Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2002, 617Wet

Wet van 12 december 2002, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel II – overig fiscaal pakket)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in een aantal belastingwetten en daarmee samenhangende wetten wijzigingen, versoepelingen, bijstellingen alsmede enkele technische reparaties en aanscherpingen ter voorkoming van misbruik aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 20011 wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 1.9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.10 Begrippen reisafstand en regelmatig woon-werkverkeer

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. reisafstand: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg;

b. regelmatig woon-werkverkeer: het in het kalenderjaar op 60 dagen of meer reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.

B. Artikel 2.8, derde lid, vervalt.

C. Artikel 3.7 vervalt.

D. Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voor 90% in aftrek» vervangen door: tot een bedrag van € 1600 niet in aftrek.

2. In het vijfde lid wordt «voor een bedrag van € 1500 niet in aftrek» vervangen door: voor 90% in aftrek.

E. In artikel 3.20, tweede lid, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de in de eerste volzin bedoelde bestelauto naast het gebruik voor privé-doeleinden als bedoeld in het negende lid wegens regelmatig woon-werkverkeer niet overigens voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt, in afwijking in zoverre van die volzin, op jaarbasis 2,5% van de waarde van de bestelauto als onttrekking in aanmerking genomen, met dien verstande dat daarbij als waarde van de bestelauto ten hoogste € 18 000 in aanmerking wordt genomen.

F. Artikel 3.36, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat willekeurige afschrijving alleen mogelijk is indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister.

G. Artikel 3.42a, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. De milieu-investeringsaftrek is slechts van toepassing indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister.

H. In artikel 3.77 vervalt het derde lid, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.

I. Artikel 3.87 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt.

2. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Voor de toepassing van het eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.

J. Artikel 3.88 vervalt.

K. In artikel 3.143, tweede lid, wordt «Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport» vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

L. In artikel 3.145, tweede lid, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de in de eerste volzin bedoelde bestelauto naast het gebruik voor privé-doeleinden als bedoeld in het negende lid wegens regelmatig woon-werkverkeer niet overigens voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt, in afwijking in zoverre van die volzin, het voordeel op jaarbasis gesteld op 2,5% van de waarde van de bestelauto, met dien verstande dat daarbij als waarde van de bestelauto ten hoogste € 18 000 in aanmerking wordt genomen.

M. Artikel 5.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «bedraagt de ouderentoeslag 50% van de saldogrondslag, doch ten hoogste» vervangen door: bedraagt de ouderentoeslag.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die partner, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 240 166 verhoogd tot € 480 332.

3. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijnpartner wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 5.5, na toepassing van het eerste lid, verhoogd met de ouderentoeslag van de partner en wordt de ouderentoeslag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.

Ma. In artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, wordt «enkele reisafstand» vervangen door: de afstand tussen de woning of de verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

N. Aan artikel 6.18, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, toegevoegd:

d. de op grond van krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen, in aanmerking genomen tot een bedrag van 25% van die bijdragen.

O. Aan artikel 9.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belastingen inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136), worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting.

P. Aan artikel 9.3, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, zevende lid.

Q. Artikel 10.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «3.15, vijfde lid» vervangen door: 3.15, eerste lid.

2. In de derde volzin wordt «wordt bij vervanging uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag» vervangen door: kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

ARTIKEL II

De Wet op de loonbelasting 19642 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 5a, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. hij in Nederland woont, en:

1°. bij een beschikking als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verklaard dat de voordelen die hij geniet uit zijn optreden of sportbeoefening, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, of

2°. bij een beschikking als bedoeld in artikel 3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verklaard dat de werkzaamheden die hij verricht in het kader van zijn optreden of sportbeoefening, worden aangemerkt als werkzaamheden uitsluitend verricht voor rekening en risico van de onderneming van een in Nederland gevestigde vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft;.

B. Artikel 11a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien de inhoudingsplichtige daarvoor kiest, behoort, in afwijking van het eerste lid, tot het loon hetgeen ter zake van een ter beschikking gestelde bestelauto op grond van artikel 3.145, tweede lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 als voordeel wordt aangemerkt.

C. In artikel 16, tweede, derde en vierde lid, wordt «40 dagen» telkens vervangen door: 60 dagen.

D. In artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, wordt na «artikel 19a, eerste lid, onderdeel d,» ingevoegd: dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b,.

Da. In artikel 22a, tweede lid, vervalt «met uitzondering van de bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26, eerste lid,».

Db. In artikel 25, tweede lid, wordt aan de derde volzin, voor de punt aan het slot, toegevoegd: en kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26.

Dc. In artikel 26, eerste lid, wordt voor de punt aan het slot toegevoegd: en geen rekening wordt gehouden met de arbeidskorting.

E. In artikel 27 vervalt het zevende lid, onder vernummering van het achtste en negende lid tot zevende respectievelijk achtste lid.

ARTIKEL III

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen3 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, wordt «onderdelen a tot en met d,» vervangen door: onderdelen a tot en met d en f,.

B. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een overeenkomst het buitenschoolse praktijkgedeelte volgt van een leer-werktraject in de basisberoepsgerichte leerweg, als bedoeld in de beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 28 februari 2001, kenmerk VO/BOB/2001/5598.

2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede tot en met het zevende lid tot respectievelijk derde tot en met achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon wordt voor de toepassing van deze wet en de krachtens deze wet uitgevaardigde regelingen, aangemerkt als werknemer met een volledige arbeidsduur.

3. In het tot zesde lid vernummerde vijfde lid wordt «de in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, bedoelde overeenkomst» vervangen door: de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, bedoelde overeenkomst.

4. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid wordt «de in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, bedoelde overeenkomsten» vervangen door: de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, bedoelde overeenkomsten.

5. In het tot achtste lid vernummerde zevende lid wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

C. Artikel 26a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het in aanmerking nemen van de afdrachtvermindering alleen mogelijk is indien de aangegane verplichtingen of de in het kalenderjaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister van Financiën.

ARTIKEL IV

De Wet op de vennootschapsbelasting 19694 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 8, vierde lid, tweede volzin, komt te luiden: Daarbij wordt voor de toepassing van genoemd eerste lid het aldaar vermelde bedrag vermenigvuldigd met het aantal desbetreffende werknemers.

B. Artikel 13g wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een bezit in een vennootschap als daar bedoeld niet met een deelneming gelijkgesteld indien de bezittingen van die vennootschap onmiddellijk of middellijk hoofdzakelijk bestaan uit:

    a. belangen in vennootschappen welke niet als deelneming zouden worden aangemerkt indien de belastingplichtige deze rechtstreeks zou hebben gehouden, of

    b. vermogensbestanddelen die zich bevinden buiten de in de aanhef bedoelde Lidstaat en ter zake waarvan de belastingplichtige, indien die vermogensbestanddelen rechtstreeks door hem zouden worden gehouden, krachtens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting geen aanspraak zou kunnen maken op vrijstelling van vennootschapsbelasting van de met die vermogensbestanddelen behaalde winst.

2. In het vierde lid vervalt de zinsnede: niet in een Lidstaat gevestigde. Voorts wordt aan het vierde lid een volzin toegevoegd, luidende: Artikel 28b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. In het vijfde lid wordt na «het houden van de in die leden bedoelde belangen» ingevoegd: of het houden van de in het derde lid bedoelde vermogensbestanddelen.

ARTIKEL V

De Wet op de omzetbelasting 19685 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, komt te luiden:

1°. de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;.

B. Tabel I, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:

1. In post 1 wordt «in de posten a 34 en a 35» vervangen door: in de posten a 31 en a 34 tot en met a 37.

2. In post 9 wordt «per schip en» vervangen door: per schip,.

Voorts wordt na «daaronder begrepen» toegevoegd: , en het vervoer van personen met luchtvaartuigen indien de plaats van vertrek en de plaats van bestemming in Nederland zijn gelegen voor zover dat vervoer geschiedt met ballonnen of met luchtvaartuigen die zijn ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden.

ARTIKEL VI

Het koninklijk besluit van 16 september 2002 (Stb. 472) tot wijziging van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 wordt goedgekeurd.

ARTIKEL VII

De Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 19926 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 9, vijfde lid, wordt de zinsnede «de catalogusprijs van het tijdstip waarop» vervangen door: de catalogusprijs bij aanvang van de dag waarop.

B. Na artikel 12 wordt aan hoofdstuk III een afdeling toegevoegd, luidende:

AFDELING 3 NAHEFFING

Artikel 12a

  • 1. Ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto of motorrijwiel waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van een feit als bedoeld in artikel 1, derde of vierde lid, niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken is gesteld op het moment van constatering. De aanvang van het gebruik van de weg wordt gesteld op het tijdstip van de hiervoor bedoelde tenaamstelling.

  • 2. Indien degene op wiens naam het kenteken is gesteld, aantoont op welk tijdstip na de tenaamstelling het motorrijtuig in een zodanige staat is gebracht dat het een personenauto of motorrijwiel is, onderscheidenlijk niet meer voldoet aan de in artikel 9a genoemde voorwaarden, wordt de aanvang van het gebruik van de weg gesteld op dat latere tijdstip.

  • 3. Indien degene bij wie de belasting wordt nageheven aantoont dat de personenauto of het motorrijwiel op het tijdstip van tenaamstelling reeds in een zodanige staat verkeerde dat het een personenauto of motorrijwiel was, onderscheidenlijk niet meer voldeed aan de in artikel 9a genoemde voorwaarden, en hij niet wist of behoorde te weten dat de belasting niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene op wiens naam het kenteken daaraan voorafgaand was gesteld, waarbij de aanvang van het gebruik van de weg wordt gesteld op het tijdstip van de desbetreffende tenaamstelling. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12b

Ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto of motorrijwiel waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde lid, genoemde feit niet is betaald, kan de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

ARTIKEL VIII

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 19947 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 5, tweede lid, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

B. Artikel 17, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij een verandering aan het motorrijtuig waardoor de belasting hoger of lager wordt, wordt een aanvullende aangifte gedaan. Indien als gevolg van een verandering aan het motorrijtuig een aanvraag wordt gedaan om aanpassing van het kentekenbewijs wordt deze aanvraag aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte.

C. Artikel 33, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij constatering van het feit dat voor een motorrijtuig geen aanvullende aangifte is gedaan in verband met een verandering aan het motorrijtuig waardoor de belasting hoger wordt, kan de ter zake van die verandering te weinig geheven belasting worden nageheven.

D. In artikel 37 wordt na «35» ingevoegd: , 35a, onder b,.

E. In artikel 72, eerste lid, onderdeel b, wordt «uitsluitend worden gebruikt voor andere doeleinden dan het bedrijfsmatig vervoeren van personen en goederen» vervangen door: niet bedrijfsmatig worden gebruikt.

ARTIKEL IX

De Wet belasting zware motorrijtuigen8 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 3, onderdeel c, vervalt de zinsnede «als weg wordt niet aangemerkt een weg die niet in beheer is bij een publiekrechtelijk lichaam;».

ARTIKEL X

De Wet op de accijns9 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. In het zesde lid wordt «als bedoeld in het tweede en derde lid» vervangen door: als bedoeld in het derde lid.

B. In artikel 66, eerste lid, onderdeel b, wordt na «luchtvaartuigen» ingevoegd: voor zover het betreft halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 00 51.

C. Na artikel 71c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 71d

  • 1. Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor andere minerale oliën dan halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 00 51, indien die olie is afgeleverd in de brandstoftanks van en is gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen.

  • 2. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het luchtvaartuig is geregistreerd in het register voor burgerluchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Ingeval teruggaaf wordt verzocht voor een in het buitenland geregistreerd luchtvaartuig, wordt deze verleend aan de eigenaar van dit luchtvaartuig dan wel aan degene die daartoe door deze is gemachtigd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld ter uitvoering van de teruggaaf en kan in bij die regeling aangewezen gevallen een ander dan de in het tweede lid bedoelde persoon worden aangewezen als degene aan wie de teruggaaf wordt verleend.

D. Artikel 90a vervalt.

E. In artikel 100, eerste lid, wordt «de artikelen 90a, 91, eerste en tweede lid, of 92» vervangen door: de artikelen 91, eerste en tweede lid, of 92.

ARTIKEL XI

De wet van 4 december 1997 tot wijziging van de Wet op de accijns, Stb. 608, wordt als volgt gewijzigd:

A. ARTIKEL I, onderdelen A, B, C, D, F, G, H, I, J, K en L vervallen.

B. ARTIKEL IV vervalt.

C. ARTIKEL V vervalt.

ARTIKEL XII

De Wet belastingen op milieugrondslag10 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid worden de onderdelen b tot en met d geletterd c tot en met e. Voorts wordt na onderdeel a een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

b. baggerspecie door het storten ervan in oppervlaktewater dat in open verbinding staat met ander oppervlaktewater;.

3. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt verleend.

B. Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «Besluit stortverbod afvalstoffen;» vervangen door: Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot onderscheidenlijk derde en vierde lid.

C. Artikel 18a vervalt.

D. Artikel 36a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de onderdelen i tot en met l vervangen door:

i. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

j. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.

E. Artikel 36c, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. elektriciteit heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt;.

2. Onderdeel c komt te luiden:

c. stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas heeft gewonnen;.

F. In artikel 36l, elfde lid, wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende: Bij ministeriële regeling kan Onze Minister niet gesubsidieerd vrijwilligerswerk dat ter behartiging van een sociaal belang om niet wordt verricht door natuurlijke personen onder voorwaarden en beperkingen aanwijzen als een instelling in de zin van de vorige volzin.

ARTIKEL XIII

De op 1 augustus 2002 in werking getreden ministeriële regeling van 16 juli 2002, nr. WV 2002/274M tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Stcrt. 135) wordt goedgekeurd.

ARTIKEL XIV

De Algemene wet inzake rijksbelastingen11 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 2, derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen;.

B. Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van Nederland.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst alsmede omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder wie een belastingplichtige ressorteert.

C. Artikel 26, derde lid, vervalt.

D. In artikel 52, tweede lid, onderdeel d, wordt «de artikelen 3.90, 3.91 of 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

E. Artikel 88a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde tot en met vijfde lid worden vernummerd tot tweede tot en met vierde lid.

ARTIKEL XV

De Invorderingswet 19901212 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel i komt te luiden:

i. directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen;.

B. Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

  • 1. De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van Nederland.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, onder wie een belastingschuldige ressorteert.

ARTIKEL XVI

De wet van 24 december 1927, houdende uitbreiding van de wettelijke en administratieve bevoegdheden der belastingambtenaren (Stb. 416) wordt ingetrokken.

ARTIKEL XVII

De Gemeentewet1313 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 236 vervalt «26, derde lid, ».

B. In artikel 249 wordt «de artikelen 5„ 20 21» vervangen door: de artikelen 5, 20, 21.

ARTIKEL XVIII

In artikel 1a, zesde lid, van de Huursubsidiewet14 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de huurder of van de medebewoners» vervangen door: De inspecteur, onder wie de huurder of de medebewoners krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteren voor de heffing van de inkomstenbelasting.

ARTIKEL XIX

De Provinciewet15 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 228 vervalt «26, derde lid,».

ARTIKEL XX

De Waterschapswet16 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 126 vervalt «26, derde lid,».

B. In artikel 131 wordt «het dagelijks bestuur» vervangen door: de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap.

C. In artikel 138 wordt «de artikelen 5» 20, 21» vervangen door: de artikelen 5, 20, 21.

ARTIKEL XXI

In artikel 1a, zesde lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit17 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de eigenaar-bewoner of van degene die tot diens huishouden behoort» vervangen door: De inspecteur, onder wie de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.

ARTIKEL XXII

In artikel 22 van de Wet financiering volksverzekeringen18 wordt «de inspecteur der directe belastingen binnen wiens ambtsgebied de betrokkene woont of is gevestigd» vervangen door: de inspecteur, onder wie de betrokkene krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.

ARTIKEL XXIII

In artikel 1a, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs19 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de ouders van leerlingen die aanspraak maken op gehele of gedeeltelijke vergoeding van vervoerskosten» vervangen door: De inspecteur, onder wie de ouders van leerlingen die aanspraak maken op gehele of gedeeltelijke vergoeding van vervoerskosten krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteren voor de heffing van de inkomstenbelasting.

ARTIKEL XXIV

In artikel 4 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer20 wordt «het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren Den Haag» telkens vervangen door: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden. Voorts wordt «Het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren Den Haag» telkens vervangen door: De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden.

ARTIKEL XXV

In artikel 4 van de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement21 wordt «het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren Den Haag» telkens vervangen door: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden. Voorts wordt «Het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren Den Haag» telkens vervangen door: De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden.

ARTIKEL XXVI

De Wet studiefinanciering 200022 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1.6 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de debiteur, partner van de debiteur of ouder» vervangen door: De inspecteur, onder wie de debiteur, partner van de debiteur of ouder krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.

B. In artikel 9.6a wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen» vervangen door: De inspecteur, bedoeld in artikel 1.6.

ARTIKEL XXVII

De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten23 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1.6 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de aanvrager, partner van de aanvrager, TOS-ouder of partner van de TOS-ouder» vervangen door: De inspecteur, onder wie de aanvrager, partner van de aanvrager, TOS-ouder of partner van de TOS-ouder krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.

B. In artikel 9.6 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen» vervangen door: De inspecteur, bedoeld in artikel 1.6.

ARTIKEL XXVIII

In artikel 3c, dertiende lid, van de Ziekenfondswet24 wordt «De inspecteur die ingevolge artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd is tot heffing van belastingen van de verzekerde of zijn eventuele echtgenoot» vervangen door: De inspecteur, onder wie de verzekerde of zijn eventuele echtgenoot krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.

ARTIKEL XXIX

De Douanewet25 wordt als volgt gewijzigd:

A. In Artikel 13, tweede lid, vervalt de zinsnede «in wiens ambtsgebied de woning is gelegen».

B. In Artikel 15, tweede lid, vervalt de zinsnede «in wiens ambtsgebied het vervoermiddel zich bevindt».

C. In Artikel 52, derde lid, vervalt de zinsnede «binnen wiens ambtsgebied de inbeslagneming heeft plaatsgehad,».

ARTIKEL XXX

Indien het bij koninklijke boodschap van 23 september 1998 ingediende voorstel van wet, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet) (26 219)26 tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A. Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel f komt te luiden:

f. de inspecteur: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. de ontvanger: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst.

B. In artikel 70, tweede lid, wordt «het hoofd van de eenheid» vervangen door: de inspecteur.

C. Artikel 71 komt te luiden:

Artikel 71

De afdrachten, bedoeld in deze afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de ontvanger.

D. Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «Het hoofd van de eenheid verstrekt» vervangen door: De inspecteur en de ontvanger verstrekken.

2. In het tweede lid wordt «Het Hoofd van de eenheid verleent» vervangen door: De inspecteur en de ontvanger verlenen.

ARTIKEL XXXI

Indien het bij koninklijke boodschap van 24 januari 2002 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met leer-werktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (regeling leer-werktrajecten) (28 444) tot wet wordt verheven en inwerking treedt, wordt artikel 14, eerste lid, onderdeel f, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vervangen door:

f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een leer-werkovereenkomst het buitenschoolse praktijkgedeelte volgt van een leer-werktraject, een en ander als bedoeld in artikel 10b1 en 10b3 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

ARTIKEL XXXII

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) (26 854)27 tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt aansluitend op de inwerkingtreding van die wet de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2, vierde lid, vervallen de tweede en derde volzin.

B. Artikel 15, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Indien een dochtermaatschappij in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en deze eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij nog in hetzelfde boekjaar eindigt, wordt voor de tussenliggende periode ten aanzien van die dochtermaatschappij geacht geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een bestaande fiscale eenheid die in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een andere fiscale eenheid en nog in hetzelfde boekjaar uit laatstgenoemde eenheid wordt ontvoegd.

C. Artikel 15ac wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het vijfde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien bij afwezigheid van de fiscale eenheid artikel 10, eerste lid, onderdeel d, op de financieringskosten of een deel daarvan van toepassing zou zijn, wordt de eerste volzin toegepast alsof artikel 10, eerste lid, onderdeel d, daarop niet van toepassing zou zijn.

2. Na het zesde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Ingeval een dochtermaatschappij geheel of ten dele is verkregen tegen een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, tweede volzin, blijven de waardeveranderingen van die verplichting bij het bepalen van de winst van de fiscale eenheid buiten aanmerking.

D. Artikel 15ad, derde lid, aanhef en onderdeel a, wordt, onder verlettering van onderdeel b tot onderdeel c, vervangen door:

  • 3. Het eerste lid vindt geen toepassing:

    a. voorzover blijkt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1°. de rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de schuldeiser in de grondslag betrokken van een belasting naar de winst of het inkomen, uiterlijk in het jaar dat volgt op het jaar waarin deze rente verschuldigd is; en

    2°. het lichaam of de natuurlijke persoon waaraan de geldlening is verschuldigd, of een daarmee verbonden lichaam, heeft met het oog op de verwerving van aandelen vermogen uit hoofde van geldlening aangetrokken van een niet-verbonden lichaam; of

    b. voorzover blijkt dat de geldlening, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een kapitaalstorting en dat aan de volgende voorwaarde is voldaan:

    1°. de rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de schuldeiser in de grondslag betrokken van een belasting naar de winst of het inkomen, uiterlijk in het jaar dat volgt op het jaar waarin deze rente verschuldigd is; of

    2°. de kapitaalstorting is binnen de fiscale eenheid aangewend, anders dan voor de overname, onmiddellijk of middellijk, van een onderneming of een gedeelte van een onderneming; of.

E. Artikel 15ae wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt de zinsnede «, onderdelen a en b,». Voorts wordt «de maatschappij» vervangen door: de maatschappij, onderscheidenlijk de bestaande fiscale eenheid die wordt uitgebreid, of de bestaande fiscale eenheid die wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid.

2. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Voor de toepassing van artikel 20a, vierde lid, worden de werkzaamheden die na het begin van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, binnen een fiscale eenheid van de ene maatschappij zijn overgedragen aan een andere maatschappij, gedurende het bestaan van de fiscale eenheid tussen die maatschappijen nog in aanmerking genomen bij de overdragende maatschappij.

F. Artikel 15ai wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, eerste volzin, wordt «op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de fiscale eenheid ten aanzien van die overdrager of overnemer wordt beëindigd» vervangen door: op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip van die overdrager of overnemer. Voorts wordt in het eerste lid, derde volzin, «het in de eerste volzin bedoelde ontvoegingstijdstip» vervangen door: het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het in de eerste volzin bedoelde ontvoegingstijdstip.

G. Artikel 15aj wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, laatste volzin, wordt de punt aan het einde vervangen door een komma en een bijzin toegevoegd, luidende: of reeds eerder is teruggenomen door de werking van artikel 15ab, tweede lid.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een maatschappij treedt deze met betrekking tot hetgeen zij na de ontvoeging voortzet in de plaats van de fiscale eenheid, behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

3. Na het zevende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Indien op het ontvoegingstijdstip van een maatschappij tot het vermogen van die maatschappij een deelneming behoort waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel daartoe is besloten, en die deelneming tijdens het bestaan van de fiscale eenheid van een andere maatschappij is verkregen, wordt op het ontvoegingstijdstip het door die maatschappij voor de deelneming opgeofferde bedrag niet hoger gesteld dan de waarde in het economische verkeer van de deelneming op het tijdstip van verkrijging van de deelneming door die maatschappij.

H. In artikel 18, eerste lid, wordt «8b tot en met 14b» vervangen door: 8b tot en met 15aj.

ARTIKEL XXXIII

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) (26 854) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

Artikel IV, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Indien de in het eerste lid bedoelde beschikking is genomen op een na 20 november 2000 gedaan verzoek vindt, in afwijking van het tweede lid, voor boekjaren waarin dat lid ten aanzien van een belastingplichtige toepassing vindt, artikel 15ad toepassing in plaats van artikel 15, vierde en vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL XXXIIIA

Indien het bij koninklijke boodschap van 25 oktober 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening fiscale eenheid) (26 854) voor 1 januari 2003 tot wet wordt verheven, wordt artikel VIII, eerste lid, van die wet als volgt gewijzigd:

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking op 1 januari 2003 en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de heffing over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2003.

ARTIKEL XXXIV

De artikelen 26, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de artikelen XIV, onderdeel C, en XV, onderdeel B, blijven van toepassing op de belasting die betrekking heeft op tijdstippen of tijdvakken die zijn gelegen respectievelijk aangevangen voor die datum.

ARTIKEL XXXIVA

Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel ATa, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 200128 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «€ 4785» vervangen door: € 5239.

2. In het vierde lid wordt «voor het jaar 2003 60%, voor het jaar 2004 40% en voor het jaar 2005 20%» vervangen door: voor het jaar 2003 58%, voor het jaar 2004 38% en voor het jaar 2005 18%.

ARTIKEL XXXV

  • 1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2003, met dien verstande dat:

    a. artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2001;

    b. artikel I, onderdeel D, eerste lid, toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2003 is toegepast;

    c. artikel II, onderdeel D, terugwerkt tot en met 11 juli 2002;

    d. artikel III, onderdelen A en B, terugwerkt tot en met 1 juli 2002;

    e. artikel XII, onderdeel A, en artikel XXXIVA, eerste lid, terugwerken tot en met 1 januari 2002;

    f. artikel XII, onderdeel B, eerste lid, terugwerkt tot en met 13 juli 2001.

  • 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid treden de artikelen XIV, onderdelen A, B, C en E, en XV tot en met XXX in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 12 december 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

S. R. A. van Eijck

Uitgegeven de negentiende december 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 2001, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 616.

XNoot
2

Stb. 1990, 104, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 616.

XNoot
3

Stb. 1995, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 615.

XNoot
4

Stb. 1969, 469, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 613.

XNoot
5

Stb. 1968, 329, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2002, Stb. 643.

XNoot
6

Stb. 1992, 709, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 615.

XNoot
7

Stb. 1994, 17, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 juli 2002, Stb. 406.

XNoot
8

Stb. 1995, 563, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 april 2002, Stb. 244.

XNoot
9

Stb. 1991, 561, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 615.

XNoot
10

Stb. 1994, 923, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 613.

XNoot
11

Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 613.

XNoot
12

Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 613.

XNoot
13

Stb. 1994, 762, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juli 2002, Stb. 420.

XNoot
14

Stb. 1998, 462, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 331.

XNoot
15

Stb. 1998, 276, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2002, Stb. 399.

XNoot
16

Stb. 1991, 441, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 318.

XNoot
17

Stb. 2000, 575, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 331.

XNoot
18

Stb. 1989, 129, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2002, Stb. 613.

XNoot
19

Stb. 1998, 495, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2002, Stb. 588.

XNoot
20

Stb. 1994, 357, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2001, Stb. 704.

XNoot
21

Stb. 1996, 13, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 september 2001, Stb. 481.

XNoot
22

Stb. 2000, 286, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
23

Stb. 2001, 225, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
24

Stb. 1992, 391, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 november 2002, Stb. 583.

XNoot
25

Stb. 1995, 553, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2001, Stb. 639.

XNoot
26

Stb. 2002, 542.

XNoot
27

Stb. 2002, 618.

XNoot
28

Stb. 2002, 216, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 december 2002, Stb. 615.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2002/2003, 28 608.

Handelingen II 2002/2003, blz. 1300–1327; 1360–1362; 1367–1368.

Kamerstukken I 2002/2003, 28 608 (59); (58a, 58b).

Handelingen I 2002/2003, zie vergadering d.d. 9 en 10 december 2002.