Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2003, 322AMvB

Besluit van 17 juli 2003, houdende wijziging van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz en het Besluit administratieve bepalingen Bopz

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 maart 2003, kenmerk GVM/2363237 gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie;

Gelet op artikel 14, 20, derde lid, 21, vierde lid, en artikel 59 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen;

De Raad van State gehoord (advies van 2 juni 2003, no. W13.03.0123/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Justitie van 9 juli 2003, kenmerk DWJZ/SWW-2393244;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Het bestuur van een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting, verpleeginrichting of een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, draagt er zorg voor dat een in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen patiënt kan worden bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, onder a, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

  • 2. Het bestuur van een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, draagt er zorg voor dat de betrokkene kan worden bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder m, onder b, van deze wet.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

De patiëntenvertrouwenspersoon verleent de in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen patiënten en de patiënten met een voorwaardelijke machtiging op hun verzoek advies en bijstand in aangelegenheden samenhangend met hun opneming en verblijf in het ziekenhuis onderscheidenlijk samenhangend met de voorwaardelijke machtiging. Het verlenen van advies en bijstand is met name gericht op de uitoefening door de patiënt van zijn rechten.

ARTIKEL II

Het Besluit administratieve bepalingen Bopz2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, onderdelen a en c, wordt »een voorlopige machtiging» telkens vervangen door: een voorlopige machtiging, een voorwaardelijke machtiging of een observatiemachtiging.

B

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Een verklaring als bedoeld in de artikelen 5, 14a, vierde lid, 14c, vijfde lid, 14h, vierde lid, 16, eerste lid, 21, eerste lid, 33, derde lid, van de wet en een beschikking als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet wordt opgemaakt volgens een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te stellen model.

C

De artikelen 4 tot en met 7 en de bijlagen 1 tot en met 5 vervallen.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 17 juli 2003

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de eenentwintigste augustus 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Bij wet van 13 juli 2002 houdende wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging) (Stb. 431) zijn twee nieuwe rechterlijke machtigingen geïntroduceerd in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz): de voorwaardelijke machtiging en de observatiemachtiging. Mede als gevolg van deze wijziging worden het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz en het Besluit administratieve bepalingen Bopz aangepast.

Op grond van het nieuwe artikel 14a, negende lid, van de Wet Bopz hebben patiënten vanaf het moment dat voor hen een voorwaardelijke machtiging geldt, recht op advies en bijstand van een patiëntenvertrouwenspersoon (pvp). Deze wijziging is bij amendement (Kamerstukken II 2001/02, 27 289, nr. 23) onderdeel geworden van de wet. In de wet is tevens de definitie van de term 'patiëntenvertrouwenspersoon' in artikel 1, eerste lid, onder m, gewijzigd. Voorzien is in een uitbreiding van de omschrijving van de pvp en diens werkzaamheden voor patiënten met een voorwaardelijke machtiging, aangezien de oude definitie uitsluitend betrekking heeft op reeds opgenomen patiënten. Op grond van artikel 1, eerste lid, onder m, subonderdeel b, is een patiëntenvertrouwenspersoon een persoon die onafhankelijk van de behandelaar aan patiënten op hun verzoek advies en bijstand verleent in aangelegenheden samenhangend met een voorwaardelijke machtiging. Het ontwerp besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2002. (Stcrt. 224). Naar aanleiding daarvan is één reactie ontvangen die uitsluitend suggesties betrof die betrekking had op de nieuwe geneeskundige verklaringen.

Deze suggesties zullen betrokken worden bij de aparte nog op te stellen ministeriële regeling waarbij de geneeskundige verklaringen zullen worden vastgesteld.

Artikelsgewijs

Artikel I

De wijzigingen die zijn aangebracht in artikelen 1 en 2 van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz, zijn een rechtstreeks gevolg van de wijziging van de Wet Bopz in verband met de voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging.

Onderdeel A

Omdat het in het kader van de voorwaardelijke machtiging gaat om ambulante patiënten, is er voor gekozen het psychiatrisch ziekenhuis dat blijkens artikel 14a, vijfde lid, van de Wet Bopz bereid is een patiënt met betrekking tot wie een voorwaardelijke machtiging is verleend, op te nemen, te verplichten er voor zorg te dragen dat deze patiënt kan worden bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon. In artikel 1, tweede lid, van het Besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz is deze verplichting neergelegd.

Onderdeel B

In artikel 2 is de omschrijving van de werkzaamheden van de pvp gewijzigd, opdat deze eveneens betrekking heeft op patiënten met een voorwaardelijke machtiging.

Artikel II

Onderdeel A

Uit artikel 14a, derde lid, en artikel 14h, vierde lid, van de Wet Bopz volgt dat artikel 4 van de Wet Bopz, waarin is bepaald wie tot indiening van een verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging bevoegd is, van overeenkomstige toepassing is op een verzoek tot het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging of observatiemachtiging. Om deze reden is artikel 2 van het Besluit administratieve bepalingen Bopz aangepast.

Onderdeel B en C

Op grond van de artikelen 14, 20, derde lid, en 21, vierde lid, van de Wet Bopz is het mogelijk bij ministeriële regeling modellen voor het opmaken van de verschillende geneeskundige verklaringen van de Wet Bopz en een beschikking als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet Bopz vast te stellen. Tot op heden werd van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, maar werd dit bij algemene maatregel van bestuur gedaan. Gelet op het vrij gedetailleerde en technische karakter van zo'n model, is er thans voor gekozen de modellen voor deze geneeskundige verklaringen en de beschikking, bedoeld in artikel 20, eerste lid, bij ministeriële regeling vast te stellen.

De bestaande modellen die op grond van het Besluit administratieve bepalingen zijn vastgesteld worden ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij ministeriële regeling. De modellen voor de geneeskundige verklaringen die gevoegd moeten worden bij het verzoek, gericht op het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging, worden voor het eerst bij deze ministeriële regeling vastgesteld.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J.F. Hoogervorst


XNoot
1

Stb. 1993, 565, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 september 1999, Stb. 399.

XNoot
2

Stb. 1993, 560, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 april 2001, Stb. 214.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.