Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2004, 672Wet

Wet van 15 december 2004 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van beroep bij de rechtbank, alsmede van hoger beroep bij het gerechtshof, in belastingzaken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in belastingzaken beroep bij de rechtbank, alsmede hoger beroep bij het gerechtshof, open te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de rechterlijke organisatie, zoals deze komt te luiden op het tijdstip, bedoeld in artikel XVIII van de Wet organisatie en bestuur gerechten, wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 55 wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 56

Het bestuur van de rechtbank te Haarlem vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.

B

Artikel 60, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in burgerlijke zaken, strafzaken en belastingzaken van de rechtbanken in hun ressort.

C

Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65

Het bestuur van het gerechtshof te Amsterdam vormt voor het behandelen en beslissen in hoger beroep van zaken waarin door de douanekamers van de rechtbank te Haarlem uitspraak is gedaan enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van douanekamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.

ARTIKEL II

De Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

0A

In artikel 6:24 vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

A

In artikel 8:4, van de Algemene wet bestuursrecht worden de onderdelen g tot en met l vervangen door:

g. inzake de nummering van kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen, de benoemdverklaring in opengevallen plaatsen, alsmede de toelating van nieuwe leden van provinciale staten en van de gemeenteraad,

h. genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover het keuring, herkeuring, werkelijke dienst, groot verlof of diensteindiging betreft, tenzij het besluit betrekking heeft op verlenging van werkelijke dienst of kostwinnersvergoeding, of het besluit is genomen op grond van de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985,

i. houdende een ambtshandeling van een gerechtsdeurwaarder of notaris,

j. als bedoeld in artikel 7:1a, vierde lid, of

k. inhoudende een weigering op grond van artikel 2:15.

B

Aan de bijlage wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

I Ministerie van Financiën

1. Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30 en 49.

2. Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7.

ARTIKEL III

In artikel 18, vierde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt «8:4, aanhef en onderdeel k» vervangen door: 8:4, aanhef en onderdeel j.

ARTIKEL IV

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt gewijzigd als volgt:

A

Het opschrift van afdeling 1 van hoofdstuk V komt te luiden:

Afdeling 1. Bezwaar

B

De artikelen 23 en 24 vervallen.

C

Het opschrift van afdeling 2 van hoofdstuk V komt te luiden:

Afdeling 2. Beroep bij de rechtbank

D

De artikelen 26 tot en met 26b worden vervangen door:

Artikel 26

  • 1. In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:

    a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

    b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 2. De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet.

Artikel 26a

  • 1. In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:

    a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;

    b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of

    c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

  • 2. Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

  • 3. De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.

Artikel 26b

  • 1. Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij één beroepschrift.

  • 2. Artikel 24a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

E

Artikel 27 komt te luiden:

Artikel 27

  • 1. Voor de toepassing van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht treden de rechtbanken te Leeuwarden, Arnhem, Haarlem, ’s-Gravenhage en Breda in de plaats van de andere rechtbanken in hun ressort.

  • 2. In afwijking van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en van het eerste lid, is slechts de rechtbank te Haarlem bevoegd, indien het beroep betreft:

    a. een uitnodiging tot betaling dan wel

    b. een voor bezwaar vatbare beschikking die is gegeven op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet.

  • 3. Artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing indien beroep is ingesteld bij de douanekamer van de rechtbank te Haarlem.

F

Artikel 27a wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel a wordt «het gerechtshof» vervangen door: de rechtbank.

2. In onderdeel b wordt: «het gerechtshof te Amsterdam» vervangen door: de rechtbank te Haarlem.

G

Artikel 27c komt te luiden:

Artikel 27c

Artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing voorzover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd. In andere gevallen heeft het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren, maar kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek openbaar is, voorzover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad.

H

In artikel 27d vervallen het tweede, derde en vierde lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

I

In de artikelen 27e, 27f en 27g wordt «het gerechtshof» telkens vervangen door: de rechtbank.

J

Artikel 27h vervalt.

K

Na artikel 27g wordt, onder vernummering van de afdelingen 3 en 4 tot afdeling 4, onderscheidenlijk afdeling 5, een nieuwe afdeling tussengevoegd, luidende:

Afdeling 3. Hoger beroep bij het gerechtshof

Artikel 27h
  • 1. De belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur kunnen bij het gerechtshof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet.

  • 2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:

    a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

    b. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a van die wet;

    c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van die wet;

    d. een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van die wet,;

    e. een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vierde lid, van die wet.

  • 3. Tegen andere beslissingen van de rechtbank onderscheidenlijk de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

  • 4. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, en 26b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist.

Artikel 27i
  • 1. De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.

  • 2. De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de zitting, voorzover dit op de zaak betrekking heeft, en vier afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van het gerechtshof.

Artikel 27j
  • 1. Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:41, 8:74 en 8:82, van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze afdeling niet anders is bepaald.

  • 2. Artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep is ingesteld bij de douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam.

  • 3. De artikelen 27c, 27d, 27e, 27f en 27g zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27k
  • 1. De zaken die bij het gerechtshof aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.

  • 2. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.

  • 3. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.

  • 4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.

Artikel 27l
  • 1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van het gerechtshof een griffierecht geheven. Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. In dat geval bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag.

  • 2. Het griffierecht bedraagt:

    a. € 102 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b;

    b. € 205 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, onderdeel b;

    c. € 409 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld.

  • 3. Indien de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat een griffierecht geheven van € 409.

  • 4. Artikel 8:41, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voorzover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 27m
  • 1. De andere partij dan de partij die het hoger beroep heeft ingesteld, kan bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.

  • 2. De partij die het hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het verweerschrift het incidentele hoger beroep te beantwoorden.

  • 3. Het gerechtshof kan de in het tweede lid bedoelde termijn verlengen.

Artikel 27n
  • 1. Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de griffier een griffierecht geheven. Artikel 27l, eerste lid, tweede en derde volzin, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen.

  • 3. Indien een verzoek wordt ingetrokken omdat de inspecteur, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de Staat, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.

  • 4. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de Staat geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

  • 5. Indien het verzoek is gedaan door de inspecteur en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de griffier aan de Staat geheel of gedeeltelijk wordt terugbetaald.

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om herziening is gedaan.

Artikel 27o

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

Artikel 27p
  • 1. Indien het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door de Staat wordt vergoed.

  • 2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de Staat geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Artikel 27q
  • 1. Het gerechtshof wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste instantie heeft behandeld, indien:

    a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en het gerechtshof deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of

    b. het gerechtshof om een andere reden dan bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.

  • 2. De griffier zendt de gedingstukken, onder medezending van een afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank.

Artikel 27r

In de gevallen als bedoeld in artikel 27q, eerste lid, onderdeel a, kan het gerechtshof de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

Artikel 27s

Indien het gerechtshof van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan het de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.

L

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28

  • 1. De belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad beroep in cassatie instellen tegen:

    a. een uitspraak van het gerechtshof die overeenkomstig afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan, en

    b. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof die overeenkomstig artikel 8:86 van die wet is gedaan.

  • 2. De belanghebbende en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van die wet.

  • 3. Indien de belanghebbenden en Onze Minister daarmee schriftelijk instemmen, kan bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet.

  • 4. Geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen:

    a. een uitspraak van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

    b. een uitspraak van de rechtbank overeenkomstig artikel 8:54a van die wet;

    c. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8:84, tweede lid, van die wet, en

    d. een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in verband met artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 5. Tegen andere beslissingen van het gerechtshof, van de rechtbank of van de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de in het eerste of het tweede lid bedoelde uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld.

  • 6. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, en 26b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De werking van de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is verstreken of, indien beroep in cassatie is ingesteld, op het beroep in cassatie is beslist.

M

Artikel 28a komt te luiden:

Artikel 28a

  • 1. De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

  • 2. De griffier van dit gerecht zendt een afschrift van de uitspraak en de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken die onder hem berusten, onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad.

N

Artikel 28b komt te luiden:

Artikel 28b

  • 1. Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een mondelinge uitspraak, wordt de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke uitspraak, tenzij het beroep in cassatie kennelijk niet-ontvankelijk is of de Hoge Raad anders bepaalt. De vervanging geschiedt binnen zes weken na de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 28a, eerste lid, is gedaan. Het beroep in cassatie wordt geacht gericht te zijn tegen de schriftelijke uitspraak.

  • 2. Het gerecht dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan, verzendt de vervangende schriftelijke uitspraak gelijktijdig aan partijen en aan de griffier van de Hoge Raad.

  • 3. In afwijking van artikel 6:5, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht kan de indiener van het beroepschrift de gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden.

O

Vervallen.

P

Artikel 29a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, derde volzin, wordt «In die gevallen» vervangen door: In dat geval.

2. In het eerste lid vervalt de vierde volzin.

3. In het derde lid wordt: «de desbetreffende rechtspersoon» vervangen door: de Staat.

Pa

In artikel 29b, derde lid, wordt «de desbetreffende rechtspersoon» vervangen door: de Staat.

Q

Artikel 29e, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Wanneer de Hoge Raad, hetzij op de in het beroepschrift aangevoerde, hetzij op andere gronden, de uitspraak van het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter vernietigt, beslist hij bij dezelfde uitspraak de zaak, zoals het gerechtshof, de rechtbank of de voorzieningenrechter had behoren te doen. Indien de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan, verwijst de Hoge Raad, tenzij het punten van ondergeschikte aard betreft, het geding naar een gerechtshof of een rechtbank, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

R

In artikel 29g wordt «van het gerechtshof of van de voorzieningenrechter van het gerechtshof» vervangen door: van het gerechtshof, van de rechtbank of van de voorzieningenrechter.

S

In artikel 29h wordt «aan het gerechtshof» vervangen door: aan het gerechtshof of aan de rechtbank.

T

Artikel 30a komt te luiden:

Artikel 30a

  • 1. Een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht die is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet, is voor bezwaar vatbaar.

  • 2. Een andere beslissing op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet wordt bevestigd bij beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, indien degene jegens wie de beslissing is genomen daarom verzoekt binnen vier weken nadat de beslissing aan hem is medegedeeld.

  • 3. Indien een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank betrekking heeft op een voor bezwaar vatbare beschikking die op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet is gegeven door Onze Minister, treedt voor de toepassing van dit hoofdstuk Onze Minister in de plaats van de inspecteur.

U

In artikel 30d, tweede lid, wordt «een bezwaarschrift indienen op de voet van artikel 23» vervangen door: beroep instellen bij de rechtbank.

V

In artikel 34 wordt «het gerechtshof» vervangen door: de rechtbank.

ARTIKEL V

Artikel 34 van de Douanewet vervalt.

ARTIKEL VI

De Invorderingswet 1990 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 30, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 49, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VII

Artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen komt te luiden: Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in de eerste volzin bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VIII

Artikel 12, vierde lid, van de Registratiewet 1970 komt te luiden:

  • 4. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de op de voet van het eerste en het tweede lid in rekening gebrachte kosten is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IX

In artikel 54 van de Successiewet 1956 wordt «Een bezwaarschrift kan op de voet van artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen» vervangen door: Een beroepschrift kan op de voet van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

ARTIKEL X

In artikel 9, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt «artikel 24 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301)» vervangen door: artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

ARTIKEL XI

In de artikelen 5.14, vierde lid, 5.15, vierde lid, en 5.18a, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt «artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht» telkens vervangen door: hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

ARTIKEL XII

Artikel 9, zevende lid, van de Wet op het BTW-compensatiefonds komt te luiden:

  • 7. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie tegen een op de voet van het tweede, derde of vierde lid gegeven beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XIII

In artikel 30, derde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vervalt: , in afwijking van artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht,.

ARTIKEL XIV

Artikel 30 van de Wet waardering onroerende zaken wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «22j, 23, 24a tot en met 30» vervangen door: 22j tot en met 30.

2. In het derde lid wordt «artikel 28a» vervangen door: artikel 28, eerste lid.

ARTIKEL XV

In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State wordt «bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven» vervangen door: bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof.

ARTIKEL XVI

De Provinciewet wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 227a wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Met betrekking tot provinciale belastingen wordt in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29b van de Algemene wet voor «de Staat» gelezen: de provincie.

B

Artikel 232c, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XVII

De Gemeentewet wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 231 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29b van de Algemene wet voor «de Staat» gelezen: de gemeente.

B

Artikel 234, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet kan tegen de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voldoening op aangifte geen beroep worden ingesteld.

C

Artikel 253, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XVIII

Artikel 142 van de Mijnbouwwet wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit dat van toepassing is op het continentaal plat kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eerste volzin geldt niet voor een besluit op grond van hoofdstuk 5, met uitzondering van de afdelingen 5.2.1. en 5.2.2.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Op het beroep tegen besluiten op grond van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde afdelingen, is hoofdstuk V, afdelingen 2 tot en met 4 van de Algemene wet rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoger beroep en beroep in cassatie kunnen worden ingesteld door de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank, onderscheidenlijk hoger beroep bij het gerechtshof, in te stellen en door het bestuursorgaan dat bevoegd was het bestreden besluit te nemen.

ARTIKEL XIX

In artikel 93, derde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vervalt: en artikel 19 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

ARTIKEL XX

Artikel 76 van de Ziekenfondswet komt te luiden:

Artikel 76

Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake een beschikking als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XXI

In artikel 77a, vierde lid, van de Luchtvaartwet wordt «artikel 28a» vervangen door: artikel 28, eerste lid.

ARTIKEL XXII

De Waterschapswet wordt gewijzigd als volgt:

A

Aan artikel 123 wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Met betrekking tot waterschapsbelastingen wordt in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29b van de Algemene wet voor «de Staat» gelezen: het waterschap.

B

Artikel 142, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XXIII

  • 1. Op het beroep tegen een uitspraak op een bezwaarschrift die is gedagtekend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing:

    a. op een verzoek om een voorlopige voorziening, en

    b. indien met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep wordt ingesteld.

  • 3. Op een beroep tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, dat is ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

  • 4. Op het beroep in cassatie tegen een uitspraak die is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

ARTIKEL XXIV

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip is tevens het tijdstip, bedoeld in artikel XVIII van de Wet organisatie en bestuur gerechten.

ARTIKEL XXV

Deze wet wordt aangehaald als: Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage, 15 december 2004

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner