Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2004, 619AMvB

Besluit van 15 november 2004 tot wijziging van enkele besluiten op het terrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in verband met de nieuwe Spoorwegwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 februari 2004, nr. MJZ2004004270, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 105, 107 en 129 van de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en artikel 2, derde lid, van de Tracéwet;

De Raad van State gehoord (advies van 27 februari 2004, nr. W08.04.0060/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 november 2004, nr. MJZ2004114423, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In het Besluit geluidhinder spoorwegen wordt artikel 1 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «een spoor-, tram- of metroweg,» vervangen door: een spoorweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Spoorwegwet.

2. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

e. spoorwegexploitant: de beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet, de rechthebbende, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Spoorwegwet ten aanzien van lokale of bijzondere spoorwegen, dan wel de opdrachtgever tot aanleg, wijziging of vervanging van een hoofd-, een lokale of bijzondere spoorweg als bedoeld in artikel 2 van de Spoorwegwet;.

3. In het eerste lid, onderdeel h, wordt «spoorwegverkeer» vervangen door: spoorverkeer.

4. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «railvoertuigen» vervangen door:

spoorvoertuigen.

ARTIKEL II

In het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer wordt in artikel 1, onderdeel e, «langs rails» vervangen door: over spoor.

ARTIKEL III

De bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In onderdeel A wordt de begripsbepaling «landelijke railweg» vervangen door: landelijke spoorweg: een spoorweg waarvoor een verbinding is aangegeven op een kaart van indicatieve en limitatieve spoorwegverbindingen, die behoort tot een van kracht zijnde planologische kernbeslissing;.

B

Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

1. In de categorieën 2.1, kolommen 1 en 2, en 2.3, kolom 2, wordt «railweg» telkens vervangen door: spoorweg.

2. In categorie 2.2, kolommen 1 en 2, vervalt: trambaan,.

3. In categorie 2.3, kolom 2, wordt «spoorbaan» vervangen door: spoorweg.

ARTIKEL IV

In het Besluit LPG-tankstations milieubeheer wordt in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 5°, «Nederlandse Spoorwegen» vervangen door: hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet,.

ARTIKEL V

In het Besluit tankstations milieubeheer wordt in artikel 1, onderdeel o, onder 8°, «Nederlandse Spoorwegen» vervangen door: hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet,.

ARTIKEL VI

In het besluit van 7 mei 1999, houdende wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 alsmede uitvoering van artikel 2, derde lid, van de Tracéwet (Stb. 224) wordt in artikel III «landelijke railweg» vervangen door: landelijke spoorweg.

ARTIKEL VII

Bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

1. In categorie 14.1, onderdeel b, wordt de zinsnede «locomotieven, spoorwagens of onderdelen daarvan» vervangen door: spoorvoertuigen of onderdelen daarvan.

2. In categorie 14.2 wordt «goederenwagons» vervangen door: spoorvoertuigen, bestemd voor goederenvervoer.

ARTIKEL VIII

In het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer wordt artikel 1 als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel j wordt «spoor-, tram- of metroweg» vervangen door: spoorweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Spoorwegwet.

2. Onderdeel k komt te luiden:

k. spoorwegexploitant: de beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet, de rechthebbende, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Spoorwegwet ten aanzien van lokale of bijzondere spoorwegen, dan wel de opdrachtgever tot aanleg, wijziging of vervanging van een hoofd-, een lokale of bijzondere spoorweg als bedoeld in artikel 2 van de Spoorwegwet;.

ARTIKEL IX

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 november 2004

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Uitgegeven de tweede december 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Doel en korte inhoud van het besluit

Met dit besluit worden enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) aangepast aan de nieuwe Spoorwegwet. Voor een uitgebreide toelichting op die wet wordt verwezen naar Kamerstukken II 2001/02, 27 482, nr. 3. Dit besluit bevat terminologische aanpassingen die voortvloeien uit de in de nieuwe Spoorwegwet gehanteerde begrippen.

De in dit besluit opgenomen wijzigingen hebben betrekking op besluiten op het terrein van het Ministerie van VROM. Om procedurele redenen zijn deze wijzigingen in een afzonderlijk besluit opgenomen. Ten eerste vanwege het feit dat de Wet milieubeheer in artikel 21.6, derde lid, voorschrijft dat de voordracht voor een wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 uitsluitend door Onze Minister van VROM en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) kan worden gedaan. Daarnaast vanwege het feit dat de meeste van de in dit besluit opgenomen wijzigingen een bijzondere totstandkomingsprocedure kennen. Voor die besluiten is bij wet bepaald dat het ontwerp daarvan aan de beide Kamers der Staten-Generaal wordt gezonden en wordt voorgepubliceerd in de Staatscourant. Verder geldt voor die besluiten dat zij eerst na het verstrijken van vier weken na de datum van bekendmaking in het Staatsblad in werking mogen treden.

Lasten voor burgers, bedrijven en overheden

Uit de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen vloeien geen zelfstandige administratieve of financiële lasten voor burgers, bedrijven of overheden voort. Voor een beschrijving van de administratieve lasten die voortvloeien uit de nieuwe Spoorwegwet wordt verwezen naar kamerstukken II, 2001/02, 27 482, nr. 3, p. 25.

Reacties in het kader van de voorhangprocedure

Zoals hierboven reeds is vermeld is op de meeste van in dit besluit opgenomen wijzigingen een bijzondere totstandkomingsprocedure van toepassing. Op de wijzigingen in de artikelen II, III, IV, V, VII en VIII is de procedure, bedoeld in artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer van toepassing.

Ter uitvoering van bovenstaande wettelijke procedurebepalingen is een ontwerpbesluit aan de beide Kamers der Staten-Generaal gezonden. Daarnaast is het besluit voorgepubliceerd in Staatscourant nr. 2003, 192. Naar aanleiding van de voorpublicatie zijn geen reacties ontvangen.

De in het voorgepubliceerde ontwerpbesluit opgenomen wijziging van artikel 1, onder e, van het Besluit geluidhinder spoorwegen bleek niet volledig aan te sluiten bij de strekking van dat besluit. In voornoemd besluit heeft het begrip «spoorwegexploitant» een bredere strekking dan het begrip beheerder, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Spoorwegwet. Hetzelfde gold voor het begrip «spoorwegexploitant» in artikel 1, onder k, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer. De wijzigingen daaromtrent in het voorgepubliceerde ontwerpbesluit zijn daarop aangepast.

Artikelsgewijs

Artikel I

Tram- en metrowegen vallen onder het begrip spoorweg, zoals omschreven in artikel 1, onderdeel b, van de Spoorwegwet. Onder spoorweg wordt in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit geluidhinder spoorwegen voortaan verstaan: een spoorweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Spoorwegwet die is aangegeven op de bij het besluit behorende kaart.

In artikel 1, eerste lid, onderdeel e, is het begrip spoorwegexploitant aangepast om een betere aansluiting te krijgen op het stelsel van de Spoorwegwet. In het Besluit geluidhinder spoorwegen wordt bij het begrip spoorwegexploitant geen onderscheid gemaakt tussen de beheerder en de opdrachtgever tot aanleg of wijziging. Ook zal het besluit in de toekomst op gelijke wijze van toepassing zijn op hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen. Daarom bevat de nieuwe definitie een verwijzing naar al die elementen in de Spoorwegwet. Overigens gaat de nieuwe Spoorwegwet vooralsnog slechts gelden voor als zodanig aangewezen «hoofdspoorwegen», en derhalve nog niet voor «lokale spoorwegen» en «bijzondere spoorwegen» (zie voor een toelichting Kamerstukken II 28 843, 2002/03, nr. 6, blz. 2; toelichting bij artikel 40 van de Wet kabelbaaninstallaties). Tot die tijd zal artikel I, onderdeel 2, nog niet in werking treden en blijft de huidige omschrijving van «spoorwegexploitant» gelden.

Artikel III

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt de begripsbepaling «landelijke railweg» vervangen. Het verschil met de voorgaande begripsbepaling is dat de term «railweg» wordt vervangen door de in de Spoorwegwet gebruikte term «spoorweg». Met deze aanpassing verandert de betekenis niet.

Ingevolge de nieuwe Spoorwegwet valt een trambaan voortaan ook onder het begrip spoorweg. Als afzonderlijk begrip is «trambaan» daarom geschrapt.

Artikelen IV en V

De aanduiding «de (hoofdschakelstations van de) hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet» sluit naadloos aan bij de betekenis van de oorspronkelijke zinsnede «de (hoofdschakelstations van de) Nederlandse Spoorwegen». Van een inhoudelijke wijziging is geen sprake.

Artikel VII

In artikel 1, onderdeel e, van de Spoorwegwet worden alle voertuigen die bestemd zijn voor het verkeer over de spoorwegen als «spoorvoertuigen» aangeduid. Locomotieven en wagons voldoen aan de omschrijving daarvan en vallen zodoende ook onder dat begrip (zie Kamerstukken II 2000/01, 27 482, nr. 3, blz. 32).

Artikel VIII

Het begrip «spoorwegexploitant» is gewijzigd om een betere aansluiting te verkrijgen bij bij het stelsel van de Spoorwegwet. De nieuwe begripsomschrijving komt overeen met de nieuwe omschrijving in het Besluit geluidhinder spoorwegen. Van een inhoudelijke wijziging is geen sprake. Vooralsnog blijft overigens de huidige begripsomschrijving gelden; zie de toelichting bij artikel I.

Artikel IX

Deze bepaling maakt de gefaseerde inwerkingtreding van dit besluit mogelijk. Dit is nodig vanwege de wijziging van het begrip «spoorwegexploitant» in artikel I, onderdeel 2, en artikel VIII, onderdeel 2. Zie de toelichting bij artikel I.

Aanhef en ondertekening

Artikel 21.6, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt gedaan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Dit besluit heeft betrekking op een onderdeel van het milieubeleid dat mede behoort tot het beleidsterrein van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat onderschrijft de inhoud van dit besluit. De voordracht is dan ook in overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat geschied.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 januari 2005, nr. 7.