Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 2003, 259Wet

Wet van 22 mei 2003 tot wijziging van de Zeevaartbemanningswet (Versoepeling nationaliteitseis kapitein op Nederlandse zeeschepen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bestendige groei van het aantal in Nederland geregistreerde zeeschepen enerzijds en het ontoereikende aanbod van aspirant-kapiteins met de Nederlandse nationaliteit anderzijds, de wettelijke mogelijkheden tot aanstelling door de scheepsbeheerder van een kapitein met een andere nationaliteit aanmerkelijk te verruimen, met inachtneming van de internationaalrechtelijke verplichtingen van het Koninkrijk voor het land Nederland;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Zeevaartbemanningswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 20 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie vergewist zich ervan dat een persoon de Nederlandse nationaliteit bezit, dan wel de nationaliteit van een van de staten, bedoeld in artikel 30, alvorens aan deze een van de vaarbevoegdheden als kapitein, onderscheidenlijk schipper, af te geven die zijn genoemd in artikel 18, tweede lid.

B

Artikel 29, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Op Nederlandse schepen worden alleen personen als kapitein aangesteld die de nationaliteit bezitten van:

    a. het Koninkrijk der Nederlanden, dan wel

    b. van een andere staat, doch uitsluitend indien zij ingevolge artikel 30 zijn vrijgesteld van de in de aanhef en onderdeel a genoemde eis.

C

Artikel 30 komt te luiden:

Artikel 30

  • 1. Personen die de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn vrijgesteld van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig zijn.

  • 2. Aan personen die de nationaliteit bezitten van een andere staat kan bij regeling van Onze Minister vrijstelling worden verleend van de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, voor het dienstdoen op Nederlandse schepen die geen vissersvaartuig zijn, mits het betreft:

    a. staten waarmee, ingevolge een daartoe strekkend besluit van de Raad van de Europese Unie, toetredingsonderhandelingen gaande zijn en die voorkomen op een lijst die bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld, of

    b. een staat die niet behoort tot een van de staten, bedoeld onder a.

  • 3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kan slechts worden verleend indien:

    a. het Koninkrijk der Nederlanden voor Nederland met die staat een schriftelijke afspraak heeft gemaakt voor de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen als bedoeld in Voorschrift I/10 van de Bijlage van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), en

    b. de goedkeuringsprocedure opgenomen in artikel 18, derde lid, in verbinding met artikel 23, tweede lid, van Richtlijn nr. 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 136), is voltooid.

  • 4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen beperkingen of nadere voorschriften worden verbonden.

  • 5. Door werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw wordt, ter regulering van de arbeidsmarkt voor kapiteins met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk die van een staat als bedoeld in het eerste lid, voor hun sector een privaatrechtelijke regeling vastgesteld omtrent afgifte aan een scheepsbeheerder van een schriftelijke toestemming tot het aanstellen van een persoon met een andere nationaliteit in de functie van kapitein.

  • 6. Elk der regelingen, bedoeld in het vijfde lid, bevat bepalingen ten aanzien van de afgifte, respectievelijk de weigering van een verklaring als bedoeld in het vijfde lid, door een paritair samengestelde commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.

  • 7. De regeling als bedoeld in het vijfde lid, bevat daarnaast in elk geval:

    a. een klachtenprocedure ten behoeve van eerste stuurlieden, respectievelijk eerste maritieme officieren die naar hun oordeel op onjuiste gronden niet zijn aangesteld in de functie van kapitein op een Nederlands schip;

    b. de vaststelling van de werkzaamheden van de commissie, bedoeld in het zesde lid, en

    c. de wijze van verkrijging van betrouwbare en zo volledig mogelijke informatie als omschreven in het achtste lid, welke jaarlijks vóór 1 april aan Onze Minister dient te worden verstrekt.

  • 8. De informatie, bedoeld in het zevende lid, onder c, omvat:

    a. het aantal zeevarenden op de Nederlandse vloot, gerangschikt naar functie, leeftijd en nationaliteit;

    b. het aantal Nederlandse officieren dat in het verstreken jaar voor het eerst, anders dan als stagiair, is gemonsterd op Nederlandse zeeschepen;

    c. het aantal beschikbare stageplaatsen;

    d. het aantal Nederlandse studenten dat als stagiair is geplaatst, en

    e. het aantal buitenlandse studenten dat als stagiair is geplaatst, alsmede de nationaliteit van deze stagiairs.

  • 9. Onze Minister kan, indien de informatie als bedoeld in het achtste lid, hem daartoe gerede aanleiding geeft, alsmede op een daartoe strekkend verzoek van een of van beide Commissies als bedoeld in het zesde lid, aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie aanwijzing geven de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, voor een bepaalde periode geheel of gedeeltelijk op te schorten.

  • 10. Voorafgaand aan de vaststelling van een regeling als bedoeld in het tweede lid pleegt Onze Minister overleg over het ontwerp van een regeling met de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij, respectievelijk de sector zeegaande waterbouw.

  • 11. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de vrijstelling van de eisen neergelegd in artikel 29, eerste lid, voor de gevallen waarin de privaatrechtelijke regeling, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dat vijfde lid tot stand is gekomen, dan wel vervallen is zonder dat door de werkgevers- en werknemersorganisaties in de desbetreffende sector is voorzien in vervanging van die regeling.

D

Artikel 83 vervalt.

ARTIKEL II

Onze Minister zendt uiterlijk drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de vrijstellingsregeling van artikel 30, alsmede over de toepassing van die bepaling in de praktijk.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 22 mei 2003

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

R. H. de Boer

Uitgegeven de zesentwintigste juni 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1997, 757, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 april 2001, Stb. 180.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2001/2002, 2002/2003, 28 415.

Handelingen II 2002/2003, blz. 3555–3569; 3718.

Kamerstukken I 2002/2003, 28 415 (196, 196a).

Handelingen I 2002/2003, blz. 746.