Besluit van 26 juli 2002, houdende aanwijzing van middelen op grond van artikel 2, tweede lid, van de Opiumwet alsmede wijziging van lijst II, behorende bij de Opiumwet op grond van artikel 3, tweede lid, van die wet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 mei 2002, GMT/BMC 2281330;

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, en 3, tweede lid, van de Opiumwet;

De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2002, nr. W13.02.0227/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 juli 2002, GMT/BMC 2292401;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. Als middelen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Opiumwet worden aangewezen:

    a. 4-hydroxyboterzuur

    b. zolpidem.

  • 2. De in het eerste lid genoemde middelen worden geplaatst op onderdeel a, onder 2, van de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Artikel 2

Als middel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Opiumwet wordt aangewezen: N-methyl-1-(4-methoxyfenyl)-2-aminopropaan (paramethoxymethamfetamine).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 1 gedurende vier maanden na inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing is op zolpidem en 4-hydroxyboterzuur die industrieel worden vervaardigd en uitsluitend als geneesmiddel worden voorgeschreven op recept.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 26 juli 2002

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. J. Bomhoff

Uitgegeven de tweeëntwintigste augustus 2002

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

NOTA VAN TOELICHTING

Krachtens de artikelen 2, tweede lid en 3, tweede lid, van de Opiumwet kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepaalde middelen onder de werkingssfeer van die wet worden gebracht.

De Commission on Narcotic Drugs van de Verenigde Naties heeft tijdens zijn 44ste zitting besloten (besluiten 44/3 en 44/4) twee stoffen te plaatsen op Lijst IV van het Psychotrope Stoffen Verdrag (Trb. 1989, 129). Het betreft de middelen 4-hydroxyboterzuur (soms ook wel aangeduid als gammahydroxyboterzuur) en zolpidem. Als gevolg van dit besluit dienen beide middelen onder de werkingssfeer van de Opiumwet te worden gebracht.

4-hydroxyboterzuur en zolpidem worden ook als geneesmiddel gebruikt. Daarom krijgen handelaren en producenten van die middelen in de toepassingsvorm geneesmiddel, in de tijd tussen bekendmaking van dit besluit en het verstrijken van de in artikel 3 genoemde overgangstermijn, de gelegenheid om in het bezit te komen van een opiumverlof. Dit geldt ook voor industriële toepassingen van 4-hydroxyboterzuur. Andere consumptieve toepassingen bij de mens zijn echter verboden vanaf het moment dat dit besluit in werking treedt. Het betreft dan met name de toepassing als drug, die in de afgelopen periode onder meer op grootschalige feesten ingang heeft gevonden en een aantal dodelijke slachtoffers heeft geëist.

Het Europese Waarnemingscentrum voor drugs en drugverslaving te Lissabon heeft op basis van artikel 4(3) van het Gemeenschappelijk Optreden 97/396/JHA van 16 juni 1997 een risicoschatting uitgevoerd voor de stof paramethoxymethamfetamine, doorgaans afgekort tot PMMA. Op grond van deze risicoschatting hebben de EU-lidstaten in de Horizontale Drugs Groep op 29 oktober 2001 een ambtelijk akkoord bereikt om PMMA onder controle te brengen en een besluit tot een verbod van PMMA krachtens artikel 5 van het Gezamenlijk Optreden aan de Raad voor te leggen.

Op 28 februari 2002 heeft de Raad van de Europese Unie bij besluit 2002/188/JHA tot een dergelijk verbod besloten. Dit verbod is bindend en dient door de lidstaten binnen drie maanden geïmplementeerd te worden. Het eerste lid van artikel 1 strekt daartoe.

Van PMMA is geen andere toepassing bekend dan als drug. Daarom is afgezien van een periode van vrijstelling voor dit middel na de inwerkingtreding van dit besluit.

Met dit besluit worden deze wijzigingen in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.

De organisaties van apotheekhoudenden en van farmaceutische groothandels zijn van het verbod op de hoogte gebracht nadat het betreffende ministerraadsbesluit daartoe was genomen.

De bekendmaking van de nieuwe verboden zal ook plaatsvinden door middel van een persbericht.

De handhaving van de verboden zal plaats vinden op de voor opiumwetmiddelen gebruikelijke wijze.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven