Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2003, 394AMvB

Besluit van 26 september 2003, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002–2003

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 juni 2003, nr. PMR/AV 03/68131, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, cluster Arbeidsvoorwaarden, gedaan mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op:

– artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet,

– artikel 1, tweede lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen,

– artikel 6 van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) en

– artikel 1, derde lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman;

De Raad van State gehoord (advies van 28 juli 2003, nr. W04.03.0220/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 september 2003, nr. PMR/AV 03/75685, directoraat-generaal Management Openbare Dienst, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, cluster Arbeidsvoorwaarden, uitgebracht mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 21c komt te luiden:

Artikel 21c

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.

B

De artikelen 21d tot en met 21i vervallen.

C

Artikel 22, tiende lid, onderdeel f, komt te luiden:

f. het minder uren werken op basis van de in artikel 21c van dit besluit bedoelde regels.

D

In artikel 49h, vierde lid, vervalt het zinsdeel «, 49m».

E

Artikel 49m vervalt.

F

In artikel 49q vervalt het zinsdeel «, 49m».

G

Artikel 59 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst», vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het zevende tot het achtste lid, wordt een nieuw zevende lid ingevoegd, luidende:

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

H

Artikel 60 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst», vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het vijfde tot het zesde lid, wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

I

In artikel 71 wordt, onder vernummering van het tweede tot en met het vierde lid tot het derde tot en met het vijfde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 34c komt te luiden:

Artikel 34c

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.

B

De artikelen 34d tot en met 34i vervallen.

C

Artikel 35, tiende lid, onderdeel f, komt te luiden:

f. het minder uren werken op basis van de in artikel 34c van dit besluit bedoelde regels.

D

In artikel 84h, vierde lid, vervalt het zinsdeel «, 84m».

E

Artikel 84m vervalt.

F

In artikel 84q vervalt het zinsdeel «, 84m».

G

Artikel 94 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst», vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het zevende tot het achtste lid, wordt een nieuw zevende lid ingevoegd, luidende:

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

H

Artikel 95 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst», vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het vijfde lid tot het zesde lid, wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 84d en 84e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

I

In artikel 106 wordt, onder vernummering van het tweede tot en met het vierde lid tot het derde tot en met het vijfde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.

ARTIKEL III

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken3 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 40 komt te luiden:

Artikel 40 IKAP

Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie krachtens artikel 21c van het ARAR gestelde regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

B

De artikelen 40a tot en met 40e vervallen.

C

Artikel 41, tiende lid, onderdeel f, komt te luiden:

f. het minder uren werken op basis van de in artikel 40 bedoelde regels.

D

In artikel 58g, vierde lid, vervalt het zinsdeel «, 58l».

E

Artikel 58l vervalt.

F

In artikel 58p vervalt het zinsdeel «, 58l».

G

Artikel 67 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst» vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het zevende tot het achtste lid, wordt een nieuw zevende lid ingevoegd, luidende:

  • 7. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en 58d, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

H

Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het zinsdeel «het belang van de dienst» vervangen door: het belang van de Rijksdienst.

2. Onder vernummering van het vijfde tot het zesde lid, wordt een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 58c en 58d, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de Rijksdienst.

I

In artikel 78 wordt, onder vernummering van het tweede tot en met het vierde lid tot het derde tot en met het vijfde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de continuering van de loopbaan.

ARTIKEL IV

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 19844 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, tweede lid, wordt na «artikel 21, tweede lid,» een zinsnede toegevoegd, luidende: een toeslag als bedoeld in artikel 22e.

B

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, worden de bedragen € 7 735,96, € 7 901,96 onderscheidenlijk € 8 068,87 vervangen door € 7 929,36, € 8 099,51 onderscheidenlijk € 8 270,59.

C

Artikel 17 wordt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel c, komt te luiden: 70% voor de uren op zaterdag;.

2. In het vijfde lid wordt de zinsnede «over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan» vervangen door: over de zesendertig kalendermaanden voorafgaande aan.

D

Aan artikel 17a worden een nieuw vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 17, zevende lid, een vaste toelage heeft vastgesteld voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid, voor de ambtenaar een vaste maandelijkse toelage vaststellen.

  • 5. De toelage, bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld aan de hand van het bepaalde in het derde lid, de voor de ambtenaar geldende werktijdregeling en de mate waarin en de wijze waarop van die werktijdregeling pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag daarvan.

E

Artikel 18 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «buiten zijn toedoen».

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «onderbreking van langer dan twee maanden» vervangen door: onderbreking van langer dan twaalf maanden.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verlaging van de bezoldiging het gevolg is van een disciplinaire maatregel genoemd in artikel 81 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling.

F

In artikel 21, tweede lid, wordt het bedrag van € 133,54 vervangen door € 136,88.

G

Na artikel 22d wordt een nieuw artikel 22e ingevoegd, luidende:

Artikel 22e

  • 1. De ambtenaar aan wie een toelage is toegekend op grond van artikel 17 of op grond van artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst ontvangt een nominale toeslag van € 37,50 per maand. Bedraagt de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor minder dan 1, dan wordt het bedrag van de toeslag vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.

  • 2. Geen recht op de in het eerste lid genoemde toeslag bestaat vanaf het tijdstip dat de ambtenaar langer dan vier weken geen dienst verricht als bedoeld in artikel 17.

H

In de bijlage A wordt het bedrag van € 8 068,87 telkens vervangen door € 8 270,59.

I

De bijlage B wordt vervangen door de gelijknamige bijlage vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage I.

J

1. Voor zover artikel IV, onderdelen B, H en I, aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven richtlijn.

2. Voor zover artikel IV, onderdelen B, H en I, aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister-President, Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

ARTIKEL V

De bedragen € 9 169,33 onderscheidenlijk € 8 601,08, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen5 worden als volgt nader vastgesteld: € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 816,11.

ARTIKEL VI

A

De bedragen € 9 169,33, € 8 601,08 onderscheidenlijk € 8 068,87, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218)6 worden als volgt nader vastgesteld: € 9 398,56, € 8 816,11 onderscheidenlijk € 8 270,59.

B

De bedragen € 9 169,33 onderscheidenlijk € 8 068,87, genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden als volgt nader vastgesteld: € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 270,59.

ARTIKEL VII

De bedragen € 9 169,33 onderscheidenlijk € 8 068,87, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman7 worden als volgt nader vastgesteld: € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 270,59.

ARTIKEL VIII

De vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren van € 113,45, genoemd in artikel 7, eerste lid, van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst8 wordt nader vastgesteld op € 135,12.

ARTIKEL IX

In afwijking van artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt voor het jaar 2002 als percentage 1.

ARTIKEL X

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, worden de bedragen € 7 929,36, € 8 099,51 onderscheidenlijk € 8 270,59 vervangen door € 7 949,18, € 8 119,76 onderscheidenlijk € 8 291,27.

B

In artikel 21, tweede lid, wordt het bedrag van € 136,88 vervangen door € 137,22.

C

In de bijlage A wordt het bedrag van € 8 270,59 telkens vervangen door € 8 291,27.

D

De bijlage B wordt vervangen door de gelijknamige bijlage vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage II.

E

1. Voor zover artikel X, onderdelen A, C en D, aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948, die ingevolge artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt dit door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te geven richtlijn.

2. Voor zover artikel X, onderdelen A, C en D, aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister-President, Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

ARTIKEL XI

De bedragen € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 816,11, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen worden als volgt nader vastgesteld: € 9 422,06 onderscheidenlijk € 8 838,15.

ARTIKEL XII

A

De bedragen € 9 398,56, € 8 816,11 onderscheidenlijk € 8 270,59, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden als volgt nader vastgesteld: € 9 422,06, € 8 838,15 onderscheidenlijk € 8 291,27.

B

De bedragen € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 270,59, genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden als volgt nader vastgesteld: € 9 422,06 onderscheidenlijk € 8 291,27.

ARTIKEL XIII

De bedragen € 9 398,56 onderscheidenlijk € 8 270,59, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman worden als volgt nader vastgesteld: € 9 422,06 onderscheidenlijk € 8 291,27.

ARTIKEL XIV

De vaste toelage voor het werken op onregelmatige uren van € 135,12 genoemd in artikel 7, eerste lid, van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst wordt nader vastgesteld op € 135,46.

ARTIKEL XV

In afwijking van artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt voor het jaar 2003 als percentage 0,8.

ARTIKEL XVI

De bij artikel IV, onderdelen B, H en I, en artikel X, onderdelen A, C en D, aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijke rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.

ARTIKEL XVII

Het Verplaatsingskostenbesluit 19899 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «tegemoetkoming worden verleend» gewijzigd in: tegemoetkoming of vergoeding worden verleend.

2. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt en de puntkomma aan het eind van onderdeel b wordt vervangen door een punt.

3. In het tweede lid wordt het woord «tegemoetkoming» telkens gewijzigd in: tegemoetkoming, vergoeding of voorziening.

B

HOOFDSTUK IIIA vervalt.

C

De artikelen 12, 12a en 12b komen te luiden:

Artikel 12

  • 1. De betrokkene heeft aanspraak op vergoeding van de gemaakte kosten van het dagelijks reizen per openbaar vervoer tussen de woning en de plaats van tewerkstelling.

  • 2. In plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag ook de noodzakelijke vervoerbewijzen verstrekken.

Artikel 12a

De betrokkene die naar het oordeel van het bevoegd gezag de plaats van tewerkstelling niet of niet doelmatig per openbaar vervoer kan bereiken, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.

Artikel 12b

De betrokkene die naar het oordeel van het bevoegd gezag de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een gedeelte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12a.

D

Na artikel 12b worden nieuwe artikelen 12ba en 12bb ingevoegd, luidende:

Artikel 12ba

  • 1. De betrokkene die opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen naar of naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt, heeft aanspraak op een voorziening voor, dan wel vergoeding van respectievelijk tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling als bedoeld in de artikelen 12, 12a en 12b, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

  • 2. Een betrokkene, bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van overheidswege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij de standplaats, benevens een vergoeding voor ten hoogste één maal per week in de reiskosten voor gezinsbezoek, dan wel voor reiskosten naar de plaats waar hij feitelijk nog gevestigd is.

  • 3. De betrokkene, bedoeld in het tweede lid, heeft tevens aanspraak op een voorziening voor, dan wel vergoeding van respectievelijk tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen tussen het pension en de plaats van tewerkstelling als bedoeld in de artikelen 12, 12a en 12b.

  • 4. Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor de vergoeding, voorziening en tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste respectievelijk tweede en derde lid.

  • 5. De betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen, kan een vergoeding, voorziening en tegemoetkomingen overeenkomstig het eerste respectievelijk tweede en derde lid worden verleend, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.

  • 6. De betrokkene die in verband met een verplaatsing opdracht van het bevoegde gezag heeft gekregen om naar of naar de nabijheid van de toekomstige standplaats te verhuizen en die voor de datum van verplaatsing verhuist, heeft tot een maximumtermijn van drie maanden aanspraak op een vergoeding, voorziening en tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste respectievelijk tweede en derde lid.

Artikel 12bb

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt bij ministeriële regeling nadere regels vast ten aanzien van de vergoeding, voorziening en tegemoetkomingen als bedoeld in de artikelen 12, 12a, 12b en 12ba.

E

In artikel 12c vervallen de zinsneden «49m of» en «84m of».

F

Artikel 15, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Onze Minister is bevoegd om in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de betrokkene voor wie de plaats van tewerkstelling buiten Nederland is gelegen, bij ministeriële regeling regels vast te stellen, die afwijken van artikel 12bb.

ARTIKEL XVIII

De bestaande vervoerplannen, gebaseerd op HOOFDSTUK IIIA van het Verplaatsingskostenbesluit 1989, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, blijven tot 1 januari 2007 van kracht voorzover de daarin opgenomen aanspraken voor de individuele ambtenaar hoger zijn dan die krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 zoals dat luidt per 1 januari 2004, tenzij in het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 139 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal respectievelijk artikel 142 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt overeengekomen het vervoerplan eerder te doen vervallen.

ARTIKEL XIX

Het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel10 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

De tegemoetkoming wordt gerelateerd aan:

a. de omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden, zoals bepaald voor de leeftijdscategorie van 20 tot en met 64 jaar;

b. de omslagbijdragen ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998, zoals bepaald voor de leeftijdscategorie van 20 tot en met 64 jaar;

c. de component «polis» van de particuliere ziektekostenpremie voor een maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Plan Bureau elk kalenderjaar wordt bepaald ten behoeve van het Centraal Economisch Plan.

B

Artikel 4a komt te luiden:

Artikel 4a

  • 1. De tegemoetkoming wordt volgens de volgende leden vastgesteld.

  • 2. De tegemoetkoming bedraagt:

    a. ten aanzien van de ambtenaar en ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°: de som van 50% van de in artikel 4, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 50% van het in artikel 4, onderdeel c, bedoelde bedrag;

    b. ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°: de som van 25% van de in artikel 4, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in artikel 4, onderdeel c, bedoelde bedrag;

    c. ten aanzien van het gezinslid, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 5°: de som van 50% van de in artikel 4, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in artikel 4, onderdeel c, bedoelde bedrag.

  • 3. Het op grond van het tweede lid vastgestelde bedrag wordt gebruteerd met het voor de betrokkene geldende tarief voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel voor bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964.

ARTIKEL XX

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van de artikelen I, onderdelen A tot en met F, II, onderdelen A tot en met F, III, onderdelen A tot en met F, IV, onderdeel C, onder 2, XVII en XVIII, treedt in werking met ingang van 1 november 2003, met dien verstande dat:

    a. artikel IX terugwerkt tot en met 1 januari 2002,

    b. de artikelen IV, onderdelen B, F en H , I en J, en V tot en met VIII terugwerken tot en met 1 december 2002,

    c. de artikelen XV en XIX terugwerken tot en met 1 januari 2003,

    d. de artikelen X tot en met XIV terugwerken tot en met 1 mei 2003,

    e. artikel IV, onderdelen A, C, onder 1, D, E en G, terugwerkt tot en met 1 juli 2003.

  • 2. De artikelen I, onderdelen A tot en met F, II, onderdelen A tot en met F, III, onderdelen A tot en met F, XVII en XVIII treden in werking met ingang van 1 januari 2004 tenzij Onze Minister in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen overeenstemming heeft bereikt om voor de onder hem ressorterende ambtenaren te bepalen dat de verschillende artikelen of onderdelen daarvan in werking treden op een datum in het kalenderjaar 2003.

  • 3. Artikel IV, onderdeel C, onder 2, treedt in werking met ingang van 1 juli 2006.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 26 september 2003

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. G. de Hoop Scheffer

Uitgegeven de drieëntwintigste oktober 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De op 29 november 2002 gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002–2003 heeft consequenties voor een aantal rechtspositieregelingen van de ambtenaren van de sector Rijk. In dit besluit worden deze consequenties in de betreffende regelingen neergelegd. Het betreft hier het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG), en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ).

Verder worden aangepast het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984), het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (VKB), het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (Btzr), het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst, de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer en de Wet bezoldiging Nationale ombudsman.

De afspraak om een rijksambtenaar niet meer automatisch ontslag ter verlenen wanneer hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, maar dat hij, wanneer hij 65 wordt, zijn ontslag kan aanvragen, is niet in dit besluit opgenomen. De Raad van State wees er in zijn advies op dat geen rekening was gehouden met het Besluit vaststelling leeftijdsgrens openbare functies van 13 september 1945, Stb. F 173. Het betreft hier een «wetsbesluit», dat ingevolge het staatsnoodrecht kracht van formele wet heeft. Artikel 1, eerste lid, van dat besluit bepaalt dat personen die aangesteld zijn of op arbeidsovereenkomst werkzaam bij de staat en andere overheidsinstellingen ontslag wordt verleend bij het bereiken van 65 jaar en dat alleen in zeer bijzondere gevallen hiervan afgeweken kan worden. Omdat een algemene maatregel van bestuur niet kan derogeren aan het genoemde besluit, zal dat besluit eerst moeten worden gewijzigd of ingetrokken.

Omdat de uitwerking van de afspraak rondom het seniorensabbatical vanwege de complexiteit meer tijd in beslag neemt, zal de benodigde wijziging bij afzonderlijk besluit worden geëffectueerd. Dit geldt ook voor de afspraak rondom het onderwerp Integriteit. Aanvullend aan de afspraak zoals opgenomen in meergenoemde arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken de volledige tekst van de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand (Stcrt. 2000, 243) op te nemen in het ARAR, het ARSG en het RDBZ. Dit vergt echter een technische aanpassing van de Regeling, die eveneens enige tijd zal vergen.

De volgorde in de behandeling van de onderwerpen in dit algemeen gedeelte is afgeleid van de volgorde in genoemde Arbeidsvoorwaardenovereenkomst. Waar in deze nota gesproken wordt over het ARAR betreft dit, waar relevant, tevens het ARSG en het RDBZ. De kosten van het totale pakket aan maatregelen, neergelegd in meergenoemde overeenkomst, zijn gefinancierd uit het budget dat beschikbaar is voor de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de sector Rijk.

Met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is over dit besluit overeenstemming bereikt.

Salarisontwikkeling (de artikelen IV, onderdelen B, F en I tot en met K, V tot en met VIII, X tot en met XIV en XVI) en eindejaarsuitkering (de artikelen IX en XV)

1. Salarisontwikkeling per 1 december 2002

Per 1 december 2002 vindt een structurele salarisverhoging plaats van 2,5%. In verband met het algemene karakter daarvan vindt tevens aanpassing plaats van de bezoldigingsbedragen van enkele bij wet bezoldigde functionarissen. Deze doorwerking betreft de bezoldiging van de ministers en de staatssecretarissen, van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer, van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman. Deze salarisverhoging werkt ook door naar de ontslaggebonden uitkeringen, te weten de wachtgelden op basis van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de uitkeringen op basis van de Uitkeringsregeling 1966, de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies.

Voorts vindt doorwerking plaats naar de vaste toelage voor personenchauffeurs voor het werken op onregelmatige uren. Deze koppeling van de vaste toelage aan de algemene wijziging van het salaris van het burgerlijke rijkspersoneel is bij koninklijk besluit van 24 juli 2002 (Stb. 2002, 433), houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met enige omissies, in het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst aangebracht en werkte terug tot en met 1 januari 1998. Het bedrag van de vaste toelage is bij circulaires van 27 augustus 2001, nr. AD2002/U75809 (Stcrt. 2001, 181) en van 10 april 2002, nr. AD2002/U67044 (Stcrt. 2002, 87) tot en met 1 juli 2002 aan de algemene salarisontwikkeling van het burgerlijke rijkspersoneel aangepast. Het bedrag van de vaste toelage, dat per 1 juli 2002 € 131,82 bedroeg, wordt thans verhoogd tot € 135,12 per maand.

2. Incidentele verhoging procentuele eindejaarsuitkering met 0,6% voor het jaar 2002 en met 0,4% voor het jaar 2003

a. Incidentele verhoging met 0,6% voor het jaar 2002 De procentuele eindejaarsuitkering wordt voor het jaar 2002 verhoogd met 0,6-procentpunt tot 1%. De verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering met 0,6% werkt in verband met de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 ook door in berekeningsgrondslag van de uitkeringen op basis de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies van ambtenaren die op of na 2 januari 2002 een uitkering zijn gaan ontvangen. Indien in de periode januari 2002 tot en met december 2002 in de berekeningsbasis van de genoemde uitkeringen als eindejaarsuitkering 1% is opgenomen, blijft voor betrokkenen ook na 2002 in de berekeningsgrondslag de eindejaarsuitkering op 1% gehandhaafd.

b. Incidentele verhoging met 0,4% voor het jaar 2003 De procentuele eindejaarsuitkering wordt voor het jaar 2003 verhoogd met 0,4-procentpunt tot 0,8%. De eenmaligheid van de verhoging impliceert dat met ingang van 1 januari 2004 – bij ongewijzigd beleid – de eindejaarsuitkering weer uitkomt op 0,4% van het salaris.

De verhoging van de procentuele eindejaarsuitkering met 0,4% werkt in verband met de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003 ook door in de berekeningsgrondslag van de uitkeringen op basis de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies van ambtenaren die op of na 2 januari 2003 een uitkering zijn gaan ontvangen. Indien in de periode januari 2003 tot en met december 2003 in de berekeningsbasis van de genoemde uitkeringen als eindejaarsuitkering 0,8% is opgenomen, blijft voor betrokkenen ook na 2003 in de berekeningsgrondslag de eindejaarsuitkering op 0,8% gehandhaafd.

3. Salarisontwikkeling per 1 mei 2003

Ten tijde van de CAO-onderhandelingen bestond de verwachting dat in het jaar 2003 de bevroren tegemoetkoming inzake het Btzr het niveau van 50% netto van de gemiddelde particuliere ziektekostenpremie nog te boven zou gaan. In verband daarmee is toen overeengekomen dat met ingang van 1 juli 2003 de tegemoetkoming inzake het Btzr verlaagd zou worden naar het niveau van 50% netto van de gemiddelde particuliere ziektekostenpremie. Ter compensatie van de inkomenseffecten van deze maatregel worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk per 1 mei 2003 structureel verhoogd met 0,25%. Nadien is gebleken dat het genoemde niveau al per 1 januari 2003 bereikt is.

In verband met het algemene karakter van deze salarisverhoging vindt tevens aanpassing plaats van de bezoldigingsbedragen van enkele bij wet bezoldigde functionarissen. Deze doorwerking betreft de bezoldiging van de ministers en de staatssecretarissen, van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer, van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman. Deze salarisverhoging werkt ook door naar de ontslaggebonden uitkeringen, te weten de wachtgelden op basis van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de uitkeringen op basis van de Uitkeringsregeling 1966, de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en het Besluit ontslaguitkering substantieel bezwarende functies.

Voorts vindt doorwerking plaats naar de vaste toelage voor personenchauffeurs voor het werken op onregelmatige uren, vermeld in artikel 7 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst. Het bedrag van de vaste toelage, dat per 1 december 2002 € 135,12 bedroeg, wordt verhoogd tot € 135,46 per maand.

Leeftijdsbewust personeelsbeleid, herbezetting en employability (de artikelen I, onderdelen G tot en met I, II, onderdelen G tot een met I, en III, onderdelen G tot en met I)

Artikelen I, onderdelen G en H, II, onderdelen G en H, en III, onderdelen G en H

Op grond van artikel 60 van het ARAR, artikel 95 van het ARSG en artikel 68 van het RDBZ kunnen ambtenaren in aanmerking komen voor vergoeding van scholingskosten en voor scholingsverlof indien zij op eigen initiatief scholing gaan volgen. Voorwaarde is wel dat met het volgen van de scholing ook het dienstbelang is gebaat. Het begrip dienstbelang dient hier ruim te worden geïnterpreteerd. In het licht van de reeds in gang gezette ontwikkelingen naar het beschouwen van de gehele sector Rijk als één werkgever (althans in materiële zin) mag het begrip dienstbelang in het kader van scholingsfaciliteiten niet te beperkt worden geïnterpreteerd in de zin dat dit alleen de organisatie kan betreffen waarbij de ambtenaar op het moment van scholing werkzaam is. In het eerste lid is daarom «de dienst» vervangen door «de Rijksdienst».

Dat de scholingsfaciliteiten in het belang van de Rijksdienst worden geboden, geldt temeer nu in het kader van de versterking van de kwaliteit van de Rijksdienst en het bieden van ontplooiingskansen voor medewerkers de interdepartementale mobiliteit verder bevorderd zal gaan worden. In arbeidsvoorwaardelijke zin is deze ontwikkeling ondersteund door de afspraak in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000–2001 dat alle ambtenaren in vaste dienst zijn aangesteld in algemene dienst van het Rijk. Dit betekent dat ingeval van interdepartementale mobiliteit de ambtenaar wordt overgeplaatst van het ene naar het andere ministerie. In dat geval is er geen sprake van ontslag en kan dus, terecht, geen terugbetalingsverplichting van ontvangen studiekostenvergoedingen worden opgelegd. Ook de ambtenaren in tijdelijke dienst, bij wie de overgang van het ene naar het andere ministerie geschiedt via een ontslag en een nieuwe aanstelling, zijn gevrijwaard van een terugbetalingsverplichting. Datzelfde geldt voor ambtenaren in dienst van de Staten-Generaal bij overgang naar een ministerie en andersom. Met andere woorden, het geheel van rechten en verplichtingen inzake de studiefaciliteiten ziet toe op een werking en een rendement binnen de sector Rijk in zijn geheel. Slechts indien de ambtenaar een functie buiten de sector Rijk gaat vervullen kan, onder de in het ARAR, het ARSG en het RDBZ daarvoor opgenomen voorwaarden, een terugbetalingsverplichting worden opgelegd.

Dit laatste wordt niet redelijk geacht indien het een ambtenaar betreft die is aangewezen als herplaatsingkandidaat en die, ter voorkoming van eventuele werkloosheid met een daaraan gekoppeld recht op uitkering ten laste van het Rijk, een baan buiten de sector Rijk heeft aanvaard. In verband hiermee is in artikel 60 respectievelijk 95 respectievelijk 68, in het nieuwe vijfde lid, van het ARAR, het ARSG en het RDBZ, neergelegd dat in deze situatie geen terugbetalingsverplichting wordt opgelegd.

Het lag in de rede om overeenkomstig de bedoeling van voormelde wijzigingen in de artikelen 60 van het ARAR, 95 van het ARSG en 68 van het RDBZ een soortgelijke voorziening te treffen in geval van «scholing in het belang van de dienst». De artikelen 59 van het ARAR respectievelijk 94 van het ARSG en 67 van het RDBZ zijn dienovereenkomstig aangepast. In het eerste lid is daarom «de dienst» vervangen door «de Rijksdienst» en in een nieuw zevende lid is voorzien in de situatie waarbij geen terugbetalingsverplichting wordt opgelegd. Het zevende lid (oude) is vernummerd tot het achtste lid.

Artikelen I, onderdeel I, II, onderdeel I, en III, onderdeel I

Zoals hiervoor vermeld, zal de sector Rijk over een niet al te lange termijn worden geconfronteerd met een hoge uitstroom van oudere medewerkers, terwijl het gewenst is dat de arbeidsparticipatie van oudere werknemers toeneemt. Leeftijdsbewust personeelsbeleid is in het algemeen een belangrijk instrument om voor medewerkers de balans tussen belasting en belastbaarheid in evenwicht te brengen en te houden.

Met het oog op de verdere stijging van de gemiddelde leeftijd van medewerkers in de Rijksdienst en de verwachte uitstroom van medewerkers over een niet al te lange termijn is het leeftijdsbewust personeelsbeleid een des te noodzakelijker instrument. Het voorkomen van langdurig verblijf op dezelfde functie bevordert de arbeidsparticipatie. Het praten over de loopbaan maakt het mogelijk dat hiervoor voor iedere medewerker maatwerk tot stand wordt gebracht. In het kader van het leeftijdsbewust personeelsbeleid zal daarom, als onderdeel van het jaarlijkse gesprek, expliciet gesproken te worden over de loopbaancontinuering. Hierin is voorzien in een nieuw tweede lid in de artikelen 71 van het ARAR, 106 van het ARSG en 78 van het RDBZ. Het tweede, derde en vierde lid (oud) worden vernummerd tot respectievelijk het derde, vierde en vijfde lid. Hiernaast is het raadzaam om de bespreking van dit onderwerp voor iedereen aan de orde te stellen en niet te beperken tot de bovenstaande groepen waarbij het expliciet besproken dient te worden.

Harmonisering, deregulering en efficiency, onderdeel woon-werkverkeer (artikelen I, onderdelen D tot en met F, II, onderdelen D tot en met F, III, onderdelen D tot en met F, XVII en XVIII)

Algemeen

Verschillen in secundaire arbeidsvoorwaarden kunnen een struikelblok zijn voor rijksambtenaren om binnen de rijksdienst van baan te veranderen. Meer uniformiteit in secundaire arbeidsvoorwaarden kan ook wenselijk zijn in het licht van de benadering van de sector Rijk als één concern en het streven naar een rijksbreed personeelsbeleid. Voorts kan het imago van de sector Rijk op de arbeidsmarkt als aantrekkelijke overheidswerkgever gebaat zijn bij een meer uniform pakket secundaire arbeidsvoorwaarden. Ten slotte kan het met het oog op een mogelijke bundeling van administratieve uitvoeringscapaciteit gewenst zijn om bepaalde secundaire arbeidsvoorwaarden bij de ministeries meer op één lijn te brengen.

In opdracht van de Interdepartementale Coördinatievergadering Personeelsmanagement Rijksdienst heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek gedaan naar de bestaande secundaire arbeidsvoorwaarden in de sector Rijk en de mate waarin deze arbeidsvoorwaarden verschillen. Onderzoeksthema's waren onder meer: kinderopvang, woon-werkverkeer, beoordelen en belonen, mobiliteit en arbeidsmarktbeleid, scholingsbeleid, IKAP en telewerken. Behalve het Ministerie van Defensie (valt niet onder de sector Rijk) hebben alle ministeries aan het onderzoek meegedaan. In juli 2002 werden de onderzoeksresultaten gepresenteerd in het rapport «Rijk aan voorwaarden».

Het uitgangspunt is dat de secundaire arbeidsvoorwaarden voor alle rijksambtenaren gelijk dienen te zijn, tenzij er sprake is van zodanige omstandigheden in de bedrijfsvoering dat afwijkingen gerechtvaardigd zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten zoals opgenomen in het rapport «Rijk aan voorwaarden» komen als eerste voor harmonisatie in aanmerking de secundaire arbeidsvoorwaarden op de terreinen van kinderopvang en woon- en werkverkeer.

Woon-werkverkeer

Tot 1992 gold voor iedere ambtenaar een uniforme vergoedingsregeling voor de kosten van het woon-werkverkeer. Men ontving maandelijks een geldelijke tegemoetkoming, waaraan op grond van de fiscale wetgeving terzake een maximum was verbonden. In alle gevallen bleef een bepaald bodembedrag (de zogenaamde eigen bijdrage) voor rekening van de ambtenaar.

Vanuit het toentertijd bestaande streven naar decentralisatie van de secundaire arbeidsvoorwaarden en mede onder invloed van de toenemende belangstelling voor milieuvraagstukken (met name het terugdringen van het autogebruik) zijn de ministeries in 1992, door het opnemen van artikel 11a in het Verplaatsingskostenbesluit 1989, in de gelegenheid gesteld in overleg met het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren af te wijken van deze uniforme vergoedingsregeling. Dit kon door het opstellen van een zogeheten vervoerplan. Uit het rapport «Rijk aan voorwaarden» blijkt dat van deze mogelijkheid op grote schaal gebruik is gemaakt. Voorts blijkt uit dit rapport dat hierdoor het niveau van de aanspraken voor de ambtenaren bij de verschillende arbeidsorganisaties binnen het concern Rijk zeer divers is. Weliswaar bieden alle ministeries op basis van de departementale vervoerplannen faciliteiten aan op het gebied van het openbaar vervoer, maar in de kostenvergoedingen bestaan er verschillen tussen de ministeries tot € 100, netto per maand.

Inmiddels geldt op grond van de huidige inzichten dat er sectorbreed tussen (groepen van) ambtenaren geen verschillen mogen bestaan tussen (het niveau van) arbeidsvoorwaardelijke aanspraken, indien daarvoor geen objectieve gronden aanwezig zijn. In de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel is daarom afgesproken te komen tot een hernieuwde uniformering van de aanspraken op dit punt. Daartoe dient de mogelijkheid om per arbeidsorganisatie afwijkende afspraken te kunnen maken, te komen vervallen. Anders gezegd: er dient geen ruimte te bestaan voor het maken van departementale vervoerplannen, voorzover daarin een afwijkend niveau van aanspraken wordt neergelegd.

In plaats daarvan komt er voor alle rijksambtenaren één uniforme regeling, waarbij er van de mogelijkheid wordt uitgegaan om de plaats van tewerkstelling al of niet (doelmatig) met het openbaar vervoer te bereiken en van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de functie moet worden vervuld. In dit verband wordt een tweetal situaties onderkend die als standaard kunnen worden aangemerkt:

I. In de eerste plaats de situatie waarin de werkplek met het openbaar vervoer bereikbaar is en de ambtenaar daarvan ook daadwerkelijk gebruik maakt. Aan ambtenaren die voor het woon-werkverkeer gebruik maken van het openbaar vervoer per trein wordt een volledige geldelijke vergoeding verstrekt van de gemaakte kosten, uitgaande van tweede klasse, tot ten hoogste de maximumprijs van een NS-jaartrajectkaart tweede klasse (in 2003 € 2495), waar nodig aangevuld met de werkelijk gemaakte kosten van het zogenaamde aansluitende openbaar vervoer.

De ambtenaar dient wel de vervoerbewijzen in te leveren bij het bevoegd gezag en het bevoegd gezag dient deze te administreren en te bewaren.

De ambtenaar die van de woning of het pension met het aansluitend openbaar vervoer naar het NS-station reist, kan er ook voor kiezen om met eigen vervoer naar dat NS-station te komen. In dat geval wordt naast de vergoeding voor de trein een jaarlijkse belastingvrije tegemoetkoming toegekend van (thans) € 91, in overeenstemming met het bedrag vermeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze tegemoetkoming komt in de plaats van de vergoeding voor het aansluitend openbaar vervoer van de woning of het pension naar het NS-station.

Aan het bevoegd gezag wordt de mogelijkheid geboden om in plaats van het geven van een geldelijke vergoeding, over te gaan tot het verstrekken van de noodzakelijke vervoerbewijzen.

Indien daartoe aanleiding bestaat kan het bevoegd gezag in plaats van een NS-jaartrajectkaart tweede klasse een duurder vervoerbewijs verstrekken of vergoeden (bijv. een OV-jaarkaart eerste klasse). Hierbij moet worden gedacht aan de situatie waarin het voor de dienst voordeliger is als de ambtenaar zowel voor dienstreizen als voor het woon-werkverkeer gebruik maakt van hetzelfde vervoerbewijs. Omdat de dienstreizen de aanleiding vormen voor het vergoeden of verstrekken van een duurder vervoerbewijs dient in dat geval de vergoeding of de verstrekking plaats te vinden op grond van het Reisbesluit binnenland.

Indien de ambtenaar om persoonlijke redenen een duurder vervoerbewijs wenst (bijvoorbeeld een NS-jaartrajectkaart eerste klasse of een OV-jaarkaart) komen de meerkosten daarvan voor diens rekening. Uiteraard kan voor de financiering hiervan gebruik worden gemaakt van de regeling IKAP.

Aan de ambtenaar die een om persoonlijke redenen aangeschaft vervoerbewijs mede gebruikt voor het ondernemen van dienstreizen kan een vergoeding worden verleend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 6, derde lid van het Reisbesluit binnenland.

Als de ambtenaar een vervoerbewijs door het bevoegd gezag verstrekt of volledig vergoed krijgt dat ruimere mogelijkheden biedt dan uitsluitend het woon-werkverkeer (bijv. een NS-jaarkaart – geldig op alle NS-lijnen – in plaats van een NS-jaartrajectkaart), is het bevoegd gezag verplicht voor die ambtenaar via de eindheffing loonheffing af te dragen over een bedrag van (thans) € 54 (voor een tweede klas kaart) of € 82 (voor een eerste klas kaart). Om te voorkomen dat het bevoegde gezag loonheffing moet betalen voor vervoerbewijzen die uitsluitend in het persoonlijk belang van de ambtenaar zijn verstrekt of vergoed, dient de vergoeding voor een dergelijke kaart (of het salaris ingeval van het verstrekken van die kaart) te worden verminderd met een bedrag van € 54 onderscheidenlijk € 82. Laatstbedoelde vermindering kan achterwege blijven indien een dergelijke kaart mede voor het verrichten van dienstreizen wordt verstrekt of vergoed. In dat geval komt de ter zake verschuldigde loonheffing voor rekening van het bevoegd gezag.

II. De tweede standaardsituatie betreft die waarin de werkplek niet of niet doelmatig per openbaar vervoer bereikbaar is. Of de werkplek al dan niet (doelmatig) per openbaar vervoer bereikbaar is, wordt uiteindelijk bepaald door het bevoegd gezag. De woonplaatskeuze van de ambtenaar speelt daarbij geen rol.

De ambtenaar voor wie dit geldt en die op meer dan 10 kilometer van de plaats van tewerkstelling woont, ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming volgens de belastingvrije tabelbedragen (artikel 16b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964) die de fiscus voor de toepassing van het reiskostenforfait hanteert. De ambtenaar die op 10 kilometer of minder van de plaats van tewerkstelling woont, ontvangt een tegemoetkoming die is afgeleid van de hiervoor bedoelde fiscale tabelbedragen. Laatstgenoemde tegemoetkoming is echter volledig belast.

Indien de standaardregeling leidt tot een duidelijk onbillijke uitkomst voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag op grond van de hardheidsclausule afwijkend beslissen.

Ambtenaren die om hen moverende redenen geen gebruik (willen) maken van de standaardregeling genoemd onder I ontvangen een tegemoetkoming ter grootte van 25% van de tegemoetkoming die wordt verstrekt in het kader van de standaardregeling onder II. Hierbij kan worden gedacht aan ambtenaren die op geringe afstand van de werkplek wonen en, hoewel het gebruik van het openbaar vervoer goed mogelijk is, er de voorkeur aan geven bijvoorbeeld per fiets of lopend de afstand woning-werk te overbruggen. Het fiscale regime dat geldt voor de standaardregeling II is ook op deze tegemoetkoming van overeenkomstige toepassing.

In alle gevallen komt de bestaande eigen bijdrage (in 2003: € 49,93 per maand) te vervallen.

Alhoewel de fiscale wetgeving daartoe ruimte biedt, bestaat er geen aanleiding om in het Verplaatsingskostenbesluit 1989 een aparte voorziening voor carpooling op te nemen. Ambtenaren die willen carpoolen, dienen hierover onderling afspraken te maken.

Het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en de daarop gebaseerde Verplaatsingskostenregeling 1989 worden conform het vorengaande gewijzigd. Deze wijzigingen gaan in per 1 januari 2004. Een minister kan in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren overeenkomen dat voor de onder hem ressorterende ambtenaren de verschillende artikelen of onderdelen daarvan in werking treden op een datum in het kalenderjaar 2003. De op 1 januari 2004 bestaande departementale vervoerplannen, gebaseerd op artikel 11a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989, blijven echter gedurende maximaal drie jaar nog van kracht voorzover de daarin opgenomen aanspraken voor de individuele ambtenaar hoger zijn dan die krachtens de nieuwe standaardregeling. Ministeries kunnen in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren hiervoor een kortere termijn overeenkomen.

Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat met deze wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en de Verplaatsingskostenregeling 1989 niet wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in de bestaande individuele afspraken die het bevoegd gezag, bijvoorbeeld in het kader van een reorganisatie, met een ambtenaar heeft gemaakt over de vergoeding van diens reiskosten woon-werkverkeer.

Harmonisering, deregulering en efficiency, onderdeel IKAP (artikelen I, onderdelen A tot en met C, II, onderdelen A tot en met C, en III, onderdelen A tot en met C)

Naast de harmonisatie op het terrein van de kinderopvang en het woon-werkverkeer is overeengekomen ook de IKAP-regeling te vereenvoudigen. Met de centrales van overheidspersoneel is hiervoor inmiddels een nieuwe tekst overeengekomen. In de tekst van deze regeling zijn de artikelen 21c tot en met 21i van het ARAR en de hiermee overeenkomende artikelen 34c tot en met 34i van het ARSG en 40 tot en met 40e van het RDBZ overgenomen. In het ARAR, het ARSG en het RDBZ kunnen hierdoor deze artikelen vervallen. In de aangepaste artikelen 21c van het ARAR, 34c van het ARSG en 40 van het RDBZ is thans de grondslag voor de IKAP-regeling rijkspersoneel opgenomen.

In verband met deze wijziging zijn ook de artikelen 22, tiende lid, onderdeel f, van het ARAR, 35, tiende lid, onderdeel f, van het ARSG en 41, tiende lid, onderdeel f, van het RDBZ aangepast.

Deze wijziging gaat in per 1 januari 2004. Een minister respectievelijk het tot aanstelling bevoegde gezag bij de Staten-Generaal kan echter in het decentrale overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren overeenkomen dat voor de onder hem ressorterende ambtenaren de wijziging in werking treedt op een datum in het kalenderjaar 2003.

Modernisering inconveniëntenvergoedingen (Artikel IV, onderdelen A, C tot en met E, en H)

Ter compensatie van bepaalde ongemakken (inconveniënten) bij de uitoefening van zijn functie heeft de ambtenaar recht op bepaalde vergoedingen. Dit betreft onder meer de toelage onregelmatige diensten en de toelage voor het in opdracht van het bevoegd gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het krachtens de werktijdregeling vastgestelde rooster. De systematiek van genoemde vergoedingen, alsmede de aflopende toelage als bedoeld in artikel 18 van het BBRA 1984, is bezien op mogelijkheden voor vereenvoudiging en modernisering.

Ziektekosten – Versnelde afbouw Btzr naar 50% netto (Artikel XIX)

Met de Centrales van overheidspersoneel is afgesproken de in de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999–2000 overeengekomen versobering van het Btzr versneld uit te voeren. Deze versobering houdt in dat de ziektekostentegemoetkoming niet meer wordt geïndexeerd totdat de Btzr-tegemoetkoming het niveau van 50% netto van de gemiddelde ziektekostenpremie (inclusief MOOZ- en WTZ-bijdrage) heeft bereikt. Partijen zijn overeengekomen de Btzr-tegemoetkoming per 1 juli 2003 te verlagen naar 50% netto van de gemiddelde ziektekostenpremie. Hierbij is tevens afgesproken dat bij het bereiken van het niveau van 50% netto de tegemoetkoming voor kinderen van 16 tot en met 19 jaar wordt verhoogd naar de tegemoetkoming voor kinderen van 20 tot en met 26 jaar.

Het Btzr is in lijn met deze afspraken gewijzigd. Artikel 4 is gewijzigd, zodat daar onder a en b, net als onder c, wordt verwezen naar één bedrag. Namelijk het bedrag dat geldt voor particulier verzekerden van 20 tot en met 64 jaar. Met de wijziging van artikel 4a wordt de tegemoetkoming bepaald op 50% netto en wordt de tegemoetkoming voor kinderen van 16 tot en met 19 jaar gelijkgesteld aan de tegemoetkoming voor kinderen van 20 tot en met 26 jaar. Omdat het niveau van 50% netto reeds per 1 januari 2003 is bereikt, gaan de wijzigingen van artikel 4 en 4a in per 1 januari 2003.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelen I, onderdelen D tot en met F, II, onderdelen D tot en met F, III, onderdelen D tot en met F, en XVII, onderdeel E

In artikel 49m van het ARAR, artikel 84m van het ARSG en artikel 58l van het RDBZ is geregeld dat de ambtenaar voor wie in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in het kader van een reorganisatie in een passende functie de afstand tussen de woning en het werk toeneemt zonder dat hij behoeft te verhuizen, voor een termijn van ten hoogste zes jaar een extra tegemoetkoming in de reiskosten wordt gegeven. Die tegemoetkoming in reiskosten bedraagt maximaal die van een verhuisplichtige ambtenaar in plaats van die van een niet-verhuisplichtige. Omdat door de nieuwe standaardregeling in dit besluit het verschil in de vergoeding van, dan wel de tegemoetkoming in de dagelijkse reiskosten tussen een verhuisplichtige en een niet-verhuisplichtige is vervallen, is dit artikel overbodig geworden. De artikelen 49h en 49q van ARAR, de artikelen 84h en 84q van het ARSG en de artikelen 58g en 58p van het RDBZ zijn hieraan aangepast. Dit geldt tevens voor het schrappen van de zinsdelen «49m of» en «84m of» in artikel 12c van het Verplaatsingskostenbesluit 1989.

Artikel IV, onderdeel A

In artikel 3, tweede lid, van het BBRA 1984 wordt een limitatieve opsomming gegeven van salaris, toelagen, toeslag en vergoedingen die berekend worden over het gedeelte van de kalendermaand waarin de ambtenaar in dienst is geweest. De toeslag als bedoeld in artikel 22e wordt hieraan toegevoegd. Dit is een nominale toeslag voor ambtenaren die een toelage is toegekend op grond van artikel 17 voor het verrichten van diensten op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur. De nominale toeslag wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.

Wanneer een ambtenaar slechts een gedeelte van de kalendermaand in dienst is en een toelage is toegekend op grond van artikel 17, ontvangt hij de toeslag als bedoeld in de in artikel 22e alleen over dat deel van de maand dat hij in dienst is.

Artikel IV, onderdeel C

Het percentage voor de toelage onregelmatige diensten op zaterdag (artikel 17, tweede lid, onder c, van het BBRA 1984) met betrekking tot het tijdvak 0.00 tot 18.00 uur, wordt verhoogd tot 70%, conform het reeds geldende percentage voor het tijdvak van 18.00 uur tot 24.00 uur op zaterdag. Deze wijziging leidt tot een vereenvoudiging van de systematiek.

De referteperiode voor de vaste toelage voor ambtenaren van 55 jaar en ouder (artikel 17, vijfde lid, van het BBRA 1984) is verlengd van twaalf tot zesendertig maanden. Hiermee wordt de toelage gebaseerd op een representatiever beeld van de feitelijk verrichte onregelmatige diensten. De kans dat in de referteperiode bewust meer onregelmatige diensten worden verricht om te komen tot een hogere vaste toelage, wordt op deze wijze verkleind.

In verband met de rechtszekerheid gaat deze wijziging eerst in nadat drie jaar zijn verlopen (in casu op 1 juli 2006). Dit betekent dat de vaste toelage onregelmatige dienst van de ambtenaar die voor die datum de leeftijd van 55 jaar bereikt (en dus op 1 juli 2003 52 jaar of ouder is) berekend blijft worden over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt.

Artikel IV, onderdeel D

Aan artikel 17a van het BBRA 1984 is toegevoegd een vierde lid, houdende de bepaling dat de toelage voor het in opdracht van het bevoegd gezag verrichten van arbeid op uren die afwijken van het krachtens de werktijdregeling vastgestelde rooster (zogenaamde verschuivingtoelage), kan worden veranderd in een vaste maandelijkse toelage.

Met deze bepaling wordt een instrument aangereikt om in voorkomende gevallen verwarring tussen verschoven uren en overwerk te voorkomen. De vaststelling of er sprake is van overwerk gebeurt op basis van het aantal gewerkte uren binnen het vastgestelde rooster en daarmee pas achteraf. Bij het verrichten van arbeid op uren die afwijken van het krachtens de werktijdregeling vastgesteld rooster verkeert de ambtenaar in onzekerheid over de toekenning van vergoedingen voor extra diensten op grond van artikel 23.

Artikel IV, onderdeel E

In artikel 18, eerste lid, van het BBRA 1984, vervalt de voorwaarde voor toekenning van een afbouwtoelage dat de beëindiging of vermindering van de toelage als bedoeld in artikel 17 buiten toedoen van de ambtenaar moet zijn ontstaan. In de uitvoering is gebleken dat deze bepaling niet eenduidig kan worden toegepast. Voor situaties waarin het toedoen van de ambtenaar wel aantoonbaar is, is het derde lid van dit artikel aangepast.

In het tweede lid van artikel 18 is de duur van de onderbreking van de periode waarin de ambtenaar een toelage als bedoeld in artikel 17 heeft genoten, verruimd van twee tot twaalf maanden alvorens als wezenlijk te worden aangemerkt. De termijn van twee maanden had mogelijk onredelijke consequenties en was lastig controleerbaar.

Door het vervallen van de voorwaarde dat de beëindiging of vermindering van de toelage als bedoeld in artikel 17 buiten toedoen van de ambtenaar moet zijn ontstaan, is de bepaling dat het bevoegd gezag bij vrijwillige verandering van functie de toelage kan toekennen (artikel 18, derde lid), overbodig geworden. In plaats daarvan is bepaald dat de toelage niet wordt toegekend wanneer de beëindiging of vermindering van de toelage het gevolg is van een disciplinaire maatregel.

Artikel IV, onderdeel G

In artikel 22e van het BBRA 1984 wordt een nominale toeslag toegekend aan ambtenaren aan wie een toelage is toegekend op grond van artikel 17. Met deze toeslag wordt geregeld dat de compensatie voor onregelmatige diensten in sterkere mate ten goede komt aan het actieve personeel in onregelmatige dienst. Na een onafgebroken periode van inactiviteit van de ambtenaar van langer dan vier weken wordt het recht op deze nominale toeslag beëindigd, ongeacht de reden van deze inactiviteit.

Beëindiging van het recht op deze nominale toeslag geeft geen recht op de toelage zoals bedoeld in artikel 18. De toeslag vormt geen onderdeel van de bezoldiging en is niet pensioengevend.

Artikel XVII, onderdeel A

Omdat de eigen bijdrage in de nieuwe standaardregeling is vervallen, kan onderdeel c van artikel 1, eerste lid, van het VKB vervallen. Voorts zijn het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid aangepast aan het opnemen van een vergoeding en een voorziening in het kader van het woon-werkverkeer.

Artikel XVII, onderdeel D

In verband met de wijziging van de artikelen 12, 12a en 12b van het VKB is een aantal leden van het oude artikel 12 overgebracht naar de artikelen 12ba en 12bb.

In artikel 12ba zijn het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van het oude artikel 12 opgenomen. Voorts is het derde lid aangepast aan de wijziging dat ook in de standplaats aanspraak kan bestaan op een woon-werkverkeer vergoeding.

In artikel 12bb is opgenomen het achtste lid van het oude artikel 12.

Artikel XVII, onderdeel F

Om te benadrukken dat de ministeries geen afzonderlijke regelingen op het terrein van het woon-werkverkeer meer mogen treffen, is het tweede lid van artikel 15 van het VKB dat de mogelijkheid bood om voor een aan te wijzen groep van betrokkenen af te wijken van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen vervallen. In het daarvoor in de plaats gekomen tweede lid is de tekst van het oude negende lid van artikel 12 opgenomen. Dit tweede lid biedt de ministers de mogelijkheid om in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor betrokkenen van wie de plaats van tewerkstelling buiten Nederland is gelegen een regeling te treffen die afwijkt van de standaardregeling. Deze laatste hoewel qua systematiek ook goed toepasbaar in het buitenland – is namelijk gebaseerd op de situatie in Nederland. Zeker bij die ministeries waar veel betrokkenen in een bepaald land buiten Nederland zijn geplaatst, kan het aanbeveling verdienen om een specifiek op dat land betrekking hebbende regeling te treffen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. G. de Hoop Scheffer

BIJLAGE I

Deze bijlage behoort bij het besluit van 26 september 2003, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002–2003.

Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren

HOOFDGROEP I

Niveaugroep IaNiveaugroep IbNiveaugroep Ic
Schaal 1Schaal 2Schaal 3
(maandbedragen in euro)
      
    131899,25
  121741,25121845,96
  111687,96111791,74
101581,85101634,67101741,25
91546,8091581,8591687,96
81512,6681546,8081634,67
71478,5571512,6671581,85
61444,8861478,5561546,80
51411,7051444,8851512,66
41379,4641411,7041478,55
31346,2631379,4631444,88
21314,9321346,2621411,70
11286,9011314,9311379,46
01258,8401286,9001346,26

HOOFDGROEP II

Niveaugroep IIaNiveaugroep IIbNiveaugroep IIc
Schaal 3Schaal 4Schaal 5
(maandbedragen in euro)
      
131899,25    
121845,96122006,29122112,88
111791,74111952,54112059,59
101741,25101899,25102006,29
91687,9691845,9691952,54
81634,6781791,7481899,25
71581,8571741,2571845,96
61546,8061687,9661791,74
51512,6651634,6751741,25
41478,5541581,8541687,96
31444,8831546,8031634,67
21411,7021512,6621581,85
11379,4611478,5511546,80
01346,2601444,8801512,66

HOOFDGROEP II

Niveaugroep IId    
Schaal 6    
(maandbedragen in euro)
      
112220,40    
102167,11    
92112,88    
82059,59    
72006,29    
61952,54    
51899,25    
41845,96    
31791,74    
21741,25    
11687,96    
01634,67    

HOOFDGROEP III

Niveaugroep IIIaNiveaugroep IIIbNiveaugroep IIIc
Schaal 5Schaal 6Schaal 7
(maandbedragen in euro)
      
122112,88    
112059,59112220,40  
102006,29102167,11102433,08
91952,5492112,8892348,01
81899,2582059,5982273,69
71845,9672006,2972220,40
61791,7461952,5462167,11
51741,2551899,2552112,88
41687,9641845,9642059,59
31634,6731791,7432006,29
21581,8521741,2521952,54
11546,8011687,9611899,25
01512,6601634,6701845,96

HOOFDGROEP III

Niveaugroep IIIdNiveaugroep IIIe  
Schaal 8Schaal 9  
(maandbedragen in euro)
      
102743,47103098,73  
92635,9592979,99  
82530,3082860,80  
72433,0872743,47  
62348,0162635,95  
52273,6952530,30  
42220,4042433,08  
32167,1132348,01  
22112,8822273,69  
12059,5912220,40  
02006,2902167,11  

HOOFDGROEP IV

Niveaugroep IVaNiveaugroep IVbNiveaugroep IVc
Schaal 8Schaal 9Schaal 10
(maandbedragen in euro)
      
102743,47103098,73103450,25
92635,9592979,9993331,06
82530,3082860,8083211,85
72433,0872743,4773098,73
62348,0162635,9562979,99
52273,6952530,3052860,80
42220,4042433,0842743,47
32167,1132348,0132530,30
22112,8822273,6922348,01
12059,5912220,4012220,40
02006,2902167,1102112,88

HOOFDGROEP IV

Niveaugroep IVdNiveaugroep IVe  
Schaal 11Schaal 12  
(maandbedragen in euro)
      
103935,93104472,57  
93769,9994292,60  
83603,5784112,63  
73450,2573935,93  
63331,0663769,99  
53211,8553603,57  
43098,7343450,25  
32979,9933331,06  
22860,8023211,85  
12743,4713098,73  
02530,3002979,99  

HOOFDGROEP V

Niveaugroep VaNiveaugroep VbNiveaugroep Vc
Schaal 10Schaal 11Schaal 12
(maandbedragen in euro)
      
103450,25103935,93104472,57
93331,0693769,9994292,60
83211,8583603,5784112,63
73098,7373450,2573935,93
62979,9963331,0663769,99
52860,8053211,8553603,57
42743,4743098,7343450,25
32530,3032979,9933331,06
22348,0122860,8023211,85
12220,4012743,4713098,73
02112,8802530,3002979,99

HOOFDGROEP V

Niveaugroep VdNiveaugroep VeNiveaugroep Vf
Schaal 13Schaal 14Schaal 15
(maandbedragen in euro)
      
105013,40105551,44106090,88
94833,4495371,4795910,45
84653,0085191,0485729,53
74472,5775013,4075551,44
64292,6064833,4465371,47
54112,6354653,0055191,04
43935,9344472,5745013,40
33769,9934292,6034833,44
23603,5724112,6324653,00
13450,2513935,9314472,57
03331,0603769,9904292,60

HOOFDGROEP VI

Niveaugroep VIaNiveaugroep VIbNiveaugroep VIc
Schaal 13Schaal 14Schaal 15
(maandbedragen in euro)
      
105013,40105551,44106090,88
94833,4495371,4795910,45
84653,0085191,0485729,53
74472,5775013,4075551,44
64292,6064833,4465371,47
54112,6354653,0055191,04
43935,9344472,5745013,40
33769,9934292,6034833,44
23603,5724112,6324653,00
13450,2513935,9314472,57
03331,0603769,9904292,60

HOOFDGROEP VI

Niveaugroep VIdNiveaugroep VIeNiveaugroep VIf
Schaal 16Schaal 17Schaal 18
(maandbedragen in euro)
      
106628,92107169,29107758,74
96448,4896989,3197561,94
86268,0486808,8887365,61
76090,8876628,9277169,29
65910,4566448,4866989,31
55729,5356268,0456808,88
45551,4446090,8846628,92
35371,4735910,4536448,48
25191,0425729,5326268,04
15013,4015551,4416090,88
04833,4405371,4705910,45

BIJLAGE II

Deze bijlage behoort bij het besluit van 26 september 2003, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002–2003.

Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren

HOOFDGROEP I

Niveaugroep IaNiveaugroep IbNiveaugroep Ic
Schaal 1Schaal 2Schaal 3
(maandbedragen in euro)
      
    131904,00
  121745,60121850,57
  111692,18111796,22
101585,80101638,76101745,60
91550,6791585,8091692,18
81516,4481550,6781638,76
71482,2571516,4471585,80
61448,4961482,2561550,67
51415,2351448,4951516,44
41382,9141415,2341482,25
31349,6331382,9131448,49
21318,2221349,6321415,23
11290,1211318,2211382,91
01261,9901290,1201349,63

HOOFDGROEP II

Niveaugroep IIaNiveaugroep IIbNiveaugroep IIc
Schaal 3Schaal 4Schaal 5
(maandbedragen in euro)
      
131904,00    
121850,57122011,31122118,16
111796,22111957,42112064,74
101745,60101904,00102011,31
91692,1891850,5791957,42
81638,7681796,2281904,00
71585,8071745,6071850,57
61550,6761692,1861796,22
51516,4451638,7651745,60
41482,2541585,8041692,18
31448,4931550,6731638,76
21415,2321516,4421585,80
11382,9111482,2511550,67
01349,6301448,4901516,44

HOOFDGROEP II

Niveaugroep IId    
Schaal 6    
(maandbedragen in euro)
      
112225,95    
102172,53    
92118,16    
82064,74    
72011,31    
61957,42    
51904,00    
41850,57    
31796,22    
21745,60    
11692,18    
01638,76    

HOOFDGROEP III

Niveaugroep IIIaNiveaugroep IIIbNiveaugroep IIIc
Schaal 5Schaal 6Schaal 7
(maandbedragen in euro)
      
122118,16    
112064,74112225,95  
102011,31102172,53102439,16
91957,4292118,1692353,88
81904,0082064,7482279,37
71850,5772011,3172225,95
61796,2261957,4262172,53
51745,6051904,0052118,16
41692,1841850,5742064,74
31638,7631796,2232011,31
21585,8021745,6021957,42
11550,6711692,1811904,00
01516,4401638,7601850,57

HOOFDGROEP III

Niveaugroep IIIdNiveaugroep IIIe  
Schaal 8Schaal 9  
(maandbedragen in euro)
      
102750,33103106,48  
92642,5492987,44  
82536,6382867,95  
72439,1672750,33  
62353,8862642,54  
52279,3752536,63  
42225,9542439,16  
32172,5332353,88  
22118,1622279,37  
12064,7412225,95  
02011,3102172,53  

HOOFDGROEP IV

Niveaugroep IVaNiveaugroep IVbNiveaugroep IVc
Schaal 8Schaal 9Schaal 10
(maandbedragen in euro)
      
102750,33103106,48103458,88
92642,5492987,4493339,39
82536,6382867,9583219,88
72439,1672750,3373106,48
62353,8862642,5462987,44
52279,3752536,6352867,95
42225,9542439,1642750,33
32172,5332353,8832536,63
22118,1622279,3722353,88
12064,7412225,9512225,95
02011,3102172,5302118,16

HOOFDGROEP IV

Niveaugroep IVdNiveaugroep IVe  
Schaal 11Schaal 12  
(maandbedragen in euro)
      
103945,77104483,75  
93779,4194303,33  
83612,5884122,91  
73458,8873945,77  
63339,3963779,41  
53219,8853612,58  
43106,4843458,88  
32987,4433339,39  
22867,9523219,88  
12750,3313106,48  
02536,6302987,44  

HOOFDGROEP V

Niveaugroep VaNiveaugroep VbNiveaugroep Vc
Schaal 10Schaal 11Schaal 12
(maandbedragen in euro)
      
103458,88103945,77104483,75
93339,3993779,4194303,33
83219,8883612,5884122,91
73106,4873458,8873945,77
62987,4463339,3963779,41
52867,9553219,8853612,58
42750,3343106,4843458,88
32536,6332987,4433339,39
22353,8822867,9523219,88
12225,9512750,3313106,48
02118,1602536,6302987,44

HOOFDGROEP V

Niveaugroep VdNiveaugroep VeNiveaugroep Vf
Schaal 13Schaal 14Schaal 15
(maandbedragen in euro)
      
105025,93105565,32106106,11
94845,5295384,9095925,23
84664,6385204,0285743,85
74483,7575025,9375565,32
64303,3364845,5265384,90
54122,9154664,6355204,02
43945,7744483,7545025,93
33779,4134303,3334845,52
23612,5824122,9124664,63
13458,8813945,7714483,75
03339,3903779,4104303,33

HOOFDGROEP VI

Niveaugroep VIaNiveaugroep VIbNiveaugroep VIc
Schaal 13Schaal 14Schaal 15
(maandbedragen in euro)
      
105025,93105565,32106106,11
94845,5295384,9095925,23
84664,6385204,0285743,85
74483,7575025,9375565,32
64303,3364845,5265384,90
54122,9154664,6355204,02
43945,7744483,7545025,93
33779,4134303,3334845,52
23612,5824122,9124664,63
13458,8813945,7714483,75
03339,3903779,4104303,33

HOOFDGROEP VI

Niveaugroep VIdNiveaugroep VIeNiveaugroep VIf
Schaal 16Schaal 17Schaal 18
(maandbedragen in euro)
      
106645,49107187,21107778,14
96464,6097006,7897580,84
86283,7186825,9087384,02
76106,1176645,4977187,21
65925,2366464,6067006,78
55743,8556283,7156825,90
45565,3246106,1146645,49
35384,9035925,2336464,60
25204,0225743,8526283,71
15025,9315565,3216106,11
04845,5205384,9005925,23

XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 april 2003, Stb. 169.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 juli 2002, Stb. 433.

XNoot
3

Stb. 1986, 611, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 december 2002, Stb. 653.

XNoot
4

Stb. 1983, 571, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 juli 2002, Stb. 433.

XNoot
5

Stb. 1993, 718, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2001, Stb. 2002, 368.

XNoot
6

Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2002, Stb. 216.

XNoot
7

Stb. 1981, 603, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2002, Stb. 216.

XNoot
8

Stb. 1998, 662, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 juli 2002, Stb. 433.

XNoot
9

Stb. 1989, 424, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 mei 2003, Stb. 231.

XNoot
10

Stb. 1994, 608, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 2002, Stb. 216.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 november 2003, nr. 218.