Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2004, 133AMvB

Besluit van 11 maart 2004, houdende wijziging van het Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998, houdende wijziging van het Besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten (Stb. 26) en houdende wijziging van het Vuurwerkbesluit

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 januari 2004, nr. MJZ2003132965, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op richtlijn nr. 2003/3/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 2003 inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van «blauwe kleurstof» (twaalfde aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad) (PbEG L 4), richtlijn nr. 2003/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 februari 2003 tot vierentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (pentabroomdifenylether, octabroomdifenylether) (PbEG L 42), richtlijn nr. 2003/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2003 houdende zesentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende beperkingen op het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement) (PbEG L 178), de artikelen 24 en 39, tweede en derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de artikelen 8.40 en 8.44 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 19 februari 2004, nr. W08.04.0023/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 maart 2004, nr. MJZ2004021.927, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit implementatie EG-Verbodsrichtlijn Wms 19981 wordt als volgt gewijzigd.

A

Aan artikel 1 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In dit besluit wordt onder Azo-kleurstof blauw verstaan: stof, bestaande uit dinatrium (6-(4-anisidino)-3-sulfonato-2-(3,5-dinitro-2-oxidofenylazo) 1-naftolato)(1-(5-chloor-2-oxidofenylazo)-2-naftolato)chromaat (1-) (Cas-nummer 118685–33–9) en trinatrium bis (6-(4-anisidino)-3-sulfonato-2-(3,5-dinitro-2-oxidofenylazo)-1- naftolato)chromaat(1-) (C46H30CrN10O20S23Na).

B

Na artikel 15 worden vier paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 6a. Azo-kleurstof blauw

Artikel 15a
  • 1. Het is verboden de Azo-kleurstof blauw als stof of als bestanddeel van preparaten in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking te stellen of voorhanden te hebben in handelsvoorraden.

  • 2. Het is verboden de Azo-kleurstof blauw toe te passen als stof of als bestanddeel van preparaten voor het kleuren van textiel- of lederproducten in een hogere concentratie dan 0,1 massaprocent.

§ 6b. Broomfenylethers

Artikel 15b
  • 1. Het is verboden pentabroomdifenylether (Cas-nummer 32534-81-9) of octabroomdifenylether (Cas-nummer 32536-52-0):

    a. in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking te stellen, voorhanden te hebben in handelsvoorraden, of

    b. toe te passen als stof of als bestanddeel van andere stoffen of preparaten in een hogere concentratie dan 0,1 massaprocent.

  • 2. Het is verboden producten of onderdelen van producten in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking stellen of voorhanden te hebben in handelsvoorraden, indien deze een stof als bedoeld in het eerste lid bevatten in een hogere concentratie dan 0,1 massaprocent.

§ 6c. Nonylfenol en nonylfenolethoxylaat

Artikel 15c

Het is verboden nonylfenol (C6H4(OH)C9H19) of nonylfenolethoxylaat (C2H4O)nC15H24O) als stof of als bestanddeel van preparaten in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking te stellen, voorhanden te hebben in handelsvoorraden of toe te passen een concentratie van 0,1 massaprocent of meer:

a. voor industriële en institutionele reiniging, met uitzondering van:

1. gesloten chemische reiniging waarbij de reinigingsvloeistof wordt hergebruikt of verbrand;

2°. reinigingsystemen met speciale nabehandeling waarbij de reinigingsvloeistof wordt hergebruikt of verbrand;

b. voor huishoudelijke reiniging;

c. voor textiel- en leerbewerking, met uitzondering van:

1°. bewerking zonder emissie naar water;

2°. bewerking in systemen waarbij de organische fractie in een speciale behandeling volledig uit het proceswater wordt verwijderd voordat het afvalwater biologisch wordt behandeld;

d. in emulgatoren in speendippers voor landbouwgebruik;

e. bij metaalbewerking, met uitzondering van metaalbewerking in gesloten systemen waarbij de reinigingsvloeistof wordt hergebruikt of verbrand;

f. voor vervaardiging van papierpulp of papier;

g. in cosmetische producten;

h. in andere producten voor persoonlijke verzorging, met uitzondering van zaaddodende middelen;

i. in hulpstoffen in gewasbeschermingsmiddelen en bestrijdingsmiddelen.

Artikel 15d

Het in artikel 15c bedoelde verbod is niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen en biociden die nonylfenolethoxylaat bevatten en die voor 17 juli 2003 zijn toegelaten krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

§ 6d. Cement met chroom(VI)

Artikel 15e
  • 1. Het is verboden cement als stof of als bestanddeel van preparaten in Nederland in te voeren, aan een ander ter beschikking te stellen, voorhanden te hebben in handelsvoorraden of toe te passen, indien de gehydrateerderde vorm daarvan een hogere concentratie dan 0,0002% oplosbaar chroom(VI) bevat, berekend over de droge massa van het cement.

  • 2. Indien aan cement als stof of als bestanddeel van preparaten een reduceermiddel wordt toegevoegd, vermeldt de verpakking daarvan duidelijk leesbaar en onuitwisbaar, onverminderd het bepaalde in het Besluit verpakkingen en aanduidingen milieugevaarlijke stoffen en preparaten en het Arbeidsomstandighedenbesluit, de datum van verpakking, de opslagomstandigheden waaronder en de opslagduur waarbinnen de activiteit van het reduceermiddel gehandhaafd blijft en de concentratie oplosbaar chroom (VI) onder de in het eerste lid bedoelde grens blijft.

  • 3. Het eerste en tweede lid van dit artikel zijn niet van toepassing, indien wordt aangetoond dat cement als stof of als bestanddeel van preparaten in Nederland wordt ingevoerd, aan een ander ter beschikking wordt gesteld of voorhanden wordt gehouden voor handelsdoeleinden om te worden toegepast in geheel gesloten en geautomatiseerde processen in machines, waarbij geen kans bestaat op aanraking van het cement met de huid, dan wel als zodanig wordt toegepast.

ARTIKEL II

Het besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten (Stb. 26) wordt als volgt gewijzigd.

A

Het derde lid, onder d tot en met h, van artikel I, onder AA, komt te luiden:

d. Voorschrift 2.1 vervalt, onder vernummering van voorschrift 2.2 tot 2.1.

e. Voorschrift 2.3 wordt vernummerd tot 2.2 en komt te luiden:

2.2 Indien de toegangsdeuren van bewaarplaatsen, bufferbewaarplaatsen dan wel verkoopruimten zich naast elkaar bevinden, steekt de constructieve scheiding ten minste 300 mm uit tussen de toegangsdeuren van de betreffende bewaarplaats, bufferbewaarplaats dan wel verkoopruimte.

f. Voorschrift 2.4 wordt vernummerd tot 2.3.

g. Voorschrift 2.5 wordt vernummerd tot 2.4 en wordt als volgt gewijzigd:

1°. het derde gedachtestreepje wordt vervangen door: – is zodanig geconstrueerd dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd,

2°. het vijfde gedachtestreepje wordt vervangen door: – heeft een oppervlak van maximaal 4 m2, met dien verstande dat de toegangsdeur van een bewaarplaats voor het opslaan van meer dan 10 000 kg verpakt consumentenvuurwerk een oppervlak van maximaal 8 m2 mag hebben.

h. Na voorschrift 2.4 worden onder schrapping van voorschrift 2.6 (oud) twee voorschriften ingevoegd, luidende: 2.5 De deur van de (buffer-)bewaarplaats bevindt zich niet:

– in een gang, open bordes of portaal dat deel uitmaakt van een vluchtroute, tenzij deze vluchtroute langs meerdere onafhankelijke vluchtroutes is gewaarborgd en uitkomt op een veilige plaats,

– in een ruimte die is ingericht als een brand- en rookvrije vluchtroute als bedoeld in het Bouwbesluit 2003,

– in of nabij een koker voor een personenlift, of

– in een verkoopruimte.

2.6 De scheidingsconstructie tussen de ruimte waarin de deur van de (buffer-)bewaarplaats zich bevindt en de verkoopruimte heeft een brandwerendheid die niet lager is dan 30 minuten en bevat naast de zelfsluitende toegangsdeur naar de verkoopruimte geen openingen of ramen die opengezet kunnen worden.

B

Onderdeel A van artikel IV komt te luiden als volgt:

In artikel 1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

q. vuurwerk: vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit.

ARTIKEL III

Het Vuurwerkbesluit2 wordt als volgt gewijzigd.

A

Aan artikel 3.3.1, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. de krijgsmacht.

B

Aan artikel 3.2.3 wordt na het vierde lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 wordt opgeslagen of uitsluitend professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 wordt opgeslagen.

C

Het vierde lid van artikel 3.3.4 wordt gewijzigd als volgt:

1. De punt aan het slot van onderdeel b wordt vervangen door een komma.

2. In onderdeel c vervalt «en».

D

In bijlage 3, onderdeel A, wordt in onderdeel f, «de frontbreedte van de besloten ruimte waarin consumentenvuurwerk aanwezig is» vervangen door: de breedte van de besloten ruimte waarin consumentenvuurwerk aanwezig is waarbij parallel wordt gemeten aan de zijde waar de toegangsdeur zich bevindt – met dien verstande dat niet van meer dan 5 meter behoeft te worden uitgegaan –.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van:

a. artikel I, onderdeel B, paragraaf 6a, dat in werking treedt met ingang van 30 juni 2004,

b. artikel I, onderdeel B, paragraaf 6b, dat in werking treedt met ingang van 15 augustus 2004,

c. artikel I, onderdeel B, paragraaf 6c en paragraaf 6d, dat in werking treedt met ingang van 17 januari 2005 en

d. artikel III, dat in werking treedt met ingang van de negenentwintigste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 11 maart 2004

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de zesde april 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

§ 1 Algemeen

Dit besluit dient ter implementatie van:

a. richtlijn nr. 2003/3/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 januari 2003 inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van «blauwe kleurstof» (twaalfde aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad) (PbEG L 4) (verder: richtlijn 2003/3/EG),

b. richtlijn nr. 2003/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 februari 2003 tot vierentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (pentabroomdifenylether, octabroomdifenylether) (PbEG L 42) (verder: richtlijn 2003/11/EG) en

c. richtlijn nr. 2003/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2003 houdende zesentwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende beperkingen op het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement) (PbEG L 178) (verder: richtlijn 2003/53).

Deze drie richtlijnen wijzigingen richtlijn nr. 76/769/EEG van 27 juli 1976 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het op de markt brengen van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (PbEG L 262) (verder: Verbodsrichtlijn). Deze richtlijnen betreffen de Azo-kleurstof blauw, de stoffen pentabroom- en octabroomdifenylether en de stoffen nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement.

Tevens worden met dit besluit enkele redactionele verbeteringen en aanvullingen doorgevoerd in het besluit van 16 januari 2004 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enkele andere besluiten (Stb. 26) en in het Vuurwerkbesluit.

§ 1.1. Azo-kleurstof blauw

Richtlijn nr. 2002/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 tot negentiende wijziging van richtlijn nr. 76/769/EEG van de Raad inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (Azo-kleurstoffen) heeft punt 43 aan bijlage I van de Verbodsrichtlijn toegevoegd en ziet op het onder beperkte voorwaarden mogen toepassen van Azo-kleurstoffen in textiel- en lederproducten en op een verbod op het op de markt brengen van textiel- en lederproducten die niet aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot Azo-kleurstoffen voldoen. Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Besluit van 27 juni 2003 tot wijziging van het Warenwetbesluit Azo-kleurstoffen in verband met het beperken van de handel in en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (Stb. 2003, 296). Op 6 januari 2003 is de richtlijn 2003/3/EG vastgesteld. Deze richtlijn wijzigt punt 43 van bijlage I bij de Verbodsrichtlijn en heeft betrekking op een verbod om de Azo-kleurstof blauw op de markt te brengen en op een verbod op het toepassen van deze stof in textiel- en leerproducten. De stof heeft een hoge giftigheid voor waterorganismen, is moeilijk afbreekbaar en komt via het afvalwater in het milieu. De stof wordt gebruikt als kleurstof voor textiel en leren artikelen en belandt door wasprocessen in het afvalwater. Daarom moet deze stof met het oog op de bescherming van het milieu worden verboden. De Warenwet biedt hiervoor geen grondslag, zodat de stof niet aan genoemd besluit kan worden toegevoegd.

§ 1.2. Pentabroomdifenylether en octabroomdifenylether

Op 6 februari 2003 is richtlijn 2003/11/EG vastgesteld. Deze richtlijn beperkt het gebruik van de vlamvertragers pentabroomdifenylether en octabroomdifenylether die worden gebruikt om producten minder gevoelig voor brand te maken. Broomhoudende vlamvertragers behoren qua eigenschappen tot de groep van persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen. De belangrijkste route waarlangs deze stoffen in het milieu komen is via industriële afvalstromen naar oppervlaktewater en slib. Van daaruit nemen waterorganismen deze verbindingen op en dientengevolge kunnen deze stoffen in de voedselketen terechtkomen. De stoffen zijn reeds aangetroffen in moedermelk.

In het kader van het OSPAR-verdrag (Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, Trb. 1998, 169) is in 1998 een «OSPAR strategie t.a.v. gevaarlijke stoffen» aanvaard (zie: www.ospar.org/strategies). De doelstelling van deze strategie is te streven naar de beëindiging van lozingen, emissies en verliezen van deze gevaarlijke stoffen in 2020, met als achterliggend doel om nulconcentraties te bereiken in het mariene milieu voor natuurvreemde verbindingen. Deze doelstelling geldt in ieder geval voor de stoffen die op bijlage 1 van deze strategie zijn geplaatst (OSPAR chemicals for priority action), zoals pentabroom- en octabroomdifenylether.

Broomhoudende vlamvertragers worden gebruikt in kunststoffen, vaak in combinatie met hulpstoffen, zoals antimoontrioxide, ijzeroxide of zinkboraat. Kunststoffen met vlamvertragers worden gebruikt voor onderdelen in elektrische en elektronische apparatuur die door een hoge bedrijfstemperatuur en mogelijke kortsluiting een potentieel risico vormen voor het ontstaan van brand. Deze onderdelen moeten voldoen aan hoge veiligheidseisen inzake vlamdovendheid. Het gaat hierbij onder meer om onderdelen van voor de consument beschikbare audio- en videoapparatuur, computers, telefoontoestellen, huishoudelijke apparatuur (stofzuigers, keukenapparatuur, broodroosters) en verlichtingsapparatuur (o.a. lampfittingen, reflectoren, starters voor TL-lampen) en auto's (ontstekingssystemen, verdelerkappen, zekeringen). Industriële toepassingen zijn installatieapparatuur (zekeringskasten, stekers, schakelaars, relais), elektromotoren en transportbanden voor mijnbouw. Het gebruik van polybroombifenylen en polybroomdifenyloxiden is door de groei van de kunststoftoepassingen in elektronica de laatste decennia sterk gestegen, mede door de steeds verscherpte brandveiligheidseisen. Polybroombifenylen en polybroomdifenyloxiden blijken zeer doeltreffende vlamvertragers te zijn.

Het doven van de vlam wordt bereikt door intensieve menging van een kunststof met de betreffende broomhoudende vlamvertrager en vooral antimoontrioxide als hulpstof. De brandvertragende werking van deze stoffen berust op het vrijkomen van waterstofbromide en broomradicalen bij verbranding. Met name de broomradicalen bepalen de brandvertraging. Door de extra toevoeging van antimoontrioxide wordt de brandvertragende werking verder nog verbeterd als gevolg van de vorming van antimoontribromide. Deze verbinding belemmert de vorming en de instandhouding van de vlam. De meest gebruikte broomhoudende vlamvertragers zijn pentabroomdifenylether en aanverwante verbindingen, alsook decabroomdifenylether en aanverwante verbindingen. Minder schadelijke vlamvertragers zijn inmiddels op de markt.

Met dit besluit zijn de twee belangrijkste families van broomhoudende vlamvertragers verboden.

De aanwezigheid van de broomdifenylethers als bedoeld in dit besluit die verboden worden in hogere concentraties dan 0,1% kan worden vastgesteld door middel van analytische standaardtechnieken als gaschromatografische massaspectrometrie.

§ 1.3. Nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement

Op 18 juni 2003 is richtlijn 2003/53/EG vastgesteld. Deze richtlijn beperkt het gebruik van nonylfenol, nonylfenolethoxylaat en cement.

Nonylfenol en nonylfenolethoxylaat zijn ongewenste stoffen voor het milieu. Nonylfenolethoxylaat dat onder anaërobe omstandigheden zoals in waterzuiveringsinstallaties wordt gevormd uit nonylfenol dat wordt gebruikt in waterige reinigingsproducten, breekt moeilijk af in het milieu en is hormoonverstorend.

In cement komt vaak chroom(VI) voor. Chroom is een zwaar metaal; chroom(VI), zeswaardig chroom, is kankerverwekkend, kan allergieën veroorzaken en moet daarom zo min mogelijk voorkomen in stoffen en preparaten. Daarom is een concentratie-eis gesteld: cement mag indien eenmaal aangemaakt, niet meer dan 0,0002% chroom(VI) bevatten, betrokken op de totale massa droge stof. Het is evenwel mogelijk reduceermiddelen aan de cement toe te voegen die bij toevoegen van water het gehalte aan chroom(VI) terugbrengen onder de 0,0002%. Deze reduceermiddelen verliezen onder invloed van warmte en vochtigheid op den duur evenwel hun werkzaamheid. Daarom worden voor het geval dat een reduceermiddel is toegevoegd, bepaalde eisen gesteld aan vermeldingen op de verpakking om te bewerkstelligen dat de werking van het reduceermiddel behouden blijft.

§ 2 Handhaving

Handhaving van de regeling geschiedt primair door de VROM-Inspectie en zal naar verwachting in 2004 voor een belangrijk deel een daadwerkelijke aanvang nemen. Een tijdmarge alvorens met de handhaving te beginnen wordt niet noodzakelijk geacht om de reeds aanwezige voorraad te kunnen verkopen, omdat er voldoende tijd is gelegen tussen de publicatie in het Staatsblad en de datum van inwerkingtreding van de onderscheidene artikelen van het Besluit.

§ 3 Administratieve lasten

Het ontwerpbesluit is in een vroegtijdig stadium aan het College ter beoordeling van de administratieve lasten aangeboden. Dat heeft laten weten het besluit gelet op de geringe effecten niet te hebben geselecteerd voor een toets.

§ 4 Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

B

In artikel 15a is het verbod opgenomen op het gebruiken van de Azo-kleurstof blauw. In de richtlijn wordt gesproken over een verbod van «op de markt brengen en gebruiken». In deze regeling geldt evenwel het verbod het vervaardigen, in Nederland invoeren, aan een ander ter beschikking stellen voorhanden te hebben of toe te passen, terminologie die is ontleend aan de Wet milieugevaarlijke stoffen. Deze redactie is ook gekozen voor de artikelen 15d en 15e.

Voor de bewoording van dit onderdeel is aangesloten bij recente wetgeving inzake andere Azo-kleurstoffen op grond van de Warenwet.

In de bijlage bij de richtlijn worden gesteld dat het verbod van het gebruik van de Azo-kleurstof blauw onder meer betrekking heeft op kleding, beddengoed, handdoeken, haarstukjes, pruiken, hoeden, luiers, andere toiletartikelen en slaapzakken. Bij leren producten valt te denken aan schoeisel, handschoenen, horlogebandjes, handtassen, portemonnees en portefeuilles, aktetassen, stoelbekleding en nektasjes. Speelgoed van textiel of leer en speelgoed met kledingstukken van textiel of leer en garen en weefsels bestemd voor de eindgebruiker worden ook uitdrukkelijk genoemd.

Overigens zal op grond van artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen bij ministeriële regeling een meetmethode worden vastgesteld ter bepaling van het gehalte aan Azo-kleurstof blauw in preparaten. Daarnaast zal worden bepaald hoe de Azo-kleurstof blauw als stof kan worden vastgesteld.

C

In artikel 15b is het verbod op het gebruiken als zodanig en de invoer van producten die pentabroomdifenylether of octabroomdifenylether bevatten, verwoord. Te verwachten is dat er ook een verbod op het vervaardigen en toepassen van decabroomdifenylether tot stand zal worden gebracht. Dat zal dan aanleiding zijn het besluit opnieuw te wijzigen.

D

In artikel 15c zijn eisen opgenomen ten aanzien van nonylfenol en nonylfenolethoxylaat. Wanneer de kans bestaat dat deze stoffen in afvalwater terechtkomen of wanneer de kans bestaat dat nonylfenol via zuiveringslib op het land terecht komt en onder anaërobe omstandigheden nonylfenolethoxylaat kan vormen, gelden er eisen voor producten die deze stof kunnen bevatten. Er is met het oog daarop een reeks processen aangewezen waarvoor in beginsel een verbod geldt op het gebruik van producten die 0,1% of meer van die stoffen bevatten. Het betreft hier met name reinigingsprocessen en werkzaamheden waarbij een product wordt bewerkt. Alleen het verwerken van schapenvachten tot leer behoort tot de uitzonderingen evenals die processen waarbij de reinigings- of bewerkingsvloeistof in een gesloten systeem wordt gebruikt.

In de praktijk betekent een bovengrens van 0,1% overigens dat het toevoegen van de verboden stof niet is toegestaan; wel kunnen er sporen van verontreiniging met ongewenste stoffen in een product voorkomen.

Nonylfenolethoxylaat kan ook als hulpstof voorkomen in gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Aangezien het niet de bedoeling is dat verstrekte toelatingen door het in werkingtreden van de richtlijn en de daarop gebaseerde nationale wetgeving hun geldigheid verliezen, is er uitdrukkelijk voor gekozen dat de richtlijn wat betreft toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden eerst van toepassing is wanneer nieuwe toelatingen worden aangevraagd of bestaande toelatingen vernieuwd.

E

Het vervaardigen, in Nederland invoeren, aan een ander ter beschikking stellen, voorhanden te hebben of toepassen van cement met meer dan 0,0002% (2 ppm) chroom(VI) is verboden tenzij wordt aangetoond dat het op de markt wordt gebracht en gebruikt in geheel geautomatiseerde processen waarbij contact met de menselijke huid uitgesloten is. Het verbod geldt droog cement. De meetmethode heeft evenwel betrekking op met water aangemaakt cement, waarbij moet worden teruggerekend naar droog cement. Aan CEN, het Europese orgaan dat zich bezighoudt met het opstellen van meetmethoden en normen, zal overigens worden gevraagd een Europese meetmethode op te stellen.

Uitgezonderd van het verbod is cement waaraan bij de vervaardiging voldoende reduceermiddel, zoals ijzersulfaat, is toegevoegd. Het toevoegen van een reduceermiddel heeft als gevolg dat het gehalte aan chroom(VI) wordt teruggebracht tot ten hoogste 0,0002% zodra water wordt toegevoegd. Voorwaarde is dan wel dat er voorschriften op de verpakking zijn vermeld omtrent maximale tijdsduur en condities voor opslag.

Ongeacht of een reduceermiddel is toegevoegd of niet, huidcontact met cement dient zo veel ogelijk te worden vermeden vanwege het feit dat cement basisch is en een schurende werking ten aanzien van de huid heeft.

Artikel II

A en B

De voorschriften inzake de constructie van bewaarplaatsen en bufferbewaarplaatsen zijn aangepast omdat de wijziging redactionele verbetering behoefde. In de wijziging van het Besluit tankstations milieubeheer is de verlettering aangepast omdat er aan artikel 1 van dat besluit inmiddels al een onderdeel p bleek te zijn toegevoegd.

Artikel III

A

Artikel 3.3.1 is aangepast zodat het wel mogelijk is om – net als aan de politie en brandweer – professioneel vuurwerk ter beschikking te kunnen stellen aan de krijgsmacht.

B

Op aangeven van de vuurwerkbranche is het bij nader inzien niet redelijk om voor inrichtingen met alleen theatervuurwerk wel financiële zekerheid te eisen en voor die met consumentenvuurwerk niet, terwijl de gevaarseigenschappen van theatervuurwerk vergelijkbaar zijn met die van consumentenvuurwerk. Daarom is theatervuurwerk alsnog uitgezonderd van de verzekeringsplicht.

C

Dit onderdeel betreft enkele redactionele verbeteringen.

D

Omdat er vanuit de praktijk signalen kwamen dat het begrip frontbreedte op een onwenselijke wijze werd geïnterpreteerd is gekozen voor het snel en expliciet omschrijven van de breedte van de ruimte waarin het vuurwerk aanwezig is. Aan de breedte van het vrijwaringsgebied wordt dus niets afgedaan zij het dan 5 meter voortaan ook als voldoende kan worden beschouwd. Voorkomen moet namelijk worden dat in de aanloop naar de verkoopperiode eind 2004 wordt geïnvesteerd in de aanpassing van bewaarplaatsen die gebaseerd zijn op een onjuiste interpretatie van het bestaande voorschrift.

Artikel IV

De verschillende tijdstippen van inwerkingtreding die op grond van dit artikel zijn voorzien voor de verbodsbepalingen van de verschillende stoffen, zijn ontleend aan de desbetreffende wijzigingsrichtlijnen. Het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV, onder D, hangt samen met de grondslag in de Wet milieubeheer van dat artikel

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Transponeringstabel

Richtlijn 2003/3/EG 
Artikel 1behoeft geen implementatie.
Artikel 2dit besluit en artikel II, eerste lid;
Artikel 3behoeft geen implementatie.
Artikel 4behoeft geen implementatie.
Bijlage, punt 43, lid 3artikelen 15a en b.
  
Richtlijn 2003/11/EG  
Artikel 1behoeft geen implementatie.
Artikel 2dit besluit en artikel II, tweede lid
Artikel 3behoeft geen implementatie.
Artikel 4behoeft geen implementatie.
Bijlageartikelen 15c.
  
Richtlijn 2003/53/EG  
Artikel 1behoeft geen implementatie.
Artikel 2behoeft geen implementatie.
Artikel 3dit besluit en artikel II, derde lid.
Artikel 4behoeft geen implementatie.
Bijlageartikelen 15d en 15e.

XNoot
1

Stb. 1998, 260, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 augustus 2003, Stb. 360.

XNoot
2

Stb. 2002, 33, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 januari 2004, Stb. 26.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.