Besluit van 15 december 2003 tot wijziging van het Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen en het Besluit financiën regionale politiekorpsen in verband met de mogelijkheid om regels te stellen ter zake van de begroting, meerjarenraming en jaarrekening, alsmede de wijziging van de uiterste datum van indiening van de jaarrekening en het jaarverslag

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 september 2003, nr. EA2003/78800;

Gelet op artikel 45 van de Politiewet 1993;

De Raad van State gehoord (advies van 13 november 2003, nr. W04.03.0412/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 december 2003, nr. EA2003/85857;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BCRRP

Het Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

3. In het belang van een doelmatige informatie-uitwisseling, genoemd in het eerste lid, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij ministeriële regeling nadere regels geven over de totstandkoming van de onderscheidenlijke posten van de informatiedragers, genoemd in het vorige lid.

B

In artikel 14, zesde lid, wordt «uiterlijk 1 juni» vervangen door: uiterlijk 31 maart.

C

Artikel 16, negende en tiende lid, vervallen.

D

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst.

2. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen over het stelsel, bedoeld in het eerste lid.

E

Na artikel 18 wordt in Hoofdstuk 4 ingevoegd artikel 18a, luidende:

Artikel 18a

Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen over het aanhouden van reserves, voorzieningen en uitgangspunten ten aanzien van kortlopende schulden.

ARTIKEL II. WIJZIGING BFRP

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit financiën regionale politiekorpsen2 wordt «voor 1 juni» vervangen door: uiterlijk 31 maart.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 15 december 2003

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit strekt tot wijziging van het Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen (BCRRP) en het Besluit financiën regionale politiekorpsen (BFRP). Aanleiding is de noodzaak om te komen tot een betere onderlinge vergelijkbaarheid van de regiokorpsen op het gebied van hun vermogenspositie. Deze kan worden bereikt door harmonisatie van de uitgangspunten die aan de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening van de regiokorpsen ten grondslag liggen. Met dit besluit wordt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK) de bevoegdheid verleend bij ministeriële regeling nadere regels terzake te stellen.

De administratieve lasten voor de regionale politiekorpsen zullen door deze wijzigingen niet toenemen. Voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zullen de onderhavige wijzigingen leiden tot een vermindering van de administratieve lasten vanwege het feit dat de begrotings- en jaarstukken van de korpsen onderling beter vergelijkbaar worden.

Het besluit strekt ook tot wijziging van de datum waarop de korpsbeheerder het jaarverslag en de door het regionaal college vastgestelde jaarrekening aan de minister van BZK moet hebben verstrekt. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de motie van het lid Rietkerk van 5 november 2001 (Kamerstukken II, 28 000 VII, nr. 28).

Harmonisatie in het belang van de onderlinge vergelijkbaarheid van regiokorpsen

Recent onderzoek naar de financiële positie en de bekostiging van de regiokorpsen heeft uitgewezen dat de financiële verantwoording niet op uniforme wijze geschiedt. Zo hanteren de regiokorpsen bij de afschrijving op materiële vaste activa uiteenlopende afschrijvingsmethoden, waarderingsgronden en afschrijvingstermijnen. Ook is gebleken dat de korpsen op uiteenlopende wijze omgaan met het aanhouden van reserves, voorzieningen en kortlopende schulden. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming, alsmede de wijze waarop deze resultaten in de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening worden verwerkt. Hierdoor kan de financiële positie van de afzonderlijke korpsen niet adequaat worden beoordeeld en zijn de korpsen op dit punt niet goed vergelijkbaar. Dit wordt als een knelpunt ervaren. Als de vermogenspositie van de korpsen niet op uniforme uitgangspunten berust, staat dit een evenwichtige besluitvorming in de weg, bijvoorbeeld bij de beoordeling van een aanvraag tot verlening van een aanvullende bijdrage als bedoeld in artikel 4 van het BFRP.

Uitgangspunt bij de vorming van de politieregio's in 1994 was dat de Richtlijnen voor de jaarverslaglegging (RvJ) leidend zijn voor de comptabele regelgeving van de regiokorpsen, en dat het BCRRP en het BFRP voorzien in die situaties waarin, gelet op de specifieke positie van de regiokorpsen, afwijking van de RvJ noodzakelijk wordt geacht. Inmiddels is gebleken dat de RvJ niet steeds eenduidig zijn, dan wel ruimte laten voor interpretatieverschillen. Hierdoor geven het exploitatieresultaat en de vermogenspositie van een korps niet altijd een getrouw beeld van de werkelijke situatie. Het is wenselijk hiervoor nadere regels te stellen in de sfeer van het BCRRP en het BFRP, temeer omdat de laatste jaren het inzicht is gegroeid dat deze besluiten leidend behoren te zijn en de RVJ slechts van aanvullende betekenis zijn. In dit verband wordt gewezen op de wet van 13 juli 2002 tot wijziging van artikel 45 van de Politiewet 1993 (Stb. 392). Bij die gelegenheid kreeg de minister van BZK de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen ten aanzien van het vermogen van de politieregio's. Voldoet een regio niet aan deze regels, dan kan de minister van BZK, nadat een bestuurlijk traject van zorgvuldig overleg met het desbetreffende korps is doorlopen, besluiten de algemene bijdrage aan een korps tijdelijk te verminderen. Ook hier is voor een evenwichtige besluitvorming noodzakelijk dat de vermogenspositie van elk regiokorps op uniforme uitgangspunten is gebaseerd. De vermogenspositie van een korps zal worden vergeleken met het landelijk gemiddelde, de vermogenspositie van vergelijkbare korpsen en de afwijkingen die zich ten opzichte van deze gemiddelden voordoen.

Met het oog op de wenselijkheid om te komen tot harmonisatie van uitgangspunten die worden gehanteerd bij de opstelling van de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening, is aan artikel 17 van het BCRRP een tweede lid toegevoegd en is een nieuw artikel 18a ingevoegd. Hierdoor kan de minister van BZK nadere regels geven over het stelsel op basis waarvan jaarlijks wordt afgeschreven op vaste activa, alsmede over het aanhouden van reserves en voorzieningen en de wijze waarop wordt omgegaan met kortlopende schulden. Daarnaast biedt een nieuw derde lid van artikel 2 van het BCRRP de minister van BZK de mogelijkheid om nadere regels te geven met betrekking tot eventuele in de toekomst te signaleren discrepanties die een adequate onderlinge vergelijkbaarheid van de regiokorpsen in de weg staan. Tenslotte vervalt de reserve waardeverschillen, genoemd in artikel 16, negende lid, van het BCRRP. De omvang van deze reserve wordt toegevoegd aan de algemene reserve.

De mogelijkheid om ten aanzien van de afschrijvingen, reserves, voorzieningen en kortlopende schulden nadere regels te stellen, laat onverlet dat de regiokorpsen hun financiële huishouding zoveel mogelijk naar eigen inzicht kunnen inrichten. In dit verband kan worden gewezen op de wet van 13 juli 2002 tot wijziging van artikel 45 van de Politiewet 1993 (Stb. 392). Op grond hiervan zijn bij ministeriële regeling voorschriften gegeven ten aanzien van het vermogensbeheer van de regiokorpsen. Deze regels hebben betrekking op de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen van de afzonderlijke regiokorpsen alsmede op de mate waarin de reguliere Rijksbijdrage aan de korpsen wordt omgezet in personele uitgaven. Om de korpsen bij de inrichting van de bedrijfsvoering een zo groot mogelijke vrijheid te laten, worden bij de regels bepaalde marges gehanteerd.

De wijzigingen in het BCRRP hebben geen betrekking op de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling ten aanzien van het politiebestel tussen de minister van BZK en het bestuur van het regionale politiekorps. In deze verdeling zijn het Regionaal College, de korpsbeheerder en de korpschef verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van een regionaal politiekorps. De regels die op grond van het onderhavige besluit ten aanzien van de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening worden gesteld, tasten deze verantwoordelijkheidsverdeling niet aan. De voorschriften zijn derhalve technisch van karakter. Als voorbeeld kan de aanschaf van materiële activa worden genoemd. Indien een korps hiertoe overgaat, zal de keuze voor de daadwerkelijk aan te schaffen activa worden gemaakt bij het desbetreffende korps. De wijze waarop en de termijn waarbinnen de activa ten laste van de exploitatie dienen te worden gebracht, zal echter op grond van het onderhavige besluit worden voorgeschreven door de minister van BZK. De regels die zullen worden gesteld, beperken zich dan ook tot hetgeen noodzakelijk is om tot een eenduidige verslaglegging van de financiële positie van de korpsen te komen en deze te kunnen beoordelen.

Wijziging datum aanlevering van gegevens t.b.v. het Jaarverslag Nederlandse Politie

Sinds 2001 stelt de minister van BZK jaarlijks het Jaarverslag Nederlandse Politie (JNP) op. Het JNP omvat onder meer de ontwikkelingen op het gebied van de financiën en de beleids- en beheersthema's die zich in het verantwoordingsjaar in de politieregio's hebben voorgedaan. Deze gegevens worden ontleend aan de door de korpsen ingediende jaarrekeningen en jaarverslagen. Tot dusver was in het BFRP en het BCRRP bepaald dat de korpsbeheerder de jaarrekening en het jaarverslag, vastgesteld door het Regionaal College, jaarlijks op 1 juni bij de minister van BZK moet hebben ingediend. Gelet op die uiterste datum van indiening was het JNP over het verantwoordingsjaar 2000 pas gereed in oktober 2001 en kon het niet worden betrokken bij de behandeling van de uitkomsten van de Rijksbegroting 2000. De Tweede Kamer ervoer dit als een gemis. Zij aanvaardde de motie-Rietkerk waarin de wens werd geuit het JNP te presenteren op een zodanig tijdstip dat de behaalde resultaten over enig verslagjaar onderwerp van beraad kunnen zijn in het debat dat de Kamer op de derde woensdag in mei voert over de totale Rijksbegroting. In het onderhavige besluit wordt aan de wens van de Kamer tegemoet gekomen. Bovendien wordt het noodzakelijk geacht dat de beleids- en beheerscylci van de Nederlandse politie aansluiten op die van het Rijk. Met de onderhavige wijziging wordt hieraan invulling gegeven.

Ten slotte sluit deze wijziging aan bij het Rijksbrede uitgangspunt om in het verkeer met de Kamer de aandacht te verleggen van de planningskant (begroting) naar de resultaatkant (verantwoording in jaarrekening en jaarverslag).

2. Financiële gevolgen

De onderhavige wijzigingen hebben geen gevolgen voor het budget dat door het Rijk beschikbaar wordt gesteld aan de politiekorpsen, omdat de omvang van dat budget op een andere wijze wordt bepaald. Om dezelfde reden ondergaat ook de verdeling van het budget over de korpsen geen wijziging. Wel zullen individuele korpsen met wijzigingen in de exploitatie en de balans worden geconfronteerd. Deze wijzigingen kunnen echter binnen de bestaande financiële positie en de exploitatie van de politiekorpsen worden verwerkt.

3. Uitvoerbaarheid

In hun advies over de onderhavige onderwerpen hebben het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen hun instemming betuigd. Wel heeft het Korpsbeheerdersberaad geadviseerd een overgangsperiode op te nemen. De noodzaak hiertoe ontbreekt echter, omdat de financiële consequenties van de voorstellen voor de individuele korpsen relatief beperkt zijn en binnen de exploitatie en de balans kunnen worden opgevangen. Bovendien zijn de korpsen al in een vroeg stadium geïnformeerd over de onderhavige wijzigingen, zodat zij hierop in hun bedrijfsvoering hebben kunnen anticiperen.

4. Artikelsgewijs

ARTIKEL I, onderdeel A

Artikel 2, derde lid, BCRRP

Directe aanleiding om te komen tot het onderhavige besluit is gelegen in de wens tot harmonisatie rond twee concrete knelpunten: de afschrijvingssystematiek voor de vaste activa en de praktijk omtrent het aanhouden van reserves, voorzieningen en de uitgangspunten ten aanzien van kortlopende schulden. Hierop zien de onderdelen D en E van artikel I. Daarnaast is het wenselijk dat de minister van BZK ook voor eventuele andere, thans nog niet gesignaleerde knelpunten op eenvoudige wijze een harmonisatievoorschrift kan geven. Die mogelijkheid wordt met onderhavig artikel geopend.

De bevoegdheid om bij ministeriële regeling nadere voorschriften te geven strekt zich uit tot de gehele begroting, meerjarenraming en jaarrekening van de regio's. Gedacht kan worden aan regels voor de activa, de passiva, de bepaling en de bestemming van het resultaat, vermogensmutaties, de indeling van de exploitatierekening en de balans, en de wijze waarop bepaalde posten dienen te worden berekend. Tot het geven van harmonisatievoorschriften zal uitsluitend worden overgegaan in het belang van een uniforme beoordeling van de afzonderlijke regiokorpsen en een betere onderlinge vergelijkbaarheid van de regiokorpsen op financieel gebied.

ARTIKEL I, onderdeel B, en ARTIKEL II

artikel 14, zesde lid, BCRRP en artikel 5, eerste lid, BFRP

Met het verwerken en analyseren van de gegevens in de jaarrekeningen en de jaarverslagen van de politieregio's is enige tijd gemoeid. Om deze gegevens gelijktijdig met de verantwoording over de uitvoering van de Rijksbegroting over enig jaar te kunnen uitbrengen op de derde woensdag in mei van het daarop volgende kalenderjaar, zal de datum waarop die gegevens moeten zijn aangeleverd aan de minister van BZK worden vervroegd van 1 juni naar 31 maart. Tevens zal in het jaarlijkse verschijnende Financieel Jaarverslag van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van de jaarrekeningen van de regionale politiekorpsen inzicht worden geboden in de besteding van Rijksbijdrage die in het voorgaande jaar ten behoeve van de politiekorpsen ter beschikking is gesteld. In de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van de gewijzigde regelgeving zal het wellicht nog niet mogelijk zijn een dergelijke passage in het Financiële Jaarverslag op te nemen, omdat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de regionale politiekorpsen zullen moeten inspelen op een nieuwe situatie, waarin in korte tijd de gegevens van de jaarrekeningen moeten worden opgesteld, geanalyseerd en verwerkt.

Vervroeging van de datum is in overeenstemming met het uitgangspunt dat de wet- en regelgeving binnen het Nederlandse politiebestel de aansluiting op de beleids- en beheerscyclus op Rijksniveau dient te faciliteren. Het vervroegen van deze datum biedt tevens de mogelijkheid in de jaarlijkse junicirculaire aan de korpsen (inzake de budgettaire kaders voor de daaropvolgende jaren) rekening te houden met de financiële situatie van de korpsen in het voorafgaande jaar.

ARTIKEL I, onderdeel C

artikel 16, negende en tiende lid, BCRRP

De reserve waardeverschillen (RWVS) is in 1994 ontstaan bij de vorming van de politieregio's. Hierbij zijn de activa van de gemeentepolitie en de rijkspolitie overgegaan naar de regiokorpsen. Daarbij was bepaald dat de overgedragen activa die in de openingsbalans waren opgenomen, zullen worden gewaardeerd op de vervangingswaarde per 1 januari 1994. Aldus werd voor alle regio's gekomen tot een uniforme waardering van de vermogensbestanddelen in de openingsbalans. Onder de term vervangingswaarde werd verstaan: het bedrag per 1 januari 1994 waarvoor een bepaald actief kan worden vervangen door een soortgelijk actief, verminderd met de afschrijving op basis van de verstreken levensduur van het actief. Het verschil tussen die vervangingswaarde en de boekwaarde waartegen de activa aan de regio's werden overgedragen, kwam aan de RWVS ten goede.

Deze berekeningswijze was niet van toepassing op overgedragen gronden, waarop overigens in het geheel geen afschrijving plaatsvindt. Omdat de afschrijvingen van de huisvesting over de nog resterende levensduur als gevolg van de herwaardering aanzienlijk zijn toegenomen, is nadien bepaald dat gedurende een beperkt aantal jaren een evenredig deel van de RWVS als bijzondere bate vrijvalt ten gunste van de exploitatie. Hoewel in de functionele kostencategorie huisvesting wel de volledige afschrijvingslasten worden gepresenteerd, worden de jaarlijkse huisvestingslasten door de vrijval van de RWVS per saldo verlaagd.

Door de vrijval van de RWVS kan ten onrechte de indruk ontstaan dat de exploitatierekening sluitend is, terwijl het resultaat uit normale bedrijfsvoering in werkelijkheid negatief is. De vrijval van de RWVS kan dus een versluierd beeld geven van de werkelijke omvang van het exploitatieresultaat. Daarnaast leidt de jaarlijkse onttrekking aan deze reserve tot een gestage vermindering van het eigen vermogen.

Om deze redenen wordt met onderhavig besluit de reserve waardeverschillen als afzonderlijke reserve opgeheven. Hierdoor komt tevens de verplichting tot jaarlijkse vrijval te vervallen. De RWVS zal, na correctie van de boekwaarde van de materiële vaste activa als gevolg van de uniformering van de levensduur van materiële vaste activa, moeten worden overgeboekt naar de voorgeschreven algemene reserve. Voortaan zullen de volledige afschrijvingslasten in de exploitatierekening worden opgenomen, zodat het Regionaal College op basis van de juiste financiële informatie over de begroting kan beslissen. Indien sprake is van een exploitatietekort zal bij de resultaatbestemming voortaan expliciet moeten worden aangegeven op welke wijze dit tekort wordt gedekt, bijvoorbeeld door een onttrekking aan de algemene reserve.

ARTIKEL I, onderdeel D

artikel 17, tweede lid, BCRRP

Bij ministeriële regeling kan de minister van BZK nadere regels stellen over de posten die in de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening voorkomen, alsmede over de wijze waarop deze posten moeten worden berekend. Hierbij kan worden gedacht aan de waardering van de materiële vaste activa en de daarmee samenhangende afschrijvingslasten in de staat van baten en lasten. Ook kunnen nadere regels worden gegeven voor de financiële vaste activa en de vlottende activa en de daarmee samenhangende baten of lasten in de staat van baten en lasten. De keuzen die hieraan ten grondslag liggen, zijn direct van invloed op het exploitatieresultaat en op de financiële positie, blijkend uit de begroting en de jaarrekening van de desbetreffende regio.

Uniformering van de afschrijvingssystematiek is van belang met het oog op het verkrijgen van een zuiver beeld van de feitelijke kosten van de politiezorg in een bepaalde politieregio. Daarnaast leidt uniformering tot een verantwoorde beoordeling van de financiële positie van politiekorpsen en tot een betere onderlinge vergelijking tussen afzonderlijke korpsen. De financiële positie van korpsen wordt transparanter, indien zij op een uniforme wijze omgaan met afschrijvingen op vaste activa. Aspecten die hierbij een rol spelen, zijn onder meer de waarderingsgrondslag, de afschrijvingstermijn, de afschrijvingsmethode en de uitgangspunten ten aanzien van de activering van vaste activa. Daartoe zullen in de ministeriële regeling in ieder geval afschrijvingstermijnen worden vastgelegd voor de diverse categorieën materiële vaste activa en de grens waarboven tot activering van aanschaffingen dient te worden overgegaan.

ARTIKEL I, onderdeel E

artikel 18a BCRRP

Ook andere aspecten van de bedrijfsvoering bij korpsen kunnen van invloed zijn op het exploitatieresultaat en de financiële positie van het korps. Met het oog hierop worden voorzieningen, reserves en kortlopende schulden op de balans opgenomen. Het is wenselijk dat deze uiteenlopende wijze van verslaglegging van de korpsen over reserves en voorzieningen wordt opgeheven. Daartoe zullen bij ministeriële regeling nadere regels worden gegeven voor de uniforme verwerking van mutaties in de reserves en de verwerking daarvan in de resultaatbestemming. Daarnaast kunnen regels worden gegeven voor het aanhouden en vormen van voorzieningen en de gevolgen daarvan op de staat van baten en lasten. Door het stellen van deze regels wordt de uniformiteit van de resultaatbepaling in de staat van baten en lasten versterkt. De uniformiteit van de uitgangspunten heeft derhalve niet alleen betrekking op de activazijde van de balans, maar ook op de passivazijde. In dat verband is van belang dat het vormen, aanhouden en aanwenden van voorzieningen en reserveringen wordt geüniformeerd. Hiermee wordt duidelijkheid verkregen over de werkelijke omvang van het eigen vermogen (de reserves) en het vreemd vermogen, waaronder de voorzieningen. Tevens worden hierbij betrokken de kortlopende schulden, zoals verlofstuwmeren, en de niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Reserves

Het eigen vermogen is onderverdeeld in reserves en een onverdeeld saldo over het boekjaar. Van de reserves resteren, na opheffing van de RWVS, alleen nog de algemene reserve en de bestemmingsreserves. Deze reserves dienen voor de financiering van de vaste activa. Indien zij niet toereikend zijn, kan een beroep worden gedaan op de kapitaalmarkt om voor gewenste investeringen een langlopende lening aan te gaan. In het kader van een financieel verantwoorde bedrijfsvoering is van belang dat elk regiokorps beschikt over algemeen aanwendbare reserves van voldoende omvang om onder meer de incidentele tegenvallers in de exploitatie te kunnen opvangen. Deze reserves dienen uit de aard van de zaak vrij aanwendbaar te zijn.

Voorzieningen

Ingevolge artikel 2:374 BW worden voorzieningen op de balans opgenomen tegen verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar niettemin redelijkerwijs is in te schatten. Een voorbeeld hiervan is de voorziening die wordt gevormd in verband met een reorganisatie of lopende juridische claims. Verder worden voorzieningen gevormd voor bestaande risico's waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten. Vorming van een voorziening is dan ook aan de orde indien deze ten doel heeft te komen tot een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren, bijvoorbeeld bij de voorziening voor groot onderhoud aan gebouwen.

De praktijk heeft uitgewezen dat korpsen niet altijd op eensluidende wijze omgaan met het vormen, aanhouden en aanwenden van reserves en voorzieningen. Zo komt het voor dat een post die bij het ene korps tot de reserves wordt gerekend, bij een ander korps onder de voorzieningen wordt gerangschikt. Hierdoor wordt de juiste beoordeling van de balanspositie van een korps bemoeilijkt en is een onderlinge vergelijking van de vermogenspositie van de korpsen niet goed mogelijk.

De eisen die bij ministeriële regeling aan de voorzieningen zullen worden gesteld, hebben betrekking op zowel de juistheid van de getroffen voorzieningen als de wijze waarop die voorzieningen worden berekend. Wat de juistheid betreft kan in ieder geval worden gedacht aan voorzieningen ten behoeve van groot onderhoud aan gebouwen, voormalig personeel in verband met de Tijdelijke ouderenregeling (TOR) en voormalig personeel in verband met wachtgeldverplichtingen. Het gaat hier om posten die op termijn onvermijdelijk zullen leiden tot uitgaven. In verband hiermee is het noodzakelijk voor deze uitgaven reeds voorzieningen te treffen ten laste van de lopende exploitatierekening. Vanwege de uniformiteit in de presentatie van de begrotings- en jaarrekeningcijfers is het tevens van belang dat alle regiokorpsen voor dezelfde posten voorzieningen treffen. Daartoe zal bij ministeriële regeling op grond van artikel 18a van het BCRRP worden aangegeven welke voorzieningen een korps in elk geval zal moeten aanhouden. Het vormen en aanhouden van andere voorzieningen zal niet zijn toegestaan, tenzij de minister van BZK daarvoor vooraf schriftelijk toestemming verleent. Gedacht kan worden aan voorzieningen waaraan een wettelijke verplichting ten grondslag ligt in de vorm van een aansprakelijkheid, claims, geschillen, afvloeiingsregelingen en dergelijke. Gelet op de diversiteit van de onderwerpen waarvoor het aanhouden van een dergelijke voorziening noodzakelijk is, kunnen hierover verder geen algemeen geldende uitgangspunten worden geformuleerd. In de praktijk zal een terughoudend beleid worden gevoerd ten aanzien van het vormen of aanhouden van afzonderlijke voorzieningen. Hierbij zal als uitgangspunt gelden dat het vormen en aanhouden van vermogen geen op zichzelf staand doel mag zijn. Voorts geldt dat het – afhankelijk van het doel waarvoor de voorziening wordt aangehouden – in meerdere of mindere mate onzeker is of, en zo ja tot welke omvang, uitgaven ten laste van deze posten moeten worden gedaan.

Naast het stellen van regels over het aanhouden van voorzieningen is het ook noodzakelijk dat regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop die voorzieningen worden berekend. Bij de voorzieningen voor de TOR en de wachtgeldverplichtingen kan onder meer worden gedacht aan het bedrag dat per tijdseenheid (bijvoorbeeld een maand) voor een medewerker zal worden gehanteerd bij de berekening van de omvang van de voorziening. Gelet op het feit dat deze bedragen mede als gevolg van CAO-maatregelen vrijwel jaarlijks aan veranderingen onderhevig zijn, zullen deze in een ministeriële regeling worden vastgelegd. Op deze wijze zal het normbedrag relatief eenvoudig kunnen worden geactualiseerd.

Kortlopende schulden

Tot uniformering van de uitgangspunten bij de opstelling van de balans, de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening behoort ook dat regiokorpsen eensluidend omgaan met de balanspost kortlopende schulden. Hierbij kan worden gedacht aan de jaarlijkse aflossingsverplichtingen op langlopende leningen en de op de balansdatum te betalen rente op leningen, vakantiegelden en verlofstuwmeren. De post vakantiegeld omvat de schuld aan het personeel per 31 december van het verslagjaar met betrekking tot de vakantierechten die in de periode mei tot en met december van dat jaar zijn opgebouwd. Voor een zuiver beeld van de vermogenspositie van een korps moeten deze kortlopende schulden op uniforme wijze worden berekend en verantwoord. Hetzelfde geldt voor de waardering van de niet opgenomen verlofuren die op de balansdatum naar het volgende jaar worden overgeheveld. Neemt een werknemer ontslag, dan worden deze uren in principe uitbetaald. Evenals bij de voorzieningen moet de minister van BZK regels kunnen stellen om te komen tot een uniforme bepaling van de omvang van de kortlopende schulden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XNoot
1

Stb. 1994, 264, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2002, Stb. 658.

XNoot
2

Stb. 1999, 359, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2002, Stb. 658.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven