Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2005, 187AMvB

Besluit van 17 maart 2005 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen teneinde de in dat besluit opgenomen vrijstelling van het verbod voor een werkgever om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning op een tweetal nieuwe categorieën van vreemdelingen van toepassing te doen zijn

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 8 november 2004, Directie Algemeen Arbeidsmarktbeleid, nr. AAM/ASAM/04/77484;

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid vreemdelingen;

De Raad van State gehoord (advies van 6 december 2004, nr. W12.04.0540/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 maart 2005, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/AMI/05/2815;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid, onderdeel a, wordt na onder 7° een subonderdeel toegevoegd, luidende:

8°. het onbeloond deelnemen aan proeftrainingen, die in het kader van een sollicitatieprocedure met een werkgever in het betaald voetbal schriftelijk zijn overeengekomen en waarvan de exacte periodevoorafgaande aan de feitelijke deelname aan de proeftrainingen eveneens schriftelijk is vastgelegd.

2. De onderdelen j tot en met l van het eerste lid worden geletterd k tot en met m.

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel m (nieuw), door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

n. die als slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a en b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder s, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onder incidentele arbeid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan:

    a. onder 1° en 3°, arbeid met een maximale duur van 12 aaneengesloten weken binnen een tijdbestek van 36 weken;

    b. onder 2°, 4° en 6°, arbeid met een maximale duur van 4 weken binnen een tijdbestek van 13 weken;

    c. onder 5° en 7°, arbeid met een maximale duur van 4 aaneengesloten weken binnen een tijdbestek van 13 weken;

    d. onder 8°, arbeid met een maximale duur van 4 aaneengesloten weken binnen een tijdsbestek van 52 weken.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid, onderdeel a, onder 8°, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt.

B

Artikel 1d, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onderdelen a, b, c, d, e, k of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of een vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel «kennismigrant» waarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is aangevraagd en die:

2. Onderdeel a. komt te luiden:

a. als kennismigrant als bedoeld in artikel 3.4., eerste lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in Nederland wordt tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en van wie het overeengekomen vaste, naar tijdruimte en in geld vastgestelde loon als vergoeding voor zijn arbeid dat hij van de werkgever ontvangt, indien hij de leeftijd van dertig jaar niet heeft bereikt tenminste gelijk is aan het bedrag, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Ziekenfondswet, dan wel indien hij dertig jaar of ouder is, tenminste € 45.000 per jaar bedraagt, of

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a, komt te luiden:

a. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een kennismigrant, als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

2. Onderdeel d, komt te luiden:

d. een vreemdeling, met uitzondering van de vreemdeling, genoemd in onderdeel a, die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet of Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning met daarop een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

’s-Gravenhage, 17 maart 2005

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de twaalfde april 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

In artikel 1 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt een aantal categorieën vreemdelingen aangewezen waarop het in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) vervatte verbod om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning, onder bepaalde voorwaarden niet van toepassing is. De onderhavige wijziging van dit Besluit voorziet in een uitbreiding van dit artikel met een tweetal nieuwe categorieën van vreemdelingen.

Daarnaast bevat de wijziging van dit Besluit een technische aanpassing van de bepaling met betrekking tot het rechtmatig verblijf van kennismigranten en het inkomenscriterium dat van toepassing is op kennismigranten (wijziging artikel 1d) en een wijziging met betrekking tot het vervallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht voor de echtgenoot/partner van de kennismigrant (wijziging artikel 2).

In deze wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt een drietal categorieën vreemdelingen uitgezonderd van het verbod, neergelegd in artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen:

a. potentiële werknemers in de sector betaald voetbal;

b. slachtoffers en/of getuigen/aangevers van mensenhandel;

c. gezinsleden van kennismigranten.

In het betaald voetbal, waar grote financiële belangen spelen, hebben werkgevers een groot belang bij een zorgvuldige toetsing van een speler die zij willen contracteren. Het is voor de werkgever daarom wenselijk om, door middel van proeftrainingen, eerst te testen hoe deze speler binnen zijn team presteert, voordat een beslissing wordt genomen om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Deze proeftrainingen betreffen in de praktijk activiteiten in een precontractuele fase die uitsluitend gericht zijn op het testen van de kwaliteiten van een speler, zonder dat er sprake is van salariëring van de speler of van winst voor de betaald voetbalclub. Een onkostenvergoeding voor de speler/potentiële werknemer is toegestaan. Tevens is het in het kader van proeftrainingen toegestaan dat deelgenomen wordt aan oefenwedstrijden. Voor wedstrijden die het oefenkarakter overstijgen en een meer officieel karakter hebben, geldt de vrijstelling van de tewerkstellingsvergunningplicht niet. Voorbeelden hiervan zijn officiële wedstrijden in de nationale en internationale competitie, waaronder de nationale bekercompetitie, en semi-officiële wedstrijden, zoals deelname aan toernooien waar internationale betaald voetbalorganisaties aan deelnemen en wedstrijden waarmee een club het seizoen opent. De in artikel I, onderdeel A, onder 1, voorgestelde bepaling betreffende proeftraining in de sector betaald voetbal heeft een andere strekking dan de bepaling in artikel 1, eerste lid, onder 6, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. Laatste genoemde bepaling doelt op de situatie waarin deelname aan sportwedstrijden buiten de werking van de Wav is geplaatst. De bepaling in onderdeel 6 doelt op de situatie waarin er sprake is van deelname aan een sportwedstrijd in Nederland door een buiten Nederland gevestigde sportclub. Een dergelijke deelname aan sportwedstrijden kan eventueel meer dan één keer in een jaar plaatsvinden. In het geval van proeftraining is er sprake van de beoordeling van de kwaliteiten van een voetballer vooruitlopende op het aangaan van een dienstverband met een in Nederland gevestigde werkgever.

Vanuit een oogmerk van handhaving is het van belang dat de proeftrainingen schriftelijk tussen potentiële werkgever en potentiële werknemer zijn overeengekomen en dat ook de exacte periode van maximaal 4 aaneengesloten weken waarin de proeftrainingen plaatsvinden vooraf op schrift is vastgelegd. Uit de wijziging blijkt dat arbeid in het kader van proeftrainingen gedurende maximaal 4 aaneengesloten weken binnen een tijdsbestek van 52 weken mag worden verricht. Gelet op het feit dat hier te lande in de regel slechts tewerkstellingsvergunningen worden verleend voor de arbeid van personen van 18 jaar en ouder en het in dit licht bezien niet in de rede ligt en ook niet wenselijk is om in het betaald voetbal voor personen die veel jonger zijn dan 18 jaar een tewerkstellingsvergunning aan te vragen, is uitdrukkelijk bepaald dat de voetballer/potentiële werknemer die naar Nederland komt voor een proeftraining tenminste de leeftijd van 17 jaar moet hebben bereikt (artikel I, onderdeel A, onder 5). Voor de leeftijd van 17 jaar is gekozen omdat het mogelijk moet zijn aan een proeftraining deel te nemen kort voordat de leeftijd van 18 jaar is bereikt.

Met artikel I, onderdeel A, onder 4, is het tweede lid van artikel 1 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen opnieuw geformuleerd. In het eerste lid van artikel 1 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen zijn werkzaamheden aangegeven die voor een beperkte duur en onder specifieke voorwaarden kunnen worden verricht zonder dat de werkgever daarvoor over een tewerkstellingsvergunning dient te beschikken. Sinds de wijziging van genoemd besluit van 22 april 2004 (Stb. 183) is in het besluit zelf opgenomen voor welke periode de onderscheiden categorieën werkzaamheden kunnen worden verricht zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning is vereist. In de nota van toelichting op genoemd besluit is daarbij verwezen naar het (toentertijd geldende) uitvoeringsbeleid van de Centrale organisatie voor werk en inkomen (Beleidsregels CWI uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, Stcrt. 2002, 19). In het uitvoeringsbeleid van de Centrale organisatie werk en inkomen ging het om aaneengesloten weken binnen een bepaalde periode. Aaneengesloten weken zijn met name vanuit handhavingperspectief onmisbaar. Om die reden wordt deze eis nu alsnog in het Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen opgenomen voor werkzaamheden waarbij die eis kan worden gesteld. Voor werkzaamheden genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, 4° en 6°, van genoemd besluit is een uitzondering gemaakt, omdat de aard van de daar genoemde werkzaamheden zich verzet tegen een eis van aaneengesloten perioden.

Slachtoffers die aangifte hebben gedaan van mensenhandel en/of getuige-aangevers van mensenhandel kunnen onder bepaalde voorwaarden, die uitgewerkt zijn in hoofdstuk B 9 van de Vreemdelingencirculaire, een specifieke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek en de vervolging. Met het onderzoek en het proces kan een lange tijd gemoeid zijn; gevallen van twee of drie jaar zijn geen uitzondering. De vreemdeling heeft voor de duur van de verblijfsvergunning recht op bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, maar mag, indien de vreemdeling niet de nationaliteit heeft van een land dat is aangesloten bij de Europese Economische Ruimte, op grond van de huidige regelgeving niet zonder tewerkstellingsvergunning tewerkgesteld worden. In aanmerking nemende dat deze situatie onwenselijk is zowel voor de betrokken vreemdeling als voor de gemeentelijke Sociale Dienst, die immers tot taak heeft om de arbeidsparticipatie van uitkeringsgerechtigden te bevorderen, voorziet de wijziging erin dat slachtoffers en/of getuige-aangevers van mensenhandel gedurende de duur van de hiervoor bedoelde verblijfsvergunning zonder tewerkstellingsvergunning tewerkgesteld mogen worden (artikel I, onderdeel A, onder 3)

Tenslotte is in artikel I, onderdeel A, onder 2, een omissie hersteld.

Artikel I, eerste lid, onderdeel j, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is gereserveerd voor (de inwerkingtreding van) artikel I, onderdeel A, onder 4, van het Besluit van 20 oktober 2000 (Stb. 464) («die werkzaamheden verricht die geheel of ten dele bestaan in het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden»). Abusievelijk is met het Besluit van 22 april 2004 (Stb. 183) genoemd onderdeel j een tweede maal gebruikt («die met een door of vanwege de Europese Unie, een instituut of instelling voor internationaal onderwijs of onderzoek dat door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt gesubsidieerd, de Nederlandse overheid, of een Nederlandse onderwijs- of onderzoeksinstelling verstrekte beurs in Nederland tijdelijk onderzoek verricht voor de duur van de beurs en degene die in het kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is onderzoek verricht voor de duur zoals is bepaald in de bilaterale of multilaterale overeenkomst»). Door met dit besluit de onderdelen j, k en l te verletteren tot k, l en m, blijft het eerst genoemde onderdeel j beschikbaar voor het geval dat artikel I, onderdeel A, onder 4, van het Besluit van 20 oktober 2000 (Stb. 464) in werking treedt.

Artikel 1, onderdeel B, bevat een tweetal wijzigingen van technische aard.

In de eerste plaats wordt aangegeven dat op kennismigranten die op basis van een machtiging tot voorlopig verblijf als kenniswerker in Nederland verblijven, de tewerkstellingsvergunningsplicht niet van toepassing is. Hun toelating is reeds getoetst aan de criteria die gelden voor de toelating van kennismigranten, en zij verblijven, zoals in de eerste alinea van de nota van toelichting op de wijziging van het Besluit van 28 september 2004 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met de toelating van kennismigranten (Stb. 2004, 481) staat vermeld, rechtmatig in Nederland.

In de tweede plaats betreft de wijziging een verduidelijking van het inkomenscriterium. De wijziging maakt duidelijk dat de loondefinitie zoals die geldt in de Ziekenfondswet en waarop de toelating van kenniswerkers van jonger dan 30 jaar is gebaseerd, ook geldt voor kenniswerkers van 30 jaar en ouder.

Artikel 1, onderdeel C, onder 1, bevat een wijziging van de arbeidsmarktpositie van de gezinsleden van de kennismigrant. Deze arbeidsmarktpositie bepaalt voor een belangrijk deel de bereidheid van een kennismigrant om in een ander land arbeid te verrichten. Om Nederland voor kennismigranten aantrekkelijker te maken als land van vestiging, heeft het kabinet besloten dat de gezinsleden van een kennismigrant, die recht hebben op een verblijfsvergunning voor verblijf bij de kennismigrant, vrij zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt, voor zolang zij over deze vergunning beschikken. Indien de kennismigrant zijn status als kennismigrant verliest, of indien de gezinsleden een andere verblijfstitel aanvragen, verliest de echtgenoot/partner voorzover zij nog niet drie jaar ononderbroken heeft beschikt over een voor arbeid geldige vergunning tot verblijf, de aantekening op de verblijfsvergunning dat arbeid vrij is toegestaan en een tewerkstellingsvergunning niet is vereist.

Omdat de aantekening «arbeid is vrij toegestaan» is verbonden aan het verblijfsrecht als gezinslid bij de kennismigrant, is in artikel I, onderdeel C, onder 2, de uitzondering opgenomen dat deze gezinsleden de aantekening «arbeid is vrij toegestaan» verliezen, indien zij gedurende de eerste drie jaar van verblijf een andere verblijfstitel aanvragen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. A. L. van Hoof


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 mei 2005, nr. 88.