Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2004, 615Wet

Wet van 24 november 2004 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met het bevorderen van de effectiviteit van surséance van betaling en faillissement

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de continuïteit te bevorderen van ondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeren maar toch overlevingskansen hebben;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

De aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan en het verzoek daartoe ingediend ter griffie en met de meeste spoed in raadkamer behandeld. Het Openbaar Ministerie wordt daarop gehoord. Indien de aangifte tot faillietverklaring wordt gedaan door een natuurlijk persoon, stelt de griffier deze terstond ervan in kennis dat hij, onverminderd artikel 15b, eerste lid, een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 kan indienen.

B

In artikel 14, derde lid, worden de woorden «en in een of meer door den rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen» geschrapt.

C

In artikel 15, eerste lid, wordt de laatste zin geschrapt.

D

1. Aan artikel 19 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden:

De griffier geeft de in het eerste lid onder 1° tot en met 6° genoemde gegevens door aan Onze Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander orgaan ten behoeve van het in artikel 19a genoemde centrale register.

2. Na artikel 19 wordt een nieuw artikel 19a ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 19a

Door onze Minister van Justitie of, indien ingevolge artikel 19, eerste lid, een ander orgaan is aangewezen, door dat orgaan, wordt een centraal register gehouden,waarin de in artikel 19, eerste lid, onder 1° tot en met 6° genoemde gegevens worden ingeschreven.

Omtrent vorm en inhoud van het register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven.

Een ieder heeft kosteloos inzage in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit verkrijgen.

E

Na artikel 37a wordt een nieuw artikel 37b ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 37b

Een wederpartij is niet bevoegd de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water, elektriciteit of verwarming, benodigd voor de eerste levensbehoeften of voor het voortzetten van de door de schuldenaar gedreven onderneming, jegens de schuldenaar op te schorten wegens het door de schuldenaar niet nakomen van een vóór de faillietverklaring ontstane verbintenis tot betaling van een geldsom.

Een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een verbintenis als in het eerste lid bedoeld, die plaatsvond vóór de faillietverklaring, levert geen grond op voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.

Een beroep door de wederpartij op een beding dat het faillissement, de aanvraag van het faillissement of het leggen van beslag door een derde grond oplevert voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat die overeenkomst daardoor van rechtswege zal zijn ontbonden, is slechts toegelaten met goedvinden van de curator.

F

Artikel 63a komt te luiden:

Artikel 63a

De rechter-commissaris kan op verzoek van elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke beschikking een afkoelingsperiode afkondigen, waarin elke bevoegdheid van derden, met uitzondering van boedelschuldeisers, tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot de opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of de curator bevinden, voor een periode van ten hoogste twee maanden niet dan met zijn machtiging kan worden uitgeoefend. De rechter-commissaris kan deze periode eenmaal verlengen met een periode van ten hoogste twee maanden.

De rechter-commissaris kan zijn beschikking beperken tot bepaalde derden en voorwaarden verbinden zowel aan zijn beschikking als aan de machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.

Indien een derde ter zake van zijn bevoegdheid een redelijke termijn aan de curator stelt, wordt deze termijn geschorst tijdens de afkoelingsperiode.

De afkoelingsperiode kan ook op verlangen van de aanvrager van het faillissement of van de schuldenaar worden afgekondigd door de rechter die de faillietverklaring uitspreekt. De afkoelingsperiode die tegelijkertijd wordt afgekondigd met de faillietverklaring heeft gevolgen vanaf de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

G

Na artikel 63a worden twee nieuwe artikelen ingevoegd die als volgt komen te luiden:

Artikel 63b

Ingeval de schuldenaar overeenkomstig artikel 239, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een pandrecht heeft gevestigd op een vordering op naam of op het vruchtgebruik van een zodanige vordering, blijft de pandhouder tijdens de afkoelingsperiode bevoegd de mededeling, bedoeld in artikel 239, derde lid, van dat Boek te doen en betalingen in ontvangst te nemen.

Artikel 490b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pandhouder het volledige bedrag bij de bewaarder stort.

Artikel 63c

Tijdens de afkoelingsperiode kan de Ontvanger die een beslag heeft gelegd als bedoeld in artikel 22, derde lid, Invorderingswet 1990, niet tot uitwinning overgaan, tenzij de rechter-commissaris anders beslist.

Een beslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander, indien deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.

H

In artikel 84, tweede lid, worden de woorden «, bij advertentie in het nieuwsblad of de nieuwsbladen vermeld in artikel 14 en bij brieven, beide vermeldende» vervangen door: bij brieven, vermeldende.

I

In artikel 109 worden de woorden «, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14» geschrapt.

J

Artikel 122, eerste lid, komt te luiden:

In geval van betwisting beproeft de rechter-commissaris een schikking. Indien hij partijen niet kan verenigen, en voor zover het geschil niet reeds aanhangig is, verwijst hij partijen naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank, zonder dat daartoe een dagvaarding wordt vereist.

K

Artikel 137a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14» vervangen door: in de Staatscourant.

2. In het derde lid vervallen in de tweede zin de woorden: op concurrente vorderingen.

L

In artikel 137d, derde lid, wordt «in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14, derde lid» vervangen door: in de Staatscourant.

M

Artikel 137f, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Na afloop van de termijn, genoemd in artikel 137d, tweede lid, of, indien verzet is gedaan, nadat de beschikking op het verzet in kracht van gewijsde is gegaan, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie en gaat de curator over tot het doen van de vastgestelde uitkering.

N

In artikel 137g, tweede lid, wordt «in het nieuwsblad of de nieuwsbladen, bedoeld in artikel 14, derde lid» vervangen door: in de Staatscourant.

O

Artikel 145 komt te luiden:

Artikel 145

Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.

P

Artikel 146 komt te luiden:

Artikel 146

In afwijking van artikel 145 kan de rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de curator bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien

a. drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en

b. de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen.

Q

In artikel 147 wordt «de aanneming of verwerping» vervangen door: de aanneming, vaststelling of verwerping.

R

In artikel 150, eerste lid, wordt na «Indien het akkoord is aangenomen» toegevoegd: of vastgesteld.

S

Artikel 161, tweede zin, komt te luiden: De curator draagt zorg voor de bekendmaking daarvan in de Staatscourant.

T

In artikel 173c, tweede lid, wordt de laatste zin geschrapt.

U

In artikel 178 wordt de laatste zin geschrapt.

V

Artikel 183, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Van de nederlegging wordt door de zorg van de curator aan ieder van de erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk kennis gegeven, met vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.

W

In artikel 188, derde lid, wordt «artikel 575» vervangen door: artikel 578.

X

Artikel 208 komt te luiden:

Artikel 208

Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Staatscourant.

Y

Artikel 212b wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot het derde, respectievelijk het vierde en vijfde lid, wordt na het eerste lid een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van artikel 63a, geldt de afkoelingsperiode niet voor een bevoegdheid tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of de curator bevinden, noch voor de goederen waarop een dergelijke bevoegdheid betrekking heeft, indien die bevoegdheid is toegekend aan een centrale bank of, in verband met deelname aan het systeem, aan een andere instelling die deelneemt aan het systeem.

2. Het nieuwe vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het eerste en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning en op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid.

Z

Artikel 212f komt als volgt te luiden:

Artikel 212f

Wanneer, in verband met deelname aan het systeem, een deelnemer of een centrale bank, dan wel een derde die namens een deelnemer of een centrale bank optreedt, een bevoegdheid heeft tot verhaal op of tot opeising van effecten of rechten ten aanzien van effecten, en deze effecten of rechten op effecten op grond van een wettelijke bepaling zijn opgenomen in een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot dat zich bevindt in een lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, wordt de bepaling van de rechten van die personen als houders van bevoegdheden tot verhaal op of tot opeising van deze effecten of rechten ten aanzien van effecten beheerst door het recht van die lidstaat, onderscheidenlijk die andere lidstaat.

AA

In artikel 216 wordt «de Nederlandsche Staatscourant en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen» vervangen door: de Staatscourant.

BB

In artikel 219, vierde lid, wordt in de eerste zin «de nieuwsbladen, waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 216 is aangekondigd» vervangen door: de Staatscourant.

CC

In artikel 221, derde lid, wordt in de eerste zin «de nieuwsbladen, waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 216 is aangekondigd» vervangen door: de Staatscourant.

DD

Artikel 222a wordt als volgt gewijzigd:

Na het derde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

De griffier geeft de in het eerste lid onder 1° tot en met 4° genoemde gegevens door aan Onze Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander orgaan ten behoeve van het in artikel 222b genoemde centrale register.

EE

Na artikel 222a wordt een nieuw artikel 222b ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 222b

Door onze Minister van Justitie of, indien ingevolge artikel 222a, vierde lid, een ander orgaan is aangewezen, door dat orgaan, wordt een centraal register gehouden,waarin de in artikel 222a, eerste lid, onder 1° tot en met 4° genoemde gegevens worden ingeschreven.

Omtrent vorm en inhoud van het register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven.

Een ieder heeft kosteloos inzage in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit verkrijgen.

FF

In artikel 223, eerste lid, komen de woorden «in de in artikel 216 bedoelde bladen» te luiden: in de Staatscourant.

GG

Na artikel 237a wordt een nieuw artikel 237b ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 237b

Een wederpartij is niet bevoegd de nakoming van zijn verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst tot het geregeld afleveren van gas, water, elektriciteit of verwarming, benodigd voor de eerste levensbehoeften of voor het voortzetten van de door de schuldenaar gedreven onderneming, jegens de schuldenaar op te schorten wegens het door de schuldenaar niet nakomen van een vóór de surseance ontstane verbintenis tot betaling van een geldsom.

Een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een verbintenis als in het eerste lid bedoeld, die plaatsvond vóór de verlening van de surseance, levert geen grond op voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.

Een beroep door de wederpartij op een beding dat verlening van de surseance, de aanvraag van de surseance of het leggen van beslag grond oplevert voor ontbinding van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dan wel dat die overeenkomst daardoor van rechtswege zal zijn ontbonden, is slechts toegelaten met goedvinden van de schuldenaar en de bewindvoerder.

HH

Artikel 241a komt te luiden:

Artikel 241a

De rechtbank kan op verzoek van elke belanghebbende of ambtshalve bij schriftelijke beschikking een afkoelingsperiode afkondigen, waarin elke bevoegdheid van derden, met uitzondering van boedelschuldeisers, tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot de opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, voor een periode van ten hoogste twee maanden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank of, zo een rechter-commissaris is benoemd, van deze. De rechtbank kan deze periode eenmaal verlengen met een periode van ten hoogste twee maanden.

De rechtbank kan haar beschikking beperken tot bepaalde derden en daaraan voorwaarden verbinden. De rechtbank en rechter-commissaris kunnen voorwaarden verbinden aan een door hen gegeven machtiging van een derde tot uitoefening van een aan deze toekomende bevoegdheid.

Indien een derde ter zake van zijn bevoegdheid een redelijke termijn aan de curator stelt, wordt deze termijn geschorst tijdens de afkoelingsperiode.

De afkoelingsperiode kan ook op verlangen van de schuldenaar worden afgekondigd door de rechter die de surséance verleent. De afkoelingsperiode die wordt afgekondigd met de verlening van de surséance wordt geacht te zijn ingegaan bij de aanvang van de dag waarop de surséance voorlopig is verleend.

II

Na artikel 241a worden twee nieuwe artikelen ingevoegd die als volgt komen te luiden:

Artikel 241b

Ingeval de schuldenaar overeenkomstig artikel 239, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een pandrecht heeft gevestigd op een vordering op naam of op het vruchtgebruik van een zodanige vordering, blijft de pandhouder tijdens de afkoelingsperiode bevoegd de mededeling, bedoeld in artikel 239, derde lid, van dat Boek, te doen en betalingen in ontvangst te nemen.

Artikel 490b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de pandhouder het volledige bedrag bij de bewaarder stort.

Artikel 241c

Tijdens de afkoelingsperiode kan de Ontvanger die een beslag heeft gelegd als bedoeld in artikel 22, derde lid, Invorderingswet 1990, niet tot uitwinning overgaan, tenzij de rechtbank of de rechter-commissaris zo die is benoemd, anders beslist.

Een beslag als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de schuldenaar bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan niet worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander, indien deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.

JJ

In artikel 256, eerste lid, wordt «in de Nederlandsche Staatscourant en in de door de rechtbank ingevolge artikel 216 aangewezen nieuwsbladen» vervangen door: in de Staatscourant.

KK

Artikel 268 komt te luiden:

Artikel 268

Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de erkende en toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen. Geen toestemming is vereist van een erkende of toegelaten schuldeiser, voorzover zijn schuldvordering is gegrond op een verbeurde dwangsom.

Artikel 147 is van overeenkomstige toepassing.

LL

Na artikel 268 wordt een nieuw artikel 268a ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 268a

In afwijking van artikel 268 kan de rechtbank of, zo die is benoemd, de rechter-commissaris op verzoek van de schuldenaar of de bewindvoerder bij gemotiveerde beschikking een aangeboden akkoord vaststellen als ware het aangenomen, indien:

a. drie vierde van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd; en

b. de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers, zou de boedel worden vereffend, naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen.

MM

In artikel 269b, eerste lid, wordt na «Indien het akkoord is aangenomen» ingevoegd: of vastgesteld.

NN

In artikel 272, vierde lid, laatste zin, worden de woorden «in de in artikel 216 bedoelde bladen» vervangen door: op de in artikel 216 voorgeschreven wijze.

OO

In artikel 276 worden de woorden «in de in artikel 216 bedoelde bladen» vervangen door: op de in artikel 216 voorgeschreven wijze.

PP

In artikel 277, laatste zin, worden de woorden «in de in artikel 216 bedoelde bladen» vervangen door: op de in artikel 216 voorgeschreven wijze.

QQ

In artikel 278, derde lid, eerste zin, worden de woorden «de nieuwsbladen, waarin het verzoek tot surséance volgens artikel 216 is aangekondigd» vervangen door: de Staatscourant.

RR

In artikel 279, tweede lid, wordt het woord «dagbladen» vervangen door: Staatscourant:

SS

Artikel 281c, eerste zin, komt te luiden: De rechtbank kan bepalen dat de oproepingen van de schuldeisers, bedoeld in de artikelen 215, vierde lid, 216a, tweede lid, tweede zin, 256, tweede lid, en 264, tweede lid, niet bij brieven, doch door aankondigingen in de Staatscourant dan wel in een of meer door de rechtbank aan te wijzen nieuwsbladen zullen plaatsvinden.

TT

Artikel 281h komt te luiden:

Artikel 281h

De artikelen 212a onderdelen b tot en met f, en 212b tot en met 212f zijn van overeenkomstige toepassing in een surseance, met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 212b:

– voor «artikel 23» wordt gelezen: artikel 217;

– voor «artikel 24» wordt gelezen: artikel 228, tweede lid;

– voor «artikel 53, eerste lid» wordt gelezen: artikel 234, eerste lid;

– voor «artikel 54, tweede lid» wordt gelezen: artikel 235, tweede lid;

– voor «artikel 63a» wordt gelezen: artikel 241a.

UU

In artikel 288, eerste lid, onderdeel a, worden de woorden «in staat geacht wordt te kunnen voortgaan» vervangen door: geacht wordt te kunnen voortgaan.

VV

In artikel 293, eerste lid, worden de woorden «en in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen» geschrapt.

WW

Aan artikel 294 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:

  • 4. De griffier geeft de in het eerste lid onder a tot en met h genoemde gegevens door aan Onze Minister van Justitie of een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander bestuursorgaan ten behoeve van het in artikel 294a genoemde centrale register.

XX

Na artikel 294 wordt een nieuw artikel 294a ingevoegd, dat als volgt komt te luiden:

Artikel 294a

  • 1. Door onze Minister van Justitie of, indien ingevolge artikel 294, vierde lid, een ander bestuursorgaan is aangewezen, door dat bestuursorgaan wordt een centraal register gehouden, waarin de in artikel 294, eerste lid, onder a tot en met h genoemde gegevens worden ingeschreven.

  • 2. Omtrent vorm en inhoud van het register worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven.

  • 3. Een ieder heeft kosteloos inzage in het register en kan tegen betaling een uittreksel daaruit verkrijgen.

Y

Na artikel 294a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 294b

De griffier geeft voor iedere van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling een uittreksel van het verzoekschrift met bijlagen op grond van artikel 285 door aan Onze Minister van Justitie of, indien ingevolge artikel 294, vierde lid, een ander bestuursorgaan is aangewezen, dat bestuursorgaan ter inschrijving in het in artikel 294a bedoelde register. Onze Minister van Justitie onderscheidenlijk het bestuursorgaan, bedoeld in de eerste zin, stelt vast welke gegevens in het uittreksel worden opgenomen. Artikel 294a, derde lid, is op het uittreksel niet van toepassing.

ZZ

In artikel 329, zesde lid, eerste zin, worden de woorden «en in de door de rechter-commissaris ingevolge artikel 293 aangewezen nieuwsbladen» geschrapt.

AAA

In artikel 331, derde lid, worden de woorden «en in de door de rechter-commissaris ingevolge artikel 293 aangewezen nieuwsbladen» geschrapt.

BBB

In artikel 340, eerste lid, worden de woorden «en in de door de rechter-commissaris ingevolge artikel 293 aangewezen nieuwsbladen» geschrapt.

CCC

In artikel 341, vierde lid, worden de woorden «en in de nieuwsbladen waarin de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling is aangekondigd» geschrapt.

DDD

In artikel 345, derde lid, worden de woorden «en in de door de rechter-commissaris ingevolge artikel 293 aangewezen nieuwsbladen» geschrapt.

EEE

Artikel 348, laatste zin, wordt geschrapt.

FFF

Artikel 350, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. Van de beëindiging wordt door de bewindvoerder of, indien het vijfde lid toepassing vindt, door de curator aankondiging gedaan in de Staatscourant.

GGG

Artikel 352, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, eerste zin, wordt «de rechter» vervangen door: de rechtbank.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. De bewindvoerder doet van de dag, uur, en plaats onverwijld aankondiging in de Staatscourant.

HHH

Artikel 353, eerste lid, tweede zin, komt te luiden: De schuldenaar wordt bij brief opgeroepen.

III

Artikel 356 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Geen slotuitdelingslijst wordt opgemaakt indien de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van artikel 354, derde lid.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De toepassing van de schuldsaneringsregeling is van rechtswege beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden dan wel, indien de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van artikel 354, derde lid, zodra de uitspraak tot de beëindiging in kracht van gewijsde is gegaan. De bewindvoerder doet daarvan aankondiging in de Staatscourant.

JJJ

Na artikel 359 wordt een nieuw artikel 359a ingevoegd dat als volgt komt te luiden:

Artikel 359a

De artikelen 203 tot en met 205 zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL II

De Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

1. In artikel 71 wordt, onder vernummering van het tiende tot en met het vijftiende lid tot het elfde tot en met het zestiende lid een nieuw tiende lid ingevoegd, luidende:

  • 10. In afwijking van artikel 63a van de Faillissementswet, geldt de in artikel 63a van de Faillissementswet genoemde afkoelingsperiode niet voor een bevoegdheid tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de bewindvoerders bevinden, noch voor de goederen waarop een dergelijke bevoegdheid betrekking heeft, indien die bevoegdheid is toegekend aan een centrale bank als bedoeld in artikel 212a, onder h, van de Faillissementswet of, in verband met deelname aan het systeem, aan een andere instelling die deelneemt aan het systeem.

2. Het nieuwe twaalfde lid komt te luiden:

  • 12. Het negende en het elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning en op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het tiende lid.

B

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd: Voorts zijn de artikelen 63a tot en met 63c van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar genoemde bevoegdheden van de rechter-commissaris worden uitgeoefend door de rechtbank, indien niet op de voet van artikel 73, tweede lid, een rechter-commissaris is benoemd. Hetgeen in de artikelen 63a tot en met 63c van de Faillissementswet is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel het bijkantoor.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3 Overigens zijn de artikelen 234–241 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 13 mei 2003 ingediende voorstel van wet tot uitvoering van Richtlijn nr. 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (28 874), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt of is getreden, vervalt op het tijdstip dat zowel die wet als deze wet in werking zal zijn getreden, artikel VIII, tweede zin, van eerstbedoelde wet.

ARTIKEL IV

Indien het bij koninklijke boodschap van 30 oktober 2002 ingediende voorstel van wet tot uitvoering van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PbEG L 160) (Uitvoeringswet EG-insolventieverordening) (28 654), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt of is getreden, vervallen op het tijdstip dat zowel die wet als deze wet in werking zal zijn getreden, de onderdelen Aa, B en C van artikel III van de Uitvoeringswet EG-insolventieverordening.

ARTIKEL V

Op de afhandeling van een faillissement of een surséance van betaling blijft het tevoren geldende recht van toepassing, indien vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet een verzoek of een vordering is ingediend of aangebracht.

ARTIKEL VI

De tekst van de Faillissementswet wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing in het Staatsblad worden de ongenummerde leden van de artikelen genummerd en wordt de tekst overgebracht in de geldende spelling.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop artikel 19, vierde lid, artikel 19a, artikel 222a, vierde lid en artikel 222b in werking treden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

's-Gravenhage, 24 november 2004

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de zevende december 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner