Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 2002, 552Wet

Wet van 7 november 2002 tot wijziging van de regels betreffende de verwerking van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers (Wet justitiële gegevens)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regels met betrekking tot het verwerken van justitiële gegevens en het stellen van regels met betrekking tot de verwerking van justitiële gegevens in persoonsdossiers en de verklaring omtrent het gedrag vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

TITEL 1. DEFINITIES

Artikel 1

In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. justitiële gegevens of gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven gegevens omtrent natuurlijke personen en rechtspersonen inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering;

b. persoonsdossier: een dossier waarin zijn opgenomen de aan rechterlijke autoriteiten uitgebrachte rapporten over onderzoeken naar het gedrag of de levensomstandigheden van een natuurlijk persoon in verband met tegen hem aanhangige strafzaken, de tenuitvoerlegging van aan hem opgelegde straffen of maatregelen of zijn reclassering;

c. rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de daarmee gelijkgestelde organisaties als bedoeld in artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

d. justitiële documentatie: een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende justitiële gegevens die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd;

e. documentatie persoonsdossiers: een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsdossiers die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd;

f. persoonsgegeven, verwerking van persoonsgegevens, betrokkene, het College bescherming persoonsgegevens en het verstrekken van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;

g. Onze Minister: Onze Minister van Justitie.

TITEL 2. DE VERWERKING VAN JUSTITIËLE GEGEVENS

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2

  • 1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens aangewezen die als justitiële gegevens worden aangemerkt.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de justitiële gegevens worden verkregen.

Artikel 3

Onze Minister treft de nodige maatregelen opdat de justitiële gegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Hij verbetert de gegevens indien hem blijkt dat deze onjuist of onvolledig zijn.

Artikel 4

  • 1. Justitiële gegevens worden uit de justitiële documentatie verwijderd na verloop van twintig jaren of na het overlijden van de betrokken persoon.

  • 2. De termijn vangt aan op de dag volgende op die waarop de zaak, waarvan de justitiële gegevens zijn verwerkt, onherroepelijk is afgedaan.

  • 3. Indien de onherroepelijke afdoening van de zaak niet is gemeld, vangt de termijn aan op de dag waarop de gegevens betreffende de zaak in de justitiële documentatie zijn vastgelegd.

  • 4. In afwijking van het eerste lid worden justitiële gegevens betreffende misdrijven tegen de zeden als bedoeld in de artikelen 240b tot en met artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht uit de justitiële documentatie verwijderd na het overlijden van de betrokken persoon.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald ten behoeve van welke organisaties en in welke gevallen de justitiële gegevens, bedoeld in het vierde lid, na verloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar dienen te zijn.

Artikel 5

  • 1. De in artikel 4, eerste lid, genoemde termijn wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf indien deze drie jaren te boven gaat alsmede met de duur van de terbeschikkingstelling of van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

  • 2. Indien het eerste lid van toepassing is, wordt de termijn bovendien verlengd met tien jaren indien op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.

  • 3. De gegevens worden in elk geval verwijderd indien sedert de geboortedag van de betrokken persoon tachtig jaren zijn verstreken.

Artikel 6

  • 1. Gegevens omtrent overtredingen worden na verloop van vijf jaren verwijderd.

  • 2. Indien evenwel een vrijheidsstraf – anders dan vervangende hechtenis – of in plaats daarvan de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte is opgelegd, bedraagt de termijn tien jaren.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien een rechtspersoon wegens een overtreding is veroordeeld tot een geldboete van de derde of een hogere categorie.

  • 4. Artikel 4, tweede en derde lid, is van toepassing.

Artikel 7

  • 1. Onze Minister legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om de justitiële gegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van de justitiële gegevens met zich brengen.

  • 2. Artikel 49, eerste tot en met derde lid, en artikel 50, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2. HET VERSTREKKEN VAN JUSTITIËLE GEGEVENS

Artikel 8

  • 1. Ten behoeve van de rechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen.

  • 2. Ten behoeve van de strafrechtspleging worden justitiële gegevens verstrekt aan Onze Minister.

  • 3. Aan personen of instanties, aan wie ingevolge artikel 37 van de Wet op de economische delicten dezelfde bevoegdheid is verleend als die bij artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht aan de officier van justitie is toegekend, worden ten behoeve van de uitoefening van die bevoegdheid justitiële gegevens met betrekking tot economische delicten verstrekt.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het verstrekken van justitiële gegevens aan de in het eerste, tweede en derde lid genoemde personen of instanties, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke gegevens ingevolge het internationale recht worden verstrekt aan andere rechterlijke ambtenaren dan bedoeld in het eerste lid dan wel aan andere autoriteiten. Het vierde lid is van toepassing.

Artikel 9

  • 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor een goede taakuitoefening van degene aan wie justitiële gegevens worden verstrekt noodzakelijk is, kunnen bij algemene maatregel van bestuur personen of instanties die met een publieke taak zijn belast, worden aangewezen aan wie justitiële gegevens kunnen worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verwerking en verdere verwerking.

  • 2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, worden de justitiële gegevens die zijn verstrekt niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.

Artikel 10

  • 1. Behoudens het bepaalde in artikel 12 worden aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties slechts gegevens verstrekt betreffende onherroepelijke veroordelingen wegens misdrijf waarbij een straf, al dan niet tezamen met een maatregel, is opgelegd, en wegens overtreding indien daarbij vrijheidsstraf – anders dan vervangende – is opgelegd. Met een veroordeling wordt gelijkgesteld een rechterlijke beslissing waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

  • 2. Geen gegevens worden verstrekt indien:

    a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd,

    b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak vier jaren zijn verstreken, of

    c. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland vrijheidsstraf – anders dan vervangende – moet worden ondergaan.

  • 3. De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren indien bij de veroordeling een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dan wel een voorwaardelijke vrijheidsstraf waarvan later de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen, is opgelegd.

  • 4. De termijn wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan dat voorwaardelijk is opgelegd en ten aanzien waarvan de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging later niet is bevolen.

  • 5. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling en met de termijn van de verlenging van de terbeschikkingstelling.

  • 6. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid, niet is geëindigd.

  • 7. Met een opgelegde vrijheidsstraf wordt gelijkgesteld de vrijheidsstraf die de rechter heeft overwogen op te leggen en in de plaats waarvan de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte is opgelegd.

  • 8. Ingeval van tenuitvoerlegging in Nederland van een veroordeling door een andere dan de Nederlandse rechter gewezen vangt de in het tweede lid, onder b, en het derde lid, bedoelde termijn aan op de dag na die, waarop die veroordeling onherroepelijk is geworden. De duur van de termijn wordt bepaald aan de hand van de bij de uitspraak of beslissing, krachtens welke de bovenbedoelde veroordeling in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel.

Artikel 11

  • 1. Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden gegevens verstrekt betreffende onherroepelijke veroordelingen van rechtspersonen wegens enige overtreding, indien daarbij een geldboete is opgelegd van de derde of een hogere categorie.

  • 2. Geen gegevens worden verstrekt indien:

    a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd, of

    b. na het onherroepelijk worden van de uitspraak vier jaren zijn verstreken.

  • 3. De termijn bedoeld in het tweede lid, onder b, beloopt acht jaren indien is veroordeeld tot onvoorwaardelijke betaling van een geldboete dan wel tot voorwaardelijke betaling van een geldboete waarvan later de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is bevolen.

  • 4. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling.

  • 5. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 10 en het eerste lid van 11 niet is geëindigd.

Artikel 12

  • 1. Met betrekking tot personen ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, worden aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties slechts gegevens verstrekt, indien de veroordeelde tijdens het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, de veroordeling onherroepelijk is en is gewezen wegens een misdrijf en daarbij, al dan niet tezamen met andere straffen of maatregelen, is opgelegd:

    a. jeugddetentie, anders dan vervangende;

    b. geldboete van meer dan tweehonderdvijftig gulden;

    c. een alternatieve sanctie met een duur van meer dan veertig uren of

    d. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

  • 2. Geen gegevens worden verstrekt indien:

    a. na het gegrond bevinden van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak deze wordt vernietigd en geen straf of maatregel is opgelegd,

    b. de veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter is gewezen wegens een feit dat naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert, tenzij ingevolge deze veroordeling in Nederland de in het eerste lid genoemde straffen of maatregelen moeten worden ondergaan, of

    c. de rechter met toepassing van artikel 77x, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of maatregel geheel niet zal worden tenuitvoergelegd en de tenuitvoerlegging later niet alsnog voor het geheel of een deel is bevolen.

  • 3. Geen gegevens worden verstrekt indien na het onherroepelijk worden van de veroordeling twee jaren zijn verstreken tenzij jeugddetentie, anders dan vervangende, of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd. In dat geval bedraagt de termijn vier jaren.

  • 4. De termijn bedoeld in het derde lid, wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde jeugddetentie met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan dat voorwaardelijk is opgelegd en ten aanzien waarvan de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging later niet is bevolen.

  • 5. De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling.

  • 6. Onverminderd het bepaalde in het derde lid kunnen over een veroordeling waarbij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd gegevens worden verstrekt zolang de plaatsing niet onvoorwaardelijk is beëindigd.

  • 7. De termijnen eindigen niet zolang de termijn met betrekking tot enige andere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het eerste lid, niet is geëindigd.

Artikel 13

  • 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor een goede taakuitoefening van degene aan wie justitiële gegevens worden verstrekt noodzakelijk is, kunnen bij algemene maatregel van bestuur personen of instanties als bedoeld in artikel 9 worden aangewezen aan wie meer gegevens kunnen worden verstrekt dan genoemd in de artikelen 10, 11 en 12. Daarbij wordt tevens bepaald welke gegevens worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verwerking en verdere verwerking.

  • 2. Het tweede lid van artikel 9 is van toepassing.

Artikel 14

  • 1. Indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert en voorzover dit voor bijzondere doeleinden noodzakelijk is, kan Onze Minister in bijzondere gevallen toestemming geven tot het verstrekken van daartoe omschreven justitiële gegevens overeenkomstig door hem te geven voorschriften en onder door hem te stellen voorwaarden. Van zijn desbetreffend besluit zendt hij een afschrift aan het College bescherming persoonsgegevens.

  • 2. Tenzij Onze Minister anders bepaald, worden de justitiële gegevens die zijn verstrekt niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.

  • 3. Onze Minister kan voorschriften geven in verband met de verwerking en verdere verwerking.

Artikel 15

Behoudens ontheffing van Onze Minister, kunnen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd slechts justitiële gegevens worden verstrekt in zodanige vorm dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan de verwerking en verdere verwerking van deze gegevens.

Artikel 16

  • 1. De verstrekking van justitiële gegevens kan geschieden door middel van telecommunicatie.

  • 2. De justitiële gegevens, die overeenkomstig het eerste lid worden verstrekt, worden door degene die deze gegevens ontvangt niet op geautomatiseerde wijze vastgelegd of vermenigvuldigd, tenzij dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een daartoe door Onze Minister goedgekeurde, bepaalde taak. Onze Minister legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels ter beveiliging van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de geautomatiseerde gegevensverstrekking worden gesteld.

  • 4. Onze Minister doet jaarlijks mededeling aan het College bescherming persoonsgegevens van de namen van de personen of organisaties aan wie overeenkomstig het eerste lid justitiële gegevens zijn verstrekt. Tevens wordt melding gemaakt van het aantal verzoeken van deze personen of organisaties.

Artikel 17

Voor het verstrekken van justitiële gegevens, als bedoeld in de artikelen 9, 13, 14 en 15, kan een kostenvergoeding worden verlangd die niet hoger mag zijn dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.

AFDELING 3. RECHTEN VAN DE BETROKKENE OP KENNISNEMING EN VERBETERING

Artikel 18

  • 1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende gegevens in de justitiële documentatie zijn vastgelegd.

  • 2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming

Artikel 19

  • 1. Elke verstrekking van justitiële gegevens overeenkomstig de artikelen 9, 13 en 14 wordt vastgelegd en ten minste gedurende één jaar bewaard.

  • 2. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende gegevens in het jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 9, 13 en 14 zijn verstrekt.

Artikel 20

  • 1. Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 18 en 19 draagt Onze Minister zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

  • 2. De verzoeken worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers.

  • 3. Verzoeken ten aanzien van rechtspersonen worden gedaan door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon.

  • 4. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. Bij ministeriële regeling kunnen aan de bijzondere machtiging nadere eisen worden gesteld.

Artikel 21

Een mededeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, en artikel 19, tweede lid, blijft achterwege voorzover dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat.

Artikel 22

  • 1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 18 kennis is gegeven van hem betreffende justitiële gegevens, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

  • 2. Onze Minister bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Het eerste lid van artikel 37 Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Onze Minister draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Artikel 23

  • 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 18, 19 of 22 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

  • 1. Indien Onze Minister justitiële gegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd doet hij aan de in artikel 8, vijfde lid, 9, 13 en 14 bedoelde personen of instanties aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken gegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

  • 2. Onze Minister deelt aan de verzoeker en voorzover van toepassing aan de wettelijk vertegenwoordiger, desgevraagd mede aan wie hij de mededeling heeft gedaan.

Artikel 25

  • 1. Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 18 of 19 een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald.

  • 2. De vergoeding wordt teruggegeven ingeval Onze Minister op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van het College bescherming persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21.

Artikel 26

  • 1. Degene over wie één of meer justitiële gegevens zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.

  • 2. Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking.

  • 3. Artikel 25 is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 4. BEPALINGEN BETREFFENDE HET TOEZICHT

Artikel 27

  • 1. Het College bescherming persoonsgegevens ziet toe op de verwerking van justitiële gegevens overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde.

  • 2. De artikelen 51, tweede lid, 60 en 61 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 5. DE VERKLARING OMTRENT HET GEDRAG

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Artikel 29

De beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 30

  • 1. De aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente, waar de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. In alle andere gevallen wordt de aanvraag ingediend bij Onze Minister.

  • 2. De burgemeester en Onze Minister onderzoeken de volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en verschaffen zich de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid.

  • 4. De burgemeester zendt de aanvraag terstond door aan Onze Minister.

Artikel 31

De burgemeester kan binnen tien dagen na de dag waarop bij hem de aanvraag is ingediend adviseren over de bijzondere omstandigheden in zijn gemeente voorzover deze van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 32

  • 1. De aanvraag tot het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon bevat de voornamen en de geboortedatum van de aanvrager, alsmede een omschrijving van het doel, waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd.

  • 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon, bevat zij de naam van de rechtspersoon en het inschrijvingsnummer van de Kamers van Koophandel, of, indien geen inschrijving heeft plaatsgevonden in het handelsregister, de naam, de rechtsvorm en de statutaire, of bij ontstentenis daarvan, de feitelijke vestigingsplaats van deze rechtspersoon alsmede de naam, het adres en de geboortedatum van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders en de naam van degene die de aanvraag doet.

  • 3. Bij de aanvraag wordt overgelegd een schriftelijke opgave van degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht van het risico voor de samenleving dat in het geding is.

Artikel 33

De aanvraag wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd of door een vertegenwoordiger van de rechtspersoon omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd.

Artikel 34

  • 1. Onze Minister neemt de aanvraag niet in behandeling, indien een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager kennelijk niet noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken.

  • 2. Onze Minister stelt de burgemeester, bedoeld in artikel 30, eerste lid, terstond in kennis van de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

Artikel 35

  • 1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

  • 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtspersoon betrekt Onze Minister mede in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten op naam van de rechtspersoon en van ieder van de bestuurders, vennoten, maten of beheerders van die rechtspersoon alsmede de gegevens met betrekking tot strafbare feiten waaraan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag heeft gelegen.

  • 3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.

Artikel 36

  • 1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie alsmede van gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  • 2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan Onze Minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon kennis nemen van met betrekking tot de betrokkenen, bedoeld in artikel 35, vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie, gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters alsmede gegevens uit de documentatie vennootschappen bij Onze Minister. De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing.

  • 3. Voorzover dat voor een goede oordeelsvorming noodzakelijk is, kan Onze Minister inlichtingen omtrent betrokkene inwinnen bij het openbaar ministerie en bij instellingen die op grond van artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995 bevoegd zijn om reclasseringswerkzaamheden te verrichten.

  • 4. De justitiële gegevens en de gegevens uit de politieregisters die zijn verstrekt worden niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt.

Artikel 37

  • 1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Indien de verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven, zijn de artikelen 3:8 en 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 38

  • 1. Onze Minister beslist op de aanvraag met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Alvorens te beslissen tot weigering van de afgifte, stelt Onze Minister degene van wie een of meer gegevens als bedoeld in het tweede lid van artikel 36, ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing, in de gelegenheid om binnen twee weken een verzoek als bedoeld in artikel 22 van deze wet of artikel 22 van de Wet politieregisters dan wel artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens te doen.

  • 3. De termijn voor het geven van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop Onze Minister de gelegenheid heeft geboden tot het doen van een verzoek en tot de dag waarop een schriftelijke mededeling is gedaan dat geen verzoek zal worden ingediend of twee weken zijn verstreken dan wel tot de dag waarop de procedure naar aanleiding van een verzoek is beëindigd.

  • 4. De aanvrager van de verklaring wordt in kennis gesteld van de opschorting.

Artikel 39

  • 1. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kunnen de burgemeester en Onze Minister een vergoeding van kosten verlangen.

  • 2. De kostenvergoedingen zijn niet hoger dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag.

  • 3. Voorzover de aanvragen zijn ingediend bij de burgemeester, zijn de gemeenten ter zake van de afgifte van de verklaring door Onze Minister een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld met betrekking tot de wijze van afdracht van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.

TITEL 3. DE PERSOONSDOSSIERS

Artikel 40

  • 1. Onze Minister verwerkt persoonsgegevens in persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers met als doel de bevordering van een juiste toepassing van het strafrecht.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de wijze bepaald waarop de rapporten die het persoonsdossier vormen worden verkregen.

  • 3. De artikelen 3 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

  • 1. Een rapport in een persoonsdossier wordt verwijderd na verloop van tien jaren. De termijn vangt aan op de dag van sluiting van het rapport.

  • 2. Indien de straf of maatregel de duur van tien jaren te boven gaat, is de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de duur van de aan de betrokken persoon in de strafzaak waarop het rapport betrekking heeft, opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel krachtens het strafrecht.

  • 3. Een persoonsdossier wordt in elk geval verwijderd zodra de betrokken persoon is overleden of sedert zijn geboortedag tachtig jaren zijn verstreken.

Artikel 42

  • 1. Onze Minister kan afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten gebruiken ten behoeve van de behandeling van een gratieverzoek of met het oog op het onderzoek, bedoeld in artikel 28.

  • 2. Onze Minister verstrekt ten behoeve van een goede rechtspleging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen en het geven van advies over een gratieverzoek desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:

    a. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;

    b. rechterlijke ambtenaren van Aruba en de Nederlandse Antillen;

    c. andere dan de onder a en b genoemde rechterlijke ambtenaren, voorzover de Minister van Justitie dat bepaalt.

  • 3. Onze Minister verstrekt ten behoeve van de selectie of bejegening desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan de penitentiaire consulenten en de hoofden van de inrichtingen waar de aan een persoon opgelegde straf of maatregel wordt ten uitvoer gelegd.

  • 4. Onze Minister verstrekt ten behoeve van het voorbereiden van enig rapport of het uitoefenen van enig toezicht desgevraagd afschriften van de in een persoonsdossier opgenomen rapporten aan:

    a. de directeuren van de stichting en de reclasseringsinstellingen, bedoeld in artikel 1, onder b en c van de Reclasseringsregeling 1995;

    b. de reclasseringswerkers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995;

    c. de directeur of ressortsdirecteur van de raad voor de kinderbescherming.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere personen of instanties worden aangewezen aan wie ten behoeve van een juiste toepassing van het strafrecht afschriften van rapporten uit een persoonsdossier kunnen worden verstrekt. Daarbij kan tevens worden bepaald van welke rapporten afschriften worden verstrekt. Tevens kunnen nadere voorschriften worden gegeven in verband met de verstrekking.

  • 6. Behoudens ontheffing van Onze Minister, kunnen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek desgevraagd afschriften uit rapporten uit een persoonsdossier worden verstrekt in zodanige vorm dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Onze Minister kan voorwaarden verbinden aan de verstrekking van deze gegevens.

Artikel 43

  • 1. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende rapporten in de persoonsdossiers in de documentatie persoonsdossiers zijn opgenomen.

  • 2. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm, tenzij hij weigert een mededeling te doen.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verzoek en de wijze van kennisneming.

Artikel 44

  • 1. Elke verstrekking van afschriften van rapporten uit persoonsdossiers, overeenkomstig artikel 41 wordt vastgelegd en ten minste gedurende één jaar bewaard.

  • 2. Onze Minister deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende afschriften van rapporten uit de persoonsdossiers in het jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig artikel 42 zijn verstrekt.

Artikel 45

Op de behandeling van verzoeken als bedoeld in het eerste lid van artikel 43 en het tweede lid van artikel 44 is artikel 20 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 46

  • 1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 43 kennis is gegeven van hem betreffende rapporten, kan Onze Minister schriftelijk verzoeken de persoonsgegevens in deze rapporten te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

  • 2. Het tweede en derde lid van artikel 22 zijn van toepassing.

Artikel 47

  • 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 44 of 46 geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. De artikelen 47 en 48 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48

  • 1. Indien Onze Minister persoonsgegevens in rapporten uit een persoonsdossier heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd doet hij aan de in artikel 42 bedoelde personen of instanties aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken persoonsgegevens zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling van deze verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

  • 2. Het tweede lid van artikel 24 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 49

  • 1. Onze Minister kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 43 of 44 een vergoeding van kosten verlangen die niet hoger is dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag. Daarbij wordt tevens de wijze van betaling bepaald.

  • 2. De vergoeding wordt teruggegeven ingeval Onze Minister op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van de College bescherming persoonsgegevens of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.

Artikel 50

  • 1. Degene over wie één of meer persoonsgegevens in persoonsdossiers zijn verwerkt kan bij Onze Minister verzet hiertegen aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.

  • 2. Onze Minister beoordeelt, gehoord het openbaar ministerie en de instelling die het rapport heeft opgemaakt, binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is, beëindigt hij terstond de verwerking.

  • 3. Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51

Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in persoonsdossiers.

TITEL 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 52

  • 1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voorzover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt.

  • 2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing

Artikel 53

De Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) wordt ingetrokken.

Artikel 54

In artikel 17, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten1 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) zijn geregistreerd of ten aanzien waarvan ingevolge artikel 36» vervangen door: Wet justitiële gegevens zijn geregistreerd of ten aanzien waarvan ingevolge artikel 52.

Artikel 55

In artikel 2, tweede lid, van de Advocatenwet2 worden de woorden «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 56

In artikel 19 van de Wet tarieven in strafzaken3 vervalt de zinsnede: voor zaken aangeboden op grond van artikel 30 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag,.

Artikel 57

In artikel 33 en 126, telkenmale het eerste lid, onder a, van de Wet op het voortgezet onderwijs4 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 58

In het eerste lid, onder a, van artikel 3 van de Wet op de expertisecentra5 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 59

In het eerste lid, onder a, van artikel 3, van de Wet op het primair onderwijs6 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 60

In artikel 8 van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen7 worden de woorden «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 61

In het eerste lid, onder a, van artikel 4.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs8 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 62

In artikel 7, eerste lid, onder a, van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's9 worden de woorden «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 63

In artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen10 worden de woorden «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395)» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 64

In artikel 2, eerste lid, onder a, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs11 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 65

In artikel 5, eerste lid, onder e, en artikel 26, derde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet12 wordt telkens «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 66

De Wet van 6 mei 1878, Stb 30, houdende bepalingen omtrent de beëdigde vertalers13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1 wordt de zinsnede «en een getuigschrift overlegt van goed zedelijk gedrag, afgegeven door de burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar hij gedurende de twee laatste jaren heeft gewoond» vervangen door: en een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens, overlegt.

2. In artikel 2 wordt de zinsnede «en een getuigschrift overleggen van goed zedelijk gedrag, afgegeven door de burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar zij gedurende de twee laatste jaren hebben gewoond» vervangen door: en een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens, overleggen.

Artikel 67

In artikel 11, eerste lid, van de Wet van 11 mei 1956, Stb. 242, houdende enige regelen betreffende het gebruik van de Friese taal14 wordt de zinsnede «wanneer hij een getuigschrift overlegt van goed zedelijk gedrag, afgegeven door burgemeester en wethouders der gemeente of gemeenten waar hij gedurende de laatste twee jaren heeft gewoond.» vervangen door: wanneer hij een verklaring omtrent het gedrag, als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens, overlegt.

Artikel 68

De Wet politieregisters15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 13a, derde lid, wordt «kan de verstrekking ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b en c» vervangen door: kan de verstrekking ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b, c en d.

2. Het eerste lid van artikel 15 van de Wet politieregisters wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van het tweede en derde subonderdeel van onderdeel b, tot eerste en tweede subonderdeel vervalt het eerste subonderdeel.

b. Er wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel d toegevoegd, luidende:

d. Onze Minister van Justitie voorzover hij deze behoeft voor de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag.

Artikel 69

De Wet veiligheidsonderzoeken16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder a, van artikel 7 wordt «justitiële inlichtingen» vervangen door: justitiële gegevens en wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

2. In het vierde lid, onder a, van artikel 13 wordt « justitiële inlichtingen» vervangen door: justitiële gegevens en wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 70

In het eerste lid, onder a, van artikel 29a van de Spoorwegwet17 wordt «met het oog op de vergunning verleende verklaring als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: met het oog op de vergunning verleende verklaring als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële gegevens.

Artikel 71

De Wet bescherming persoonsgegevens18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder e, van artikel 2 wordt «Wet justitiële documentatie» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

2. In het eerste lid van artikel 22 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 72

In het tweede lid, onder c, sub 1 van artikel 6, van de Wet op het notarisambt19 wordt «de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: de Wet justitiële gegevens.

Artikel 73

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. de Wet bibob: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals deze komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 11 november 1999 ingediende voorstel van wet, houdende regels inzake de bevordering van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur met betrekking tot beschikking of overheidsopdrachten (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; Kamerstukken I 2001/02, 26 883, nr. 73)20 tot wet is verheven;

b. de Wet beveiliging luchtvaartterreinen: de wet, houdende wijziging van de Luchtvaartwet inzake de beveiliging op luchtvaartterreinen, zoals deze komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 16 juni 1999 ingediende voorstel van wet, houdende wijziging van de Luchtvaartwet inzake de beveiliging op luchtvaartterreinen (Kamerstukken I 2000/01, 26 607, nr. 276)21tot wet is verheven.

2. Indien artikel 34 van de Wet bibob in werking treedt na deze wet en indien de Wet beveiliging luchtvaartterreinen in werking treedt na de Wet bibob, wordt het volgende gewijzigd:

A. In artikel 34 van de Wet bibob wordt «onderdeel c» vervangen door «onderdeel d» en wordt «d.» vervangen door: e.

B. In artikel I van de Wet beveiliging luchtvaartterreinen wordt in artikel 37s «artikel 15, eerste lid, onderdeel e» vervangen door: artikel 15, eerste lid, onderdeel f.

C. In artikel II van de Wet beveiliging luchtvaartterreinen wordt «onderdeel d» vervangen door «onderdeel e», wordt «een vijfde onderdeel» vervangen door «een onderdeel» en wordt «e.» vervangen door: f.

3. Indien de Wet beveiliging luchtvaartterreinen in werking treedt na deze wet en indien artikel 34 van de Wet bibob in werking treedt na de Wet beveiliging luchtvaartterreinen, wordt in artikel 34 van de Wet bibob «onderdeel c» vervangen door «onderdeel e» en wordt «d.» vervangen door: f.

4. Indien deze wet in werking treedt na artikel 34 van de Wet bibob en indien de Wet beveiliging luchtvaartterreinen in werking treedt na deze wet, wordt het volgende gewijzigd:

A. Artikel 68, wordt gewijzigd als volgt:

– In onderdeel 1 wordt «onder b, c en d» vervangen door: onder b, c en e.

– In onderdeel 2, subonderdeel b, wordt «onderdeel c» respectievelijk «onderdeel d» vervangen door «onderdeel d» respectievelijk «onderdeel e» en wordt «d.» vervangen door: e.

B. In artikel I van de Wet beveiliging luchtvaartterreinen wordt in artikel 37s «artikel 15, eerste lid, onderdeel e» vervangen door: artikel 15, eerste lid, onderdeel f.

C. In artikel II van de Wet beveiliging luchtvaartterreinen wordt «onderdeel d» vervangen door «onderdeel e», wordt «een vijfde onderdeel» vervangen door «een onderdeel» en wordt «e.» vervangen door: f.

5. Indien deze wet in werking treedt na de Wet beveiliging luchtvaartterreinen en indien artikel 34 van de Wet bibob in werking treedt na deze wet, wordt het volgende gewijzigd:

A. Artikel 68 wordt gewijzigd als volgt:

– In onderdeel 1 wordt «onder b, c en d» vervangen door: onder b, c en e.

– In onderdeel 2 vervallen de aanduiding «a.» alsmede subonderdeel b.

B. In artikel 15, eerste lid, van de Wet politieregisters wordt de punt aan het slot van onderdeel c vervangen door een puntkomma en wordt de daarop volgende tekst vervangen door twee onderdelen, luidende:

d. de Commandant van de Koninklijke marechaussee, voorzover hij deze behoeft voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37s van de Luchtvaartwet;

e. Onze Minister van Justitie, voorzover hij deze behoeft voor de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag.

C. In artikel 37s van de Luchtvaartwet wordt «artikel 15, eerste lid, onderdeel e» vervangen door: artikel 15, eerste lid, onderdeel d.

D. in artikel 34 van de Wet bibob wordt «onderdeel c» vervangen door «onderdeel e» en wordt «d.» vervangen door: f.

6. Indien de Wet beveiliging luchtvaartterreinen in werking treedt na artikel 34 van de Wet bibob en indien deze wet in werking treedt na de Wet beveiliging luchtvaartterreinen, wordt artikel 68 gewijzigd als volgt:

– In onderdeel 1 wordt «onder b, c en d» vervangen door: onder b, c en f.

– In onderdeel 2, , subonderdeel b, wordt «onderdeel c» respectievelijk «onderdeel d» vervangen door «onderdeel e» respectievelijk «onderdeel f» en wordt «d.» vervangen door: f.

7. Indien artikel 34 van de Wet bibob in werking treedt na de Wet beveiliging luchtvaartterreinen en indien deze wet in werking treedt na artikel 34 van de Wet bibob, wordt het volgende gewijzigd:

A. Artikel 68 wordt gewijzigd als volgt:

– In onderdeel 1 wordt «onder b, c en d» vervangen door: onder b, c en f.

– In onderdeel 2, vervallen de aanduiding «a.» alsmede subonderdeel b.

B. In artikel 15, eerste lid, van de Wet politieregisters wordt de tekst na onderdeel c vervangen door drie onderdelen, luidende:

d. de Commandant van de Koninklijke marechaussee, voorzover hij deze behoeft voor de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37s van de Luchtvaartwet;

e. ambtenaren van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, voorzover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun wettelijk omschreven taak;

f. Onze Minister van Justitie, voorzover hij deze behoeft voor de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag.

C. In artikel 37s van de Luchtvaartwet wordt «artikel 15, eerste lid, onderdeel e» vervangen door: artikel 15, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 74

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 februari 2001 ingediende voorstel van wet, houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs onder meer in verband met de onderwijsbevoegdheid voor het geven van onderwijs in zintuiglijke en lichamelijke oefening en de verklaring omtrent het gedrag (27 616)22 eerder tot wet wordt verheven en in werking treedt dan het onderhavige wetsvoorstel komt artikel 61 als volgt te luiden:

Artikel 61

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd

1. In het eerste lid, onder a, van artikel 4.2.1. wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

2. In artikel 4.2a.1 wordt «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag» vervangen door: Wet justitiële gegevens.

Artikel 75

Aan de in artikel 9 bedoelde personen of instanties worden tevens de justitiële gegevens over minderjarigen verstrekt die overeenkomstig de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 528) waren opgenomen in het strafregister.

Artikel 76

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 77

Indien voor het moment van inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon is gedaan, zijn op de behandeling van de aanvraag en de daaruit voortvloeiende procedures de bepalingen van toepassing zoals die luiden voor inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 78

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 79

Deze wet wordt aangehaald als: Wet justitiële gegevens.23

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 7 november 2002

Beatrix

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de negentiende november 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner


XNoot
1

Stb. 1987, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 april 1999, Stb. 194.

XNoot
2

Stb. 1984, 418, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juli 2002, Stb. 440.

XNoot
3

Stb. 1963, 130, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

XNoot
4

Stb. 1998, 512, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
5

Stb. 1998, 496, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juli 2002, Stb. 413.

XNoot
6

Stb. 1998, 495, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
7

Stb. 1985, 407, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
8

Stb. 1995, 501, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 387.

XNoot
9

Stb. 1994, 29, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 september 2002, Stb. 526.

XNoot
10

Stb. 1994, 640, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 september 2002, Stb. 526.

XNoot
11

Stb. 2000, 306, gewijzigd bij de wet van 30 mei 2002, Stb. 288.

XNoot
12

Stb. 2001, 70, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 330.

XNoot
13

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 december 2001, Stb. 584.

XNoot
14

Stb. 1996, 490, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 januari 1999, Stb. 30.

XNoot
15

Stb. 1990, 414, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 347.

XNoot
16

Stb. 1996, 525, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2002, Stb. 148.

XNoot
17

Stb. 1875, 67, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 september 2001, Stb. 481.

XNoot
18

Stb. 2000, 302, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2002, Stb. 148.

XNoot
19

Stb. 1999, 190, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2002, Stb. 330.

XNoot
20

Stb. 2002, 347.

XNoot
21

Stb. 2002, 226.

XNoot
22

Stb. 2001, 375.

XNoot
23

Gewijzigd bij de wet van 7 september 2000, Stb. 365.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/1996, 1996/1997, 1999/2000, 2000/2001, 2001/2002, 24 797.

Handelingen II 2001/2002, blz. 4309–4311; 4378.

Kamerstukken I 2001/2002, 24 797 (306, 306a, 306b).

Handelingen I 2002/2003, zie vergadering d.d. 5 november 2002.