Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2003, 519Wet

Wet van 20 november 2003 tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure (rijksprojectenprocedure)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Wet op de Ruimtelijke Ordening een procedure op te nemen voor ruimtelijke investeringsprojecten van nationaal belang waarbij de besluitvormings- en rechtsbeschermingsprocedures worden gecoördineerd en daarmee worden versneld;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op de Ruimtelijke Ordening1 wordt gewijzigd als volgt.

A

Aan artikel 1 worden – onder vervanging van de punt aan het slot van dat artikel door een puntkomma – de volgende begripsomschrijvingen toegevoegd:

Onze projectminister: Onze minister die overeenkomstig artikel 39a, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

rijksprojectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 39b.

B

In hoofdstuk Va wordt na afdeling 1 een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 1A. RIJKSPROJECTENPROCEDURE

§ 1. Algemeen
Artikel 39a
  • 1. Bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad, kan worden bepaald dat op de besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van nationaal belang de procedure die is beschreven in de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, dan wel een van die paragrafen van toepassing is. Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat treedt Onze minister op als projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere minister wordt aangewezen.

  • 2. Indien paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is verklaard, wordt in de wet, de planologische kernbeslissing of het besluit tevens bepaald of het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad of door Onze projectminister.

  • 3. Een besluit van Onze Ministers wie het aangaat als bedoeld in het eerste lid, geeft een aanduiding van de betekenis en het belang van het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Het besluit wordt toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het besluit wordt geen uitvoering gegeven dan nadat de Tweede Kamer daarmee heeft ingestemd. Met het besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, wordt geacht te zijn ingestemd indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de toezending van dat besluit geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.

  • 4. Voorzover de uitvoering van een project waarop een wet of een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou zijn met een planologische kernbeslissing, wordt door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van het voornemen deze planologische kernbeslissing te herzien.

§ 2. Rijksprojectbesluit
Artikel 39b

Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van:

a. het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd,

b. de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en

c. de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen.

Artikel 39c
  • 1. Indien ten aanzien van het project het maken van een milieu-effectrapport krachtens artikel 7.2 of artikel 7.4 van de Wet milieubeheer verplicht is, gaat de mededeling, bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, of artikel 7.13, eerste lid, van die wet, vergezeld van een toelichting met betrekking tot de wijze waarop het project past binnen het in planologische kernbeslissingen vastgestelde nationale ruimtelijk beleid. Indien het project strijdig is met het vastgestelde nationale ruimtelijk beleid, dient de mededeling vergezeld te gaan van een uitgebreide motivering waarom afwijking van dit beleid gerechtvaardigd is. Voorts dient de mededeling vergezeld te gaan van een globale beschrijving van de te verwachten sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de overige bij het project betrokken belangen.

  • 2. Onze projectminister draagt ervoor zorg dat bij de publicatie van de beschrijving wordt vermeld binnen welke termijn een ontwerp van het rijksprojectbesluit ter inzage zal worden gelegd. Indien de terinzagelegging niet binnen deze termijn kan geschieden, deelt Onze projectminister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee:

    a. aan beide kamers der Staten-Generaal;

    b. in de Staatscourant.

  • 3. Indien ten aanzien van het project het maken van een milieu-effectrapport niet verplicht is, draagt Onze projectminister ervoor zorg dat in het kader van de voorbereiding van een rijksprojectbesluit een beschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld. Het tweede lid is alsdan niet van toepassing.

Artikel 39d
  • 1. Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:

    a. in afwijking van artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het inbrengen van bedenkingen vier weken bedraagt;

    b. Onze projectminister kan besluiten om artikel 3:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren.

  • 2. De artikelen 3:19, tweede lid, onderdeel a, en 3:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn tevens van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Ter uitvoering van artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voert Onze projectminister over het voornemen tot het nemen van een rijksprojectbesluit overleg met de besturen van de provincies, gemeenten en waterschappen in het gebied waarop het rijksprojectbesluit betrekking heeft.

  • 4. Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.

Artikel 39e

Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.

Artikel 39f
  • 1. In afwijking van artikel 3:33, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het rijksprojectbesluit vastgesteld binnen dertien weken na afloop van de termijn voor het inbrengen van bedenkingen tegen het ontwerp.

  • 2. De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

  • 3. Artikel 39c, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 39g

Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

Artikel 39h
  • 1. Voor het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit geldt het rijksprojectbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Voorzover het rijksprojectbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, niet van toepassing. Het rijksprojectbesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het rijksprojectbesluit in werking is getreden.

  • 2. Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.

  • 3. Voorzover het rijksprojectbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het rijksprojectbesluit voor de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in artikel 19.

  • 4. Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken en werkzaamheden ter uitvoering van het rijksprojectbesluit in het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit.

  • 5. Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing blijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter uitvoering van een rijksprojectbesluit, voorzover het rijksprojectbesluit en die voorschriften niet met elkaar in overeenstemming zijn.

  • 6. De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig dat rijksprojectbesluit vast te stellen of te herzien.

  • 7. Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het rijksprojectbesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het rijksprojectbesluit.

§ 3. Uitvoeringsbesluiten
Artikel 39i
  • 1. Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het bestuursorgaan onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan aan Onze projectminister.

  • 2. Met betrekking tot een verzoek om vrijstelling van een geldend bestemmingsplan krachtens artikel 19 is een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in dat artikel niet vereist.

Artikel 39j
  • 1. Onze projectminister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, en van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te nemen besluiten.

  • 2. Onze projectminister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.

  • 3. Indien voor een project of categorie van projecten, bedoeld in artikel 39a, is bepaald dat uitsluitend de procedure van paragraaf 3 van deze afdeling van toepassing is, geeft Onze projectminister bij de gecoördineerde voorbereiding, bedoeld in het eerste lid, aan op welke wijze de inpassing van het betrokken project bevorderd kan worden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Artikel 39k
  • 1. Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, is de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:

    a. de in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde mededeling tevens wordt gedaan aan Onze projectminister;

    b. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:19, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending;

    c. de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in ieder geval worden gedaan in de Staatscourant;

    d. Onze projectminister de mededelingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor verschillende ontwerpen kan samenvoegen in één mededeling, welke wordt gedaan door Onze projectminister;

    e. in afwijking van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht de besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn;

    f. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister;

    g. de in de artikelen 3:23, tweede lid, 3:24, derde lid, en 3:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending tevens geschiedt aan Onze projectminister;

    h. Onze projectminister beslist over de toepassing van artikel 3:29 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.

  • 3. Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.

  • 4. Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.

Artikel 39l
  • 1. Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld in artikel 39i te nemen, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister en van Onze projectminister wijziging behoeft kunnen Onze projectminister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in het eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.

  • 3. Indien bij de toepassing van het eerste lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door in dat lid bedoelde ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.

  • 4. Ten aanzien van de in de in artikel 39i, eerste lid, bedoelde aanvragen is Onze projectminister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.

Artikel 39m

De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten alsmede de in artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde overwegingen worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt. Onze projectminister doet mededeling van deze besluiten in de Staatscourant.

§ 4. Gelijktijdige toepassing paragrafen 2 en 3
Artikel 39n

Indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten de artikelen 39k en 39m van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Grondgebruik en grondverwerving
Artikel 39o
  • 1. Projecten waarop krachtens artikel 39a de paragrafen 2 en 3 dan wel een van die paragrafen van toepassing zijn, worden voor de toepasssing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.

  • 2. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is:

    a. kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

    1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;

    2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;

    b. worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet gehoord;

    c. geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat:

    1°. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    2°. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;

    3°. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.

Artikel 39p

De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het rijksprojectbesluit is vastgesteld.

Artikel 39q
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.

  • 2. In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.

C

In hoofdstuk VIII wordt in afdeling 1 voor artikel 49 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 48a

  • 1. Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk rijksprojectbesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze projectminister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2. Onze projectminister kan nadere regels geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.

D

Artikel 54 wordt gewijzigd als volgt.

1. Aan het tweede lid worden – onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma – de volgende onderdelen toegevoegd:

l. een rijksprojectbesluit;

m. een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, voorzover dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op:

    a. de beroepen, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn;

    b. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen;

    c. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder m, binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift;

    d. op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l en m, indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen.

3. Na het vijfde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders dan overeenkomstig het tweede lid, onder l, kan worden ingesteld, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing, met uitzondering van de bepaling waarin is aangegeven wie het beroep kan instellen.

  • 7. Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat besluit berust.

E

Aan artikel 55 worden na onderdeel e – onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd:

f. de besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid;

g. indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van afdeling 1a van hoofdstuk Va gelijktijdig zijn toegepast, de besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid, en het rijksprojectbesluit.

F

Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing of een herziening of intrekking daarvan als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder a,

    a. door degene die tijdig zijn zienswijzen omtrent het ontwerp van de concrete beleidsbeslissing kenbaar heeft gemaakt of zijn bedenkingen daartegen heeft ingebracht;

    b. voor zover bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing daarin wijziging is aangebracht ten opzichte van het ontwerp, door een ieder;

    c. door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig zienswijzen of bedenkingen, als bedoeld onder a, in te brengen.

2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder l, worden ingesteld door:

    a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het rijksprojectbesluit;

    b. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht;

    c. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het rijksprojectbesluit.

G

In artikel 56a worden na onderdeel e – onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma – de volgende onderdelen toegevoegd, luidende:

f. voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken;

g. voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag vormt voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in onderdeel f.

ARTIKEL II

Aan artikel 77, eerste lid, van de onteigeningswet2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 5° door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

6°. ten behoeve van de uitvoering van een project of een categorie van projecten als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, alsmede van voorzieningen die met de uitvoering van een zodanig project of een zodanige categorie van projecten rechtstreeks verband houden.

ARTIKEL III

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht3 wordt in onderdeel C, onder 2, na «38a, eerste lid,» ingevoegd: 39a, eerste lid,.

ARTIKEL IV

De Tracéwet4 wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt.

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor de bij het tracébesluit behorende zone, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder onderscheidenlijk de zone, bedoeld in artikel 106b van die wet, geldt dat tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met dien verstande dat dit slechts geldt met betrekking tot geprojecteerde woningen en andere geprojecteerde geluidsgevoelige objecten ten aanzien waarvan de geluidsbelasting vanwege de hoofdweg of de landelijke railweg of vanwege binnen de zone van die hoofdweg of landelijke railweg gelegen wegen of railwegen de waarden die ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder als ten hoogst toelaatbare waarden worden aangemerkt, te boven zal gaan. Voorzover het tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied en de in de tweede volzin bedoelde zone een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit in werking is getreden.

2. In het vijfde lid wordt «realisering» vervangen door: uitvoering.

3. Het zesde tot en met achtste lid komen te luiden:

  • 6. Voorzover het tracébesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overereenstemming zijn, geldt het tracébesluit voor de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

  • 7. Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken en werkzaamheden ter uitvoering van het tracébesluit in het gebied dat is begrepen in een tracébesluit.

  • 8. Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing blijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter uitvoering van een tracébesluit, voorzover het tracébesluit en die voorschriften niet met elkaar in overeenstemming zijn.

4. Het tiende lid komt te luiden:

  • 10. Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het tracébesluit.

B

Artikel 18, tweede volzin, komt te luiden:

Het tracébesluit vervalt eveneens van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

C

1. In artikel 20, vierde, tiende en twaalfde lid, wordt «het eerste lid» vervangen door: het tweede lid.

2. Het twaalfde lid van artikel 20 komt te luiden:

  • 12. Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of in een tracébesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.

D

Na artikel 20 wordt – onder aanduiding van artikel 20a als artikel 20b – een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20a

  • 1. De in artikel 2 bedoelde werken worden voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.

  • 2. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel 20, tweede lid, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is:

    a. kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

    1°. een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;

    2°. bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;

    b. worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet gehoord;

    c. geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat:

    1°. tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    2°. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;

    3°. de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.

E

Artikel 20b (oud) wordt vervangen door een artikel, luidende:

Artikel 20c

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden.

  • 2. In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het tracébesluit onherroepelijk is geworden.

F

Aan artikel 22 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor zover een ontwerp-tracébesluit zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.

G

In artikel 25 wordt «De artikelen 14a tot en met 20b» vervangen door: De artikelen 14a tot en met 20c.

H

Artikel 25a wordt gewijzigd als volgt.

1. In het tweede lid wordt «tiende lid» vervangen door: elfde lid.

2. De eerste volzin in het derde lid komt te luiden:

Voor beroepen tegen een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die de grondslag vormt voor een tracébesluit, vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de beroepstermijn aan met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het tracébesluit.

I

Artikel 25c van de Tracéwet komt te luiden:

Artikel 25c

Bij het beroep tegen een tracébesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarop dat besluit berust.

Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, kunnen bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een tracébesluit waarop dat besluit berust.

ARTIKEL V

Ten aanzien van plannen als bedoeld in de artikelen 2a, 4a of 36c, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft artikel 56, eerste lid, zoals dat voor dat tijdstip luidde, van toepassing.

ARTIKEL VI

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 20 november 2003

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker

Uitgegeven de achttiende december 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 2000, 8, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 oktober 2003, Stb. 449.

XNoot
2

Stb. 1851, 125, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 oktober 2003, Stb. 449.

XNoot
3

Stb. 1998, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 2003, Stb. 500.

XNoot
4

Stb. 1993, 582, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 oktober 2003, Stb. 449.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 2002/2003, 27 178.

Handelingen II 2001/2002, blz. 3661–3686; 5748–5766; 2002/2003, blz. 219–221.

Kamerstukken I 2002/2003, 27 178 (12, 12a, 12b, 12c, 12d); 2003/2004, 27 178 (A).

Handelingen I 2003/2004, blz. 339–347; 353–362, zie vergadering d.d. 18 november 2003.