Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2003, 268AMvB

Besluit van 19 juni 2003 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels betreffende explosieve atmosferen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 7 januari 2003, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&P/02/98707;

Gelet op richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 (PbEG 2000, L 23) betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 89/391/EEG);

Gelet op de artikelen 16 en 19, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2003, no. W12.03.0014/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2003, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid, nr. A&G/W&P/42350;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Arbeidsomstandighedenbesluit1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.42, tweede lid, onder b, wordt «de afdelingen 1, 3 en 3a» vervangen door: de afdelingen 1, met uitzondering van paragraaf 2a van die afdeling, 3, 3A, 3B en 3C.

B

In artikel 3.1 wordt, onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot d tot en met f, na onderdeel b een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. explosieve atmosfeer: een mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel;.

C

Na artikel 3.5 wordt een nieuwe paragraaf met zes nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

§ 2a Explosieve atmosferen

Artikel 3.5a Toepasselijkheid

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

a. gebieden die direct gebruikt worden voor en gedurende de medische behandeling van patiënten;

b. het gebruik van gastoestellen die vallen onder het Besluit gastoestellen;

c. de vervaardiging, de bewerking, het gebruik, de opslag en het transport van springstoffen of chemisch instabiele stoffen;

d. de winningsindustrie in dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen;

e. het gebruik van vervoermiddelen over land, over het water en door de lucht, met uitzondering van de voertuigen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar zich een explosieve atmosfeer kan voordoen.

Artikel 3.5b Samenwerking en coördinatie
  • 1. Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de wet worden aangewezen de werkzaamheden verricht op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen heersen of kunnen optreden.

  • 2. In aanvulling op artikel 19, tweede lid, van de wet coördineert de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats, bedoeld in het eerste lid, de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid.

Artikel 3.5c Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie; explosieveiligheidsdocument
  • 1. De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico's die daaruit kunnen voortvloeien, worden in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument.

  • 2. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    a. de waarschijnlijkheid van het voorkomen en het voortduren van explosieve atmosferen;

    b. de waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische ontladingen daaronder begrepen, aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk ontsteken;

    c. de aanwezige installaties, de gebruikte stoffen, de processen en hun mogelijke wisselwerkingen;

    d. de omvang van de te verwachten gevolgen.

  • 3. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens ruimten in aanmerking genomen die via openingen verbonden zijn of kunnen worden verbonden met ruimten waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen.

  • 4. In het explosieveiligheidsdocument zijn ten minste vermeld:

    a. een identificatie en beoordeling van de explosierisico's;

    b. de wijze waarop de arbeidsplaatsen en de arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden;

    c. welke gebieden zijn ingedeeld in zones als bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid;

    d. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 3.5d, 3.5e en 3.5f;

    e. indien op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 3.5b, eerste lid, meerdere werkgevers arbeid doen verrichten, de wijze waarop voldaan is aan artikel 19, tweede lid, van de wet en het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van de coördinatie, bedoeld in artikel 3.5b, tweede lid.

Artikel 3.5d Algemene preventieve maatregelen
  • 1. Doeltreffende maatregelen zijn genomen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.

  • 2. Indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk niet mogelijk is, worden in de hieronder aangegeven volgorde de volgende maatregelen genomen:

    a. de ontsteking van explosieve atmosferen wordt voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met elektrostatische ontladingen die van werknemers of de arbeidsplaats als ladingsdrager of ladingsproducent kunnen uitgaan;

    b. de schadelijke gevolgen van een explosie worden beperkt.

  • 3. In aanvulling op de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie beperkt.

  • 4. Indien werknemers of anderen door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen, wordt, in aanvulling op het eerste tot en met het derde lid, de arbeidsplaats zodanig ingericht dat veilig kan worden gewerkt en wordt er op de arbeid passend toezicht, met inbegrip van het gebruik van passende technische middelen, uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, gebleken gevaren.

  • 5. Indien uit de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat er explosieve atmosferen kunnen voorkomen, worden gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen ingedeeld in gevarenzones als bedoeld in bijlage I bij richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 (PbEG 2000, L 23) betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr. 89/391/EEG).

  • 6. Gevarenzones worden gemarkeerd door middel van waarschuwingsborden die voldoen aan de bepalingen, vastgesteld bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8.

Artikel 3.5e Maatregelen in gevarenzones

In de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die vereist zijn voor of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst, worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen:

a. vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze afgevoerd en onschadelijk gemaakt;

b. indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat, wordt bij de veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid;

c. installaties, apparaten, beveiligingssystemen en het installatiemateriaal, worden, met inachtneming van onderdeel e, slechts in gebruik genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden;

d. onderdeel c is van overeenkomstige toepassing op arbeidsmiddelen en de verbindingsstukken ervan die geen apparaten en beveiligingssystemen zijn als bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, indien hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar;

e. voor zover het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, geen andere eisen stelt, worden in de gevarenzones apparaten en beveiligingssystemen gebruikt overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel en toegepast volgens de navolgende principes:

1°. gevarenzone 0 of 20: categorie 1-apparatuur;

2°. gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie 2-apparatuur;

3°. gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur;

f. de nodige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van verwisseling van installatiemateriaal;

g. in gebieden waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan wordt aan werknemers werkkleding ter beschikking gesteld die voldoet aan afdeling 1 van hoofdstuk 8 en die door de werknemers bij de arbeid steeds wordt gedragen;

h. indien een toestand ontstaat waarin een explosie zich kan gaan voordoen, worden werknemers optisch of akoestisch gewaarschuwd en teruggetrokken;

i. voor de eerste inbedrijfstelling van een arbeidsplaats en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, arbeidsmiddelen of het arbeidsproces waarbij explosieve atmosferen kunnen voorkomen, wordt de explosieveiligheid van de gehele installatie gecontroleerd door een ter zake deskundig persoon.

Artikel 3.5f Bijzondere maatregelen

Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid, hiertoe de noodzaak is gebleken, worden in aanvulling op artikel 3.5e de volgende maatregelen genomen:

a. schriftelijke instructies worden verstrekt met betrekking tot de uitvoering van de arbeid;

b. voor de aanvang van arbeid dat gevaar kan opleveren, wordt toestemming verleend door een daartoe bevoegde persoon om deze arbeid te verrichten;

c. apparaten en beveiligingssystemen worden, wanneer stroomuitval extra gevaren teweeg kan brengen, onafhankelijk van de rest van de installatie, bij stroomuitval in een veilige bedrijfstoestand gehandhaafd;

d. automatisch gestuurde apparaten en beveiligingssystemen die van de voorziene bedrijfsomstandigheden afwijken, worden zonder gevaar manueel uitgeschakeld. Deze ingrepen worden door bevoegde werknemers uitgevoerd;

e. indien de noodstopinrichtingen in werking worden gesteld, wordt de opgeslagen energie zo snel en zo veilig mogelijk afgevoerd of geïsoleerd, zodat zij niet langer een bron van gevaar vormt;

f. vluchtmiddelen worden beschikbaar en gebruiksklaar gehouden zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.

D

In artikel 3.32, eerste lid, wordt «afdeling 1» vervangen door: afdeling 1, met uitzondering van paragraaf 2a van die afdeling,.

E

In artikel 9.9b, eerste lid, onder c, wordt in numerieke volgorde ingevoegd: 3.5b, tweede lid, 3.5c, 3.5d, vierde, vijfde en zesde lid, 3.5e, onder c, d, f, g en i, 3.5f, onder a tot en met e,.

F

In artikel 9.9c, eerste lid, onder b, wordt in numerieke volgorde ingevoegd: 3.5d, eerste, tweede en derde lid, 3.5e, onder a, b, e en h, 3.5f, onder f,.

G

Na artikel 9.36a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.37 Explosieve atmosferen

  • 1. Paragraaf 2a van afdeling 1 van hoofdstuk 3 is tot 1 juli 2006 niet van toepassing op arbeidsplaatsen die gebieden bevatten waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn genomen, behoudens indien de arbeidsplaats na deze laatste datum is gewijzigd, uitgebreid of verbouwd.

  • 2. Artikel 3.5e, onder e, is niet van toepassing op arbeidsmiddelen voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn genomen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 30 juni 2003.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 19 juni 2003

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Uitgegeven de zesentwintigste juni 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

I ALGEMEEN

I.1 Inleiding

Dit voorstel tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) strekt tot uitvoering van richtlijn nr. 1999/92/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (PbEG 2001, L 23), kortweg genoemd de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving».

Deze richtlijn is de vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van richtlijn nr. 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk (PbEG 1989, L 183), de zogenoemde kaderrichtlijn. De kaderrichtlijn bevat algemene minimumvoorschriften betreffende de wijze waarop de lidstaten de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk dienen te waarborgen en dient als grondslag voor richtlijnen die betrekking hebben op specifieke gevaren op het gebied van de gezondheid en de veiligheid in verband met de arbeid. De onderhavige richtlijn is er daar één van. De bepalingen van deze bijzondere richtlijn, die gebaseerd is op artikel 137 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), gelden derhalve naast en als verbijzondering van de bepalingen van de kaderrichtlijn. De kaderrichtlijn is in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet 1998) ten uitvoer gelegd.

I.2 De richtlijn

De richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» bevat specifieke veiligheids- en gezondheidsvoorschriften in verband met het verrichten van werkzaamheden in een explosieve atmosfeer. De omgevingsatmosfeer en de heersende omstandigheden op de werkplek zijn alles bepalend voor de installatiemethoden van het toe te passen materieel en de keuze van de te gebruiken arbeidsmiddelen. Het is daarom een eerste vereiste, dat er in voorkomende gevallen een ordening wordt aangebracht in de gebieden die met het oog op gas- en stofontploffingsgevaar als potentieel gevaarlijk gelden. Deze gebieden worden in de praktijk aangeduid als «gevarenzones». Een belangrijk effect van de onderhavige richtlijn is dat er nu binnen de gehele Europese Unie een uniforme grondslag is gecreëerd voor de indeling van werkplekken waar een explosieve atmosfeer aanwezig kan zijn in verschillende gevarenzones.

De richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» is ook van grote betekenis voor de uitvoering van richtlijn nr. 94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (PbEG 1994, L100); hierna genoemd: internemarktrichtlijn 94/9/EG. In deze richtlijn, die geïmplementeerd is in de Wet op de gevaarlijke werktuigen en het op die wet gebaseerde Besluit explosieveilig materieel, zijn de essentiële eisen opgenomen voor het ontwerp, de bouw en de beproeving/keuring van materieel en beveiligingssystemen voor gebruik in explosieve atmosfeer. Het betreffende materieel en de beveiligingssystemen zijn al naar gelang de plaats van toepassing ingedeeld in twee groepen. Groep I is geschikt voor de ondergrondse toepassing en Groep II is geschikt voor de overige plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen. In deze twee groepen is een onderverdeling in categorieën aangebracht naar het niveau van bescherming. Groep I kent twee beschermingsniveaus, categorie M1 en categorie M2. Groep II kent drie niveaus van bescherming: categorie 1 t/m 3. Voor alle categorieën geldt: hoe lager het getal, hoe hoger het geboden beschermingsniveau is.

Indien echter het gebied waar het materieel zal worden toegepast niet nader is gedefinieerd, in casu indien de indeling van de gevarenzone onbekend is, dan heeft de internemarktrichtlijn 94/9/EG en dus ook het Besluit explosieveilig materieel geen praktische betekenis.

Een indeling in gevarenzones op basis van de onderhavige richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» brengt met zich mee dat voor iedere zone het materieel en de apparatuur nu met een passende beschermingsgraad kan worden geselecteerd analoog aan het reeds voor de winningsindustrieën geldende kader van explosieveiligheid. Dit kader volgt uit richtlijn nr. 92/91/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1992 betreffende minimum voorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (PbEG L 348) (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG; PbEG L 348). Ook deze richtlijn is geïmplementeerd in het Arbobesluit.

I.3 De implementatie

De richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» legt aan de werkgever een aantal verplichtingen op. Hoewel deze gelet op hun algemene bewoordingen grotendeels zijn terug te voeren op de artikelen 3 en 5 van de Arbowet 1998, is besloten om de in de richtlijn neergelegde verplichtingen zo veel mogelijk binnen de systematiek van de Arbowet 1998 en de hierop gebaseerde regelgeving over te nemen. De Europese Commissie stelt namelijk strikte eisen aan de implementatie van de bijzondere richtlijnen in nationale regelgeving en is niet snel bereid om aan te nemen dat de bestaande arboregelgeving reeds voorziet in bepaalde richtlijnvoorschriften.

In een explosiegevaarlijke omgeving dienen aanvullende bijzondere eisen gesteld te worden aan de inrichting van de arbeidsplaatsen en het gebruik van arbeidsmiddelen. In de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» is dan ook een prominente plaats ingeruimd voor de verplichting van de werkgever om een explosieveiligheidsdocument te doen opstellen en bij te houden. Dit is echter geen nieuwe verplichting voor de werkgever, de kaderrichtlijn verplicht de werkgever immers al om een risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna genoemd: RI&E) uit te voeren en op basis daarvan de nodige beschermende maatregelen te treffen. De RI&E-verplichting is opgenomen in artikel 5 van de Arbowet 1998.

Een RI&E moet schriftelijk zijn vastgelegd en moet naast alle risico's die het werk met zich meebrengt, ook een daarop gebaseerd plan van aanpak bevatten ten aanzien van de te nemen beschermende maatregelen. Het is evident dat in situaties waar sprake is van een verhoogd risico, er een diepgaander RI&E wordt uitgevoerd. Binnen dit kader past ook het werken in een explosieve atmosfeer; in een RI&E dient terdege rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van gas- of stofontploffingsgevaar en in voorkomend geval zal een explosieveiligheidsdocument dan ook deel uitmaken van de schriftelijk vastgelegde RI&E.

Feitelijk voegen de in de richtlijn opgenomen minimumvoorschriften inhoudelijk weinig toe aan de bestaande eisen in Nederland ten aanzien van het werken in explosiegevaarlijke atmosferen. Situaties waarbij een brandbare of explosiegevaarlijke atmosfeer kan ontstaan, dienen vooraf te worden beoordeeld en er mag slechts gewerkt worden met voor die atmosfeer veilige apparatuur en beveiligingssystemen. Beoordeling vindt plaats op basis van Europese geharmoniseerde normen in het kader van de uitvoering van de internemarktrichtlijn nr. 94/9/EG en met dit wijzigingsbesluit wordt nu een wettelijke basis gelegd onder de gangbare praktijk in Nederland.

1.4 Financieel-economische gevolgen

1.4.1 Bedrijfseffectentoets

Het onderhavige besluit bevat een aantal uit Europese regelgeving voortvloeiende inhoudelijke wijzigingen met grotendeels geringe effecten voor alle werkgevers in Nederland die onder het Arbobesluit vallen1. Uit de «impact studie over de gevolgen van het van kracht worden van de richtlijn betreffende minimumeisen voor de verbetering van de veiligheids- en gezondheidsbescherming van werknemers in ruimten met ontploffingsgevaar» van de Europese Commissie blijkt dat de wijzigingen effect hebben op ca. 46 000 bedrijven. Al deze bedrijven hebben te maken met gas- en/of stofontploffingsgevaar. Te denken valt aan bedrijven in chemische en farmaceutische industrie, houtverwerkende bedrijven, grafische industrie, textielindustrie, voedings- en genotmiddelenindustrie, reinigingsbedrijven, afvalverwerkende industrie, petrochemische bedrijven, verf- en lijmindustrie, gasdistributiecentra en het energie-, grond- en waterkwaliteitsbeheer.

Het wijzigingsbesluit voegt feitelijk weinig toe aan de bestaande eisen in Nederland. De nieuwe bepalingen vereisen van de werkgevers geen extra handelingen. De administratieve lasten van werkgevers zullen hierdoor niet worden verzwaard. Een belangrijke toevoeging van het wijzigingsbesluit is het creëren van een wettelijke basis voor de al gangbare praktijk.

De nieuwe bepalingen in het wijzigingsbesluit hebben weinig effect op de administratieve lasten. De EU-richtlijn schrijft voor dat werkgevers een explosieveiligheidsdocument moeten opstellen. In de Arbowet 1998 is reeds vastgelegd dat iedere werkgever een Risico Inventarisatie & Evaluatie rapport (RI&E) moet opstellen. Het explosieveiligheidsdocument zoals vastgelegd is een vorm van een RI&E. Deze nieuwe richtlijn zal hierdoor geen effect hebben op de administratieve lasten voor werkgevers.

De bepaling als bedoeld punt 1.2 van bijlage II bij de richtlijn, dat werkgevers schriftelijke werkinstructies en werkvergunningen moeten invoeren heeft ook geen invloed op de administratieve lasten. Ook deze verplichtingen zijn al vastgelegd in de huidige Arbowet 1998 (artikel 8). Het uitgeven van «werkvergunningen» in dezen moet niet worden gezien in het kader van vergunningen uitgegeven vanuit de overheid. Deze richtlijn beoogt dat werkgevers er voor zorgen dat de werkplek veilig is voor werknemers. De werkgever kan dit doen door een verantwoordelijke voor de werkplek aan te wijzen. Deze verantwoordelijke moet dan toestemming geven om de werkplek te gebruiken (zie artikel 3.5f, onderdeel b). Met andere woorden deze persoon is verantwoordelijk voor de veiligheid van de werkplek. Wanneer de plek niet aan alle veiligheidsvoorschriften voldoet kan deze persoon toestemming om aan het werk te gaan weigeren.

Een andere verplichting volgend uit de richtlijn, het «opdelen» van een werkgebied met een explosieve atmosfeer in geclassificeerde gevarenzones, heeft geen invloed op de omvang van de administratieve lasten omdat het opdelen van een werkgebied in gevarenzones in Nederland momenteel al de gangbare praktijk is. Hiervoor zijn twee Nederlandse Praktijkrichtlijnen ontwikkeld (NPR, uitgave NEN), die recentelijk zijn geactualiseerd. Tevens is het gebruikelijk om de gevaarlijke gebieden te markeren door middel van een «gevarenbord». Echter de markering die in de richtlijn verplicht wordt gesteld is anders dan de markering die thans in de praktijk wordt gebruikt. Alle betrokken werkgevers zullen daarom voor 1 juli 2006 hun markering moeten vervangen. De kosten van een dergelijk bord kunnen uiteenlopen. Zo is het mogelijk dat de werkgever het bord zelf maakt, mits het maar aan de eisen van de richtlijn voldoet. Een andere mogelijkheid is dat men het bord koopt bij een firma die deze vervaardigt. Een inschatting van het totaal aantal te markeren gebieden waar een explosieve atmosfeer zich kan voordoen in de ca. 46 000 bedrijven, is moeilijk te maken. In principe is het mogelijk dat er in een bedrijf maar één te markeren gevaarlijk gebied is maar dit kunnen er natuurlijk ook meer zijn. Geschat wordt dat er in Nederland tenminste 46 000 te markeren gevaarlijke gebieden voorkomen. Wanneer als gemiddeld bedrag voor het gevarenbord 45 euro wordt genomen, dan betekent dit dat de minimale kosten 2.09 miljoen euro bedragen. Het betreft hier eenmalige, dus niet jaarlijks terugkerende kosten.

Wanneer naar het totaalbeeld van de wijzigingen wordt gekeken dan blijkt dat gerekend vanaf de inwerkingtreding van het onderhavige besluit tot juli 2006, de administratieve lastenverzwaring minimaal 2.09 miljoen euro zal bedragen. Gelet op het feit dat de bepalingen van Europese richtlijnen verplicht dienen te worden omgezet in nationale wetgeving, gaat het hierbij om noodzakelijke wijzigingen van het Arbobesluit. De richtlijn leidt tot een eenduidige implementatie waarbij alternatieven niet aan de orde zijn.

Het sociaal-economisch effect dat samenhangt met het onderhavige besluit betreft de toenemende veiligheid van werknemers. Uit de impact studie blijkt dat werkgevers verwachten dat de aangescherpte veiligheidseisen een verbeterde «goodwill» van hun afnemers tot stand brengen, waardoor hun marktpositie verbetert. Een ander verwacht sociaal-economisch effect betreft een verbeterende marktpositie ten overstaan van andere EU-landen. Voorheen gold Nederland als een land met strenge regelgeving op dit terrein. Door de EU-richtlijn is de regelgeving voor alle EU-landen voortaan gelijk.

1.4.2. Uitvoering en handhaving

Uitvoerbaarheid

De richtlijn formaliseert een nu al gangbare aanpak in het Nederlands bedrijfsleven. Het vastleggen van maatregelen in RI&E's is met de gestelde regels adequaat geregeld. Dit komt de transparantie van de uitvoerbaarheid ten goede waarmee kan worden geconcludeerd dat het voorgestelde besluit voldoet aan de toets van de uitvoerbaarheid.

Handhaafbaarheid

Het voorliggende wijzigingsbesluit maakt expliciet wat in de risico-inventarisatie en -evaluatie opgenomen dient te zijn bij werkzaamheden in explosieve atmosferen. Op de voorschriften zal bij de handhaving gemakkelijker kunnen worden toegezien. Het besluit zal naar verwachting geen invloed hebben op de personele inzet bij het handhavingsbeleid en bij het toezicht op de naleving van de voorschriften.

Het adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) heeft de consequenties van het onderhavige besluit voor de administratieve lasten getoetst en heeft geadviseerd het ontwerpbesluit vast te stellen.

Hierna wordt artikelsgewijs ingegaan op de wijze waarop in het besluit uitvoering is gegeven aan de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving». Bij deze toelichting is een transponeringstabel opgenomen, waarin is aangegeven in welk artikel van het Arbobesluit en overige regelgeving de verschillende bepalingen uit de richtlijn zijn verwerkt.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdelen A en D (artikelen 2.42 en 3.32)

Aangezien de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» niet van toepassing is op arbeid verricht in winningsindustrie in dagbouw, de ondergrondse winningsindustrie en de winningsindustrie die delfstoffen wint met behulp van boringen, zijn de betreffende artikelen hiermee in overeenstemming gebracht. Voorts is in het tweede lid, onder b, van artikel 2.42 een omissie hersteld; in het in artikel 2.42 bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3 (winingsindustrieën) en 3A (winningsindustrieën in dagbouw) van hoofdstuk 3, maar ook aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3B (ondergrondse winningsindustrieën) en 3C (winningsindustrieën met behulp van boringen) van hoofdstuk 3.

Onderdeel B (artikel 3.1)

In artikel 3.1 wordt een onderdeel ingevoegd waarbij het begrip explosieve atmosfeer wordt gedefinieerd. Deze definitie is gebaseerd op de definitie van een explosieve atmosfeer die is opgenomen in de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» en stemt overeen met de definitie in het Besluit explosieveilig materieel.

Onderdeel C (paragraaf 2a van afdeling 1 van hoofdstuk 3)

Artikel 3.5a (toepasselijkheid)

In dit artikel zijn de sectoren genoemd die van de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 2a, van het Arbobesluit zijn uitgezonderd omdat op grond van Europese richtlijnen of internationale overeenkomsten andere regelingen van kracht zijn. Dit artikel komt grotendeels overeen met de uitzonderingsbepalingen in het Besluit explosieveilig materieel. Zo zijn onder andere medische ruimten uitgezonderd omdat de medische hulpmiddelen voor gebruik op medisch gebied al geregeld zijn in richtlijn nr. 93/42/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PbEG L 169), die geïmplementeerd is in het Besluit medische hulpmiddelen, het Besluit klinische evaluatie medische hulpmiddelen en de Regeling stoffen (medische hulpmiddelen).

De winningsindustrieën zijn uitgezonderd omdat deze apart geregeld zijn in de richtlijnen nr. 92/91/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (PbEG L 348) (de richtlijn boringen) en nr. 92/104/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1992 betreffende de minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën in dagbouw of ondergronds (PbEG L 404) (de richtlijn dagbouw). Zowel de richtlijn boringen als de richtlijn dagbouw zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de hoofdstukken 2, afdelingen 6 en 6A, 3, afdelingen 3, 3A, 3B en 3C, 6, afdelingen 5A, 5B en 7, afdeling 5A van het Arbobesluit.

De bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 2a, zijn evenmin van kracht op vervoermiddelen omdat daarvoor naast specifieke nationale regelgeving, deels volgend uit Europese Richtlijnen, tevens internationale overeenkomsten gelden, onder andere in het kader van ADNR (Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin), ADR (Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route), ICAO (International Civil Aviation Organization), IMO (Internationale Maritieme Organisatie), en RID (Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses). Vervoermiddelen die bedoeld zijn om in potentieel explosieve atmosferen gebruikt te worden, zoals bijvoorbeeld vorkheftrucks, zijn echter niet uitgesloten van deze bepalingen.

Artikel 3.5b (samenwerking en coördinatie)

Artikel 19, eerste lid, van de Arbowet 1998 bepaalt, dat werkgevers die gezamenlijk op één locatie werkzaam zijn, op doelmatige wijze moeten samenwerken bij de zorg voor goede arbeidsomstandigheden aldaar. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan ten aanzien van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden worden bepaald dat – alvorens deze werkzaamheden aanvangen – de werkgevers ervoor zorgen dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zij zullen samenwerken, welke voorzieningen daarbij getroffen zullen worden en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend.

Ter uitvoering van deze laatste bepaling worden in het eerste lid van het onderhavige artikel de werkzaamheden aangewezen verricht op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen heersen of kunnen optreden. In het tweede lid is bepaald dat wanneer meerdere werkgevers op één arbeidsplaats arbeid doen verrichten waar explosieve atmosferen kunnen heersen, de werkgever die verantwoordelijk is voor die arbeidsplaats de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid coördineert. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een werkgever die op zijn arbeidsplaats of -locatie werk aan andere werkgevers uitbesteedt. Hierbij gaat het om de coördinatie van de in het explosieveiligheidsdocument als bedoeld in artikel 3.5c vastgelegde preventieve maatregelen en de coördinatie van de samenwerking tussen de verschillende werkgevers op de arbeidsplaats. In het explosieveiligheidsdocument dient aandacht te worden besteed aan de samenwerkings- en coördinatieverplichting (art. 3.5c, vierde lid, onder e).

Artikel 3.5c (Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie; explosieveiligheidsdocument)

Een noodzakelijke voorwaarde om de veiligheid van de werknemers op adequate wijze te kunnen beschermen tegen de gevaren die aan explosieve atmosferen zijn verbonden, is het beschikbaar hebben van relevante gegevens. Zonder inzicht in de factoren die de veiligheid en gezondheid van de werknemers bedreigen, kan door de werkgever geen toegesneden arbeidsbeschermend beleid worden gevoerd. In het onderhavige artikel is met het oog hierop nader ingevuld op welke wijze een werkgever een deugdelijke inventarisatie en evaluatie uitvoert van gevaren en hiermee verband houdende risico's die het gevolg zijn van de eventuele aanwezigheid van explosieve atmosferen. Deze beoordeling dient plaats te vinden voordat de arbeid aanvangt. De beoordeling is niet een eenmalige aangelegenheid. Telkens wanneer de omstandigheden zich wijzigen zal de beoordeling moeten worden herhaald omdat deze verouderd kan zijn. Hierbij gaat het om belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of toegepaste arbeidsprocessen die van invloed kunnen zijn op het ontstaan of het wijzigen van explosieve atmosferen. In het tweede en derde lid is aangegeven welke feiten en omstandigheden steeds bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De resultaten van de beoordeling dienen in aanvulling op de RI&E, bedoeld in artikel 5 van de wet, door de werkgever schriftelijk te worden neergelegd in een explosieveiligheidsdocument dat voortdurend dient te worden geactualiseerd. Dit document kan een onderdeel vormen van de RI&E. Ingevolge het vierde lid omvat dit document de identificatie van de gevaren, de indeling van de gevarenzones, de beoordeling van de risico's, de wijze waarop de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met de vereiste aandacht voor de veiligheid, zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden en de omschrijving van de bijzondere te nemen maatregelen ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Op grond van onderdeel e van het vierde lid dient het explosieveiligheidsdocument voorts informatie te bevatten over de wijze van samenwerking en het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van de coördinatie wanneer meerdere werkgevers op één arbeidsplaats arbeid doen verrichten waar explosieve atmosferen kunnen heersen. De informatie omtrent de samenwerking geldt voor iedere samenwerkende werkgever. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende gegevens:

– de afspraken over de uitvoering van de risico-inventarisatie en -evaluatie;

– de afstemming van de preventieve maatregelen;

– de taakverdeling;

– de voorlichting van de werknemers over de samenwerking;

– de bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

– de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.

Op grond van artikel 3.5b, tweede lid, coördineert de werkgever die verantwoordelijk is voor de arbeidsplaats de uitvoering van alle maatregelen inzake veiligheid en gezondheid van de samenwerkende werkgevers. De informatie omtrent het doel, de maatregelen en de wijze van uitvoering van de coördinatie dient te blijken uit het explosieveiligheidsdocument van de coördinerende werkgever.

Artikel 3.5d (algemene preventieve maatregelen)

Eerste tot en met derde lid

Bescherming tegen explosiegevaar houdt in dat een ontsteking van de explosieve atmosfeer wordt voorkomen. In dit kader worden volgens een bepaalde rangorde en met de aard van het bedrijf overeenstemmende maatregelen getroffen. De bedoelde maatregelen die in veiligheidsvoorschriften, neergelegd in verschillende NEN-normen, uitputtend beschreven staan, kunnen betrekking hebben op zowel de organisatorische als de technische aspecten van de arbeidsplaats, maar ook op de technische eisen die aan de arbeids- en beschermingsmiddelen worden gesteld. In de praktijk betekent dit dat primair het ontstaan van een explosieve atmosfeer moet worden voorkomen. Als dat niet geheel mogelijk is, moet de ontsteking ervan worden voorkomen, bijvoorbeeld door slechts materieel toe te passen dat geen vonken of hoge temperaturen kan veroorzaken. In het geval zich onverhoopt toch een explosie zou voordoen moeten de gevolgen daarvan zoveel mogelijk beperkt blijven. In aanvulling op de maatregelen met prioriteitsstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, is in het derde lid bepaald dat in alle gevallen moet worden voorkomen dat een explosie zich kan uitbreiden naar andere gebieden.

Vierde lid

Naarmate een gevarenzone (zie het vijfde lid) hoger is ingedeeld, worden er ook strengere eisen gesteld aan de inrichting van de arbeidsplaatsen en aan de toepassing en het gebruik van materieel en systemen. Gezien de bijzondere gevaren die verbonden zijn aan het verrichten van werkzaamheden en aan het verblijf in gebieden waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen, zijn alle van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen eveneens van toepassing op andere personen, niet zijnde de werkgever of een werknemer. Om de veiligheid en de gezondheid van werknemers in een gevarenzone optimaal te waarborgen is veelal een passend toezicht noodzakelijk. De term «passend toezicht» is afkomstig uit de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving». De Europese Commissie gaf aan deze term de voorkeur omdat daaronder alle toezichtmaatregelen kunnen worden verstaan. Dit geldt zowel voor het toezicht uit te oefenen door een verantwoordelijk persoon als voor het toezicht onder gebruikmaking van instrumenten en voor toepassing van de moderne technologie. Ondanks een goed ontwerp, de beproeving, een juiste bediening en goed onderhoud van alle apparatuur en beveiligingssystemen, is het in de praktijk niet mogelijk om alle risico's in verband met explosiegevaar volledig uit te sluiten. Met doeltreffende maatregelen kan slechts een zodanige beperking van risico's worden bereikt dat de veiligheid en gezondheid voor werknemers en anderen zo goed mogelijk is gewaarborgd. Gevaren, risico's, te nemen maatregelen en passend toezicht bij eventuele aanwezigheid van werknemers in een gebied waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen, moeten blijken uit de RI&E en het bijbehorende explosieveiligheidsdocument, bedoeld in artikel 3.5c.

Vijfde lid

Op basis van de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» is hier een bepaling opgenomen die inhoudt dat bij explosieve atmosferen een gevarenzone-indeling moet plaatsvinden. Een gevarenzone-indeling strekt tot het vaststellen in welke gebieden en met welke waarschijnlijkheid een explosieve atmosfeer aanwezig kan zijn om door het treffen van maatregelen ten aanzien van eventueel aanwezige ontstekingsbronnen, de kans op een ontsteking van die explosieve atmosfeer terug te brengen tot een verwaarloosbaar klein risico. De gevaarlijke plaatsen worden op grond van de frequentie en duur van het optreden van een explosieve atmosfeer in zones onderverdeeld. Bij een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, worden de gebieden onderverdeeld in de zones 0, 1 en 2, waarbij zone 0 de gevaarlijkste is en 2 de minst gevaarlijke, en bij een explosieve atmosfeer, bestaande uit een wolk brandbaar stof in lucht, in de zones 20, 21 en 22, waarbij zone 20 de gevaarlijkste is en zone 22 de minst gevaarlijke. De indeling van de zones is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving», en voor de praktijk uitgewerkt in normalisatienormen (NEN-normen). De voor het werkingsgebied belangrijkste normen zullen in beleidsregels worden neergelegd.

Zesde lid

Gebieden waar zich een explosieve atmosfeer kan voordoen zijn gemarkeerd met waarschuwingsborden waarop het wereldwijd gebruikte en ook in Europa erkende «EX»-symbool is aangebracht. Het waarschuwingsbord voor het kenmerken van gebieden waar zich een explosieve atmosfeer kan voordoen, is opgenomen in bijlage XIA, onderdeel 2, behorend bij artikel 8.10 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Daarnaast gelden, op grond van artikel 8.4 van het Arbobesluit, de bepalingen zoals neergelegd in de hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling, «Veiligheids- en gezondheidssignalering».

Artikel 3.5e (maatregelen in gevarenzones)

In dit artikel zijn de explosieveiligheidsmaatregelen opgenomen uit de minimumvoorschriften van bijlage II bij de richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving». Deze strekken ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. De onderhavige voorschriften zijn van toepassing op alle apparatuur en beveiligingssystemen die gebruikt worden in geclassificeerde gevarenzones als bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid. Deze voorschriften zijn eveneens van toepassing op alle veiligheids-, controle- en regelvoorzieningen die bedoeld zijn voor gebruik op plaatsen waar geen ontploffingsgevaar kan voorkomen, maar die nodig zijn voor, of bijdragen tot de veilige werking van apparaten en beveiligingssystemen op plaatsen waar wel explosiegevaar heerst. In de onderdelen a en b wordt gerefereerd aan ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen. Waar het gaat om ontvlambare gassen, dampen, nevels of stoffen kan worden aangesloten bij de criteria voor indeling in een of meer van de categorieën «ontvlambaar», «licht ontvlambaar» of «zeer licht ontvlambaar» als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (WMS). Bij en krachtens de WMS is de richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG 196), geïmplementeerd.

Voorwaarde voor het ontstaan van een explosie is dat er brandbare stoffen in het arbeids- en/of productieproces aanwezig zijn. Dat betekent dat er ten minste één brandbare substantie als basis- of hulpstof wordt gebruikt, als rest-, tussen- of eindproduct ontstaat of bij een gewone bedrijfsstoring kan worden gevormd. Als brandbaar dienen alle stoffen te worden beschouwd die tot een exothermische reactie met zuurstof in de lucht kunnen leiden. Hieronder vallen met name substanties die reeds overeenkomstig de WMS als ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar zijn ingedeeld en gekenmerkt, maar ook alle niet ontvlambare, maar ten minste brandbare substanties. Er is een aantal stoffen die onder normale omstandigheden slechts moeilijk te ontsteken zijn, maar die, wanneer de deeltjesgrootte klein genoeg of het deeltjesoppervlak groot genoeg is, in een mengsel met lucht brandbaar is (bijvoorbeeld metaalstof). Andere voorbeelden van vaak aanwezige brandbare stoffen zijn:

Brandbare gassen en gasmengsels: bijvoorbeeld vloeibaar gas (butaan, buteen, propaan, propeen), aardgas, verbrandingsgassen (bijvoorbeeld koolmonoxide, methaan of zwavelwaterstof) of gasvormige brandbare chemicaliën (bijvoorbeeld acetyleen, ammoniak, ethyleenoxide of vinylchloride);

Brandbare vloeistoffen: bijvoorbeeld oplosmiddelen, brandstoffen, aard-, stook-, smeer- of afgewerkte olie, lakken, niet in water oplosbare chemicaliën (bijvoorbeeld acroleïne of loodalkylverbindingen) of in water oplosbare substanties (bijvoorbeeld allylamine of aziridine);

Stof van brandbare vaste stoffen: bijvoorbeeld. kool, hout, voedings- en voedermiddelen (bijvoorbeeld suiker, meel of graan), kunststoffen, lichte metalen of chemicaliën. Alleen wanneer dergelijke brandbare stoffen aanwezig zijn, dient nader te worden gekeken naar mogelijke explosiegevaren.

Uitgangspunt voor het treffen van veiligheidsmaatregelen wanneer een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat, vormt het grootst mogelijke risico op grond van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid. Met betrekking tot installaties, apparaten, beveiligingssystemen en het installatiemateriaal is in onderdeel c voorgeschreven dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden. Hierbij is tevens verwezen naar onderdeel e. Op grond van dit onderdeel dienen apparaten en beveiligingsmiddelen te worden gebruikt overeenkomstig de veiligheidscategorieën, bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel in de verschillende gevarenzones.

In onderdeel d is bepaald dat wanneer er gebruik moet worden gemaakt van arbeidsmiddelen en de verbindingsstukken ervan die niet kunnen worden beschouwd als apparaten en beveiligingssystemen als bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, en wanneer hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar, de maatregel in onderdeel c van overeenkomstige toepassing is. Ook voor deze arbeidsmiddelen geldt dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen wanneer is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden.

Zoals in het algemeen deel van de toelichting onder I.2 is opgemerkt, worden op grond van de internemarktrichtlijn nr. 94/9/EG, die geïmplementeerd is in het Besluit explosieveilig materieel, de betreffende apparatuur en beveiligingssystemen voor gebruik in explosieve atmosferen, op basis van het toepassingsgebied en gerelateerde criteria voor veiligheidseisen, ingedeeld in groepen en categorieën. Categorie 1, 2 en 3-apparaten zijn apparaten die zo zijn ontworpen dat zij overeenkomstig de door de fabrikant vastgestelde bedrijfsparameters kunnen werken en respectievelijk een zeer hoog, een hoog en een normaal beschermingsniveau bieden. In onderdeel e zijn de criteria opgenomen voor de keuze van materieel en arbeidsmiddelen in verband met de toepassing en het gebruik in gebieden met ontploffingsgevaar. Voorgeschreven is dat in de gevaarlijkste zones, 0 en 20, alleen categorie 1-apparatuur mag worden gebruikt, in de minder gevaarlijke zones, 1 en 21, categorie 1 of 2-apparatuur en in de minst gevaarlijke zones, 2 en 22, categorie 1, 2 of 3-apparatuur.

In onderdeel g is bepaald dat de ter beschikking gestelde werkkleding door de werknemers in explosieve atmosferen steeds dient te worden gedragen. Op grond van artikel 9.3, eerste lid, is deze norm ook aangemerkt als een werknemersverplichting.

Artikel 3.5f (bijzondere maatregelen)

In aanvulling op de maatregelen, bedoeld in artikel 3.5e, dienen ten aanzien van de gevarenzones en de installaties, bedoeld in de aanhef van artikel 3.5e, aanvullende maatregelen te worden getroffen indien hiertoe de noodzaak is gebleken op grond van de uitgevoerde risico-inventarisatie en -evaluatie. Anders dan de maatregelen die op grond van artikel 3.5e steeds moeten worden getroffen, zijn de onderhavige bijzondere maatregelen afhankelijk van de mate van de risico's die zich ten aanzien van explosieve atmosferen kunnen voordoen. Naarmate de risico's voor de veiligheid en gezondheid van werknemers groter zijn bij arbeid in explosieve atmosferen, bijvoorbeeld gelet op de aard van de arbeid en de bij de arbeid te gebruiken arbeidsmiddelen en produktiemiddelen en daarmee potentiële gevaren met zich brengen, is het noodzakelijk extra veiligheidsmaatregelen te treffen. Het feit dat een gevarenzone hoger is ingedeeld, duidt er eveneens op dat de veiligheidsrisico's toenemen. In het onderhavige artikel worden additionele organisatorische en technische maatregelen voorgeschreven die bij verhoogde risico's voor de veiligheid in acht moeten worden genomen. Zo kan het noodzakelijk zijn om werknemers extra te instrueren door middel van schriftelijke informatie of dat een daartoe bevoegde persoon vooraf toestemming moet geven om de betreffende arbeid in een explosieve omgeving te verrichten.

Voor zover de bedoelde maatregelen dienen te worden getroffen, dient in het explosieveiligheidsdocument op grond van artikel 3.5c, vierde lid, onderdeel d, aandacht te worden besteed aan de wijze waarop uitvoering is gegeven aan deze maatregelen.

Onderdelen E en F (artikelen 9.9b en 9.9c)

In artikel 9.9b, eerste lid, onder c, en in artikel 9.9c, eerste lid, onder b, zijn de beboetbare voorschriften van hoofdstuk 3 opgenomen. Afhankelijk van de ernst van het niet naleven van de betreffende bepalingen, zijn de beboetbare feiten opgenomen in de eerste categorie (artikel 9.9b) of de zwaardere tweede categorie (artikel 9.9c). De boetenormbedragen zijn opgenomen in bijlage 1 behorend bij beleidsregel 33 van de wet (Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving).

Onderdeel G (artikel 9.37)

In dit artikel is het overgangsrecht geformuleerd met betrekking tot arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen alsmede arbeidsmiddelen die bestemd zijn voor het gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen.

1. Arbeidsplaatsen

Het overgangsrecht met betrekking tot arbeidsplaatsen is geformuleerd in het eerste lid. Explosieveiligheid hangt nauw samen met zowel de inrichting van arbeidsplaatsen als met het gebruik van arbeidsmiddelen. De richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» en dus ook het onderhavige wijzigingsbesluit, maakt voor arbeidsplaatsen het volgende onderscheid:

– arbeidsplaatsen die na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit (30 juni 2003) voor het eerst in gebruik genomen worden of worden gewijzigd, uitgebreid of verbouwd, moeten direct voldoen aan de bepalingen van dit wijzigingsbesluit,

– arbeidsplaatsen die vóór inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit (30 juni 2003) in gebruik zijn genomen, dan wel zijn gewijzigd, uitgebreid of verbouwd, moeten vanaf 30 juni 2006 voldoen aan de bepalingen van dit wijzigingsbesluit. Als datum van ingebruikneming van een arbeidsplaats geldt de datum van de door een overheidsorgaan verleende vergunning, dan wel van een andere van overheidswege verleende toestemming tot het ingebruiknemen van die arbeidsplaats.

2. Arbeidsmiddelen

Het overgangsrecht met betrekking tot arbeidsmiddelen is geformuleerd in het tweede lid. Voor arbeidsmiddelen geldt dat wanneer die voor het eerst in gebruik worden genomen op of na 30 juni 2003, de bepalingen van dit wijzigingsbesluit van toepassing zijn. Ten aanzien van arbeidsmiddelen die reeds in gebruik zijn voor de datum van inwerkingtreding van het besluit (30 juni 2003), is artikel 3.5, onder e, niet van toepassing (in dit onderdeel is deel B van bijlage II bij de richtlijn geïmplementeerd). Dit betekent dat de criteria voor de keuze van arbeidsmiddelen niet van toepassing zijn op deze arbeidsmiddelen.

ARTIKEL II

De richtlijn «Veilig werken in een explosiegevaarlijke omgeving» dient op grond van deze richtlijn uiterlijk op 30 juni 2003 in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd. Bij de inwerkingtreding van onderhavige besluit is hierbij aangesloten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Transponeringstabel richtlijn explosieve atmosferen (1999/92/EG)

Richtlijn 1999/92/EGartt. Arbobesluitartt. overige regelgeving
art. 1, eerste lidn.v.t.*  
art. 1, tweede lid3.5a  
art. 1, derde lidArbobesluitArbowet/Arboregeling
art. 23.1, onder c 
art. 33.5d, eerste en tweede lid  
art. 3, laatste zin3.5d, derde lid5, derde lid, Arbowet
art. 4, eerste lid3.5c, tweede lid  
art. 4, eerste lid, laatste zin3.5c, eerste lid  
art. 4, tweede lid3.5c, derde lid  
art. 53.5d, vierde lid  
art. 63.5b en 3.5e, vierde lid, onder e19, eerste en tweede lid Arbowet
art. 7, eerste lid3.5d, eerste lid  
art. 7, tweede lid3.5e en 3.5f  
art. 7, derde lid3.5d, vijfde lid  
art. 83.5c, eerste en vierde lid, onder a t/m d 
art. 8, zesde punt3.5c, vierde lid, onder b; 7.35 Arbowet
art. 99.37  
artt. 10 t/m 14nvt*  
   
Bijlage I   
1.3.5d, vijfde lid  
2.3.5d, vijfde lid  
   
Bijlage II   
A   
opmerking vooraf3.5e en 3.5f  
1.   
art. 1.1 8, eerste en derde lid Arbowet
art. 1.23.5f, onder a en b, en 3.5c, vierde lid, onder d  
2.   
art. 2.13.5e, onder a 
art. 2.23.5e, onder b,  
art. 2.33.5d, tweede lid, onder a, en 3.5e, onder g  
art. 2.43.5e, onder c, d en f  
art. 2.53.5d, tweede lid, onder b, derde en vierde lid en 3.5e, onder c, d, e en f  
art. 2.63.5e, onder h  
art. 2.73.5f, onder f 
art. 2.83.5e, onder i  
art. 2.93.5f, onder c, d en e 
   
B3.5e, onder e 
   
Bijlage III3.5d, zesde lidBijlage XIA, onderdeel 2, bij artikel 8.10 Arboregeling

* Het betreft hier bepalingen die verwijzen naar de richtlijn zelf of naar andere richtlijnen of die een opdracht aan de Commissie of de lidstaten bevatten die niet behoeven te worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving.


XNoot
1

Stb. 1999, 451, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 januari 2003, Stb. 37.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 juli 2003, nr. 128.

XNoot
1

In totaal 355 000 werkgevers, CBS Bedrijvenstatistiek per 1 januari 2000.