Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2004, 685AMvB

Besluit van 16 december 2004, houdende aanpassing van enige fiscale uitvoeringsbesluiten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2004, nr. WDB 2004-727 M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Gelet op de artikelen 2.5, 3.126, 6.1, 7.6 en 10.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 18g, 19a, 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 3, 39 en 44 van de Wet waardering onroerende zaken;

De Raad van State gehoord (advies van 2 december 2004, nr. W06.04.0573/IV);

Gezien het nader rapport van 16 december 2004, nr. WDB 2004-754M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, vervalt «, uitgaven voor kinderopvang».

B

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.

2. In het vijfde lid wordt «of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding meewerkt» vervangen door: of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.

C

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

  • 1. Indien op grond van artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting ter zake van belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verleend, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde lid wordt vernummerd tot tweede lid. Voorts wordt «Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt met artikel 26, derde lid,» vervangen door: Voor de toepassing van het eerste lid wordt met artikel 26, tweede en vierde lid,.

D

Voorts wordt in artikel 21, eerste lid, «vijfde lid,» vervangen door: vijfde lid, aanhef en onderdeel a,.

E

In artikel 22, tweede lid, onderdeel d, 2°, wordt «onderdeel a, b, d, e of f,» vervangen door: onderdeel a, b, c, e, f of g,.

ARTIKEL II

Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel c. De puntkomma aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een punt.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt «bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c» vervangen door: bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

B

Artikel 10b, derde lid, wordt vervangen door:

  • 3. Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode.

C

Artikel 10d wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.

2. In het vijfde lid wordt «of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding meewerkt» vervangen door: of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.

D

In artikel 10f, eerste lid en vierde lid, vervalt «per auto».

E

Artikel 11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel p wordt vervangen door:

p. uitkeringen ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;.

2. Na onderdeel s wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

t. uitkeringen ingevolge de Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW’ers.

ARTIKEL III

In artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken wordt na «Indien een op de voet van Hoofdstuk IV van de wet vastgestelde waarde» een zinsnede ingevoegd, luidende: met een waardepeildatum van vóór 1 januari 2003.

ARTIKEL IV

Het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid worden «€ 140 429 475», «€ 56 171 790» en «€ 21 064 421» vervangen door respectievelijk «€ 130 429 475», «€ 52 171 790» en «€ 19 564 421».

2. In het derde lid wordt «Onze Minister» vervangen door «de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties». Voorts wordt aan het derde lid toegevoegd: Daarbij kan de Unie van Waterschappen uitgaan van het aantal objecten in een voorgaand jaar, gecorrigeerd met een volume-opslag.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In sub 4° wordt «artikelen 22, 25, 26, 27, 28 en 29 van de wet» vervangen door: artikelen 22, 25, 26, 27, 28, 29 en 29a van de wet.

2. In sub 5° wordt «artikelen 22, 25, 26, 27 en 28 van de wet» vervangen door: artikelen 22, 25, 26, 27, 28 en 29a van de wet.

C

In artikel 8, tweede lid, onderdeel a, wordt «artikelen 22, 25, 26 van de wet» vervangen door: artikelen 22, 25, 26 en 29a van de wet.

ARTIKEL V

Indien het bij koninklijke boodschap van 1 juli 2004 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004) tot wet wordt verheven en in werking is getreden, wordt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt na «5.23,» ingevoegd: 6.1,.

B

In Hoofdstuk 6 wordt voor artikel 20 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 19a. Aangewezen drukkende uitgaven

Bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan buitengewone uitgaven drukt blijven buiten beschouwing:

a. bijzondere bijstand in de zin van de artikelen 35, eerste en derde lid, van de Wet werk en bijstand en 10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, die, ondanks een aanspraak op deze bijzondere bijstand, niet is genoten en niet wordt genoten;

b. tegemoetkomingen in de zin van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven.

ARTIKEL VI

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

  • 2. Artikel II, onderdeel D, werkt terug tot en met 1 januari 2004.

  • 3. Indien het bij koninklijke boodschap van 1 juli 2004 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004) tot wet wordt verheven en in werking is getreden, werkt artikel V terug tot en met 1 januari 2004.

  • 4. Artikel I, onderdelen B en C, en artikel II, onderdeel C, werken terug tot en met 11 maart 2004.

  • 5. Artikel II, onderdelen A en E, eerste lid, treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 73 en 74 van het bij koninklijke boodschap van 18 mei 2004 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars) (29 574) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 16 december 2004

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit bevat aanpassingen in diverse fiscale uitvoeringsbesluiten die noodzakelijk zijn als gevolg van recente wetswijzigingen. Het betreft louter wijzigingen van technische aard.

Dit besluit heeft geen invloed op administratieve lasten en lasten voor het bedrijfsleven.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A (artikel 3 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

De wijziging in artikel 3, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 vloeit voort uit de wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang), Stb. 2004/455. Op grond van de Wet kinderopvang vervalt de aftrek van uitgaven voor kinderopvang in de Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2005.

Artikel I, onderdeel B (artikel 14 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) van 11 maart 2004 in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant (zaaknummer C-9/02) is in de memorie van toelichting op het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 2004, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 2004/654, onder meer een aanpassing aangekondigd van de voorwaarden waaronder een niet in Nederland gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds kan worden aangemerkt als een toegelaten aanbieder in de zin van de regeling voor uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Het huidige vereiste dat deze niet in Nederland gevestigde aanbieders een «in Nederland uitwinbare» zekerheid dienen te stellen, is na de uitspraak mogelijk niet meer in alle gevallen in overeenstemming met het EU-recht. Dit vereiste komt in zoverre te vervallen dat een dergelijke zekerheid niet behoeft te worden gesteld ingeval de buitenlandse aanbieder in een andere lidstaat van de EU is gevestigd. Er zijn immers minder belemmerende alternatieven beschikbaar. De ontvanger en de niet in Nederland gevestigde aanbieder kunnen een civielrechtelijke overeenkomst sluiten waarin is bepaald dat laatstgenoemde partij bij een niet reguliere afwikkeling aansprakelijk is voor de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de Wet IB 2001. Een dergelijke aanvaarding van aansprakelijkheid bij civielrechtelijke overeenkomst kan worden aangemerkt als een vorm van zekerheidstelling. De effectuering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten voor de Nederlandse staat is verzekerd door een EG-verordening (Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 16 januari 2001, blz. 1). Nu de werkingsfeer van deze verordening zich niet uitstrekt tot de Europese Economische Ruimte zal aan aanbieders uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein nog steeds worden gevraagd om een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen. Het ontbreken van een communautair rechtsinstrument waarvan de naleving bij het Hof kan worden afgedwongen, betekent dat een dergelijke zekerheidstelling een proportionele maatregel ter verzekering van de invordering van schulden blijft.

Evenals de begunstigende wettelijke maatregelen in dit kader werkt de wijziging van artikel 14 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 terug tot en met 11 maart 2004, de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant.

Artikel I, onderdeel C (artikel 21 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 2004 in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant (zaaknummer C-9/02) is bij de Wet van 16 december 2004, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 2004/654, een aantal wijzigingen in artikel 26 Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) aangebracht. Die wijzigingen geven op hun beurt aanleiding tot wijziging van artikel 21 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) dat bepaalt dat de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang als bedoeld in Hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt verminderd indien het huidige artikel 26, derde lid, onderdelen a en c, IW 1990 wordt toegepast.

De wijziging van artikel 21 UBIB 2001 houdt in de eerste plaats verband met de vernummering van artikel 26, derde lid, onderdelen a en c, IW 1990 tot artikel 26, vierde respectievelijk tweede lid, IW 1990. In samenhang hiermee wordt de verwijzing in artikel 21, derde lid, UBIB 2001 naar artikel 26, derde lid, IW 1990 aangepast. Voorts strekt de onderhavige wijziging tot een vermindering van de verkrijgingsprijs indien kwijtschelding van belasting is verleend op de voet van het nieuwe artikel 26, vijfde lid, IW 1990. Laatstgenoemde bepaling voorziet in kwijtschelding in verband met een waardedaling van de aandelen of winstbewijzen die is opgetreden sinds het belastbare feit ter zake waarvan de aanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. Die kwijtschelding leidt tot een vermindering van de verkrijgingsprijs om te voorkomen dat een verlies uit aanmerkelijk belang in de heffingssfeer ontstaat, terwijl daarmee door middel van kwijtschelding al rekening is gehouden. Het voorgaande wordt aan de hand van een voorbeeld geïllustreerd, waarbij gemakshalve wordt geabstraheerd van belastingverdragen.

Voorbeeld

Een belastingplichtige houdt alle aandelen in een in Nederland gevestigde besloten vennootschap. In jaar t emigreert hij. Op de voet van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, Wet inkomstenbelasting 2001 is emigratie een fictieve vervreemding. Het vervreemdingsvoordeel wordt gesteld op de waarde die ten tijde van de emigratie in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend (120) verminderd met de verkrijgingsprijs (20). De belasting die is verschuldigd over het vervreemdingsvoordeel wordt door middel van een conserverende aanslag geheven. Voor de conserverende aanslag wordt uitstel van betaling verleend. Als verkrijgingprijs in het kader van de ontstane buitenlandse belastingplicht geldt de waarde in het economische verkeer ten tijde van de emigratie (artikel 7.6, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001).

In jaar t+2 vervreemdt de belastingplichtige zijn aandelen voor 100. Door toepassing van het nieuwe artikel 26, vijfde lid, IW 1990 wordt van de conserverende aanslag een bedrag van 5 (25% van 120 -/- 100) kwijtgescholden. Het restant van de conserverende aanslag wordt ingevorderd. Tegelijkertijd wordt X als buitenlandse belastingplichtige in de heffing betrokken ter zake van de vervreemding. Zonder nadere maatregelen zou hij een negatief vervreemdingsvoordeel van 20 behalen, terwijl met het verlies reeds rekening is gehouden bij de invordering van de conserverende aanslag. Derhalve wordt de verkrijgingsprijs voor de berekening van het vervreemdingsvoordeel verminderd met de waardedaling van 20. De belastingplichtige betaalt uiteindelijk dus alleen belasting over het bij emigratie geconstateerde voordeel voorzover het daarna ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om artikel 21 UBIB 2001 aanzienlijk te vereenvoudigen. Daartoe zijn de eerste twee leden onder een algemene formulering gebracht.

Evenals de begunstigende wettelijke maatregelen in dit kader werkt de wijziging van artikel 21 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 terug tot en met 11 maart 2004, de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant.

Artikel I, onderdeel D (artikel 21 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

De onderhavige wijziging houdt verband met de inwerkingtreding van artikel X, onderdeel C, van de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 2004/654, per 1 januari 2005. De inwerkingtreding leidt ertoe dat artikel 26, vijfde lid, Invorderingswet 1990, zoals deze bepaling met terugwerkende kracht tot en met 11 maart 2004 luidt, wordt ondergebracht in artikel 26, vijfde lid, onderdeel a, van die wet.

Artikel I, onderdeel E (artikel 22 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

Bij de Wet van 16 december 2004 (Fiscale onderhoudswet 2004), Stb. 2004/657, is artikel 3.116, derde lid, Wet inkomstenbelasting 2001 aangepast om een in de uitvoeringspraktijk gebleken onvolkomenheid te herstellen. Deze aanpassing leidt tot een verlettering van enkele onderdelen van artikel 3.116, derde lid, Wet inkomstenbelasting 2001. De wijziging van artikel 22 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 strekt ertoe de verwijzing in dit artikel naar artikel 3.116, derde lid, aan de wijziging van laatstgenoemde bepaling aan te passen.

Artikel II, onderdeel A (artikel 7 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Deze wijziging houdt verband met de invoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) die in de plaats komt van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK). De over het laatste jaar van de WIK als lening verstrekte uitkering zal ingevolge artikel 10 van die wet in de loop van het daarop volgende kalenderjaar definitief worden vastgesteld en daarbij geheel of gedeeltelijk worden omgezet in een uitkering om niet. De heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen over deze laatste uitkering zal, anders dan over de eerdere uitkeringen, waarvoor afzonderlijke loonbelastingtabellen zijn vastgesteld, plaatsvinden door toepassing van de eindheffing op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964. Artikel 81 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zal daartoe worden aangepast. De wijziging van artikel 7 strekt ertoe de regeling voor het vaststellen van een afzonderlijke loonbelastingtabel voor WIK-uitkeringen te laten vervallen. Aangezien de uitkeringen ingevolge de WWIK bruto zullen worden vastgesteld, zal voor de inhouding van loonheffing op die uitkeringen geen afzonderlijke loonbelastingtabel meer nodig zijn. Op deze uitkeringen dient de normale groene loonbelastingtabel te worden toegepast.

Artikel II, onderdeel B (artikel 10b Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De wijziging van artikel 10b, derde lid, vloeit voort uit het dit jaar uitgebrachte advies van de Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen aan de Tweede Kamer (brief van 17 september 2004, WDB 2004-489 M). Op grond van de huidige tekst van deze bepaling mag een loonsverlaging bij de bepaling van de pensioengrondslag buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie die ten minste 50% van een voltijdfunctie beloopt. De bepaling bood daardoor niet dan wel slechts in beperkte mate een tegemoetkoming voor werknemers die reeds in deeltijd werkten, voordat zij in de periode van 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum minder gingen werken. Om die reden wordt de voorwaarde dat de deeltijdfunctie ten minste 50% van een voltijdfunctie moet belopen vervangen door de voorwaarde, dat de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin van het derde lid bedoelde periode. Met de formulering van het derde lid is tevens tot uitdrukking gebracht, dat de bepaling ook geldt voor de periode na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Dit is van belang voor situaties waarin de ingangsdatum van het pensioen wordt uitgesteld.

Artikel II, onderdeel C (artikel 10d Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) van 11 maart 2004 in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant (zaaknummer C-9/02) is in de memorie van toelichting op het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 2004 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 2004/654, onder meer een aanpassing aangekondigd van de voorwaarden waaronder een niet in Nederland gevestigde verzekeraar kan worden aangemerkt als een toegelaten verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding. Het huidige vereiste dat deze niet in Nederland gevestigde verzekeraars een «in Nederland uitwinbare» zekerheid dienen te stellen, is na de uitspraak mogelijk niet meer in alle gevallen in overeenstemming met het EU-recht. Dit vereiste komt in zoverre te vervallen dat een dergelijke zekerheid niet behoeft te worden gesteld ingeval de buitenlandse verzekeraar in een andere lidstaat van de EU is gevestigd. Er zijn immers minder belemmerende alternatieven beschikbaar. De ontvanger en de niet in Nederland gevestigde verzekeraar kunnen een civielrechtelijke overeenkomst sluiten waarin is bepaald dat laatstgenoemde partij bij een niet reguliere afwikkeling aansprakelijk is voor de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet. Een dergelijke aanvaarding van aansprakelijkheid bij civielrechtelijke overeenkomst kan worden aangemerkt als een vorm van zekerheidstelling. De effectuering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten voor de Nederlandse staat is verzekerd door een EG-verordening (Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 16 januari 2001, blz. 1). Nu de werkingsfeer van deze verordening zich niet uitstrekt tot de Europese Economische Ruimte zal aan aanbieders uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein nog steeds worden gevraagd om een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen. Het ontbreken van een communautair rechtsinstrument waarvan de naleving bij het Hof kan worden afgedwongen, betekent dat een dergelijke zekerheidstelling een proportionele maatregel ter verzekering van de invordering van schulden blijft.

Evenals de begunstigende wettelijke maatregelen in dit kader werkt de wijziging van artikel 10d Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 terug tot en met 11 maart 2004, de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in de zaak Hughes de Lasteyrie du Saillant.

Artikel II, onderdeel D (artikel 10f Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Deze verruiming hangt samen met de verruiming van artikel 15b van de Wet op de loonbelasting 1964 bij de Wet van 18 december 2003 houdende wijzigingen van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004), Stb. 526. Door de wijzigingen bij deze wet ziet de mogelijkheid van dit artikel om onbelaste vergoedingen te geven niet meer alleen op vervoer per auto maar op alle vormen van vervoer. Deze wijziging is reeds aangekondigd in het besluit van 5 juli 2004, nr. CPP2004/1409M, onder meer gepubliceerd in V-N 2004/35.19 en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004.

Artikel II, onderdeel E, eerste lid (artikel 11 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

Deze wijziging houdt verband met de invoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) die in de plaats komt van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK). De wijziging strekt ertoe de uitkeringen ingevolge de WWIK onder de heffing van de loonbelasting te brengen. Omdat in het jaar van invoering van de WWIK nog belaste uitkeringen ingevolge de WIK plaatsvinden (de definitieve vaststelling en omzetting in een bedrag om niet van de in het laatste jaar van de WIK als lening verstrekte uitkering), op welke uitkeringen de eindheffing zal worden toegepast, kan de vermelding van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars in deze bepaling nog niet vervallen. Wanneer de WIK helemaal is uitgewerkt, zal artikel 11 worden aangepast door daarin die wet niet meer te noemen.

Artikel II, onderdeel E, tweede lid (artikel 11 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965)

De toevoeging van onderdeel t aan artikel 11, eerste lid, houdt verband met de invoering per 1 januari 2005 van de op de Kaderwet SZW-subsidies gebaseerde Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW’ers en regelt dat op de uitkeringen die voortvloeien uit deze tijdelijke regeling, loonbelasting en premies volksverzekeringen moet worden ingehouden.

Artikel III (intrekking Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken)

Het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken (hierna: Uitvoeringsbesluit Wet WOZ) regelt een landelijk uniforme gedragslijn van colleges van burgemeester en wethouders op het vlak van de ambtshalve vermindering van onherroepelijk vaststaande beschikkingen tot vaststelling van de waarde van onroerende zaken ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).

In het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ is in artikel 2 geregeld dat een ambtshalve vermindering alleen wordt toegepast wanneer de werkelijke waarde ten minste 20% met een minimum van € 4538 minder bedraagt dan de bij beschikking vastgestelde waarde.

Het kabinet heeft in de memorie van toelichting op het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 9 december 2004 tot wijziging van de Wet WOZ en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet WOZ), Stb. 2004/656, de ambitie verwoord om de huidige systematiek waarin eens in de vier jaar door gemeenten bij beschikking de waarde van onroerende zaken wordt vastgesteld, te verkorten naar een jaarlijkse vaststelling (Kamerstukken II 2003/04, 29 612, nr. 3, blz. 7–9). De overgang naar deze jaarlijkse waardering is gepland met ingang van 2007 en daaraan voorafgaand is bij genoemde wet reeds voorzien in een overgangsperiode waarin het waarderingstijdvak in beginsel is verkort tot twee jaar.

In de Wet van 9 december 2004, Stb. 2004/656, is voor de overgangsperiode voortgebouwd op het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ. In de overgangsperiode is ook met betrekking tot het jaar of eventueel de jaren waarin geen nieuwe waardevaststelling plaatsvindt de mogelijkheid van bezwaar, beroep en beroep in cassatie mogelijk gemaakt. Daarbij is ter wille van de uitvoerbaarheid aangesloten bij de drempels voor ambtshalve vermindering van het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ. Mocht bij bezwaar of in een procedure blijken dat de waarde die had behoren te zijn vastgesteld ten minste 20 percent en minimaal € 4 538 lager is dan de bij beschikking vastgestelde waarde, werkt de vermindering terug tot de datum waarop de bij beschikking vastgestelde waarde is gaan gelden. Bij een vermindering van mindere omvang, werkt de waardeverandering niet verder terug dan tot het begin van het kalenderjaar.

Door deze systematiek op te nemen in de Wet WOZ is artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ voor tijdvakken vanaf 2005 overbodig geworden. Daarom is in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ opgenomen dat dit artikel nog alleen toepassing vindt indien de waarde is vastgesteld naar een waardepeildatum van vóór 1 januari 2003.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 2 Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

In 2003 is het macro kostenforfait tot stand gekomen. Onder macro kostenforfait wordt verstaan de verrekeningsmethodiek van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Bij de totstandkoming van het forfait hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), de Unie van Waterschappen (hierna: Unie) en het Rijk, besloten om gezamenlijk verbetervoorstellen voor de regelgeving en uitvoering van de Wet WOZ te verkennen teneinde het kostenniveau en daarmede het macro kostenforfait te verlagen. Uiteindelijk hebben partijen afspraken gemaakt over nadere uitwerking van een aantal voorstellen. Voor de totstandkoming en toelichting op de diverse voorstellen wordt verwezen naar de Wet van 9 december 2004 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken), Stb. 2004/656.

Rijk, VNG en Unie zijn het er over eens dat de uit genoemde wet voortvloeiende besparingen kunnen leiden tot een verlaging van het macro kostenforfait per 2005. De voorstellen die hier aan bijdragen zijn de combinatie van de WOZ-beschikking en de OZB-aanslag (€ 4,5 miljoen), de aanvaardbaar geachte marge bij de waardering van onroerende zaken (€ 3 miljoen), de wijziging waardering van gebouwde eigendommen in aanbouw (€ 5 miljoen) en de ambtshalve vaststelling van de waardebeschikking bij wijziging van de gerechtigde. Daartegenover staat een stijging van de uitvoeringslasten in verband met de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties (€ 1 miljoen). Partijen zijn het er over eens geworden de verlaging van het macro kostenforfait voor het jaar 2005 te beperken tot € 10 miljoen. Voor het jaar 2006 wordt een verdere verlaging voorzien. De bedragen zoals deze na deze wijziging zijn opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet WOZ zijn nog niet de bedragen die in 2005 gelden, doch zullen in de bijstellingsregeling 2005 op grond van het vierde lid van artikel 2 nog worden aangepast vanwege een verwachte prijsmutatie met een volumeopslag.

In het kader van het Project Andere Overheid neemt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: ministerie van BZK) van het ministerie van Financiën een aantal taken over. Een van deze taken is het uitbetalen van het aandeel in het macro kostenforfait van het Rijk (de rijksbelastingdienst) en de waterschappen aan de afzonderlijke gemeenten. Deze taak zal in de toekomst worden gedaan door het ministerie van BZK. De wijziging in artikel 2, derde lid, beoogt vanaf 2005, overeenkomstig het overgaan van de uitvoerende taak, de opgave van het aantal objecten in de individuele waterschappen door de Unie aan het ministerie van BZK te laten plaatsvinden. De opgaaf van het aantal objecten per individueel waterschap kan met ingang van 1 januari 2005 worden bepaald door middel van een volume-opslag op de opgaaf van het aantal objecten uit een voorgaand jaar. Deze wijziging wordt op verzoek van de Unie doorgevoerd. De wijziging laat onverlet dat de waterschappen afrekenen op basis van een bedrag per object.

Artikel IV, onderdelen B en C (artikelen 4 en 8 Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

De wijziging van artikel 4 en 8 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet WOZ hangen samen met de wijzigingen van de Wet WOZ die zijn aangebracht bij de Wet van 9 december 2004 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en van enige andere wetten (meer doelmatige uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken), Stb. 2004/656, en de ambitie om de huidige systematiek waarin eens in de vier jaar door gemeenten de waarde voor onroerende zaken worden vastgesteld te verkorten tot één kalenderjaar. De overgang naar deze jaarlijkse waardering is beoogd met ingang van 2007 en daaraan voorafgaand is bij genoemde wet van 9 december 2004 een overgangsperiode ingevoerd waarin het waarderingstijdvak in beginsel is verkort tot twee jaar en waarin voorts in het tweede jaar de reeds vastgestelde waarde nogmaals bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt meegedeeld. Deze nieuwe beschikking draagt bij aan de kosten van de gemeenten ter zake van de waardering en de levering van gegevens door het college van burgemeester en wethouders aan de afnemers.

Artikel V (artikel 1 en 19a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001)

In artikel 19a worden, op grond van de in artikel 6.1, vierde lid, van de Wet IB 2001 opgenomen delegatiebepaling, aanspraken op vergoedingen of tegemoetkomingen en vergoedingen en tegemoetkomingen aangewezen die bij de bepaling van «drukkende uitgaven» buiten aanmerking kunnen blijven. Buitengewone uitgaven «drukken» niet op de belastingplichtige indien voor deze uitgaven op enige wijze een vergoeding of compensatie verkregen zou kunnen worden.

Een vergoeding of compensatie kan bijvoorbeeld in bepaalde gevallen in het kader van de bijzondere bijstand worden verkregen. Zo kunnen gemeenten op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand individuele bijzondere bijstand toekennen als er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarnaast kunnen gemeenten op grond van artikel 35, derde lid, van de Wet werk en bijstand categoriale bijzondere bijstand toekennen aan personen van 65 jaar en ouder. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand kan de gemeente categoriale bijzondere bijstand toekennen in de kosten van chronische ziekte of handicap.

In het nieuwe artikel 19a is opgenomen dat ervan wordt uitgegaan dat buitengewone uitgaven drukken op de belastingplichtige, ook wanneer voor deze uitgaven vorenbedoelde bijzondere bijstand aangevraagd had kunnen worden, doch de belastingplichtige heeft afgezien van het aanvragen van die bijstand. Wanneer de belastingplichtige voor deze uitgaven wel bijzondere bijstand aanvraagt en ontvangt, kunnen deze uitgaven voor dat gedeelte uiteraard niet ook nog eens in aanmerking worden genomen binnen de buitengewone uitgavenregeling.

Voor de tegemoetkoming in de zin van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (hierna: Tijdelijk besluit tbu) geldt hetzelfde als voor de aanspraken ingevolge de bijzondere bijstand. Het Tijdelijk besluit tbu is een besluit dat regelt dat er een tegemoetkoming is voor burgers die in de fiscaliteit, door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de totale hoogte van hun aftrekposten en heffingskortingen, niet de volledige waarde van hun aftrek aan buitengewone uitgaven kunnen effectueren. Strikt genomen zou bij de bepaling van de omvang van de in aanmerking te nemen buitengewone uitgaven rekening moeten worden gehouden met de aanspraak van de belastingplichtige op de tegemoetkoming ingevolge dit besluit. Artikel 19a, onderdeel b, regelt dat bij het in aanmerking nemen van buitengewone uitgaven geen rekening gehouden hoeft te worden met de tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit tbu.

De uitzonderingen, zoals opgenomen in het nieuwe artikel 19a, zijn alleen van toepassing op de regelingen zoals hierboven vermeld. Voor alle andere regelingen blijft de hoofdregel gelden.

Omdat zowel het Tijdelijk besluit tbu als de aanpassing in de Wet werk en bijstand inmiddels in werking zijn getreden, is artikel 6.1 van de wet met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004 aangepast. De introductie van artikel 19a vindt derhalve eveneens plaats met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2004.

Artikel VI (inwerkingtreding)

Dit uitvoeringsbesluit treedt in werking op 1 januari 2005. Daar waar gekozen is voor een afwijkende inwerkingtredingsbepaling, is deze bij de artikelsgewijze toelichting toegelicht. Een en ander heeft geen negatieve gevolgen voor belastingplichtigen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Financiën.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 januari 2005, nr. 7.