Besluit van 28 april 2003, houdende wijziging van het Varkensbesluit (implementatie richtlijnen nr. 2001/88/EG en nr. 2001/93/EG)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 november 2002, no. TRCJZ/2002/9838, Directie Juridische Zaken;

Gelet op richtlijn nr. 2001/88/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 houdende wijziging van Richtlijn 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG 2001, L 316), op richtlijn nr. 2001/93/EG van de Commissie van 9 november 2001 houdende wijziging van Richtlijn 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEG 2001, L 316) en op de artikelen 35, 38, 39, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

De Raad van State gehoord (advies van 21 februari 2003, No.W11.02 0541/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 april 2003, nr. TRCJZ/2003/2090, Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Varkensbesluit1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen m en n komen te vervallen.

2. Onderdeel o wordt geletterd tot m.

B

Artikel 2 komt te luiden:

1. Het houden van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen 2a, 2aa, 2b en 3 van dit besluit.

2. Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 van dit besluit.

3. Het verzorgen van varkens geschiedt overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van dit besluit.

C

Artikel 2a, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd.

D

Na artikel 2a wordt het volgende artikel ingevoegd:

Artikel 2aa

  • 1. Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, zoveel mogelijk te beperken. Onder maatregelen wordt in ieder geval verstaan het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.

  • 2. Bij tekenen van ernstige gevechten vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken hiervan.

E

Artikel 2b komt te luiden:

Artikel 2b

  • 1. In afwijking van artikel 2a, eerste lid, is het toegestaan:

    a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;

    b. een gelt of zeug individueel te houden vanaf:

    1°. één week vóór het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;

    2°. twee dagen voorafgaand aan de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;

    c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de tijdspanne die nodig is:

    1°. voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;

    2°. voor het drachtigheidsonderzoek of het collecteren van sperma;

    3°. voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;

    4°. voor voeropname;

    5°. om de stal te reinigen;

    d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn, of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.

  • 2. Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt.

F

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Zeugen en gelten worden niet aangebonden gehouden.

  • 2. Varkensstallen zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens:

    a. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen;

    b. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;

    c. andere varkens kunnen zien.

  • 3. Een stal bestemd voor een zeug of een gelt is zodanig ingericht dat achter de zeug of de gelt voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen.

  • 4. Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen. In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd.

G

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eind van het eerste lid wordt de volgende zinsnede toegevoegd: «De beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking en zeugen zonder biggen die in groepen van minder dan zes worden gehouden, bedraagt 2,475 m2

2. Na het tweede lid wordt een nieuw lid toegevoegd:

  • 3. De zijden van de stal waarin een groep zeugen en gelten wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter.

H

Artikel 4a komt te luiden:

Artikel 4a

  • 1. Onverminderd artikel 3, tweede lid, wordt een beer op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en de andere varkens kan horen en ruiken.

  • 2. De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:

    a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2;

    b. voor een beer van 12 maanden of ouder en jonger dan 18 maanden: 5 m2;

    c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m2;

    d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m2.

  • 3. De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar.

I

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton.

2. Na het zesde lid wordt het volgende lid toegevoegd:

  • 7. De vloeren van de stal zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de varkens geen letsel of pijn wordt veroorzaakt.

J

Artikel 7 komt te luiden:

Onverminderd artikel 3, tweede lid, heeft in een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter.

K

Artikel 8 komt te luiden:

  • 1. Onverminderd artikel 5, zevende lid, is de spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt deze bij stallen bestemd voor:

    a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;

    b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;

    c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;

    d. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren.

  • 2. De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor:

    a. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm

    b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.

L

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

  • 1. Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel bestaande uit stro, hooi, houtkrullen, zaagsel, compost, turf of een mengsel daarvan, dan wel, ingeval van een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat.

  • 2. Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. Het materiaal is niet schadelijk voor de gezondheid van de varkens.

  • 3. Onverminderd het tweede lid, beschikken zeugen en gelten in de laatste week voor het werpen over voldoende los materiaal dat voldoet als adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

M

Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10

  • 1. De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag.

  • 2. In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden.

N

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

  • 1. Het voedersysteem in groepshuisvesting waarborgt dat alle varkens voldoende voedsel tot zich kunnen nemen, zelfs in aanwezigheid van concurrenten.

  • 2. Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.

O

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt.

P

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

  • 1. Alle varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.

  • 2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.

  • 3. Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.

Q

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

  • 1. Het spenen van biggen geschiedt niet voordat de biggen 28 dagen oud zijn.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de biggen eerder worden gespeend, indien het welzijn of de gezondheid van de zeug of van de biggen in het gedrang komen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kunnen de biggen ten hoogste zeven dagen eerder worden gespeend, indien de biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die a. volledig worden leeggemaakt en grondig worden gereinigd en ontsmet vóórdat een nieuwe groep biggen wordt binnengebracht, en b. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen worden gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken.

R

Artikel 18 komt te vervallen.

S

Artikel 19 komt te luiden:

Artikel 19

  • 1. Artikel 2a, eerste lid, voorzover van toepassing op gelten en zeugen, is tot 1 januari 2008 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal voor 1 november 1998 in gebruik is genomen, en

    b. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is verbouwd of herbouwd.

  • 2. Artikel 2a, tweede tot en met vierde lid, is tot 1 januari 2008 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal voor 1 november 1998 in gebruik is genomen, en

    b. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is verbouwd.

  • 3. De artikelen 4 en 5, tweede lid, zijn tot 1 januari 2008 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal vóór 1 november 1998 in gebruik is genomen;

    b. de stal vanaf 1 november 1998 voldoet aan de artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, van het Varkensbesluit zoals dat luidde vóór 1 september 1998, en

    c. de stal of de vloer van de stal na 1 november 1998 niet is verbouwd of herbouwd.

  • 4. De artikelen 2b, tweede lid, 4, eerste lid, tweede zin, derde lid, 8, eerste lid, onderdeel c en d, voorzover van toepassing op betonroostervloeren, en het tweede lid zijn tot 1 januari 2013 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal:

    1°. voor de inwerkingtreding van het besluit, houdende wijziging van het Varkensbesluit (implementatie richtlijnen nr. 2001/88/EG en nr. 2001/93/EG) in gebruik is genomen;

    2°. vanaf 1 januari 2003 voldoet aan artikel 8 van het Varkensbesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld onder 1°, en

    3°. of de vloer van de stal na de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld onder 1°, niet is verbouwd of herbouwd, of

    b. de stal:

    1°. vanaf 1 januari 2008 voldoet aan de artikelen 4 en 5, tweede lid, van het Varkensbesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in onderdeel a, onder 1°, en

    2°. of de vloer van de stal na 1 januari 2008 niet is verbouwd of herbouwd.

  • 5. Artikel 4a, tweede lid, onderdeel d en derde lid is tot 1 januari 2005 niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, onder 1°, in gebruik is genomen;

    b. de stal voldoet aan artikel 4a, onderdeel c,van het Varkensbesluit zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in onderdeel a, en

    c. de stal of de vloer van de stal na de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in onderdeel a, niet is verbouwd of herbouwd.

  • 6. Artikel 5, vierde lid, is gedurende 10 jaar na het in dat lid bedoelde tijdstip niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:

    a. de stal vóór het in artikel 5, vierde lid, bedoelde tijdstip in gebruik is genomen, en

    b. de stal of de vloer van de stal na het in artikel 5, vierde lid, bedoelde tijdstip niet is verbouwd of herbouwd.

ARTIKEL II

Artikel 2 van het Besluit welzijn productiedieren2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «Het verzorgen van varkens en kalveren geschiedt overeenkomstig artikel 4, eerste en vijfde lid» vervangen door: Het verzorgen van kalveren geschiedt overeenkomstig artikel 4, eerste en vijfde lid. Het verzorgen van varkens geschiedt overeenkomstig artikel 4, eerste tot en met zesde lid.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «Het huisvesten van varkens en kalveren geschiedt overeenkomstig artikel 5, vierde lid» vervangen door: Het huisvesten van kalveren geschiedt overeenkomstig artikel 5, vierde lid. Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig artikel 5, eerste tot en met vijfde lid en zevende tot en met tiende lid.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat 30 dagen zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is voorgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat de inwerkingtreding van dit besluit bij wet wordt geregeld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 28 april 2003

Beatrix

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

B. J. Odink

Uitgegeven de dertiende mei 2003

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

§ 1. Algemeen deel

Met dit besluit wordt het Varkensbesluit gewijzigd ter uitvoering van richtlijn nr. 2001/88/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2001 houdende wijziging van richtlijn nr. 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens en van richtlijn nr. 2001/93/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 november 2001 houdende wijziging van de bijlage bij richtlijn nr. 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens.

De uitvoering van bovengenoemde richtlijnen impliceert dat het Varkensbesluit op enkele punten wordt aangescherpt. De aanscherpingen van de houderij- en huisvestingsvoorschriften hebben betrekking op de beschikbare oppervlakte (Artikel I, onderdelen G en H, tweede lid, onderdeel d), de spleetbreedte tussen roosterbalken bij betonroostervloeren en de balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer (Artikel I, onderdeel K), het verstrekken van nest- en speelmateriaal (Artikel I, onderdeel L, tweede en derde lid), het licht en geluidsniveau in de stallen (Artikel I, onderdeel M), de permanente beschikking over vers water (Artikel I, onderdeel P, tweede lid) het verstrekken van een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer aan guste en drachtige zeugen en gelten (Artikel I, onderdeel P, vierde lid) en de speenleeftijd (Artikel I, onderdeel Q, eerste lid).

Om de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van het Varkensbesluit te bevorderen is tevens de systematiek van het besluit gewijzigd. Voorheen werd in het Varkensbesluit verwezen naar de bijlage bij richtlijn nr. 91/630/EEG voor de concrete eisen aan het houden, huisvesten en verzorgen van varkens. In dit besluit worden de voorschriften in de artikelen opgenomen en wordt niet verwezen naar de bijlage bij richtlijn nr. 2001/93/EG. De wijzigingen die verband houden met de gewijzigde systematiek zijn terug te vinden in de wijziging van Artikel I, onderdelen B, C, tweede lid, E, derde lid, F, tweede tot en met vierde lid, H, eerste lid, I, eerste en zevende lid, J, K, eerste lid, L, eerste lid, N, P, derde lid.

De voorschriften van het onderhavige besluit gaan niet verder dan de Europese richtlijnen voorschrijven. Wel is in het onderhavige besluit de uitvoering van een aantal voorschriften van de Europese richtlijn achterwege gelaten, omdat de voorschriften van het Varkensbesluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van onderhavige wijzigingen, ofwel hieraan reeds uitvoering geven, ofwel een verdergaande verplichting voorschrijven. Dit geldt voor de in het navolgende opgesomde bepalingen.

Uit artikel 3 van het Varkensbesluit volgt dat het reeds met ingang van 1 januari 1996 is verboden om zeugen en gelten aangebonden te houden, terwijl artikel 1, eerste lid, onderdeel 3, van de richtlijn met ingang van 1 januari 2006 het bouwen of verbouwen van voorzieningen waar zeugen en gelten aangebonden worden gehouden, verbiedt.

Artikel 4 van het Varkensbesluit verplicht, met uitzondering van de beschikbare oppervlakte voor gelten na dekking en zeugen zonder biggen die in groepen van minder dan zes worden gehouden, reeds tot een grotere beschikbare oppervlakte per varken dan artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, van de richtlijn voorschrijft. De artikelen 5, tweede en derde lid en 6 van het Varkensbesluit verplichten tot een grotere beschikbare ruimte voor gelten na dekking en tot een grotere oppervlakte dichte vloer voor zowel gelten als zeugen zonder biggen dan artikel 1, eerste lid, onderdeel 1b en 2a van de richtlijn.

De periode dat zeugen en gelten mogen worden afgezonderd van de groep waarin zij gewoonlijk dienen te worden gehouden, is in artikel 2b, eerste lid, onderdeel b, van het Varkensbesluit beperkter dan de in artikel 1, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn omschreven periode. Deze periode is zo beperkt mogelijk gehouden om onnodige rangordegevechten bij het terugkeren in de groep te voorkomen. Dit geldt eveneens voor zeugen en gelten, die worden gehouden op bedrijven met minder dan 10 zeugen.

Een aantal van de in hoofdstuk I, onderdeel 8, van de bijlage bij richtlijn 2001/93/EG is reeds op grond van artikel 40 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren niet toegestaan. Het betreft het inkorten van slagtanden van beren en het aanbrengen van neusringen bij varkens die in houderijsystemen met een vrije uitloop worden gehouden. De bepalingen van Hoofdstuk II, onderdeel D, onder 2 en 4, van de bijlage bij richtlijn 2001/93/EG die betrekking hebben op het toevoegen van dieren aan eenmaal gevormde groepen, zijn gelet op het reeds geldende verbod van artikel 2a, tweede lid, van het Varkensbesluit om aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens varkens toe te voegen, overbodig.

Uit het bovenstaande blijkt dat het Varkensbesluit met betrekking tot bovengenoemde onderwerpen strengere normen bevat dan de Europese richtlijnen. Dit strookt niet met het aangekondigde regeringsbeleid met betrekking tot implementatie van Europese regelgeving. Met het onderhavige besluit wordt echter slechts beoogd uitvoering te geven aan de wijziging van de Europese richtlijnen. Overeenkomstig geldend kabinetsbeleid, worden, gelet op de noodzaak van spoedige implementatie, in het onderhavige besluit geen andere regels opgenomen dan voor de implementatie van de Europese richtlijnen noodzakelijk zijn. In het onderhavige besluit kunnen derhalve de wijzigingen van het Varkensbesluit, die zullen volgen uit de heroverweging van het nationale beleid en de reeds geldende voorschriften van het Varkensbesluit, niet worden meegenomen. Deze wijzigingen van het Varkensbesluit zullen in een afzonderlijk besluit worden gerealiseerd.

Bovengenoemde heroverweging van het nationale beleid en de reeds geldende voorschriften van het Varkensbesluit, zal plaatsvinden in het kader van de bij brief van 6 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28 600 XIV, nr. 107) aangekondigde voorgenomen wijzigingen van het Varkensbesluit die strekken tot het zo veel mogelijk aanpassen aan de Europese voorschriften. De in genoemde brieven aangekondigde voornemens hebben betrekking op de overgangstermijnen voor de voorschriften met betrekking tot beschikbare oppervlakte per varken en de groepshuisvesting van gelten en zeugen zonder biggen. Tevens is in bovengenoemde brieven ingegaan op de mogelijkheid om met behulp van een plateaustal binnen de bestaande muren van de stal de vereiste vergroting van de oppervlakte per dier en de oppervlakte dichte vloer te realiseren, alsmede op het vereiste aandeel dichte vloer van de totale beschikbare oppervlakte per varken. Ten slotte is ingegaan op de mogelijkheid tot verkleining van de beschikbare oppervlakte bij het houden van verschillende categorieën varkens in groepen die bestaan uit meer dan veertig dieren, alsmede voor de minst wegende categorie varkens.

Het onderhavige besluit tot wijziging van het Varkensbesluit is niet binnen de gestelde implementatietermijn in werking getreden. Als gevolg van deze late implementatie dient aan de verplichtingen, waaraan op grond van de richtlijn met ingang van 1 januari 2003 moet worden voldaan, eerst met ingang van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit te worden voldaan. De verplichtingen waaraan direct met de inwerkingtreding van het onderhavige besluit dient te worden voldaan, betreffen geen ingrijpende verbouwingen van de varkensstallen, maar verplichtingen tot het aanpassen van de lichtintensiteit en het geluidsniveau (artikel M), het verstrekken van speel- en nestmateriaal (artikelen D, eerste lid en L), het voorzien in een permanente toegang tot vers water voor varkens ouder dan twee weken (artikel P, tweede lid), het verstrekken van een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer aan guste en drachtige zeugen en gelten (artikel P, derde lid) en een verhoging van de speenleeftijd tot 28 dagen (artikel Q, eerste lid). Voor de aanscherpte normen die ingrijpende verbouwing en grote investeringen vereisen geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2013. Het gaat hierbij om aangescherpte normen met betrekking tot de spleetbreedte tussen roosterbalken en de balkbreedte van de roosterbalken (artikel K) alsmede om de vergroting van de beschikbare oppervlakte voor gelten na dekking en zeugen zonder biggen die in groepen van minder dan zes worden gehouden (artikel G, eerste lid). Voor de verplichting tot het vergroten van de dekruimte voor beren geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2005. Deze overgangstermijnen gelden echter niet indien de stal na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit is nieuwgebouwd, herbouwd of verbouwd.

Het feit dat het onderhavige besluit niet op 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft niet tot gevolg dat de Nederlandse varkenshouders een gunstigere positie hebben ten opzichte van varkenshouders die zijn gevestigd in lidstaten waar de verplichtingen uit de Europese richtlijnen wel met ingang van 1 januari 2003 van kracht zijn geworden. In de eerste plaats zijn de normen waaraan een nieuwgebouwde of verbouwde stal op grond van het Varkensbesluit moet voldoen, ten algemene strenger dan de normen in de overige lidstaten. In de tweede plaats zullen er geen Nederlandse varkenshouders zijn die voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit nog hebben geïnvesteerd in de nieuwbouw of verbouw van hun stallen, aangezien zij het traject tot het aanpassen van de normen van het Varkensbesluit aan de Europese normen zullen afwachten.

De late implementatie heeft echter wel tot gevolg dat de voorschriften van het Varkensbesluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, op een aantal punten niet meer gelden. Het gaat hier om de voorschriften van het Varkensbesluit die dynamische verwijzingen bevatten naar onderdelen van de bijlage bij richtlijn 91/630/EG. Deze bijlage is met ingang van 1 januari 2003 gewijzigd, waardoor een aantal onderdelen van deze bijlage is komen te vervallen of is verplaatst. Naleving van deze voorschriften van het Varkensbesluit kan om deze reden niet worden gesanctioneerd. Tot op het moment van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit zal met betrekking tot bovenbedoelde voorschriften derhalve niet handhavend worden opgetreden door de Algemene inspectiedienst.

Het onderhavige besluit is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL). ACTAL heeft geconcludeerd dat het onderhavige besluit geen nieuwe informatieverplichtingen introduceert noch op enig andere manier gevolgen heeft voor de administratieve lasten voor de betrokken bedrijven.

Tevens is het besluit onderworpen aan een bedrijfseffectentoets. De bedrijfseffecten en de financiële lasten zijn in paragraaf 3 in beeld gebracht. De verzwaring van de financiële lasten vloeit uitsluitend voort uit de aanscherpingen van de richtlijn.

Na vaststelling wordt dit besluit overeenkomstig artikel 110, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Vervolgens kan binnen 30 dagen door of namens één der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden de wens te kennen worden gegeven dat inwerkingtreding van het besluit bij wet dient te geschieden.

§ 2. Handhaving

De op grond van dit besluit aangescherpte normen betekenen geen verzwaring van de handhavingslast voor de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (AID). Op de naleving van de aangescherpte normen zal, voorzover deze normen direct met de inwerkingtreding van dit besluit van kracht zijn, door middel van de reeds geplande zichtcontroles worden toegezien.

§ 3. Lasten voor het bedrijfsleven

In navolging van de richtlijn worden met dit besluit enkele voorschriften van het Varkensbesluit aangescherpt. Deze aanscherpingen betekenen een lastenverzwaring voor enkele onderdelen van de varkenshouderij. De inhoud van de aangescherpte normen en de omvang van de lastenverzwaring voor de varkenshouderij wordt in het navolgende besproken. De bronnen waaruit is geput voor de kwantificering van de totale lastenverzwaring zijn de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN-V), de «Landbouwtelling 2001» en het Proefverslag P1 171, «Vergelijking van 4 bedrijfssystemen voor guste en dragende zeugen».

In Artikel I, onderdeel G, eerste lid, wordt een vergroting van de beschikbare oppervlakte voorgeschreven voorzover het een stal betreft die bestemd is voor gelten na dekking en zeugen zonder biggen die in groepen van minder dan zes worden gehouden. Deze vergroting van het vloeroppervlak met tien procent betekent dat de bouwkosten ook met een zelfde percentage toenemen. De bouwkosten voor een groepshuisvestingssysteem voor groepen van zes varkens of minder bedragen volgens het Proefverslag P1 171, «Vergelijking van 4 bedrijfssystemen voor guste en dragende zeugen» 533 euro. De extra kosten bij een toename van tien procent bedragen derhalve 53,30 euro. De totale kosten voor de varkenshouderij blijven echter beperkt, aangezien de huisvestingssystemen voor groepen van zes varkens of minder relatief weinig worden gebruikt. In het overgrote deel van de gevallen worden guste en dragende zeugen in groepen van 20 of meer varkens gehouden. Mede door de aanscherping van het voorgeschreven vloeroppervlak wordt verwacht dat het gebruik van de kleinere huisvestingssystemen in de toekomst niet zal toenemen.

Geschat wordt dat ongeveer vijf tot tien procent van alle zeugen die in groepen worden gehuisvest, in groepssystemen van zes varkens of minder worden gehouden. Op een totaal van, volgens de «Landbouwtelling 2001» ruim 1 miljoen guste en dragende zeugen, zullen de totale kosten voor de varkenshouderij tussen de 2,65 en de 5,3 miljoen euro bedragen. Voor de normen met betrekking tot de beschikbare oppervlakte geldt op grond van Artikel I, onderdeel S, vierde lid, een overgangstermijn tot 2013 op voorwaarde dat de stal of de vloer van de stal niet meer wordt verbouwd of herbouwd nadat dit besluit in werking is getreden.

In Artikel I, onderdeel H, tweede lid, onderdeel d, wordt een vergroting van de beschikbare oppervlakte voor beren voorgeschreven. De voorgeschreven oppervlaktevergroting heeft echter geen betrekking op de permanente huisvesting maar op de beschikbare oppervlakte in het tijdelijke onderkomen dat voor het dekken wordt gebruikt. In de praktijk is deze ruimte op veel bedrijven al groter dan de zeven vierkante meter die tot de inwerkingtreding van dit besluit was voorgeschreven. De lastenverzwaring die deze nieuwe verplichting veroorzaakt, is derhalve zeer gering. Bestaande bedrijven die nog niet aan deze verplichting voldoen, hebben een overgangstermijn tot 1 januari 2005. Voor de nieuwgebouwde of verbouwde bedrijven geldt deze verplichting met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.

Een verzwaring van de lasten wordt eveneens veroorzaakt door de aanscherping van de normering van de spleetbreedte tussen de roosterbalken van een betonroostervloer alsmede de nieuw geïntroduceerde minimale balkbreedte van de roostervloeren. Deze aanscherpingen van Artikel I, onderdeel K, eerste lid, onderdelen c en d, en het tweede lid, hebben tot gevolg dat nagenoeg alle stallen bestemd voor vleesvarkens, moeten worden aangepast. Slechts die stallen die recent zijn gebouwd, zullen naar verwachting aan de strengere normen voldoen. In het totaal worden in Nederland ongeveer 6 miljoen vleesvarkens gehouden. Een nieuw betonrooster kost circa 25 euro per vierkante meter. Op grond van de huidige normen hebben vleesvarkens circa 0,4 m2 roostervloer ter beschikking. De totale kosten bedragen derhalve circa 60 miljoen euro. Deze kosten zijn echter relatief, aangezien de bedrijven die voor 1 januari 2003 in gebruik zijn genomen en na deze datum niet meer zijn her- of verbouwd, tot 2013 de tijd hebben om aan de nieuwe normen voor betonroosters te voldoen. In Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN-V) en in het door het bedrijfsleven en landbouweconomen opgestelde rapport «Afschrijving van varkensstallen» wordt de afschrijvingstermijn van betonroosters op tien jaar gesteld. Slechts indien een varkenshouder om enige reden wordt gedwongen de betonroosters eerder dan 2013 te vervangen, veroorzaken de voorschriften van Artikel I, onderdeel K, een lastenverzwaring.

Artikel I, onderdeel M, bevat een aanscherping van de lichtintensiteit naar ten minste 40 lux gedurende minimaal 8 uur per dag. Voor de inwerkingtreding van dit besluit was een lichtintensiteit van ten minste 12 lux voorgeschreven. De aanscherping van deze norm heeft tot gevolg dat bedrijven, waar de lichtintensiteit in de stallen wordt verwezenlijkt met het daglicht, extra voorzieningen zullen moeten treffen. In het bijzonder in lange, diepe stallen kan de voorgeschreven lichtintensiteit van ten minste 40 lux gedurende acht uur per dag niet meer worden bereikt met het daglicht, maar zal ter ondersteuning kunstlicht moeten worden aangebracht. De kosten voor deze extra voorzieningen zullen ongeveer € 0,62 per varkensplaats bedragen. Voor een gemiddeld vleesvarkenbedrijf met 1000 tot 2000 varkensplaatsen, bedragen de totale extra kosten 620,- tot 1240,- euro per jaar. De richtlijn biedt geen ruimte voor een overgangstermijn, derhalve dient met de inwerkingtreding van dit besluit direct aan dit voorschrift te worden voldaan.

Ingevolge de in Artikel I, onderdeel P, tweede lid, geïntroduceerde verplichting dat alle varkens ouder dan twee weken permanent moeten kunnen beschikken over voldoende vers water, zal een aantal bedrijven investeringen moeten doen. Het betreft hier bedrijven waar geen additionele drinkwatervoorziening aanwezig is, die ervoor zorgt dat de varkens permanent over vers water kunnen beschikken. Tot voor kort werd op deze bedrijven, om te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot watervoorziening, zoals deze voor de inwerkingtreding van dit besluit luidden, twee maal per dag brijvoeder aan de varkens verstrekt. Op grond van de aangescherpte norm volstaat deze brijvoedermethode niet meer. Het voorschrift bevat in het bijzonder een lastenverzwaring voor de vleesvarkenbedrijven. Het betreft de categorie grootschalige bedrijven. Geschat wordt dat het om een kwart van het totale aantal bedrijven gaat, waar ongeveer de helft van het totale aantal vleesvarkens in Nederland wordt gehouden. Dit komt neer op 3 miljoen vleesvarkens. De investeringskosten per varken bedragen circa 3 tot 7 euro, waardoor de totale kosten tussen de 9 en de 21 miljoen euro zullen liggen. Het feit dat de richtlijn geen ruimte biedt voor een overgangstermijn voor de aanpassing van het bedrijf aan deze norm en de bedrijven met inwerkingtreding van dit besluit onmiddellijk aan dit voorschrift dienen te voldoen, vergroot de lastenverzwaring die Artikel I, onderdeel P, tweede lid, veroorzaakt.

De verplichting van Artikel I, onderdeel L, om varkens te voorzien van voldoende materiaal om te onderzoeken en om mee te spelen veroorzaakt slechts een geringe lastenverzwaring. Verwacht wordt dat de kosten beperkt zullen blijven, omdat in het algemeen met relatief goedkope materialen aan de verplichting kan worden voldaan. De precieze omvang van de lasten is op dit moment moeilijk te kwantificeren. Het ligt echter in de rede dat de sector creatieve oplossingen met reeds gebruikte materialen zal bedenken. Voor deze verplichting geldt geen overgangstermijn.

De in Artikel I, onderdeel L, derde lid, geïntroduceerde verplichting om adequaat nestmateriaal te verstrekken aan zeugen en gelten in de laatste week voor het werpen, vormt geen extra lastenverzwaring voor de sector. De verplichting kan eenvoudig worden nageleefd. Tevens voorziet dit voorschrift in een uitzondering voor een bepaalde categorie bedrijven. Het betreft de bedrijven die niet aan deze verplichting kunnen voldoen, doordat het verstrekken van nestmateriaal, gelet op de gehanteerde mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

§ 4. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (Artikel 1)

In onderhavige wijziging van het besluit zijn de eisen aan het houden, huisvesten en het verzorgen van varkens, zoals deze zijn geformuleerd in de bijlage bij de richtlijn, opgenomen in het besluit zelf. De definitie van bijlage is derhalve overbodig geworden en kan komen te vervallen.

Artikel I, onderdeel D (Artikel 2aa)

Bij huisvesting van varkens in groepen kan agressie optreden. Een belangrijke oorzaak van deze agressie zijn de rangordegevechten die plaatsvinden. Om deze vorm van agressie zoveel mogelijk te beperken, is reeds in artikel 2a voorgeschreven dat er stabiele groepen dienen te worden gevormd. Dit voorschrift is reeds lang van kracht. Andere vormen van agressie die kunnen optreden binnen de stabiel gevormde groepen, worden in belangrijke mate veroorzaakt door stress of verveling. Deze agressie dient op grond van Artikel I, onderdeel D, te worden tegengegaan door het verstrekken van afleidings- en speelmateriaal. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de vloerbedekkende materialen zoals stro, hooi, zaagsel of de speelmaterialen, bedoeld in artikel I, onderdeel L (artikel 9). Deze materialen stimuleren het natuurlijke gedrag van varkens, hetgeen tot gevolg heeft dat agressief gedrag als gevolg van stress of verveling aanzienlijk zal afnemen en het welzijn van varkens in een groepshuisvesting zal toenemen. Slechts in geval van extreme agressiviteit zal tijdelijke afzondering van de groep nog nodig zijn. Artikel I, onderdeel E, eerste lid, onderdeel d, biedt hiertoe een uitzondering van de verplichting tot het houden van varkens in groepen.

Artikel I, onderdeel G, eerste lid (Artikel 4)

In navolging van de richtlijn is aan het eerste lid toegevoegd dat de vrije vloerruimte met tien procent wordt vergroot indien gelten na dekking of zeugen zonder biggen in een groep van minder dan zes worden gehouden. De minimum voorgeschreven beschikbare oppervlakte voor de genoemde categorieën die in groepen worden gehouden bedraagt 2,25 m2. Bij een vergroting met tien procent in de kleinere groepen bedraagt de minimum beschikbare oppervlakte derhalve 2,475 m2 per gelt of zeug.

Artikel I, onderdeel H, derde lid (Artikel 4a)

De term beschikbare oppervlakte duidt op een ruimte of oppervlakte waarover een beer vrij kan beschikken en waarop een beer zich vrij kan bewegen en zonder problemen kan liggen, rusten en opstaan. Obstakels die de vrije beschikbaarheid kunnen belemmeren zijn bijvoorbeeld een voedertrog of een drinkbak. Indien de beer niet vrij kan beschikken over ruimte boven of onder deze obstakels, wordt de ruimte die deze obstakels innemen niet gerekend tot de beschikbare oppervlakte die is voorgeschreven voor de verschillende leeftijdscategorieën, genoemd in het tweede lid.

Artikel I, onderdeel I, zevende lid (Artikel 5, zevende lid)

In navolging van de bijlage bij de richtlijn is een specifiek voorschrift opgenomen met betrekking tot de vloeren van de stal. Uit dit voorschrift vloeit voort dat de vloeren op zodanige wijze zijn vormgegeven dat zij zijn aangepast aan het gewicht en de grootte van de varkens en vormen, in het bijzonder wanneer geen strooisel wordt verstrekt, een stevig, vlak en stabiel oppervlak. Om te voorkomen dat de varkens zich verwonden, zijn de vloeren van de stal effen, maar niet glibberig.

Artikel I, onderdeel K (Artikel 8)

Dit onderdeel bevat een aanscherping van de normen voor de betonroostervloeren. De normen van het Nederlands Normalisatie-Insituut (NEN-normen) zijn hierop nog niet aangepast, derhalve bevat dit artikel geen verwijzing meer naar deze normen.

De toegestane spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer waarop gespeende varkens worden gehouden is voor betonroostervloeren aangescherpt van 15 mm naar 14 mm. Voor gebruiksvarkens geldt nu een toegestane spleetbreedte van 18 mm, voor de inwerkingtreding van dit besluit was dat 20 mm. De voor zeugen zonder biggen geldende spleetbreedte wordt tevens van toepassing verklaard op gelten na dekking.

Bij toepassing van de voorgeschreven spleetbreedte tussen de roosterbalken geldt een tolerantienorm van 2 mm. Deze norm houdt in dat de vloer voor negentig procent een spleetbreedte dient te bevatten die tussen de 16 mm en de 20 mm ligt. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat de gemiddelde spleetbreedte tussen de roosterbalken steeds 18 mm is. Met deze tolerantienorm wordt tegemoet gekomen aan de grenzen van de praktische haalbaarheid om roostervloeren die van beton worden vervaardigd, in vergaande mate te verfijnen.

Naast de maximale grootte van de afvoergaten in een betonroostervloer wordt in dit artikel in navolging van de richtlijn de minimale breedte van de betonnen balken in de roostervloer bestemd voor biggen, gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen gedefinieerd.

Artikel I, onderdeel L (Artikel 9)

Naast het voorschrift met betrekking tot het vloerbedekkende materiaal (eerste lid) dat geldt voor beren en zogende zeugen met biggen, geldt de verplichting (tweede lid) dat varkens permanent kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en om mee te spelen. Deze materialen mogen echter niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de varkens. Bij geschikt materiaal kan worden gedacht aan stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan. Dit voorschrift beoogt de uitoefening van het natuurlijke gedrag mogelijk te maken en te stimuleren. Materialen die niet aan dit doel voldoen, kunnen niet worden aangemerkt als speelmateriaal. Welke materialen voldoen, is in dit besluit niet nader gespecificeerd; de invulling van de ruim geformuleerde bepaling zal gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijk onderzoek.

Het natuurlijk gedrag wordt eveneens mogelijk gemaakt door de nieuw geïntroduceerde verplichting om zeugen en gelten in ieder geval de laatste week voor het werpen te voorzien van adequaat nestmateriaal. Deze verplichting geldt niet indien op het desbetreffende bedrijf een mengmestmethode wordt gebruikt waardoor het verstrekken van nestmateriaal technisch niet uitvoerbaar is.

Artikel I, onderdeel S (Artikel 19)

Inhoudelijk zijn alleen de leden 4 en 5 gewijzigd. De overige leden zijn slechts opnieuw geredigeerd. Het vierde en het vijfde lid, zoals deze golden voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn vervallen, aangezien de overgangstermijn die in deze leden werd genoemd, inmiddels is verstreken. Met het vervallen van het vierde lid komt tevens de Vrijstellingsregeling vloeren Varkensbesluit te vervallen. Op grond van deze regeling gold tot 1 januari 2003 een vrijstelling van de verplichting om de vloer van de stal in overeenstemming te brengen met de artikelen 5, eerste lid, en 8 van het Varkensbesluit, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel I, onderdeel S, vierde lid, onderdeel a, sluit aan op deze vrijstellingsregeling. De bedrijven die overeenkomstig de verplichtingen uit de artikelen 5, eerste lid, en 8 van het Varkensbesluit zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit en de Vrijstellingsregeling vloeren Varkensbesluit, de vloeren voor 1 januari 2003 hebben aangepast, worden tot 2013 vrijgesteld van de verplichting om verdere aanpassingen ingevolge dit besluit door te voeren. Bedrijven die reeds hebben geïnvesteerd in de welzijnsnormen zoals deze golden voor de inwerkingtreding van dit besluit en waarvoor een overgangstermijn tot 1 januari 2008 gold, worden op grond van het nieuwe vierde lid, onderdeel b, van artikel 19, eveneens tot 2013 vrijgesteld van verdere aanpassingen ingevolge dit besluit.

Artikel II

Naast het Varkensbesluit is het Besluit welzijn productiedieren van toepassing op het houden, huisvesten en verzorgen van varkens. In artikel II van dit besluit wordt de toepassing van het Besluit welzijn productiedieren uitgebreid. Om dubbele normstelling te voorkomen, bevat het Besluit welzijn productiedieren de algemene eisen en worden in het Varkensbesluit de meer specifieke voorschriften met betrekking tot de verzorging en de huisvesting van varkens opgenomen. Het Besluit welzijn productiedieren bevat bijvoorbeeld de verplichting om de dieren te (doen) verzorgen door een voldoende aantal personen dat beschikt over de nodige kennis en vakbekwaamheid. Tevens bevat het besluit de verplichting om de dieren een toereikende hoeveelheid gezond en voor de dieren geschikt voeder te verstrekken op een wijze die de dieren geen onnodig letsel toebrengt, alsmede huisvestingsvoorschriften die betrekking hebben op de materialen van de stallen, de aanwezige elektrische apparatuur in een stal en de klimaatbeheersing in de stallen.

Met de uitbreiding van de toepassing van het Besluit welzijn productiedieren wordt aangesloten bij de systematiek van de Europese regelgeving. De met onderhavig besluit geïmplementeerde richtlijnen nr. 2001/88/EG en nr. 2001/93/EG die strekken tot wijziging van richtlijn nr. 91/630/EEG, bevatten nog slechts specifieke minimumnormen ter bescherming van varkens. De algemene bepalingen met betrekking tot het houden en de verzorging van varkens zijn opgenomen in richtlijn nr. 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG L 221). In richtlijn nr. 98/58/EG zijn op basis van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van landbouwhuisdieren voor alle landbouwhuisdieren algemene verzorgings- en huisvestingsvoorschriften vastgesteld. Richtlijn nr. 98/58/EG is geïmplementeerd in het Besluit welzijn productiedieren.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

B. J. Odink

Transponeringstabel

Richtlijn nr. 2001/88/EG van de Raad van 23 oktober 2001 houdende wijziging van richtlijn nr. 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens en richtlijn nr. 2001/93/EG van de Commissie van 9 november 2001 houdende wijziging van Richtlijn 91/630/EEG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens

Richtlijn nr. 2001/88/EGgewijzigd Varkensbesluit/overige nationale wetgeving
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 1aArtikel 4, tweede lid (geen aanpassing)
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 1bArtikel 4, eerste lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 2aArtikelen 5, tweede en derde lid, 6 (geen aanpassing)
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 2b i)Artikel 8, eerste lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 2b ii)Artikel 8, tweede lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 3Artikel 3 (geen aanpassing)
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 4a,artikelen 2b, eerste lid, onderdeel b (geen aanpassing) en 4, derde lid;
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 4bartikelen 2a, eerste lid, 2b, eerste lid, onderdeel b (geen aanpassing)
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 5Artikel 9, derde lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 6Artikel 11, eerste lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 7Artikel 13, derde lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 8Artikel 2b, eerste lid, onderdeel d en tweede lid
Artikel 1, eerste lid, onderdeel 9Artikel 19, vierde lid;
Artikel 1, tweede lidArtikel 4, eerste lid, Besluit welzijn productiedieren
Artikel 1, derde en vierde lidbehoeft geen implementatie
Artikel 2Artikel III Besluit houdende de wijziging van het Varkensbesluit
Artikel 3behoeft geen implementatie
Artikel 4behoeft geen implementatie
  
Richtlijn nr. 2001/93/EGgewijzigd Varkensbesluit
Artikel 1 
Bijlage hoofdstuk I 
onderdeel 1artikel 10, tweede lid
onderdeel 2artikel 10, eerste lid
onderdeel 3artikelen 2b,eerste lid, onderdeel b, en 3, tweede lid
onderdeel 4artikel 9, tweede lid
onderdeel 5artikel 5, zevende lid
onderdeel 6artikelen 11, tweede lid en 13, eerste lid
onderdeel 7artikel 13, tweede lid
onderdeel 8artikel 40 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; artikel 2, eerste lid, onderdeel o en q van het Ingrepenbesluit; art. 7 Wet uitoefening diergeneeskunde en art. 2. Regeling toegelaten handelingen.
Bijlage hoofdstuk II 
onderdeel Aartikelen 4a, eerste lid, tweede lid, onderdelen c en d, derde lid en 19, vijfde lid
onderdeel B, onder 1artikel 2aa, eerste lid
onderdeel B, onder 2artikel 12
onderdeel B, onder 3artikel 9, derde lid
onderdeel B, onder 4artikel 3, derde lid
onderdeel B, onder 5artikel 3, vierde lid
onderdeel C, onder 1artikelen 3, tweede lid, onderdeel a en 5, zesde lid (geen aanpassing)
onderdeel C, onder 2artikel 3, vierde lid
onderdeel C, onder 3artikel 16
onderdeel D, onder 1artikel 2aa, eerste lid
onderdeel D, onder 2-
onderdeel D, onder 3artikelen 2aa, tweede lid, 2b, eerste lid, onderdeel d, en 9, tweede lid
onderdeel D, onder 4-
  
Artikel 2Artikel III Besluit houdende de wijziging van het Varkensbesluit
Artikel 3behoeft geen implementatie
Artikel 4behoeft geen implementatie

XNoot
1

Stb. 1998, 473, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 januari 1999, Stb. 35.

XNoot
2

Stb. 1999, 568, gewijzigd bij besluit van 2 november 2001, Stb. 545.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 juni 2003, nr. 108.

Naar boven