Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2004, 112AMvB

Besluit van 5 maart 2004, houdende wijziging van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2003, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&P/2003/93212, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 (PbEG L 200) betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten en op richtlijn nr. 2001/58/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 2001 (PbEG L 212) tot tweede wijziging van richtlijn nr. 91/155/EEG houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering van het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 14 van richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en inzake gevaarlijke stoffen krachtens artikel 27 van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (veiligheidsinformatiebladen) alsmede op artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

De Raad van State gehoord (advies van 29 januari 2004 no. W12.03.0528/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 maart 2004, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&P/2004/10185, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. richtlijn 91/155/EEG: richtlijn nr. 91/155/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1991 (PbEG L 76) houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering van het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 14 van richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en inzake gevaarlijke stoffen krachtens artikel 27 van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (veiligheidsinformatiebladen);

2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. richtlijn 98/24/EG: richtlijn nr. 98/24/EG van de Raad van de Europese Unie van 7 april 1998 (PbEG L 131) betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (veertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Degene die een stof of preparaat, behorende tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, aan een ander voor beroepsmatig gebruik ter beschikking stelt, verstrekt aan die ander kosteloos een deugdelijk veiligheidsinformatieblad dat hem in staat stelt om de nodige maatregelen te treffen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu op het werk.

2. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot vierde tot en met zesde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Onverminderd het eerste lid, verstrekt degene die een niet-gasvormig preparaat aan een ander voor beroepsmatig gebruik ter beschikking stelt, aan die ander op diens verzoek kosteloos een deugdelijk veiligheidsinformatieblad dat hem in staat stelt om de nodige maatregelen te treffen ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu op het werk, indien dat preparaat een stof bevat die in een afzonderlijke concentratie groter is dan of gelijk is aan 1 gewichtspercent en:

    die stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f tot en met o van de wet, of

    voor die stof op grond van artikel 3 van richtlijn 98/24/EG een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling of een biologische grenswaarde is vastgesteld.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een gasvormig preparaat dat een in dat lid bedoelde stof bevat, welke stof in een afzonderlijke concentratie gelijk is aan of groter is dan 0,2 volumepercent.

3. Het tot het vijfde lid vernummerde lid wordt als volgt gewijzigd:

1° Onderdeel a komt te luiden:

a. identificatie van de stof of het preparaat en de vennootschap of onderneming;

2° Onderdeel c komt te luiden:

c. identificatie van de gevaren;

In onderdeel f wordt «ongewild» vervangen door: accidenteel.

3° Onderdeel l komt te luiden als volgt:

l. milieu-informatie;.

C

In artikel 3 wordt «richtlijn» telkens vervangen door: richtlijn 91/155/EEG.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 2 en 3» vervangen door: artikel 2, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt «de in het veiligheidsinformatieblad opgenomen gegevens» vervangen door: de in het veiligheidsinformatieblad, bedoeld artikel 2, eerste tot en met derde lid, opgenomen gegevens.

3. In het derde lid wordt «Het nieuwe veiligheidsinformatieblad» vervangen door: Het in het tweede lid bedoelde veiligheidsinformatieblad.

4. In het vierde lid vervalt: , overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid,.

5. Er wordt na het vierde lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid, wordt aan de beroepsmatige gebruiker schriftelijk of op elektronische wijze verstrekt. Elektronische verstrekking vindt alleen plaats indien de geadresseerde over de benodigde middelen beschikt om het veiligheidsinformatieblad in ontvangst te nemen.

E

Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a

Degene die een preparaat in de handel brengt waarvoor met toepassing van artikel 2, eerste tot en met derde lid, een veiligheidsinformatieblad wordt opgesteld, bewaart de gegevens die zijn gebruikt voor het maken van dat veiligheidsinformatieblad.

F

In artikel 6 vervalt onderdeel f onder verlettering van de onderdelen g en h tot f en g.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst

histnoot

's-Gravenhage, 5 maart 2004

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zakenen Werkgelegenheid,

M. Rutte

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Uitgegeven de dertigste maart 2004

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Het onderhavige op de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna te noemen wet; Stb. 1992, nr. 632) gebaseerde besluit strekt tot uitvoering van artikel 14 van richtlijn nr. 1999/45/EG (hierna te noemen: de preparatenrichtlijn) van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200). Met genoemd besluit is tevens uitvoering gegeven aan artikel 1, eerste lid, van de richtlijn nr. 2001/58/EG (hierna te noemen de veiligheidsinformatiebladen richtlijn) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 2001 tot tweede wijziging van richtlijn nr. 91/155/EEG houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering van het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 14 van richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en inzake gevaarlijke stoffen krachtens artikel 27 van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (veiligheidsinformatiebladen) (PbEG L 212).

1.1 Veiligheidsinformatiebladen

Ongeveer 600 000 werknemers komen door hun werk in aanraking met stoffen en preparaten die soms een gering en soms een groot risico voor hun gezondheid inhouden. De regels ter bescherming van werknemers die werken met stoffen en preparaten zijn neergelegd in de Arbeidsomstandighedenwet en enige op die wet gebaseerde besluiten. Deze regelgeving bevat in grote lijnen 2 kernpunten. Allereerst dient de werkgever een deugdelijke inventarisatie en evaluatie te maken van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid en gezondheid met zich mee brengt. Op grond van die evaluatie dient de werkgever geschikte maatregelen te nemen om zo de blootstelling van werknemers aan stoffen en preparaten zoveel mogelijk te voorkomen of beperken. Daarnaast dient de werkgever zijn werknemers doeltreffende voorlichting en onderricht te geven over de gevaren die verbonden zijn aan het werken met de stoffen of preparaten en over de wijze waarop deze gevaren zoveel mogelijk voorkomen of beperkt kunnen worden. Om dit te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat zowel werkgevers als werknemers over voldoende informatie beschikken inzake de stoffen en preparaten waarmee in het bedrijf gewerkt wordt. Het veiligheidsinformatieblad is daarvoor een belangrijke informatiebron. Het veiligheidsinformatieblad bevat in 16 rubrieken informatie over ondermeer:

– voor een preparaat: samenstelling en informatie over de bestanddelen

– gevaren

– hantering en opslag

– maatregelen ter beheersing van blootstelling/persoonlijke bescherming

– fysische en chemische eigenschappen

– toxicologische informatie

De door de veiligheidsinformatiebladen verstrekte informatie moet voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 98/24/EG en moet de werkgever in staat stellen na te gaan of er gevaarlijke chemische agentia op de werkplek aanwezig zijn en eventuele risico's in verband met het gebruik ervan te beoordelen. Onder gevaarlijke chemische agentia wordt verstaan:

– stoffen die gevaarlijk zijn volgens Richtlijn 67/548/EEG: en

– stoffen die niet gevaarlijk zijn volgens Richtlijn 67/548/EG maar die wel een risico opleveren door de fysisch-chemische of toxicologische eigenschappen en door de wijze waarop het op de werkplek wordt gebruikt of aanwezig is.

Hieronder worden in ieder geval alle stoffen begrepen waarvoor een grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 98/24/EG geldt.

1.2 De preparaten richtlijn

De preparatenrichtlijn vervangt richtlijn nr. 88/379/EEG van de Raad van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 187). De preparatenrichtlijn heeft nu concreter omschreven in welke gevallen een veiligheidsinformatieblad geleverd moet worden en wat de eisen moeten zijn. De voornaamste wijzigingen in vergelijking met artikel 10 van richtlijn nr. 88/379/EEG en richtlijn nr. 91/155/EEG zijn de volgende:

1. Het veiligheidsinformatieblad moet de beroepsmatige gebruiker ook in staat stellen de nodige maatregelen te treffen voor bescherming van het milieu op het werk (tot op heden was dit beperkt tot gezondheid en veiligheid).

2. Er moet op verzoek van de beroepsmatige gebruiker een veiligheids-informatieblad worden verstrekt voor preparaten die niet behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet maar die wel een stof bevatten,

– in een concentratie van groter dan of gelijk aan 1 gewichtsprocent voor niet-gasvormige preparaten en groter dan of gelijk aan 0,2 volume procent voor gasvormige preparaten; en

– met gevaarlijke effecten voor de gezondheid of het milieu of waarvoor een communautaire grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is vastgesteld.

De beroepsmatige gebruiker wordt hierop geattendeerd, doordat er op het etiket van de verpakking van bedoelde preparaten de volgende tekst is aangebracht:

«inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar».

In dit veiligheidsinformatieblad moet proportionele informatie verstrekt worden. Deze proportionele informatie moet in ieder geval voldoende zijn om de werkgever in staat te stellen na te gaan of er gevaarlijke chemische agentia op de werkplek aanwezig zijn en de eventuele risico's in verband met het gebruik ervan voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beoordelen.

3. Het veiligheidsinformatieblad moet voldoen aan de eisen zoals aangegeven in de Bijlage van de veiligheidsinformatiebladenrichtlijn. Deze richtlijn is in Nederlandse regelgeving geïmplementeerd middels een mededeling in de Staatscourant van 21 november 2002, nr. 225.

4. Er is nu specifiek aangegeven dat een veiligheidsinformatieblad ook langs elektronische weg verstrekt mag worden. In richtlijn nr. 91/155/EEG was indertijd alleen aangegeven dat het «verstrekt» moet worden (zonder de wijze waarop).

5. De gegevens die zijn gebruikt om een veiligheidsinformatieblad op te stellen moeten ter beschikking gehouden worden door diegene die het preparaat in de handel brengt.

Naast de implementatie van een deel van de preparatenrichtlijn in het onderhavige besluit worden andere onderdelen van de preparatenrichtlijn elders in de Nederlandse regelgeving geïmplementeerd (ondermeer door een herziening van het Besluit Verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen). Sommige van die onderdelen kunnen ook directe of indirecte consequenties hebben voor verplichtingen omtrent veiligheidsinformatiebladen:

1. Voor bestrijdingsmiddelen moet ook een veiligheidsinformatieblad verstrekt gaan worden.

In Nederland worden twee soorten bestrijdingsmiddelen onderscheiden:

– biociden (vallen onder richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 150));

– gewasbeschermingsmiddelen (vallen onder richtlijn nr. 91/414/EG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230)).

Op Europees niveau wordt er geen onderscheid gemaakt tussen beide soorten bestrijdingsmiddelen. Voor beide geldt dat vanaf 30 juli 2004 de verplichting, op basis van de preparaten richtlijn, tot het verstrekken van veiligheidsinformatiebladen van kracht is.

2. In artikel 15 van de richtlijn is aangegeven dat een persoon, die de chemische identiteit van een stof genoemd op het etiket of in een veiligheidsinformatieblad, geheim wil houden in verband met de vertrouwelijkheid van zijn intellectuele eigendom daartoe een aanvraag kan indienen bij de bevoegde autoriteit volgens een in de bijlage VI bij de richtlijn te volgen procedure. Deze procedure is gelijk voor een verzoek betreffende de informatiegeheimhouding op het etiket en een verzoek dat ziet op de informatiegeheimhouding in een veiligheidsinformatieblad. Het gevolg is dat ook een verzoek om informatiegeheimhouding in een veiligheidsinformatieblad gericht moet zijn aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. Effecten

De werkingssfeer van het verstrekken van veiligheidsinformatiebladen wordt uitgebreid met:

– bestrijdingsmiddelen;

– preparaten die niet als gevaarlijk zijn ingedeeld maar een «gevaarlijke» stof bevatten in een zeker percentage.

Het gaat hier om een beperkte uitbreiding gelet op het grote aantal preparaten waarop de verplichting al van toepassing was. Daarnaast verstrekken veel bedrijven uit eigen beweging al veiligheidsinformatiebladen voor laatstgenoemde categorie.

2.1. Bedrijfseffecten

Gevolgen voor het bedrijfsleven

Er zijn in Nederland circa 1 000 bedrijven die milieugevaarlijke stoffen of preparaten leveren aan beroepsmatige gebruikers. Volgens inschatting van deskundigen levert elk bedrijf gemiddeld 1 000 stoffen waarvoor veiligheidsinformatiebladen moeten worden gemaakt. Omdat gemiddeld iedere twee jaar een update van de bladen nodig is, worden jaarlijks dus 0,5 miljoen nieuwe bladen gemaakt. De bedrijven maken zelf de helft van deze bladen, terwijl de andere helft door externe bureaus wordt gemaakt. Gemiddeld is bij het bedrijf drie uur nodig om een blad te maken, tegen een gemiddeld uurloon van € 65. De prijs per blad komt dus uit op circa € 200. Indien men dit door een extern bureau laat maken bedragen de kosten tussen € 50 en € 500 per blad. Gemiddeld genomen bedragen de kosten in de huidige situatie € 100 miljoen per jaar.1Naast deze kosten maken de bedrijven ook druk- en verspreidingskosten en wordt een registratie gevoerd aan wie welke stof of preparaat geleverd is. Deze kosten zijn geschat op € 25 miljoen, waarmee de totale kosten thans uitkomen op € 125 miljoen per jaar, ofwel € 125 000 per bedrijf. In sommige branches (bijv. verfindustrie) liggen de kosten van de veiligheidsinformatiebladen per stof/preparaat lager, omdat veel preparaten qua samenstelling op elkaar lijken en de inhoud van het bladen dan ook weinig van elkaar afwijkt.

Op dit moment worden ongeveer één miljoen stoffen/preparaten aan beroepsmatige gebruikers geleverd, waarvan de helft tot de gevaarlijke stoffen/preparaten behoort. De werkingssfeer van het verstrekken van veiligheidsinformatiebladen wordt via het wijzigingsbesluit uitgebreid met:

* Bestrijdingsmiddelen. Er zijn ongeveer 1 000 middelen waarvoor voortaan een informatieblad nodig is. Voor de meeste middelen bestond echter al een veiligheidsinformatieblad, veelal vanwege de geldende verplichting voor het toelatingsdossier. Naar verwachting kost deze uitbreiding de producenten dan ook hooguit € 25 000 per jaar.

* Preparaten die niet als gevaarlijk zijn ingedeeld maar in een zeker percentage een «gevaarlijke» stof bevatten (semi-gevaarlijke preparaten). Het gaat hier naar schatting om ongeveer 50 000 preparaten, waar voortaan op het etiket moet worden vermeld dat het veiligheidsinformatieblad opvraagbaar is bij leverancier x. Gelet op het grote aantal preparaten waarop de verplichting al van toepassing was (500 000 gevaarlijke preparaten) gaat het hier om een beperkte uitbreiding.

Eenmalig betekent dit dat voor 50 000 preparaten een veiligheidsinformatieblad moet worden opgesteld; de hieruit voortvloeiende extra administratieve lasten voor de leveranciers zijn geraamd op € 10 miljoen (50 000 x € 200). Daarnaast zal het jaarlijks gaan om 25 000 nieuwe bladen (iedere 2 jaar is een update noodzakelijk). De hieruit voortvloeiende extra administratieve lasten voor de leveranciers zijn geraamd op € 5 miljoen per jaar (25 000 x € 200)2.

Verwacht wordt dat de feitelijke extra kosten voor de bedrijven lager zullen zijn omdat veel bedrijven nu al uit eigen beweging veiligheidsinformatiebladen voor semi-gevaarlijke preparaten verstrekken. De verwachting is dat er voor hooguit 15 000 van deze 50 000 preparaten een veiligheidsinformatieblad moet worden opgesteld. Dit zou neerkomen op extra kosten ter hoogte van € 3 miljoen eenmalig en daarnaast € 5 miljoen per jaar.

* Verplichting tot bewaren van gegevens die gebruikt zijn voor opstellen van het veiligheidsinformatieblad. Het gaat hier om 525 000 bladen (500 000 voor «gevaarlijke preparaten» en 25 000 voor «niet-gevaarlijke preparaten»). De kosten zijn geraamd op € 2,00 per blad2, wat neerkomt op extra kosten ter hoogte van ongeveer € 1,05 miljoen per jaar.

Door deze uitbreiding van de werkingssfeer van het besluit zullen de administratieve lasten voor de 1 000 leveranciers van gevaarlijke preparaten/stoffen dus per bedrijf eenmalig met € 10 000 en structureel met € 6 075 per jaar toenemen.

Naast een toename van de lastendruk kan het ook leiden tot een vermindering van de kosten voor het bedrijfsleven. Door dit besluit zal de werkgever straks over betere informatie beschikken over de chemische stoffen en preparaten waarmee hij werkt. Daardoor is deze veel beter in staat een adequate Risico Inventarisatie en Evaluatie op te stellen en dan ook meer toegesneden maatregelen te nemen. De verwachting is dan ook dat daardoor de kans dat zijn werknemers ziek zullen worden zal afnemen en dat dit de werkgever dan ook geld bespaart.

De beschreven toename van de lastendruk is een maximum. De lastendruk voor het bedrijfsleven kan aanmerkelijk lager uitvallen indien zij gebruik maakt van de mogelijkheid om de Veiligheidsinformatiebladen op een elektronische manier te verspreiden (een minder belastend alternatief). Daarnaast wordt er door SZW voorlichting aan het bedrijfsleven gegeven in de vorm van het recent herziene Arbo-informatieblad Veiligheidsinformatiebladen en werkpleketikettering (AI-26).

Tenslotte wordt erop gewezen dat het hier om gebonden implementatie van een Europese richtlijn gaat, die één-op-één is geïmplementeerd zonder extra nationale bepalingen.

2.2 Gevolgen voor de handhaving

De uitvoeringslasten voor de overheid zijn met onderhavige wijziging gelijk gebleven.

De onderhavige wijziging leidt niet tot verandering in de betrokkenheid van de inspectiediensten.

II Artikelsgewijs

Artikel I, Onderdeel B

In de wijziging van het eerste lid van artikel 2 is tot uitdrukking gebracht dat het veiligheidsinformatieblad zodanige informatie dient te bevatten dat dit de beroepsmatige gebruiker in staat stelt om op grond hiervan doeltreffende maatregelen te kunnen nemen voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu op het werk. Deze wijziging, die voortvloeit uit artikel 14, eerste lid, van de preparatenrichtlijn, sluit aan bij het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 98/24/EG van de Raad van de Europese Unie van 7 april 1998 (PbEG 1998, L 131) betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (veertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), hierna te noemen: de richtlijn chemische agentia. Hierin is onder andere bepaald dat een werkgever bij de beoordeling van (mogelijke) blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen om de gevaren voor werknemers te bepalen, rekening dient te houden met de informatie in een veiligheidsinformatieblad. Deze bepaling van de richtlijn chemische agentia is geïmplementeerd in artikel 4.2, vijfde lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In het nieuwe tweede en derde lid is tot uitdrukking gebracht dat op verzoek van de beroepsmatige gebruiker ook een veiligheidsinformatieblad moet worden verstrekt bij preparaten die niet behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, maar wel een stof bevatten in een bepaalde concentratiegrens of waarvoor op grond van artikel 3 van richtlijn chemische agentia een communautaire grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is vastgesteld.

Op grond van artikel 3 van de richtlijn chemische agentia kunnen drie soorten grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling gesteld worden: indicatieve, bindende en biologische. Tot nu toe zijn op communautair niveau indicatieve grenswaarden voor stoffen vastgesteld bij richtlijn nr. 2000/39/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2000 (PbEG L 142) tot vaststelling van een eerste lijst van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling ter uitvoering van richtlijn nr. 98/24/EG van de Raad betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk. De lidstaten stellen, rekening houdend met deze indicatieve grenswaarden, nationale grenswaarden vast voor de blootstelling aan de betreffende stoffen.

De bindende communautaire grenswaarden worden opgenomen in bijlage I bij de richtlijn chemische agentia. Indien bindende grenswaarden voor de beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen worden vastgesteld stellen de lidstaten bindende nationale grenswaarden vast, gebaseerd op de communautaire grenswaarden voor de blootstelling aan de betreffende stoffen. Tot nu toe is alleen voor anorganisch lood en verbindingen daarvan een grenswaarde vastgesteld. Tot slot kunnen biologische grenswaarden voor de beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen worden vastgesteld. Deze worden opgenomen in bijlage II bij de richtlijn chemische agentia. De lidstaten stellen dan bindende nationale biologische grenswaarden vast, gebaseerd op de communautaire biologische grenswaarden voor de blootstelling aan de betreffende stoffen. Tot nu toe is alleen voor lood en ionenverbindingen van lood een bloedgrenswaarde vastgesteld.

Artikel I, Onderdeel D

De in artikel 4 opgegeven veranderingen zijn een gevolg van de uitbreiding van levering van veiligheidsinformatiebladen. In het vijfde lid van artikel 4 van het onderhavige besluit is nu expliciet aangegeven dat een veiligheidsinformatieblad ook langs elektronische weg mag worden verstrekt. Bij implementatie van richtlijn nr. 91/155/EEG in de Nederlandse regelgeving was reeds in de toelichting aangegeven, dat het veiligheidsinformatieblad, naast de schriftelijke weg ook langs elektronische weg verstrekt kon worden. Voorwaarde is echter wel dat het uitsluitend langs elektronische weg verstrekt mag worden, indien de geadresseerde over het benodigde materiaal beschikt om het in ontvangst te nemen. Onder in ontvangst nemen wordt verstaan dat de geadresseerde toegang heeft tot de inhoud van het veiligheidsinformatieblad. De geadresseerde moet dus in staat zijn om het elektronische bestand zowel te kunnen openen als kennis te kunnen nemen van de inhoud (vervormingen van lettertypes of lay-out kunnen er voor zorgen dat een tekst niet gelezen kan worden, dan moet het veiligheidsinformatieblad als niet ontvangen worden beschouwd).

Artikel I, Onderdeel E

De in artikel 5 opgenomen verplichting is gebaseerd op de bepaling in de preparatenrichtlijn dat de Lidstaten er zorg voor moeten dragen dat diegene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat t.b.v. de autoriteiten de gegevens die zijn gebruikt om het veiligheidsinformatieblad op te stellen ter beschikking houdt.

Artikel I, Onderdeel F

De in artikel 6 opgenomen uitzonderingen zijn in overeenstemming met hetgeen op dit punt is bepaald in de preparatenrichtlijn en in Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten. Aangezien bestrijdingsmiddelen onder de werkingssfeer zijn gebracht van de preparatenrichtlijn en daarmee ook onder de veiligheidsinformatiebladenrichtlijn die voortvloeit uit de preparatenrichtlijn is onderdeel f van artikel 6 van het besluit vervallen.

Bij deze nota van toelichting is een transponeringstabel opgenomen, waarin is aangegeven in welke artikelen van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit de onderdelen van artikel 14 van de preparatenrichtlijn en de wijzigingsrichtlijn zijn verwerkt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Bijlage Transponeringstabel preparatenrichtlijn (1999/45/EG) en wijzigingsrichtlijn veiligheidsinformatiebladen (2001/58/EG)

In de rechterkolom is weergegeven op welke plaats in de (al bestaande of voorgestelde) wetgeving een bepaling van de richtlijn is of wordt geïmplementeerd.

Richtlijn 1999/45/EGVeiligheidsinformatiebladenbesluit
ArtikelArtikel
8, lid 3, 3e gedachtestreepje5a
14, lid 12, eerste lid (laatste zinsdeel), tweede lid (laatste zinsdeel)
14, lid 2.1, onder a2, eerste lid
14, lid 2.1, onder b2, tweede en derde lid
14, lid 2.2n.v.t.1
14, lid 2.3n.v.t.1
14, lid 2.44, tweede lid
15 (m.b.t. veiligheidsinformatieblad)wordt verwerkt bij of krachtens Besluit Verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen
Richtlijn 2001/58/EGVeiligheidsinformatiebladenbesluit
ArtikelArtikel
1, lid 12, eerste en tweede lid
1, lid 2Bekendmaking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 21 november 2002 in Stcrt. nr. 225 op grond van artikel 3, tweede lid
2, lid 1n.v.t.
2, lid 2Artikel II van dit besluit en wijziging van de Regeling samenstelling, indeling, Verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen
3 en 4n.v.t.1

1 Het betreft hier bepalingen die verwijzen naar de richtlijn zelf, of een andere richtlijn of die een opdracht aan de Commissie of de lidstaten bevatten die niet behoeven te worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving.


XNoot
1

Stb. 1993, 252.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

XNoot
1

Jaarlijks 0,5 miljoen bladen, terwijl de gemiddelde maakkosten € 200 zijn.

XNoot
2

De extra verspreidingskosten zijn te verwaarlozen aangezien bijna iedere leverancier al een systeem bezit.

XNoot
2

Uit het administratieve lastenonderzoek arbo regelgeving van CGEY (2001) blijkt dat de gemiddelde bewaarkosten van andere documenten € 1,50 bedragen. Vanwege de langere bewaartermijn van veiligheidsinformatiebladen liggen de gemiddelde kosten per document hier iets hoger.