Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2004, 130AMvB

Besluit van 25 maart 2004 tot vaststelling van de justitiële gegevens en tot regeling van de verstrekking van deze gegevens alsmede tot uitvoering van enkele bepalingen van de Wet justitiële gegevens (Besluit justitiële gegevens)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 20 februari 2004, nr. 5271210/04/6;

Gelet op de artikelen 2, tweede en derde lid, 4, vijfde lid, 8, vierde en vijfde lid, 9, eerste lid, 13, eerste lid, 25, 36, 39 en 49 van de Wet justitiële gegevens;

De Raad van State gehoord (advies van 24 maart 2004, nr. W03.04.0085/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 24 maart 2004, nr. 5278333/04/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet justitiële gegevens;

b. transactie: het voldoen aan de gestelde voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging, als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 36 en 37 van de Wet op de economische delicten;

c. sepot: de beslissing van het openbaar ministerie tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de zaak.

HOOFDSTUK 2

AFDELING 1 De justitiële gegevens

Artikel 2

Met betrekking tot misdrijven worden als justitiële gegevens aangemerkt de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan het proces-verbaal door het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie in behandeling is genomen.

Artikel 3

Met betrekking tot overtredingen worden als justitiële gegevens aangemerkt:

a. de in de artikelen 6 en 7, eerste lid, vermelde gegevens van zaken waarin het openbaar ministerie een beslissing tot afdoening van de zaak heeft genomen met uitzondering van de beslissing inzake de totstandkoming van een transactie die minder dan € 100,– beloopt alsmede de beslissing tot niet verdere vervolging van de zaak, tenzij voorwaarden zijn gesteld aan laatstgenoemde beslissing;

b. de in de artikelen 6 en 7, eerste lid, vermelde gegevens van zaken waarin de rechter een al dan niet herroepelijke beslissing heeft genomen voorzover een taakstraf of een vrijheidsstraf, anders dan vervangende, is opgelegd of een geldboete van minimaal € 100,– alsmede de zaken waarin een bijkomende straf is opgelegd.

Artikel 4

  • 1. In afwijking van artikel 3 worden met betrekking tot de in het tweede lid genoemde overtredingen als justitiële gegevens aangemerkt de in de artikelen 6 en 7 vermelde gegevens van zaken waarvan het proces-verbaal door het openbaar ministerie in behandeling is genomen.

  • 2. De overtredingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

    a. de overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen, genoemd in Titel I van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;

    b. de overtredingen betreffende de openbare orde, genoemd in Titel II van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;

    c. de overtredingen inzake fraude, bedoeld in de artikelen 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht;

    d. de overtreding betreffende de zeden, genoemd in Titel VI van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;

    e. de ambtsovertredingen, genoemd in Titel VIII van het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht;

    f. de overtredingen van de Wet op de economische delicten;

    g. de overtreding van artikel 30, eerste, tweede en vierde lid, juncto artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

    h. de overtreding van artikel 34, derde lid, juncto artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

    i. de overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

    j. de overtreding van de artikelen 19, 20, onderdeel a, 21, onderdeel a, en 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 juncto bord A1 of A3 van bijlage 1 voorzover het betreft motorrijtuigen, elk indien de maximumsnelheid met meer dan dertig kilometer per uur is overschreden;

    k. de overtreding van artikel 6.02, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement en artikel 5.01 Binnenvaartpolitiereglement juncto verkeersteken B6 of een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken als bedoeld in artikel 13 Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer voorzover het betreft kleine schepen, elk indien de maximumsnelheid met meer dan vijfentwintig kilometer per uur is overschreden;

    l. de overtredingen van de Vreemdelingenwet 2000;

    m. de overtredingen van de Wet op de kansspelen;

    n. de overtredingen van de Wet wapens en munitie;

    o. de overtredingen van de Drank- en Horecawet;

    p. de overtredingen van de Flora- en faunawet.

  • 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op zaken die door de procureur-generaal bij de Hoge Raad in behandeling zijn genomen en waarvan de Hoge Raad ingevolge artikel 76 in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis neemt.

Artikel 5

  • 1. Als justitiële gegevens worden aangemerkt:

    a. de transacties aangeboden door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie en van de Koninklijke marechaussee ter zake van overtredingen en misdrijven als bedoeld in de artikelen 30, eerste, tweede en vierde lid, en 34, derde lid, juncto artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

    b. de transacties aangeboden door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren terzake van misdrijven als bedoeld in de artikelen 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht alsmede van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 2. Artikel 7, eerste lid, onder h, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

  • 1. Met betrekking tot natuurlijke personen worden als justitiële gegevens aangemerkt:

    a. de geslachtsnaam en voorvoegsels;

    b. de voornaam of voornamen;

    c. het adres;

    d. de geboortegemeente of geboorteplaats alsmede het land van geboorte;

    e. de geboortedatum of, indien onbekend, het geboortejaar, en

    f. persoonsidentificerende nummers.

  • 2. Met betrekking tot rechtspersonen worden als justitiële gegevens aangemerkt:

    a. de naam;

    b. de rechtsvorm;

    c. de statutaire vestigingsplaats;

    d. de feitelijke plaats van vestiging, waaronder begrepen het adres en het land, en

    e. het nummer waaronder de onderneming overeenkomstig de Handelsregisterwet 1996 in het handelsregister is ingeschreven.

Artikel 7

  • 1. Voorzover van toepassing worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:

    a. alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;

    b. het parketnummer;

    c. de strafbepalingen van het strafbare feit;

    d. de kwalificatie van het strafbare feit;

    e. de maatschappelijke classificatie van het strafbare feit;

    f. de datum waarop of periode waarin het strafbare feit zich heeft voorgedaan;

    g. indien het feit is geseponeerd:

    1°. de datum van de beslissing;

    2°. de sepotcode en de bijkomende sepotgrond of sepotgronden;

    3°. de bij de beslissing tot voorwaardelijk seponeren gestelde voorwaarden;

    4°. de datum waarop aan alle gestelde voorwaarden is voldaan;

    h. indien de verdachte heeft voldaan aan de hem gestelde voorwaarden bij een transactie;

    1°. de inhoud van de gestelde voorwaarden;

    2°. de datum waarop aan alle gestelde voorwaarden is voldaan;

    i. indien een voorlopige maatregel op grond van de Wet op de economische delicten is opgelegd:

    1°. de aanduiding van de voorlopige maatregel;

    2°. de beëindiging, verlenging, wijziging, intrekking of opheffing;

    j. indien over het feit bij rechterlijke uitspraak is beslist:

    1°. het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan;

    2°. de datum van de uitspraak;

    3°. de inhoud van de uitspraak, waaronder de kwalificatie van het feit en de daarbij betrokken strafbepalingen;

    4°. alle voorwaarden die bij een beslissing zijn opgelegd;

    5°. de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden;

    6°. de datum van het vermoedelijke einde van een proeftijd;

    7°. de aanduiding of de uitspraak kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de wet alsmede de datum waarop dat gegeven niet langer als zodanig kan worden aangemerkt;

    k. indien de rechterlijke beslissing ten uitvoer is gelegd;

    1°. de datum en de wijze waarop de tenuitvoerlegging is beëindigd;

    2°. de datum en de wijze waarop de taakstraf of vrijheidsstraf is aangevangen en beëindigd;

    3°. indien de volledige tenuitvoerlegging niet is gerealiseerd, de datum van tenuitvoerlegging van de vervangende straf;

    l. de datum van invrijheidstelling.

  • 2. Als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2 en 4, worden voorts aangemerkt:

    a. het arrondissementsparket of ressortsparket dat de zaak in behandeling heeft genomen;

    b. de datum van ontvangst van het proces-verbaal bij het arrondissementsparket of ressortsparket;

    c. de datum waarop de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie de zaak in behandeling heeft genomen.

Artikel 8

  • 1. Indien gehele of gedeeltelijke gratie wordt verleend van de opgelegde straf of maatregel, worden de volgende gegevens als justitiële gegevens aangemerkt:

    a. de datum en het nummer van het daartoe strekkende koninklijk besluit;

    b. de aan het besluit verbonden bepalingen;

    c. de wijziging of de herroeping van een besluit tot het verlenen van gratie.

  • 2. Bij de toepassing van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen worden als justitiële gegevens tevens aangemerkt de in een andere Staat dan Nederland genomen beslissing als gevolg waarvan het recht tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechter van die Staat gewezen veroordeling geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen. Artikel 7, eerste lid, onder j, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9

  • 1. Op grond van internationale verplichtingen worden beslissingen die door andere dan Nederlandse rechters zijn gewezen als justitiële gegevens aangemerkt.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op strafrechtelijke afdoeningen van andere bevoegde autoriteiten die ter kennis zijn gekomen van Onze Minister en voorzover het feit waarvoor de straf is opgelegd in Nederland kan worden aangemerkt als een strafbaar feit.

  • 3. Artikel 7, eerste lid, onder j, is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2 Afkomst justitiële gegevens

Artikel 10

De justitiële gegevens kunnen uitsluitend afkomstig zijn van:

a. het openbaar ministerie;

b. de gerechten;

c. buitenlandse gerechten;

d. Onze Minister;

e. het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1, van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau;

f. opsporingsambtenaren.

HOOFDSTUK 3 De verstrekking van justitiële gegevens

AFDELING 1 Verstrekking van bepaalde gegevens

Paragraaf 1 Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak

Artikel 11

Justitiële gegevens, bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de wet, worden desgevraagd verstrekt aan de voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ten behoeve van de werkzaamheden die de commissie bij deze wet zijn opgedragen.

Paragraaf 2 Verstrekking ten behoeve van advies

Artikel 12

Justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de wet worden desgevraagd verstrekt aan:

a. Onze Minister ten behoeve van het geven van een positieve of negatieve verklaring aan buitenlandse autoriteiten over te verlenen visa;

b. Onze Minister ten behoeve van het verstrekken van bepaalde inlichtingen aan buitenlandse autoriteiten over aspirant-emigranten;

c. de burgemeesters voorzover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van een wettelijke verplichting tot het geven van advies over een bepaald persoon aan een ander bestuursorgaan,

d. de burgemeesters, indien deze gegevens op grond van een zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk zijn ten behoeve van het geven van advies aan een ander bestuursorgaan en het College bescherming persoonsgegevens ontheffing heeft verleend.

Paragraaf 3 Verstrekking ten behoeve van het nemen van bestuursbesluiten

Artikel 13
  • 1. Indien in een bij dit artikel aangewezen wet en de daarop berustende bepalingen met het oog op het nemen van besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht justitiële gegevens noodzakelijk zijn, worden aan de personen of colleges, die op grond van die wetten zijn belast met het nemen van die besluiten, desgevraagd justitiële gegevens verstrekt.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het bestuursorgaan dat beslist in administratief beroep.

  • 3. De wetten, bedoeld in het eerste lid, zijn:

    a. de Drank- en Horecawet;

    b. de Flora-en faunawet;

    c. de Wegenverkeerswet 1994;

    d. de Wet explosieven voor civiel gebruik;

    e. de Wet op de kansspelen;

    f. de Kaderwet dienstplicht.

  • 4. Indien in een algemene plaatselijke verordening in het kader van de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling gevolg wordt verbonden aan bepaalde onherroepelijke afdoeningen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2 Verstrekking van de gegevens in algemene zin

Paragraaf 1 Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak

Artikel 14

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ten behoeve van de taakvervulling van deze diensten.

Artikel 15

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten behoeve van de uitoefening van zijn wettelijk omschreven taak.

Artikel 16

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

a. Onze Minister ten behoeve van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in verband met de oprichting van een naamloze of besloten vennootschap;

b. Onze Minister en de burgemeesters voorzover dit noodzakelijk is in het kader van de beoordeling van een verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap;

c. Onze Minister voorzover dit noodzakelijk is voor het verwerken van deze gegevens in het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit;

d. Onze Minister en aan de korpschef van een regionaal politiekorps voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en van de Flora- en faunawet;

e. Onze Minister van Defensie en het hoofd van de Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet wapens en munitie.

Artikel 17
  • 1. Justitiële gegevens worden voorzover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken desgevraagd verstrekt aan:

    a. de directeur van de stichting en de reclasseringsinstelling, bedoeld in artikel 1, onder b en c, van de Reclasseringsregeling 1995;

    b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;

    c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de kinderbescherming;

    d. de gedragsdeskundigen die zijn belast met de opstelling van rapporten of adviezen als bedoeld in de artikelen 37, tweede en derde lid en 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen tevens kennis nemen van de justitiële gegevens betreffende misdrijven tegen de zeden, bedoeld in artikel 4 van de wet.

Artikel 18

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, voorzover zij deze behoeven:

a. voor de selectie en bejegening van personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt;

b. voor het nemen van beslissingen over het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof.

Artikel 19

Justitiële gegevens worden ten behoeve van de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 desgevraagd verstrekt aan:

a. Onze Minister;

b. de personen, bedoeld in de artikelen 46 en 47 van de Vreemdelingenwet 2000;

c. de voorzitter van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, bedoeld in artikel 2 van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 20

Justitiële gegevens worden ten behoeve van de uitvoering van de Paspoortwet desgevraagd verstrekt aan:

a. de autoriteiten, bedoeld in artikel 24 van die wet, in verband met het doen van een verzoek tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument;

b. de autoriteiten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van die wet, in verband met het vermelden van een persoon in het op grond van dat artikel bijgehouden register;

c. de autoriteiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van die wet, in verband met het nemen van een beslissing tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument.

Artikel 21

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

a. de hulpofficier van justitie ten behoeve van de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet alsmede de hulpofficier van justitie van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet;

b. het hoofd van de divisie Recherche van het Korps landelijke politiediensten ten behoeve van het controleren van de juistheid van de gegevens uit de politieregisters, die op grond van een verzoek om rechtshulp door autoriteiten van een vreemde staat, als bedoeld in artikel 552h van het Wetboek van Strafvordering, al dan niet namens de officier van justitie worden verstrekt;

c. het hoofd van de divisie Recherche van het Korps landelijke politiediensten, of ingeval van rechtstreekse verstrekking de korpschef of de commandant van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van het controleren van de juistheid van de gegevens uit de politieregisters, die zonder een daartoe strekkend verzoek op grond van artikel 13 van het Besluit politieregisters aan politie-autoriteiten in een ander land worden verstrekt;

d. het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, voorzover dit noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of de ongebruikelijke transacties van belang zijn voor de voorkoming en opsporing van misdrijven;

e. de korpschef van het Korps landelijke politiediensten voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van artikel 8 van de Europol-Overeenkomst;

f. de commandant van de Koninklijke marechaussee voorzover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.

Artikel 22

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

a. de contactambtenaren bedoeld in artikel 58 van de Wet op de economische delicten, ten behoeve van de hun als zodanig opgedragen werkzaamheden;

b. de daartoe bevoegde buitengewone opsporingsambtenaren van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat alsmede aan de met opsporing belaste ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering terzake van overtredingen van de artikelen 30, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 34, derde lid, juncto artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voorzover zij deze nodig hebben voor de uitoefening van hun taak bij het aanbieden van transacties;

c. de daartoe bevoegde buitengewone opsporingsambtenaren van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, terzake van overtreding van de artikelen, genoemd in artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, artikel 31 van de Wet goederenvervoer over de weg, artikel 5.3.15 juncto 5.1.1, eerste lid, onder c van het Voertuigreglement en artikel 2, eerste en tweede lid van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voorzover zij deze gegevens nodig hebben voor de beoordeling van de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 23, van het Besluit personenvervoer 2000 en artikel 18 van het Besluit goederenvervoer over de weg.

Paragraaf 2 Verstrekking ten behoeve van het aannemen en ontslag van personeel

Artikel 23
  • 1. Justitiële gegevens worden met het oog op het bij wettelijk voorschrift geregelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon die in aanmerking wil komen voor een functie bij een ambtelijke dienst voorzover de functie bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, desgevraagd verstrekt aan:

    a. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking;

    b. de korpsbeheerder van een regionaal politiekorps voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij dat korps;

    c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij het Korps landelijke politiediensten;

    d. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij de Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV;

    e. de raad van toezicht van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum, voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;

    f. het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum, voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking als ambtenaar als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;

    g. Onze Minister voorzover het betreft de personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking als bijzondere ambtenaar van politie;

    h. Onze Minister van Buitenlandse Zaken voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij de Dienst Buitenlandse Zaken;

    i. de directeur-generaal Belastingdienst, voorzover het betreft de boete- en fraudecoördinator, de contactambtenaar Algemene wet inzake rijksbelastingen, de medewerkers fraudeteam en de autorisatiebeheerder en toepassingsbeheerder;

    j. de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst Economische controledienst voorzover het betreft de personen die in aanmerking willen komen voor de functie van opsporingsambtenaar;

    k. het hoofd van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorzover het betreft de personen die in aanmerking willen komen voor de functie van opsporingsambtenaar;

    l. het hoofd van de opsporingsafdelingen bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Vervoer voorzover het betreft de personen die in aanmerking willen komen voor de functie van opsporingsambtenaar;

    m. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de directeur van een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers, de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 2, aanhef, onder 1, van het Reglement regime grenslogies alsmede de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voorzover het betreft personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien op grond van een wettelijk voorschrift gedurende het dienstverband bij een ambtelijke dienst een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van een persoon wordt gedaan.

Artikel 24

Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan Onze Minister ten behoeve van:

a. het nemen van de beslissingen over de betrouwbaarheid van buitengewone opsporingsambtenaren;

b. het onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een functie bij de rechtsprekende macht of als rechterlijk ambtenaar bij het openbaar ministerie.

Artikel 25

Justitiële gegevens worden ten behoeve van de toelating tot de inrichting van personen, die niet worden ingesloten in de inrichting respectievelijk voorziening, voorzover dat noodzakelijk is voor de orde of de veiligheid van de inrichting of de voorziening desgevraagd verstrekt aan:

a. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet;

b. de directeur van een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

c. de directeur van een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers;

d. de directeur van een grenslogies als bedoeld in artikel 2, aanhef, onder 1, van het Reglement regime grenslogies;

e. de directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel 26
  • 1. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

    a. de directeur van het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer BV ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij deze rechtspersoon of bij het Nederlands Interprofessioneel Effectencentrum NIEC BV of die al een dienstbetrekking bij een van deze rechtspersonen vervullen, maar in aanmerking willen komen voor een andere dienstbetrekking bij een van deze rechtspersonen alsmede ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij de hiervoor genoemde rechtspersonen werkzaamheden gaan verrichten gedurende een zo lange periode dat hun positie kan worden gelijkgesteld met die van werknemers in dienstverband;

    b. de President van De Nederlandsche Bank N.V. ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij deze rechtspersoon of bij de Europese Centrale Bank of die reeds een dienstbetrekking bij deze rechtspersoon of bij de Europese Centrale Bank vervullen, maar in aanmerking willen komen voor een andere dienstbetrekking bij die rechtspersoon of de Europese Centrale Bank, alsmede ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij de hiervoor genoemde rechtspersonen werkzaamheden gaan verrichten gedurende een zodanige lange periode dat hun positie kan worden gelijkgesteld met die van werknemers in dienstverband;

    c. de President van De Nederlandsche Bank N.V. ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die naar aanleiding van een overeenkomst met De Nederlandsche Bank N.V. worden belast met het vervoer van bankbiljetten, munten of halffabrikaten die worden gebruikt bij de vervaardiging van bankbiljetten of munten;

    d. de directeur van Joh. Enschedé Facilities BV ten behoeve van onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van personen die belast zijn met het produceren van bankbiljetten en waardepapieren;

    e. de voorzitter van de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij dit bestuursorgaan of die reeds een dienstbetrekking vervullen bij dit bestuursorgaan, maar die in aanmerking willen komen voor een andere dienstbetrekking bij dit bestuursorgaan, alsmede ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die bij dit bestuursorgaan werkzaamheden gaan verrichten gedurende een zo lange periode dat hun positie kan worden gelijkgesteld met die van werknemers in dienstverband.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met het oog op het nemen van beslissingen over het ontslag van personeel.

Artikel 27
  • 1. Justitiële gegevens worden ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een dienstbetrekking bij de genoemde organisaties desgevraagd verstrekt aan:

    a. het hoofd van de Dienst Bedrijfsbeveiliging van de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij NV;

    b. de directeur van SDU Identification bv.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met het oog op het nemen van beslissingen over het ontslag van personeel.

Artikel 28
  • 1. Er worden geen verstrekkingen als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 27 gedaan dan nadat de persoon, instantie, dienst of organisatie die om de gegevens verzoekt een ondertekende verklaring van betrokkene heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij toestemming voor de verstrekking geeft en op de hoogte is van de wijze waarop met de justitiële gegevens wordt omgegaan.

  • 2. De persoon, instantie, dienst, college of organisatie die overeenkomstig deze paragraaf justitiële gegevens heeft ontvangen doet van deze gegevens en de gevolgen die de persoon, instantie, dienst of organisatie voornemens is daaraan te verbinden schriftelijk mededeling aan de betrokkene en stelt hem in het geval bedenkingen van hem zijn te verwachten, in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

Paragraaf 3 Verstrekking ten behoeve van advies, aanbeveling of voordracht van personen

Artikel 29
  • 1. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

    a. de voorzitter van de commissies die zijn belast met de selectie van personen die in aanmerking willen komen voor een functie bij de rechtsprekende macht of als rechterlijk ambtenaar bij het Openbaar Ministerie, ten behoeve van onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van die personen;

    b. de personen belast met het opmaken van een aanbeveling voor de vervulling van het ambt van Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, ten behoeve van het opmaken van zodanige aanbeveling;

    c. de voorzitters van de kamers van toezicht ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een benoeming tot notaris;

  • 2. Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30
  • 1. Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan:

    a. de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie ten behoeve van de voordracht die wordt gedaan met het oog op de benoeming van een minister of staatssecretaris;

    b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de voordracht voor benoeming van de commissaris van de Koningin;

    c. de commissaris van de Koningin ten behoeve van het dienen van advies:

    1°. inzake de benoeming van burgemeesters;

    2°. inzake de verlening van een koninklijke onderscheiding aan een burgemeester op grond van het Reglement op de orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau;

    d. de burgemeester ten behoeve van zijn adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau;

    e. Onze Minister van Defensie met het oog op de toekenning van bij koninklijk besluit te verlenen onderscheidingen.

  • 2. Met het oog op de adviserende bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder c, onder 2° en onder d, kunnen justitiële gegevens betreffende misdrijven tegen de zeden, bedoeld in artikel 4 van de wet worden verstrekt.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, onder 1°, is artikel 28 van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 3 Machtiging

Artikel 31

  • 1. De personen, instanties of colleges, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid van de wet en in hoofdstuk 3, aan wie justitiële gegevens worden verstrekt kunnen onder hen ressorterend personeel machtigen tot het doen van een verzoek om justitiële gegevens. In dat geval wordt de machtiging in het verzoek om inlichtingen vermeld.

  • 2. In de gevallen waarin op grond van dit besluit de burgemeester bevoegd is om justitiële gegevens te vragen, kan hij de korpschef in wiens regio de gemeente is gelegen, machtigen tot het doen van een verzoek om de betreffende gegevens.

HOOFDSTUK 4 De verklaring omtrent het gedrag

Artikel 32

Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag kennis nemen van de justitiële gegevens betreffende misdrijven tegen de zeden, bedoeld in artikel 4 van de wet.

Artikel 33

  • 1. Onze Minister neemt bij zijn onderzoek als bedoeld in artikel 39 van de wet in het kader van de beoordeling van de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Besluit goederenvervoer over de weg en artikel 22, eerste lid, 23, eerste lid, en 30, vierde lid, 76.1 van het Besluit personenvervoer 2000 uitsluitend kennis van de gegevens bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van de Wet.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de beoordeling van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag in het kader van de beoordeling van de eis van betrouwbaarheid van de vervoerder of bestuurder van één of meer taxi's.

HOOFDSTUK 5 Afkomst van de rapporten die persoonsdossiers vormen

Artikel 34

De rapporten die het persoonsdossier vormen zijn afkomstig van:

a. een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 4 van de Reclasseringsregeling 1995;

b. de raad voor de kinderbescherming;

c. een gezinsvoogdij-instelling als bedoeld in artikel 60 van de Wet op de jeugdhulpverlening;

d. een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet;

e. een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

f. een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

g. Onze Minister.

De verstrekking van afschriften van rapporten uit persoonsdossiers

Artikel 35

Afschriften van rapporten uit een persoonsdossier worden verstrekt aan:

a. de directeur van een gezinsvoogdij-instelling ten behoeve van het verlenen van hulp en steun aan jeugdigen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens een strafbaar feit of ten aanzien van wie op grond van bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering voorwaarden zijn gesteld;

b. Onze Minister ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport met het oog op een juiste toepassing van het strafrecht.

HOOFDSTUK 6 Kosten

Artikel 36

  • 1. Voor een mededeling als bedoeld in artikel 18, 19, 43 of 44 van de wet is een vergoeding van € 4,54 verschuldigd.

  • 2. Onze Minister neemt een aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag eerst in behandeling nadat de bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor de kosten van deze behandeling is ontvangen.

HOOFDSTUK 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 37

De volgende besluiten, regelingen en beschikkingen worden ingetrokken:

a. het Besluit registratie justitiële gegevens1;

b. het Besluit inlichtingen justitiële documentatie2;

c. het Besluit inlichtingen strafregisters3;

d. het Besluit van 30 januari 1956 betreffende uitvoeringsvoorschriften ten aanzien van de verklaringen omtrent het gedrag4;

e. het Besluit van 20 februari 1958 betreffende de samenstelling van de commissies van advies inzake de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag5;

f. de Regeling van 10 december 1993, Stcrt. 250;

g. de Regeling van 23 maart 1994, Stcrt. 65, houdende de aanwijzing van de beheerder van de afdeling van de justitiële documentatiedienst ten departementen;

h. de beschikking van de Minister van Justitie van 16 april 1951, Stcrt. 76.

i. de beschikking van de Minister van Justitie van 10 november 1958, Stcrt. 221

j. de beschikking van de Minister van Justitie van 10 november 1958, Stcrt. 223;

k. de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publieke Bedrijfsorganisaties van 15 januari 1959, Stcrt. 24;

l. de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 december 1972, Stcrt. 250.

Artikel 38

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het zesde lid wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

b. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.

c. Het negende lid komt te luiden:

  • 9. Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

d. In het elfde lid wordt «antecedentenonderzoek» vervangen door: onderzoek als bedoeld in het zevende lid.

2. Artikel 9a komt te luiden:

Artikel 9a

Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.

Artikel 39

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het zesde lid wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

b. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.

c. Het negende lid komt te luiden:

  • 9. Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

d. In het elfde lid wordt «antecedentenonderzoek» vervangen door: onderzoek als bedoeld in het zevende lid.

2. Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8

Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 7, zevende lid, nodig is.

Artikel 40

Het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie8 wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 7, tweede lid, onder b, wordt «het antecedentenonderzoek, genoemd in artikel 9» vervangen door: een onderzoek als bedoeld in artikel 9.

b. Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van het geval, bedoeld in het tweede lid, van de betrokkene eisen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens overlegt.

  • 2. Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet is afgegeven.

Artikel 41

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het zesde lid, wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

b. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan Onze Minister justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.

c. Het negende lid komt te luiden:

  • 9. Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.

d. In het elfde lid wordt «antecedentenonderzoek» vervangen door: onderzoek als bedoeld in het zevende lid.

2. Artikel 23a komt te luiden:

Artikel 23a

Bij wijziging van omstandigheden, zoals bij omzetting van een tijdelijke in een vaste aanstelling of bij plaatsing of tijdelijke tewerkstelling in een andere functie, niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, kan een verklaring omtrent het gedrag verlangd worden of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, kan om justitiële gegevens worden verzocht, indien de wijziging van omstandigheden zodanig is dat dat nodig is.

3. In artikel 119 wordt «de artikelen 23, eerste, zevende tot en met negende en elfde lid, alsmede 48» vervangen door: de artikelen 23, eerste, zesde tot en met negende en elfde lid, alsmede 48.

Artikel 42

Het Besluit algemene rechtspositie politie10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 8a komt te luiden:

Artikel 8a

  • 1. Aanstelling als ambtenaar is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar blijkt te bestaan tegen diens aanstelling.

  • 2. Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien:

    a. het een aanstelling betreft in een functie waarin technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie worden uitgevoerd, in een functie bij het LSOP of ITO als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of als vakantiewerker en het bevoegde gezag heeft bepaald dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens is vereist, of

    b. het een functie betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

  • 4. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld nadat het bevoegde gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.

2. In artikel 8b, eerste lid, wordt «een antecedentenonderzoek» vervangen door: een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid,.

3. De eerste zin van artikel 8c komt te luiden:

Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de artikelen 8a en 8b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters.

Artikel 43

Het Besluit rechtspositie vrijwillige politie11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 4a komt als volgt te luiden:

Artikel 4a

  • 1. Aanstelling als vrijwillige ambtenaar van politie in opleiding is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar blijkt te bestaan tegen diens aanstelling.

  • 2. Ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, vraagt het bevoegde gezag om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters, tenzij het een functie betreft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

  • 3. Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, of een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld nadat het bevoegde gezag de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.

2. In artikel 4b, eerste lid, wordt «een antecedentenonderzoek» vervangen door: een onderzoek als bedoeld in artikel 4a, eerste lid,.

3. De eerste zin van artikel 4c komt te luiden:

Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het in de artikelen 4a en 4b bedoelde onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid voor zover ten behoeve van dat onderzoek wordt gevraagd om verstrekking van justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens en om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 14 van het Besluit politieregisters.

Artikel 44

Artikel 14, eerste lid, onder u, van het Besluit politieregisters12 komt te luiden:

u. het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit algemene rechtspositie politie en het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, voorzover zij deze behoeven voor het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, of voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van personen die anderszins werkzaamheden verrichten voor een politiekorps, de Organisatie Informatie- en Communicatietechnologie OOV, het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum of de Rijksrecherche en waarvoor die gezagsinstanties justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens vragen;

Artikel 45

In artikel 18, eerste lid, van het Besluit goederenvervoer over de weg13, wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

Artikel 46

In de artikelen 22, eerste lid, en 76, eerste lid, onder c, van het Besluit personenvervoer 200014, wordt «als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens.

Artikel 47

In artikel 13, onder e, van de Penitentiaire maatregel15 wordt «Besluit inlichtingen justitiële documentatie» vervangen door: Besluit justitiële gegevens.

Artikel 48

In artikel I-B3, van het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel16, wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

Artikel 49

In artikel 10, onder e, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden17, wordt «Besluit inlichtingen justitiële documentatie» vervangen door: Besluit justitiële gegevens.

Artikel 50

In artikel 2, van het Besluit van 2 april 1976 van de Minister van Justitie (Stcrt. 81) wordt « ingevolge de artikelen 19 en volgende van de Wet op de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens.

Artikel 51

In artikel 2 van het Besluit van 31 juli 1979 van de Minister van Justitie (Stcrt. 159) wordt «ingevolge de artikelen 19 en volgende van de Wet op de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens.

Artikel 52

De gegevens die voor de inwerkingtreding van de wet overeenkomstig een wettelijk voorschrift door de justitiële documentatiedienst waren geregistreerd worden op het moment van inwerkingtreding aangemerkt als justitiële gegevens.

Artikel 53

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet justitiële gegevens in werking treedt met uitzondering van artikel 7, eerste lid, onder k, dat in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 54

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit justitiële gegevens.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 25 maart 2004

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de eenendertigste maart 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet van 7 november 2002 tot wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens), Stb. 552 moeten bij algemene maatregel van bestuur de gegevens worden aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt. Voorts is van belang dat ter uitvoering van de artikelen 9 en 13 wordt aangegeven aan welke personen of instanties welke justitiële gegevens worden verstrekt.

De aanwijzing van justitiële gegevens

Bij de regeling van de aanwijzing van de gegevens die als justitiële gegevens worden aangemerkt is het uitgangspunt dat de informatie die voorheen in de Centrale Justitiële Documentatie werd geregistreerd in ieder geval blijft gehandhaafd. Dit houdt in dat de regelingen in het Besluit registratie justitiële gegevens in het onderhavige besluit zijn overgenomen. Wel is ernaar gestreefd om de regelingen inzichtelijker te maken. Zo waren in het Besluit registratie justitiële gegevens veel opsommingen gegeven van delicten die op enigerlei wijze worden geregistreerd. In het onderhavige besluit is een clustering aangebracht van de te registreren gegevens. Dit leidt ertoe dat meer delicten worden geregistreerd dan voorheen. Gelet op het belang van de officier van justitie en de rechter om met het oog op het formuleren van een strafeis respectievelijk het bepalen van de strafmaat in een procedure een compleet inzicht te hebben in het strafrechtelijk verleden van betrokkene is ervoor gekozen een zekere uitbreiding van de te registreren gegevens op te nemen.

Bij de aanwijzing van de gegevens als justitiële gegevens is als uitgangspunt aangesloten bij het systeem van registratie van gegevens in het oude Besluit. Dit houdt in dat in beginsel alle misdrijven worden voorgedocumenteerd. Dit betekent dat nader aan te duiden gegevens met betrekking tot delicten worden geregistreerd in de Centrale Justitiële Documentatie nadat de processen-verbaal bij de officier van justitie zijn binnengekomen. Vervolgens worden alle afdoeningen van deze misdrijven geregistreerd. Daarbij gaat het niet alleen om de afdoeningen door de rechter, maar ook om die van de officier van justitie.

Anders dan op grond van artikel 1, onder a, van het Besluit registratie justitiële gegevens nodig was, wordt niet meer bepaald dat het moet gaan om zaken waarvan een rechtbank anders dan ingevolge artikel 382, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Stafvordering, in eerste aanleg kennis neemt. Deze bepaling was met invoering van de wetten die betrekking hebben op de reorganisatie van de rechterlijke macht niet goed aangepast. Bedoeld is aan te sluiten bij het daarvoor geldende artikel 56 van de Wet op de rechterlijke organisatie waarin was bepaald welke zaken in eerste aanleg door de rechtbank worden behandeld. Feitelijk kwam het erop neer dat de gegevens van zaken met betrekking tot alle misdrijven werden voorgedocumenteerd. Door de formulering van de bepaling werden ook bepaalde overtredingen voorgedocumenteerd. Voorzover de voordocumentatie van deze overtredingen nog steeds van belang is, zijn deze opgenomen in artikel 4. Het betreft de registratie van bepaalde ambtsovertredingen en de overtredingen op grond van de Wet op de economische delicten. Wat betreft de economische delicten wordt de voordocumentatie iets verruimd. Deze verruiming wordt gerechtvaardigd door het gewicht dat aan economische delicten moet worden toegekend. Overtredingen terzake van belastingen worden niet langer voorgedocumenteerd. De reden daarvan is dat een groot aantal overtredingen van deze voordocumentatie in artikel 6 van het Besluit registratie justitiële gegevens was uitgesloten.

De overtreding van artikel 19 van de Wet afbreking zwangerschap wordt niet langer voorgedocumenteerd. Het belang daarvan wordt niet langer ingezien.

De afdoeningen overeenkomstig het jeugdstrafrecht werden vanwege een onduidelijke formulering in het oude besluit al gedurende lange tijd geregistreerd conform het strafrecht voor volwassenen.

De gegevens van overtredingen worden in beginsel nagedocumenteerd. Dit betekent dat een overtreding pas in de Centrale Justitiële Documentatie wordt geregistreerd, indien de rechter de zaak heeft afgedaan met oplegging van een niet al te lichte straf. De afdoening van de officier van justitie wordt alleen geregistreerd, indien een transactie tot stand is gekomen waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt. Sommige overtredingen worden echter ook voorgedocumenteerd. Hierop wordt nader ingegaan bij de artikelsgewijze toelichting.

In het onderhavige besluit is afgezien van de bijzondere regeling van nadocumentatie zoals was opgenomen in artikel 2, onder 4, onder a, van het oude Besluit registratie justitiële gegevens. Deze regeling hield in dat de onherroepelijke veroordelingen van overtredingen van bepaalde wetten werden nagedocumenteerd ongeacht de hoogte van de straf. In deze gevallen was dus de regel dat alleen de zaken waarvan op grond van de hoogte van de straf kon worden aangenomen dat een ernstig feit was gepleegd, verlaten. Voorts werden volgens deze bijzondere regeling de afdoeningen van de officier van justitie geregistreerd overeenkomstig de algemene nadocumentatieregeling. De reden van deze bijzondere regeling was dat het met het oog op de wettelijk neergelegde recidivebepaling noodzakelijk was om alle onherroepelijke veroordelingen te registreren.

In het onderhavige besluit is ervoor gekozen om in een dergelijk geval de overtreding voor te documenteren, indien dit noodzakelijk is. Dat heeft ertoe geleid dat de overtredingen van de Drank- en Horecawet nu worden voorgedocumenteerd. De overtredingen van de Leerplichtwet 1969 en de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde zijn onderworpen aan de gewone regeling van nadocumentatie. De overige wetten zijn ingetrokken.

De registratie van zaken die voor de militaire rechter konden komen, zoals geregeld in artikel 2, onderdelen 6, 7 en 8, van het Besluit registratie justitiële gegevens komt niet meer als afzonderlijke regeling terug. Sinds de militaire rechtspraak is geïntegreerd met het commune strafrecht bestaat aan een afzonderlijke regeling geen behoefte meer. Destijds is verzuimd dit aan te passen. De registratie van gegevens met betrekking tot militaire zaken geschiedt sinds de integratie geheel conform de regeling van registratie van «gewone» delicten. Dit is thans in het onderhavige besluit bestendigd.

Op grond van artikel 2, onderdeel 9, van het Besluit registratie justitiële gegevens werden de transacties die zijn gesloten door De Nederlandsche Bank N.V. te Amsterdam en door de directeurs der rijksbelastingen op grond van de bevoegdheid hen toegekend bij Besluit van 1 mei 1951, Stcrt. 90 geregistreerd. Deze bepaling is geschrapt. Sinds de inwerkingtreding van het Besluit registratie justitiële gegevens in 1959 zijn deze transacties nimmer aangeboden voor registratie. Aangezien aan registratie geen behoefte blijkt te bestaan is deze bepaling niet opgenomen in het onderhavige besluit.

De verstrekking van justitiële gegevens

Justitiële gegevens worden volgens art. 8 van de wet primair verstrekt ten behoeve van rechterlijke ambtenaren en daarmee gelijk te stellen personen binnen het Koninkrijk. Deze gegevens zijn immers onontbeerlijk bij de ondersteuning van het werk van het openbaar ministerie en de rechtsprekende macht. De officier van justitie heeft de gegevens nodig bij het formuleren van zijn eis en de rechter gebruikt de gegevens als elementen voor de bepaling van de hoogte van de straf.

Anderen kunnen ook justitiële gegevens ontvangen als een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover een goede taakuitoefening van degene aan wie de justitiële gegevens worden verstrekt dit noodzakelijk maakt.

De Wet justitiële gegevens regelt in de artikelen 9, 13 en 14 een steeds ruimer wordend verstrekkingenregiem. In veel gevallen maakt de verklaring omtrent het gedrag ook onderdeel uit van dit regiem. De grondslag van de concrete gegevensverstrekking is steeds dezelfde maar het type gegevens dat wordt verstrekt is afhankelijk van de noodzaak om meer of minder gegevens te ontvangen naar gelang het doel waarvoor de gegevens dienen. In dit besluit wordt geregeld aan wie, voor welk doel en welke gegevens mogen worden verstrekt. Dit is in overeenstemming met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), op grond waarvan bij inmenging van de persoonlijke levenssfeer het beginsel van subsidiariteit en proportionaliteit in acht moet worden genomen.

Dat wil zeggen dat het doel waarvoor de gegevens worden verstrekt, niet op een andere, minder nadelige manier voor de bij de verstrekking van persoonsgegevens betrokkene, kan worden bereikt, en dat bovendien de inbreuk op de belangen van de bij de verstrekking van persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verstrekking te dienen doel.

Is het doel waarvoor gegevens nodig zijn screening van (aankomend) personeel dan betekent het bovenstaande systeem het volgende.

De minst belastende vorm van screening is de verklaring omtrent het gedrag. De screening wordt namelijk niet uitgevoerd door de belanghebbende, maar door de Minister van Justitie, die op afstand van de belanghebbende staat en dus beter is staat is een objectief oordeel te geven. Bovendien biedt de verklaring omtrent het gedrag maximale bescherming van de persoonlijke levenssfeer, aangezien deze geen opsomming van strafrechtelijke gegevens bevat.

Een ingrijpender inbreuk in de privacy is het verstrekken van concrete justitiële gegevens aan degenen die van mening zijn dat een verklaring omtrent het gedrag onvoldoende tegemoet komt aan de screeningsbehoefte. Dit moet wel worden aangetoond. Aangegeven zal moeten worden dat de weging die ten grondslag ligt aan de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag niet afdoende is om inzicht te krijgen in de strafrechtelijke integriteit van de betrokkene. Dit zal niet eenvoudig zijn. Immers, de afwegingen in het kader van de verklaring omtrent het gedrag zijn gebaseerd op justitiële en politiële gegevens. Deze screening gaat dus verder dan de screening die de werkgever kan verrichten op basis van uitsluitend justitiële gegevens.

Dat meer dan vroeger in het kader van de screening volstaan kan worden met de verklaring omtrent het gedrag heeft er mee te maken dat, zoals hierboven is aangestipt, aan de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag een veel zwaardere beoordeling van de strafrechtelijke integriteit ten grondslag ligt dan vroeger. Onder het oude recht baseerde de burgemeester, die toen nog bevoegd was tot afgifte van de verklaring, zijn oordeel namelijk op uitsluitend de gegevens die waren geregistreerd in het strafregister. Dat betekende dat alleen kennis werd genomen van de veroordelingen door de rechter die niet ouder waren dan acht jaar. In sommige gevallen konden ook gegevens uit het politieregister worden meegewogen.

Met het oog op de beoordeling van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag nieuwe stijl wordt de screening gebaseerd op veel meer gegevens dan vroeger het geval was. Bij de beoordeling worden alle justitiële gegevens, dus niet alleen veroordelingen, maar ook alle andere afdoeningsvormen (sepots en transacties) betrokken. Daarbij wordt niet meer de beperking opgelegd dat de gegevens niet ouder mogen zijn dan acht jaar. Bovendien kan bij het openbaar ministerie navraag worden gedaan naar de zaak waarop het geregistreerde gegeven betrekking heeft. Behalve de justitiële gegevens worden ook de politiegegevens bij de afweging betrokken. Dit heeft tot gevolg dat op basis van de nieuwe regeling de strafrechtelijke integriteit op een veel genuanceerdere wijze dan voorheen kan worden beoordeeld.

In de oude besluiten inlichtingen strafregister en inlichtingen justitiële documentatie waren nogal wat personen en instanties opgenomen aan wie gegevens werden verstrekt ten behoeve van de screening van toekomstig personeel. Aan betrokkenen is aan het eind van 2002 informatie gestuurd over de nieuwe Wet justitiële gegevens en de inhoud en de procedure van de verklaring omtrent het gedrag nieuwe stijl. Uitgangspunt hierbij is geweest dat wie onder het oude recht gerechtigd was inlichtingen te ontvangen ten behoeve van het screenen van hun (toekomstig) personeel na inwerkingtreding van de Wet justitiële gegevens de screening zou moeten laten plaatsvinden op basis van de verklaring omtrent het gedrag. Deze informatie bevatte niet alleen een uitleg over de inhoud van en de bredere waarborgen voor een betrouwbare verklaring alsmede de nieuwe procedure, maar ook een verzoek aan degenen die van mening bleven dat zij de gegevens moesten blijven ontvangen, dit met redenen omkleed te melden. Met vele betrokkenen is op grond van hun verzoek om de gegevens te mogen blijven ontvangen een gesprek gevoerd. Dit heeft geresulteerd in een drastisch terugdringen van het aantal inlichtingengerechtigden. Het geldt met name de personen en instanties die voor het screenen van personeel op grond van het Besluit inlichtingen strafregisters aangewezen waren op het verkrijgen van uitsluitend veroordelingen. Als voorbeeld kan genoemd worden de verstrekking van gegevens over veroordelingen ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van tolken en vertalers die in aanmerking willen komen voor de verlening van hun diensten ten behoeve van justitiële werkzaamheden. Het schrappen van deze mogelijkheid betekent niet dat niet langer meer gescreend kan worden, maar dat volstaan kan worden met de verklaring omtrent het gedrag.

De personen en instanties die in het besluit gerechtigd zijn justitiële gegevens te (blijven) ontvangen, zijn te onderscheiden in een aantal groepen. Het gaat in de eerste plaats om het screenen van personeel bij diensten die een belangrijk veiligheidsrisico inhouden. Daarbij speelt niet alleen weging van het strafrechtelijk verleden een rol maar is het noodzakelijk dat ook andere gegevens meegenomen worden om op basis van een totale balans een oordeel te kunnen vormen over de betrouwbaarheid en de geschiktheid van de persoon. Tot deze groep behoren onder andere de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Koninklijke marechaussee en de organisaties in de sector Politie. Ook andere dan specifieke overheidsdiensten die voor het screenen van hun (aankomend) personeel te maken krijgen met uitzonderlijke risico's die niet alleen gedekt kunnen worden door de weging van het strafrechtelijk verleden van iemand tegenover de veiligheidsrisico's die een bepaald beroep met zich brengt kunnen de beschikking krijgen over justitiële gegevens. Indien dit het geval is moeten deze worden opgenomen in het onderhavige besluit. Hieronder is voor de specifieke gevallen aangegeven waarom justitiële gegevens worden verstrekt.

De opbouw van het besluit is als volgt:

Hoofdstuk 1 algemeen

Hoofdstuk 2

Afdeling 1 De justitiële gegevens

Afdeling 2 Afkomst justitiële gegevens

Hoofdstuk 3 De verstrekking van justitiële gegevens

Afdeling 1 Verstrekking van bepaalde gegevens

Paragraaf 1 Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak

Paragraaf 2 Verstrekking ten behoeve van advies

Paragraaf 3 Verstrekking ten behoeve van het nemen van bestuursbesluiten

Afdeling 2 Verstrekking van de gegevens in algemene zin

Paragraaf 1 Verstrekking ten behoeve van het uitoefenen van de taak

Paragraaf 2 Verstrekking ten behoeve van het aannemen en ontslag van personeel

Paragraaf 3 Verstrekking ten behoeve van advies, aanbeveling of voordracht van personen

Afdeling 3 Machtiging

Hoofdstuk 4 De verklaring omtrent het gedrag

Hoofdstuk 5 De verstrekking van afschriften van rapporten uit persoonsdossiers

Hoofdstuk 6 Kosten

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Advisering

Op 3 november 2003 heeft het College bescherming persoonsgegevens (CBP) advies uitgebracht over een concept van het onderhavige besluit. Het College geeft aan in het algemeen van oordeel te zijn dat het ontwerpbesluit een zorgvuldige uitwerking van de materie is. Voor drie onderwerpen vraagt het College aandacht. Ten eerste beveelt het College aan om in de Wet justitiële gegevens een nadere precisering van de verstrekkingsgrondslagen op te nemen. Dit punt is hier niet aan de orde. Het College adviseert voorts om de toetsingscriteria voor de betrouwbaarheidsonderzoeken op grond van de financiële toezichtswetten in artikel 25 te uniformeren. Daarbij verwijst het College naar artikel 2 van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen. In dit artikel wordt bepaald dat het op grond van de antecedenten van de bestuurder van een beleggingsinstelling niet waarschijnlijk moet zijn dat de belangen van de deelnemers zullen worden geschaad of dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde zal worden gehandeld. Anders dan bij de financiële toezichtswetten gaat het in artikel 25 om degenen die in aanmerking willen komen voor een willekeurige dienstbetrekking bij een financiële instelling, een toezichthouder of bij een rechtspersoon. Concreet betekent dit dat de organisaties, genoemd in artikel 25, aankomend personeel kunnen screenen. Het gaat dus niet om het screenen van de beleidsbepalers van een financiële instelling door een derde. Evenals in de andere gevallen in dit besluit die betrekking hebben op het screenen van sollicitanten, heeft de screening van degenen die bij een van de in artikel 25 genoemde instellingen willen gaan werken, betrekking op het risico dat betrokkene, gelet op de functie die hij wil uitoefenen in relatie tot zijn strafrechtelijk verleden, criminele activiteiten zal gaan plegen dat kan leiden tot een zodanig gebrek aan vertrouwen in de desbetreffende instelling dat daarmee het maatschappelijk vertrouwen wordt aangetast. Voorzover het de instellingen in artikel 25 betreft zal het gaan om een aantasting van het vertrouwen in de economie.

Het CBP constateert dat in het conceptbesluit is geregeld dat geen justitiële gegevens worden verstrekt in het kader van aanname of ontslag van personeel dan nadat de betrokkene daarvoor zijn schriftelijke toestemming heeft verleend. Het CBP beveelt aan een dergelijke bepaling ook op te nemen voor de verstrekking ten behoeve van advies, aanbeveling of voordracht van personen. Dit advies is overgenomen. Voorts adviseert het College om uit de schriftelijke toestemming mede te laten blijken dat betrokkene op de hoogte is van de te volgen procedure in het kader van het nemen van beslissingen over aanname of ontslag van personeel. Het College constateert dat er geen rechtsgang is tegen de uitkomst van een betrouwbaarheidsonderzoek. Zij bepleit het opnemen van een rechtsgang. Voor deze specifieke zaken is geen rechtsgang nodig. Indien betrokkene meent dat een beslissing omtrent aanname onrechtmatig is of anderszins in strijd is met de wet kan een procedure bij de burgerlijke rechter worden overwogen.

Het CBP adviseert voorts om een wettelijke verplichting te creëren om de gegevensverwerkingen bij de Centrale Justitiële Documentatie en de Directie Bestuurszaken te controleren. Het is evident dat de verwerking van justitiële gegevens moet geschieden overeenkomstig de wet en de daarop berustende bepalingen. In de uitvoering zal aandacht aan dit punt worden besteed.

Het College geeft tenslotte in overweging om met het oog op een effectief optreden van de politie aan hen justitiële gegevens ter beschikking te stellen. Dit advies is in het onderhavige besluit in artikel 20, onder a, overgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In artikel 1 zijn begripsbepalingen opgenomen.

Artikel 2

Uit artikel 2 volgt welke misdrijven worden geregistreerd. Dit artikel komt overeen met artikel 2, onder 1, onderdeel a, van het Besluit registratie justitiële gegevens. In laatstgenoemd artikel werd de registratie geregeld van door de officier van justitie in behandeling genomen zaken tegen iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, aangemerkt als verdachte van enig feit waarvan een rechtbank in eerste aanleg kennis neemt. De formulering van het onderhavige artikel 2 is eenvoudiger. Meer algemeen wordt de voordocumentatie van de gegevens met betrekking tot alle misdrijven geregeld. Een nadere aanduiding tegen wie de zaak zich richt is niet nodig. Immers, alle zaken betreffende een misdrijf worden voorgedocumenteerd. Dit betekent dat zodra het proces-verbaal van de zaak bij het openbaar ministerie binnenkomt aantekening van die zaak wordt gemaakt. Voorgedocumenteerd worden ook de ambtsmisdrijven waarvan de Hoge Raad in eerste en laatste ressort kennis neemt. Dit sluit aan bij de bepaling in het oude artikel 2, onder 2, van het Besluit registratie justitiële gegevens. De voordocumentatie van de ambtsovertredingen waarvan de Hoge Raad in eerste en laatste ressort kennis neemt, is geregeld in het derde lid van artikel 4.

Wat er precies van de zaak als justitiële gegevens wordt aangemerkt wordt bepaald in de artikelen 6 en 7.

Artikel 3

Bij de overtredingen is het uitgangspunt dat de gegevens hiervan worden nagedocumenteerd. Dit betekent dat geen aantekening van de zaak wordt gemaakt op het moment dat het proces-verbaal bij het openbaar ministerie binnenkomt. Zodra de zaak wordt afgedaan wordt deze wel geregistreerd. Daarbij gaat het om de registratie van bepaalde eindbeslissingen in de zaak. Wat betreft de beslissingen van het openbaar ministerie worden uitsluitend geregistreerd de beslissingen die een afdoening van de zaak inhouden. Anders dan bij de voordocumentatie van misdrijven worden dus bij overtredingen uiteindelijk niet geregistreerd de beslissingen inzake de overdracht aan een ander vervolgend orgaan en de voeging bij een andere zaak. Voorts worden op grond van artikel 3, onderdeel a, ook niet geregistreerd de sepots, tenzij het betreft een voorwaardelijk sepot. Het is immers voor de rechter en officier van justitie die in het kader van een strafproces kennis neemt van het strafblad van betrokkene van belang dat duidelijk is of in een eerdere zaak voorwaarden zijn gesteld en of aan deze voorwaarden al is voldaan. Blijft over de transacties opgelegd door het openbaar ministerie. Deze worden alleen geregistreerd, indien daarmee een bedrag van € 100 of meer is gemoeid. Dit grensbedrag is overgenomen uit artikel 2, onder 4, van het Besluit registratie justitiële gegevens.

Ook worden niet alle eindbeslissingen van de rechter geregistreerd. In onderdeel b is bepaald dat alleen de vrijheidsstraffen, de geldboete van minimaal € 100 en de bijkomende straffen worden geregistreerd. Anders dan vroeger wordt ook de taakstraf geregistreerd, aangezien deze straf een steeds belangrijker afdoening wordt. Ook de registratie van alle bijkomende straffen is uitgebreid ten opzichte van vroeger. Voorheen werden alleen de ontzegging van de rijbevoegdheid of van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen geregistreerd. Aangezien andere bijkomende straffen ook van belang zijn, worden deze nu ook geregistreerd.

Van de zaken die worden nagedocumenteerd worden alsnog de gegevens vermeld in artikel 6, kort samengevat als de naam, adres en woonplaatsgegevens geregistreerd. Voorts worden de gegevens geregistreerd die zijn vermeld in artikel 7, eerste lid.

Artikel 4

Op grond van artikel 2, onder 1, onderdeel b, van het Besluit registratie justitiële gegevens worden sommige overtredingen voorgedocumenteerd. In het onderhavige artikel wordt bepaald dat de voordocumentatie van deze overtredingen gehandhaafd blijft. Daarbij zijn de overtredingen op grond van het Wetboek van Strafrecht geclusterd tot bepaalde categorieën die overeenstemmen met bepaalde titels in dat wetboek. Destijds is vanwege de ernst van de overtreding ervoor gekozen om bepaalde overtredingen uit de aangehaalde titels in het onderhavige besluit vanaf het moment dat het proces-verbaal bij de officier van justitie binnen kwam te registreren. Voor een goede strafrechtspleging werd het noodzakelijk geacht om te kunnen beschikken over iedere afdoening. Gelet op het grotere belang dat thans aan criminaliteitspreventie wordt toegekend, is het verantwoord om meer overtredingen voor te documenteren. Het betreft hier met name een uitbreiding van de registratie van de overtredingen betreffende de openbare orde. Ook is thans bepaald dat overtredingen betreffende de zeden, bedoeld in titel VI, worden voorgedocumenteerd. In deze titel wordt echter slechts één artikel genoemd inzake openbare dronkenschap. Anders dan voorheen wordt de voordocumentatie van overtredingen betreffende hulpbehoevenden niet langer noodzakelijk geacht.

De voordocumentatie van de overtredingen van de Wet op de economische delicten is ook ingegeven door de ernst van de overtredingen.

Verder worden voorgedocumenteerd de overtredingen die als ernstig worden aangemerkt en waarvoor een wettelijke recidiveregeling bestaat of waarvan bekend is dat recidive een belangrijke rol speelt bij de berechting in een volgend geval. Als voorbeelden worden genoemd de delicten met betrekking tot onverzekerd rijden (artikel 30, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen), het niet kunnen tonen van het kentekenbewijs (artikel 34 van diezelfde wet) en overtreding van de maximumsnelheid met meer dan dertig kilometer per uur (artikel 19 en 20 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Een nieuwe bepaling is de registratie van delicten betreffende snelheidsovertredingen door motorboten. In de praktijk is gebleken dat steeds meer kleine schepen zich met hoge snelheden verplaatsen. Te denken valt aan jetski's en waterscooters. Daarbij ontstaan gevaarlijke situaties. Om veiligheidsredenen worden steeds vaker snelheidsbeperkingen opgelegd. In de praktijk worden steeds vaker snelheidsoverschrijdingen van meer dan het tienvoudige geconstateerd. Het aantal politietransacties vanwege te hard varen neemt steeds meer toe. Het is wenselijk gebleken om met het oog op een goede recidiveregeling inzicht te verkrijgen in de snelheidsovertredingen te water. Om dit te bereiken worden de relevante politietransigabele feiten voor een deel omgezet in zogenaamde OM-feiten. Daarbij hoort dat deze overtredingen worden voorgedocumenteerd.

De toekenning van een bestuurlijke bevoegdheid, zoals een vergunningaanvraag, of de intrekking van een dergelijke bevoegdheid op basis van zowel de Wet op de kansspelen, de Wet wapens en munitie, als de Vreemdelingenwet 2000 en de Flora- en faunawet is gebonden aan bepaalde voorwaarden die samenhangen met overtreding van diezelfde wetten. Zo wordt een erkenning, consent, vergunning, verlof of ontheffing in het kader van de Wet wapens en munitie gewijzigd of ingetrokken, indien er aanwijzingen zijn dat de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd (artikel 7, tweede lid, van de Wet wapens en munitie).

In de Vreemdelingenwet 2000 is in artikel 67 bepaald dat een vreemdeling door de Minister van Justitie ongewenst kan worden verklaard, indien hij bij herhaling een bij die wet strafbaar gesteld feit heeft begaan.

In artikel 39, eerste ld, onder h, van de Flora- en faunawet is geregeld dat bijvoorbeeld een jachtakte wordt geweigerd, indien de aanvrager in de twee jaren voorafgaande aan het verzoek tot het verkrijgen van eenzelfde akte wegens één der bij of krachtens die wet strafbaar gestelde feiten is veroordeeld of een transactie aangeboden heeft gekregen.

Opdat gevolgen kunnen worden verbonden aan overtredingen van die betreffende wetten zal dit uit een wettelijk voorschrift moeten blijken. In dit kader is het van belang om overtredingen van die wetten in een vroeg stadium te registreren. De registratie van de overtredingen van de oude Vreemdelingenwet is bij Besluit van 6 november 1984, houdende wijziging van het Besluit registratie justitiële gegevens Stb. 539, omgezet van voordocumentatie naar nadocumentatie. Gelet op het belang om op de hoogte te zijn van overtredingen van de Vreemdelingenwet 2000 worden deze in het onderhavige besluit wederom voorgedocumenteerd.

Uit het derde lid vloeit voort dat evenals de ambtsmisdrijven, bedoeld in artikel 2, ook de ambtsovertredingen die door de Hoge Raad in eerste instantie en tevens in hoogste ressort worden behandeld worden voorgedocumenteerd. Deze bepaling is overgenomen uit artikel 2, onderdeel 2, van het Besluit registratie justitiële gegevens.

Artikel 5

Artikel 5 stemt overeen met artikel 2, onderdelen 11 en 12, van het Besluit registratie justitiële gegevens.

In onderdeel a is geregeld dat de politietransacties die zijn aangeboden door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie of van de Koninklijke marechaussee met betrekking tot onverzekerd rijden (artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) en het niet kunnen tonen van het kentekenbewijs (artikel 34 van diezelfde wet) worden aangemerkt als justitiële gegevens ongeacht de hoogte van de transactie. De registratie van deze gegevens hangt samen met het te voeren recidivebeleid.

Onderdeel b stemt overeen met artikel 2, onderdeel 12 van het Besluit registratie justitiële gegevens. Deze bepaling is opgenomen bij Besluit van 21 maart 1994 tot wijziging van het Besluit politietransacties, het Besluit transactie Koninklijke Marechaussee en het Besluit registratie justitiële gegevens (Stb. 223). In laatstgenoemd besluit is de mogelijkheid geopend dat de politie voor nader aan te geven misdrijven van eenvoudige aard transacties kan aanbieden. Het ging hier om eenvoudige winkeldiefstal en -verduistering en de lichte gevallen van rijden onder invloed. Wel is er destijds voor gekozen om deze politietransacties te registreren.

Artikel 6

Met betrekking tot zowel misdrijven als overtredingen worden in ieder geval de – kort samengevat – naam, adres en woonplaatsgegevens van de verdachte of veroordeelde als justitiële gegevens aangemerkt. Ook wordt geregeld welke gegevens van de onderneming die als verdacht van enig feit wordt aangemerkt, worden geregistreerd. Deze bepaling is gedeeltelijk ontleend aan artikel 5 van de – ingetrokken – Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. De registratie van de overige gegevens is gebaseerd op de praktijk. Vroeger waren deze gegevens in een privacyreglement opgenomen.

In het eerste lid, onder f, is bepaald dat persoonidentificerende gegevens worden aangemerkt als justitiële gegevens. Het spreekt voor zich dat dergelijke gegevens uitsluitend kunnen worden geregistreerd, indien de Centrale Justitiële Documentatie deze gegevens rechtmatig heeft verkregen.

Artikel 7

Met betrekking tot misdrijven en overtredingen worden in artikel 7, eerste lid, aangegeven wat als justitiële gegevens worden aangemerkt. Evenals bij de gegevens bedoeld in artikel 6 wordt ook daarbij aangesloten bij hetgeen vroeger werd geregistreerd.

Als hoofdregel geldt dat alle afdoeningen worden geregistreerd (eerste lid, onderdeel a). Daarbij gaat het niet alleen om alle beslissingen van de rechter, maar ook om die van de officier van justitie.

Wat betreft de beslissingen van de officier van justitie gaat het om met name sepots en transacties. Evenals vroeger op grond van artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie justitiële gegevens was geregeld, wordt niet het zogenaamde sepot 01, ofwel de beslissing tot niet vervolgen omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt, geregistreerd.

Maar wel worden de andere, onder het oude recht in artikel 2, onder 3, van het Besluit registratie justitiële gegevens, opgesomde afdoeningen van de officier van justitie, geregistreerd. Het betreft de overdracht van een zaak aan een ander vervolgend orgaan, de voeging bij een andere zaak en de beslissing tot voorwaardelijk niet-vervolgen. Dit zijn allemaal beslissingen van de officier van justitie. Ook het opleggen van een voorwaardelijke maatregel in het kader van de Wet op de economische delicten is een beslissing van de officier van justitie. Er is voor gekozen om niet langer meer een opsomming te geven van mogelijke afdoeningen, maar slechts te spreken van beslissingen. Daarmee wordt geen wijziging van het oude recht beoogd.

Hetzelfde geldt voor de beslissingen van de rechter. Op grond van voornoemd artikel 2, onder 3, werd daaronder verstaan: vrijspaak, ontslag van rechtsvervolging, veroordeling, terbeschikkingstelling, de oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling, ondertoezichtstelling, schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel, de maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, de oplegging van de maatregel tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer, terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en terbeschikkingstelling met voorwaarden. Behalve alle straffen en maatregelen zijn ook de bijkomende straffen en de voorwaardelijke maatregel in het kader van de Wet op de economische delicten beslissingen.

Ook de vervolgbeslissingen, bedoeld in artikel 4, van het Besluit registratie justitiële gegevens worden thans als justitiële gegevens aangemerkt. Daarbij gaat het om de volgende beslissingen:

– de verlenging of verkorting van een proeftijd;

– de verlenging of beëindiging van de terbeschikkingstelling;

– de last tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling;

– het opnieuw in behandeling nemen van een geseponeerde zaak;

– het opnieuw in behandeling nemen van een voorwaardelijke niet vervolgde zaak;

– het bevel als bedoeld in artikel 578, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering na voldoening aan de overeenkomstig artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden;

– de beslissing dat een waarborgsom geheel of gedeeltelijk aan de Staat vervalt;

– de beslissing op grond van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering tot verminderen of kwijtschelden, dan wel tot geheel of gedeeltelijke kwijtschelding, dan wel tot geheel of gedeeltelijke teruggave of aan een derde uitkeren van het bedrag dat is vastgesteld in een maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht;

– indien een aanvraag tot herziening is ingediend, de verwijzing door de Hoge Raad;

– de last tot uitstel of het niet doen plaatsvinden van vervroegde invrijheidstelling;

– de beschikking tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van een ter beschikking gestelde met de duur van de proeftijd;

– de herroeping van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling;

– de vervanging van de maatregel van plaatsing in een inrichting van buitengewone behandeling door de maatregel van terbeschikkingstelling;

– de vervanging van de geldboete door jeugddetentie, hechtenis of taakstraf;

– de beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

– de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

– de herroeping van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

– de omzetting van een taakstraf in een vrijheidsstraf;

– het opleggen en gelasten van de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in plaats van de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid;

– de voorwaardelijke invrijheidstelling van een jeugdige;

– de gehele of gedeeltelijke vervanging van de straf van jeugddetentie in een van de straffen genoemd in artikel 9, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

– de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege als bedoeld in artikel 38g van het Wetboek van Strafrecht;

– het geven van een bevel tot verpleging van overheidswege als bedoeld in artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht;

– het geven van een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege als bedoeld in artikel 38k van het Wetboek van Strafrecht.

Alle voornoemde afdoeningen zijn beslissingen van de rechter of de officier van justitie.

Een deel van artikel 7 is ontleend aan artikel 5 van de ingetrokken Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. In dit artikel was bepaald welke gegevens op een strafblad vermeld moesten worden. Daarbij ging het om de gegevens die betrekking hadden op veroordelingen. Het betrof de personalia van de veroordeelde, de rechter, bij wiens onherroepelijk geworden uitspraak de straffen of maatregelen zijn bepaald, de dagtekening van de uitspraak, de kwalificatie van het feit, waarvoor de veroordeling is uitgesproken met aanhaling van de daarbij betrokken strafbepalingen, de opgelegde straffen of maatregelen en de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Al deze gegevens worden thans beter gerubriceerd vermeld in artikel 7, eerste lid. Daarbij wordt erop gewezen dat met kwalificatie van het feit (eerste lid, onder d) wordt bedoeld de algemene kwalificatie van het feit, bv diefstal. Met classificatie (eerste lid, onder e) wordt bedoeld een nadere aanduiding van het feit dat inzicht geeft in het soort overtreding. Gedacht kan daarbij worden aan de classificatie «tasjesroof» bij diefstal. Een dergelijke classificatie geeft enig inzicht in de zwaarte van het gepleegde feit.

Het derde lid van artikel 5 van laatstgenoemde wet bepaalde dat ook worden geregistreerd een last tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling, een last tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling, een last tot uitstel of het niet doen plaats vinden van vervroegde invrijheidstelling en een beslissing tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling. Aangezien dit allemaal beslissingen van de rechter zijn, behoeven deze niet apart in het onderhavige besluit te worden vermeld.

De gegevens die niet zijn ontleend aan voornoemd artikel 5, zijn ontleend aan het oude privacyreglement, behalve de gegevens met betrekking tot de beslissing tot tenuitvoerlegging. Het aanmerken van laatstgenoemde gegevens als justitiële gegevens vloeit voort uit de wens van derden, waaronder het openbaar ministerie, om executiegegevens te kunnen verkrijgen. Aangezien deze gegevens behoren tot de gegevens in de strafrechtketen worden deze als justitiële gegevens aangemerkt. Zo is het bijvoorbeeld van belang dat kenbaar is dat een veroordeelde de primaire straf tot betaling van een geldboete niet heeft voldaan en dus de vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd. Indien de primaire straf een taakstraf zou zijn geweest die niet naar behoren is uitgevoerd is een beslissing van het openbaar ministerie nodig voor het uitvoeren van de vervangende straf. Een dergelijke beslissing wordt geregistreerd op grond van onderdeel a.

In het tweede lid wordt bepaald welke gegevens naast die bedoeld in het eerste lid, als justitiële gegevens moeten worden aangemerkt ingeval van voordocumentatie. Daarbij gaat het dus om extra gegevens in zaken betreffende misdrijven en bepaalde ernstige overtredingen.

Artikel 8

Artikel 8 stemt overeen met artikel 5, eerste lid, onder 7, en tweede lid van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

In het eerste lid is bepaald dat het koninklijk besluit dat aan gratie ten grondslag ligt wordt geregistreerd.

In het tweede lid wordt geregeld dat de buitenlandse beslissing waarbij de tenuitvoerlegging van het buitenlandse vonnis in Nederland op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen wordt geblokkeerd wordt geregistreerd. Niet langer is overgenomen de bepaling inhoudende dat de bij een uitspraak of beslissing opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel, krachtens welke een veroordeling die door een ander dan een Nederlandse rechter is gewezen, in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd als justitieel gegevens wordt aangemerkt. De reden daarvan is dat dit een beslissing van de rechter is, die reeds op grond van artikel 7, eerst lid, onder a, wordt geregistreerd.

Het is evident dat de naam-, adres- en woonplaatsgegevens in alle gevallen worden geregistreerd. Artikel 6 is ook in de gevallen, bedoeld in artikel 8, van toepassing. Dat vloeit voort uit de tekst van artikel 6.

Artikel 9

In artikel 9 wordt een algemene bepaling opgenomen voor het registreren van buitenlandse rechterlijke uitspraken. Het eerste lid spreekt voor zich. Indien internationale verplichtingen daartoe noodzaken worden de buitenlandse rechterlijke uitspraken geregistreerd. Een beoordeling van de inhoud van de uitspraak is niet aan de orde. Dit betekent dat een bepaling als artikel 4 van het oude Besluit registratie buitenlandse strafbladen niet langer noodzakelijk is. Met zowel de Nederlandse Antillen als Suriname zijn afspraken gemaakt over het uitwisselen van rechterlijke uitspraken.

Indien geen verplichting bestaat tot het registreren van buitenlandse uitspraken, kunnen deze toch worden geregistreerd, indien deze uitspraken ter kennis van de Minister van Justitie komen. Vereist is dan dat het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld volgens Nederlands recht kan worden aangemerkt als een strafbaar feit.

Artikel 10

In artikel 10 is geregeld waar de gegevens die in de justitiële documentatie worden geregistreerd vandaan komen. Primair zijn deze gegevens afkomstig van de strafgriffie. Voorts ontvangt de Centrale Justitiële Documentatie gegevens uit het buitenland over aldaar uitgesproken vonnissen. Soms worden deze vonnissen door tussenkomst van het Ministerie van Justitie verkregen. Gegevens met betrekking tot gratie worden door het Ministerie van Justitie aangeleverd. Voorzover politietransacties worden geregistreerd worden de gegevens daarvan door de politie aangedragen.

Voorts ontvangt de Centrale Justitiële Documentatie justitiële gegevens van het CJIB en de gerechten.

Artikel 11

De onderhavige bepaling is ontleend aan artikel 6b, van het Besluit inlichtingen strafregisters.

Uit het schadefonds geweldsmisdrijven kunnen onder andere uitkeringen worden verstrekt aan slachtoffers die ten gevolge van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel hebben opgelopen. Het schadefonds beoordeelt of betrokkene voor een uitkering in aanmerking komt. Daarvoor kunnen justitiële gegevens nodig zijn. Op grond van het onderhavige artikel kunnen deze worden verkregen.

Artikel 12

De onderhavige bepaling regelt hetgeen voorheen in artikel 4, onder a, en artikel 5, eerste lid, van het oude Besluit inlichtingen justitiële documentatie was opgenomen.

Gegevens over veroordelingen worden verstrekt aan de Minister van Justitie ten behoeve van het geven van een positieve of negatieve verklaring aan buitenlandse autoriteiten over te verlenen visa, hetzij het verstrekken van relevante inlichtingen aan buitenlandse autoriteiten over aspirant-emigranten. Destijds is er niet voor gekozen de justitiële gegevens direct aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten te verstrekken. Alhoewel deze autoriteiten inzicht in de strafrechtelijke integriteit wilden hebben alvorens een visum te verlenen dan wel iemand toe te laten tot hun land, konden zij instemmen met een systeem waarbij de Minister van Justitie adviseerde over de integriteit. Ingeval van de advisering met het oog op de verlening van een visum, bestaat het advies van de Minister van Justitie uit een zogenaamde ja/nee verklaring. Dit houdt in dat de Minister van Justitie op basis van de justitiële gegevens beoordeelt of een visum voor een bepaald land kan worden verleend. Is het oordeel positief dan wordt uitsluitend aan de bevoegde autoriteit, meestal een ambassade, gemeld dat betrokkene strafrechtelijk integer is. Wat betreft de advisering over aspirant-emigranten beoordeelt de Minister van Justitie welke gegevens worden doorgegeven. Justitiële gegevens die niet van belang zijn worden niet verstrekt aan de bevoegde autoriteiten. Door deze procedure kan worden voorkomen dat deze autoriteiten over bepaalde justitiële gegevens zouden beschikken waaraan zij een ander gewicht zouden toekennen dan naar Nederlandse maatstaven redelijk zou zijn.

Ten overvloede wordt aangegeven dat met sommige autoriteiten is overeengekomen dat een verklaring omtrent het gedrag voldoende is voor het inzicht in de strafrechtelijke integriteit van betrokkene.

De bepaling sluit aan bij de artikel 76 en 77 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Voorzover de landen buiten de Europese Unie een passend beschermingsregime hebben met betrekking tot de justitiële gegevens kunnen de gegevens aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voorzover deze landen geen passend beschermingsregime hebben, zal betrokkene toestemming tot het verstrekken van de inlichtingen moeten geven.

Voorheen kon op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie de burgemeester die gehouden is een ander bestuursorgaan van bericht en raad te dienen over bepaalde veroordelingen beschikken. Eenzelfde bepaling is in artikel 12, onder c en d, opgenomen. In onderdeel c is geregeld dat de burgemeester voorzover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van een wettelijke verplichting tot het geven van advies over een bepaald persoon aan een ander bestuursorgaan justitiële gegevens ontvangt. Er moet dus een verplichting aan de advisering ten grondslag liggen om justitiële gegevens te mogen ontvangen. Indien er geen plicht is, kunnen geen justitiële gegevens worden ontvangen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat geen justitiële gegevens kunnen worden verkregen met het oog op de advisering in het kader van de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag. Bovendien moet het voor de uitoefening van de adviesplicht noodzakelijk zijn dat justitiële gegevens worden verkregen. Dit zal moeten worden aangetoond.

In het onderhavige onderdeel d is bepaald dat de burgemeester ook gegevens over veroordelingen mag ontvangen met het oog op het adviseren van een ander bestuursorgaan, indien deze gegevens op grond van een zwaarwegend algemeen belang noodzakelijk zijn en het College Bescherming Persoonsgegevens ontheffing heeft verleend. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 23 van de Wet bescherming persoonsgegevens. In dit kader kan gedacht worden aan het adviseren in het kader van de verlening van een belangrijke onderscheiding die niet wettelijk is geregeld zoals de zilveren anjer.

Het is evident dat nimmer sprake kan zijn van een zwaarwegend algemeen belang, indien volstaan kan worden met een verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 13

Artikel 13 vindt zijn equivalent in het oude artikel 7 van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

Er zijn wetten waarin gevolgen worden verbonden aan met name genoemde delicten. Overtreding van de genoemde delicten kan ertoe leiden dat geen vergunning of andere beschikking wordt afgegeven dan wel dat deze kan worden ingetrokken. Om een beslissing op een aanvraag om een beschikking of intrekking daarvan te kunnen geven, is het noodzakelijk dat het desbetreffende bestuursorgaan beschikt over de in de wet of de daarop berustende bepalingen genoemde gegevens over delicten.

In veel gevallen worden de justitiële gegevens gevraagd met het oog op de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager. Op termijn ligt het in de rede dat voor een dergelijke beoordeling niet langer justitiële gegevens worden verstrekt maar wordt volstaan met een verklaring omtrent het gedrag. Voor een nadere uiteenzetting van deze mededeling wordt verwezen naar het algemeen deel.

Zo wordt in artikel 2 van de Regeling aanvraag erkenning en onkostenvergoeding goedkeuring Wet explosieven voor civiel gebruik vermeld dat degene die in aanmerking wil komen voor een erkenning om explosieven te vervaardigen, op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen niet binnen de laatste acht jaar bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak mag zijn veroordeeld wegens één of meer in dat artikel aangegeven bepalingen.

In het vierde lid is bepaald dat ook wanneer gevolgen worden verbonden aan onherroepelijke afdoeningen in het kader van de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, de betreffende gegevens aan het bevoegde gezag kunnen worden verstrekt. Het betreft hier het verstrekken van justitiële gegevens in verband met de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting of een escortbedrijf. De gemeenteraad is op grond van artikel 151a van de Gemeentewet bevoegd een verordening op dit terrein vast te stellen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel opheffing algemeen bordeelverbod (Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 5. blz. 5) is de wenselijkheid van de mogelijkheid om justitiële gegevens te betrekken bij de beoordeling van de vergunningaanvraag aan de orde gesteld.

Artikel 14

Hetgeen in artikel 14 is geregeld is ontleend aan de artikelen 1, tweede lid, en 2, van het Besluit inlichtingen strafregisters en artikel 3, eerste lid, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie. De Inlichtingendiensten kunnen meer gegevens krijgen dan voorheen het geval was. Gelet op de toegenomen complexiteit van de samenleving in relatie tot de toegenomen behoefte aan nationale veiligheid is dit gerechtvaardigd. Bovendien vloeit uit artikel 7 van de Wet veiligheidsonderzoeken voort dat justitiële gegevens kunnen worden verkregen voor veiligheidsonderzoeken.

Artikel 15

In artikel 15 is geregeld dat het Bureau BIBOB justitiële gegevens ontvangt met het oog op de uitoefening van zijn wettelijk omschreven taak. Deze taak is beschreven in artikel 9 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. In deze wet was de verstrekking van justitiële gegevens geregeld door aanpassing van artikel 11 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Door een omissie is deze wijziging komen te vervallen. In het onderhavige besluit is de verstrekking van de justitiële gegevens opnieuw geregeld. Het strookt met de systematiek van de Wet justitiële gegevens dat de verstrekking van justitiële gegevens wordt neergelegd in het onderhavige besluit en niet in de wet. In de wet wordt geregeld dat de zittende en staande magistratuur mag beschikken over de justitiële gegevens. Derden, die op grond van een zwaarwegend algemeen belang gerechtigd zijn om justitiële gegevens te mogen ontvangen, staan vermeld in het onderhavige besluit.

Artikel 16

In artikel 17 wordt geregeld dat aan de Minister van Justitie met het oog op het uitoefenen van verschillende taken justitiële gegevens kunnen worden verstrekt. In de oude besluiten zijn deze verstrekkingen terug te vinden in de artikelen 2, onder w, o, l en n, en 9c van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie alsmede artikel 2d van het Besluit inlichtingen strafregisters.

In onderdeel a is bepaald dat de Minister van Justitie justitiële gegevens mag ontvangen met het oog op de beoordeling van de afgifte van de verklaring van geen bezwaar in verband met de oprichting van een naamloze of besloten vennootschap. Deze verklaring mag alleen worden geweigerd op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van schuldeisers (artikelen 2:68 en 2:179 van het BW). Om hieraan uitvoering te kunnen geven dient de Minister van Justitie te beschikken over justitiële gegevens.

In onderdeel b is geregeld dat in het kader van de beoordeling van de verzoeken tot verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap de burgemeester en de Minister van Justitie de bevoegdheid verkrijgen om antecedenten van de verzoeker op te vragen. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Rijkswet wordt een verzoek om het Nederlanderschap afgewezen, indien er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk der Nederlanden. In het tweede lid wordt voor een bepaald geval aangegeven dat sprake moet zijn van in dat lid genoemde veroordelingen.

Op grond van onderdeel c ontvangt de Minister van Justitie als verantwoordelijke van het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit (CVS-JC) ook bepaalde justitiële gegevens. Het CVS-JC heeft tot doel de ondersteuning van de uitvoering van de taken van de politie, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming ter voorkoming en bestrijding van de jeugdcriminaliteit. Tevens heeft deze registratie tot doel om ook in het kader van de hulpverlening de jeugdcriminaliteit te voorkomen en te bestrijden. Ter uitvoering van deze doelstellingen is het noodzakelijk dat in het CVS-JC bepaalde gegevens met betrekking tot jeugdigen worden geregistreerd die een beeld vormen van onder andere het criminele verleden van de betrokkenen.

In onderdeel d is geregeld dat zowel de Minister van Justitie als de korpschef bevoegd zijn om justitiële gegevens te mogen ontvangen ten behoeve van de uitvoering van de Wet wapens en munitie, de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en van de Flora- en faunawet. Deze bevoegdheden vloeien voort uit de desbetreffende wetten.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet wapens en munitie heeft de Minister van Justitie de bevoegdheid om bijvoorbeeld een erkenning, consent of vergunning in te trekken, indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of ingeval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie of indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening daarvan. In samenhang daarmee wordt in artikel 10, eerste lid, onder a, van die wet bepaald dat een erkenning kan worden geweigerd, indien de aanvrager onder andere niet voldoet aan de eisen met betrekking tot zedelijk gedrag. Om inzicht te krijgen in deze gronden is van belang dat kennis kan worden genomen van justitiële gegevens. De korpschef moet op grond van artikel 9, tweede lid, dezelfde gronden beoordelen in het kader van de intrekking van een erkenning. Ook hier geldt de samenhang met de beoordeling van het zedelijk gedrag.

Sinds de wijziging van de Wet wapens en munitie zijn voor de verlening van consenten op grond van artikel 16 tevens bevoegd de Minister van Defensie en de Belastingdienst/Douane centrale dienst voor in- en uitvoer. Deze zijn daarom in onderdeel e van dit besluit opgenomen.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verleent de Minister van Justitie een vergunning voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, indien dit verantwoord is in het licht van de antecedenten van de aanvrager of leidinggevenden. In artikel 7, eerste lid, van laatstgenoemde wet wordt bepaald dat geen leidinggevenden bij particuliere beveiligingsorganisaties worden aangesteld dan nadat de Minister van Justitie toestemming heeft gegeven. In het vijfde lid wordt aangegeven dat de toestemming wordt onthouden, indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. In dit kader zijn justitiële gegevens onontbeerlijk. Artikel 14, onder e, geeft de Minister van Justitie de mogelijkheid om de vergunning in te trekken, indien onder andere een beveiligingsorganisatie of recherchebureau handelt in strijd met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het maatschappelijk verkeer verwacht mag worden. Voor de beoordeling van deze grond is inzicht in de justitiële gegevens van de voornoemde leidinggevenden wederom van belang.

De korpschef is op grond van artikel 7, tweede lid, van voornoemde wet, degene die toestemming moet geven voor het aannemen van ander dan leidinggevend personeel bij de beveiligingsorganisatie of recherchebureaus. In datzelfde lid is geregeld dat de commandant van de Koninklijke marechaussee gerechtigd is om die toestemming te geven, indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau op een luchtvaartterrein is gevestigd. In artikel 20, onder f, van dit besluit is bepaald dat aan de commandant met het oog op de uitvoering van deze taak justitiële gegevens worden verstrekt.

De Flora- en faunawet biedt in artikel 42 aan de korpschef de bevoegdheid om beschikkingen te geven omtrent het verlenen van jachtakten. De Minister van Justitie is uitsluitend bevoegd om de jachtakte in te trekken, indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd (artikel 42, derde lid, juncto artikel 41, eerste lid, onder c). Voornoemde bepalingen hangen samen met artikel 39, waarin is geregeld wanneer onder andere een jachtakte wordt geweigerd. Daarin wordt als grond ook vermeld het maken van misbruik van de bevoegdheid te jagen of wapens voorhanden te hebben. Bovendien is het hebben van bepaalde veroordelingen een grond om te weigeren.

Alle voornoemde wetten hebben gemeenschappelijk dat eisen worden gesteld aan personen die zich op maatschappelijk gevoelige terreinen begeven. Daarbij kan worden gewezen op het bewaken van terreinen en gebouwen op momenten dat er geen enkele sociale controle is en het in bezit hebben van wapens of munitie. In de gevallen waarop de wetten betrekking hebben worden de personen bloot gesteld aan situaties die de gelegenheid bieden tot onwenselijk gedrag.

Artikel 17

De verstrekking van gegevens aan degenen die werkzaam zijn in de reclassering werd vroeger geregeld in artikel 12 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag juncto de beschikking van de Minister van Justitie van 10 november 1958, Stcrt. 221. In deze beschikking is geregeld dat aan de reclasseringsmedewerkers justitiële gegevens worden verstrekt voorzover dit nodig is voor het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht. In de onderhavige bepaling is het doel waarvoor de justitiële gegevens worden verstrekt gerelateerd aan de uitoefening van hun taken. Daarmee wordt geen wijziging beoogd.

Voorts is in dit artikel overgenomen de bepaling in voornoemd artikel 12 inhoudende dat aan personen en instellingen die op het gebied der psychopatenzorg werkzaam zijn justitiële gegevens kunnen worden verstrekt. In onderdeel d is bepaald dat aan gedragsdeskundigen die met het oog op het geven van adviezen en het opstellen van rapporten ten behoeve van de plaatsing van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis of het ter beschikking stellen justitiële gegevens kunnen worden verstrekt.

In het tweede lid is bepaald dat de hierboven bedoelde medewerkers kennis mogen nemen van de zedendelicten die langer dan de gebruikelijke termijn van twintig jaar worden bewaard. De reclasseringsmedewerkers hebben immers primair tot taak hulp en steun aan verdachten en veroordeelden te geven. Opdat de hulp en steun kan worden toegespitst op de betrokken persoon kan het hebben van de gegevens van ook de oude zedendelicten waardevol zijn.

Artikel 18

Ten behoeve van de selectie en bejegening van gedetineerden en ter beschikking gestelden is het noodzakelijk om inzicht te hebben in het strafrechtelijk verleden van de betrokkene. Het strafrechtelijk verleden van betrokkene speelt een rol bij zijn plaatsing of overplaatsing of bij de bejegening in de inrichting. Als voorbeeld kan genoemd worden artikel 8 van de Penitentiaire beginselenwet. Een penitentiaire inrichting heeft op grond van dit artikel een bepaalde bestemming. Degenen die tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld worden overeenkomstig deze bestemming geplaatst. Om deze selectie te kunnen maken is inzicht vereist in het strafrechtelijke verleden van de veroordeelde.

In onderdeel b is bepaald dat de directeuren van penitentiaire inrichtingen, van inrichtingen voor ter beschikking gestelden en van inrichtingen voor jeugdigen over justitiële gegevens mogen beschikken voor het nemen van beslissingen over het verlaten van de inrichting voor verlof. De strafrechtelijke achtergrond van betrokkene speelt een rol bij de vraag of, en zo ja, hoe lang, verlof kan worden verleend.

Artikel 19

De verstrekkingen met het oog op de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 waren geregeld in artikel 2, onder p van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

Bij de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 dienen zowel de Minister van Justitie als degenen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften met betrekking tot zowel de grensbewaking als de vreemdelingen en de voorzitter van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken inzicht te hebben in de justitiële achtergrond van de vreemdeling.

Artikel 20

In artikel 20 wordt geregeld aan welke organen justitiële gegevens worden verstrekt met het oog op de uitvoering van de Paspoortwet.

Op grond van artikel 24 van de Paspoortwet kan een verzoek worden gedaan tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument, indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon zich schuldig zal maken aan gedragingen welke een misdrijf opleveren en hij in de voorafgaande tien jaar wegens zodanige gedragingen of medeplichtigheid daaraan onherroepelijk is veroordeeld. Bovendien kan een dergelijk verzoek worden gedaan, indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden dan wel opzettelijk een ander in de gelegenheid heeft gesteld of zal stellen om zulke handelingen te verrichten met of met betrekking tot een aan de betrokken persoon verstrekt reisdocument.

De gegevens worden verstrekt aan degenen die een verzoek tot weigering of vervallenverklaring kunnen doen. Dit zijn op grond van genoemd artikel 24 de minister die het aangaat of een met de uitvoering van de Paspoortwet belaste autoriteit. Onder deze laatste autoriteiten kunnen op grond van artikel 24 juncto artikel 40 van de Paspoortwet worden begrepen de paspoortverstrekkende instanties, zijnde burgemeesters, de Minister van Buitenlandse Zaken, de diplomatieke en consulaire posten in het buitenland, de bevoegde brigades van de Koninklijke marechaussee, de gezaghebbers in de Nederlandse Antillen en de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en Aruba. Ook de tot inhouding van reisdocumenten bevoegde instanties kunnen een verzoek doen tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument. In dit laatste geval gaat het om opsporingsambtenaren en degenen die zijn belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen.

Overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Paspoortwet wordt het verzoek tot weigering of vervallenverklaring van het reisdocument gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel de Gouverneur van de Nederlandse Antillen of van Aruba. Het verzoek wordt onderbouwd. Dit betekent dat aangegeven wordt op welke grond het vermoeden bestaat dat misbruik wordt of zal worden gemaakt van reisdocumenten. In dit kader spelen justitiële gegevens een belangrijke rol. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de Gouverneur toetst het verzoek vervolgens aan de eisen die in de Paspoortwet gesteld worden aan een weigering of vervallenverklaring. Wordt aan de eisen voldaan dan vermeldt de minister of de Gouverneur de betrokken persoon in het register paspoortsignaleringen (artikel 25, derde lid). De signalering wordt bekend gemaakt aan alle autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken of in te houden. Op het moment dat betrokkene bij één van deze autoriteiten een reisdocument aanvraagt of zijn document moet laten zien, kan de autoriteit gepaste maatregelen nemen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Gouverneurs zijn ook bevoegd om eigener beweging signaleringen in het register op te nemen. Om die reden en in het kader van de toetsing van verzoeken als bovenbedoeld, mogen ook aan hen daarom justitiële gegevens worden verstrekt.

In artikel 44, eerste lid, juncto artikel 40 van de Paspoortwet is bepaald welke autoriteiten bevoegd zijn tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten. Gelet op de hierboven beschreven procedure kunnen aan de hier bedoelde autoriteiten justitiële gegevens worden verstrekt.

Voorzover justitiële gegevens worden verstrekt aan de autoriteiten op de Nederlandse Antillen en Aruba is gegarandeerd dat er een passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens is. Daarover zijn afspraken gemaakt.

Artikel 21

Artikel 21 is overgenomen van de artikelen 2, onder u en v, en 9c, onder a, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

Nieuw is onderdeel a, waarin de verstrekking van justitiële gegevens aan de politie en de Koninklijke marechaussee met het oog op de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde is geregeld. Daarmee wordt het mogelijk dat de hulpofficier van justitie voor de uitvoering van een kerntaak justitiële gegevens verkrijgt.

In de onderdelen b en c is geregeld dat de juistheid van de politiegegevens uit een politieregister kan worden geverifieerd bij de Centrale Justitiële Documentatie alvorens de gegevens aan een buitenlandse autoriteit worden verstrekt. Hiermee kan worden voorkomen dat de buitenlandse autoriteit beschikt over achterhaalde politiegegevens. In onderdeel b wordt bepaald dat het hoofd van de divisie Centrale Recherche Informatie bevoegd is de justitiële gegevens ter verificatie op te vragen in het geval er een verzoek om rechtshulp wordt gedaan dat overeenkomstig de bepalingen in titel X van het Wetboek van Strafvordering wordt afgehandeld. In onderdeel c is geregeld dat in het kader van de spontane verstrekking van politiegegevens ook aan de korpschef of de commandant van de Koninklijke marechaussee justitiële gegevens mogen worden verstrekt, indien hij op grond van artikel 13 van het Besluit Politieregisters bevoegd is om zonder tussenkomst van de Korps landelijke politiediensten deze gegevens te verstrekken aan de politie-autoriteiten in een ander land. Het gaat hier om de verstrekking van politiegegevens in de grensgebieden.

In onderdeel d wordt geregeld dat justitiële gegevens aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties worden verstrekt. Het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties heeft in het kader van de bestrijding van witwassen tot taak te beoordelen of de binnengekomen meldingen als verdachte transacties moeten worden gemeld aan de politie. Dit oordeel is gebaseerd op de informatie die het meldpunt uit verschillende registers verkrijgt. Opdat het Meldpunt beter kan afwegen of de gemelde ongebruikelijke transacties als verdacht aan de politie moeten worden doorgegeven is het wenselijk dat het Meldpunt de beschikking kan krijgen over relevante justitiële gegevens. In werkafspraken tussen de directeur van de Centrale Justitiële Documentatie en het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties is neergelegd welke gegevens worden verstrekt.

In onderdeel e worden aan de korpschef van het Korps landelijke politiediensten justitiële gegevens verstrekt met het oog op de uitvoering van de Europol-Overeenkomst. Op grond van artikel 2 van deze overeenkomst heeft Europol ten doel de georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie te bestrijden. Daartoe wordt een informatiesysteem aangelegd waarin onder andere gegevens over personen, die verdacht worden van het plegen van of deelnemen aan een strafbaar feit ten aanzien waarvan Europol bevoegd is, zijn opgenomen. Voorts beheert Europol een systeem ten behoeve van analysewerkzaamheden (artikel 10 van de Overeenkomst). Daarin zijn gegevens opgenomen met betrekking tot personen die verdacht worden van betrokkenheid bij de georganiseerde criminaliteit. Opdat Europol in staat is voornoemde werkzaamheden uit te oefenen, is het van belang dat van degenen waarvan op zijn minst een vermoeden bestaat dat ze betrokken zijn bij de georganiseerde criminaliteit inzicht bestaat in het strafrechtelijk verleden. Daartoe zijn de justitiële gegevens onontbeerlijk.

Onderdeel f is toegelicht bij artikel 16.

Artikel 22

De verstrekkingen aan de in artikel 22 genoemde opsporingsambtenaren zijn ontleend aan de artikelen 2, onder e, 9a en 9b en van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

In artikel 58 van de Wet op de economische delicten is geregeld dat ten dienste van de opsporing, vervolging en berechting van economische delicten ambtenaren kunnen worden benoemd door daartoe aangewezen lichamen met een publieke taak belast, die het contact onderhouden met het openbaar ministerie. Met het oog op de uitvoering van hun taak ontvangen deze ambtenaren de inlichtingen met betrekking tot strafzaken, waarover zij van advies kunnen dienen. Dit is geregeld in onderdeel a.

De buitengewone opsporingsambtenaren van de divisie Vervoer van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn op grond van het vierde lid van artikel 2 van het Transactiebesluit 1994 bevoegd om een transactie aan te bieden aan degenen die voor de eerste keer de overtreding van het onverzekerd rijden begaan. De transactiebevoegdheid bestaat uitsluitend ten aanzien van degenen die voor de eerste keer de overtredingen, bedoeld in dit artikel, begaan (de zogenaamde first offenders). Om te kunnen beoordelen of sprake is van een first offender krijgen de buitengewone opsporingsambtenaren van de divisie Vervoer de bevoegdheid om justitiële informatie in te winnen over onverzekerd rijden bij de Centrale Justitiële Documentatie.

In de Wet goederenvervoer over de weg is geregeld dat een vergunning van een wegvervoerder kan worden verleend en ingetrokken, indien de vervoerder niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid (zie de artikelen 7 en 8 van de Wet goederenvervoer over de weg). Een nadere uitwerking van deze eisen is gegeven in het eerste lid van artikel 34 van het Besluit goederenvervoer over de weg. Voor het beoordelen van de vraag of aan de eisen van betrouwbaarheid is voldaan is een puntensysteem opgezet. In dit kader heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Vervoer tot taak gekregen om van bepaalde veroordelingen mededeling te doen aan de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie. Om aan deze taak uitvoering te kunnen geven krijgt de Inspectie in onderdeel c de bevoegdheid om informatie in te winnen over daartoe relevante overtredingen.

Artikel 23

Zoals in de algemene inleiding is aangegeven is voor screening van personeel de verklaring omtrent het gedrag de aangewezen weg. Niet uitgesloten is echter dat de verklaring omtrent het gedrag een onvoldoende screening biedt. Voor wat betreft ambtenaren geldt dit voorfuncties die bijzondere eisen stellen aan de verantwoordelijkheid en integriteit van de betrokken ambtenaar. Dit is geregeld in artikel 9 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Ook in andere reglementen die nadere regels stellen met betrekking tot de rechtspositie van overheidspersoneel is een mogelijkheid geschapen om voor functies als hiervoor bedoeld, justitiële gegevens te ontvangen voor het doen van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van betrokkene. De regeling houdt kort gesteld in dat justitiële gegevens kunnen worden verstrekt, indien met inachtneming van artikel 8 EVRM duidelijk is dat een verklaring omtrent het gedrag een niet toereikend beeld geeft van de strafrechtelijke integriteit van betrokkene. In de regelgeving waarin de rechtspositie wordt geregeld is de grondslag te vinden van de noodzaak om justitiële gegevens te ontvangen voor screeningsdoeleinden. In het onderhavige artikel is concreet aangegeven voor welke functies die bijzondere eisen stellen aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene justitiële gegevens worden verstrekt. Zonder een dergelijke, nader geconcretiseerde, tegenbepaling is het niet mogelijk om justitiële gegevens te verstrekken.

Uit het onderhavige artikel volgt dat voor het doen van een onderzoek naar de geschiktheid en betrouwbaarheid in verband met de aanstelling van opsporingsambtenaren, medewerkers van de Dienst Buitenlandse Zaken en die van de inlichtingendiensten justitiële gegevens kunnen worden verkregen. Voor de aanstelling van al deze personen geldt dat zij hetzij betrokken zijn bij de handhaving van het strafrecht hetzij de nationale veiligheid. Aangezien het om de uitoefening van publieke functies gaat wordt maatschappelijk gezien verwacht dat degenen die op deze terreinen werkzaam zijn van onberispelijk gedrag zijn. Bij de screening worden dan ook meer gegevens betrokken dan alleen justitiële gegevens. Daarbij kan het niet alleen gaan om politiegegevens, maar ook om gegevens die betrekking hebben op de maatschappelijke integriteit van betrokkene.

Een ander voorbeeld betreft de screening van personen die werkzaamheden gaan verrichten in het gevangeniswezen. De directeuren van de penitentiaire inrichtingen alsmede de directeuren van justitiële jeugdinrichtingen en van TBS-klinieken hebben de mogelijkheid om justitiële gegevens op te vragen over personen die hebben gesolliciteerd naar een baan in de inrichting of de kliniek of die tijdelijk in de inrichting of de kliniek verblijven om bepaalde werkzaamheden te verrichten of die iemand willen bezoeken. Een verklaring omtrent het gedrag komt niet tegemoet aan het gewenste screeningsniveau. Er worden bij de screening niet alleen justitiële gegevens, maar ook gegevens uit het politieregister betrokken, zoals de gegevens uit het CRI-meldpunt GRIP (Gedetineerden recherche informatie punt). Dit systeem heeft onder andere tot doel de directeuren van voornoemde inrichtingen uit beveiligingsoogpunt te adviseren over mogelijke relaties die de sollicitant heeft met gedetineerden. Ook andere gegevens die inzicht kunnen bieden in verdachte contacten worden in relatie met justitiële en politiële gegevens beoordeeld. Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat in een penitentiaire inrichting personen werkzaam kunnen zijn, die onvoldoende betrouwbaar zijn.

Het bovenstaande geldt ook voor degenen die niet alleen op grond van een aanstelling maar ook op grond van een wettelijk voorschrift werkzaamheden voor een ambtelijke dienst gaan verrichten op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Als voorbeeld kan worden verwezen naar voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland plaatselijk in dienst genomen werknemers op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als bedoeld in artikel 114 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.

In het tweede lid wordt bepaald dat justitiële gegevens worden verstrekt, indien op grond van een wettelijk voorschrift tussentijdse screeningen kunnen worden verricht.

Het bovenstaande systeem brengt met zich dat in het geval voor andere dan in het onderhavige artikel bedoelde functies die bijzondere eisen stellen aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, justitiële gegevens noodzakelijk met het oog op screening, deze functies in het onderhavige besluit moeten worden genoemd. Dit betekent overigens niet dat in dergelijke gevallen geen justitiële gegevens kunnen worden verkregen. Op grond van artikel 14 van de Wet justitiële gegevens kunnen voor bijzondere doeleinden en mits een zwaarwegend algemeen belang dat vordert justitiële gegevens worden verstrekt. De betreffende functie kan dan later in het besluit worden opgenomen.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat dit artikel niet de basis is voor het verstrekken van justitiële gegevens ten behoeve van het doen van veiligheidsonderzoeken op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken. De verstrekking voor laatstgenoemde doeleinden vloeit voort uit artikel 14 van het onderhavige besluit.

Artikel 24

Dit onderdeel is ontleend aan artikel 2, onder h en l, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

Op grond van artikel 142, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 17, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar moet degene die wil worden aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar van onbesproken gedrag zijn. De Minister van Justitie beoordeelt dit gedrag op grond van justitiële gegevens. Op grond van artikel 35, eerste lid, onder b vervalt de opsporingsbevoegdheid op het moment waarop is vastgesteld dat de betrouwbaarheid niet meer aanwezig is. Ook deze grond wordt vastgesteld aan de hand van justitiële gegevens.

Degenen die in aanmerking willen komen voor een functie bij de zittende en staande magistratuur moeten van onbesproken gedrag zijn. Het gaat hier om een publieke functie met een hoog maatschappelijk aanzien. Verwacht wordt dat een rechter of officier van justitie van onbesproken gedrag is. Bij de screening van personen die in aanmerking willen komen voor een zodanige functie wordt niet alleen gekeken naar de strafrechtelijke integriteit maar ook naar de maatschappelijke integriteit. Daarbij wordt andere dan strafrechtelijke informatie betrokken.

Alhoewel het onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van de personen die bij de zittende en staande magistratuur willen werken niet direct in de wet is geregeld, blijkt van de noodzaak van dit onderzoek uit andere bepalingen. Zo wordt in artikel 36, eerste lid, onder e, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaald dat de rechterlijk ambtenaar wordt ontslagen, indien hij wegens een misdrijf tot een vrijheidsstraf is veroordeeld. In artikel 39 van datzelfde besluit wordt geregeld dat ten aanzien van de niet voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding het bijzondere onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid als bedoeld in artikel 9 van het Ambtenarenreglement geldt. In artikel 46c van voornoemd besluit is bepaald dat een waarschuwing wordt opgelegd ten aanzien van de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaar, indien hij de waardigheid van zijn ambt verwaarloost.

Artikel 25

De onderhavige bepaling is ontleend aan artikel 2, onder k, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

De directeuren van de inrichtingen, die reeds zijn vermeld in artikel 23, onder l, mogen tevens justitiële informatie ontvangen over degenen die niet worden ingesloten in de inrichting voorzover dat noodzakelijk is voor de orde of veiligheid van de inrichting. De reden is gelijk aan die vermeld bij artikel 23. Van belang is dat met name wordt gekeken naar mogelijke risicovolle relaties met gedetineerden. Uit de bepaling volgt dat de betreffende directeur justitiële informatie kan inwinnen over degenen die het gedetineerdenvervoer verzorgen alsmede de bezoekers van gedetineerden.

Artikel 26

Artikel 26 omvat eenzelfde bepaling als in artikel 2, onder q, r, s en t, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie.

In de onderhavige bepaling wordt geregeld dat de organisaties die een centrale rol spelen in de financiële wereld justitiële gegevens mogen ontvangen met betrekking tot aan te stellen personeel. De desbetreffende bedrijven hebben vanwege de gevoelige aard van de werkprocessen zorggedragen voor maximale beveiliging. Een onderdeel van de beveiliging is de strafrechtelijke screening. Een verklaring omtrent het gedrag is daartoe onvoldoende. De reden is dat er nationale belangen zijn gemoeid met de centrale rol die de bedrijven vervullen. Gedacht kan daarbij worden aan het belang van de nationale economie. Integriteitsproblemen die zich bij de financiële organisaties kunnen voordoen kunnen een negatieve invloed hebben op de nationale economie. Een voortdurende bewaking van de werkprocessen, ook op het gebied van de integriteit, is van belang.

Het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer B.V. (NECIGEF) heeft als belangrijkste taak het bewaren, beheren en administreren van effecten en het verzorgen van het effectenverkeer ten behoeve van de bij NECIGEF aangesloten instellingen als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer. De effecten die niet door NECIGEF worden bewaard, worden bewaard door het Nederlands Interprofessioneel Effectencentrum NIEC B.V. (NIEC). NIEC werkt zeer nauw samen met NECIGEF. De grote financieel-maatschappelijke belangen die gemoeid zijn met de uitvoering van de taken van beide rechtspersonen vereisen maximale beveiliging. Om deze reden is het wenselijk dat de directeur van NECIGEF, tevens directeur van NIEC, inzicht kan verkrijgen in het justitiële verleden van degenen die hebben gesolliciteerd naar een dienstbetrekking bij NECIGEF of NIEC. Hetzelfde geldt voor ingeleend personeel voorzover hun positie kan worden gelijk gesteld met dat van personeel met een vast dienstverband. Het betreft hier werknemers van een beveiligingsbedrijf, een cateringbedrijf alsmede een schoonmaakbedrijf. In het kader van de beveiliging is contractueel vastgelegd dat laatstgenoemde bedrijven gedurende een langere aaneengesloten periode telkens dezelfde werknemers werkzaamheden bij NECIGEF of NIEC zullen laten verrichten. Deze werknemers genieten dezelfde faciliteiten als de werknemers in dienst van NECIGEF of NIEC. Hierbij kan gedacht worden aan het beschikken over een bepaalde toegangspas en het gebruik maken van kantine-faciliteiten. Het voorgaande is in onderdeel a geregeld. In onderdeel b is geregeld dat de president van De Nederlandsche Bank in soortgelijke situaties als de directeur van NECIGEF kan beschikken over de antecedenten van (ingeleend) personeel.

Tevens kunnen de directeur van NECIGEF en de president van De Nederlandsche Bank justitiële gegevens ontvangen in het kader van een sollicitatie van een werknemer naar een andere functie binnen het bedrijf. Indien werknemers solliciteren naar een andere dienstbetrekking binnen NECIGEF of NIEC respectievelijk De Nederlandsche Bank is het wenselijk dat opnieuw kan worden getoetst of betrokkene gelet op zijn antecedenten, voor de betreffende functie in aanmerking komt.

In onderdeel a is verder geregeld dat de President van De Nederlandsche Bank ook de Nederlanders kan screenen die hebben gesolliciteerd naar een functie bij de Europese Centrale Bank.

In onderdeel c wordt bepaald dat de President van De Nederlandsche Bank de justitiële gegevens mag ontvangen van degenen die bankbiljetten, munten of halffabrikaten daarvan in opdracht van De Nederlandsche Bank gaan vervoeren. Bij halffabrikaten kan gedacht worden aan het vervoeren van onbedrukt papier waarin al een watermerk en veiligheidsdraad zijn verwerkt. Aangezien het vervoer van voornoemde producten bijzonder risicovol is, gelet op de economische ontwrichting die bijvoorbeeld diefstal van deze producten met zich mee kan brengen, is het van belang dat degenen die het vervoer feitelijk verrichten van onbesproken gedrag zijn.

Onderdeel d is nieuw in vergelijking met het oude recht. In dit onderdeel is bepaald dat de directeur van Joh. Enschedé Facilities BV justitiële gegevens mag ontvangen ten behoeve van onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid van personen die belast zijn met het produceren van bankbiljetten en waardepapieren. Voorkomen moet worden dat tengevolge van onbetrouwbaar personeel problemen ontstaan die een economische ontwrichting tot gevolg hebben.

In onderdeel e is geregeld dat aan de voorzitter van het bestuur van de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) justitiële gegevens mogen worden verstrekt ten behoeve van de aanstelling van personeel. De AFM oefent in de financiële wereld het gedragstoezicht uit op financiële instellingen met het oog op een ordelijk en transparant verloop van de marktprocessen. De toezichthoudende functie is de afgelopen jaren versterkt. Een belangrijk onderdeel van deze taak is dat de stichting als onafhankelijk toezichthouder volledig verantwoordelijk is voor het gedragstoezicht op alle financiële instellingen alsmede op de beurs. Een van de taken is het toetsen van de betrouwbaarheid van de beleidsbepalers van deze instellingen. Voor een juiste uitoefening van deze toezichthoudende taak is het wenselijk dat de voorzitter van het bestuur van de Stichting AFM inzicht kan verkrijgen in de justitiële gegevens van degenen die gesolliciteerd hebben naar een functie bij deze stichting alsmede van degenen die via een interne sollicitatie een andere functie willen gaan vervullen. Door deze regeling wordt bewerkstelligd dat de screeningsmogelijkheden van de financiële toezichthouders dezelfde is.

In het tweede lid is geregeld dat de hierboven vermelde personen niet alleen voor de aanname van personeel justitiële gegevens mogen ontvangen, maar ook met het oog op het nemen beslissingen betreffende over het ontslag van personeel. Gelet op de hierboven geschetste risico's is het noodzakelijk dat ook tussentijdse screeningen tot de mogelijkheden behoren.

Artikel 27

De onderhavige bepaling is ontleend aan artikel 3, van het Besluit inlichtingen strafregisters.

Bepaald is dat zowel de KLM als SDU Identification bv justitiële gegevens kunnen krijgen voor het screenen van personeel.

Het komt voor dat op degenen die werkzaamheden verrichten op de luchthaven druk van buiten wordt uitgeoefend met als doel dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Met het oog op de nationale en openbare veiligheid is van belang dat de KLM (aankomend) personeel kan screenen.

Een gelijke reden ligt onder de verstrekking van justitiële gegevens aan de directeur van SDU Identification bv. Bij dit bedrijf worden identiteitspapieren geproduceerd die zijn onderworpen aan zeer geavanceerde beveiligingstechnieken. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld paspoorten.

Artikel 28

In artikel 28 is bepaald dat geen verstrekkingen in het kader van aanname en ontslag van personeel worden gedaan dan nadat de persoon of organisatie die om de gegevens verzoekt een ondertekende verklaring van betrokkene heeft overgelegd waaruit blijkt dat laatstgenoemde toestemming voor de verstrekking geeft en waaruit blijkt dat hij bekend is met de te volgen procedure. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Indien een verklaring omtrent het gedrag onvoldoende is voor het beoordelen van de strafrechtelijke integriteit van betrokkene, kunnen justitiële gegevens worden verkregen. Het vragen van toestemming strookt met artikel 8 EVRM. Niet valt immers in te zien waarom de bevraging buiten de betrokkene om zou moeten geschieden. Indien hij of zij geen toestemming geeft tot het verstrekken van de gegevens over hem of haar kan de werkgever mogelijke gevolgen bespreken met de sollicitant of werknemer.

Geregeld is dat de werkgever zorgdraagt voor het verkrijgen van een ondertekende verklaring van de sollicitant of werknemer. Deze verklaring moet dan met de bevraging van de gegevens worden meegezonden naar de Centrale Justitiële Documentatie. Indien er geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd, verstrekt de Centrale Justitiële Documentatie geen justitiële gegevens.

Nadat de (aankomend) werkgever de justitiële gegevens heeft ontvangen, wordt de sollicitant of werknemer schriftelijk op de hoogte gesteld van de gegevens die zijn verkregen. Voorts wordt melding gemaakt van de gevolgen die de werkgever aan die gegevens wenst te verbinden. Indien op grond van de gegevens de werkgever voornemens is om de sollicitant niet is dienst te nemen, kan het van belang zijn om betrokkene te horen. Niet uitgesloten is immers dat op basis van de geschetste context waarin het delict is gepleegd kan worden geconcludeerd dat aanstelling van betrokkene niet in de weg staat aan een goede uitoefening van de functie. In het tweede lid is om deze reden bepaald dat de werkgever betrokkene van wie verwacht mag worden dat hij bedenkingen tegen de beslissing van de werkgever zal hebben in de gelegenheid moet stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen over de justitiële gegevens en de mogelijk daaraan te verbinden gevolgen.

Artikel 29

In artikel 29 zijn de verstrekkingen die in artikel 2, onderdelen i, g, j en f van het Besluit justitiële gegevens waren opgenomen verwerkt.

Daar voor een belangrijk deel van de functies bij de zittende en staande magistratuur slechts toegang wordt verkregen via een voorafgaande selectieprocedure, ligt het in de rede voor die gevallen het inwinnen van inlichtingen in een zo vroeg mogelijk stadium van deze procedure te doen plaatsvinden. Vandaar dat wordt voorgesteld de bevoegdheid tot het opvragen van inlichtingen ook te verlenen aan de terzake ingestelde selectiecommissies (bepaling onder a).

In onderdeel b is bepaald dat de personen die belast zijn met het opmaken van een aanbeveling voor de vervulling van het ambt van Nationale ombudsman of substituut-ombudsman, ten behoeve van het opmaken van zodanige aanbeveling justitiële gegevens kunnen verkrijgen. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wet nationale ombudsman wordt de aanbeveling opgemaakt door de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer. Gelet op de aard van het ambt van de Nationale ombudsman en de in verband daarmee aan mogelijke kandidaten te stellen eisen is het gewenst dat genoemde functionarissen over deze gegevens beschikken. Daartoe is mede van belang hetgeen is geregeld in artikel 3, tweede lid, onder e van voornoemde wet, waarin is bepaald dat de ombudsman kan worden ontslagen wanneer hij is veroordeeld. Uit deze ontslaggrond blijkt dat het van belang is dat betrouwbare personen het ambt van ombudsman vervullen. Een verklaring omtrent het gedrag biedt onvoldoende toetsing, aangezien evenals bij de benoeming van een commissaris van de Koningin voor het opstellen van de aanbeveling meer gegevens worden betrokken dan alleen strafrechtelijke gegevens. Te denken valt aan gegevens van bestuurlijk, maatschappelijke aard. Dergelijke gegevens bieden in combinatie met de justitiële gegevens inzicht in de betrouwbaarheid en geschiktheid van de kandidaat-ombudsman.

Uit een oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer is van belang dat de justitiële gegevens pas worden gevraagd wanneer aannemelijk is dat de betrokkene voor plaatsing op de aanbeveling in aanmerking komt.

Aangezien de Nationale ombudsman ingevolge artikel 9, tweede lid, van de wet de bevoegdheid heeft een aanbeveling te doen tot het benoemen van personen in het ambt van substituut-ombudsman, heeft ook hij de bevoegdheid justitiële gegevens van kandidaten voor dit ambt op te vragen.

In onderdeel c is bepaald dat de voorzitters van de kamers van toezicht ten behoeve van het onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van personen die in aanmerking willen komen voor een benoeming tot notaris justitiële gegevens mogen ontvangen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 8, derde lid, van de Wet op het notarisambt. In laatstgenoemd artikel is geregeld dat een benoeming als notaris kan worden geweigerd indien er, gelet op de antecedenten van de verzoeker, gegronde vrees bestaat dat hij in strijd zal handelen met de voor het notarisambt geldende regels. Aangezien de kamers van toezicht in het kader van de benoeming tot notaris, het onderzoek verrichten naar de benoemingseisen, worden aan de voorzitters van die kamers justitiële gegevens verstrekt.

In het tweede lid is geregeld dat artikel 28 van overeenkomstige toepassing is. Dat houdt in alle voornoemde gevallen aan de sollicitanten toestemming moet worden gevraagd om justitiële gegevens te mogen opvragen en dat deze gegevens en de gevolgen die daaraan in beginsel zullen worden verbonden, worden besproken met de kandidaat.

Artikel 30

Voorzover het de verstrekking van justitiële gegevens aan de commissaris van de Koningin ten behoeve van het dienen van advies inzake de benoeming van burgemeesters betreft, is de bepaling overgenomen uit artikel 2, onder b, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie. Artikel 5, derde lid, van hetzelfde besluit regelde de verstrekking van justitiële gegevens aan de burgemeester en de commissaris van de Koningin ten behoeve van zijn adviserende taak bij de verlening van koninklijke onderscheidingen.

In aansluiting op de praktijk is onderdeel a opgenomen. In de procedure van de voordracht ligt besloten dat betrokkene heeft ingestemd met de bevraging van de justitiële gegevens.

Ook is nieuw het verstrekken van justitiële gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de voordracht voor de benoeming van de commissarissen van de Koningin. Op grond van artikel 61 van de Provinciewet wordt de commissaris van de Koningin door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemd. De minister is belast met een eerste selectie van de kandidaten. Deze selectie legt de Minister voor aan de door en uit provinciale staten ingestelde vertrouwenscommissie. De vertrouwenscommissie is belast met de verdere selectie van de kandidaten. Gelet op de bijzondere aard van de functie is van belang dat de Minister zich een oordeel kan vormen over de betrouwbaarheid en geschiktheid van de desbetreffende kandidaat. Een verklaring omtrent het gedrag biedt daarvoor onvoldoende inzicht. Het is van belang dat de Minister over meer informatie beschikt om de bestuurlijke integriteit van de betrokken kandidaat te kunnen beoordelen. Op grond van het geheel van informatie die de Minister ter beschikking krijgt, beoordeelt hij of een kandidaat in beginsel benoembaar is voor de desbetreffende commissarisfunctie.

In de onderdelen c en d is geregeld dat zowel de burgemeester als de commissaris van de Koningin justitiële gegevens krijgen met het oog op hun adviserende taak bij de verlening van koninklijke onderscheidingen. Op grond van artikel 9 van het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de orde van Oranje-Nassau wordt een voorstel tot verlening van een onderscheiding gericht aan de burgemeester van de woonplaats van de te onderscheiden persoon. Voorzover het betreft een voorstel tot verlening van een onderscheiding aan de burgemeester wordt dit gericht aan de commissaris van de Koningin (artikel 10 van voornoemd Reglement). Op dit punt is de tekst van onderdeel c, onder 2° die is overgenomen van het oude artikel 5, derde lid, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie, in overeenstemming gebracht met de bedoeling zoals uiteengezet in de nota van toelichting bij het Besluit van 30 met 1997, houdende wijziging van het Besluit registratie justitiële gegevens en het Besluit inlichtingen justitiële documentatie (Stb. 230).

De onderscheidingen worden verleend aan degenen die zich hebben onderscheiden wegens bijzondere verdiensten jegens de samenleving. Daarbij gaat het onder andere om het leveren van opvallende prestaties die een bijzondere waarde hebben voor de samenleving. In dit kader past niet dat personen relevante strafbare feiten hebben gepleegd. Een aanwijzing daarvoor is ook te vinden in de wetten van 29 september 1815 en 4 april 1892 houdende instelling van de orde van de Nederlandse Leeuw respectievelijk de Orde van Oranje-Nassau. In deze wetten is in artikel 12 respectievelijk 11 aangegeven dat een onderscheiding vervalt indien een vrijheidsstraf is opgelegd.

In het tweede lid is geregeld dat bij het beoordelen of iemand in aanmerking kan komen voor een onderscheiding tevens kennis kan worden genomen van de zedenmisdrijven die langer dan twintig jaar zijn geregistreerd. In de praktijk zijn een paar situaties bekend waarin iemand een onderscheiding had gekregen die lang geleden een zedenmisdrijf had gepleegd. Uit maatschappelijk oogpunt kan het onaanvaardbaar zijn dat in dergelijke gevallen een onderscheiding wordt verleend. Daarbij moet bedacht worden dat in dit kader resocialisatie geen rol van betekenis speelt. Betrokkene wordt immers niet gedupeerd, indien hij niet in aanmerking komt voor een onderscheiding.

Voor het verlenen van militaire onderscheidingen die bij koninklijk besluit worden toegekend worden justitiële gegevens verstrekt aan de Minister van Defensie.

In het derde lid is wederom artikel 28 van overeenkomstige toepassing verklaart in de gevallen waarin het om benoeming gaat. Met het oog op het uitoefenen van de adviserende bevoegdheid in het kader van de verlening van een onderscheiding is niet vereist dat eerst toestemming wordt gevraagd aan de kandidaat. Dit strookt niet met het verrassingseffect dat maatschappelijk gezien met de toekenning van de onderscheiding gepaard behoort te gaan.

Artikel 31

Artikel 31 is ontleend aan artikel 8 van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie. Het is evident dat in werkprocessen de betreffende hoofden van dienst niet zelf de bevragingen van justitiële gegevens zullen doen. Daarvoor worden onder hen ressorterende ambtenaren aangewezen. De Centrale Justitiële Documentatie moet op de hoogte worden gesteld van de desbetreffende machtigingen.

Door het tweede lid is volstrekt duidelijk dat de burgemeester de korpschef voor de in dit artikel genoemde gevallen kan machtigen tot het opvragen van justitiële gegevens. Deze bepaling is noodzakelijk, omdat op grond van de Politiewet de korpschef niet in alle gevallen een onder de burgemeester ressorterende ambtenaar is als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 32

In artikel 32 is bepaald dat in het kader van de beoordeling of tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kan worden overgegaan kennis kan worden genomen van de zedendelicten die op grond van artikel 4, vierde lid, van de wet langer dan twintig jaar worden geregistreerd. Ook ingeval van een verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen kunnen de zedendelicten worden meegewogen. De Minister van Justitie kan afwegen in welke gevallen de gegevens over de zedendelicten relevant zijn.

Artikel 33

Op grond van artikel 36 van de wet kan worden bepaald dat voor de beoordeling van bepaalde verklaringen omtrent het gedrag van beperkte gegevens kan worden uitgegaan. In het onderhavige artikel wordt dit geregeld voor het bepalen van de eis van betrouwbaarheid van de goederen- en personenvervoerder. Op grond van artikel 3, eerste en tweede lid van richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers wordt de eis van betrouwbaarheid vastgesteld aan de hand van uitsluitend veroordelingen op naam van de vervoerder. Deze richtlijn is gewijzigd bij de richtlijn van 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 96/26/EG.

Destijds kon in de Wet goederenvervoer over de weg en de Wet personenvervoer 2000 voor de invulling van de eis van betrouwbaarheid zonder meer worden aangesloten bij de verklaring omtrent het gedrag. Met de inwerkingtreding van de Wet justitiële gegevens wordt niet langer meer een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen voorgeschreven, maar een verklaring omtrent het gedrag van rechtspersonen. In het huidige systeem worden meer gegevens bij de beoordeling van de vraag of de verklaring kan worden afgegeven betrokken. Niet alleen de veroordelingen, maar alle afdoeningen worden beoordeeld. Dit strookt echter niet met de voorschriften gesteld in voornoemde richtlijnen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd aansluiting te zoeken bij de richtlijnen.

Artikel 34

In artikel 34 is geregeld van welke organisaties de reclasseringsrapporten afkomstig zijn. Deze rapporten worden aan de Centrale Justitiële Documentatie verstrekt door de gezinsvoogdij-instellingen, de raad voor de kinderbescherming en de reclasseringsinstellingen. Onder de reclasseringsinstellingen zijn mede begrepen het Leger des Heils en het Centrum voor Alcohol en Drugs. Ook worden reclasseringsrapporten aangeleverd door de penitentiaire instellingen en de tbs inrichtingen. In artikel 34, onder f, is geregeld dat rapporten worden verstrekt door de Minister van Justitie. Daarmee wordt gedoeld op de Forensich Psychiatrische Dienst.

Artikel 35

In artikel 42, vijfde lid, van de wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur personen en instanties kunnen worden aangewezen aan wie ten behoeve van een juiste toepassing van het strafrecht afschriften van rapporten uit een persoonsdossier kunnen worden verstrekt. In de wet zelf is reeds geregeld dat rechters, penitentiaire consulenten, de raad voor de kinderbescherming en reclasseringsmedewerkers mogen beschikken over reclasseringsrapporten. In het onderhavige artikel is bepaald dat de gezinsvoogdij-instelling die ook een reclasseringstaak heeft, ook reclasseringsrapporten mag ontvangen. Voorts ontvangt op grond van onderdeel b ook de Forensisch Psychiatrische Dienst afschriften van deze rapporten.

Artikel 36

Het eerste lid van artikel 36 regelt wat de kostenvergoeding is bij een verzoek om inzage in de justitiële documentatie alsmede de mededeling welke justitiële gegevens over betrokkene het afgelopen jaar zijn verstrekt. De regeling strekt zich ook uit tot dezelfde verzoeken en mededelingen met betrekking tot persoonsdossiers. De hoogte van het bedrag sluit aan bij artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

In het tweede lid is bepaald dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld wat de kosten van de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag zijn.

Artikel 37

Het Besluit registratie justitiële gegevens, het Besluit inlichtingen justitiële documentatie en het Besluit inlichtingen strafregisters zijn voor een groot deel overgenomen in het huidige Besluit justitiële gegevens.

Het Besluit van 30 januari 1956 betreffende uitvoeringsvoorschriften ten aanzien van de verklaring omtrent het gedrag kan vervallen, aangezien andere formulieren zijn vastgesteld.

Het Besluit van 20 februari 1958 betreffende de samenstelling van commissies van advies inzake de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag kan worden ingetrokken, aangezien een dergelijke commissie niet langer meer bestaat.

De aanvraagformulieren geregeld in de regeling van 10 december 1993 inzake het stellen van voorschriften aanvraagformulieren gegevens uit de justitiële documentatie worden al lang niet meer gebruikt. De regeling kan vervallen.

De regeling van 23 maart 1994, houdende aanwijzing van de beheerder van de afdeling van de justitiële documentatiedienst wordt vervangen door een mandaatregeling.

De beschikking van de Minister van Justitie van 16 april 1951, Stcrt. 76 is de eerste uitvoeringsbeschikking justitiële documentatie. Deze beschikking geeft uitvoering aan artikel 8 van het Besluit registratie justitiële gegevens. De beschikking omvat met name een soort overgangsrecht. De bepalingen in deze beschikking kunnen vervallen. Gedeeltelijk regelt het hetzelfde als in het Besluit registratie justitiële gegevens. Ook worden een aantal verstrekkingen geregeld. Deze zijn verouderd en achterhaald. Op grond van het overgangsrecht blijven de gegevens die nog steeds op grond van deze beschikking zouden zijn geregistreerd in de justitiële documentatie staan.

De beschikking van de Minister van Justitie van 10 november 1958, Stcrt. 221, meestal het Besluit ex. artikel 12 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag genoemd is overbodig nu de gegevensverstrekking aan ambtenaren van de reclassering is geregeld in artikel 18.

De beschikking van de Minister van Justitie van 10 november 1958, Stcrt. 223 wordt meestal het Besluit registratie buitenlandse strafbladen genoemd. Deze beschikking is opgegaan in artikel 9 van het onderhavige besluit.

De beschikking van 15 januari 1959 inzake de bevoegdverklaring van de chef spoorwegrecherche tot het indienen van verzoeken om verklaringen omtrent het gedrag van personeelsleden kan vervallen. De verklaring omtrent het gedrag wordt in beginsel ingediend door de werknemer. Een uitzonderingsbepaling is niet langer in de wet opgenomen. Wel kunnen afspraken worden gemaakt met de ondernemingsraad of de bonden dat de werkgever met het oog op een tussentijdse screening een zogenaamde bulkaanvraag doet. Dit betekent niet dat de werkgever dan ook de verklaring of de afwijzing daarvan ontvangt. De werknemer ontvangt de beslissing op de aanvraag. Om dezelfde reden kan de beschikking van 18 december 1972 inzake de bevoegdheid van de chef van de spoorwegrecherche om antecedentenonderzoeken voor andere organisaties aan te vragen vervallen.

Artikel 38 tot en met 51

De wijzigingen van andere besluiten betreffen technische aanpassingen. De aanpassingen van de artikelen 38 tot en met 44 zijn toegelicht bij artikel 23. Daarbij wordt nog het volgende aangegeven. Vroeger was in artikel 9 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement geregeld dat voor de functies die bijzondere eisen stellen aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene een antecedentenonderzoek kon worden ingesteld. Bij het antecedentenonderzoek konden uitsluitend gegevens uit het oude strafregister, ofwel alleen veroordelingen, worden betrokken. Aangezien de verklaring omtrent het gedrag een veel diepgaander screeningsinstrument is dan het oude antecedentenonderzoek, is het antecedentenonderzoek vervallen. In plaats van dit antecedentenonderzoek is de mogelijkheid gecreëerd dat voor functies waarvoor een verklaring omtrent het gedrag onvoldoende inzicht in de strafrechtelijke integriteit van de betrokken ambtenaar biedt, justitiële gegevens kunnen worden verkregen. In de algemene inleiding is aangegeven hoe dit kan worden bepaald. Zijn justitiële gegevens noodzakelijk, dan wordt in artikel 23 geregeld voor welke functies deze gegevens worden verstrekt.

De commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken (CGOP) heeft negatief geadviseerd over het voorstel tot aanpassing van het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie. Een deel van de bezwaren van de CGOP richt zich niet tegen de hier aan de orde zijnde wijzigingen maar tegen de inhoud van artikelonderdelen die sinds 20 maart 1998 in de politierechtspositie zijn opgenomen en die ook met ingang van 1 april 2004 inhoudelijk ongewijzigd blijven. Deze bezwaren kunnen dan ook niet in de weg staan aan publicatie en inwerkingtreding van de wijzigingen.

Voor het overige richten de bezwaren van de CGOP zich tegen het gebruik van het begrip «onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid», in de veronderstelling dat door het woord «geschiktheid» in dit begrip een inhoudelijke wijziging zou zijn beoogd. Omdat, zoals de CGOP herhaald is meegedeeld, met het begrip «onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid» geen inhoudelijke wijziging wordt aangebracht in de desbetreffende artikelen, kunnen ook deze bezwaren niet in de weg staan aan publicatie en inwerkingtreding.

De CGOP is hiervan in het formeel overleg in kennis gesteld en heeft het onderwerp niet voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie.

Artikel 52

Artikel 52 regelt het overgangsrecht. Geregeld is dat de gegevens die voor de inwerkingtreding van de wet overeenkomstig een wettelijk voorschrift door de justitiële documentatiedienst waren geregistreerd op het moment van inwerkingtreding worden aangemerkt als justitiële gegevens. Die gegevens blijven dus geregistreerd.

Daarbij gaat het bijvoorbeeld om artikel 3 van het oude Besluit registratie justitiële gegevens. In dit artikel is het volgende geregeld. De gegevens met betrekking tot onder andere naam, adres en woonplaats alsmede bepaalde afdoeningsgegevens die voor de inwerkingtreding van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag werden geregistreerd voorzover zij vóór het in werkingtreden van de wet werden opgenomen in de strafregisters als bedoeld in het Koninklijk Besluit van 19 februari 1896, Stb. 29, zoals dit laatstelijk werd gewijzigd, evenwel met uitzondering van de vonnissen die hier te lande zijn gewezen door Duitse rechters en van vonnissen en arresten gewezen door de in het besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Justitie van 12 augustus 1941 (Verord. BI. 1941, 156) bedoelde vrederechters en het vredegerechtshof.

Bovendien werden geregistreerd alle gegevens welke de documentatiedienst als bedoeld in het «Besluit justitiële documentatie» (Koninklijk besluit van 2 februari 1951, Stb. 36) vóór de inwerkingtreding van de wet heeft geregistreerd ingevolge de artikelen 3 t/m 6 van de beschikking van de Minister van Justitie van 16 april 1951 (Ned. Stcrt. 1951, nr. 129), met uitzondering van de gegevens, betrekking hebbend op strafbare feiten als bedoeld in artikel 6 van deze algemene maatregel van bestuur.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1958, 467.

XNoot
2

Stb. 1958, 466.

XNoot
3

Stcrt. 1958, 221.

XNoot
4

Stb. 1956, 73.

XNoot
5

Stb. 1958, 103.

XNoot
6

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 september 2003, Stb. 394.

XNoot
7

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 september 2003, Stb. 394.

XNoot
8

Stb. 1993, 350, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 oktober 2003, Stb. 496.

XNoot
9

Stb. 1986, 611, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 september 2003, Stb. 394.

XNoot
10

Stb. 2002, 162, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 9 december 2003, Stb. 520.

XNoot
11

Stb. 1995, 236, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
12

Stb. 1991, 56, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 februari 2004, Stb. 57.

XNoot
13

Stb. 1992, 197, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 september 2002, Stb. 489.

XNoot
14

Stb. 2000, 563, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 september 2002, Stb. 489.

XNoot
15

Stb. 1998, 111, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 december 2003, Stb. 511.

XNoot
16

Stb. 1985, 110, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 mei 2003, Stb. 262.

XNoot
17

Stb. 1997, 217, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 4 december 2003, Stb. 511.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.