Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2004, 16Wet

Wet van 17 december 2003 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met een verruiming van de bestedingsvrijheid voor scholen in het primair en voortgezet onderwijs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, met het oog op deregulering en vereenvoudiging van regelgeving, wenselijk is in het primair onderwijs een aantal specifieke budgetten samen te voegen tot een schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid en mogelijk te maken dat schoolbesturen op beperkte schaal praktijkervaring op doen met vrijere bestedingsmogelijkheden, en dat het voorts wenselijk is in het voortgezet onderwijs de oormerking van de bekostiging voor nascholing van het personeel te schrappen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op het primair onderwijs1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van de begripsomschrijving van «personeel» wordt vervangen door een punt.

2. De begripsomschrijving van «nascholing» vervalt.

B

Na artikel 72 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 72a. Afwijking van de reguliere bekostiging

  • 1. Onze minister kan op aanvraag van een bevoegd gezag besluiten dat, met het oog op de ontwikkeling door scholen van instrumenten voor planning en beheer, de artikelen 123, tweede en derde lid, 129, 148 en 149 niet van toepassing zijn op de bekostiging van de scholen van dat bevoegd gezag. Voor een dergelijk besluit komen ten hoogste vijfentwintig bevoegde gezagsorganen in aanmerking. Onze minister kan een tijdstip vaststellen voor welke de aanvragen moeten worden ingediend.

  • 2. Onze minister bepaalt bij zijn besluit welke regelen en voorwaarden voor de bekostiging zullen gelden in plaats van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid, alsmede de wijze van bekostiging. Onze minister kan aan het besluit voorschriften verbinden omtrent het afleggen van rekening en verantwoording van het financieel beheer, alsmede, zo nodig in afwijking van het bepaalde krachtens artikel 182, tweede volzin, omtrent de inrichting van de boekhouding.

  • 3. Onze minister stelt, na overleg met de aanvrager, een ontwerp op van het besluit en zendt dit ontwerp aan de aanvrager. Indien de aanvrager zijn aanvraag niet binnen twee weken na verzending van het ontwerp van het besluit door Onze minister heeft ingetrokken, besluit Onze minister overeenkomstig het ontwerp.

  • 4. Voor zover nodig neemt Onze minister, na overleg met de gemeente of gemeenten die het aangaat, een besluit omtrent toepassing van de overschrijdingsregeling, bedoeld in de artikelen 142 tot en met 147, door de gemeente of gemeenten waar een of meer scholen waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, gevestigd zijn. Onze minister kan daarbij afwijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 142 tot en met 147.

  • 5. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vier jaren.

  • 6. Indien voor het einde van de geldigheidsduur van het besluit een voorstel van wet tot invoering van lumpsumbekostiging voor de personeels- en exploitatiekosten van scholen als bedoeld in deze wet bij de Staten-Generaal wordt ingediend, kan de minister het besluit, bedoeld in het eerste lid, na overleg met het bevoegd gezag, zodanig aanpassen en in afwijking van het vijfde lid verlengen, dat een goede overgang wordt gewaarborgd naar het bekostigingssysteem dat geldt op het moment waarop de periode eindigt waarop het besluit betrekking heeft.

C

In het opschrift van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 5, vervalt de zinsnede «; bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening».

D

De artikelen 127 en 128 vervallen.

E

Het opschrift van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 6, wordt vervangen door:

AFDELING 6. SCHOOLBUDGET VOOR PERSONEELS- EN ARBEIDSMARKTBELEID

F

Artikel 129 wordt vervangen door:

Artikel 129. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

  • 1. Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Deze grondslag kan verschillend worden vastgesteld voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs en voor groepen van basisscholen. De omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede afhankelijk van het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel 121, en de samenstelling van het leerlingenbestand.

  • 2. Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid.

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt besteed aan personele uitgaven.

G

De artikelen 130 en 131 vervallen.

H

Artikel 144 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «de nascholing» vervangen door: personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld in artikel 129.

2. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door:

e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 129, tweede lid, ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid voor het kalenderjaar zijn vastgesteld,.

I

In artikel 148 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede: het bepaalde in artikel 149 en.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «bedoeld in artikel 134,» vervangen door: bedoeld in de artikelen 129 en 134,.

Ia

Artikel 149 vervalt.

J

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de omschrijving van artikel 72 wordt ingevoegd:

Artikel 72a. Afwijking van de reguliere bekostiging.

2. In de omschrijving van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 5, vervalt de zinsnede «; bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening».

3. De omschrijvingen van de artikelen 127 en 128 worden vervangen door:

Artikel 127. (Vervallen)

Artikel 128. (Vervallen).

4. De omschrijving van hoofdstuk I, titel IV, afdeling 6, wordt vervangen door:

Afdeling 6. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid.

5. De omschrijvingen van de artikelen 129 tot en met 131 worden vervangen door:

Artikel 129. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Artikel 130. (Vervallen)

Artikel 131. (Vervallen).

6. De omschrijving van artikel 149 wordt vervangen door:

Artikel 149. (vervallen).

ARTIKEL II

De Wet op de expertisecentra2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt de begripsomschrijving van «nascholing».

B

Na artikel 73 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 73a. Afwijking van de reguliere bekostiging

  • 1. Onze minister kan op aanvraag van een bevoegd gezag besluiten dat, met het oog op de ontwikkeling door scholen van instrumenten voor planning en beheer, de artikelen 123, tweede en derde lid, 129, 148 en 149 niet van toepassing zijn op de bekostiging van de scholen van dat bevoegd gezag. Voor een dergelijk besluit komen ten hoogste tien bevoegde gezagsorganen in aanmerking. Onze minister kan een tijdstip vaststellen voor welke de aanvragen moeten worden ingediend.

  • 2. Onze minister bepaalt bij zijn besluit welke regelen en voorwaarden voor de bekostiging zullen gelden in plaats van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid, alsmede de wijze van bekostiging. Onze minister kan aan het besluit voorschriften verbinden omtrent het afleggen van rekening en verantwoording van het financieel beheer, alsmede, zo nodig in afwijking van het bepaalde krachtens artikel 168, tweede volzin, omtrent de inrichting van de boekhouding.

  • 3. Onze minister stelt, na overleg met de aanvrager, een ontwerp op van het besluit en zendt dit ontwerp aan de aanvrager. Indien de aanvrager zijn aanvraag niet binnen twee weken na verzending van het ontwerp van het besluit door Onze minister heeft ingetrokken, besluit Onze minister overeenkomstig het ontwerp.

  • 4. Voor zover nodig neemt Onze minister, na overleg met de gemeente of gemeenten die het aangaat, een besluit omtrent toepassing van de overschrijdingsregeling, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 142, door de gemeente of gemeenten waar een of meer scholen waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, gevestigd zijn. Onze minister kan daarbij afwijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 136 tot en met 142.

  • 5. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vier jaren.

  • 6. Indien voor het einde van de geldigheidsduur van het besluit een voorstel van wet tot invoering van lumpsumbekostiging voor de personeels- en exploitatiekosten van scholen als bedoeld in deze wet bij de Staten-Generaal wordt ingediend, kan de minister het besluit, bedoeld in het eerste lid, na overleg met het bevoegd gezag, zodanig aanpassen en in afwijking van het vijfde lid verlengen, dat een goede overgang wordt gewaarborgd naar het bekostigingssysteem dat geldt op het moment waarop de periode eindigt waarop het besluit betrekking heeft.

C

In het opschrift van titel IV, afdeling 5, vervalt de zinsnede «; bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening».

D

De artikelen 122 en 123 vervallen.

E

Het opschrift van titel IV, afdeling 6, wordt vervangen door:

AFDELING 6. SCHOOLBUDGET VOOR PERSONEELS- EN ARBEIDSMARKTBELEID

F

Artikel 124 wordt vervangen door:

Artikel 124. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

  • 1. Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. De omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede afhankelijk van de onderwijssoort, het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel 118, en de samenstelling van het leerlingenbestand.

  • 2. Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid.

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt besteed aan personele uitgaven.

G

De artikelen 125 en 126 vervallen.

H

Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «de nascholing» vervangen door: personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld in artikel 124.

2. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door:

e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 124, tweede lid, ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid voor het kalenderjaar zijn vastgesteld,.

I

In artikel 143 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt na «die school» een punt geplaatst en vervalt de zinsnede: met inachtneming van het bepaalde in artikel 144.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «bedoeld in artikel 128,» vervangen door: bedoeld in de artikelen 124 en 128,.

Ia

Artikel 144 vervalt.

J

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de omschrijving van artikel 73 wordt ingevoegd:

Artikel 73a. Afwijking van de reguliere bekostiging.

2. In de omschrijving van titel IV, afdeling 5, vervalt de zinsnede «; bekostiging voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening».

3. De omschrijvingen van de artikelen 122 en 123 worden vervangen door:

Artikel 122. (Vervallen)

Artikel 123. (Vervallen).

4. De omschrijving van titel IV, afdeling 6, wordt vervangen door:

Afdeling 6. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid.

5. De omschrijvingen van de artikelen 124 tot en met 126 worden vervangen door:

Artikel 124. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Artikel 125. (Vervallen)

Artikel 126. (Vervallen).

6. De omschrijving van artikel 144 wordt vervangen door:

Artikel 144. (vervallen).

ARTIKEL III

De Wet op het voortgezet onderwijs3 zoals luidend op 1 augustus 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 99 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, tweede volzin, wordt «voor de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie» vervangen door: voor de kosten van personeel, de kosten van nascholing of voorzieningen in de exploitatie.

2. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. Het voor personeels- en exploitatiekosten betaalde bedrag wordt, tezamen met het voor nascholingskosten betaalde bedrag, aangewend voor de kosten van personeel, zoals onderscheiden in de artikelen 32 en 32a, voor de kosten van nascholing of voor voorzieningen in de exploitatie. In geval van een overschot op die bedragen, kan dat overschot worden aangewend voor voorzieningen in de huisvesting.

3. Het vierde lid vervalt.

4. In het zesde lid wordt de aanhef vervangen door: Het bevoegd gezag kan de bedragen, bedoeld in het derde lid, mede aanwenden voor de kosten van personeel, de kosten van nascholing of voorzieningen in de exploitatie van:.

B

In artikel 124 vervalt de begripsomschrijving van «nascholing».

C

In het opschrift van deel II, titel IV, afdeling 5, vervalt de zinsnede «; vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening».

D

De artikelen 237 en 238 vervallen.

E

Het opschrift van deel II, titel IV, afdeling 6, wordt vervangen door:

AFDELING 6. SCHOOLBUDGET VOOR PERSONEELS- EN ARBEIDSMARKTBELEID

F

Artikel 239 wordt vervangen door:

Artikel 239. Schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

  • 1. Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. De omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede afhankelijk van de onderwijssoort, het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel 234, en de samenstelling van het leerlingenbestand.

  • 2. Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid.

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt besteed aan personele uitgaven.

G

De artikelen 240 en 241 vervallen.

H

Artikel 253 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «de nascholing» vervangen door: personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld in artikel 239.

2. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door:

e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 239, tweede lid, ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid voor het kalenderjaar zijn vastgesteld,.

I

In artikel 258, tweede lid, eerste volzin, wordt «bedoeld in artikel 243,» vervangen door: bedoeld in de artikelen 239 en 243,.

ARTIKEL IV

De Wet medezeggenschap onderwijs 19924 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het woord «en» aan het slot van onderdeel h vervalt.

2. De punt aan het slot van onderdeel i wordt vervangen door: ; en.

3. Een nieuw onderdeel j wordt toegevoegd:

j. het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 72a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 73a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra.

B

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het woord «en» aan het slot van onderdeel j vervalt.

2. De punt aan het slot van onderdeel k wordt vervangen door: ; en.

3. Een nieuw onderdeel l wordt toegevoegd:

l. vaststelling of wijziging van de inzet van het schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 129 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 124 van de Wet op de expertisecentra en artikel 239 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

C

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het woord «en» aan het slot van onderdeel k vervalt.

2. De punt aan het slot van onderdeel l wordt vervangen door : ; en.

3. Een nieuw onderdeel m wordt toegevoegd:

m. aanwending of wijziging van de aanwending van de bekostiging, bedoeld in artikel 137, eerste lid onder a en b, van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 131, eerste lid onder a en b, van de Wet op de expertisecentra, ten behoeve van uitgaven voor materiële voorzieningen.

ARTIKEL V

Indien het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) (Kamerstukken I 2001/02, 27 728, nr. 199)5 tot wet wordt verheven en artikel II, onderdeel A, van die wet in werking treedt voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt artikel I, onderdeel A, van deze wet vervangen door:

A

In artikel 1 vervalt de begripsomschrijving van «nascholing».

ARTIKEL VI

Met uitzondering van de wijzigingen, bedoeld in de artikelen I, onderdeel B, en II, onderdeel B, zijn de wijzigingen, opgenomen in de artikelen I, II en III, voor de eerste maal van toepassing op het schooljaar 2001/2002.

ARTIKEL VII

  • 1. Onverminderd artikel 113, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 111, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 228, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, kunnen een of meer vergoedingsbedragen, opgenomen in de programma's van eisen scholen voor basisonderwijs, onderscheidenlijk (voortgezet) speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs, vastgesteld voor de jaren 2002 tot en met 2006, met ingang van 1 januari 2003 bij ministeriële regeling worden verhoogd in verband met de bekostiging voor de bedrijfsgezondheidszorg, in verband met de bekostiging voor studie- en beroepskeuzebegeleiding en in verband met gebouwenonderhoud.

  • 2. Artikel 113, zevende en achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 111, zevende en achtste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 228, zevende en achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid.

ARTIKEL VIII

  • 1. Het bedrag dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ondergebracht in het fonds, bedoeld in artikel 131 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 126 van de Wet op de expertisecentra zoals die artikelen luidden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt toegevoegd aan het schoolbudget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 129 van de Wet op het primair onderwijs, onderscheidenlijk artikel 124 van de Wet op de expertisecentra.

  • 2. Het bedrag dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ondergebracht in het fonds, bedoeld in artikel 99, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepaling luidde op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, wordt voor de kosten van het personeel, zoals onderscheiden in de artikelen 32 en 32a, of voor voorzieningen in de exploitatie aangewend en kan in geval van een overschot op dat bedrag worden aangewend voor voorzieningen in de huisvesting. Artikel 99, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs is van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in de eerste volzin.

ARTIKEL IX

  • 1. De ingevolge deze wet gewijzigde of vervallen artikelen van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden op de dag voor de ingangsdatum van de wijzigingen ingevolge deze wet, blijven van toepassing op de tijdvakken waarvoor zij gelding hadden.

  • 2. Op geschillen die op grond van de ingevolge deze wet gewijzigde of vervallen artikelen van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden op de dag voor de ingangsdatum van de wijzigingen ingevolge deze wet, op die datum in bezwaar of beroep aanhangig zijn of na die datum binnen de bezwaar- of beroepstermijn aanhangig zijn gemaakt, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

ARTIKEL X

  • 1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat de artikelen I tot en met III, met uitzondering van de artikelen I, onderdeel B, en II, onderdeel B, terugwerken tot en met 1 augustus 2001 en met dien verstande dat artikel VII terugwerkt tot en met 1 september 2002.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, treden artikel I, onderdelen I voor zover betrekking hebbend op artikel 148, eerste lid, Ia en J, zesde lid, en artikel II, onderdelen I voor zover betrekking hebbend op artikel 143, eerste lid, Ia en J, zesde lid, en artikel IV, onderdeel C, in werking met ingang van 1 augustus 2004.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 17 december 2003

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Uitgegeven de tweeëntwintigste januari 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1998, 495, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 mei 2003, Stb. 226.

XNoot
2

Stb. 1998, 496, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 mei 2003, Stb. 218.

XNoot
3

Stb. 1998, 512, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 juni 2003, Stb. 293.

XNoot
4

Stb. 1992, 663, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 februari 2003, Stb. 56.

XNoot
5

Stb. 2002, 631.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2002/2003, 2003/2004, 28 762.

Handelingen II 2002/2003, blz. 5250–5259; 2003/2004, blz. 178–180.

Kamerstukken I 2003/2004, 28 762 (A, B, C, D, E, F).

Handelingen I 2003/2004, blz. 530–538.