Besluit van 18 december 2003, houdende bepalingen over het Kabinet van de Koning

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 16 december 2003, nr. 03M461900;

Gelet op artikel 42 van de Grondwet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Het Kabinet van de Koning heeft tot taak de Koning ten behoeve van de uitoefening van diens constitutionele taken te ondersteunen inzake:

a. het verkeer tussen de Koning en de overige leden van de regering;

b. contacten met andere organen van de overheid, ontvangsten, bezoeken en overige toegang tot de Koning;

c. verzoekschriften aan de Koning;

d. de zorg voor het registeren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke besluiten en andere staatsstukken.

Artikel 2

  • 1. Aan het hoofd van het Kabinet van de Koning staat een directeur.

  • 2. De directeur wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 3

De directeur van het Kabinet van de Koning verschaft Onze Minister wie het aangaat tijdig alle inlichtingen die voor de uitvoering van de taak van Onze Minister van belang kunnen zijn.

Artikel 4

Het Kabinet van de Koning verricht zijn werkzaamheden binnen het raam van de middelen die jaarlijks ingevolge de begrotingswet ter beschikking worden gesteld.

Artikel 5

De besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17, worden ingetrokken.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 18 december 2003

Beatrix

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

Uitgegeven de achtste januari 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De geschiedenis van het Kabinet van de Koning gaat terug naar 1813, het moment waarop de erfprins Willem de soevereiniteit over de Nederlanden aanvaardde. De vorst beschikte over twee ambtelijke organisaties: een Algemene Staatssecretarie, ook wel genoemd de Secretarie van Staat, en een Kabinetssecretarie, vanaf 1815 Kabinet des Konings genaamd. Bij koninklijk besluit van 22 december 1840, nr. 44 werden de Algemene Staatssecretarie en het Kabinet des Konings met ingang van 1 januari 1841 samengevoegd onder de naam Kabinet des Konings, onder leiding van een directeur. In de considerans van dit besluit wordt verwezen naar enkele taken van het Kabinet. In de tekst van het besluit zelf wordt echter enkel de archieftaak ten aanzien van wetten, besluiten en andere regeringsstukken genoemd (eerder behartigd door de Algemene Staatssecretarie). Voor het overige wordt gesproken van taken die ook na de vereenvoudiging van de afdoening van regeringszaken en de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid nog overblijven voor het Kabinet. Bij koninklijk besluit van 14 december 1893, nr. 17 werd bepaald dat de directeur van het Kabinet ten aanzien van het beheer van het archiefdepot verantwoording schuldig is aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

De positie en de taken van het Kabinet van de Koning zijn naar aanleiding van de notitie «Het Kabinet der Koningin» van 1 oktober 2003 (kamerstukken II, 29 200 III, nr. 4) en de uitspraken van de Tweede Kamer daarover (handelingen II, 29 200 III, nr. 7–8) in dit besluit opnieuw vastgelegd.

Dit besluit heeft als strekking, een op de huidige tijd toegesneden regeling te bieden voor het Kabinet van de Koning. Het treedt in de plaats van de oude besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17. Overigens hebben in elk geval de artikelen 1 en 3 van laatstgenoemd besluit sinds de inwerkingtreding van de Archiefwet 1962 geen gelding meer.

Vanaf zijn ontstaan draagt het Kabinet zorg voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning ten behoeve van de uitoefening van diens constitutionele taken en is het in dit kader ook belast met het voorbereiden en uitvoering geven aan het verkeer tussen de Koning en de bewindslieden, de bewaring van oorspronkelijke wetten, koninklijke besluiten en soortgelijke regeringsbescheiden.

Het Kabinet ontleent zijn plaats en taak aan die van de Koning. Hij is de onschendbare component van de regering voor wie de ministers verantwoordelijk zijn zoals dit volgt uit artikel 42, tweede lid, van de Grondwet («De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.»). De plaats van de Koning in het staatsbestel houdt ook in dat hij niet hiërarchisch ondergeschikt is aan de ministers. Hij staat boven de partijen.

Het Kabinet is er ter ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van diens constitutionele taken. De geschiedenis van het Kabinet en het overzicht van zijn huidige taken bevestigen dit.

Er bestaat voor deze ambtelijke organisatie daarom volledige ministeriële verantwoordelijkheid, zoals deze altijd heeft gegolden sinds de invoering daarvan. Daarmee zijn de ministers dus ook voor de uitoefening van de taken van het Kabinet verantwoordelijk.

Er is een verantwoordingsrelatie van de directeur van het Kabinet aan de ministers wie het aangaat. Deze heeft betrekking op de ministers in het algemeen en – gelet op diens verantwoordelijkheid voor de Koning – de Minister-President in het bijzonder. De in dit besluit geregelde onderdelen, met name (a) bepaling van de taken van het Kabinet, (b) benoeming en ontslag van de directeur op voordracht van de Minister-President in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en (c) inlichtingenplicht van de directeur om de ministers die het aangaat tijdig alle inlichtingen te verschaffen die voor de uitoefening van hun ministeriële verantwoordelijkheid van belang kunnen zijn, instrumenteren de verantwoordingsrelatie en geven ten volle invulling aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Indien de directeur van het Kabinet van de Koning twijfelt welke minister hij moet inlichten, dient hij altijd de Minister-President in kennis te stellen. De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting van het Kabinet van de Koningin dat onderdeel vormt van begroting III van de rijksbegroting. Hij zal over de aan dit beheer te geven inhoud afspraken maken met het Kabinet der Koningin, waarin recht wordt gedaan aan de staatsrechtelijke positie van dit Kabinet.

Aldus is er met betrekking tot het Kabinet van de Koning sprake van een sluitend stelsel van ministeriële verantwoordelijkheid en daarmee ook van parlementaire controle. In ons staatsbestel geldt dat iedere minister verantwoordelijk is voorzover het het taakgebied van zijn ministerie betreft, terwijl de Minister-President de algemene verantwoordelijkheid voor de (onschendbare) Koning draagt. Hij heeft in dezen een bijzondere verantwoordelijkheid op grond van artikel 42 en 45 van de Grondwet. In de praktijk effectueert de Minister-President veelal in eerste instantie, afhankelijk van het geval samen met andere ministers, de ministeriële verantwoordelijkheid en legt daarover verantwoording af aan de Staten-Generaal.

In dit besluit en de nota van toelichting is het begrip «Koning» gehanteerd in de zin van de constitutionele Koning, ongeacht de vraag of deze positie wordt bekleed door een man of een vrouw. In het verlengde hiervan wordt de aanduiding «Kabinet van de Koning» gebruikt. Overigens is in de wet van 22 juni 1891, Stb. 125, bepaald dat zolang een Koningin de Kroon draagt, bij het gebruik van alle wettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officiële benamingen, waarin het woord «Koning» voorkomt, in plaats daarvan het woord «Koningin» wordt gebruikt.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In dit artikel wordt in algemene termen de taakomschrijving van het Kabinet van de Koning vastgelegd, zoals deze van oudsher bestaat.

Meer specifiek laten de huidige taken van het Kabinet van de Koning bij de ondersteuning van de uitoefening van de constitutionele taken van het staatshoofd zich als volgt opsommen:

a. Trait d'union tussen Koning en bewindspersonen

– onderhouden van contacten met bewindspersonen namens de Koning;

– schriftelijk en mondeling informeren van de Koning ten behoeve van zijn gesprekken met bewindslieden;

– registreren van ingekomen staatsstukken (onder andere voorstellen van wet, ontwerp-algemene maatregelen van bestuur en overige ontwerp-besluiten, nadere rapporten bij voorstellen van wet en bekrachtiging van verdragen) en toetsen daarvan op formele voorschriften (juistheid, volledigheid en tijdigheid);

– tijdig en in correcte vorm ter tekening voorleggen van alle door de ministeries aangeboden staatsstukken;

– maken van samenvattingen en toelichtingen bij de aan de Koning voor te leggen tekenstukken;

– namens de Koning voorleggen van wetsvoorstellen en ontwerp-algemene maatregelen van bestuur aan de Raad van State en het informeren van ministeries hierover;

– verzorgen van bij officiële stukken behorende correspondentie.

b. Ondersteuning bij contacten, ontvangsten, bezoeken en kabinetsformaties

– schriftelijk en mondeling informeren ten behoeve van gesprekken met binnenlandse en buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders en ten behoeve van staatsbezoeken, andere buitenlandse bezoeken, bezoeken aan andere landen van het koninkrijk en werkbezoeken;

– begeleiden van de Koning tijdens staatsbezoeken en andere buitenlandse bezoeken;

– opstellen en overbrengen van boodschappen aan staatshoofden van vreemde mogendheden via het ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassades;

– overige bemiddeling bij de totstandkoming van contacten met andere organen van de overheid, en zorg voor ontvangsten van en toegang tot (de directe omgeving van) het staatshoofd;

– andere vormen van ambtelijke ondersteuning, zoals het uitgeven van communiqués bij kabinetsformaties.

c. Behandeling van verzoekschriften

Artikel 5 van de Grondwet geeft ieder het recht schriftelijke verzoeken in te dienen bij het bevoegd gezag. Ook de Koning ontvangt op basis hiervan jaarlijks vele verzoekschriften, die doorgaans worden overgedragen aan de voor het beleidsterrein waarop het verzoekschrift betrekking heeft verantwoordelijke minister. De ambtelijke ondersteuning hiervan houdt onder andere in:

– registreren van verzoekschriften en het informeren van de Koning over ontvangen verzoekschriften;

– verzoekschriften voor behandeling overdragen aan de bewindspersoon die voor het desbetreffende beleidsterrein verantwoordelijk is;

– indieners informeren over de overdracht;

– volgen van de afhandeling van het verzoekschrift.

d. Archivering

– registreren, bewaren en overdragen van wetten, koninklijke besluiten en andere staatsstukken overeenkomstig de bestaande regelgeving (Archiefwet, Archiefbesluit en Besluit uitgifte Staatsblad en Staatscourant).

Beheer van de eigen organisatie

Zoals bij elke instelling worden bij het Kabinet ondersteunende handelingen verricht ten behoeve van het beheer van de eigen organisatie. De directeur van het Kabinet van de Koning heeft ook beheerstaken op grond van de Archiefwet.

Artikel 2

De directeur van het Kabinet van de Koning wordt afzonderlijk in dit besluit genoemd, omdat hij belast is met de ambtelijke leiding van het Kabinet. Daarnaast heeft hij bepaalde taken op grond van de Archiefwet en het Archiefbesluit. Om de bestaande ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet van de Koning tot uiting te brengen, schrijft dit artikel voor dat de directeur wordt benoemd en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 3

Het Kabinet van de Koning valt onder het bereik van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dit artikel stelt in het eerste lid buiten twijfel dat dit ook inhoudt dat er een inlichtingenplicht bestaat van de directeur om de ministers die het aangaat tijdig alle inlichtingen te verschaffen die voor de uitoefening van hun ministeriële verantwoordelijkheid van belang kunnen zijn. Het is evident dat de directeur van het Kabinet de ministers die het aangaat inlicht alvorens hij contacten met derden legt, in het bijzonder met andere binnenen buitenlandse overheidsorganen. De ministers die het aangaat zijn aldus in de gelegenheid om, indien nodig, nader in overleg te treden met de Koning. De Koning zal vervolgens de directeur dienovereenkomstig opdragen.

De voor werkzaamheden van het Kabinet van de Koning verantwoordelijke minister kan bijvoorbeeld de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn wanneer het de archieffunctie betreft.

Indien de directeur van het Kabinet van de Koning twijfelt welke minister hij moet inlichten, dient hij altijd de Minister-President in kennis te stellen en daarbij aan hem de vraag voor te leggen, of daarnaast een of meer andere ministers moeten worden geïnformeerd.

Uit de aard der zaak geldt ook voor ministers en hun ambtenaren dat zij zich bij contacten met de directeur en andere medewerkers van het Kabinet van de Koning bewust moeten zijn van de ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede uitoefening van de Koninklijke functie en voor de ondersteuning die daarvoor nodig is.

Artikel 4

De begroting van het Kabinet van de Koning is – als afzonderlijke begrotingsstaat – onderdeel van begroting III van de Rijksbegroting, waarin ook het ministerie van Algemene Zaken en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn opgenomen. Het Kabinet noch de Commissie zijn onderdeel van de ambtelijke organisatie van het ministerie van Algemene Zaken. Dit laat onverlet dat de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, verantwoordelijk is voor het beheer van de gehele begroting III en mitsdien ook voor de begroting van het Kabinet van de Koning. De Comptabiliteitswet 2001 regelt de wijze waarop aan deze verantwoordelijkheid inhoud wordt gegeven.

Artikel 5

Dit besluit treedt in de plaats van de besluiten van 22 december 1840, nr. 44, en 14 december 1893, nr. 17. Deze besluiten kunnen derhalve worden ingetrokken.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

Naar boven