Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2004, 688AMvB

Besluit van 14 december 2004, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de invoering van de Wet arbeid en zorg, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Wet verbetering poortwachter

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 oktober 2004, DGMOS 04/79887, directoraat-generaal Management Openbare Sector, directie Personeel, Organisatie en Informatie Rijk, afdeling Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 9 december 2004, nr. W04.04.05333/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2004, nr. DGMOS 04/84326, directoraat-generaal Management Openbare Sector, directie Personeel, Organisatie en Informatie Rijk, afdeling Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 21a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Indien na 78 weken ziekte de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, dan wel de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, tweede lid, daalt naar 80%, wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.

B

In artikel 22 wordt, onder vernummering van het elfde tot en met vijftiende lid, tot het twaalfde tot en met het zestiende lid, een nieuw elfde lid toegevoegd, luidende:

  • 11. In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 40a, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.

C

Artikel 33fb wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig artikel 37» vervangen door: haar aanspraak op bezoldiging.

2. Twee leden worden toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

  • 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

D

Na artikel 33fb wordt artikel 33fc ingevoegd, luidende:

Artikel 33fc Bevalling en ontslag

  • 1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 33fb, eerste lid, behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde lid, een aanvang heeft genomen.

  • 2. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

  • 4. De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 5. De artikelen 33fb, vijfde en zesde lid, 40, tweede lid, en 48a, zijn van overeenkomstige toepassing.

E

In artikel 33g, achtste en negende lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» telkens vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

F

Artikel 33h wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

2. Een zevende lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 7. De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.

G

In artikel 34, zesde en zevende lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» telkens vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

H

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h komt te luiden:

h) invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

2. De onderdelen k en o komen te luiden:

k) UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;

o) Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;.

3. Onderdeel l komt te luiden:

l) passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;.

I

Artikel 36b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997» vervangen door: artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «De ambtenaar kan de Arbo-dienst» vervangen door: De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de Arbo-dienst.

3. In het vijfde lid wordt de zinsnede «Op verzoek van de ambtenaar» vervangen door: Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar.

J

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, heeft, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking

    a. geen aanspraak heeft op een WAO uitkering:

    I) gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, en

    II) in de periode daarna aanspraak op 80% van zijn bezoldiging; of

    b. aanspraak heeft op een WAO-uitkering:

    I) gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en

    II) in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

2. In het derde lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:

c) indien hij tijdelijk andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur en het bevoegd gezag advies inwint bij de Arbo-dienst alvorens de ambtenaar de arbeid verricht; dan wel.

K

Artikel 38, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan 26 weken, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking

I) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; of

II) aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering, en de WAO-uitkering.

L

Artikel 39, tweede lid, onderdelen b en c, komen te luiden:

b. gedurende de daaropvolgende 26 weken:

I) indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van zijn bezoldiging; of

II) indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot zijn bezoldiging op WAO-uitkering; en

c. daarna:

I) indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging; of

II) indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering.

M

Na artikel 40 wordt artikel 40a ingevoegd, luidende:

Artikel 40a

  • 1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

    b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

    c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

    d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

    e) verzuimt de Arbo-dienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

    f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbo-dienst om te verschijnen;

    g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;

    i) weigert aangeboden passende of gangbare arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, zonder deugdelijke grond weigert deze arbeid, waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, te verrichten;

    j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

    l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;

    m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    n) vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

    o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    q) zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende of gangbare arbeid te verrichten;

    r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;

    s) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO;

    t) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

  • 3. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 4. Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 5. Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

  • 6. Indien betrokkene aanspraak heeft op een WAO-uitkering, is op de aanspraak die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft op doorbetaling van de bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Indien ten aanzien van de WAO-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken als bedoeld in de artikelen 37, eerste, tweede, en derde lid, 38, eerste en tweede lid, of 39, tweede lid.

  • 8. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

N

Na artikel 40a wordt een nieuw artikel 40b ingevoegd, luidende:

Artikel 40b

  • 1. Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

  • 2. Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

O

In artikel 40b, eerste lid, wordt de volgende volzin toegevoegd:

Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert het bevoegd gezag de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.

P

Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar of de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar of de gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 38, eerste lid, aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. In het derde lid wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma onderdeel c toegevoegd, luidende:

c) arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 37, derde lid, onder sub c.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4. Er wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Onverminderd het in dit artikel bepaalde, kan het tijdvak als bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, worden verlengd overeenkomstig het veertiende en vijftiende lid van dat artikel.

Q

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, aanhef, komt de zinsnede «bedoeld in artikel 38, derde en vierde lid» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 38, derde lid.

2. Een zesde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 6. Artikel 41, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

R

De artikelen 43 en 44 komen te vervallen.

S

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «of artikel 33fb, tweede lid,».

2. In het derde lid vervalt de zinsnede «en artikel 33fb, tweede lid,».

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede «of artikel 33fb, tweede lid,».

T

Artikel 46 komt te luiden:

Artikel 46

  • 1. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering:

    a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel

    b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

  • 2. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

U

In artikel 48a, tweede lid, wordt de zinsnede «Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984» vervangen door: Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

V

Artikel 57a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Gedurende het tijdvak als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Indien de ambtenaar na ommekomst van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

W

In artikel 57b, derde lid, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 37, derde lid» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 37, tweede lid.

X

In artikel 59, vierde en vijfde lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

Y

In artikel 60, tweede en derde lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

Z

In artikel 97, vierde lid, wordt de zinsnede «als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder g» vervangen door : als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder f.

AA

Artikel 98, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, die de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.

AB

Na artikel 98a wordt artikel 98b ingevoegd, luidende:

Artikel 98b

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 98, derde lid, onderdeel a, kan aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid, bedoeld in artikel 35, onderdeel l, te verrichten, of

    b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of

    c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

  • 2. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegd gezag een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit mede in beschouwing.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 34a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Indien na 78 weken ziekte de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, dan wel de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 72, tweede lid, daalt naar 80%, wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.

B

In artikel 35, onder vernummering van het elfde tot en met vijftiende lid, tot het twaalfde tot en met het zestiende lid, een nieuw elfde lid toegevoegd, luidende:

  • 11. In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 75a, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.

C

Artikel 62c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig artikel 72» vervangen door: haar aanspraak op bezoldiging.

2. Twee leden worden toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

  • 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

D

Na artikel 62c wordt artikel 62d ingevoegd, luidende:

Artikel 62d. Bevalling en ontslag

  • 1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 62c, eerste lid, behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 62c, derde lid,een aanvang heeft genomen.

  • 2. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

  • 4. De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met haar vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 5. De artikelen 62c, vijfde en zesde lid, 75, tweede lid, en 83a, zijn van overeenkomstige toepassing.

E

In artikel 62a, achtste en negende lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» telkens vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

F

Artikel 62aa wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

2. Een zevende lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 7. De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.

G

In artikel 63, zesde en zevende lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» telkens vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

H

Artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel h komt te luiden:

h) invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

2. De onderdelen k en o komen te luiden:

k. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;

o. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;.

3. Onderdeel l komt te luiden:

l. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;.

I

Artikel 71b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997» vervangen door: artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «De ambtenaar kan de Arbo-dienst» vervangen door: De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de Arbo-dienst.

3. In het vijfde lid wordt de zinsnede «Op verzoek van de ambtenaar» vervangen door: Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar.

J

Artikel 72 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, heeft, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking

    a. geen aanspraak heeft op een WAO uitkering:

    I) gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, en

    II) in de periode daarna aanspraak op 80% van zijn bezoldiging; of

    b. aanspraak heeft op een WAO-uitkering:

    I) gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en

    II) in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

2. In het derde lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:

c) indien hij tijdelijk andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur en het bevoegd gezag advies inwint bij de Arbo-dienst alvorens de ambtenaar de arbeid verricht; dan wel.

K

Artikel 73, eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan 26 weken, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking

I) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; of

II) aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering, en de WAO-uitkering.

L

Artikel 74, tweede lid, onderdelen b en c, komen te luiden:

b. gedurende de daaropvolgende 26 weken:

I) indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van zijn bezoldiging; of

II) indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot zijn bezoldiging op WAO-uitkering; en

c. daarna:

I) indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging;

of

II) indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering.

M

Na artikel 75 wordt artikel 75a ingevoegd, luidende:

Artikel 75a

  • 1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

    b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

    c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

    d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

    e) verzuimt de Arbo-dienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

    f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbo-dienst om te verschijnen;

    g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;

    i) weigert aangeboden passende of gangbare arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, zonder deugdelijke grond weigert deze arbeid, waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, te verrichten;

    j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

    l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;

    m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    n) vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

    o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    q) zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende of gangbare arbeid te verrichten;

    r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;

    s) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO;

    t) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

  • 3. De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 4. Het tot aanstelling bevoegd gezag kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 5. Voor zover het tot aanstelling bevoegd gezag van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

  • 6. Indien betrokkene aanspraak heeft op een WAO-uitkering, is op de aanspraak die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft op doorbetaling van de bezoldiging, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Indien ten aanzien van de WAO-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door het tot aanstelling bevoegd gezag zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken als bedoeld in de artikelen 72, eerste, tweede, en derde lid, 73, eerste en tweede lid, of 74, tweede lid.

  • 8. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

N

Na artikel 75a wordt een nieuw artikel 75b ingevoegd, luidende:

Artikel 75b

  • 1. Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

  • 2. Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

O

In artikel 75b, eerste lid, wordt de volgende volzin toegevoegd:

Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van het tot aanstelling bevoegd gezag geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert het bevoegd gezag de inschakeling van de ambtenaar in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van het tot aanstelling bevoegd gezag.

P

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar of de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar of de gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 73, eerste lid, aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. In het derde lid wordt onder vervanging van de punt door een puntkomma onderdeel c toegevoegd, luidende:

c) arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 72, derde lid, onder sub c.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4. Er wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Onverminderd het in dit artikel bepaalde, kan het tijdvak als bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, worden verlengd overeenkomstig het veertiende en vijftiende lid van dat artikel.

Q

Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, aanhef, komt de zinsnede «bedoeld in artikel 73, derde en vierde lid» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 73, derde lid.

2. Een zesde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 6. Artikel 76, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

R

De artikelen 78 en 79 komen te vervallen.

S

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «of artikel 62c, tweede lid,».

2. In het derde lid vervalt de zinsnede «en artikel 62c, tweede lid,».

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede «of artikel 62c, tweede lid,».

T

Artikel 81 komt te luiden:

Artikel 81

  • 1. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 62d, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering:

    a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel

    b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 73. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

  • 2. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.

U

In artikel 83a, tweede lid, wordt de zinsnede «Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984» vervangen door: Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

V

Artikel 92a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Gedurende het tijdvak als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Indien de ambtenaar na ommekomst van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

W

In artikel 92b, derde lid, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 72, derde lid» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 72, tweede lid.

X

In artikel 94, vierde en vijfde lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

Y

In artikel 95, tweede en derde lid, wordt de zinsnede «de Wet financiering loopbaanonderbreking» vervangen door: hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.

Z

Artikel 129, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, die de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.

AA

Na artikel 130 wordt artikel 130a ingevoegd, luidende:

Artikel 130a

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 129, derde lid, onderdeel a, kan aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid, bedoeld in artikel 70, onderdeel l, te verrichten, of

    b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of

    c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

  • 2. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegd gezag een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit mede in beschouwing.

ARTIKEL III

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Gedurende het tijdvak, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarin de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «Na afloop van het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte» vervangen door: Indien de ambtenaar na ommekomst van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

B

In artikel 35, derde lid, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 54, derde lid» wordt vervangen door: bedoeld in artikel 54, tweede lid.

C

Artikel 38, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Indien na 78 weken ziekte de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, dan wel de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 54, tweede lid, daalt naar 80%, wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.

D

In artikel 41 wordt, onder vernummering van het elfde tot en met vijftiende lid, tot het twaalfde tot en met het zestiende lid, een nieuw elfde lid toegevoegd, luidende:

  • 11. In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 54ca, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.

E

Artikel 45a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig artikel 54» vervangen door: haar aanspraak op bezoldiging.

2. Twee leden worden toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.

  • 6. Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.

F

Na artikel 45a wordt artikel 45aa ingevoegd, luidende:

Artikel 45aa. Bevalling en ontslag

  • 1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 45a, eerste lid, een aanvang heeft genomen.

  • 2. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling.

  • 3. De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.

  • 4. De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering gedurende de periode die:

    a. aanvangt op de datum van bevalling; en

    b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.

  • 5. De artikelen 45a, vijfde en zesde lid, 54c, tweede lid, en 57, zijn van overeenkomstige toepassing.

G

Artikel 45c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdelen a en b, komen te luiden:

  • 2. a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.

    b. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan besloten worden dat het adoptieverlof gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op een andere wijze wordt genoten dan vermeld onder a.

2. Een zevende lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.

H

Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen g, j en m komen te luiden:

g. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

j. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

m. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel t door een puntkomma wordt onderdeel u toegevoegd, luidende:

u. Wet SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

I

Artikel 50b komt als volgt te luiden:

Artikel 50b

  • 1. In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.

  • 2. Het medisch advies dat door de Arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 50a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.

  • 3. De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de Arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De Arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.

  • 4. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, maar uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.

  • 5. Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie kenbaar te maken.

  • 6. De leden van de commissie worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.

  • 7. De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:

    a. de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;

    b. Onze Minister;

    c. de behandelend arts, bedoeld in het vijfde lid.

  • 8. De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek, bedoeld in het derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

J

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De ambtenaar die na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, nog ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, heeft, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking:

    a. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering

    1°. gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, en

    2°. in de periode daarna aanspraak op doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging; of

    b. aanspraak heeft op een WAO-uitkering:

    1°. gedurende ten hoogste 26 weken aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering en

    2°. in de periode daarna aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde lid tot en met het achtste lid tot derde tot en met zevende lid.

3. In het derde lid komt onderdeel b als volgt te luiden:

b. voor zolang hij tijdelijk andere arbeid voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur verricht;.

K

Artikel 54a, eerste lid, onderdeel b, komt als volgt te luiden:

b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte maar niet langer dan 26 weken, indien hij op grond van zijn dienstbetrekking

1°. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; of

2°. aanspraak heeft op een WAO-uitkering: aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantieuitkering, en de WAO-uitkering.

L

Artikel 54b, tweede lid, onderdelen b en c, komen als volgt te luiden:

b. gedurende de daaropvolgende 26 weken:

1°. indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van zijn bezoldiging; of

2°. indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot zijn bezoldiging op WAO-uitkering; en

c. daarna:

1°. indien hij geen recht heeft op een WAO-uitkering: doorbetaling van 80% van zijn bezoldiging; of

2°. indien hij recht heeft op een WAO-uitkering: een aanvulling tot 80% van zijn bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering.

M

Na artikel 54c wordt artikel 54ca ingevoegd, luidende:

Artikel 54ca. Verval van aanspraken

  • 1. De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:

    a. niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;

    b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;

    c. de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;

    d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;

    e. verzuimt de Arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;

    f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbodienst om te verschijnen;

    g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij het bevoegd gezag;

    i. weigert aangeboden passende of gangbare arbeid, waartoe de Arbodienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel, zonder deugdelijke grond weigert deze arbeid, waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld, te verrichten;

    j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;

    k. zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;

    l. weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor Onze Minister voor de uitvoering van wetten;

    m. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    n. vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;

    o. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn aanspraak op of de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;

    p. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    q. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende of gangbare arbeid te verrichten;

    r. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO;

    s. geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO;

    t. zonder deugdelijke grond weigert meer te werken aan de doelmatige uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2. De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.

  • 3. De ingevolge het eerste en tweede lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid.

  • 4. Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 5. Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.

  • 6. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar aanspraak heeft op een WAO-uitkering, is op de aanspraak die de betrokkene heeft op doorbetaling van de bezoldiging of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Indien ten aanzien van de WAO-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken, bedoeld in de artikelen 54, eerste, tweede en derde lid, 54a, eerste en tweede lid, of 54b, tweede lid.

  • 8. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO-uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

N

Na artikel 54ca wordt een nieuw artikel 54cb ingevoegd, luidende:

Artikel 54cb. Reïntegratie

  • 1. Onze Minister zal zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen treffen en voorschriften geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

  • 2. In overeenstemming met de ambtenaar wordt een plan van aanpak opgesteld als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WAO. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

O

In artikel 54cb, eerste lid, wordt de volgende volzin toegevoegd:

Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, wordt de inschakeling van de ambtenaar bevorderd in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.

P

Artikel 54d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 54a, eerste lid, aanspraak hebben op de doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. In het derde lid komt onderdeel b als volgt te luiden:

b. andere arbeid voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur heeft verricht.

3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering» vervangen door: gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op doorbetaling van de bezoldiging of op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4. Er wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Onverminderd het in dit artikel bepaalde, kan het tijdvak, bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, worden verlengd overeenkomstig het veertiende en vijftiende lid van dat artikel.

Q

Artikel 54e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 54, eerste tot en met vierde lid» vervangen door: bedoeld in artikel 54, eerste tot en met derde lid.

2. In het tweede lid, aanhef, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 54, vijfde en zesde lid» vervangen door: bedoeld in artikel 54, vierde en vijfde lid.

3. In het vierde lid, aanhef, wordt de zinsnede «bedoeld in artikel 54a, derde en vierde lid» vervangen door: bedoeld in artikel 54a, derde lid.

4. In het vijfde lid, onderdelen a en e, vervalt telkens «of de gewezen ambtenaar».

5. Een zesde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 6. Artikel 54d, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

R

Onder vernummering van de paragrafen 5 en 6 in 4 en 5 komt paragraaf 4 te vervallen.

S

Artikel 54h wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «of artikel 45a, tweede lid,».

2. In het derde lid vervalt de zinsnede «en artikel 45a, tweede lid,».

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede «of artikel 45a, tweede lid,».

T

Artikel 55 komt te luiden:

Artikel 55. Ziekte na bevalling

  • 1. Indien de gewezen vrouwelijke ambtenaar na de datum waarop de periode afloopt gedurende welke zij ingevolge artikel 45aa, eerste, tweede of vierde lid, haar bezoldiging en vakantie-uitkering ontvangt, wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na die datum wegens ziekte ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering overeenkomstig artikel 54a, zolang zij wegens ziekte ongeschikt is tot werken. De termijn van 52 weken vangt aan na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.

  • 2. Ongeschikt tot werken wegens ziekte in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen als zij vervulde.

U

In artikel 57, tweede lid, wordt de zinsnede «Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984» vervangen door: Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

V

Artikel 104, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, vraagt Onze Minister het oordeel van een daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen arts.

W

Na artikel 105 wordt artikel 105a ingevoegd, luidende:

Artikel 105a. Ontslagsanctie bij arbeidsongeschiktheid

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 104, derde lid, onderdeel a, kan aan de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    a. gevolg te geven aan redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j, te verrichten, of

    b. passende arbeid als bedoeld in artikel 49, onderdeel j, te verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld, of

    c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

  • 2. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, vraagt Onze Minister een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit mede in beschouwing.

ARTIKEL IV

In artikel 20a, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt de zinsnede «op grond van de Ziektewet of» telkens vervangen door: op grond van de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, of.

ARTIKEL V

Het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het derde en vierde lid, tot het tweede en derde lid, komt het tweede lid te vervallen.

B

Na artikel 5 wordt artikel 5a ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

  • 1. De uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg die betrokkene heeft, wordt

    a. in verband met haar zwangerschap en bevalling gedurende ten minste 16 weken aangevuld tot 100% van het voor haar geldende dagloon, en wel voor de periode

    1°. die aanvangt zes weken voor de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de betrokkene dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijk datum van bevalling; en

    2°. die aanvangt op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken of zoveel meer als het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap minder dan zes weken heeft geduurd; of

    b. in verband met adoptie gedurende ten hoogste vier aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon; of

    c. in verband met het opnemen van een pleegkind gedurende ten hoogste vier aaneengesloten weken vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming van het pleegkind een aanvang heeft genomen of zal nemen, aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon.

  • 2. Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na afloop van de periode, waarin de Wet arbeid en zorg, op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Wet arbeid en zorg op hem of haar van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 4 van dit besluit.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met dien verstande dat:

a. de onderdelen C, D, E, F, G, S, T, X, en Y van de artikelen I en II, de artikelen IV en V, terugwerken tot en met 1 december 2001;

b. de onderdelen H onder 2, I onder 1 en AA van artikel I en de onderdelen H onder 2, I onder 1 en Z van artikel II, terugwerken tot en met 1 januari 2002;

c. de onderdelen A, H onder 3, J, onder 1, K, L, N, P, onder 1, 3 en 4, Q, R, V en W van de artikelen I en II, terugwerken tot en met 1 april 2002;

d. onderdeel O van de artikelen I, II en III, terugwerken tot en met 1 januari 2003;

e. de onderdelen A tot en met C en E tot en met G, J, onder 1 en 2, K, L, N, P, onder 1, 3 en 4, Q, S, T en V van artikel III, terugwerken tot en met 29 juni 2002.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 14 december 2004

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot

Uitgegeven de achtentwintigste december 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG), het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (het zogenaamde bovenwettelijke WW-besluit), worden door dit besluit in overeenstemming gebracht met de Wet arbeid en zorg (Stb. 2001, 567), de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Stb. 2001, 624) en de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628). Deze wetten bevatten bepalingen die zowel op werknemers als op het overheids- en onderwijspersoneel van toepassing zijn. Ondanks de rechtstreekse werking van de genoemde wetten voor het overheids- en onderwijspersoneel wordt de tot nu toe gehanteerde systematiek gehandhaafd om toch de voor dit personeel relevante bepalingen in de genoemde rechtspositieregelingen op te nemen.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft onderhavig besluit voor wat betreft de uitvoerbaarheid goedgekeurd.

Met ingang van 29 juni 2002 is het RDBZ gewijzigd (Stb. 2002, 334). De bij het voorliggende besluit in het RDBZ aangebrachte wijzigingen volgen die van het ARAR, met uitzondering van de onderdelen E, G, X en Y van artikel I. Bij voornoemde wijziging van het RDBZ is namelijk reeds rekening gehouden met de veranderingen in de Wet arbeid en zorg. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt het RDBZ aan te passen aan de wijzigingen van het ARAR bij besluit van 24 juli 2002 (Stb. 2002, 433). Het betreft hier de onderdelen I, J en K, van artikel III. Voor een toelichting op deze bepalingen wordt naar laatstgenoemd besluit verwezen.

In onderhavig besluit zijn enkele regelingen getroffen om geconstateerde lacunes in de rechtspositieregelingen te ondervangen.

Omdat de wettelijke bepalingen – zoals hiervoor gemeld – rechtstreeks voor het overheids- en onderwijspersoneel gelden, zijn de doorgevoerde aanpassingen aan die wetten technisch van aard en is geen overeenstemming met de vakcentrales van overheidspersoneel vereist. Vanwege de samenhang tussen deze wetten, die op diverse momenten in werking zijn getreden, vindt de inwerkingtreding met terugwerkende kracht op diverse momenten plaats. In de loop van het totstandkomingstraject is een beleidsmatig onderwerp aan het besluit gekoppeld. Omdat hiermee geen voortgang werd geboekt heeft het traject vertraging opgelopen. Besloten is het beleidsmatige onderwerp te ontkoppelen en alleen de technische herziening voort te zetten.

Met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is over dit besluit overleg gevoerd.

In onderstaande tabel worden tot uitdrukking gebracht de artikelen die in het ARAR (en corresponderende artikelen in het ARSG en het RDBZ), het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) en het bovenwettelijke WW-besluit, zijn aangepast aan de Wet arbeid en zorg, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Wet verbetering poortwachter, en de nieuwe regelingen die zijn getroffen om lacunes te ondervangen.

Wet arbeid en zorg

Artikel I, onderdeel:

Inwerkingtreding 1/12/2001

C

33fb, lid 2; 5+ 6 (nieuw)

D

33fc (geheel nieuw)

E

33g, lid 8, 9

F

33h, lid 2; 7 (nieuw)

G

34, lid 6, 7

S

45, lid 1, 3, 4

T

46

X

59, lid 4, 5

Y

60, lid 2, 3

  

Artikel IV

20a, lid 3, BBRA

Artikel V

5a bovenwettelijke WW-besluit

Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Artikel I, onderdeel:

Inwerkingtreding 1/1/2002

H onder 2

35, sub k, o

I onder 1

36b, lid 1

M

40a, lid 5*

AA

98, lid 7

Wet verbetering poortwachter

Artikel I, onderdeel:

Inwerkingtreding 1/4/2002

A

21a, lid 5

B

22, lid 11 (nieuw)*

H onder 3

35, sub l

J onder 1

37, lid 2

K

38, lid 1

L

39, lid 2

M

40a (nieuw)*

N

40b (nieuw)

O

40b, lid 1, tweede volzin (nieuw)**

P

41, lid 3, 5; 6 (nieuw)

Q onder 2

42, lid 6 (nieuw)

R

43 en 44 vervallen

V

57a, lid 2, 3

W

57b, lid 3

AB

98b (nieuw)*

* inwerkingtreding na publicatie in Staatsblad

** inwerkingtreding op 1/1/2003

De nieuwe regelingen

Artikel I, onderdeel:

Inwerkingtreding na publicatie in Staatsblad

H onder 1

35, sub h

I onder 2, 3

36b, lid 3, 5

J onder 2

37, lid 3, sub c (nieuw); verlettering

P onder 2

41, lid 3, sub c (nieuw)

Q onder 1

42, lid 4

U

48a, lid 2

Z

97, lid 4

De Wet arbeid en zorg (Wazo)

In de Wazo zijn verschillende verlofrechten geregeld die voorheen in het Burgerlijk Wetboek waren vermeld. Een aantal van de bepalingen van de Wazo is al in het ARAR, ARSG en RDBZ opgenomen. Dit is geschied bij:

1. koninklijk besluit van 15 juni 2000, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enige andere besluiten in verband met de implementatie van de Richtlijnen 92/85/EEG en 96/34/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 oktober 1992 respectievelijk 3 juni 1996 (Stb. 2000, 279). In het ARAR, ARSG en RDBZ is toen opgenomen dat zwangerschap en bevalling niet gelijk worden gesteld met ziekte en dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet worden meegeteld bij de berekening van de periode van twee jaar, waarna ontslag mogelijk is wegens ongeschiktheid tot verrichten van arbeid wegens ziekte;

2. koninklijk besluit van 16 februari 2001, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000-2001 (Stb. 2001, 99). Het ARAR, ARSG en RDBZ zijn toen in overeenstemming gebracht met de inhoud van het voorstel van wet inzake de Wazo (kamerstukken 27 207);

3. invoering van de Ziektewet (ZW)en de Werkloosheidswet (WW) voor het overheidspersoneel wat betreft de tegemoetkoming bij zwangerschap en bevalling;

4. koninklijk besluit van 13 mei 2002, houdende wijziging van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (Stb. 2002, 334).

De Wazo wijkt voor wat betreft enkele bepalingen af van het hiervoor onder punt 2 genoemde voorstel van wet. In onderhavig besluit worden het ARAR, ARSG, RDBZ en het bovenwettelijke WW-besluit in overeenstemming gebracht met deze bepalingen. In de rechtspositieregelingen wordt steeds uitgegaan van wettelijke aanspraken uit de Wazo en de bovenwettelijke aanspraken.

In het voorstel van wet zijn, bijvoorbeeld, geen bepalingen in het kader van pleegzorg opgenomen die wel in de wet zijn neergelegd. Bij onderhavig besluit worden in de rechtspositieregelingen de bepalingen over het opnemen van een pleegkind in het gezin van de ambtenaar neergelegd, teneinde de rechtspositieregelingen in overeenstemming te brengen met de Wazo.

In de Wazo wordt het begrip gemaximeerde dagloon gehanteerd. Dat is een in de Wazo gestelde grens aan het loon per dag, op basis waarvan de financiële uitkering wordt vastgesteld. De maximale grens in de rechtspositieregelingen in de sector Rijk ligt bij de volle bezoldiging. De volle bezoldiging kan vergeleken worden met een dagloon dat niet aan een maximum is gebonden, het zogenaamde ongemaximeerde dagloon. Om te voorkomen dat er geen rechtspositionele achteruitgang plaatsvindt ten opzichte van de situatie van vóór 1 december 2001 zijn in het ARAR, het ARSG, het RDBZ en in het bovenwettelijke WW-besluit regelingen getroffen waarbij de rijkswerkgever de financiële tegemoetkoming in de zin van de Wazo door middel van een aanvulling respectievelijk een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering zal vermeerderen tot aan 100% van het ongemaximeerde dagloon (de volle bezoldiging ofde laatstelijk genoten bezoldiging). In geval van samenloop van deze financiële tegemoetkoming en de doorbetaling van de bezoldiging wordt gedurende de samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast die overeenkomt met het bedrag van de financiële tegemoetkoming.

Uitvoeringstechnisch blijft het bevoegd gezag de bezoldiging rechtstreeks aan de ambtenaar doorbetalen. Vervolgens krijgt het bevoegd gezag 100% van het gemaximeerde dagloon gecompenseerd. De financiële tegemoetkoming op grond van de Wazo komt ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de Overheid (UFO).

De Wazo is in werking getreden op 1 december 2001. Voor de uitvoering van de bepalingen in de rechtspositieregelingen door de uitvoeringsinstanties wordt met ingang van die datum reeds zorggedragen conform onderhavig besluit. De technische aanpassingen aan de Wazo van het ARAR, ARSG, RDBZ en het bovenwettelijke WW-besluit treden dan ook in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 december 2001.

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI)

De Wet SUWI is in de plaats gekomen van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997). De Wet SUWI heeft de uitvoeringsstructuur van de (publieke) arbeidsvoorziening en van de sociale zekerheid ingrijpend gewijzigd. De nieuwe structuur is een op activering gericht stelsel, waarin voorrang wordt gegeven aan werk. Gezocht is naar een uitvoeringsstructuur waarin de cliënt centraal staat en waarin een heldere scheiding is aangebracht tussen publieke en private uitvoering van taken.

De rechtspositiebesluiten zijn in onderhavig besluit in overeenstemming gebracht met de (terminologie van de) Wet SUWI door de verwijzingen naar de (bepalingen in de) Osv 1997 te vervangen door de verwijzingen naar de (bepalingen in de) Wet SUWI. De aanpassingen hebben geen financiële gevolgen voor de rijksbegroting en treden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 in werking.

De Wet verbetering poortwachter

De Wet verbetering poortwachter beoogt de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in Nederland terug te dringen. In de wet wordt hiertoe een aantal maatregelen getroffen.

De Wet verbetering poortwachter geldt zowel voor de marktsector als voor de overheidssector en bevat onder meer wijzigingen van de ZW, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet terugdringing ziekteverzuim. Vrijwel alle wetswijzigingen in de Wet verbetering poortwachter gelden rechtstreeks voor de overheid. Een belangrijke uitzondering daarop vormen de wijzigingen in boek 7 titel 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin het civiele arbeidsrecht is geregeld. Om de wet als geheel toepassing te doen hebben in de sector Rijk, zijn de bepalingen uit de Wet verbetering poortwachter conform de huidige systematiek opgenomen in het ARAR, ARSG en RDBZ. Om de wijzigingen van het BW, die een belangrijk onderdeel van de Wet verbetering poortwachter uitmaken van de realisatie van het doel van deze wet, te doen gelden voor de sector Rijk, zijn materieel dezelfde wijzigingen in de rechtspositieregelingen doorgevoerd. Het aansprakenniveau voor de (gewezen) ambtenaar gedurende ziekte en arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd. Nieuw zijn enkele verplichtingen, sancties en een ontslaggrond.

De rechtspositieregelingen zijn in overeenstemming gebracht met de Wet verbetering poortwachter zoals deze wet en de bepalingen in deze wet luidden op de dag van publicatie in Stb. 2001, 628.

Voorbeeld: bij de aanpassing van artikel 57a, derde lid, van het ARAR wordt verwezen naar de verlenging van wachttijd als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO. De duur van de wachttijd is conform de Wet verbetering poortwachter gesteld op 52 weken. Omdat de rechtspositieregelingen in onderhavig besluit in overeenstemming worden gebracht met de Wet verbetering poortwachter wordt de WAO-wachttijd van 52 weken doorgevoerd.

De Wet verbetering poortwachter is uitsluitend van toepassing op diegenen die op of na 1 april 2002 ziek zijn geworden en daarbij niet minder dan vier weken voorafgaand aan deze datum ziek zijn geweest.

De belangrijkste aanpassingen in de rechtspositieregelingen aan de Wet verbetering poortwachter zijn de verlenging van de WAO-wachttijd, de nieuwe sancties en verplichtingen zowel voor werkgever als werknemer en de nieuwe ontslagbepaling. Het aansprakenniveau blijft gehandhaafd.

In de nieuwe regeling is ten opzichte van de oude regeling tot uitdrukking gebracht dat de wachttijd op grond van artikel 19, zevende lid, van de WAO, langer zou kunnen duren, en dat zich na ommekomst van de wachttijd, te weten tussen de 52ste en de 104de week, twee situaties kunnen voordoen. De (gewezen) ambtenaar kan aanspraak kan hebben op óf doorbetaling van (80%) van de bezoldiging, óf een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen (80%) van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.

In het overzicht staat de systematiek van de aanspraken vóór en die ná de implementatie van de Wet verbetering poortwachter in de rechtspositieregelingen. De aanspraken bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% worden gehandhaafd. De regelingen in de artikelen 37, lid 2, onder b en 38 , lid 1, onder b, II van het ARAR (oud) en corresponderende artikelen in het ARSG en RDBZ, worden thans neergelegd in de artikelen 37, lid 2, onder a en 38, lid 1, onder b, I van het ARAR, en corresponderende artikelen.

Artikel

Geldig tot 1/4/2002

Artikel

Geldig m.i.v. 1 april 2002

37, lid 1:

38, lid 1, onder a + lid 2:

39, lid 2, onder a:

52 weken doorbetaling bezoldiging

37, lid 1

38, lid 1, onder a + lid 2

39, lid 1, onder a

52 weken doorbetaling bezoldiging

37, lid 2, onder b, I

38, lid 1, onder b, II

26 weken doorbetaling bezoldiging (15% arbeidsongeschikt) of

37, lid 2, onder a, I:

38, lid 1, onder b, I:

39, lid 2, onder b, I:

26 weken doorbetaling bezoldiging of

37, lid 2, onder a, I:

38, lid 1, onder b, I:

39, lid 2, onder b:

26 weken bovenwettelijke ao-uitkering als verschil bezoldiging minus WAO-uitkering

37, lid 2, onder b, I

38, lid 2, onder b, II:

39, lid 2, onder b, II:

bovenwettelijke ao-uitkering als verschil van bezoldiging minus WAO-uitkering

37, lid 2, onder b, II

daarna 80% doorbetaling bezoldiging (15% arbeidsongeschikt (of)

37, lid 2, onder a, II:

39, lid 2 , onder c, I:

daarna doorbetaling 80% bezoldiging of

37, lid 2, onder a, II:

39, lid 2, onder c:

daarna bovenwettelijke ao-uitkering van 80% bezoldiging minus WAO-uitkering

37, lid 2, onder b, II:

39, lid 2, onder c, II:

bovenwettelijke ao-uitkering als verschil van 80% bezoldiging minus WAO-uitkering

De Wet verbetering poortwachter is in werking getreden op 1 april 2002. Onderhavig besluit gaat, voor wat betreft de aanpassingen aan de Wet verbetering poortwachter, in met terugwerkende kracht tot en met 1 april 2002 (in verband met de algemene herziening daarvan geldt voor het RDBZ 29 juni 2002) met uitzondering van enkele bepalingen. Het betreft:

1. de voor betrokkenen nadelige bepalingen in:

a. de artikelen I, onderdeel B, II, onderdeel B, en III, onderdeel D: gevolgen voor de opbouw van aanspraak op vakantie als gevolg van niet het voldoen aan verplichtingen;

b. de artikelen I, onderdeel M, II, onderdeel M, en III, onderdeel M: op te leggen sancties; en

c. de artikelen I, onderdeel AB, II, onderdeel AA, en III, onderdeel W: de nieuwe ontslagbepaling, die na de publicatie in het Staatsblad in werking treden;

2. de artikelen I, onderdeel O, II, onderdeel O, en III, onderdeel O: reïntegratie-inspanningen tweede spoor voor bevoegd gezag, die met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 in werking treden.

De aanpassingen aan de Wet verbetering poortwachter hebben geen financiële gevolgen voor de rijksbegroting.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelen I en II, onderdeel A en III, onderdeel C

In de artikelen 21a van het ARAR, 34a van het ARSG en 38 van het RDBZ, vijfde lid, is voorzien in de mogelijkheid dat de wachttijd langer dan 52 weken kan beslaan. Tevens is de correcte verwijzing doorgevoerd naar de artikelen 37, tweede lid, van het ARAR, 72, tweede lid, van het ARSG en 54, tweede lid, van het RDBZ.

Artikelen I en II, onderdeel B en III, onderdeel D

In het nieuwe artikel 22, elfde lid, van het ARAR respectievelijk artikel 35, elfde lid, van het ARSG en artikel 41, elfde lid, van het RDBZ, is een bepaling opgenomen op grond waarvan geen aanspraak op vakantie bestaat indien de ambtenaar zich tijdens zijn ongeschiktheid tot werken in verband met ziekte niet houdt aan bepaalde verplichtingen. Dit is een sanctie overeenkomstig artikel 629, derde lid, onder c, d, en e, van boek 7 van het BW, juncto artikel 635, vierde lid, van boek 7, van het BW, op grond van de Wet verbetering poortwachter. Het betreft de verplichtingen in:

– artikel 40a, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het ARAR;

– artikel 75a, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het ARSG;

en

– artikel 54ca, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het RDBZ.

Deze nieuwe regeling houdt in dat degene die aanspraak heeft op (gedeeltelijke) doorbetaling van de bezoldiging wegens ziekte deze sanctie opgelegd kan krijgen gedurende de wachttijd en tijdens de WAO-periode. Deze nieuwe bepalingen zijn voor betrokkenen nadelig. Daarom treden deze niet met terugwerkende kracht in werking tot aan 1 april 2002, maar pas na publicatie in het Staatsblad. De sanctie kan alleen worden opgelegd aan diegenen die op de dag van de inwerkingtreding of daarna, ziek zijn geworden.

De bepalingen in het elfde tot en met het vijftiende lid (oud) zijn neergelegd in het twaalfde tot en met het zestiende lid.

Artikelen I en II, onderdelen C, D, S en T, en III, onderdelen E, F, S en T

De regelingen in de artikelen 33fb en 46, van het ARAR (oud), 62c en 81 van het ARSG (oud) en 45a en 55, van het RDBZ (oud), zijn herschreven. Artikel 46 (oud) ARAR en corresponderende bepalingen in het ARSG en RDBZ over de aanspraken in verband met zwangerschap en bevalling, waren niet in overeenstemming gebracht met het nieuwe regime van ziekte en arbeidsongeschiktheid waarbij het zwangerschaps- en bevallingsverlof conform Europese regelgeving niet langer wordt gelijk gesteld aan ziekte. De regeling inzake zwangerschap en bevalling wordt onder aanpassing aan de Wet arbeid en zorg neergelegd in drie artikelen te weten artikel 33fb, 33fc (nieuw) en 46 ARAR en corresponderende bepalingen in het ARSG en RDBZ.

In artikel 33fb, tweede lid, van het ARAR, artikel 62c, tweede lid, van het ARSG en artikel 45a, tweede lid, van het RDBZ wordt geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak heeft op doorbetaling van haar bezoldiging. De doorbetaling van de bezoldiging vindt niet langer plaats uit hoofde van artikel 37 van het ARAR, artikel 72 van het ARSG of artikel 54 van het RDBZ nu in deze artikelen de aanspraak gedurende ziekte wordt geregeld. De vrouwelijke ambtenaar heeft tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van artikel 3:7 van de Wazo tevens recht op een financiële tegemoetkoming. Het nieuwe vijfde lid van artikel 33fb van het ARAR, 62c van het ARSG en 45a van het RDBZ, voorziet in een anticumulatiebepaling in geval van samenloop tussen de financiële tegemoetkoming op basis van de Wazo en de doorbetaling van de bezoldiging. Het bevoegd gezag past conform het nieuwe zesde lid, het vijfde lid overeenkomstig toe, indien aan de in de Wazo gestelde voorwaarden is voldaan maar door betrokkene geen (deugdelijke) aanvraag voor een financiële tegemoetkoming is gedaan. De regeling in het derde lid voor het doen ontstaan van het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof (eerste lid) en de aanspraak op de doorbetaling van haar bezoldiging (tweede lid), wordt gehandhaafd. Het initiatief voor het aanvragen van het verlof en de Wazo-uitkering ligt bij de vrouwelijke ambtenaar. De vrouwelijke ambtenaar dient verlof aan te vragen en hiertoe een verklaring te overhandigen van een arts of verlofkundige over de vermoedelijke datum van de bevalling. Uitvoeringstechnisch betaalt het bevoegd gezag de bezoldiging aan betrokkene door. Het bevoegd gezag ontvangt vervolgens de Wazo-uitkering van het UWV op basis van de door betrokkene verstrekte gegevens. Het bevoegd gezag zal moeten wijzen op de gevolgen voor de vrouwelijke ambtenaar van het niet meewerken aan het aanvragen van zwangerschaps- en bevallingsverlof en het daarbij overhandigen van de verklaring als bedoeld in het derde lid. Indien de vrouwelijke ambtenaar vervolgens haar medewerking weigert is het redelijk dat het bevoegd gezag een korting (conform het zesde lid) toepast. Een soortgelijke regeling is neergelegd in de artikelen 33g, achtste en negende lid en 33h, vijfde en zesde lid, van het ARAR, en de identieke bepalingen in het ARSG en RDBZ (Stb. 2001, 99).

In de artikelen 33fc van het ARAR, 62d, van het ARSG en 45aa, van het RDBZ, worden regelingen getroffen voor respectievelijk:

– de gewezen vrouwelijke ambtenaar van wie het ontslag valt in het zwangerschaps- en bevallingsverlof (eerste lid);

– de gewezen vrouwelijke ambtenaar van wie de bevallingsdatum waarschijnlijk zal zijn binnen vier maanden na haar ontslag (tweede en derde lid);

– de gewezen vrouwelijke ambtenaar van wie de bevallingsdatum naar verwachting niet binnen vier maanden na haar ontslag zal zijn (vierde lid).

In het vijfde lid worden de anticumulatiebepalingen in artikel 33fb van het ARAR, 62d van het ARSG en 45aa van het RDBZ, van overeenkomstige toepassing verklaard. De bepalingen in de artikelen 48a van het ARAR, 83a van het ARSG en 57a van het RDBZ, over de aanpassing van de laatstelijk genoten bezoldiging aan een algemene salariswijziging, zijn eveneens van toepassing op de laatstelijk genoten bezoldiging van de gewezen vrouwelijke ambtenaar.

De anticumulatiebepalingen in de artikelen 45 van het ARAR, 80 van het ARSG en 54h van het RDBZ, eerste, derde en vierde lid, zijn voor wat de aanspraak in de artikelen 33fb van het ARAR, 62c van het ARSG en 45a van het RDBZ, overbodig geworden en geschrapt. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt overeenkomstig de Wazo niet langer gelijkgesteld met ziekte. Daarom heeft de vrouwelijke ambtenaar gedurende haar zwangerschaps- en bevallingsverlof geen aanspraak meer op de doorbetaling van haar bezoldiging wegens ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. In de artikelen 33fb van het ARAR, 62c van het ARSG en 45a van het RDBZ, is in het tweede lid voorzien in de doorbetaling van de bezoldiging gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof. In artikel 33fb is voorzien in een anticumulatiebepaling voor wat betreft de samenloop van de Wazo-uitkering en de doorbetaling van de bezoldiging.

In de artikelen 46 van het ARAR, 81 van het ARSG en 55 van het RDBZ, is een regeling neergelegd voor de gewezen ambtenaar die na afloop van haar uitkering in de zin van het eerste, tweede of vierde lid van de artikelen 33fc van het ARAR, 62d van het ARSG en 45aa van het RDBZ, ziek is geworden in de zin van artikel 38 van het ARAR, 73 van het ARSG en 54a van het RDBZ.

Artikelen I en II, onderdelen E, G, X, en Y

De inhoud van de Wet financiering loopbaanonderbreking is neergelegd in hoofdstuk 7 van de Wazo. De Wet financiering loopbaanonderbreking is ingetrokken per 1 december 2001, de dag waarop de Wazo in werking is getreden (artikel XXIX van de Invoeringswet arbeid en zorg). De Wet financiering loopbaanonderbreking blijft van toepassing op een aanvraag die is ingediend voordat de Wazo inwerking is getreden.

In:

– artikel 33g, achtste en negende lid, 34, zesde en zevende lid, 59, vierde en vijfde lid,

– en 60, tweede en derde lid, van het ARAR; en

– artikel 62a, achtste en negende lid, 63, zesde en zevende lid, 94, vierde en vijfde lid,

– en 95, tweede en derde lid, van het ARSG,

worden de verwijzingen naar de ingetrokken wet vervangen door verwijzingen naar de Wazo.

In het RDBZ was dit reeds geschied.

Artikelen I en II, onderdeel F en III, onderdeel G

Het tweede lid van de artikelen 33h van het ARAR, 62aa van het ARSG en 45c van het RDBZ, is in overeenstemming met artikel 3:2, tweede lid, van de Wazo gebracht. In de rechtspositieregelingen die in overeenstemming waren gebracht op basis van het voorstel van wet werd geregeld dat gedurende een tijdvak van zestien weken van een kind in Nederland aanspraak bestond op adoptieverlof van hoogstens drie aaneengesloten weken en bij adoptie van een kind uit het buitenland hoogstens vier aaneengesloten weken. Conform de Wazo heeft de ambtenaar gedurende een tijdvak van achttien weken aanspraak op ten hoogste vier aaneengesloten weken adoptieverlof ongeacht waar het kind geadopteerd wordt. De aanspraak gaat in tegenstelling tot de formulering in het tweede lid (oud), niet in vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen, maar vanaf twee weken vóór de eerste dag waarop de feitelijke opneming een aanvang neemt. In een nieuw zevende lid worden de bepalingen inzake adoptie van overeenkomstige toepassing verklaard op het opnemen van een pleegkind (pleegzorg). In het nieuwe zevende lid is een bepaling neergelegd waarmee het eerste tot en met het zesde lid gelden voor de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wazo. In laatstgenoemde bepaling wordt een pleegkind gedefinieerd als een kind dat blijkens de verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Artikelen I, II en III, onderdelen H tot en met U

De hoofdstukken VI van het ARAR, VI van het ARSG en X van het RDBZ, zijn in overeenstemming gebracht met de Wazo, de Wet SUWI en de Wet verbetering poortwachter.

Na publicatie van onderhavig besluit is hoofdstuk VI van het ARAR ingedeeld in 7 in plaats van 6 paragrafen. De volgende indeling is aangehouden:

§ 1 Definities en bevoegdheden;

§ 2 Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies;

§ 3 Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid;

§ 4 Verplichtingen en sancties;

§ 5 Begin en einde van 52 en 26 weken en einde van de doorbetaling bezoldiging/arbeidsongeschiktheidsuitkering;

§ 6 Bijzondere situaties;

§ 7 Overige bepalingen.

Ter bevordering van de overzichtelijkheid van bepalingen die regelen in welke gevallen de aanspraken tijdens wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid kunnen worden aangetast, zijn de sancties en verplichtingen geclusterd in één paragraaf en neergelegd direct volgend op het artikel waarin de situaties zijn bepaald waarin geen aanspraken bestaan tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid (artikel 40 van het ARAR, 75 van het ARSG en 54c van het RDBZ).

Verlenging wachttijd

Met wachttijd wordt bedoeld het tijdvak van 52 weken in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WAO. Inclusief de verlenging van de wachttijd op grond van het zevende lid bedraagt deze in totaal niet meer dan 104 weken. De (gewezen) ambtenaar stroomt na afloop van de wachttijd in de WAO in. Overigens kan de verlenging van de wachttijd op verzoek van óf betrokkene, óf het bevoegd gezag, worden verkort.

In de Wet verbetering poortwachter wordt op grond van artikel XV, veertiende lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, bepaald dat de aanspraak op bezoldiging langer dan 52 weken kan duren door optelling met de duur van:

a. de vertraging indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW later doet dan op grond van dat artikel van de ZW is voorgeschreven (vertraging bij ziekmelding in 13de week);

b. de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO, indien de wachttijd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd (met ten hoogste 52 weken) (verlenging op gezamenlijk verzoek werkgever en werknemer);

c. het tijdvak, dat het UWV op grond van artikel 71a, negende lid, van de WAO heeft vastgesteld (sanctie voor werkgever).

De duur van de aanspraak op bezoldiging kan op grond van artikel XV, vijftiende lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, maximaal 104 weken bedragen.

De volgende artikelen zijn gewijzigd in verband met de mogelijkheid tot verlenging van de wachttijd:

– artikel 37, tweede en derde lid, van het ARAR, artikel 72, tweede en derde lid, van het ARSG en artikel 54, tweede en derde lid, van het RDBZ;

– artikel 38, eerste lid, van het ARAR, artikel 73, eerste lid, van het ARSG en artikel 54a, eerste lid, van het RDBZ;

– artikel 39, tweede lid, van het ARAR, artikel 74, tweede lid, van het ARSG en

– 54b, tweede lid, van het RDBZ;

– artikel 41, derde, vijfde, en zesde lid, van het ARAR, artikel 76, derde, vijfde, en zesde lid, van het ARSG en 54d, derde, vijfde, en zesde lid, van het RDBZ;

– artikel 42, zesde lid, van het ARAR, artikel 77, zesde lid, van het ARSG en

– 54e, zesde lid, van het RDBZ;

– artikel 57a, tweede en derde lid, 92a, tweede en derde lid, van het ARSG en 28, tweede en derde lid, van het RDBZ.

Artikelen I, II en III, onderdeel H

Onderdeel 1

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de juiste benaming van de Stichting Pensioenfonds ABP in de artikelen 35, onderdeel h, van het ARAR, 70, onderdeel h, van het ARSG en 49, onderdeel g, van het RDBZ, door te voeren.

Onderdeel 2

Conform de Wet SUWI zijn twee nieuwe definities doorgevoerd namelijk het UWV en de Wet SUWI. De definities zijn neergelegd in:

– artikel 35, onderdeel k respectievelijk o, van het ARAR;

– artikel 70, onderdeel k respectievelijk o, van het ARSG; en

– artikel 49, onderdeel m respectievelijk v, van het RDBZ.

Onderdeel 3

Passende arbeid

In de artikelen 35, onderdeel l, van het ARAR, 70, onderdeel l, van het ARSG en 49, onderdeel j, van het RDBZ, is de definitie van het begrip «passende arbeid» opgenomen in de vorm van een omschrijving van het begrip. In de oude bepaling werd verwezen naar het begrip «passende arbeid» als bedoeld in artikel 30 van de ZW. De definitie van passende arbeid is overeenkomstig de Wet verbetering poortwachter overgenomen uit artikel 658a, derde lid, van boek 7, van het BW. Bij de omschrijving van het begrip is een koppeling gemaakt met het begrip «passende arbeid» in de zin van de WW. Het kabinet heeft gekozen voor deze koppeling omdat er een algemene omschrijving mee wordt gegeven die geldt in het kader van de zowel de WW, de ZW en het BW (Kamerstukken I, 2001/2002, 27 678, nr. 37a, blz. 19). De definitie heeft op basis van jurisprudentie nadere invulling gekregen. De omschrijving van het begrip «passende arbeid» luidt: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. In elk concreet geval dient aan de hand van de omstandigheden te worden nagegaan wat passende arbeid is.

De wijzigingen in artikel 49 van het RDBZ treden in werking na publicatie van onderhavig wijzigingsbesluit in het Staatsblad.

Artikelen I, II en III, onderdeel I

Onderdeel 1

De Wet SUWI is in de plaats getreden van de met ingang van 1 januari 2002 ingetrokken Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997). Het UWV is in de plaats gekomen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen in de zin van hoofdstuk 4 van de Osv 1997. In de artikelen 36b, eerste lid, van het ARAR, 71b, eerste lid, van het ARSG en 50b, eerste lid, van het RDBZ, is de verwijzing naar artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997, vervangen door artikel 30, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI. Het betreft hier het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel in geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.

Onderdelen 2 en 3

In artikel 36b, derde lid, van het ARAR, 71b, derde lid, van het ARSG en 50b, derde lid, van het RDBZ, wordt een regeling getroffen om te voorzien in de geconstateerde lacune waarbij er voor de gewezen ambtenaar geen mogelijkheid bestond om een hernieuwd onderzoek te vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies door de Arbo-dienst. Thans kan ook de gewezen ambtenaar om een hernieuwd onderzoek vragen. In het vijfde lid is tevens geregeld dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek zijn behandelend arts kan voorstellen zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken. In artikel 50b van het RDBZ is de procedure inzake de commissie van drie geneeskundigen neergelegd. De wijzigingen in artikel 50b treden na publicatie van onderhavig wijzigingsbesluit in werking.

Artikelen I, II en III, onderdeel J

Onderdeel 1

In de artikelen 37, eerste lid, van het ARAR, 72, eerste lid, van het ARSG en 54, eerste lid, van het RDBZ, is de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging tijdens ziekte geregeld. In het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat de wachttijd langer dan 52 weken zou kunnen duren.

De ambtenaar heeft:

– gedurende 52 weken aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging (eerste lid), en daarna, in verband met het uitblijven van een WAO-uitkering (vanwege verband met de langere duur van de wachttijd of het feit dat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 15% bedraagt), gedurende maximaal 26 weken

– óf aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging (tweede lid, onder a),

– óf aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van de bezoldiging minus de WAO-uitkering (tweede lid, onder b, I), en in de periode daarna

– aanspraak op doorbetaling van 80% van de bezoldiging (tweede lid, onder a),

– óf aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van 80% van de bezoldiging minus de WAO-uitkering (tweede lid, onder b, II).

Het tweede lid onder sub a (tweede lid, onder b (oud)) van het ARAR en ARSG is tevens bedoeld voor categorieën personen die buiten hun schuld geen aanspraak hebben op een WAO-uitkering. Gedacht kan worden aan personen die minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO of aan het geval waarbij de werkgever een sanctie als bedoeld in artikel 71a, negende lid, van de WAO wordt opgelegd. In deze gevallen heeft de ambtenaar aanspraak op de doorbetaling van zijn bezoldiging.

Het derde lid in artikel 54 RDBZ (oud) komt te vervallen nu deze regeling is opgenomen in het tweede lid, onder b.

Onderdeel 2

In een nieuw onderdeel c, derde lid, van de artikelen 37 van het ARAR en 72 van het ARSG is een nieuwe regeling neergelegd om een in de praktijk geconstateerde lacune te ondervangen. Het gaat om de ambtenaar die tijdelijk zijn eigen arbeid (onderdeel a) of andere arbeid verricht voor ten minste 45% zonder dat te doen «in het belang van zijn genezing op advies van de Arbo-dienst» als bedoeld in onderdeel b. Gedacht kan worden aan ongeneeslijk zieke ambtenaren, die graag nog willen werken en in overleg met hun leidinggevende andere arbeid gaan verrichten zonder dat sprake is van passende of gangbare arbeid. Geregeld wordt dat deze ambtenaar zijn bezoldiging krijgt doorbetaald. Zonder deze voorziening moest aan de zieke ambtenaar een andere, vaak deeltijd, betrekking worden aangeboden. Het is de bedoeling dat de ambtenaar met de andere arbeid instemt en dat de leidinggevende zich laat adviseren door de Arbo-dienst om zich ervan te vergewissen dat het verrichten van de arbeid de ziekte niet verergert of eventueel herstel niet verhindert.

De regeling voor gevallen van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval of een beroepsziekte (derde lid (oud)) is verletterd tot onderdeel d.

Deze nieuwe regeling is ondergebracht in artikel 54, derde lid, onder b, van het RDBZ. Artikel 54, vierde tot en met het achtste lid (oud), RDBZ worden vernummerd tot het derde tot en met het zevende lid.

Artikelen I, II en III, onderdeel K

Ook in artikel 38, van het ARAR, 73, van het ARSG en 54a, van het RDBZ, is tot uitdrukking gebracht dat de wachttijd langer dan 52 weken zou kunnen duren. In het eerste lid zijn de aanspraken neergelegd voor de gewezen ambtenaar die voor zijn ontslag ziek werd en na zijn ontslag nog ziek is. Betrokkene heeft gedurende 52 weken aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging (eerste lid, onder a). In onderdeel b wordt de flexibele duur van de wachttijd tot uitdrukking gebracht door onder I) te voorzien in aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging en onder II) in aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van zijn laatstelijk genoten bezoldiging minus de WAO-uitkering. De doorbetaling van de bezoldiging voor de doelgroep die minder dan 15% arbeidsongeschikt is (onderdeel b, onder II (oud)) is ondergebracht onder I). Door in de herschreven bepalingen te onderscheiden in de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging en aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter aanvulling van de WAO-uitkering, is een aparte bepaling voor de aanspraak voor deze doelgroep op doorbetaling van de bezoldiging overbodig geworden. Deze categorie heeft immers aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging omdat men niet voor een WAO-uitkering in aanmerking komt.

Artikelen I, II en III, onderdeel L

Ook in de artikelen 39 van het ARAR, 74 van het ARSG en 54b van het RDBZ, is tot uitdrukking gebracht dat de wachttijd langer dan 52 weken kan duren. Het eerste lid is ongewijzigd. De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement van de Stichting ABP heeft conform het tweede lid, onder a, aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging. In het tweede lid, onder b en c, is de mogelijke langere duur van de wachttijd tot uitdrukking gebracht: de ambtenaar heeft óf aanspraak op doorbetaling van (80% van) de bezoldiging, óf op een aanvulling ter grootte van (80% van) de bezoldiging minus de WAO-uitkering. De regeling inzake de doorbetaling van (80%) van de bezoldiging is ook bedoeld de in voormelde artikelen bestemde doelgroep die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Artikelen I, II en III, onderdelen M en R

Samenvoeging, wijziging en schrappen van de artikelen 43, eerste lid, en 44, eerste lid, van het ARAR, 78, eerste lid, en 79, eerste lid, van het ARSG en 54f, eerste lid, en 54g, eerste lid, van het RDBZ (oud).

Voormelde bepalingen zijn samengevoegd in de nieuwe artikelen 40a van het ARAR, 75a van het ARSG en 54ca van het RDBZ, waarin verplichtingen en sancties voor de ambtenaar en de gewezen ambtenaar, zijn als volgt samengevoegd en aangepast aan de Wet verbetering poortwachter. Omdat de wachttijd langer dan 52 weken kan duren dit tijdvak niet meer genoemd. De verplichtingen en sancties gelden tijdens de wachttijd en na afloop daarvan. In het eerste lid, onderdelen a tot en met p, zijn neergelegd de bepalingen uit artikel 43, eerste lid, onderdelen a tot en met p, van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen in het ARSG en RDBZ. In de onderdelen i, j en t, zijn neergelegd respectievelijk de bepalingen uit artikel 44, eerste lid, onder b, c en a, van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen in het ARSG en RDBZ. In onderdeel s is neergelegd de bepaling uit artikel 44, eerste lid, onder d, van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen uit het ARSG en RDBZ. De bepalingen in artikel 629, derde lid, onderdelen c, d en e, van boek 7 van het BW, zijn verwerkt in het eerste lid, respectievelijk de onderdelen i, q en r. Het betreft hier nieuwe verplichtingen uit hoofde van de Wet verbetering poortwachter waaraan de (gewezen) ambtenaar zich dient te houden en sancties die aan de (gewezen) ambtenaar kunnen worden opgelegd. Deze nieuwe bepalingen zijn nadelig voor betrokkenen. Daarom treden deze na publicatie in het Staatsblad inwerking. De sanctie kan alleen worden opgelegd aan diegenen die op de dag van de inwerkingtreding of daarna, ziek zijn geworden.

In de artikelen 43 van het ARAR (oud), 78 van het ARSG (oud) en 54f van het RDBZ (oud), is geregeld dat de aanspraken van de (gewezen) ambtenaar vervallen indien hij zich niet aan bepaalde verplichtingen houdt. In de brief van 28 maart 2002 (kenmerk AD2002/U65248, blz. 5 en 6) zijn de Ministers erop gewezen dat de artikelen 40 en 43 (oud) van het ARAR (en corresponderende artikelen in het ARSG en RDBZ) als alternatief toegepast kunnen worden tot aan het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regelingen. Ook is gewezen op de mogelijkheid van toepassing van de artikelen 40 van het ARAR, 75 van het ARSG en 54c van het RDBZ, die bepalen in welke gevallen de ambtenaar geen aanspraak heeft op de doorbetaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

In het tweede tot en met het vijfde lid van het nieuwe artikel zijn opgenomen respectievelijk de bepalingen in artikel 43, tweede tot en met het vijfde lid van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen uit het ARSG en RDBZ. In het derde, zesde en zevende lid zijn respectievelijk de bepalingen uit artikel 44, tweede, derde en vierde lid, van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen uit het ARSG en RDBZ verwerkt. In het achtste lid is de bepaling neergelegd uit artikel 44, vijfde lid, van het ARAR (oud) en corresponderende bepalingen uit het ARSG en RDBZ.

De Wet SUWI is in de plaats getreden van de met ingang van 1 januari 2002 ingetrokken Osv 1997. Het UWV is in de plaats gekomen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen in de zin van hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997). In het vijfde lid van de artikelen 40a van het ARAR, 75a van het ARSG en 54ca van het RDBZ zijn de juiste verwijzingen doorgevoerd.

De artikelen 43 en 44 van het ARAR (oud), 78 en 79 van het ARSG (oud) en 54f en 54g van het RDBZ (oud), zijn geschrapt.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in artikel 40a, eerste lid, sub j, van het ARAR en corresponderende artikelen in het ARSG en RDBZ, een foutje uit Stb. 1998, 5, te herstellen door de zinsnede «met betrekking de wijze waarop» te vervangen door de zinsnede «met betrekking tot de wijze waarop». Het betreft artikel 44, eerste lid, onder c, van het ARAR en corresponderende artikelen in het ARSG en RDBZ (oud).

Artikelen I, II en III, onderdelen N en O

In de artikelen 40b van het ARAR, 75b van het ARSG en 54cb van het RDBZ, eerste lid, eerste volzin respectievelijk het tweede lid, zijn overeenkomstig de Wet verbetering poortwachter neergelegd de bepalingen in artikel 658a, eerste lid, eerste volzin, respectievelijk in het tweede lid, van boek 7 van het BW. In het eerste lid, eerste volzin, wordt het bevoegd gezag verplicht de ambtenaar in staat te stellen passende arbeid te verrichten. In het tweede lid wordt de verplichting in het eerste lid uitgewerkt voor wat betreft een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a van de WAO.

De bepaling in artikel 658a, eerste lid, laatste volzin, van boek 7 van het BW, is overeenkomstige de Wet verbetering poortwachter, neergelegd in de tweede volzin van het eerste lid in de artikelen 40b van het ARAR, 75b van het ARSG en 54cb van het RDBZ. De bepaling houdt in dat de werkgever de werknemer in staat moet stellen om passende arbeid bij een andere werkgever te verrichten (zogenaamd «tweede spoor») en wel als er geen passende arbeid bij de eigen organisatie voorhanden is (zogenaamd «eerste spoor»). De rijkswerkgever heeft overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, facultatief bepaald om met ingang van 1 september 2002 activiteiten te verrichten met betrekking tot het «tweede spoor». In artikel 7.10 van de overgangsbepaling van de Regels op grond van de Wet SUWI en de Regeling SUWI van 21 december 2001 (Stcrt. 2002, 2), is bepaald dat deze facultatieve bepaling bij nader te bepalen datum overgaat in een verplichting. Vervolgens is de inwerkingtredingsdatum van artikel 7.10 van de Regeling SUWI, in de regeling van 10 december 2002 tot Wijziging overgangsbepaling reïntegratieverantwoordelijkheid werkgever in Regeling SUWI (Stcrt. 238), vastgesteld op 1 januari 2003. Deze regeling houdt in dat de rijkswerkgever zowel voor ambtenaren die op of na 1 januari 2003 ziek zijn geworden als voor ambtenaren die op of na 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 ziek zijn geworden, met ingang van 1 januari 2003 verplicht is activiteiten te verrichten met betrekking tot het «tweede spoor». De verplichting geldt voor de duur van het dienstverband.

De bepalingen over het tweede spoor hebben geen betrekking op de gewezen ambtenaar. Het UWV treedt namelijk als pseudo-werkgever op voor de gewezen ambtenaar en is uit dien hoofde verantwoordelijk voor zijn reïntegratie (voor het tweede spoor maar ook voor het opstellen van een plan van aanpak en dergelijke).

Artikelen I, II en III, onderdeel P

Respectievelijk de artikelen 41 van het ARAR, 76 van het ARSG en 54d van het RDBZ, zijn in overeenstemming gebracht met de Wet verbetering poortwachter.

Het derde en het vijfde lid, onderdeel b, zijn in overeenstemming gebracht met de Wet verbetering poortwachter in die zin dat de wachttijd langer zou kunnen doorlopen. In het derde lid worden de gevolgen van de flexibele wachttijd tot uitdrukking gebracht. De ambtenaar of de gewezen ambtenaar die vóór zijn ontslag ziek is geworden (artikel 38, lid 1, van het ARAR, en corresponderende artikelen in het ARSG en het RDBZ), kan gedurende het tijdvak van 26 weken, na afloop van het eerste ziektejaar (52 weken), óf aanspraak hebben op doorbetaling van zijn (laatstelijk genoten) bezoldiging óf op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze regeling gaat niet op voor de gewezen ambtenaar die ná zijn ontslag ziek is geworden (artikel 38, tweede lid van het ARAR, en corresponderende artikelen in het ARSG en het RDBZ) omdat de aanspraken wegens ziekte hem gedurende maximaal 52 weken worden toegekend.

In het derde lid is een nieuwe bepaling onder sub c toegevoegd nu er een nieuw geval in de artikelen 37, tweede lid, onder c, van het ARAR en corresponderende artikelen in het ARSG en RDBZ is opgenomen. De nieuwe bepalingen in het derde lid van de artikelen 41 van het ARAR, 76 van het ARSG en 54d van het RDBZ treden eveneens na de publicatie van wijzigingsbesluit in werking.

In de Wet verbetering poortwachter wordt geregeld dat de periode waarin conform artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, aanspraak op de bezoldiging bestaat, verlengd kan worden en wel in de gevallen genoemd in het veertiende lid van artikel XV van laatstgenoemde wet. Het vijftiende lid van artikel XV bepaalt dat deze periode inclusief de verlenging maximaal 104 weken kan duren. In het nieuwe zesde lid van artikel 41 van het ARAR en corresponderende bepalingen in het ARSG en RDBZ wordt verwezen naar deze wettelijke bepaling.

Artikelen I, II en III, onderdeel Q

Onderdeel 1

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het vierde lid van de artikelen 42 van het ARAR, 77 van het ARSG en 54e van het RDBZ, correct te verwijzen respectievelijk naar de artikelen 38, derde lid, van het ARAR, 72, derde lid, van het ARSG en 54a, derde lid, van het RDBZ.

Onderdeel 2

In het nieuwe zesde lid wordt de bepaling respectievelijk in artikel 41, zesde lid, van het ARAR, 76, zesde lid, van het ARSG en 54d, zesde lid, van het RDBZ, van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikelen I, II en III, onderdeel U

Van de gelegenheid is gebruikt gemaakt om in de artikelen 48a van het ARAR, 83a van het ARSG en 54ja van het RDBZ, tweede lid, naast de toelage in de artikelen 17, 18 of 18a van het BBRA, tevens de toelage in artikel 17a, van het BBRA, voor de vaststelling van het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging mee te tellen. Deze toelage is een verschuivingstoelage die geen substantieel deel uitmaakt van de bezoldiging.

Artikelen I en II, onderdeel V III, onderdeel A

In de artikelen 57a, van het ARAR, 92a, van het ARSG en 28 van het RDBZ, zijn het tweede en derde lid in overeenstemming gebracht met de Wet verbetering poortwachter. De wijziging houdt verband met de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO. Het is de bedoeling dat aan de ambtenaar een andere betrekking kan worden opgedragen. In het tweede en derde lid (oud) werden genoemd respectievelijk «het eerste jaar» en «het tweede jaar» dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. In het tweede lid wordt thans tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar gedurende de wachttijd, die ten minste 52 weken bedraagt, verplicht is passende arbeid te aanvaarden. In het derde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar na ommekomst van de wachttijd verplicht is «gangbare arbeid» te aanvaarden.

Artikelen I en II, onderdeel W en III, onderdeel B

In de artikelen 57b, van het ARAR, 92b van het ARSG en 35 van het RDBZ, is het derde lid, in overeenstemming gebracht met de Wet verbetering poortwachter door de tot uitdrukking te brengen dat de wachttijd langer zou kunnen doorlopen dan 52 weken. Na 78 weken ziekte kan de zieke ambtenaar aanspraak hebben op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar het is tevens mogelijk dat de zieke ambtenaar in verband met de flexibele wachttijd aanspraak heeft op doorbetaling van de bezoldiging. De correcte verwijzing naar het gewijzigde artikel 37, tweede lid, van het ARAR en corresponderende bepalingen uit het ARSG en RDBZ is doorgevoerd.

Artikelen I en II, onderdelen X en Y

De artikelen 59 en 60 van het ARAR en 94 en 95 van het ARSG, zijn aan de Wazo aangepast in die zin dat in het vierde en vijfde lid, respectievelijk in het tweede en derde lid, de term «Wet financiering loopbaanonderbreking» is vervangen door de term «Wet arbeid en zorg». De eerstgenoemde wet is ingetrokken en vervangen door de bepalingen in hoofdstuk 7 Loopbaanonderbreking in de Wazo.

Artikel I, onderdeel Z

In artikel 97, vierde lid, van het ARAR, is de correcte verwijzing naar artikel 36a, eerste lid, onder f, doorgevoerd.

Artikelen I, onderdeel AA, II, onderdeel AA en III, onderdeel V

In artikel 98, zevende lid, van het ARAR, 129, zevende lid, van het ARSG respectievelijk artikel 104, zevende lid, van het RDBZ is de correcte verwijzing overeenkomstig de Wet SUWI naar het UWV doorgevoerd.

Artikelen I, onderdeel AB, II, onderdeel AA en III, onderdeel W

Conform de Wet verbetering poortwachter is een nieuwe ontslagbepaling opgenomen respectievelijk in artikel 98b van het ARAR, artikel 130a van het ARSG en artikel 105a van het RDBZ. Deze bepaling komt overeen met het bepaalde in artikel 670b, derde lid, van boek 7 van het BW. In het eerste lid zijn drie gronden voor ontslag geformuleerd. Het betreft verplichtingen waaraan de ambtenaar zich dient te houden op straffe van (in de laatste plaats) ontslag.

Het is de bedoeling dat het bevoegd gezag eerst een minder zwaar instrument inzet om betrokkene ertoe te bewegen zich aan zijn verplichtingen in het kader van de Wet verbetering poortwachter te houden. De instrumenten of sancties dienen conform het proportionaliteitsbeginsel in verhouding tot het vergrijp te worden toegepast. Het is wenselijk dat eerst het instrument van de inhouding of opschorting van de bezoldiging wordt toegepast alvorens te komen tot het ultimum remedium van de ontslagverlening met toepassing van de nieuwe ontslagbepaling.

Het bevoegd gezag kan tijdens de wachttijd toepassen de sanctie in:

– artikel 40a, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het ARAR;

– artikel 75a, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het ARSG; en

– artikel 54ca, eerste lid, onderdelen i, q en r, van het RDBZ,

Bij de totstandkoming van de nieuwe ontslaggrond, neergelegd in artikel 7:670b van het BW, is tijdens de parlementaire behandeling door het kabinet (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 678, nr. 21) toegezegd dat het CWI bij een ontslagvergunningsaanvraag voor een werknemer die volgens de werkgever verwijtbaar handelt betreffende zijn reïntegratie, het advies van het UWV dient in te winnen. Dat advies dient het CWI dan bij haar beoordeling over genoemde ontslagaanvraag mede in beschouwing te nemen. Een en ander is neergelegd in artikel 5:1, vierde lid, van het Ontslagbesluit (Stcrt. 2002, 53).

Vertaling van deze bepaling naar het ARAR heeft geresulteerd in het neerleggen van een verplichting voor het bevoegd gezag om advies bij het UWV in te winnen alvorens te komen tot het besluit tot ontslagverlening. Het UWV beoordeelt of de ambtenaar inderdaad verwijtbaar heeft gehandeld. Deze verplichting is geformuleerd in het tweede lid van de nieuwe ontslagbepaling.

Deze nieuwe bepalingen zijn nadelig voor betrokkenen. Daarom treden deze na publicatie in het Staatsblad inwerking. De sanctie kan alleen worden opgelegd aan diegenen die op de dag van de inwerkingtreding of daarna, ziek zijn geworden.

In de artikelen 81 van het ARAR, 116 van het ARSG en 87 van het RDBZ, zijn de disciplinaire straffen neergelegd. In de brief van 28 maart 2002 (kenmerk AD2002/U65248, blz. 5 en 6) zijn de Ministers erop gewezen dat deze artikelen tot aan het moment van inwerkingtreding van de nieuwe ontslagbepaling als alternatief toegepast kunnen worden, met dien verstande dat het strafontslag in het eerste lid, onder l, van vermelde artikelen, als ultimum remedium wordt gehanteerd.

Artikel IV

Artikel 20a, derde lid, van het BBRA 1984 wordt in overeenstemming gebracht met de Wazo. De regelingen inzake zwangerschap en bevalling zijn uit de ZW overgeheveld naar de Wazo. In deze bepaling is opgenomen de regeling waarbij voor het vaststellen van de grootte van het recht op een eindejaarsuitkering van de ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van de ZW of WAO, het salaris in acht wordt genomen zoals dit door de ambtenaar zou zijn genoten indien geen sprake zou zijn van een van de genoemde uitkeringen. Deze regeling wordt in onderhavig besluit uitgebreid met de Wazo-doelgroep. Deze doelgroep bestaat uit de vrouwelijke ambtenaar die in verband met zwangerschap of bevalling een Wazo-uitkering geniet en de ambtenaar die een Wazo-uitkering geniet in verband met adoptie of het opnemen van een pleegkind.

Artikel V

Artikel 5 van het bovenwettelijke WW-besluit regelt het recht van de gewezen werkloze ambtenaar op een bovenwettelijke WW-uitkering tijdens ziekte. De regeling voor de gewezen werkloze vrouwelijke ambtenaar rond zwangerschap en bevalling is van de ZW naar de Wazo overgeheveld. Deze bepalingen zijn in een nieuw artikel 5a neergelegd namelijk in het eerste lid, onderdeel, a. Tijdens een periode van zestien weken wordt op grond van de Wazo aan de vrouwelijke betrokkene een financiële tegemoetkoming toegekend van 100% van het gemaximeerde dagloon. Die tegemoetkoming wordt ingevolge het eerste lid, onderdeel a, van artikel 5a van het bovenwettelijke WW-besluit aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde dagloon (de bezoldiging) van betrokkene.

Ook de bepalingen ter aanvulling van de Wazo-uitkeringen in verband met adoptie en pleegzorg, zijn in dit nieuwe artikel geregeld. In het eerste lid, onderdeel b, zijn de bepalingen terzake adoptie opgenomen. In onderdeel c staat de regeling tijdens pleegzorg. Betrokkene die een kind adopteert of een pleegkind opneemt, heeft ter aanvulling van de Wazo-uitkering gedurende maximaal vier aaneengesloten weken recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering tot aan 100% van het ongemaximeerde dagloon (de bezoldiging). Bij eventuele samenloop van de bovenwettelijke WW-uitkeringen in de zin van het eerste lid wordt slechts één uitkering uitgekeerd. In het tweede lid is de van de ZW naar de Wazo vertaalde regeling in artikel 5, tweede lid, van het bovenwettelijke WW-besluit opgenomen, namelijk voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering bij werkloosheid indien het recht op uitkering krachtens de WW na afloop van de Wazo-periode is herleefd. In het derde lid wordt geregeld dat de aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering slechts dient ter aanvulling van het 100% gemaximeerde dagloon tot aan 100% van het ongemaximeerde dagloon (de bezoldiging). Dit houdt in dat de bovenwettelijke WW-uitkering blijft bestaan uit het verschil tussen het ongemaximeerde en het gemaximeerde dagloon indien de Wazo-uitkering niet of slechts voor een deel wordt uitgekeerd. Uitvoeringstechnisch keert het bevoegd gezag de bezoldiging aan betrokkene uit en krijgt het bevoegd gezag 100% van het gemaximeerde dagloon gecompenseerd van het UFO.

Artikel VI

Vele bepalingen die bij onderhavig besluit in overeenstemming met de Wet verbetering poortwachter zijn gebracht, zullen bij separaat besluit in overeenstemming worden gebracht met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 en wel met terugwerkende kracht tot aan 1 januari 2004. Met name de aanspraken bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte zullen verandering ondergaan.

Onderdeel a

De bepalingen gebaseerd op de Wazo treden met terugwerkende kracht in werking tot aan de dag waarop de Wazo van kracht is geworden te weten 1 december 2001.

Onderdeel b

De bepalingen gebaseerd op de Wet SUWI treden met terugwerkende kracht in werking tot aan de dag waarop de Wet SUWI van kracht is geworden te weten 1 januari 2002.

Onderdeel c

De bepalingen gebaseerd op de Wet verbetering poortwachter treden met terugwerkende kracht in werking tot aan de dag waarop deze wet van kracht is geworden te weten 1 april 2002. De rechtspositiebesluiten zijn aangepast aan de Wet verbetering poortwachter zoals deze wet en de bepalingen in deze wet luidden op de dag waarop deze wet in Stb. 2001, 628 is gepubliceerd.

Onderdeel d

De artikelen I, II en III, onderdeel O, treden in afwijking van de inwerkingtredingsdatum in het kader van de Wet verbetering poortwachter in werking op 1 april 2002 (voor het RDBZ met ingang van 29 juni 2002).

Onderdeel e

De bepalingen gebaseerd op de Wazo, de Wet SUWI en de Wet verbetering poortwachter treden voor het RDBZ in werking met ingang van 29 juni 2002.

Drie bepalingen treden vanwege het nadelige karakter voor betrokkenen in werking op de dag na de dag van publicatie van onderhavig besluit in het Staatsblad. Dit zijn de nieuwe sanctiebepalingen conform de Wet verbetering poortwachter in de artikelen:

– 22, elfde lid, van het ARAR, 34, elfde lid, van het ARSG en 41, elfde lid, van het RDBZ;

– 40a van het ARAR, 75a van het ARSG en 54ca van het RDBZ; en

– 98b van het ARAR, 130a van het ARSG en 105a van het RDBZ.

Daarnaast treden in werking op de dag na de dag van publicatie van onderhavig besluit in het Staatsblad, de bepalingen neergelegd in de artikelen:

– 35, onderdeel h, van het ARAR, 70, onderdeel h, van het ARSG en 49 van het RDBZ (de artikelen I en II, onderdeel H, onder 1 en III, onderdeel H);

– 36b, derde en vijfde lid, van het ARAR en 71b, derde en vijfde lid, van het ARSG en 50b van het RDBZ, (de artikelen I, en II, onderdelen 2 en 3, en III, onderdeel I);

– 37, derde lid, onder c, en 72, derde lid, onder c, van het ARSG en 54, derde lid, onder b, van het RDBZ (artikelen I, en II, onderdeel J, onder 2, en III, onderdeel J, onder 3);

– 41, derde lid, onder c, van het ARAR, 76, derde lid, onder c, van het ARSG en 54d, derde lid, onder b, van het RDBZ;

– artikel 48a, tweede lid, van het ARAR, 83a, tweede lid, van het ARSG en 57, tweede lid, van het RDBZ, (artikelen I, II en III, onderdeel U);

– 97, vierde lid, van het ARAR (artikel I, onderdeel Z); en komt te vervallen paragraaf 4 van hoofdstuk X van het RDBZ (artikel III, onderdeel R).

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Buitenlandse Zaken,

B. R. Bot


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.