Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2004, 157AMvB

Besluit van 18 maart 2004, houdende wijziging van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 januari 2004, kenmerk VGB/P&L 2365980, gedaan mede namens de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200) en de artikelen 24, 34, derde lid, 36, tweede lid, en 39, tweede, derde en vierde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2004, nr. W13.04.0038III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 maart 2004, VGB/P&L 2453523, uitgebracht mede namens de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b wordt vervangen door:

b. stoffenrichtlijn: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196)

2. In onderdeel c wordt «Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur» vervangen door: Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

B

In artikel 2, derde lid, artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 9, tweede en vierde lid, wordt «richtlijn» telkens vervangen door: stoffenrichtlijn.

C

In artikel 2, derde lid, wordt «eerste lid, onder c, d en e» vervangen door: eerste lid, onder a tot en met e.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Cosmeticabesluit (Warenwet) 1979 (Stb. 1980, 256).» vervangen door: Warenwetbesluit kosmetische produkten.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Onze Ministers kunnen regels stellen met betrekking tot de verpakking, het etiket daaronder begrepen, en aanduiding van preparaten.

E

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in dat lid achterwege blijven, indien:

    a. geen enkel bestanddeel van dat preparaat de in artikel 34, tweede lid, onder a tot en met e van de wet, bedoelde eigenschappen heeft en het volgens de gegevens waarover de fabrikant beschikt weinig waarschijnlijk is dat bij het preparaat een dergelijk gevaar aanwezig is, of

    b. in het geval van wijziging van de samenstelling van een preparaat met bekende samenstelling, er wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet tot een wijziging van de indeling zal leiden.

2. Een derde lid wordt toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld ter zake van het onderzoek en de in het eerste lid genoemde indeling van een preparaat.

F

Artikel 6b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en vijfde lid wordt «artikel 34, tweede lid, onder f tot en met j en l tot en met n» vervangen door: artikel 34, tweede lid, onder f tot en met n.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de indeling van een preparaat» vervangen door: wordt een preparaat overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn, ingedeeld.

3. Onder vernummering van het derde tot vijfde lid worden een nieuw derde lid en een vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld over de wijze waarop de toxicologische gegevens bedoeld in het tweede lid worden bepaald.

  • 4. In de in het derde lid bedoelde regels kunnen tevens bijzondere omstandigheden worden aangewezen die van invloed zijn op de indeling van het preparaat.

4. In het vijfde lid, wordt «dient te leiden» vervangen door: leidt.

G

Artikel 6c wordt vervangen door:

Artikel 6c

  • 1. Op de indeling van een preparaat in de categorie milieugevaarlijk als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder o, van de wet, is van toepassing de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen methode met bijbehorende criteria.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers wordt voor preparaten waarvan de samenstelling bekend is, met uitzondering van de onder richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) vallende preparaten die zijn ingedeeld volgens andere internationaal erkende methoden die in overeenstemming zijn met de bepalingen van de bijlagen II en III bij richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), vastgesteld in welke gevallen een nieuwe beoordeling van de gevaren voor het milieu plaatsvindt.

Artikel 6d

  • 1. Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een stof of een preparaat houdt ter beschikking:

    a. de gegevens die zijn gebruikt voor de indeling en het kenmerken van het preparaat;

    b. alle nuttige informatie betreffende de wijze van verpakking van die verpakkingen die preparaten bevatten welke aan het grote publiek te koop aangeboden of verkocht worden met inbegrip van het certificaat dat na proeven overeenkomstig bijlage IX, deel A, bij richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200), wordt verstrekt.

  • 2. Bij regeling van Onze Ministers worden instanties aangewezen ten behoeve waarvan de in het eerste lid genoemde gegevens ter beschikking worden gehouden.

  • 3. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het vragen van inlichtingen over de samenstelling van het preparaat en alle andere nuttige informatie aan de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat.

Artikel 6e

Elke vorm van reclame voor een preparaat waarbij een particulier een koopcontract kan sluiten zonder eerst de verpakking, het etiket daarbij inbegrepen, van het preparaat te hebben gezien, vermeldt de daarop aangeduide soort of soorten gevaren als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet.

Artikel 6f

Bij regeling van Onze Ministers kunnen preparaten worden aangewezen waarop de artikelen 34 tot en met 38 van de wet geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn indien deze preparaten in de vorm waarin ze in de handel zijn gebracht geen gevarenopleveren uit fysisch-chemische eigenschappen, noch gevaren opleveren voor gezondheid of voor het milieu.

H

Artikel 7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen a, c, d en e worden vervangen door:

a. springstoffen die in de handel worden gebracht met het oog op hun explosieve of pyrotechnische eigenschappen;

c. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, in de vorm van afvalstoffen waarop richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 442) of richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 319) van toepassing zijn;

d. preparaten die radioactieve stoffen als omschreven in richtlijn nr. 80/836/Euratom van de Raad van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, bevatten;

e. medische hulpmiddelen die invasief zijn of in direct contact komen met het lichaam, voorzover er communautaire voorschriften voor de indeling en kenmerking van gevaarlijke stoffen en preparaten voorhanden zijn die eenzelfde niveau van informatie en bescherming verzekeren als richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200);

2. Na onderdeel e (nieuw) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. geneesmiddelen als bedoeld in de Wet op de geneesmiddelenvoorziening en de Diergeneesmiddelenwet.

Artikel II

In Bijlage I, noot 4, van het Besluit risico's zware ongevallen 19992 worden het tweede en derde gedachtenstreepje met de daarbij opgenomen tekst vervangen door:

– richtlijn nr.1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200).

Artikel III

In Bijlage 2, onderdeel A, onder 8, van het Warenwetbesluit Speelgoed3 wordt «88/379/EEG (PbEG L 187)» vervangen door: 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200).

Artikel IV

  • 1. De verplichting, voortvloeiende uit artikel 6d, eerste lid van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, geldt uitsluitend ten aanzien van stoffen en preparaten die in de handel zijn gebracht vanaf het tijdstip dat artikel 6d ten aanzien van die stoffen en preparaten in werking is getreden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt artikel 6d, eerste lid, onder a, tevens ten aanzien van stoffen en preparaten waarop artikel 6c, eerste lid van dat besluit van toepassing was, zoals dat luidde direct voorafgaande aan het tijdstip waarop artikel 6d van dat besluit ten aanzien van die stoffen en preparaten in werking trad en de vervaardiging of invoer van die stoffen of preparaten niet meer dan tien jaar voor dat tijdstip heeft plaatsgevonden.

Artikel V

Tot 30 juli 2004 geldt ten aanzien van preparaten die vallen onder richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) of onder richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123) het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, zoals dat luidde direct voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel VI

Dit besluit treedt in werking vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 18 maart 2004

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Uitgegeven de twintigste april 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Richtlijn nr.1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 200) (hierna de preparatenrichtlijn) wordt mede geïmplementeerd in de onderhavige wijziging van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. De preparatenrichtlijn vervangt richtlijn nr. 88/379/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 187).

De preparatenrichtlijn heeft als doel de bescherming te waarborgen van zowel de bevolking, in het bijzonder van personen die door hun werk of vrijetijdsbesteding met gevaarlijke preparaten in aanraking komen, als van het milieu. De aan een preparaat verbonden gevaren worden beoordeeld op de fysisch-chemische eigenschappen van het preparaat in kwestie, de eigenschappen die gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens en de eigenschappen die verband houden met het milieu. Hiervoor is in de preparatenrichtlijn een aantal criteria en voorschriften opgenomen. Op grond van deze beoordeling dienen preparaten te voldoen aan verpakkings- en aanduidingsvoorschriften als bepaald in de preparatenrichtlijn.

De implementatie van de ingetrokken richtlijn 88/379/EEG (en de wijzigingen daarvan) heeft plaatsgevonden door middel van de Wet milieugevaarlijke stoffen en daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen en -besluiten, waaronder de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. De implementatie van de preparatenrichtlijn heeft geen ingrijpende gevolgen voor de systematiek van de preparatenregelgeving in het algemeen. Nieuw element in de preparatenrichtlijn is de toevoeging van het milieugevaar als criterium voor de indeling en het kenmerken van preparaten.

De volledige implementatie van de preparatenrichtlijn leidt tevens tot wijzigingen van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, het Warenwetbesluit veilige verpakking huishoudchemicaliën en wijzigingen in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Door middel van wijziging van laatstgenoemde regelgeving zal het bepaalde in de preparatenrichtlijn, als voorgeschreven in de richtlijn, per 30 juli 2004 van toepassing worden verklaard op gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) en op biociden als bedoeld in richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123).

Administratieve lasten

De preparatenrichtlijn voegt aan de reeds bestaande verplichting voor handelaren en producenten ter zake van het etiketteren van preparaten slechts de verplichting toe ook de effecten op het milieu op het etiket aan te geven.

Uit de Nulmeting administratieve lasten van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van april 2001, die mede is uitgevoerd ter zake van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten blijkt dat dit besluit in Nederland gevolgen heeft voor ongeveer 2000 bedrijven. Als gevolg van dit besluit zullen door hen de etiketten eenmalig aangepast moeten worden in verband met de toevoeging van het milieugevaar als criterium voor de indeling en het kenmerken van preparaten. Uitgaande van de eerdergenoemde nulmeting bedragen deze eenmalige kosten voor het aanpassen en ontwikkelen van nieuwe etiketten € 13 613,41 per bedrijf. Dit betekent dat de totale eenmalige administratieve lasten van dit besluit € 27 226 820,–. bedragen.

In het kader van het benoemen van de administratieve lasten in de preparatenrichtlijn is ook artikel 8 van de richtlijn relevant. Dit artikel biedt de mogelijkheid dat de bevoegde autoriteiten inlichtingen vragen over de samenstelling van het preparaat en de verplichting tot het beschikbaar houden van bepaalde gegevens die zijn gebruikt bij de indeling en het kenmerken van het preparaat. Richtlijn 88/379/EEG kende reeds een dergelijke bepaling die in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe informatieverplichting voor handelaren en producenten. De in de Nederlandse implementatie opgenomen bepaling beperkte de termijn tot het beschikbaar houden van bepaalde gegevens tot 10 jaren. Deze termijn is komen te vervallen nu deze niet is opgenomen in de preparatenrichtlijn. Naar mag worden verondersteld zal deze verplichting geen nieuwe lastendruk veroorzaken.

Een nieuw gegeven in het kader van het benoemen van de administratieve lasten in de preparatenrichtlijn is artikel 13 dat de verplichting oplegt aan de verkoper van een preparaat dat bij het maken van reclame voor verkoop op afstand melding moet worden gemaakt van de op het etiket genoemde soort of soorten gevaren. Gelet op het geringe aandeel van de verkoop via internet op het totale aantal bestedingen van de consument mag eveneens worden verondersteld dat deze verplichting tot het melden van de gevaren niet zal leiden tot een lastendruk van enige betekenis.

Met het toezicht en de handhaving op de bepalingen van dit besluit zijn de Inspectie voor de Milieuhygiëne, de Arbeidsinspectie en de Keuringsdienst van Waren belast. Een clustering van het toezicht behoort vanwege de onderscheiden verantwoordelijkheden (milieu, arbeidsbescherming en consumentenbescherming) niet tot de mogelijkheden. De onderhavige wijziging van het besluit zal in het kader van het uitoefenen van het toezicht op de naleving niet leiden tot een wezenlijke toename van de administratieve lasten.

Voor zover de wijziging van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten ter zake van implementatie van de preparatenrichtlijn van invloed is op de administratieve lasten zal daar in de toelichting bij die wijziging melding van worden gemaakt.

Op 23 oktober 2003 heeft het Adviescollege toetsing administratieve lasten geadviseerd alsnog de gevolgen voor de administratieve lastendruk van de andere informatieverplichtingen kwantitatief in beeld te brengen en de door dit besluit veroorzaakte stijging van de administratieve lastendruk hoe dan ook te compenseren.

Omdat hier sprake is van administratieve lasten die rechtstreeks voortvloeien uit een richtlijn, is er geen ruimte de door ACTAL gewenste compensatie te realiseren in het kader van het onderhavige besluit.

Het door het Adviescollege uitgebrachte advies de lastendruk hoe dan ook te compenseren, zal daarom aandacht krijgen in het Project Nulmetingen dat op dit moment binnen VWS loopt om de administratieve lasten van wetgeving op het terrein van VWS te bepalen.

De onderhavige wijzigingen zullen worden gemeld aan de Europese Commissie.

TRANSPONERINGSTABEL
richtlijn 1999/45/EGBESLUIT
1, lid 56, lid 1
1, lid 57, lid 2, onder b c
1, lid 57, lid 1, onder d, e en f
2, lid 22, lid 1
4, lid 22, lid 2
5, lid 16a, lid 1
5, lid 26a, lid 2
6, lid 16b, leden 1 en 2
6, lid 26b, lid 3
6, lid 36b, lid 4
6, lid 46b, lid 5
86d
12, lid 17, lid 1, onder a
12, lid 36, lid 2
136e
22, lid 2V

2. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en B

In de praktijk is gebleken dat de huidige omschrijving van de stoffenrichtlijn aanleiding geeft tot veel onduidelijkheid. Er is derhalve voor gekozen de in de praktijk gehanteerde benaming voor deze richtlijn te hanteren. Er is daarbij gekozen voor een dynamische verwijzing.

Artikel I, onderdeel C

Met het toevoegen van de onderdelen a en b die respectievelijk de categorieën ontplofbaar en oxyderend omvatten, wordt een onvolkomenheid in de implementatie van de voorganger van de preparatenrichtlijn hersteld.

Artikel I, onderdeel D

Dit onderdeel bevat enige redactionele aanpassingen. In het nieuwe tweede lid is de zinsnede «die niet behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet.» niet langer opgenomen. Hiermee wordt bereikt dat de ministers de bevoegdheid hebben ook regels te stellen met betrekking tot de verpakking en aanduiding van preparaten die zijn ingedeeld in een van de in artikel 34, tweede lid, van de wet genoemde gevaarscategorieën.

Artikel I, onderdeel E

De wijzigingen in artikel 6a strekken tot herstel van een onvolkomenheid in de implementatie van de voorganger van de preparatenrichtlijn over het achterwege blijven van de indeling van een preparaat op het punt van de uit de fysisch-chemische eigenschappen voortvloeiende gevaren.

Artikel I, onderdeel F

Met het toevoegen van onderdeel k dat de categorie sensibiliserend omvat wordt een onvolkomenheid in de implementatie van de voorganger van de preparatenrichtlijn hersteld.

Tevens wordt een onvolkomenheid ter zake van de bepaling van toxicologische gegevens en van bijzondere omstandigheden die de indeling van een preparaat kunnen beïnvloeden hersteld.

Artikel I, onderdeel G

De preparatenrichtlijn regelt dat er bij de indeling en het kenmerken van preparaten rekening gehouden moet worden met de effecten van preparaten op het milieu en dat het noodzakelijk is een methode in te voeren voor de beoordeling van de gevaren die dat preparaat oplevert voor het milieu.

Met een nieuw artikel 6c wordt deze verplichting overgenomen.

In het nieuwe artikel 6d wordt een voorziening getroffen om informatie te verstrekken over de samenstelling van het preparaat en andere nuttige informatie die relevant is in het kader van de indeling, de verpakking en het kenmerken van preparaten.

Een nieuw artikel 6e is toegevoegd om uitwerking te geven aan de verplichting opgenomen in artikel 13 van de preparatenrichtlijn. Dat artikel bepaalt dat bij elke vorm van reclame voor een onder deze richtlijn vallend preparaat, melding moet worden gemaakt van de op de verpakking of het etiket genoemde soort of soorten gevaren. Gekozen is voor de term reclame uit de preparatenrichtlijn in plaats van de in de Wet milieugevaarlijke stoffen gebruikelijke term aanbevelen en aanprijzen omdat niet iedere aanprijzing of aanbeveling is te beschouwen als reclame. Reclame is immers openbaar.

Met het nieuwe artikel 6f wordt bereikt dat preparaten kunnen worden aangewezen waarop de artikelen 34 tot en met 38 van de wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn indien deze geen gevaren opleveren uit fysisch-chemische eigenschappen en ook geen gevaren opleveren voor gezondheid of voor het milieu.

Artikel I, onderdeel H

Deze wijziging betreft een actualisering van de beperking van het toepassingsgebied van de preparatenrichtlijn.

Artikelen II en III

De wijzigingen van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 en van het Warenwetbesluit Speelgoed hebben betrekking op de aanpassing van de cijfermatige aanduiding aan de preparatenrichtlijn.

Artikel IV

Deze overgangsregeling is noodzakelijk om te voorkomen dat producenten en importeurs ten gevolge van de onmiddellijke werking van dit besluit met terugwerkende kracht een informatieverplichting krijgen opgelegd.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel


XNoot
1

Stb. 1987, 516, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 12 april 2001, Stb. 217.

XNoot
2

Stb. 1999, 234, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 maart 2004, Stb. 155.

XNoot
3

Stb. 1991, 269, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 mei 1998, Stb. 328.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.