin- en einddatum), zodat dubbeltellingen worden voorkomen, en wat de deeltijdfactor in ieder geadministreerd jaar is geweest, om te zijner tijd op een juiste wijze te kunnen vaststellen hoe hoog het 40-deelnemingsjarenpensioen mag zijn. Na inwerkingtreding van dit besluit zal de deeltijdfactor per jaar moeten worden geadministreerd. Over voorgaande jaren is een pensioenuitvoerder mogelijk alleen een (gewogen) gemiddelde deeltijdfactor bekend. In dergelijke gevallen vloeit uit het voorschrift dat een zo nauwkeurig mogelijke opgave moet worden verstrekt voort, dat de (gewogen) gemiddelde deeltijdfactor moet worden geadministreerd.

Met «alle schriftelijke bescheiden die de perioden, voorafgaand aan een vóór 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht naar de pensioenuitvoerder, kunnen staven die als deelnemingsjaren kunnen worden aangemerkt» in artikel 2, eerste lid, wordt dus expliciet tot uitdrukking gebracht dat fondsen en verzekeraars niet kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht van de geadministreerde deelnemingsjaren. Wanneer de pensioenuitvoerder beschikt over informatie inzake perioden die als deelnemingsjaren kunnen meetellen op grond van artikel 10ab van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en die als gevolg van waardeoverdracht naar deze pensioenuitvoerder niet zijn geadministreerd als (fictieve) dienstjaren, dan dient de pensioenuitvoerder ook deze informatie te verstrekken aan de deelnemer. De pensioenuitvoerder zal bij hem nog aanwezige bescheiden die bij kunnen dragen tot het vaststellen van de vóór de datum van waardeoverdracht opgebouwde, maar niet meer bij de voormalige pensioenuitvoerder geadministreerde, deelnemingsjaren aan de (gewezen) deelnemer moeten verstrekken. Voorbeelden van de in artikel 2 bedoelde bescheiden zijn, zoals uiteengezet in het algemeen deel van deze nota van toelichting, onder meer jaarlijkse pensioenopgaven en in- en uittreedberichten. Ook elektronische bestanden dienen als «schriftelijke bescheiden» te worden aangemerkt.

In aansluiting op artikel 17a van de Pensioen- en spaarfondsenwet is bepaald dat binnen drie maanden aan het verzoek om informatie moet zijn voldaan. Wanneer een fonds of verzekeraar niet over de door de deelnemer gevraagde inlichtingen omtrent zijn deelnemingsjaren beschikt, dient hij de deelnemer hiervan binnen drie maanden op de hoogte te stellen.

In het derde lid is bepaald dat pensioenuitvoerders een vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het verstrekken van de opgave in rekening mogen brengen.

Artikel 3

De verplichting voor pensioenfondsen, spaarfondsen, beroepspensioenfondsen en verzekeraars om de deelnemingsjaren van hun deelnemers te administreren vloeit voort uit artikel 17, achtste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet.

Artikel 3 van dit besluit vult deze verplichting aan met een in het verlengde daarvan liggende verplichting tot het doorgeven van dit aantal jaren aan de overnemende pensioenuitvoerder wanneer een deelnemer van pensioenuitvoerder verandert.

In het tweede lid, wordt op de overnemende pensioenuitvoerder de plicht gelegd de bescheiden die aan kunnen tonen hoeveel deelnemingsjaren de betrokkene heeft opgebouwd ofwel te bewaren, ofwel de daarmee aangetoonde deelnemingsjaren te administreren. Deze verplichting vult de wettelijke administratieplicht aan overeenkomstig in artikel 2, eerste lid, is gebeurd.

Artikel 4

De in de artikelen 4 en 5 vervatte regeling maakt het mogelijk de inkoop van pensioenruimte over in het verleden niet benutte fiscale ruimte toe te zeggen, zonder dat tot directe en volledige affinanciering moet worden overgegaan. Deze mogelijkheid geldt slechts, volgens het derde lid van artikel 4, gedurende twee jaren. Dit betekent dat een werkgever binnen de twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit zijn toezegging moet hebben gedaan.

Wordt de toezegging buiten deze periode gedaan, dan heeft de werkgever van rechtswege een toezegging gedaan die direct en volledig afgefinancierd moet worden.

Op de verdere afwikkeling van de overeenkomstig artikel 4 gedane toezeggingen tot inkoop van pensioenaanspraken blijven na het verstrijken van de twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit de regels van de artikelen 4 en 5 van toepassing.

Dit besluit biedt in artikel 4 de mogelijkheid de financiering van de toezegging uit te stellen. Dit heeft als consequentie dat wanneer een toezegging wordt gedaan als bedoeld in artikel 4, de deelnemer alleen aanspraken op dit deel van de pensioentoezegging heeft, voor zover dit deel ook is gefinancierd. Wel dienen de toegezegde aanspraken na vijftien jaren te zijn gefinancierd (of – indien deze datum eerder in de tijd ligt – op de pensioendatum van de werknemer). Het is aan de betrokken contractspartijen om afspraken te maken over zaken als wat er gebeurt op het moment dat de deelname aan de pensioenregeling tussentijds wordt beëindigd. Het besluit treedt namelijk niet in deze contractsvrijheid. Zo kan overeen worden gekomen dat de werkgever ook na tussentijdse beëindiging van de dienstbetrekking de financiering van de toegezegde pensioenaanspraken voortzet.

In het vijfde lid is een zogenoemde vrijwaringsclausule (disclaimer) opgenomen. In deze vrijwaringsclausule staat de belangrijkste informatie waarover de deelnemer moet beschikken. Wanneer wordt nagelaten deze clausule in de correspondentie met de betreffende deelnemer op te nemen, heeft dit op grond van het eerste lid tot gevolg dat de toegezegde pensioenaanspraken conform de hoofdregel van artikel 7a van de Pensioen- en spaarfondsenwet in een keer moeten worden gefinancierd. Uitstelfinanciering is in dat geval niet toegestaan.

De pensioenuitvoerder is op basis van artikel 4, vierde lid, verplicht om de deelnemers en gewezen deelnemers te informeren over de pensioenaanspraken waarvoor de affinanciering wordt uitgesteld. De werkgever is dus niet een partij die hierover communiceert. De pensioenuitvoerder is verplicht de in het vijfde lid vervatte vrijwaringclausule op te nemen in een drietal informatiestukken. De pensioenuitvoerder moet de vrijwaringsclausule opnemen in:

– de eerste schriftelijke mededeling aan de deelnemers dat er pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren met uitgestelde financiering worden toegezegd;

– in de jaarlijkse pensioenopgaven, bedoeld in artikel 5, voor zover de toezeggingen nog niet (volledig) zijn afgefinancierd;

– wanneer op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer schriftelijke informatie wordt verstrekt omtrent de in artikel 4 van het besluit bedoelde toezeggingen en de affinanciering daarvan.

Te allen tijde zal in de drie genoemde schriftelijke informatiestukken de vrijwaringsclausule moeten worden opgenomen. Onder schriftelijke informatiestukken wordt in dit verband onder meer verstaan: brieven, opgaven, brochures, e-mails etc. Wanneer sprake is van uitstelfinanciering in geval van inkoop van pensioen over achterliggende dienstjaren, moet de vrijwaringsclausule dus in beginsel in worden opgenomen, tenzij er in het betreffende stuk geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan omtrent de aanspraken, bijvoorbeeld wanneer slechts wordt verwezen naar het bestaan van de toegezegde aanspraken, maar verder geen mededelingen over bijvoorbeeld de hoogte ervan worden gedaan.

Artikel 5

De pensioenuitvoerders zijn gedurende de periode dat de aanspraken nog niet volledig zijn afgefinancierd verplicht de deelnemers jaarlijks een overzicht te verstrekken van de mate waarin de toegezegde pensioenaanspraken zijn afgefinancierd (hetgeen gelijk staat aan de mate waarin de pensioenaanspraken zijn opgebouwd). Deze opgave kan tegelijk met de jaarlijkse pensioenopgave, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet (pensioenfondsen), en artikel 13, tweede lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet (verzekeraars), worden verstrekt.

Aan de verplichting van artikel 5 kan ook worden voldaan door het opnemen van het overzicht in de jaarlijkse pensioenopgave, mits maar afzonderlijk herkenbaar is dat het de pensioenaanspraken betreft die zijn ontstaan door financiering van over het verleden ingekochte pensioenruimte.

Artikel 6

Artikel 17, zesde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet bevat de verplichting tot het verstrekken van een opgave van de premievrije waarde, naar de stand op 1 januari 2006, van de aanspraken, opgebouwd ten behoeve van een of meer pensioenuitkeringen voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaren bereikt (hierna: prepensioenaanspraken) van iedere deelnemer. De termijn waarbinnen deze opgave moet worden verstrekt door de pensioenuitvoerders is gesteld op maximaal een jaar na inwerkingtreding van dit besluit.

In de opgave moet, zoals in het algemeen deel van deze nota van toelichting is aangegeven, onderscheid worden gemaakt tussen de aanwending van de premievrije waarde ten behoeve van:

a. een verhoging van de ouderdomspensioenaanspraken;

b. overheveling naar de levensloopregeling van de (gewezen) deelnemer; en

c. het in stand laten van de opgebouwde prepensioenaanspraken.

Informatie over de omzetting van de prepensioenaanspraken in ouderdomspensioenaanspraken (onderdeel a) hoeft slechts te worden verstrekt wanneer de pensioenregeling in deze mogelijkheid voorziet. De informatie over de situatie waarin de prepensioenaanspraken worden overgeheveld naar een levensloopregeling moet te allen tijde worden verstrekt, ook wanneer de pensioenregeling deze overheveling niet mogelijk maakt.

Artikel 7

De wijze waarop de extra aanspraken op ouderdomspensioen, de afkoopsom ten behoeve van de levensloopregeling en de aanspraken op prepensioen moeten worden berekend voor de aanwending van de premievrije aanspraak (artikel 6, tweede lid), is geregeld in artikel 7. In het algemeen deel van deze nota van toelichting is de berekeningmethode toegelicht.

Artikel 8

In dit artikel is naar analogie van artikel 7, eerste lid, van het Besluit reken- en procedureregels waardeoverdracht geregeld dat een (gewezen) deelnemer binnen twee maanden na ontvangst van de opgave aan de pensioenuitvoerder kenbaar moet maken dat hij de waarde van zijn prepensioenaanspraken wil aanwenden voor zijn levensloopregeling. Deze regel geldt uiteraard slechts wanneer sociale partners en de pensioenuitvoerder het mogelijk hebben gemaakt de waarde van aanspraken op prepensioen over te dragen naar een levensloopregeling.

De twee maandentermijn is opgenomen om te waarborgen dat deelnemers ten minste over deze tijd beschikken om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het een pensioenuitvoerder natuurlijk vrij staat de deelnemers meer tijd te gunnen.

Artikel 9

In geval van overdracht van de waarde van prepensioenaanspraken naar een levensloopregeling, is er sprake van afkoop in de zin van de Afkoopregeling. De termijn waarbinnen de afkoopsom moet worden betaald aan de uitvoerder van de levensloopregeling is gesteld op een maand.

Artikel 10

Tijdens de behandeling van de Wet VPL in de Eerste Kamer op 15 februari 2005 heeft de minister toegezegd in september het parlement te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de gewijzigde pensioenregelingen als gevolg van de Wet VPL en over de consequenties die het kabinet aan deze evaluatie verbindt. Indien mocht blijken dat verantwoorde invoering per 1 januari 2006 niet mogelijk is, zal een wetsvoorstel ter wijziging van de inwerkingtreding worden ingediend. Daarom is bepaald dat dit besluit in werking zal treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 augustus 2005, nr. 152.