Besluit van 12 januari 2004 tot wijziging van het Tijdelijk besluit preventieve inzet wachtgeldfondsen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 4 november 2003, Directie Sociale Verzekeringen, SV/R&S/03/83303;

Gelet op artikel 130c, zesde lid, van de Werkloosheidswet;

De Raad van State gehoord (advies van 11 december 2003, no. 03.004553);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 7 januari 2004;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Tijdelijk besluit preventieve inzet wachtgeldfondsen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid vervallen.

2. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het UWV beëindigt de taak, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de werknemer, bedoeld in artikel 3, tweede lid, met ingang van de eerste dag van het tweede kwartaal na het kwartaal waarin het aantal werknemers, bedoeld in dat lid, waarvoor een traject is vastgesteld, de duizend heeft bereikt, en in ieder geval met ingang van 11 augustus 2004.

B

In artikel 6 wordt «en vervalt vier jaar na die dag» vervangen door: en vervalt met ingang van 1 juli 2005.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2003.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 januari 2004

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Uitgegeven de negenentwintigste januari 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot wijziging van het Tijdelijk besluit preventieve inzet wachtgeldfondsen (hierna: Tijdelijk besluit) op twee onderdelen.

Artikel I, onderdelen A en B

Op grond van het Tijdelijk besluit dient het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), bij wijze van experiment, voor bepaalde groepen werknemers die binnen een termijn van vier maanden als gevolg van collectief ontslag werkloos dreigen te worden, op aanvraag, trajecten vast te stellen gericht op het ingeschakeld blijven in het arbeidsproces. Op grond van artikel 130c, eerste lid, van de Werkloosheidswet worden de daaraan verbonden werkzaamheden door het UWV opgedragen aan derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen (ook: reïntegratiebedrijven).

In het Tijdelijk besluit was geregeld dat het experiment preventieve inzet voor met ontslag bedreigde werknemers een tijdsduur kende van 4 jaar, tenzij het aantal werknemers waarvoor een traject was vastgesteld de duizend had bereikt. Dit aantal zou voldoende zijn om conclusies over de werking van het experiment op te baseren. In dat geval eindigde het experiment na afloop van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin dit aantal is bereikt.

In het eerste kwartaal van 2003 is het aantal van duizend trajecten dat op grond van het Tijdelijk besluit is vastgesteld bereikt. Dit betekent dat het experiment voor de doelgroep «met ontslag bedreigde werknemers» van rechtswege per 1 juli 2003 is geëindigd.

Een aantal instanties, waaronder de Raad voor Werk en Inkomen en het UWV, heeft gepleit voor behoud van het experiment vanwege de moeilijke conjuncturele situatie op de arbeidsmarkt. Het experiment is in augustus 2000 van start gegaan. De (beperkte) resultaten tot nu toe kunnen betrekking hebben op een florerende arbeidsmarkt. Voortzetting van dit experiment juist ten tijde van een tegenvallende conjunctuur kan duidelijkheid bieden over de waarde van dit experiment.

De komende twee jaren kunnen tevens worden gebruikt om het experiment meer structureel vorm te geven door te onderzoeken in hoeverre aan het CWI taken kunnen worden opgedragen die erop gericht zijn de betreffende doelgroep ingeschakeld te houden in het arbeidsproces. Het CWI is immers verantwoordelijk voor de bemiddeling van mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.

Op grond van artikel 130c, zesde lid, WW kan het experiment bij algemene maatregel van bestuur worden verlengd met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Met het onderhavige besluit wordt hieraan invulling gegeven. Tevens zal het maximum aantal werknemers dat van het experiment gebruik kan maken geschrapt worden. Het vierde lid van artikel 4 kan daarom vervallen. Door deze wijzigingen kan een onbeperkt aantal werknemers nog twee jaar (te rekenen vanaf 1 juli 2003) van het experiment gebruik maken.

Voor de doelgroep van artikel 3, tweede lid, van het Tijdelijke besluit, de zogenaamde herhaalwerklozen, is het niet wenselijk het experiment te verlengen. Om die reden is in het nieuwe vierde lid van artikel 4 bepaald, dat het experiment ten aanzien van die doelgroep komt te vervallen met ingang van de oorspronkelijke datum waarop het experiment zou aflopen, namelijk 11 augustus 2004. Voor deze doelgroep is daarnaast de grens van het maximum aantal van 1000 gehandhaafd, zoals dit geregeld was in artikel 4, vijfde lid.

Artikel II

Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking, omdat er anders een hiaat ontstaat in de uitvoering van het experiment tussen 1 juli 2003 (de datum waarop het huidige besluit voor de doelgroep met ontslag bedreigde werklozen afloopt) en het moment waarop het nieuwe besluit in werking treedt. Omdat het hier geen belastende regeling betreft tast de terugwerkende kracht de rechtszekerheid van de burger niet aan.

Financiële raming

Er is geraamd dat per jaar voor 1000 werknemers een traject op basis van dit experiment zal worden vastgesteld. Dit aantal is gebaseerd op het gebruik van het experiment in het afgelopen jaar. Een traject kost ongeveer € 2500,-. Het budget voor dit experiment wordt jaarlijks vastgesteld in de Regeling SUWI. Voor 2003 is het budget reeds vastgesteld op € 2,5 miljoen.

Toezichtbaarheid volgens IWI

Onderhavig besluit is op 17 juli 2003 voor toezichtbaarheidstechnisch commentaar voorgelegd aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI). In de toezichtbaarheidstoets van 6 augustus 2003 heeft de IWI haar commentaar op het besluit neergelegd in een tweetal opmerkingen. Een opmerking betreft het onderscheid tussen de twee doelgroepen, de «herhaalwerklozen» en «met ontslag bedreigde werknemers». Dit heeft geresulteerd in de bepaling in dit besluit dat de verlenging van het besluit alleen betrekking heeft op de doelgroep «met ontslag bedreigde werknemers». De tweede opmerking betrof de grondslag van het besluit, namelijk dat verlenging slechts maximaal twee jaar mogelijk is tot een structurele wettelijke regeling is getroffen. Hieraan is tegemoet gekomen door te vermelden dat de komende twee jaar onderzocht zal worden hoe CWI dit experiment kan gaan overnemen.

Uitvoertechnisch commentaar UWV

Onderhavig besluit is op 22 juli 2003 aan UWV voorgelegd voor uitvoeringstechnisch commentaar. Op 29 augustus 2003 heeft UWV hierop advies gegeven. UWV had een tweetal opmerkingen. Een opmerking betrof evenals de opmerking van de IWI het onderscheid en het preciseren van de doelgroepen. Zoals hierboven vermeld is het besluit hierop aangepast. De tweede opmerking van UWV betrof het budget voor de uitvoering van dit experiment. UWV verwacht meer preventieve trajecten in te kunnen zetten dan met het beschikbare budget te financieren is. Besloten is het budget niet te verhogen om de volgende redenen:

– ten opzichte van het gebruik in voorgaande jaren is het budget al verdubbeld;

– het inzetten van trajecten voor met ontslag bedreigde werknemers blijft geschieden op experimentele basis, wat inhoudt dat niet iedere met ontslag bedreigde werknemer een traject aangeboden hoeft te krijgen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Stb. 2000, 190, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2001, Stb. 687.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven