Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Justitie van 10 februari 2005, nr. 5336237/05/DTR;
Beschikken hierbij ter zake van de Verordening tot
wijziging van de Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel
Resultaatgerelateerde Beloning) van 25 maart 2004 van de Nederlandse
orde van advocaten.
Overwegingen
Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse orde
van advocaten heeft op 25 maart 2004 vastgesteld de Verordening tot
wijziging van de Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel
Resultaatgerelateerde Beloning).
Bij
besluit van de Algemene Raad van 8 maart 2004 is de datum van
inwerkingtreding van de wijzigingsverordening vastgesteld op
1 november 2004.
Met haar brief
van 7 april 2004 heeft de Nederlandse orde van advocaten de
vastgestelde wijzigingsverordening aan Onze Minister van Justitie
medegedeeld.
De wijzigingsverordening
strekt ertoe de thans geldende verboden op «no cure no
pay» en «quota pars litis», tijdelijk, onder
voorwaarden en bij wijze van experiment op te heffen met betrekking tot
letsel- en overlijdensschade.
De
wijzigingsverordening is hangende de voorbereiding van een besluit tot
vernietiging, bij besluit van 15 september 2004 (Stbl. 2004, 480) tot
6 maart 2005 geschorst.
Dat het
zich laat aanzien dat de voorbereiding van het besluit tot vernietiging
niet voor de ommekomst van de termijn tot schorsing zal kunnen worden
afgerond.
Het is derhalve wenselijk de
schorsing van de wijzigingsverordening te verlengen.
Beslissing
Gelet op
artikel 30, eerste en tweede lid, van de
Advocatenwet; artikel 10:43 en
10:44 van de Algemene Wet
Bestuursrecht;