Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2002, 632AMvB

Besluit van 25 november 2002, houdende aanpassing van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van OCenW aan de Vreemdelingenwet 2000 en wijziging van het Bekostigingsbesluit WPO in verband met een verlaging van de drempel voor de groeiregeling

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Maria J.A. van der Hoeven, van 13 september 2002, nr. WJZ/2002/33743 (2582), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 69, tweede lid, 120, eerste lid, 122, eerste lid, en 185, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 117, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 16, tweede lid, en 233, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 26 september 2002, nr. W05.02.0407/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 18 november 2002, nr. WJZ/2002/37119 (2582);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bekostigingsbesluit WPO1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond» in onderdeel d de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

B

In artikel 14, zesde lid, wordt «17» vervangen door: 13.

ARTIKEL II

In artikel 1 van het Formatiebesluit WPO2 wordt in de begripsomschrijving van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond» in onderdeel d de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40)» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL III

In artikel A1 van het Besluit trekkende bevolking WPO3 wordt in de begripsomschrijving van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond» in onderdeel d de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL IV

In artikel 1 van het Formatiebesluit WEC4 wordt in de begripsomschrijving van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond» in onderdeel d de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40)» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL V

In artikel 12 van het Formatiebesluit W.V.O.5 wordt in de begripsomschrijving van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond» in onderdeel d de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40)» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL VI

In artikel 37, onderdeel d, van het Inrichtingsbesluit W.V.O.6 wordt de zinsnede «door Onze Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet» vervangen door: als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000.

ARTIKEL VII

Artikel 14, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WPO zoals dat luidde op 31 december 2001, blijft van toepassing op de tijdvakken waarvoor het gelding had, en op de op die tijdvakken betrekking hebbende geschillen inzake de toepassing van artikel 14, zesde lid, van het Bekostigingsbesluit WPO.

ARTIKEL VIII

  • 1. De artikelen I, onderdeel A, en III van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij wordt bepaald dat deze terugwerken tot en met 1 april 2001.

  • 2. De artikelen I, onderdeel B, en VII van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij wordt bepaald dat artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2002.

  • 3. De koninklijke besluiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat dit besluit is overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en evenmin indien binnen die termijn door of namens de Tweede Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in de artikelen I, III en VII van dit besluit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld.

  • 4. De artikelen II, IV, V en VI van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, en werken terug tot en met 1 april 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 25 november 2002

Beatrix

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

Dit besluit strekt tot aanpassing van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Vreemdelingenwet 2000, die op 1 april 2001 in werking is getreden.

Daarnaast wordt de drempel die krachtens artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WPO geldt voor de groeiregeling voor de materiële instandhouding, verlaagd van 17 tot 13.

De aanpassing van de algemene maatregelen van bestuur aan de Vreemdelingenwet 2000 betreft de verwijzing naar de grond voor rechtmatig verblijf.

In het Bekostigingsbesluit WPO, het Formatiebesluit WPO, het Besluit trekkende bevolking WPO, het Formatiebesluit WEC en het Formatiebesluit W.V.O. komt deze verwijzing voor in de definitie van «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond». Het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond is van belang voor de vaststelling van de hoogte van de bekostiging en de omvang van de formatie van een school.

Een leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond is een leerling:

a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep;

b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije;

c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba;

d. van wie ten minste een van de ouders of voogden door de Minister van Justitie als vluchteling is toegelaten op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet; of

e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië.

Onderdeel d van deze definitie moet worden aangepast, omdat de Vreemdelingenwet 2000 de toelating als vluchteling niet meer kent als afzonderlijke verblijfstitel. De vluchtelingenstatus is opgegaan in de meer omvattende verblijfsvergunning asiel, die kan worden verleend voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd. In dit besluit wordt de verwijzing naar de toelating als vluchteling in de zin van de (oude) Vreemdelingenwet vervangen door een verwijzing naar de verblijfsvergunning asiel in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Formeel betekent dit een verruiming van de definitie van het begrip «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond», omdat voortaan ook een leerling met een ouder, niet zijnde verdragsvluchteling, aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend, onder de werkingssfeer van onderdeel d komt te vallen. In de praktijk is deze verruiming echter zeer beperkt van aard, omdat (vrijwel) alle leerlingen die het betreft, ook reeds onder een van de andere onderdelen van de definitie vallen (in het bijzonder onderdeel e).

In het Inrichtingsbesluit W.V.O. gaat het om de groepen leerlingen ten behoeve van wie het bevoegd gezag onderwijs in de taal van het land van oorsprong van die leerlingen (OET) in het schoolplan kan opnemen. In dit geval betekent de onderhavige wijziging een (zeer) beperkte uitbreiding van de groep leerlingen aan wie het bevoegd gezag OET kan aanbieden, waarbij echter bedacht moet worden dat scholen niet verplicht zijn OET aan te bieden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel B

In het kader van de linearisering van de formatietoekenning in het basisonderwijs per 1 augustus 2000 is ook de groeiregeling voor de materiële instandhouding aangepast en is per 1 januari 2001 een drempel van 17 leerlingen ingevoerd. Gebleken is dat deze nieuwe hogere drempel ertoe heeft geleid dat aanzienlijk minder geld is uitgegeven aan de groeiregeling voor materiële instandhouding dan voorheen. Omdat bij de linealisering geen bezuiniging was beoogd, wordt de drempel verlaagd naar 13.

Het is de bedoeling dat deze wijziging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 in werking treedt.

Artikel VIII

De aanpassingen in de verschillende OCenW-besluiten werken terug. De vervanging van het begrip «vluchteling» in enkele besluiten per 1 april 2001 hangt samen met de inwerkingtreding per die datum van de Vreemdelingenwet 2000, op basis van welke wet de vluchtelingenstatus niet langer een afzonderlijke verblijfstitel oplevert.

Van een verlaagde drempel bij de groeiregeling voor de materiële instandhouding is sprake met ingang van het bekostigingsjaar 2002, een en ander ten gunste van de scholen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

Stb. 1997, 151, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Stb. 415.

XNoot
2

Stb. 2000, 440, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 juni 2002, Stb. 367.

XNoot
3

Stb. 1993, 232, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2001, Stb. 2002, 35.

XNoot
4

Stb. 1998, 576, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 juni 2002, Stb. 367.

XNoot
5

Stb. 1993, 430, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 juni 2002, Stb. 367.

XNoot
6

Stb. 1993, 207, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 18 februari 2002, Stb. 119.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.