Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2002, 456AMvB

Besluit van 23 augustus 2002, tot wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met het opnemen van werkgeversboeten ZW/WAO en de verduidelijking van de definitie van het benadelingsbedrag

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 3 juli 2002, Directie Sociale Verzekeringen, SV/R&S/02/50335;

Gelet op de artikelen 38, vierde lid, 38a, zesde lid en 45a, zevende lid, van de Ziektewet, en artikel 29a, zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 71a, derde en vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dit artikel luidde voor 1 april 2002 j° artikel XV, eerste lid, van de Wet verbetering poortwachter, artikel 46, zevende lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, artikel 27a, zevende lid, van de Werkloosheidswet en artikel 7:16, zevende lid, van de Wet arbeid en zorg;

De Raad van State gehoord (advies van 25 juli 2002, No W12.020286/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, uitgebracht mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 augustus 2002, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/R&S/02/57845;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I Wijziging Boetebesluit socialezekerheidswetten

Het Boetebesluit socialezekerheidswetten1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder verlettering van de onderdelen q en r tot de onderdelen r en s, wordt een nieuw onderdeel q ingevoegd, luidende:

q. werkgeversboete ZW/WAO: de boete, bedoeld in de artikelen 38, vierde lid, en 38a, zesde lid, van de ZW en artikel 71a, derde en vierde lid, van de WAO zoals dit artikel luidde voor 1 april 2002;

2. Het tot onderdeel s verletterde onderdeel r wordt vervangen door:

s. benadelingsbedrag:

1° het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering of reïntegratie-instrument op grond van een in onderdeel r genoemde wet;

2° de subsidie die op grond van artikel 15 of 16 van de REA is verstrekt en op grond van artikel 21 van de REA kan worden teruggevorderd;

3° de kosten van een als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte opgedragen werkzaamheid op grond van artikel 130 of 130c van de WW of ten onrechte toegekende voorziening op grond van artikel 22 of 31 van de REA dan wel de ten onrechte ontvangen subsidie op grond van artikel 30, 33 of 33a van de REA;

4° de kosten van de als gevolg van het niet of niet behoorlijke nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte verleende kinderopvang, bedoeld in artikel 22a van de REA, onder aftrek van de eigen bijdrage, bedoeld in het zesde lid van dat artikel;

3. Na het nieuwe onderdeel s wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

t. werkgever: de werkgever in de zin van de ZW.

B

Na artikel 2 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2a. Niet behoorlijke hersteldmelding en melding laatste werkdag

De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 38, tweede en derde lid, en 38a, vijfde lid, van de ZW zijn niet behoorlijk nagekomen indien:

a. de aangifte op de laatste werkdag of de hersteldmelding niet tijdig is gedaan, of

b. de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is opgegeven.

Artikel 2b. Hoogte van de werkgeversboete bij niet behoorlijke hersteldmelding en melding laatste werkdag en het ontbreken daarvan

  • 1. De hoogte van de boete, bedoeld in de artikelen 38, vierde lid, en 38a, zesde lid, van de ZW bedraagt:

    a. € 68, indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding minder dan 7 kalenderdagen te laat is gedaan;

    b. € 227, indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding 7 kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is gedaan;

    c. € 454, indien de aangifte van de laatste werkdag of de hersteldmelding 28 kalenderdagen of meer te laat is gedaan;

    d. € 454, indien de datum van de laatste werkdag of herstel onjuist is opgegeven.

  • 2. De boete wegens het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 38, tweede of derde lid, en 38a, vijfde lid, van de ZW, bedraagt € 454.

Artikel 2c. Werkgeversboete bij het niet indienen van en het niet meewerken aan het opstellen of uitvoeren van het reïntegratieplan

  • 1. Indien de werkgever de verplichtingen, bedoeld in artikel 71a, eerste, tweede of derde lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde voor 1 april 2002, niet of niet behoorlijk nakomt ten aanzien van de werknemer of de in dat artikel bedoelde verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor die datum, is artikel 4 van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

  • 2. Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in artikel 71a, vierde lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde voor 1 april 2002, niet nakomt ten aanzien van de werknemer of de in dat artikel bedoelde verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor die datum, is artikel 5 van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.

C

Onder plaatsing van «1.» voor artikel 3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin de werkgever verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de werkgeversboete ZW/WAO, bedoeld in de artikelen 2a, 2b, eerste lid, onderdelen a en b, of 2c van dit besluit, verhoogd of verlaagd en wordt de werkgeversboete ZW/WAO, bedoeld in artikel 2b, eerste lid, onderdelen c en d, en tweede lid, van dit besluit verlaagd. Van het opleggen van een werkgeversboete ZW/WAO wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 23 augustus 2002

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Uitgegeven de tiende september 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Met het onderhavige besluit wordt het Boetebesluit socialezekerheidswetten in drie opzichten gewijzigd.

Het wordt aangevuld met nadere regels met betrekking tot de hoogte van de op te leggen administratieve boete aan de werkgever:

1. naar aanleiding van een overtreding van de in de Ziektewet (ZW) opgenomen verplichtingen voor werkgevers in verband met hersteldmeldingen van zieke werknemers en meldingen van de laatste werkdag van zieke werknemers. Met het stellen van nadere regels in dit verband in het onderhavige besluit, wordt uitvoering gegeven aan de opdracht tot nadere regelgeving bij algemene maatregel van bestuur (amvb) in artikel 38, vierde lid, 38a, zesde lid jo. 45a, zevende lid, van de ZW.

2. naar aanleiding van een overtreding van de tot 1 april 2002 in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) opgenomen verplichtingen voor werkgevers in verband met het meewerken aan het opstellen van een reïntegratieplan voor arbeidsongeschikte werknemers, het indienen daarvan en het meewerken aan de uitvoering ervan, voorzover oplegging van boeten in het kader van de laatstgenoemde wet plaatsvindt na 1 april 2002 (dit kan alleen indien de eerste dag van de ongeschiktheid van een werknemer voor 1 april is gelegen). Met het stellen van nadere regels in dit verband in het onderhavige besluit, wordt uitvoering gegeven aan de opdracht tot nadere regelgeving bij amvb in artikel 29a, zevende lid, j° 71a, derde en vierde lid, van de WAO, zoals dit artikel luidde tot 1 april 2002 j° artikel XV, eerste lid, van de Wet verbetering poortwachter (Wvp).

Daarnaast wordt de begripsomschrijving van het benadelingsbedrag gewijzigd, opdat duidelijk(er) is dat ook ten onrechte verleende reïntegratievoorzieningen hier onder vallen.

Aanleiding voor het onderhavige besluit

De hierboven genoemde opdrachten tot het stellen van nadere regels omtrent de hoogte van de hierboven bedoelde boeten aan werkgevers, waren aanvankelijk in zowel de ZW als de WAO aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) opgedragen, dat de beide opdrachten heeft uitgevoerd met vaststellen van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers. Met de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 zijn de opdrachten aan het Lisv ieder vervangen door de opdracht tot het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur (amvb), onder de bepaling dat de opdracht in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Met het Boetebesluit socialezekerheidswetten, derhalve met ingang van 1 februari 2001, zijn de wetsartikelen waarin de beide opdrachten worden gegeven, in werking getreden, maar de beide opdrachten zijn niet tegelijkertijd uitgevoerd. Dit wordt gedaan met het onderhavige besluit.

De belangrijkste reden voor de keuze om nog geen nadere regels te stellen met betrekking tot de boeten aan werkgevers, was dat er op dat moment nog onzekerheid bestond over mogelijke wijzigingen in de relevante wettelijke verplichtingen voor werkgevers als gevolg van de (toen nog in voorbereiding zijnde) Wvp. Gemeend werd dat enig uitstel van de uitvoering van de opdrachten geen problemen zou opleveren, omdat het uitvoeringsorgaan ingevolge de betreffende wetten rechtstreeks wettelijk verplicht is (verwijtbare) overtredingen te beboeten. Deze verplichting geldt ook als er geen nadere regels bij amvb zijn gegeven. Een goede uitvoering van deze wettelijke taak zou door het uitstel evenmin belemmerd kunnen worden, omdat het Lisv de in 1997 door hemzelf daartoe uitgewerkte regels zou kunnen blijven uitvoeren. Dit heeft het Lisv vanaf 1 februari 2001 inderdaad gedaan.

Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; uitspraak d.d. 6 november 2001, RvS 2002/41), volstaat toepassing van de regels in het Besluit boete ZW/WAO werkgevers niet meer.

De uitspraak hield in dat het uitvoeringsorgaan het Besluit boete ZW/WAO werkgevers niet mocht toepassen, omdat dit geen nadere regels bevatte omtrent de afstemming van de hoogte van de boete op «de mate waarin de betrokkene de gedraging verweten kan worden», en derhalve niet in overeenstemming was met het wettelijk voorschrift terzake. Om dit probleem weg te nemen, zo bleek uit de uitspraak, moest het uitvoeringsorgaan het besluit aanvullen met nadere regels die zouden waarborgen dat de hoogte van de boete ook op de mate van verwijtbaarheid afgestemd zou worden.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat, zoals reeds hiervoor weergegeven, sinds 1 februari 2001 de wettelijke opdracht aan het Lisv tot het stellen van nadere regels reeds vervallen was en vervangen door de opdracht tot het stellen van nadere regels bij amvb. De boeteoplegging in de betreffende casus dateert van vóór die datum. De opdracht van de CRvB om aanvullende nadere regels te stellen dient derhalve geïnterpreteerd te worden als een opdracht tot het stellen van nadere regels bij amvb, hetgeen met het onderhavige besluit wordt geregeld.

Met ingang van 1 januari 2002 werd het Lisv opgeheven en opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het UWV heeft vervolgens besloten «eigen» beleidsregels op te stellen die in overeenstemming zijn met de wet en deze neergelegd in het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 20021, in werking getreden met ingang van 20 juni 2002. Het laatstgenoemd besluit bevat dezelfde regels als het Besluit boete werkgevers ZW/WAO, maar dan aangevuld met regels die waarborgen dat de hoogte van de boete ook op de mate van verwijtbaarheid afgestemd wordt. Met het onderhavige besluit vervalt de toepassing van het besluit van het UWV.

De inwerkingtreding van de Wvp en de beschreven uitspraak van de CRvB vormen de aanleiding voor het stellen van de onderhavige nadere regels in verband met de hierboven bedoelde overtredingen.

Tot slot wordt het volgende opgemerkt in verband met de bedoelde verplichtingen in het kader van de WAO. Deze zijn met de inwerkingtreding van de Wvp per 1 april 2002 vervallen. Ingevolge het overgangsrecht in de Wvp kan na die datum voor een overtreding ervan nog wel oplegging van een boete plaatsvinden, indien de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid van de betrokken werknemer vóór die datum was gelegen (op grond van artikel XV, eerste lid, van de Wvp blijft artikel 71a van de WAO, zoals dat luidde voor 1 april 2002, in dat geval van toepassing).

De hoogte van de boete

In deze paragraaf wordt ingegaan op de hoogte van de boete die in principe wordt opgelegd, de criteria die vervolgens tot verhoging of verlaging van de boete kunnen leiden en tenslotte de situaties waarin van het opleggen van een boete afgezien moet c.q. mag worden.

Er is voor gekozen het beleid van het UWV terzake van de hoogte van de boete, zoals neergelegd in het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002, niet te wijzigen. De hoogte van de bij een (verwijtbare) overtreding in principe op te leggen boete, zoals in dat besluit neergelegd, wordt proportioneel geacht.

Dit houdt in dat voor het uitwerken van de nadere regels voor het bepalen van de hoogte van de boete, in twee opzichten een andere invalshoek is gekozen dan in het Boetebesluit socialezekerheidswetten is gedaan ten aanzien van de boeten die aan uitkeringsgerechtigden resp. verlofgangers en werkgevers kunnen worden opgelegd in verband met een overtreding van een verplichting in verband met het recht op uitkering resp. de financiële tegemoetkoming aan de verlofganger in het kader van de Wet arbeid en zorg.

Bij de laatstbedoelde overtredingen wordt de ernst van de overtreding en (daarmee) de hoogte van de in principe op te leggen boete bepaald aan de hand van de omvang van het benadelingsbedrag (de boete bedraagt in principe 10 % van het benadelingsbedrag).

In het onderhavige kader (overtredingen door werkgevers in het kader van de ZW en de WAO) geschiedt dit:

a. in gevallen van een overtreding van een verplichting tot het nakomen van een termijn, aan de hand van de omvang van de termijnoverschrijding. Aangezien dit niet een bedrag is waarvan een percentage kan worden genomen, is aan de omvang van de termijnoverschrijding, naargelang deze groter of kleiner is, een bepaald absoluut boetebedrag gekoppeld (in verband met het overtreden van bijvoorbeeld de verplichting om een hersteldmelding uiterlijk op de vierde dag van arbeidsgeschiktheid te melden, als volgt: indien de melding minder dan 7 dagen te laat is gedaan, moet een boete van in principe € 68,– worden opgelegd, en indien de boete meer dan 7 resp. 28 dagen te laat is gedaan, moet een boete van in principe € 227,– resp. € 454,– worden opgelegd).

b. in gevallen van een overtreding van een verplichting tot het verstrekken van juiste informatie, het indienen van een adequaat reïntegratieplan of het meewerken aan het opstellen of uitvoeren van een reïntegratieplan, aan de hand van de grootte van het belang dat wordt gehecht aan de nakoming van de betreffende verplichting. Om dezelfde reden als bij de hierboven onder a genoemde overtredingen, is aan die grootte een bepaald absoluut boetebedrag gekoppeld (bijv. staat op het onjuist opgeven van de datum van herstel in principe € 454,–, op het indienen van een niet-adequaat reïntegratieplan eveneens en op het niet-meewerken aan het uitvoeren van het reïntegratieplan in principel € 2269,–).

Er is voor gekozen deze uitwerking over te nemen, omdat het een door het uitvoeringsorgaan zelf ontwikkelde uitwerking is en er geen aanleiding bestaat hiervan af te wijken. Zoals hierboven aangegeven, wordt de hoogte van de boeten proportioneel geacht. Het realiseren van uniformiteit in de bedoelde opzichten, zou dan nog alleen tot doel hebben een gelijke systematiek tot stand te brengen als gedaan is in het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van dit besluit. Dit wordt geen voldoende reden geacht om de uitwerking van het UWV ten aanzien van werkgevers niet over te nemen in het onderhavige besluit. Een dergelijke verandering zou de uitvoering onnodig belasten.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten kan de berekende, in principe op te leggen boete worden verhoogd (mits de in de wet bepaalde maximumboete niet wordt overschreden) of verlaagd, door afstemming op de eerder genoemde drie criteria: de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding aan de betrokkene verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Met dit artikel wordt aangesloten bij de beleidslijn die is uitgewerkt in het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Daarin zijn de wettelijke criteria voor afstemming alleen in hoofdlijnen uitgewerkt. Nadere uitwerking is aan de uitvoeringsorganen overgelaten, die op grond van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd zijn beleidsregels op te stellen, voorzover geen nadere regels zijn gegeven. Dit wordt de juiste beleidslijn geacht, omdat het bij verdere uitwerking vrijwel geheel gaat om het bepalen van gronden waarop de in principe op te leggen sanctie in individuele gevallen verlicht of verzwaard zou kunnen worden. Bij de afstemming op individueel niveau gaat het om het wegen van aan een individu gebonden feiten en belangen. Daarvoor zouden zeer gedetailleerde en praktische regels gegeven moeten worden, zodat in elk individueel geval een optimaal adequate beoordeling en besluitvorming kan plaatsvinden. Een amvb is hiervoor niet het aangewezen instrument. Voor de opstelling van dergelijke regels zijn de uitvoeringsorganen het meest deskundig en het best geëquipeerd.

Tot slot wordt het volgende opgemerkt.

Ingevolge de betrokken wetten moet op elke verwijtbare overtreding een boete volgen. Dit houdt in dat een grond voor verlaging van de boete niet mag leiden tot oplegging van geen boete of tot afzien van oplegging van een boete. Alleen in de volgende situaties is het uitvoeringsorgaan verplicht dan wel bevoegd om van een boete af te zien:

• indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, moet afgezien worden van een boete;

• indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, mag afgezien worden van een boete.

Zoals tijdens de behandeling van het wetsvoorstel inzake de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid naar voren is gebracht, is de laatstgenoemde mogelijkheid alleen in de wet opgenomen omdat uitzonderingen op de algemene regel mogelijk moeten zijn indien in een individueel geval blijkt dat door een boete-oplegging voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Niet alleen financiële redenen maar ook immateriële redenen kunnen een rol spelen. Een nadere duiding van het begrip dringende reden is niet doenlijk, de bepaling is juist opgenomen voor niet precies te voorziene gevallen (Kamerstukken II 1995/96, 23 909, nr. 14, blz.15).

Het feit dat in het besluit geen verhoogde boete op recidive wordt gesteld, betekent niet dat het uitvoeringsorgaan geen verhoogde boete zou kunnen opleggen in geval van recidive. Recidive, en uiteraard in nog sterkere mate herhaalde recidive, kan van invloed zijn op de bepaling van de ernst van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid en daarom reden zijn voor verhoging van de boete, gelet op artikel 3, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit besluit luidt met ingang van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Het uitvoeringsorgaan kan dergelijke gronden voor een verhoogde boete opnemen in zijn beleidsregels als nadere uitwerking van de drie maatstaven voor de afstemming van de hoogte van de boete op de maat van het individuele geval.

Toetsing op uitvoerbaarheid en toezichtbaarheid

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op een concept van dit wijzigingsbesluit.

Het UWV heeft medegedeeld de voorgestelde wijzigingen goed uitvoerbaar te achten en meent dat de datum van inwerkingtreding geen knelpunten zal opleveren, mits het UWV tijdig geïnformeerd wordt over die datum.

De IWI heeft medegedeeld de voorgestelde wijzigingen goed toezichtbaar te achten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A, onder 1

Omdat de boete die aan de uitkeringsgerechtigde of verzekerde en aan de werkgever op grond van de Wet arbeid en zorg wordt opgelegd op andere wijze berekend wordt dan de boete die aan een werkgever op grond van de ZW en de WAO opgelegd kan worden, wordt er onderscheid gemaakt tussen de «boete» en de «werkgeversboete ZW/WAO». Hiertoe wordt het laatste begrip in artikel 1 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten gedefinieerd.

Artikel I, onderdeel A, onder 2

Dit artikellid wijzigt de bepaling waarin was aangegeven dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het bruto bedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend op grond van een in artikel 1 van dit Boetebesluit socialezekerheidswetten genoemde wet, als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Die begripsomschrijving van het benadelingsbedrag zou de vraag kunnen oproepen of ook reïntegratievoorzieningen onder deze begripsomschrijving vallen. Met reïntegratievoorzieningen worden bedoeld aan werknemers en arbeidsgehandicapten verstrekte reïntegratie-instrumenten, waaronder het persoonsgebonden reïntegratiebudget in de vorm van een subsidie (artikel 33 en 33a van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, hierna te noemen Wet REA) en het starterskrediet als bedoeld in artikel 30 Wet REA, alsmede verleende subsidies aan werkgevers als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Wet REA en de kosten van voorzieningen, van reïntegratietrajecten en van kinderopvang als bedoeld in de Wet REA. Onder reïntegratievoorziening wordt ook verstaan de ten onrechte ontvangen voorzieningen in het kader van de Werkloosheidswet, omdat het niet op een juiste wijze meewerken aan reïntegratietrajecten relevante informatie kan zijn voor op te leggen maatregelen op grond van de WW. Om te verduidelijken dat al deze ten onrechte ontvangen voorzieningen ook kunnen worden meegenomen om het bedrag van de benadeling te bepalen, is de begripsomschrijving van het benadelingbedrag aangepast. Voorts wordt opgemerkt dat met deze wijziging tevens beter wordt aangesloten bij de definiëring van «boete» in artikel 1, onderdeel p, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, waarin, wat de Wet REA betreft, wordt verwezen naar artikel 46. Uit dit artikel j° artikel 45 van de Wet REA vloeit voort dat niet alleen aan een uitkeringsgerechtigde/werknemer, maar ook aan een werkgever een boete opgelegd kan worden.

Artikel I, onderdeel B

In het nieuwe artikel 2a wordt aangegeven wanneer de verplichtingen tot hersteldmelding en het melden van de laatste werkdag, al dan niet bij aanspraak op ziektegeld, bedoeld in de artikelen 38, tweede en derde lid, en 38a, vijfde lid, van de ZW niet behoorlijk zijn nagekomen. Vervolgens wordt in het nieuwe artikel 2b de hoogte van de boete bepaald bij niet of niet behoorlijke nakoming van de bedoelde verplichtingen. Het is niet nodig gevonden aan te geven wanneer de bedoelde verplichtingen in het geheel niet zijn nagekomen. Dit zal in de praktijk immers duidelijk waarneembaar zijn.

In het nieuwe artikel 2c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten worden twee artikelen van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002 van toepassing verklaard op gevallen waarin de verplichtingen, bedoeld in artikel 71a, eerste of tweede lid, of in artikel 71a, vierde lid, van de WAO, zoals dat artikel luidde voor 1 april 2002, niet worden nagekomen ten aanzien van de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor die datum. Gelet op artikel XV, eerste lid, van de Wvp is het noodzakelijk genoemde artikelen op deze situatie van toepassing te verklaren. Ten aanzien van de werknemer wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen na 1 april 2002 bestaat geen plicht tot het indienen van of het meewerken aan het opstellen of uitvoeren van een reïntegratieplan (zie artikel II, onderdeel M, van de Wet verbetering poortwachter).

Artikel I, onderdeel C

In het nieuwe tweede lid van artikel 3 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt geregeld dat de werkgeversboete ZW/WAO verhoogd of verlaagd kan worden indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven. Dit is een uitwerking van de wettelijke opdracht om de werkgeversboete op die drie criteria af te stemmen.

In het nieuwe artikel 2b, eerste lid, onderdeel c en d en het tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten worden de op te leggen boetes in principe bepaald op € 454,–. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat deze boete op grond van het nieuwe tweede lid van artikel 3 slechts verlaagd en niet verhoogd kan worden, omdat de artikelen 38, vierde lid, en 38a, zesde lid, van de ZW bepalen dat de maximaal op te leggen boete € 454,– bedraagt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte


XNoot
1

Stb. 2000, 462, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juni 2002, Stb. 341.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)

XNoot
1

Besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 22 mei 2002 (Stcrt. 2002, 112).