Besluit van 27 juni 2003, houdende regels in verband met Verordening (EG) Nr. 2076/2002 (Besluit regels verlenging communautaire overgangstermijn gewasbeschermingsmiddelen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 19 maart 2003, no. TRCJZ/2003/2580, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;

Gelet op Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (Pb EG L 319) en artikel 23 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

De Raad van State gehoord (advies van 27 mei 2003, no. W11.03.0109/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 24 juni 2003, no. TRCJZ/2003/5225, Directie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder «verordening»: Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (Pb EG L 319).

Artikel 2

In afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 is artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van die wet:

a. tot en met 31 december 2005 niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die worden geëvalueerd in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG 1992, L 366) en van de tweede fase, bedoeld in Verordening (EG) nr. 451/2000 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 februari 2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG (PbEG 2000, L 55);

b. tot en met 31 december 2008 niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die worden geëvalueerd in het kader van Verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 451/2000 (PbEG 2002, L 224),

met dien verstande dat, indien vóór de in onderdeel a, onderscheidenlijk b, genoemde datum voor de betrokken werkzame stof een communautaire maatregel van kracht is geworden, in plaats van de in onderdeel a, onderscheidenlijk b, genoemde datum de datum geldt waarop uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan die communautaire maatregel.

Artikel 3

  • 1. Het college kan, in afwijking van de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 dan wel de invulling van die voorwaarden, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van die wet, de in bijlage II van de verordening voor Nederland genoemde gewasbeschermingsmiddelen voor de in die bijlage aangegeven gebruiksdoeleinden, tot en met 30 juni 2007 toelaten of blijven toelaten, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de verordening.

  • 2. Bij het toelaten of blijven toelaten als bedoeld in het eerste lid mag het college afwijken van de krachtens artikel 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gestelde regels ter zake van het indienen en behandelen van aanvragen tot verlenging van een toelating, alsmede van de duur van de toelating of de verlenging daarvan, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet.

  • 3. Het college kan voorts, in afwijking van de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 dan wel de invulling van die voorwaarden, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van die wet, gewasbeschermingsmiddelen waarvan de toelating ingevolge een communautaire maatregel moet worden ingetrokken, geheel of gedeeltelijk toelaten of blijven toelaten, voor zover die communautaire maatregel daarin voorziet en aan de door die maatregel gestelde voorwaarden is voldaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Onze betrokken minister kan, met het oog op de toepassing van het bepaalde in het derde lid in de praktijk, regels stellen omtrent het voldoen aan de voorwaarden die door de in dat lid bedoelde communautaire maatregel worden gesteld.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit regels verlenging communautaire overgangstermijn gewasbeschermingsmiddelen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 27 juni 2003

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

C. P. Veerman

Uitgegeven de derde juli 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

§ 1. Inleiding

In het onderhavige besluit worden op grond van artikel 23 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) een aantal regelen gesteld ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2076/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (PbEG 2002, L 319; hierna verordening 2076/2002), waarbij wordt afgeweken van enkele bepalingen van de Bmw.

In het navolgende zal nader worden ingegaan op het stelsel en de overgangstermijn van richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG 1991, L 230; hierna de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn), bovengenoemde verordening en de inhoud van het onderhavige besluit. Daarbij is voorzien in inwerkingtreding van het onderhavige besluit per 26 juni 2003.

§ 2. Stelsel en overgangstermijn van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn

De Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn heeft tot doel de regelgeving van de lidstaten met betrekking tot het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen te harmoniseren. Deze harmonisatie verloopt via twee stappen. In de eerste plaats moeten de werkzame stoffen die als basis dienen voor gewasbeschermingsmiddelen, in EU-verband zijn beoordeeld op eventuele schadelijke of ongewenste effecten op de gezondheid van mens, dier en plant en op de bescherming van het milieu. Hiertoe dienen producenten die in de Europese Unie gewasbeschermingsmiddelen op de markt willen brengen, een aanvraag in te dienen bij de bevoegde autoriteit van één van de lidstaten tot het opnemen van de betrokken werkzame stof op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. De betrokken bevoegde autoriteit verricht overeenkomstig communautair vastgelegde regels en principes en met behulp van communautair vastgestelde methoden het onderzoek naar de effecten van de werkzame stof en brengt na afronding van dat onderzoek verslag uit aan de Europese Commissie, waarna via de in de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn voorgeschreven comitéprocedure de EU-besluitvorming plaatsvindt omtrent de toelaatbaarheid van de betrokken werkzame stof, wat bij een positief besluit leidt tot plaatsing van die stof op voornoemde bijlage I.

De tweede stap betreft de toelating in iedere lidstaat afzonderlijk van gewasbeschermingsmiddelen op basis van werkzame stoffen die volgens de hierboven geschetste procedure op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn zijn geplaatst. Deze toelatingen worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten afgegeven nadat aan de hand van een volgens communautaire regels gevoerd onderzoek van een volgens communautaire regels opgesteld dossier is geconstateerd dat het betrokken middel voldoet aan de communautaire eisen met betrekking tot de toelaatbaarheid van het middel in het licht van de bescherming van mens, dier, plant en milieu.

Het hiervoor geschetste geharmoniseerde communautaire stelsel heeft betrekking op de toelating van werkzame stoffen, en op die werkzame stoffen gebaseerde gewasbeschermingsmiddelen, die twee jaar na de kennisgeving van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (de kennisgeving dateert van 26 juli 1991) nog niet op de markt waren.

Voor werkzame stoffen en middelen met werkzame stoffen die vóór 26 juli 1993 wel reeds op de markt waren, kent de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn een overgangsregime. Artikel 8, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat in afwijking van artikel 4 een lidstaat gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (dus tot 26 juli 2003) mag toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I zijn opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht. Dit betekent dat reeds op de markt zijnde gewasbeschermingsmiddelen bij wijze van overgangsvoorziening gedurende die periode van twaalf jaar door de lidstaten mogen worden toegelaten in afwijking van het communautaire geharmoniseerde toelatingssysteem, tenzij binnen die periode met betrekking tot een werkzame stof een communautair besluit inzake plaatsing op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn wordt genomen, waarna de betrokken nationale toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van die werkzame stof door de lidstaten binnen een bij dat besluit vastgestelde termijn met dat communautaire besluit in overeenstemming moeten worden gebracht.

Voorts geeft dat artikel 8, tweede lid, de Europese Commissie de opdracht een werkprogramma op te starten om de op 26 juli 1993 reeds op de markt zijnde werkzame stoffen gedurende die periode van twaalf jaar geleidelijk te onderzoeken en tien jaar na de kennisgeving van de richtlijn aan het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie verslag uit te brengen over de vooruitgang van dat werkprogramma. Overeenkomstig de conclusies van dat verslag kan volgens de in artikel 19 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn vastgelegde comitéprocedure worden besloten of de overgangsperiode van twaalf jaar voor bepaalde stoffen met een nader te bepalen termijn moet worden verlengd.

Ter uitvoering van het overgangsregime van artikel 8, tweede lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is het hierboven bedoelde werkprogramma door de Europese Commissie in fasen in gang gezet. De eerste fase van het werkprogramma, ten behoeve van de Europese beoordeling van de meest risicovolle werkzame stoffen, heeft zijn beslag gekregen in Verordening (EG) nr. 3600/92 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG 1992, L 366; hierna verordening 3600/92). De tweede en derde fase, ten behoeve van de beoordeling van de minder risicovolle werkzame stoffen, is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 451/2000 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 februari 2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG (PbEG 2000, L 55; hierna verordening 451/2000). De derde fase is nog nader ingevuld met Verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 451/2000 (PbEG 2002, L 224; hierna verordening 1490/2002). De vierde fase van het werkprogramma, ten behoeve van de beoordeling van de minst risicovolle werzame stoffen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1112/2002 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PbEG 2002, L 168; hierna verordening 1112/2002). Ingevolge deze verordeningen hebben de verschillende lidstaten een aantal werkzame stoffen toebedeeld gekregen, waarvoor zij als rapporterend lidstaat voor de Europese Commissie de Europese beoordeling voorbereiden.

Met het voortschrijden van de overgangsperiode van twaalf jaar bleek echter dat om uiteenlopende redenen niet alle reeds op de markt zijnde werkzame stoffen voor het einde van die periode (vóór 26 juli 2003 derhalve) communautair zouden kunnen zijn beoordeeld. Ondanks maatregelen van de Europese Commissie om het beoordelings- en besluitvormingsproces te versnellen, waarbij producenten duidelijke termijnen werden gesteld voor het aanleveren van voor de communautaire beoordeling van hun werkzame stoffen noodzakelijke gegevens en onderzoeken, heeft de Europese Commissie uiteindelijk in het hiervoor bedoelde verslag van de Europese Commissie over de vooruitgang van het werkprogramma (COM(2001) 4444 definitief) geconcludeerd dat minder vooruitgang is geboekt dan was verwacht en dat de termijn van artikel 8, tweede lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn derhalve dient te worden verlengd voor die werkzame stoffen waarvoor de communautaire beoordeling nog niet is afgerond, maar ten aanzien waarvan de industrie heeft gemeld dat zij zich ertoe verbindt de nodige dossiers binnen de voorgeschreven termijnen op te stellen. Het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie hebben die conclusie ondersteund, waarna de Europese Commissie de nodige maatregelen heeft vastgelegd in verordening 2076/2002. Van deze verordening is door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij overeenkomstig artikel 1, zesde lid, Bmw mededeling gedaan in de Staatscourant van 19 februari 2003, nr. 35.

§ 3. Verordening 2076/2002

Verordening 2076/2002 bevat de volgende maatregelen:

1. De in artikel 8, tweede lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn bedoelde overgangsperiode van twaalf jaar wordt verlengd tot en met 31 december 2005 voor de werkzame stoffen die worden geëvalueerd (communautair beoordeeld) in het kader van verordening 3600/92 en verordening 451/2000, dan wel tot en met 31 december 2008 voor de werkzame stoffen die worden geëvalueerd in het kader van verordening 1490/2002, tenzij op een eerder tijdstip een communautair besluit wordt genomen inzake de plaatsing van de werkzame stof op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (zie artikel 1 van verordening 2076/2002);

2. De opdracht aan de lidstaten om hun nationale toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten ten aanzien waarvan de producenten niet of niet tijdig de voor de communautaire beoordeling benodigde informatie aan de rapporterende lidstaat hebben verstrekt, uiterlijk per 25 juli 2003 in te trekken. De circa 320 werkzame stoffen waarbij dit aan de orde is, zijn opgenomen in bijlage I bij verordening 2076/2002 (zie artikel 2, eerste en tweede lid, van die verordening).

3. De bepaling dat de lidstaten bij de intrekking van de onder 2 bedoelde toelatingen slechts een zo kort mogelijke afleverings- en opgebruiktermijn mogen stellen die uiterlijk tot en met 31 december 2003 mag lopen (zie artikel 3, aanhef en onderdeel a, van verordening 2076/2002);

4. De bevoegdheid voor een aantal lidstaten om hun nationale toelatingen voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet worden opgenomen op bijlage I van de richtlijn en uiterlijk per 25 juli 2003 moeten zijn ingetrokken, voor bepaalde toepassingen onder voorwaarden te handhaven tot en met 30 juni 2007, met een uiterste afleverings- en opgebruiktermijn tot en met 31 december 2007 (zie artikel 2, derde lid, en artikel 3, aanhef en onderdeel b, van verordening 2076/2002). Deze voorziening is getroffen met het oog op de problematiek van de essentieel noodzakelijke toepassingen, hiermee worden gebruiksdoeleinden van werkzame stoffen bedoeld waarvoor in de betrokken lidstaten een essentiële noodzaak bestaat tot het verder gebruik van die stof in bepaalde teelten, vanwege het ontbreken van doelmatige alternatieven. De werkzame stoffen, de lidstaten en de gebruiksdoeleinden die het betreft, zijn aangewezen in bijlage II bij verordening 2076/2002. De lidstaten mogen van deze bevoegdheid gebruik maken in gevallen waarin dat verantwoord is en er geen aanleidingen zijn voor zorgen op het punt van de gezondheid van mens, dier of milieu, en zolang er geen doeltreffend alternatief bestaat voor de bestrijding van de betrokken ziekte of plaag.

Ingevolge de laatste alinea van artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002 moeten de lidstaten uiterlijk 31 december 2004 aan de Europese Commissie rapporteren over de toepassing van deze bepaling.

§ 4. Gevolgen van verordening 2076/2002 voor de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

Het geharmoniseerde toelatingsstelsel van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is als uitgangspunt genomen bij de implementatie van die richtlijn bij Wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (implementatie richtlijn gewasbeschermingsmiddelen). Ingevolge artikel 3 Bmw wordt een bestrijdingsmiddel slechts toegelaten indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van gegevens die ingevolge artikel 4, tweede lid, Bmw in het kader van een aanvraag om een toelating moeten worden ingediend, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a Bmw vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling1, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, gestelde eisen2 én indien de werkzame stof is aangewezen bij een communautaire maatregel die de werkzame stoffen vermeldt die mogen worden gebruikt als basis voor gewasbeschermingsmiddelen3. Hiermee is het stramien gegeven: ten behoeve van het verkrijgen van een nationale toelating moet een gewasbeschermingsmiddel voldoen aan de geïmplementeerde communautaire toelatingscriteria, hetgeen moet blijken uit een beoordeling volgens de communautaire beginselen van een toelatingsdossier, en moet het middel een werkzame stof bevatten die in EU-verband is beoordeeld en in overeenstemming is bevonden met de eisen die de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn aan werkzame stoffen stelt.

Met de afwijkingsmogelijkheid die artikel 8, tweede lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in het kader van de overgangsperiode biedt, is in die zin rekening gehouden dat artikel 25, eerste lid, Bmw bepaalt dat de eis van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, Bmw, namelijk dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien de werkzame stof bij een communautaire maatregel is aangewezen, tot 26 juli 2003 niet van toepassing is op gewasbeschermingsmiddelen die uitsluitend werkzame stoffen bevatten die reeds vóór 26 juli 1993 werden afgeleverd en die niet bij een communautaire maatregel (inzake plaatsing van die werkzame stof op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn) zijn aangewezen.

In dit verband zij voor de volledigheid vermeld dat bij de implementatie van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn in 1995 geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die reeds bestaande werkzame stoffen bevatten, af te wijken van de communautaire toelatingseisen van artikel 4. Dit vloeit voort uit het besluit van de Nederlandse overheid om vooruit te lopen op de harmonisatie en nationale toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen reeds vanaf 1995 te onderwerpen aan de communautaire beoordelingsbeginselen en -principes en de communautaire toelatingscriteria.

Voorts is bij de implementatie van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn een algemene implementatiebepaling in de Bmw opgenomen, artikel 23. Op grond van deze bepaling kunnen bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van communautaire maatregelen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld. Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in de Bmw met betrekking tot de toelatingsvoorwaarden van artikel 3, eerste of tweede lid, de nadere voorwaarden van artikel 3a, eerste lid, de aanvraag als bedoeld in de artikelen 4, 4a of 5, vijfde lid, de duur van de toelating alsmede de verlenging daarvan en de datum van 26 juli 2003 in artikel 25, eerste lid. Met het onderhavige besluit worden uit hoofde van dat artikel 23 de regelen gesteld die noodzakelijk zijn om uitvoering te kunnen geven aan verordening 2076/2002. Overigens is de regering voornemens de Bmw bij een daarvoor geschikte gelegenheid in overeenstemming te brengen met het onderhavige besluit.

De in het onderhavige besluit opgenomen regelen betreffen in de eerste plaats de afwijking van de datum van 26 juli 2003 in artikel 25, eerste lid, Bmw voor de gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die vallen onder de reikwijdte van artikel 1 van verordening 2076/2002 (zie artikel 2 van het onderhavige besluit). Hiermee wordt bewerkstelligd dat die gewasbeschermingsmiddelen gedurende de verlengde overgangsperiode toegelaten mogen blijven, zolang de betrokken werkzame stof – zoals de hoofdregel van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, Bmw voorschrijft – nog niet op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn is geplaatst. De verlengde overgangsperiode loopt tot en met 31 december 2005 dan wel 31 december 2008, al naar gelang de betrokken werkzame stof in het kader van de eerste of tweede dan wel de derde fase van het werkprogramma van de Europese Commissie wordt beoordeeld, of zoveel eerder als door de lidstaten uitvoering moet zijn gegeven aan een communautair besluit inzake plaatsing van de betrokken werkzame stof op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtijn.

Daarnaast bevat het besluit in artikel 3 een bijzonder regime voor de voor Nederland essentieel noodzakelijke toepassingen. Dit zijn gebruiksdoeleinden van gewasbeschermingsmiddelen ten aanzien waarvan in Nederland een essentiële noodzaak bestaat voor het verdere gebruik van die middelen en waarvoor doelmatige alternatieven ontbreken. Dat regime is er op gericht de betrokken gewasbeschermingsmiddelen via de bestaande nationale toelatingen en toelatingssystematieken (zoals de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 16a Bmw) voor de voor Nederland als essentieel noodzakelijk aangewezen gebruiksdoeleinden beschikbaar te kunnen houden voor de Nederlandse markt. Voor een overzicht van de voor Nederland als essentieel noodzakelijk aangewezen gebruiksdoeleinden zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.

Naast de bovengenoemde maatregelen die met het onderhavige besluit worden getroffen, wordt aan verordening 2076/2002 nog uitvoering gegeven met behulp van het reguliere instrumentarium van de Bmw. Zo worden de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen die de lidstaten ingevolge artikel 2, tweede lid, juncto bijlage I van verordening 2076/2002 zonder meer uiterlijk per 25 juli 2003 moeten intrekken, door het CTB ingetrokken op basis van artikel 7, eerste lid, Bmw, waarbij uit hoofde van artikel 2, vijfde lid, Bmw een afleverings- en opgebruiktermijn wordt gesteld tot uiterlijk 31 december 2003. Van de circa 320 werkzame stoffen, die het hier betreft, behoeft het CTB de toelatingen voor gewasbeschermngsmiddelen voor nog slechts drie werkzame stoffen in te trekken. Dit houdt verband met het nationale toelatingsbeleid zoals dat het afgelopen decennium ten uitvoer is gebracht, waarbij voor de nationale beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen vooruit is gelopen op de communautaire beoordeling van de werkzame stoffen.

Voor een aantal van de in bijlage I van verordening 2076/2002 vermelde werkzame stoffen (calciumcarbonaat, calciumhydroxide, calciumoxide, kaliumsilicaat, natriumsilicaat en zilvernitraat) speelt nog de bijzonderheid dat deze stoffen uit hoofde van een andere gebruikstoepassing dan gewasbescherming regulier op de markt verkrijgbaar zijn, maar tevens een gewasbeschermend effect hebben. Voor de genoemde stoffen is de Bmw bij ministeriële regeling op basis van artikel 1, derde lid, Bmw (de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen, hierna Rub) buiten toepassing verklaard. Zij mogen voor die specifieke gewasbeschermingsdoeleinden worden gebruikt zonder dat zij zijn toegelaten, in afwijking derhalve van de hoofdregel van artikel 2, eerste lid, Bmw die bepaalt dat het gebruik van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen verboden is. Teneinde de juridische status van deze stoffen op grond van de Rub in overeenstemming te brengen met verordening 2076/2002 zullen zij – met uitzondering van zilvernitraat – per 1 januari 2004 niet meer in de Rub zijn vermeld, met inachtneming van de op grond van artikel 3, aanhef en onderdeel a, van verordening 2076/2002 uiterlijk toegestane afleverings- en opgebruiktermijn. Daarmee mogen deze stoffen vanaf die datum niet meer zonder toelating als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt.

Zilvernitraat is ingevolge bijlage II van verordening 2076/2002 voor Nederland aangewezen als essentieel noodzakelijk in de teelt van komkommers en augurken die voor hun zaad worden gekweekt. Onder toepassing van artikel 2, derde lid, en 3, aanhef en onderdeel b, van verordening 2076/2002 zal zilvernitraat voor dat gebruiksdoeleinde pas met ingang van 1 januari 2008 niet meer in de Rub worden vermeld.

§ 5. Gevolgen voor het bedrijfsleven

Verordening 2076/2002 heeft tot gevolg dat meer gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden verhandeld en voor gebruikers beschikbaar blijven dan oorspronkelijk was beoogd met het overgangsregime van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Het onderhavige besluit, waarmee op dat punt uitvoering wordt gegeven aan die verordening, heeft derhalve geen (negatieve) gevolgen voor het bedrijfsleven.

§ 6. Gevolgen voor de overheid

De gevolgen van het onderhavige besluit voor de overheid zijn gering. De gewasbeschermingsmiddelen met werkzame stoffen waarvoor de overgangstermijn van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn wordt verlengd, kunnen toegelaten blijven tot het tijdstip waarop de nieuwe overgangstermijn verloopt. Het betreft hier gewasbeschermingsmiddelen op basis van totaal 53 werkzame stoffen. Voor 30 van die stoffen geldt dat de betrokken middelen ingevolge artikel 25d Bmw thans in het kader van de herprioriteringsoperatie van het CTB reeds van rechtswege zijn toegelaten of uit hoofde van dat artikel nog van rechtswege zullen worden toegelaten zodra de huidige toelating expireert. Die toelating van rechtswege geldt tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet worden gegeven aan besluitvorming in EU-verband over de betrokken werkzame stoffen. De middelen op basis van de resterende 23 werkzame stoffen worden niet van rechtswege toegelaten, maar vooruitlopend op de Europese besluitvorming door het CTB nationaal beoordeeld. Het onderhavige besluit brengt in die aanpak geen verandering en heeft derhalve op dat punt geen gevolgen.

Voor de als essentieel noodzakelijk aangewezen gewasbeschermingsmiddelen zal het CTB met het oog op het doorlopen van de toelatingen nog enkele handelingen dienen te verrichten. Deze handelingen – gedacht moet worden enerzijds aan het eventueel inperken van het toepassingsbereik van de betrokken middelen en anderszins aan het verlengen van de toelatingen voor deze middelen indien die eerder expireren dan 30 juni 2007 – zijn echter aan te merken als reguliere werkzaamheden, die bovendien door de betrokken toelatinghouders worden vergoed overeenkomstig de huidige tariefstructuur. Bovendien betreft het hier slechts vijf werkzame stoffen, waarbij zij opgemerkt dat het CTB voor twee stoffen vooralsnog geen werkzaamheden behoeft te verrichten (gewasbeschermingsmiddelen met mexoturon zijn van rechtswege toegelaten totdat over die stof in EU-verband is besloten; zilvernitraat mag ingevolge de Rub worden gebruikt zonder toelating).

Ook op het punt van de handhaving zijn de gevolgen van het onderhavige besluit gering. In dat verband zij erop gewezen dat met het beschikbaar blijven van de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen de druk op illegaal gebruik van deze middelen is weggenomen, zodat minder handhavingsinspanningen op deze middelen behoeft te worden ingezet.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel 2

Met deze bepaling wordt de in artikel 25, eerste lid, Bmw genoemde datum van 26 juli 2003 in overeenstemming gebracht met het Europese werkprogramma voor de werkzame stoffen, die in het kader van hun Europese beoordeling door de industrie verdedigd worden. Voor de betekenis hiervan zij verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

De lijsten met de betrokken werkzame stoffen zijn vastgesteld in bijlage I van verordening 3600/92 (eerste fase van het EU-werkprogramma), bijlage I van verordening 451/2000 (tweede fase) en bijlage I van verordening 1490/2002 (derde fase). Daarbij moet echter rekening worden gehouden met het feit dat sedert de vaststelling van die lijsten reeds een aantal werkzame stoffen is beoordeeld en door de lidstaten maatregelen zijn getroffen in overeenstemming met de Europese besluitvorming over die stoffen. Voor die werkzame stoffen heeft de vermelding op een van de bedoelde lijsten geen betekenis meer.

Artikel 3

Deze bepaling betreft de wijze waarop in Nederland uitvoering wordt gegeven aan artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002 met betrekking tot de essentieel noodzakelijke toepassingen. Voor een uiteenzetting van het begrip essentieel noodzakelijke toepassing en de betekenis van de aanwijzing van een bepaald gebruiksdoeleinde als essentieel noodzakelijk zij verwezen naar paragraaf 3, punt 4, van het algemene deel van de nota van toelichting.

Ingevolge het onderhavige artikel kan het CTB de toepassing van de in het geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen voor de als essentieel noodzakelijk aangewezen gebruiksdoeleinden tot en met 30 juni 2007 (blijven) toelaten, waarbij het CTB mag afwijken van het wettelijke toelatingsstelsel zoals dat voortvloeit uit de artikelen 3, eerste lid, en 3a, eerste lid, Bmw. In plaats daarvan zijn de voorwaarden van artikel 2, derde lid, onderdelen a tot en met d, van verordening 2076/2002 van toepassing. Deze voorwaarden strekken ertoe dat het voortgezette gebruik van het betrokken middel alleen wordt geaccepteerd voor zover dat geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier en geen onaanvaardbare effecten heeft voor het milieu (onderdeel a van artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002). Met het oog daarop zal het CTB door middel van een risico-inschatting aan de hand van de bij het CTB beschikbare gegevens over de effecten van de betrokken werkzame stoffen nagaan of de gezondheidskundige normen, gebaseerd op het voorhanden zijnde dossier, niet worden overschreden. In lijn met onderdeel c van artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002 zal het CTB, waar nodig, ter beperking van mogelijke risico's voor mens, dier of milieu gebruiksrestricties verbinden aan het doorlopen van de toelating voor de betrokken middelen. Voor zover de betrokken middelen na 31 december 2003 nog op de markt zijn, zullen deze restricties en de inperking van het toepassingsbereik tot de essentieel noodzakelijke toepassingen op het etiket worden vermeld (onderdeel b van artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002). Ten slotte moet erop worden toegezien dat ernstig naar alternatieven voor de betrokken gebruiksdoeleinden wordt gezocht (onderdeel d van artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002). Met betrekking tot de laatstgenoemde voorwaarde zij opgemerkt dat het inzicht in hoeverre daaraan wordt voldaan, aanwezig is bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (in de praktijk bij de Plantenziektenkundige Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij). Dat inzicht zal aan het CTB worden meegedeeld, zodra de uitvoering van het bepaalde in artikel 3 van het onderhavige besluit aan de orde is.

In bijlage II van verordening 2076/2002 zijn voor Nederland als essentieel noodzakelijke toepassingen aangewezen:

1. de toepassing van de werkzame stof azaconazool (azaconazole) in de teelt van tomaten;

2. de toepassing van de werkzame stof chlorfenvinfos in de teelt van kool, uien, wortelen, koolsoorten, koolraap, radijs, rettich, prei en knolserderij;

3. de toepassing van de werkzame stof metoxuron in de teelt van wortelen, aardappelen, lissen en gladiolen;

4. de toepassing van zilvernitraat in de teelt van komkommers en augurken die voor hun zaad worden gekweekt;

5. de toepassing van de werkzame stof 1,3-dichloorpropeen(cis) in de teelt van bloembollen, aardbeien, groenten, boomkwekerijgewassen, overblijvende planten en heraanplant boomgaarden.

Voor zilvernitraat zal op een andere wijze dan hierboven geschetst, uitvoering worden gegeven aan de mogelijkheid deze werkzame stof als essentieel noodzakelijke toepassing beschikbaar te houden (zie paragraaf 4 van het algemeen deel van de onderhavige nota van toelichting).

Voorzienbaar is dat, naast de onderhavige verordening, in de toekomst met betrekking tot afzonderlijke werkzame stoffen communautaire maatregelen getroffen zullen worden waarbij een regime voor essentieel noodzakelijke toepassingen, vergelijkbaar met het bepaalde in artikel 2, derde lid, van verordening 2076/2002, mogelijk zullen worden gemaakt. Met het oog daarop is in het derde lid van het onderhavige artikel een voorziening getroffen, aan de hand waarvan het College op dezelfde wijze als in situaties waarop het eerste lid van toepassing is, uitvoering kan geven aan de betrokken communautaire maatregel. Voor zover nodig voor het toepassen van de bij een dergelijke communautaire maatregel gestelde voorwaarden in de praktijk, kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op grond van het vierde lid regels stellen omtrent het voldoen aan die voorwaarden.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

C. P. Veerman


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 augustus 2003, nr. 153.

XNoot
1

Deze regels en beginselen betreffen de Uniforme Beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen in bijlage VI van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.

XNoot
2

Deze eisen betreffen de implementatie van de communautaire toelatingscriteria van artikel 4 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.

XNoot
3

Dit betreft het communautaire besluit tot plaatsing van een werkzame stof op bijlage I van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.

Naar boven