Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2004, 43AMvB

Besluit van 26 januari 2004, houdende wijziging van het Besluit prestatienormering huursubsidie, het Besluit vangnetregeling huursubsidie en het Huursubsidiebesluit (afschaffen kleinschaligheid)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 oktober 2003, nr. MJZ2003103470, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 11, tweede lid, 26f, zesde lid, en 46 van de Huursubsidiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 11 december 2003, nr. W08.03.0442/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 januari 2004, nr. MJZ2004112460, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit prestatienormering huursubsidie1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Huursubsidiewet.

B

Artikel 2 vervalt.

C

Artikel 4 vervalt.

ARTIKEL II

Het onderdeel, getiteld «Accountantsverklaring», van de bijlage bij het Besluit vangnetregeling huursubsidie2 wordt vervangen door:

Accountantsverklaring

Geadresseerde

De accountantsverklaring dient te zijn geadresseerd overeenkomstig de voor de opdracht geldende omstandigheden en nationale regelgeving. In het onderhavige geval burgemeester en wethouders van de gemeente.

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben we overeenkomstig artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet de bijgevoegde door ons gewaarmerkte einddeclaratie Vangnetregeling Huursubsidie over het subsidiejaar ............... van de gemeente .......... gecontroleerd. Deze einddeclaratie is opgesteld onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring bij de einddeclaratie te verstrekken. Deze verklaring is bestemd voor het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controle-opdrachten en met inachtneming van het accountantsprotocol dat door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de gemeenten is verstrekt. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de einddeclaratie geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen in de einddeclaratie. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat:

– de in de einddeclaratie opgenomen gegevens juist en volledig zijn weergegeven;

– de bepalingen van de Huursubsidiewet, het Besluit vangnetregeling huursubsidie alsmede de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde nadere regelgeving zijn nageleefd.

(plaats, datum)

(naam accountant en ondertekening)

ARTIKEL III

Het Huursubsidiebesluit3 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, van de wet, kan op voet van artikel 11, tweede lid, van de wet, slechts door Onze Minister worden aangewezen indien:

    a. de desbetreffende woonruimten geschikt en bestemd zijn voor:

    1°. begeleid wonen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm, of

    2°. groepswonen door ouderen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm;

    b. de desbetreffende huurovereenkomst naar haar aard niet van korte duur is;

    c. de rekenhuur niet anders dan door middel van huursubsidie wordt gesubsidieerd, en

    d. de desbetreffende woonruimten zodanig zijn verdeeld dat elke huurder over minimaal één privé-vertrek beschikt.

  • 2. Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kan voorts slechts worden aangewezen indien:

    a. de desbetreffende woonruimten bestemd zijn voor huurders die zonder zorg of begeleiding niet zelfstandig kunnen wonen;

    b. het begeleid wonen of de daarmee vergelijkbare woonvorm gericht is op integratie en acceptatie van de bewoners in de nabije omgeving;

    c. de zorg of begeleiding plaatsvindt door een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten zorginstelling of een andere deskundige, erkende hulpverleningsinstantie;

    d. er een gescheiden huur- en zorgovereenkomst is, en

    e. de desbetreffende woonruimten niet bestemd zijn om uitsluitend te worden bewoond door minderjarige huurders.

  • 3. Een woongebouw of een woning waarvan onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, kan voorts slechts worden aangewezen indien:

    a. alle huurders van de desbetreffende woonruimten zijn genoemd in één overeenkomst van huur en verhuur;

    b. in de desbetreffende woonruimten ten minste drie huishoudens zijn gehuisvest, en

    c. ten minste 80 procent van de huurders van de desbetreffende woonruimten op de peildatum 65 jaar of ouder is.

  • 4. Onze Minister kan de aanwijzing intrekken indien niet langer wordt voldaan aan het eerste, tweede of derde lid.

B

Het opschrift van hoofdstuk 4 komt te luiden:

HOOFDSTUK 4. VERKLARING VAN DE VOORZITTER VAN DE HUURCOMMISSIE

C

Artikel 4, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Onze Minister verzoekt aan de voorzitter van de huurcommissie van het ressort waarin de woning is gelegen een verklaring af te geven die betrekking heeft op een woning:.

2. In onderdeel a vervalt: voor de eerste keer.

D

Artikel 5 vervalt.

E

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

De voorzitter van de huurcommissie vermeldt op de verklaring de hoogte van de huurprijs en of deze al dan niet redelijk is, beoordeeld naar de bij of krachtens de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gestelde regels. Indien de voorzitter van de huurcommissie van oordeel is dat de huurprijs niet redelijk is, vermeldt hij tevens het puntenaantal van de woning op basis van het waarderingsstelsel, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte.

F

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt: burgemeester en wethouders en.

b. Onderdeel f komt te luiden:

f. burgemeester en wethouders.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef komt te luiden:

Als de personen en de instanties, bedoeld in artikel 46 van de wet, die kosteloos gegevens en afschriften van stukken verstrekken aan burgemeester en wethouders worden aangewezen:.

b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door «en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. indicatieorganen als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat de verschillende artikelen of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor die artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 26 januari 2004

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

Uitgegeven de tiende februari 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit strekt tot een wijziging van het Besluit prestatienormering huursubsidie, daar waar het betreft het opnemen van de bepalingen betreffende de zogenoemde passendheidstoets in de Huursubsidiewet (hierna: de wet) en het schrappen van de zogenoemde uitgavennorm uit die wet.

Voorts strekt dit besluit tot een wijziging van de bijlage bij het Besluit vangnetregeling huursubsidie, daar waar het betreft de tekst van de zogenoemde accountantsverklaring.

Tot slot strekt dit besluit tot een wijziging van het Huursubsidiebesluit, daar waar het onder meer betreft het afschaffen van de kleinschaligheid bij het aanwijzen van bepaalde onzelfstandige woonruimten om in aanmerking te komen voor huursubsidie en het vervangen van de zogenoemde brengplicht door een zogenoemde haalplicht.

Voor een verdere uitwerking van deze wijzigingen wordt verwezen naar het artikelsgewijze gedeelte van deze nota van toelichting.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en B

De wijziging in artikel I, onderdeel B, heeft betrekking op het opnemen van de bepalingen omtrent de zogenoemde passendheidstoets in artikel 12 van de wet. Een nadere uitwerking van deze bepalingen in het Besluit prestatienormering huursubsidie is daarmee overbodig geworden.

Indien het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: het Ministerie van VROM) aan de hand van een aanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet onderkent dat een passendheidstoets door de gemeente noodzakelijk is, worden burgemeester en wethouders in de gelegenheid gesteld die toets uit te voeren en hieromtrent een advies uit te brengen.

Binnen de huidige procedure is het mogelijk dat gemeenten ongeacht de hoogte van de rekenhuur van de woning op basis van gemeentelijk beleid adviseren. Lokaal worden dan ook verschillende grenzen voor die toets gehanteerd. In verband met een zo groot mogelijke standaardisatie bij de uitvoering van de aanvraagprocedure is in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten besloten de passendheidstoets slechts te laten uitvoeren indien sprake is van een rekenhuur boven de aftoppingsgrenzen. Overigens is het niet zo dat gemeenten geen toewijzingsbeleid (meer) beneden de aftoppingsgrenzen kunnen voeren. Door een wijziging van het Besluit beheer sociale-huursector en het Huisvestingsbesluit (afstemming op de Huursubsidiewet) van 5 december 2000 (Stb. 543) is de doelgroepgrens namelijk opgetrokken tot de aftoppingsgrenzen in de wet. Voor de woonruimteverdeling bestaat thans de mogelijkheid gebruik te maken van het woonruimteverdelingsinstrumentarium in plaats van een in wezen oneigenlijk gebruik van de wet. Door deze aanpassing is het mogelijk dat de gemeente onder de aftoppingsgrenzen een eigen toewijzingsbeleid vaststelt, dan wel op dit punt prestatie-afspraken met verhuurders maakt.

De wijziging in onderdeel A loopt hierbij mee.

Artikel I, Onderdeel C

De wijziging in artikel I, onderdeel C, heeft betrekking op het schrappen van de zogenoemde uitgavennorm uit de wet (de artikelen 41 tot en met 45).

Recentelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) een aantal uitspraken gedaan over de zogenoemde uitgavennorm. De ABRS is van oordeel dat toepassing van artikel 44 van de wet (het artikel dat de basis is voor het opleggen van een bijdrage) in strijd is met artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Als gevolg van deze uitspraken is het stelsel omtrent de uitgavennorm in de huidige vorm niet meer toepasbaar. Voorts is dit stelsel ook niet reparabel. Dientengevolge is artikel 4 van het Huursubsidiebesluit komen te vervallen.

De uitgavennorm diende om de medeverantwoordelijkheid van verhuurders bij het beheersen van de huursubsidie-uitgaven vorm te geven. Het kabinet beraadt zich om de beheersing van huursubsidie-uitgaven op andere wijze vorm te geven.

Artikel II

De wijzigingen in het onderdeel, getiteld «Accountantsverklaring», van de bijlage bij het Besluit vangnetregeling huursubsidie zijn redactioneel van aard.

Artikel III, Onderdeel A

Artikel 3 van het Huursubsidiebesluit is vervangen onder meer om gevolg te geven aan een onlangs uitgevoerde evaluatie van de werking van de wet wat betreft de onzelfstandige woonruimten, om een doublure van regelgeving te voorkomen, en tot slot om in het algemeen de leesbaarheid van dit artikel te bevorderen.

Evaluatie

Aanleiding voor voormelde evaluatie waren signalen dat sommige van de regels en voorwaarden bij aanwijzing van woongebouwen niet goed aansluiten op de praktijk van het begeleid wonen. Daarnaast is al enige tijd, mede gestimuleerd door de rijksoverheid, een aantal vernieuwende ontwikkelingen op het gebied van woonzorgcombinaties gaande, die aanleiding geven tot een heroverweging van de regelgeving ter zake.

Uit de evaluatie blijkt dat begeleid wonenprojecten met onzelfstandige woonruimten een nuttige functie vervullen als tussenvorm tussen het wonen in een instelling, waar huisvesting en zorg als één pakket via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten worden geleverd en het geheel zelfstandig wonen met zorg op maat naar eigen keuze. Soms woont men tijdelijk in een begeleid wonenproject, als opstap naar verdere of zelfs volledige zelfstandigheid. Maar er zijn ook mensen die permanent blijven wonen in een geclusterde woonvorm waar zorg of begeleiding aan de bewoners wordt geleverd.

In de evaluatie is een aantal knelpunten geïnventariseerd die zich in het kader van de aanwijzingen van woongebouwen voor begeleid wonen min of meer frequent blijken voor te doen. Door het wegnemen van onnodige belemmeringen bij de aanwijzing van begeleid wonenprojecten (en groepswonen door ouderen) wordt een bijdrage geleverd om de betaalbaarheid van dergelijke projecten voor de toekomstige huurders en zo de totstandkoming van deze projecten te bevorderen. De Tweede Kamer is van deze evaluatie in kennis gesteld. Daarbij is aangegeven welke maatregelen zouden worden genomen om de geconstateerde knelpunten te verhelpen (Kamerstukken II 2001/02, 27 445, nr. 2).

Op grond van voormelde evaluatie zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd.

De in de praktijk niet werkbaar gebleken criteria, bedoeld in het voorheen geldende artikel 3, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder c, van het Huursubsidiebesluit, zijn vervallen. In de praktijk werd hieraan invulling gegeven door bij de aanwijzing van woongebouwen en woningen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Huursubsidiewet, te beoordelen of de gemeenschappelijke ruimte niet groter is dan de privé-ruimten tezamen en of er een minimum projectgrootte van 4 woonruimten is.

Ten aanzien van het eerste hiervoor gestelde vereiste kan worden opgemerkt dat met name in woongebouwen voor mensen met lichamelijke beperkingen aan deze eis soms moeilijk kon worden voldaan. Hierbij zij aangetekend, dat de behoefte aan relatief grote gemeenschappelijke ruimten niet mag inhouden dat het scheiden van wonen en zorg in gevaar komt. Er moet in het algemeen in ieder geval sprake blijven van een privé-ruimte voor elke huurder. Dit laatste vereiste is opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder d, van het Huursubsidiebesluit.

Ten aanzien van het tweede hiervoor gestelde vereiste kan worden opgemerkt dat het door het laten vervallen van dit vereiste ook mogelijk wordt om woningen met 2 of 3 onzelfstandige woonruimten, die zijn bestemd voor begeleid wonen, aan te wijzen. Deze maatregel is getroffen omdat er een tendens blijkt naar steeds kleinschaliger begeleid wonenprojecten, vooral voor een aantal specifieke doelgroepen zoals (ex) psychiatrische patiënten.

Voorts is de eis van kleinschaligheid vervallen (het voorheen geldende artikel 3, derde lid, onder b, van het Huursubsidiebesluit). In de praktijk betekent dit dat de maximum projectgrootte van 25 woonruimten wordt losgelaten. Ondanks de vraag om steeds kleinere projecten te realiseren, is het soms efficiënt voor wat grotere (clusters van) begeleid wonenprojecten te kiezen, bijvoorbeeld in een bestaand gebouw (zoals een oud ziekenhuis). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vraag van de doelgroep naar kleinschalige woonvormen zal waarborgen, dat er niet een tendens zal ontstaan naar grootschalige, instellingachtige woonvormen. Ook wordt hiermee uitvoering gegeven aan een door de Tweede Kamer aangenomen motie van het Kamerlid Van Gent c.s. (Kamerstukken II 2000/01, 27 559, nr. 16).

Tot slot moet bij begeleid wonenprojecten sprake zijn van een gescheiden huur- en zorgcontract. De begeleid wonenprojecten passen daarmee goed in het rijksbeleid dat de scheiding van wonen en zorg voorstaat. Daarbij wordt aangetekend dat een verzoek om aanwijzing niet zal worden afgewezen als het huurcontract een clausule bevat over beëindiging van de huur ingeval de zorgverlening stopt. Soms blijkt een dergelijke clausule te worden opgenomen om te waarborgen, dat na beëindiging van het zorgcontract de woonruimte kan worden aangeboden aan een opvolgende huurder die wel zorg behoeft (artikel 3, tweede lid, onder d, van het Huursubsidiebesluit).

Overige voorwaarden

Daarnaast is nog een aantal voorwaarden voor aanwijzing van het betreffende woongebouw of de woning expliciet in het Huursubsidiebesluit opgenomen.

– Voor begeleid wonenprojecten, groepswonen door ouderen en daarmee vergelijkbare woonvormen:

In artikel 3, eerste lid, onder b, van het Huursubsidiebesluit is expliciet opgenomen dat de woonruimten in principe voor onbeperkte duur moeten zijn verhuurd. Daarbij is aangesloten bij artikel 1, onderdeel d, onder 1°, van de Huursubsidiewet en de geldende bepalingen in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en het Burgerlijk Wetboek.

De bepaling dat de rekenhuur niet anders dan door middel van huursubsidie mag worden gesubsidieerd, is thans opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder c, van het Huursubsidiebesluit (voorheen: artikel 3, tweede lid, onder b, van het Huursubsidiebesluit).

– Voor begeleid wonenprojecten of een daarmee vergelijkbare woonvorm:

In artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Huursubsidiebesluit is ten aanzien van onzelfstandige woonruimten expliciet de (nieuwe) eis gesteld dat deze bestemd zijn voor huurders die zonder de alsdan geboden zorg of begeleiding niet zelfstandig kunnen wonen. Hiermee is tot uiting gebracht dat het moet gaan om specifieke doelgroepen. Te denken valt aan de volgende doelgroepen: verstandelijk gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, (ex) psychiatrische patiënten en ex dak- en thuislozen.

De voorwaarde bij begeleid wonenprojecten, dat dat begeleid wonen of de daarmee vergelijkbare woonvorm moet zijn gericht op integratie en acceptatie van de bewoners in de nabije omgeving is nu opgenomen in artikel 3, tweede lid, onder b, van het Huursubsidiebesluit (voorheen: artikel 3, derde lid, onder a, van het Huursubsidiebesluit).

Ten aanzien van de zorg of begeleiding bij begeleid wonenprojecten is nu bepaald dat deze plaatsvindt door een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten zorginstelling of een andere deskundige, erkende hulpverleningsinstantie (artikel 3, tweede lid, onder c, van het Huursubsidiebesluit). De deskundigheid en erkenning van een niet toegelaten hulpverleningsinstantie moet blijken uit de verstrekking van subsidie voor hun activiteiten door het College voor zorgverzekeringen of door de gemeente. Een soortgelijke bepaling was voorheen opgenomen in artikel 3, derde lid, onder c, van het Huursubsidiebesluit.

Het spreekt voor zich dat de van toepassing zijnde voorwaarden uit de Huursubsidiewet (artikel 8) van overeenkomstige toepassing zijn op de onderhavige aanwijzingscriteria. Daarom is expliciet in artikel 3, tweede lid, onder e, van het Huursubsidiebesluit geregeld, dat de woonruimten niet bestemd zijn om uitsluitend te worden bewoond door minderjarige huurders. Minderjarige huurders komen niet in aanmerking voor huursubsidie. De aanwijzing van een woongebouw uitsluitend bedoeld voor deze categorie huurders zou derhalve zinloos zijn.

– Voor groepswonen door ouderen en daarmee vergelijkbare woonvormen:

De bepalingen in artikel 3, derde lid, onder a, b en c, van het Huursubsidiebesluit waren voorheen opgenomen in respectievelijk artikel 3, vierde lid, onder a en b, en vijfde lid, van het Huursubsidiebesluit. Om uitvoeringstechnische redenen is het criterium in het voorheen geldende artikel 3, vijfde lid, van het Huursubsidiebesluit nu ook van toepassing verklaard op de met groepswonen door ouderen vergelijkbare woonvormen en ondergebracht in artikel 3, derde lid, onder c, van het Huursubsidiebesluit.

Relatie Huursubsidiewet en Huursubsidiebesluit

Artikel 11, eerste lid, van de wet bepaalt dat voor de huur van een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage, of een onzelfstandige woonruimte, welke deel uitmaakt van een woongebouw of woning, huursubsidie wordt toegekend. In onderdeel b van voormeld artikellid is ten aanzien van die onzelfstandige woonruimten de eis gesteld dat deze geheel of gedeeltelijk zijn verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom is van of aan de huurder verhuurd is door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is. Aangezien het voorheen geldende artikel 3, eerste lid, onder a, van het Huursubsidiebesluit een soortgelijke bepaling bevatte, is deze bepaling komen te vervallen. Gemakshalve kan immers worden verwezen naar de betreffende bepaling in de wet, zoals ook is bepaald in artikel 3, eerste lid, aanhef, van het Huursubsidiebesluit. Het opnemen van artikel 3, eerste lid, onder a, in combinatie met de aanhef van het tweede en derde lid, van het Huursubsidiebesluit heeft een redactionele achtergrond.

Nieuwe indeling artikel 3 van het Huursubsidiebesluit

Artikel 3 van het Huursubsidiebesluit is opnieuw ingedeeld. Het eerste lid bevat wat betreft de in artikel 11, eerste lid, van de wet genoemde woningen, algemene aanwijzingscriteria. Artikel 3, tweede lid, van het Huursubsidiebesluit bevat de aanwijzingscriteria betreffende de onzelfstandige woonruimten die zijn verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm. Artikel 3, derde lid, van het Huursubsidiebesluit bevat de aanwijzingscriteria betreffende de onzelfstandige woonruimten die zijn verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, of een daarmee vergelijkbare woonvorm. Artikel 3, vierde lid, van het Huursubsidiebesluit bevat tot slot de gronden voor het intrekken van de aanwijzing (vergelijkbaar met het voorheen geldende artikel 3, tweede lid, onder a, van het Huursubsidiebesluit).

Artikel III, onderdelen B, C, onder 2, en D (deels)

De wijzigingen in het opschrift van hoofdstuk 4 en artikel 4, eerste lid, onder a, van het Huursubsidiebesluit zijn wetstechnisch van aard. Het vervallen van artikel 5 van het Huursubsidiebesluit loopt hierbij deels mee.

Artikel III, onderdelen C, onder 1, en D (deels)

De wijzigingen in artikel III, onderdelen C, onder 1, en D, hebben betrekking op het vervangen van de zogenoemde brengplicht door een zogenoemde haalplicht.

Indien een huurder een eerste aanvraag (oude stijl) om toekenning van huursubsidie indiende, moest hij deze aanvraag vergezeld doen gaan van een advies over de redelijkheid van de huurprijs, de zogenoemde brengplichtverklaring. Dit behoefde alleen te gebeuren indien de huurder een zelfstandige woonruimte huurt bij een particuliere verhuurder of een onzelfstandige woonruimte huurt in het kader van de zogenoemde «begeleid wonen»-projecten. De voorzitter van de huurcommissie stelde in deze gevallen, indien de huurder hierom verzocht, een verklaring op inzake de redelijkheid van de huurprijs.

In de nieuwe situatie wendt, indien de huurder een aanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet heeft ingediend, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister van VROM) zich tot de voorzitter van de huurcommissie om een verklaring te krijgen over de redelijkheid van de huurprijs. Ook dit behoeft alleen te gebeuren indien de huurder een zelfstandige woonruimte huurt bij een particuliere verhuurder of een onzelfstandige woonruimte huurt in het kader van de zogenoemde «begeleid wonen»-projecten. Deze nieuwe procedure is opgenomen in artikel 4, eerste lid, aanhef, van het Huursubsidiebesluit (onderdeel C, onder 1). De wijziging in onderdeel D loopt hierbij deels mee.

Analoog aan het voorheen bepaalde in artikel 5, onder b, van het Huursubsidiebesluit is in artikel 4, eerste lid, aanhef, van het Huursubsidiebesluit voorts opgenomen dat de Minister van VROM zich in voorkomende gevallen wendt tot de voorzitter van de huurcommissie van het ressort waarin de betreffende woning is gelegen (onderdeel C, onder 1).

Artikel III, onderdeel E

De wijzigingen in artikel 6 van het Huursubsidiebesluit zijn uitvoeringstechnisch van aard.

Artikel III, onderdeel F

Artikel 7 van het Huursubsidiebesluit is een uitwerking van artikel 46 van de wet. Onder meer gelet op het feit dat de huurder zijn aanvraag om toekenning van huursubsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet indient bij het Ministerie van VROM, is het niet meer nodig dat de in artikel 7, eerste lid, van het Huursubsidiebesluit genoemde personen en instanties gegevens en afschriften van stukken aan burgemeester en wethouders verstrekken (onderdeel F, onderdeel 1, onder a). Daarentegen zal de Minister van VROM in voorkomende gevallen gegevens moeten kunnen opvragen bij burgemeester en wethouders. Hierbij wordt gedacht aan gegevens met betrekking tot de in een woning ten behoeve van een huurder of medebewoner met een handicap aangebrachte voorzieningen (onderdeel F, onderdeel 1, onder b). Met name ten aanzien van dit laatste zal het mogelijk moeten blijven dat bepaalde indicatieorganen informatie verstrekken aan burgemeester en wethouders, welke mogelijkheid voorheen was opgenomen in artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van het Huursubsidiebesluit (onderdeel F, onderdeel 2, onder b). De wijziging in onderdeel F, onderdeel 2, onder a, loopt hierbij mee.

Artikel IV

In artikel IV is bepaald dat dit besluit op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt. In dat besluit kan worden bepaald dat de verschillende artikelen of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor die artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.

De artikelen I, onderdelen A en B, en III van het onderhavige besluit dienen terug te werken tot en met 1 juli 2002. Per die datum wordt immers de procedure omtrent de zogenoemde passendheidstoets integraal in de Huursubsidiewet opgenomen (artikel I, onderdelen A en B). De wijzigingen in artikel III van het onderhavige besluit hebben betrekking op enkele uitvoeringsaspecten, waarmee reeds per 1 juli 2002 wordt gewerkt. Tot slot houden een aantal wijzigingen rechtstreeks verband met de voortgang van het programma «Eos», waarvoor wordt verwezen naar het algemeen gedeelte van de memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende wijziging van de Huursubsidiewet en enkele andere wetten (introductie van een nieuwe procedure voor huurders die een aanvraag om toekenning van huursubsidie indienen) (Kamerstukken II 2002/03, 28 777, nr. 3).

De artikelen I, onderdeel C, en II van het onderhavige besluit dienen terug te werken tot en met 1 juli 2003. Wat betreft artikel I, onderdeel C, heeft dit te maken met het per die datum vervallen van de zogenoemde uitgavennorm. Wat betreft artikel II van het onderhavige besluit heeft dit te maken met een per die datum geïntroduceerde nieuwe accountantsverklaring.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker


XNoot
1

Stb. 1997, 270, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juni 2002, Stb. 331.

XNoot
2

Stb. 1998, 321, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 juni 2002, Stb. 331.

XNoot
3

Stb. 1997, 269, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 april 2003, Stb. 169.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.