Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2003, 509AMvB

Besluit van 3 december 2003 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WIK in verband met het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten alsmede technische wijziging van een aantal andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 oktober 2003, nr. W&B/URP/03/80718;

Gelet op de artikelen 19, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, 8, tweede lid en 58, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en 8, derde lid en 58, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

De Raad van State gehoord (advies van 13 november 2003, nr. W12.03.0445/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 november 2003, nr. W&B/URP/03/88844;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit WIK1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

Recht op uitkering op grond van de WIK bestaat, indien de belanghebbende woonplaats heeft in:

1. de provincie Groningen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen;

2. de provincie Friesland: jegens het burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden;

3. de provincie Drenthe: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Assen;

4. de provincie Gelderland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem;

5. de provincie Flevoland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Almere;

6. de provincie Utrecht: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

7. de provincie Zeeland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg;

8. de provincie Limburg: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht;

9. de gemeenten Bathmen, Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle;

10. de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;

11. de gemeenten Alkmaar, Andijk, Anna Paulowna, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Edam-Volendam, Enkhuizen, Graft-De Rijp, Harenkarspel, Heerhugowaard, Heiloo, Hoorn, Landsmeer, Langedijk, Medemblik, Niedorp, Noorder-Koggenland, Obdam, Oostzaan, Opmeer, Purmerend, Schagen, Schermer, Stede Broec, Texel, Venhuizen, Waterland, Wervershoof, Wester-Koggenland, Wieringen, Wieringermeer, Wognum, Wormerland, Zaanstad, Zeevang, Zijpe: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar;

12. de gemeenten Aalsmeer, Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Uithoorn, Velsen, Zandvoort: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem;

13. de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

14. de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum;

15. de gemeenten Alkemade, Alphen aan den Rijn, Bodegraven, Boskoop, Delft, Den Haag, Gouda, Hillegom, Jacobswoude, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Liemeer, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Reeuwijk, Rijnsburg, Rijnwoude, Rijswijk, Sassenheim, Ter Aar, Valkenburg, Vlist, Voorhout, Voorschoten, Waddinxveen, Warmond, Wassenaar, Westland, Zederik, Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag;

16. de gemeenten Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergambacht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Binnenmaas, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Giessenlanden, Goedereede, Gorinchem, Graafstroom, 's-Gravendeel, Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Krimpen aan den IJssel, Leerdam, Liesveld, Maassluis, Middelharnis, Moordrecht, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Nieuwerkerk aan den IJssel, Oostflakkee, Oud-Beijerland, Ouderkerk, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse, Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zevenhuizen-Moerkapelle, Zwijndrecht: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

17. de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Breda;

18. de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;

19. de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch;

20. de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven.

B

Na artikel 11 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5a. Overgangsrecht

Artikel 11a
  • 1. De verplichtingen van burgemeester en wethouders, die samenhangen met de uitvoering van de WIK, gaan voor zover die betrekking hebben op activiteiten, waarmee voor de inwerkingtreding van het Besluit van 3 december 2003 (Stb. 509) tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WIK in verband met het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten alsmede technische wijziging van een aantal andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand een aanvang is gemaakt en die na die datum worden voortgezet, over naar burgemeester en wethouders van de gemeente met toepassing van voornoemd besluit.

  • 2. Aanvragen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen die op de dag van inwerkingtreding van het in het eerste lid bedoelde besluit aanhangig zijn bij een gemeente die met toepassing van voornoemd besluit niet meer als gemeente is aangewezen die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WIK worden in afwijking van het eerste lid afgehandeld door de gemeente die voor inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk was voor de uitvoering van de WIK.

  • 3. Aanvragen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, die na een periode van 13 weken na inwerkingtreding van het in het eerste lid bedoelde besluit nog aanhangig zijn bij een gemeente die voor inwerkingtreding van voornoemd besluit verantwoordelijk was voor de uitvoering van de WIK gaan in de stand waarin zij zich dan bevinden over op de gemeente die na inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WIK.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij burgemeester en wethouders aanhangige bezwaarschriften.

ARTIKEL II

In artikel 7 van het Inkomensbesluit IOAW2 wordt na het vierde lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Onze Minister wijzigt het bedrag, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, met ingang van een door hem te bepalen dag, voorzover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

ARTIKEL III

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit IOAZ3 wordt «de artikelen 3, 4, 5 en 5a van het Inkomensbesluit IOAW» vervangen door: de artikelen 3, 4, 5, 5a en 9a van het Inkomensbesluit IOAW.

ARTIKEL IV

In artikel 2, onderdeel b en c, en in artikel 3, onderdeel b en c, van het Besluit uitkering gemeenten IOAW en IOAZ voor het jaar 20044 wordt «uitkeringslasten» vervangen door: uitkeringsuitgaven.

ARTIKEL V

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 3 december 2003

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Uitgegeven de zestiende december 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Een van de conclusies uit de op 1 november 2002 aan het parlement gezonden evaluatie van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) is dat centrumgemeenten met een gering aantal klanten problemen ondervinden bij de uitvoering van de WIK vanwege onvoldoende deskundigheid. Uitspraken van de in het kader van de evaluatie ondervraagde kunstenaars bevestigen dit. Kunstenaars zijn vooral ontevreden over de kwaliteit van de uitvoering door centrumgemeenten met een klein klantenbestand en over de allergrootste gemeenten. Het blijkt dat de middelgrote centrumgemeenten over het algemeen het best scoren.

In het jaar 2003 eindigt het recht op een WIK-uitkering voor alle kunstenaars die in 1999, het jaar van inwerkingtreding van de WIK, een WIK-uitkering zijn gaan ontvangen en die gedurende de periode 1999 t/m 2003 onafgebroken een WIK-uitkering hebben ontvangen wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van 48 maanden. Onder hen bevindt zich een substantieel aantal kunstenaars die vóór de inwerkingtreding van de WIK een bijstandsuitkering ontvingen. Daar de instroom in de WIK vanaf 2000 nog uitsluitend kon bestaan uit personen die binnen 12 maanden na beëindiging van een erkende opleiding voor kunstvakonderwijs een WIK uitkering aanvragen (academieverlaters) en gevestigde kunstenaars die met een (tijdelijke) terugval in het inkomen kampen (zij-instromers) zal de omvang van het klantenbestand in de WIK vanaf 1-1-2004 structureel met ca. 25% teruglopen tot 3100. Het gevolg hiervan is dat nog meer centrumgemeenten dan nu al het geval is een gering klantenbestand zullen krijgen. Gezien de conclusie uit de evaluatie van de WIK en vanuit het oogpunt van doelmatigheid is het niet verantwoord om het aantal centrumgemeenten te handhaven op het huidige niveau.

Mede vanuit de overweging dat de WIK, vanwege de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004, een aantal technische wijzigingen ondergaat welke toch enkele weliswaar geringe aanpassingen op organisatorisch gebied vereisen, is besloten tot een reductie van het aantal centrumgemeenten. Dit vergt een wijziging van de in artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit WIK opgenomen gebiedsindeling, die ingaat per 1 januari 2004.

Voor het verminderen van het aantal centrumgemeenten en de daarbij behorende nieuwe gebiedsindeling zijn in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de volgende objectieve criteria opgesteld:

• Uitsluitend bestaande centrumgemeenten kunnen centrumgemeente blijven.

Alle centrumgemeenten die volgens opgave van CWI-cultuur op 31 oktober 2002 een klantenbestand hadden van 100 of meer blijven centrumgemeente.

• Centrumgemeenten met binnen de gemeentegrens een kunstvakopleiding die is erkend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W) en die toegang geeft tot de WIK, blijven eveneens centrumgemeente.

• Landelijke spreiding met in ieder geval minimaal één centrumgemeente per provincie.

• Het verzorgingsgebied van de centrumgemeenten blijft zo mogelijk binnen de provinciegrenzen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid van de centrumgemeente.

Op basis van deze criteria behouden de gemeenten Alkmaar, Almere, Amsterdam, Arnhem, Assen, Breda, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Leeuwarden, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Zwolle de functie van centrumgemeente. De gemeente Hilversum behoudt haar status van centrumgemeente omdat aan de Faculteit kunst, media en technologie van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, die in de gemeente Hilversum is gevestigd, een groot aantal studenten afstuderen in studierichtingen die toegang geven tot de WIK.

De gemeenten Amersfoort, Apeldoorn, Delfzijl, Den Helder, Doetinchem, Dordrecht, Emmen, Goes, Gouda, Harderwijk, Hoogeveen, Hoorn, Leiden, Smallingerland, Sneek, Terneuzen, Tiel, Veendam en Venlo verliezen ingaande 1 januari 2004 de status van centrumgemeente.

In het nieuwe artikel 11a van het Uitvoeringsbesluit WIK is overgangsrecht opgenomen om een soepele overgang van de vermindering van het aantal centrumgemeenten te bewerkstelligen. Voorts zijn met gemeenten die de status van centrumgemeenten verliezen per 1 januari 2004 nadere afspraken gemaakt, onder andere in het kader van een zorgvuldige overdracht van de dossiers.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Voor de nieuwe gebiedsindeling zijn de in het algemene deel van de nota van toelichting opgenomen criteria gehanteerd. Daar waar een centrumgemeente een gehele provincie als verzorgingsgebied heeft is dit op overeenkomstige wijze in het artikel opgenomen. In de gevallen waarbij centrumgemeenten niet een gehele provincie als verzorgingsgebied hebben, zijn alle namen van de gemeenten die tot het verzorgingsgebied van de desbetreffende centrumgemeente behoren in het artikel opgenomen.

Artikel I, onderdeel B

Er is voor gekozen om bij de inwerkingtreding van het onderhavige besluit verplichtingen die samenhangen met de uitvoering van de WIK waarmee een aanvang is gemaakt en die na die datum worden voortgezet over te dragen aan de nieuwe centrumgemeenten. Aanvragen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen die op de dag van inwerkingtreding van het onderhavige besluit nog aanhangig zijn bij de oude centrumgemeente, worden tot een periode van maximaal 13 weken nog door de oude centrumgemeente afgehandeld. Deze centrumgemeenten blijven gedurende deze overgangsperiode ook verantwoordelijk voor het uitbetalen van de WIK-uitkering en zij kunnen deze kosten ook declareren bij het Rijk op grond van hoofdstuk VI van de WIK. Na deze 13 weken moeten de besluiten die nog aanhangig zijn bij burgemeester en wethouders in de staat waarin zij zich bevinden zijn overgedragen aan de nieuw bevoegde centrumgemeenten zoals dat is geregeld in het onderhavige besluit. Dit geldt ook voor lopende bezwaarschriften. Daarbij lopen nog resterende bezwaartermijnen door.

Artikel II

In het Inkomensbesluit IOAW is in het kader van de invoering van de Wet werk en bijstand met het Besluit van 10 oktober 2003 (Stb. 388), houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet werk en bijstand, in artikel 3, tweede lid, een nieuw onderdeel d, toegevoegd. Onderdeel e is komen te vervallen. Per abuis is ook artikel 7, vijfde lid, van het Inkomensbesluit IOAW komen te vervallen (artikel V, onderdeel B, onder 5). In deze bepaling was de mogelijkheid voor de minister opgenomen om het bedrag in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, aan te passen aan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand. Met onderhavige wijziging van het Inkomensbesluit IOAW wordt artikel 7, vijfde lid, weer teruggebracht in het Inkomensbesluit IOAW en wordt in deze bepaling de juiste verwijzing naar de Wet werk en bijstand opgenomen.

Artikel III

In het Inkomensbesluit IOAZ wordt in artikel 2 voor wat betreft het bepalen van het inkomen aangesloten bij de opbrengst van arbeid als bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 5a van het Inkomensbesluit IOAW. Artikel 3 van het Inkomensbesluit IOAW is in het kader van de invoering van de Wet werk en bijstand met artikel V van het Besluit van 10 oktober 2003 (Stb. 388), houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet werk en bijstand aangepast en voor het wijzigen van dit artikel van het Inkomensbesluit IOAW is een overgangsregeling getroffen in artikel 9a van het Inkomensbesluit IOAW (zie onderdeel C van genoemd artikel V van het Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 388). Dit betekent dat deze overgangsbepaling impliciet ook van toepassing is voor het bepalen van opbrengst van arbeid in het kader van het Inkomensbesluit IOAZ. Om eventuele onduidelijkheid die hierover zou kunnen ontstaan weg te nemen, wordt alsnog de overgangsbepaling expliciet van toepassing verklaard op het Inkomensbesluit IOAZ en zodoende opgenomen in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit IOAZ.

Artikel IV

In de artikelen 2 en 3 van het Besluit uitkering gemeenten IOAW en IOAZ voor het jaar 2004 is het begrip «uitkeringslasten» telkens vervangen door het begrip «uitkeringsuitgaven». Het betreft hier het herstellen van een omissie. Het begrip uitkeringslasten is het verschil tussen uitgaven en terugontvangsten. Doordat de ontvangsten een onvoorspelbaar verloop hebben kan dat met name bij kleinere gemeenten leiden tot een negatief getal voor de verdeelsleutel. Om die reden is het onwenselijk het toevalselement terugontvangsten in de verdeelsystematiek te betrekken.

De aan gemeenten reeds kenbaar gemaakte budgetten IOAW en IOAZ voor het jaar 2004 ondergaan geen wijziging, omdat bij de berekening hiervan reeds was uitgegaan van de verdeelmaatstaf op basis van uitkeringsuitgaven.

Artikel V

Deze wijzigingen treden met ingang van 1 januari 2004 in werking. Dat geldt ook voor de wijzigingen die voortvloeien uit het Besluit van 10 oktober 2003 (Stb. 388), houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet werk en bijstand respectievelijk het Besluit uitkering gemeenten IOAW en IOAZ voor het jaar 2004. Aangezien het onderhavige besluit later is vastgesteld dat de hiervoor genoemde besluiten, corrigeert het onderhavige besluit de hiervoor genoemde eerder vastgestelde besluiten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte


XNoot
1

Stb. 1998, 343, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 oktober 2003, Stb. 388.

XNoot
2

Stb. 1986, 658, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 oktober 2003, Stb. 388.

XNoot
3

Stb. 1987, 305, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
4

Stb. 2003, 389.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.